CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

8.1 Ontwerpbestemmingsplan Landelijk gebied Johannes Postweg 7 8 9 Nagele (3)-compressed.pdf

Commissie Woonomgeving 15 januari 2024, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 8: (Ontwerp)bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Johannes Postweg 7, 8 en 9 te Nagele’19.226 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage 3

Digitale watertoets

Digitale Watertoets Resultaat van de check gedaan op 30-01-2023 11:31

Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.

VOOR DE ACTIVITEIT DIGITALE WATERTOETS IS OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN NODIG: 1.

normale procedure

2.

Advies geen primaire waterkeringen

3.

Advies voldoende water: thema wateroverlast (landelijk)

4.

compensatie norm 5,50Zo

5.

Advies watersysteem

6.

Advies nieuw open water

7.

Advies geen regionale waterkeringen

8.

Advies geen overige kering

9.

Advies aandachtsgebied wateroverlast en onvoldoende drooglegging 2050

OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE

30-01-2023

Pagina 1 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

30-01-2023

Pagina 2 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE CHECK 1.

Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt? »

2.

Is er sprake van een uitbreiding of wijziging van de lozing(en)? «

3.

nee

Kernzone overige kering *

11.

nee

Buitendijksgebied beschermd *

10.

nee

Buitendijksgebied dubbelregime «

9.

nee

Buitendijksgebied kernzone »

8.

nee

Primaire waterkering buitenbeschermingszone »

7.

nee

Primaire waterkering tussenbeschermingszone «

6.

nee

Primaire waterkering binnenbeschermingszone *

5.

nee

Primaire waterkering kernzone *

4.

nee

nee

Beschermingszone overige kering «

30-01-2023

nee

Pagina 3 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets 12.

Aandachtsgebieden wateroverlast en onvoldoende drooglegging 2050 .

13.

Neemt het verhard oppervlak in stedelijk gebied toe? «

14.

nee

Compensatie toename verharding (5,5Z) .

23.

nee

Compensatie toename verharding (5,00Zo) «

22.

nee

Compensatie toename verharding (4,5Zo) *

21.

nee

Compensatie toename verharding (4,0Zo) *

20.

ja

Kwelkwaliteit slecht «

19.

nee

Wordt er nieuw open water aangelegd? (bijv. ter compensatie toename verharding) .

18.

ja

Is er sprake van afstromend regenwater van een oppervlak van 50 of meer parkeerplaatsen en/of een weg met meer dan 1000 voertuigbewegingen per dag? »

17.

ja

Betreft het een nieuw verhard oppervlak in landelijk gebied groter dan 2500 m2 of in stedelijk gebied groter dan 750m2? .

16.

nee

Neemt het verhard oppervlak in landelijk gebied toe? .

15.

ja

ja

Compensatie toename verharding (6,0Z)

30-01-2023

Pagina 4 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets * 24.

Overweegt u infiltratiebermen of wadi's aan te leggen ter compensatie van de toename van verharding? *

25.

nee

Wordt er in het plangebied mogelijk gebruik gemaakt van bodemenergie, ook wel warmte koude opslag (WKO) genoemd? «

29.

nee

Worden in het plan maatregelen getroffen waardoor het waterpeil verandert met 10 cm of meer? «

28.

nee

Is er binnen het plangebied sprake van de toelating, aanwezigheid of aanleg van drijvende woningen/woonboten? «

27.

nee

Worden kunstwerken zoals bijvoorbeeld duikers of bruggen aangelegd? «

26.

nee

nee

Rijkswater »

30-01-2023

nee

Pagina 5 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS i.

normale procedure Op basis van de uitgevoerde digitale watertoets volgt u de normale procedure.

Wat moet ik doen? "U dient een waterparagraaf op te nemen in uw ruimtelijke plan. Zo onderbouwt u een goede ruimtelijke ordening voor het omgevingsaspect water. Onderstaande concept-waterparagraaf kunt u gebruiken als basis. Deze vult u aan met de teksten van de relevante adviezen en concrete uitwerkingen voor de ontwikkeling. De relevante wateraspecten, zoals waterkeringen, rioolwaterzuiveringen en oppervlaktewater, neemt u ook op in de verbeelding en/of in de regels van het ruimtelijk plan. In de loop van 2021 wordt de digitale watertoets nog geoptimaliseerd om u een beter resultaat te geven. Gebruik de knop..... DIRECT AANVRAGEN...... om Waterschap Zuiderzeeland op de hoogte te stellen van uw plannen. Hiervoor is een eenmalige registratie benodigd. Als u een wateradvies wilt ontvangen stuurt u uw uitgewerkte conceptwaterparagraaf mee met de aanvraag of via watertoets@zuiderzeeland.nl.

Concept waterparagraaf normale procedure Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig.

Wet- en regelgeving en beleid De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier opgenomen.

KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van 30-01-2023

Pagina 6 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.

Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren schoonhouden, scheiden en zuiveren

Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het 'gebiedseigen water' wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving.

Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027. Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale 30-01-2023

Pagina 7 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico's, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten.

Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland De Watervisie verbindt waterthema's en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater."

Waar moet ik op letten? Het (concept)wateradvies is geen aanvraag voor een (water)vergunning. U dient zelf na te gaan welke meldingen en vergunningen nodig zijn om het plan te realiseren. Of u meldingen en/of een vergunningaanvraag moet indienen bij het waterschap kunt u nagaan op onze website of via een vergunningcheck: Vergunningen | Waterschap Zuiderzeeland https://www.zuiderzeeland.nl/vergunningen

Achtergrondinformatie Voor meer informatie over het watersysteem in uw plangebied kunt u terecht op: https://geo-zzl.opendata.arcgis.com/. U vindt hier datasets, services en kaarten die vrij te gebruiken zijn. Zoals informatie over het oppervlaktewatersysteem met kunstwerken, de peilgebieden, de ligging van waterkeringen en de afvalwaterketen. Heeft u vragen of suggesties over deze Digitale Watertoets? Laat het ons weten per e-mail: watertoets@zuiderzeeland.nl of telefonisch: 0320-274 911. Waterschap Zuiderzeeland, Postbus 229, 8200 AE Lelystad https://www.zuiderzeeland.nl

30-01-2023

Pagina 8 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS 2.

Advies geen primaire waterkeringen Geen primaire waterkering geraakt.

Wat moet ik doen? Onderstaande tekst neemt u op in de waterparagraaf. Dit in aanvulling op het algemene deel van de waterparagraaf.

Thema Waterveiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een primaire waterkering. Voor het onderdeel primaire waterkering zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

Waar moet ik op letten?

Achtergrondinformatie

30-01-2023

Pagina 9 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS 3.

Advies voldoende water: thema wateroverlast (landelijk) U moet compenseren voor de toename in verharding in landelijk gebied.

Wat moet ik doen? Onderstaande tekst neemt u op in de waterparagraaf. Dit in aanvulling op het algemene deel van de concept waterparagraaf.

Thema Voldoende Water Wateroverlast Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.

Uitgangspunten wateroverlast: Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoeŕ is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013.

Randvoorwaarde(n) wateroverlast Het plangebied ligt in landelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met m2 toe. Deze toename is groter of gelijk aan 2.500 m2. Hiervoor is compensatie noodzakelijk. Vul aan met: *

een beschrijving van de fysieke wijzigingen

m

een kwantificering van de netto toename in verharding

*

de locatie en wijze van compensatie

m

een kwantificering van de compenserende waterberging

Waar moet ik op letten? 30-01-2023

Pagina 10 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets Achtergrondinformatie

30-01-2023

Pagina 11 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS 4.

compensatie norm 5,507o Ontwerprichtlijnen bij compensatie middels nieuw oppervlaktewater.

Wat moet ik doen? Onderstaande tekst neemt u op in de waterparagraaf bij het onderdeel wateroverlast. Ontwerprichtlijnen compensatie toename verharding De oppervlakte te realiseren waterberging is gerelateerd aan de maximaal toelaatbare peilstijging in het peilvak en de netto oppervlakte nieuw te realiseren verharding. Het plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij S.5% van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd. -Als in de tekst sprake is van meerdere opgegeven percentages voor compensatie van de toename van verharding dan betekent dit dat het plangebied zich over meerdere peilgebieden uitstrekt. Het percentage kan namelijk per peilgebied verschillen^ Bij de hantering van de bergingsnorm (onderdeel van beleidsregel compensatie toename verharding en versnelde afvoer) gaat het om het benodigde oppervlak open water op de hoogte van het streefpeil. Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen worden bij voorkeur in het eigen projectgebied gevonden. Als dit niet mogelijk is, wordt dichtbij het projectgebied compensatie gezocht. Dit moet binnen hetzelfde peilgebied zijn of eventueel benedenstrooms. De compensatie wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. De reeds aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen.

Optioneel: natuurvriendelijke oevers: Bij aanleg van natuurvriendelijke oevers is een reductie op de compensatieverplichting mogelijk. Deze reductie is afhankelijk van de extra berging die wordt gecreëerd door de toepassing van flauwe taluds (1:4 of flauwer).

Waar moet ik op letten?

Achtergrondinformatie

30-01-2023

Pagina 12 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS 5.

Advies watersysteem Aandachtspunten bij gevolgen voor het bestaande watersysteem.

Wat moet ik doen? Van onderstaande tekst neemt u de relevante delen op in de waterparagraaf. Dit in aanvulling op het algemene deel van de concept waterparagraaf. In de loop van 2021 wordt dit adviesonderdeel nader uitgewerkt. Over beoogde wijzigingen dient mogelijk eerst overeenstemming te zijn met het waterschap voordat een positief wateradvies gegeven kan worden. Wj vragen u om contact op te nemen met het waterschap via watertoets@zuiderzeeland.nl

Thema Voldoende Water Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarden goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Optioneel: Dempen bestaand oppervlaktewater In het plangebied wordt water gedempt. Voordat met enige demping wordt gestart, dient de compensatie van open water (verleggen, verbreden of nieuw aanleggen) te zijn aangelegd.

De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit het Besluit Bodemkwaliteit en /of de waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland. Vul aan: beschrijf de eventueel beoogde wijzigingen in en/of gevolgen voor het bestaande watersysteem, eventueel na afstemming met het waterschap.

Waar moet ik op letten?

Achtergrondinformatie

30-01-2023

Pagina 13 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS 6.

Advies nieuw open water Aandachtspunten bij aanleg van nieuw open water.

Wat moet ik doen? Van onderstaande tekst neemt u de relevante delen op in de waterparagraaf. Dit in aanvulling op het algemene deel van de concept waterparagraaf. In de loop van 2021 wordt dit adviesonderdeel nader uitgewerkt. Over beoogde wijzigingen dient mogelijk eerst overeenstemming te zijn met het waterschap voordat een positief wateradvies gegeven kan worden. Wj vragen u om contact op te nemen met het waterschap via watertoets@zuiderzeeland.nl

Goede structuurdiversiteit Streefbeeld: Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Uitgangspunt: Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Randvoorwaarde(n) nieuw oppervlaktewater: Oppervlaktewater met een doelstelling voor goede chemische en/of biologische waterkwaliteit (vaak helder) wordt niet nadelig beïnvloed door water met een lagere waterkwaliteitsdoelstelling (vaak troebel). Negatieve chemische beïnvloeding van de ecologische (water)kwaliteit of het ecologische functioneren van wateren, door ruimtelijke ontwikkelingen wordt voorkomen, omdat compensatie zeer beperkt mogelijk is. Vul aan met een beschrijving van de wijzigingen.

Waar moet ik op letten? "Ontwerprichtlijnen van nieuw water en kunstwerken staan uitgebreid beschreven in het Waterkader van het waterschap. Het Waterkader kunt u vinden op www.zuiderzeeland.nl (zoek naar Waterkader).

Ontwerprichtlijnen nieuw oppervlaktewater: Bij de inrichting van het watersysteem dient water met een hogere kwaliteit te stromen naar water met een lagere kwaliteit. Er moet gezorgd worden voor voldoende watercirculatie. Negatieve chemische beïnvloeding van de ecologische (water)kwaliteit of het ecologische functioneren van wateren door ruimtelijk ontwikkelingen wordt voorkomen, omdat compensatie zeer beperkt mogelijk is. Compensatie voor verslechtering van ecologische omstandigheden en/of van waterkwaliteit is maatwerk en vindt altijd plaats in overleg met het waterschap. Bij compensatie van delen van KRW-waterlichamen worden binnen hetzelfde waterlichaam die trajecten gekozen die qua abiotiek en biotiek vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke kenmerken van het te compenseren KRW-water. Voor niet-KRW30-01-2023

Pagina 14 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets wateren kan compensatie, in sommige gevallen buiten hetzelfde watersysteem uitgevoerd worden.

Oevers: In het landelijk gebied worden oevers bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Hierbij wordt rekening gehouden met het Programma natuurvriendelijke en duurzame oevers 2012-2021. De basisinrichting van duurzame oevers, het accoladeprofiel, bestaat uit een plasberm van 2 meter breed en circa 40 cm diep, en een oever met een helling van 1:2. Natuurvriendelijke oevers hebben een talud van 1:5 of flauwer; afhankelijk van de beschikbare ruimte en functie kan lokaal een steiler talud worden toegepast. Het weghalen van natuurvriendelijke en/of duurzame oevers wordt binnen hetzelfde KRW-waterlichaam gecompenseerd. Oevers met vegetatie worden vanaf de oever met een kraan onderhouden. Dit is het minst verstorend voor de waterkwaliteit. Het verdient de voorkeur om bomen niet direct langs de oever te planten om bladinval en schaduwwerking te voorkomen. Als dit toch gebeurt, worden bomen ten behoeve van de waterkwaliteit aan de noord- en oostzijde van het water geplant. Dit maakt voldoende licht inval mogelijk. Bij realisatie van nieuw (stedelijk) water wordt de functie en het gewenste kwaliteitsniveau aan het watersysteem toegekend. Deze zijn bepalend voor de inrichting. Als inrichtingsvarianten voor stedelijk water worden stadswater, water voor beleving en water voor natuur onderscheiden. Kademuren worden over beperkte lengte toegepast.

Ophoping van drijfvuil wordt voorkomen. Watergangen smaller dan 20 meter bevatten geen doodlopende einden. Bekijk of een vuilrooster noodzakelijk is bij kunstwerken. Pas alleen roosters met verticale spijlen toe, zodat schoonmaken met een hark mogelijk is. Permanent watervoerende watergangen in het stedelijk gebied dienen te voldoen aan een technisch profiel en hebben een minimale waterdiepte van 1,2 meter bij streefpeil, een minimale bodembreedte van 1 meter en een talud van 1:3 of flauwer. Grotere waterpartijen en plassen hebben een waterdiepte van minimaal 1,5 meter bij streefpeil. In het geval een Stedelijk Waterplan is vastgesteld, wordt uitgegaan van in het plan aangegeven profielen per gebruiksfunctie. Voor de dimensionering van sloten, vaarten en tochten in het landelijk gebied wordt de legger van Waterschap Zuiderzeeland gevolgd.

Optioneel: Waterplassen Grotere waterpartijen en plassen worden onderscheiden in diepe en ondiepe waterplassen. Ondiepe plassen variëren in diepte tot 4 meter. Diepe plassen zijn meer dan 4 meter diep. Bij beide typen is een goede verhouding tussen ondiepe en dieper delen noodzakelijk voor een goed chemisch en ecologisch functioneren. Grotere waterpartijen hebben een waterdiepte van minimaal 1,5 meter bij streefpeil; plaatselijk zijn verdiepingen van de waterbodem tot een diepte van 2,5 meter gewenst. Afhankelijk van de grootte en de functie kan de voorkeur worden gegeven aan een geïsoleerde diepe (recreatie)plas of een (kleinere) met het watersysteem verbonden ondiepe plas (met meer ruimte voor vegetatie). Ondiepe plassen worden omzoomd door brede gordels van boven het water uitstekende planten, bevatten eilandjes en zijn 0 - 2,5 meter diep. 15 tot 300Zo van het areaal van grote waterpartijen en plassen is minimaal 1,5 meter diep. De rest (70 tot 850Zo) van het areaal is daarmee ondieper dan 1,5 meter. Afhankelijk van de functie kan een uitzondering worden gemaakt. Bijvoorbeeld bij een vaarfunctie, waarbij een diepte van meer dan 3 meter gewenst is, om overmatige waterplantengroei te voorkomen. 30-01-2023

Pagina 15 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

In diepe plassen wordt 300Zo van het oeverareaal ingericht als rietzone met aansluitend een waterfase van 0,8 - 2,0 meter diep (afhankelijk van het doorzicht). De rest van de diepe plas mag maximaal 10 meter diep zijn.

Achtergrondinformatie

30-01-2023

Pagina 16 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS 7.

Advies geen regionale waterkeringen Geen regionale waterkering geraakt.

Wat moet ik doen? Onderstaande tekst neemt u op in de waterparagraaf. Dit in aanvulling op het algemene deel van de concept waterparagraaf.

Thema Waterveiligheid: Het plangebied ligt niet buitendijks. Voor het onderdeel regionale waterkeringen zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

Waar moet ik op letten?

Achtergrondinformatie

30-01-2023

Pagina 17 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS 8.

Advies geen overige kering Geen overige waterkering geraakt.

Wat moet ik doen? Onderstaande tekst neemt u op in de waterparagraaf. Dit in aanvulling op het algemene deel van de concept waterparagraaf.

Thema Waterveiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een overige waterkering. Voor het onderdeel regionale waterkering zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

Waar moet ik op letten?

Achtergrondinformatie

30-01-2023

Pagina 18 van 19

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS 9.

Advies aandachtsgebied wateroverlast en onvoldoende drooglegging 2050 Het plangebied ligt in een aandachtsgebied voor wateroverlast en onvoldoende drooglegging.

Wat moet ik doen? Onderstaande tekst neemt u op in de waterparagraaf. Dit in aanvulling op het algemene deel van de concept waterparagraaf.

Thema Voldoende Water Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt wateroverlast: Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is (gedeeltelijk) gelegen binnen een aandachtsgebied voor wateroverlast. In gebieden waar bodemdaling nu of in de toekomst tot geringe drooglegging leidt, verdient het de voorkeur bij de aanleg afdoende maatregelen te nemen om de effecten van die geringe drooglegging tegen te gaan. Vul aan: vermeld hier het resultaat van het vooroverleg met het waterschap inzake wateroverlast in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling.

Waar moet ik op letten?

Achtergrondinformatie

30-01-2023

Pagina 19 van 19

https://dewatertoets.nl

__________________

ro/nsultancy

„ QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING JOHANNES POSTWEG 7, 9 EN 8A TE NAGELE

oo Ecologie

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Johannes Postweg 7, 9 en 8a te Nagele Opdrachtgever

KWS Benelux Johannes Postweg 8 8308 PB Nagele

Rapportnummer Versienummer

14387.003 D1

Status

Eindrapportage

Datum

27 januari 2021

Vestiging

Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl

Opsteller

De heer E.A. Tiemersma, BSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer ing. E.R. Witter

Paraaf

N G B

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onder­ zoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belan­ gen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belangheb­ benden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand­ boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke be­ slissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING...................................................................................................................................1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING..........................................................................................................2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving............................................................... 2 Toekomstig gebruik vande onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen...................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK......................................................................................................5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN.................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels................................................................................................................................9 Vleermuizen.....................................................................................................................10 Overige zoogdieren ....................................................................................................... 12 Reptielen, amfibieën envissen......................................................................................... 12 Ongewervelden................................................................................................................13 Vaatplanten.................................................................................................................... 13

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING..........................................................................14 6.1 6.2 6.3

7

Zorgplicht...........................................................................................................................6 Soortenbescherming ....................................................................................................... 6 Gebiedenbescherming......................................................................................................7 Houtopstanden..................................................................................................................8

Broedvogels.....................................................................................................................14 Vleermuizen................................................................................................................... 14 Overige soort(groep)en...................................................................................................15

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING.........................................................................16 7.1 7.2

Natura 2000.....................................................................................................................16 Natuurnetwerk Nederland................................................................................................17

8

HOUTOPSTANDEN..................................................................................................................18

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ...................................................................................... 19

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 14387.003

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van KWS Benelux opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Johannes Postweg 7, 9 en 8a te Nagele. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de sloop van meerde schuren en nieuwbouw. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorge­ nomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebie­ den die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecolo­ gisch onderzoek.

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 1 van 20

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 1 hectare) ligt aan de Johannes Postweg 7, 9 en 8a, circa 3 kilometer ten noorden van de kern van Nagele. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 177.580, Y = 520.480.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft (een deel) van het op de locatie aanwezige erf met opstallen en beplan­ ting (windsingels). De bebouwing bestaat uit vier schuren waarvan drie in gebruik zijn als opslag van landbouwmachines en één als werkplaats, en een woonhuis. Daarnaast bestaat de onderzoekslocatie voornamelijk uit verharding en grasvelden. De onderzoekslocatie wordt begrens met bomenrijen en afwateringsloten. De onderzoekslocatie is gevestigd te midden van agrarische akkers. De onderzoekslocatie maakt deel uit van een groter complex wat toebehoort aan KWS Potato BV. Aan de overkant van de Johan­ nes Postweg is het kantoor gevestigd met daarnaast broeikassen en een bedrijvenpand. Direct te westen van de onderzoekslocatie is een woning met tuin gevestigd (Johannes Postweg 7). Ten noordwesten loopt de snelweg A6. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figu­ ren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 2 van 20

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Bomenrij met afwateringsloot te midden van de onderzoekslocatie. Links en rechts opstallen.

Figuur 4. De noordwestelijk gelegen schuur op de onderzoekslocatie.

Figuur 5. De drie aaneengesloten schuren aan de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 6. Opslag van materiaal achter een van de schuren.

Figuur 7. Bomenrij en afwateringsloot te oosten van de onderzoekslocatie.

Figuur 8. Te slopen woning op de onderzoekslocatie.

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 3 van 20

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens op deze locatie de komende jaren uit te breiden en daarvoor zullen de bestaande opstallen (deels) worden gesloopt. Ook de windsingels zullen hiervoor worden verwij­ derd. In figuur 9 is een overzicht weergegeven hoe de toekomstige situatie op en rond de onder­ zoekslocatie eruit zal komen te zien.

bebouwingsruimte OPDIKKEN

Johannes Postweg 7 1,5 ha

voorzone grõeh tax 5096 bebouwt!

« bebouwingsruimte OPDIKKEN

Kotato b V

Johannes Postweg 9 1,5 ha

Johannes Postweg 8 1,73 ha

voorzone groen iax 5096 bebouwd

voorzone groerU max 5096 bebouwi VERDUBBELEN

bebouwingsruimte Johannes Postweg 8a 1,5 ha

KWS

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 4 van 20

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 12 januari 2020. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Vanwege de aanwezigheid van zolders is er met behulp van onder andere een zaklantaarn gezocht naar de aanwezigheid van rust- voorplantingsplaatsen van vleermuizen, overige zoogdieren en vo­ gels. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Flevoland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige on­ derzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.

Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 5 van 20

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: ^ ^ ^

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maat­ schappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhisto­ rische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt gro­ tendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mo­ gelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden verme­ den. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht.

4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aan­ wezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internati­ onale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hier­ door zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; ^ ^ ^

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 6 van 20

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.

4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Euro­ pese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrok­ kenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschap­ pen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Ne­ derlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strik­ te voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergun­ ningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.

4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen na­ tuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: ^ ^ ^ ^ ^

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 7 van 20

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit net­ werk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelf­ standige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toege­ licht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescher­ ming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te plan­ ten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrek­ king tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 8 van 20

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat Z verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorko­ men. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgeno­ men plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voort­ planting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: buizerd, gierzwaluw, huismus, kerkuil, steenuil, ransuil, roek, sperwer. Buizerd, havik, ransuil en sperwer De bomen op de onderzoekslocatie zijn gecontroleerd op nesten van buizerd, havik, ransuil, roek en sperwer. Deze zijn niet aangetroffen, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten als gevolg van de kap van bomen op de onderzoekslocatie Gierzwaluw, huismus, kerkuil en steenuil De bebouwing op de onderzoekslocatie is gecon­ troleerd op nestgelegenheden en nesten van huismus, kerkuil en steenuil. De schuur met zol­ der is niet toegankelijk voor uilen. De gevel is dusdanig geconstrueerd dat er geen openingen zijn (figuur 10). Ook de andere schuren zijn on­ toegankelijk voor grotere vogelsoorten. Potentiele nestgelegenheid is er alleen voor de huismus ter plaatse van het woonhuis. Tijdens het veldbezoek werden in de omgeving en op de onderzoekslocatie geen huismussen waargeno­ men. Daarnaast bestaat de directe omgeving uit Figuur 10. Afwerking gevel schuur. agrarisch gebied, wat niet geschikt habitat voor de huismus is. De huismus heeft behalve broedgelegenheid nog meer habitateisen binnen het leefgebied dan alleen nestgelegenheid.

Eén daarvan is de aanwezigheid van groene elementen om te kunnen schuilen en om voedsel te kunnen vinden (met name insecten in de jongen periode). Dit is de reden waarom de soort vooral in de buitenwijken, langs randen van de bebouwde kom voorkomt. De onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit ver­ hard terrein en bomenrijen en rond de onderzoekslocatie liggen overwegend akkers wat de locatie niet geschikt maakt voor huismussen.

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 9 van 20

5.1.2

Overige broedvogels

De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals houtduif, winterkoning en roodborst. In een van de bomen is een verlaten nest van een houtduif aangetroffen (figuur 11). Daarnaast is tijdens de inspectie van de zolder een roodborst aan­ getroffen. Dit betekent dat de zolders wel toegankelijk zijn voor kleine vogels die hier een nestmoge­ lijkheid vinden. Daarnaast zijn langs de dakrand openingen tot de gootbekisting gevonden (figuur 12). Het is mogelijk dat soorten als houtduif en merel de gootbekistting gebruiken als nestlocatie en het hooi van de zolder gebruiken als nestmateriaal (figuur 13). De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

Figuur 11. Verlaten nest houtduif.

Figuur 12. Opening tot gootbekisting.

Figuur 13. Dakgoot met rietresten.

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. De bomen op de onderzoekslocatie zijn geïnspecteerd op holen en grote nesten. Deze zijn niet aangetroffen, waardoor deze soorten kunnen worden uitgesloten van de onderzoekslocatie.

5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Ne­ derland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, tweekleurige vleermuis, meervleermuis, en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De hooizolder in de noordwestelijk elegen schuur is gecontroleerd op de aanwezigheid van grootoorvleermuizen, welke in de nok van zolders kunnen verblijven buiten de winterperiode. Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en sporen zoals uitwerpselen aangetroffen. Daar­ naast is er geen beschot aanwezig omdat het riet grotendeels is weggevallen (figuur 14). Hierdoor is er tocht aanwezig op de zolder en zijn er geen wegkruipmogelijkheden. Door de combinatie van deze factoren valt de aanwezigheid van vleermuizen hier uit te sluiten. Voor de werkplaatsen zuidoostelijk gelegen geldt dat deze nog veelvuldig in gebruik zijn en betreden worden. Ook is hier het riet al gro­ tendeels weggevallen in de nok (figuur 15). De twee kleinere schuren die fungeren als opslag/stalling zijn van binnen volledig afgewerkt met purschuim (figuur 16). Aanwezigheid van vleermuizen op deze locaties zijn redelijkerwijs uit te sluiten.

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 10 van 20

Figuur 14. Nok hooizolder linker schuur met afvallend riet.

Figuur 15. Nok rechter schuur/ werk­ plaats.

Figuur 16. Opslag/stalling kleine schu­ ren, afgewerkt met purschuim.

De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. De woning op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen langs de gordingen die toegang verlenen tot de spouwmuren (figuur 17 en 18). Daarnaast zijn er geschikte spleten aanwezig onder de dakrand en dakpannen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken (figuur 19). Het gehele pand is daardoor geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf, paarverblijf en winterverblijfplaats. Alhoewel de open agrarische ligging van de onderzoekslocatie over het algemeen weinig geschikt is als habitat voor vleermuizen zijn er wel potentiele vliegroutes in de vorm van bomenrijen langs de Johannes Postweg, en twee bekende verblijfplaatsen in de buurt (Nagele) aanwezig (Limpens, et. al, 2017). Aanwezigheid van vleermuizen valt daarom dus niet uit te sluiten.

Bij de sloop van de bebou­ wing kan daarom sprake zijn van vernielen ten aanzien van een vaste rust- of voortplantingsplaats van desbetreffende soorten.

Figuur 17. Openingen onder overschot woning.

Figuur 18. Grote opening langs gording woning.

Figuur 19. Opening onder dakpannen woning.

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Naast de onderzoekslocatie bevindt zich een woning met opslag (Johannes Postweg 7). Eventuele verblijfplaatsen kunnen hinder ondervinden van de werkzaamheden in de bouwfase. Het voorkomen van directe lichtbronnen gericht op deze woning is voldoende om overtreding van de Wet natuurbe­ scherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Foerageerhabitat Enkel in het geval er sprake is van aanwezigheid van vleermuizen in de bebouwing op de onder­ zoekslocatie zullen de bomen fungeren als foerageergebied. Het zogenaamde "eerste foerageren"

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 11 van 20

speelt een belangrijke rol bij aanwezigheid van een kraamgroep. Nader onderzoek naar vleermuizen zal deze functie moeten aantonen of uitsluiten. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herin­ richting van de onderzoekslocatie worden een deel van de bomenrijen gekapt waardoor een deel van de lijnvormige landschapselement verdwijnt. Echter zal door de geïsoleerde ligging van de onder­ zoekslocatie deze bomenrijen niet fungeren als vliegroute maar eerder als foerageerplek, waardoor geen potentiele vliegroutes worden verstoord.

5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bunzing, steenmarter en wezel. Streng beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn in de schuren geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die dui­ den op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te tref­ fen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Kleine marterachtigen zoals de bunzing en wezel komen voor in de omgeving van de onderzoekslo­ catie.

Deze soorten maken gebruik van takkenrillen, takkenhopen, schuurtjes, boomstobben of hopen organisch materiaal als schuilmogelijkheden en foerageergebied. Dit habitat bevindt zich in de groen­ stroken rond de onderzoekslocatie maar ontbreekt op de onderzoekslocatie volledig. Vanwege het ontbreken van deze habitats zullen de werkzaamheden niet tot aantasting leiden van schuilmogelijk­ heden en belangrijk foerageergebied. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit verharding waardoor er weinig geschikt habitat voor algemene grondgebonden zoogdieren aanwezig is. Verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingrepen daarom ook niet aangetast.

5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers van de onderzoeksloca­ tie géén reptielensoorten waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrek­ king hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptie­ len aanwezig.

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 12 van 20

Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (van Delft et al. 2015) en NDFF zijn binnen enkele kilo­ meters van de onderzoekslocatie géén streng beschermde amfibieën waargenomen. De onderzoekslocatie bestaat uit grootschalige cultuurgrond en biedt daarmee ook geen geschikt habitat voor streng beschermde amfibieën. Op de onderzoekslocatie kunnen mogelijk enkele algemene amfibieënsoorten als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander voorkomen. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). De sloten langs de onderzoekslocatie kunnen voortplantingswater bieden. Echter zullen deze sloten niet worden gedempt. Vissen Het aanwezige water droogt in de zomer op. De sloot, die zich aan de noord-, oost- en zuidzijde van de onderzoekslocatie bevindt, kan wel leefgebied vormen voor vissen. De sloot wordt door de ingreep op de onderzoekslocatie niet aangetast, waardoor er geen overtredingen van de Wet natuurbescher­ ming te verwachten zijn met betrekking tot beschermde vissoorten.

5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veel­ al alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te ver­ wachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

5.6

Vaatplanten

Volgens de gegevens van de verspreidingsatlas komen er geen beschermde vaatplanten voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Aangezien de locatie geheel bestaat uit intensief beheerde ak­ ker is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.

Rapport 14387.003 versie D1

Pagina 13 van 20

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van ver­ bodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2109/documents/37014