8.1 Bestemmingsplan Marknesse Zuid - fase 4.pdf
Tekst van het document
Afbeelding 4.2
Uitsnede de overzichtskaart kernkwaliteiten van het Flevolandse landschap (Bron: provincie Flevoland)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld De kernkwaliteiten in het plangebied zijn: 1.
Waterbouwkundig bouwwerk: Gemalen en sluizen
Een belangrijke kernwaarde is het vrij zicht vanuit de omgeving op de gemalen en sluizen, omdat deze naast het symbool van de strijd tegen het water een het toonbeeld van ingenieurskunst zijn. De gemalen en sluizen vormen ankers in het landschap. Ze zijn van oorsprong van veraf goed herkenbaar en zichtbaar. Dit in combinatie met de zichtbaarheid van de dijkzones. 2.
Hoofdstructuur per polder: Dorpenring en assenkruis Noordoostpolder
De dorpenring in de Noordoostpolder verbindt de kernen met elkaar. De ring is een cruciale dragende structuur die de concentrische opbouw van de polder volgt en deze in verschillende relatief open gebieden verdeelt. Het poldergebied aan de binnenzijde van de dorpenring is het meest open en grootschalig van karakter. Bij aanleg werd de dorpenring bijna geheel beplant met een groenstructuur. Een tweede dragende structuur voor de polder wordt gevormd door het assenkruis. Het assenkruis is opgebouwd enkele hoofdwaterwegen die zijn beplant met dichte singels. Deze structuur verbindt de kern Emmeloord via radialen met de dorpenring. 3.
Maaiveld: Openheid en Mondriaanlandschap; Poldernatuur
Samenvattend wordt de kernkwaliteit gevormd door het licht en het een steeds wisselend kleurenpalet. Ook door de ervaring van de luchten en de weidsheid en de zichtbare verre horizon. Een Mondriaanlandschap met licht, lucht en ruimte. Openheid is een breed gedeelde kernkwaliteit die belangrijk is voor de identiteit van Flevoland. Deze kernkwaliteit vraagt om zorgvuldigheid en aandacht vanwege de dynamiek in het landschap. De Flevolandse natuur is bijzonder omdat ze is ontstaan op door mensen aangelegd land. De poldernatuur laat hierdoor een symbiose zien tussen ingenieurskunst en natuurlijke processen. Het zijn plekken waar de natuur geleidelijk aan het rationele grid van de polder overneemt. Gebieden met een hoge ecologische waarde, die ook ze van belang zijn voor ontspanning en natuurbeleving. 4.
Beplantingsstructuren: Aaneengesloten boscomplexen; Erfbeplanting; Stads- en dorpsbossen; Lanen en singels
De boscomplexen zijn te vinden aan de randen van de drie polders van Flevoland. Elk boscomplex kenmerkt zich als een aaneengesloten gebied van beplanting. In de Noordoostpolder is de plek en vorm van twee losse boscomplexen gebaseerd op de bodemcondities. En vormen ze bij Kuinre en bij Vollenhove een grens met het oude land. Bij elke kern in Flevoland zijn bospartijen te vinden die een grens of overgang markeren. Tussen de bebouwing en het omringende open landbouwlandschap. Dit zijn de stads- en dorpsbossen. Bijzonder is dat de steden en dorpen vaak integraal met het landschap zijn ontworpen en aangelegd. In de Noordoostpolder werd de maat van de dorpsbossen nog minimaal gehouden. Dit om zoveel mogelijk grond voor de landbouw te behouden. De lanen en singels vormen belangrijke beplantingsstructuren. Het systeem van lanen en singels is gebaseerd op maatvaste afstanden. Dit komt voort uit de landbouwkundige verkaveling en het specifieke ruimtelijke concept van elke polder. Binnen dit systeem zijn de lanen en singels van grote waarde. Ze accentueren de lange lijnen in de polder en structuren tegelijk de grootschalige openheid. Binnen de hoofdstructuur van lanen en singels werd elk boerenerf geheel omsloten door beplanting. De beplanting bood beschutting tegen weer en wind in de open polder. De maat van de beplanting vloeit voort uit de landbouwkundige verkaveling.
Ruimtelijk zorgt deze erfbeplanting ervoor dat de erven als groene eilanden in de open ruimte te herkennen zijn. Ze dragen daarmee in grote mate bij aan de leesbaarheid van het landschap.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld 4.2.4.3 Toetsing van het initiatief aan de provinciale landschapsvisie De kernkwaliteiten zijn aanknopingspunten bij het inrichten van het landschap van de toekomst. Het voornemen is onderdeel van een van de kernen (Marknesse) van de Noordoostpolder, waarmee het een geheel wordt en de dorpenring behouden blijft. Er zal rekening worden gehouden met de Zwolse Vaart die ten oosten van het plangebied stroomt. De woningen zullen qua positionering op ruime voldoende afstand van de Zwolse Vaart komen. Door de ruime opzet van het plangebied (groen en water en singels) zal het open karakter van het Flevolandse landschap gewaarborgd worden. Hiermee wordt bij de bouw van de woningen rekening gehouden met de kernkwaliteiten die gelden in het plangebied, waarmee de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het Programma Landschap van de Toekomst.
4.2.5
Toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het provinciaal beleid de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de weg staat.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Structuurvisie Noordoostpolder 2025
4.3.1.1 Algemeen De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is in januari 2014 vastgesteld door de gemeenteraad. De Structuurvisie is een integrale ruimtelijke visie, die de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten beschrijft. De visie heeft als doel de verschillende belangen, zoals voor het landschap, de kernen en de gemeenschap, zorgvuldig af te wegen. En hieruit een integrale ontwikkelingsrichting te bepalen voor de periode tot 2025. De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten en daarmee op het versterken van het landschap en leefbaarheid in de gemeente Noordoostpolder. De Structuurvisie is een document voor de langere termijn. Daarom kent de Structuurvisie Noordoostpolder 2025 een zekere mate van globaliteit en abstractie. De visie vormt de basis voor het toekomstig beleid, ter uitwerking van de structuurvisie zijn gebiedsvisies, masterplannen, uitwerkingsplannen, bestemmingsplannen en beleidsplannen nodig om concrete (plan)ontwikkelingen in gang te zetten.
4.3.1.2 Ambitie Bevolking en wonen De gemeente Noordoostpolder streeft naar een aantrekkelijke, uitnodigende fysieke woon- en leefomgeving en daarbij richt de gemeente zich vooral op (tijdelijke) inwoners van de gemeente Noordoostpolder. De gemeente zet in op een afwisselend woningaanbod en voegt bijzondere woonmilieus toe, zoals in de Wellerwaard. Er zijn mogelijkheden voor het realiseren van landgoederen en woningen in vrijkomende agrarische bebouwing. De gemeente Noordoostpolder vindt het belangrijk dat (nieuwe) inwoners kunnen kiezen uit verschillende woonmilieus en dat tijdelijke inwoners adequaat en legaal gehuisvest kunnen worden. Er wordt daarom gestreefd naar een gevarieerde woningvoorraad waar ruimte is voor diverse leeftijds-, huishoudens- en inkomensgroepen. De unieke kwaliteiten die het wonen in de polder aangenaam maken, wil men hierbij benutten voor de bestaande bewoners, waaronder jongeren/starters en senioren, maar ook om nieuwkomers naar de gemeente te trekken. Flexibiliteit is het sleutelwoord. Per locatie/gebied wordt bekeken wat de wensen en mogelijkheden zijn.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld
Afbeelding 4.3
Uitsnede structuurvisie-themakaart ‘Bevolking en wonen’ (Bron: gemeente Noordoostpolder)
4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Structuurvisie Noordoostpolder 2025’ Het gebied is ten tijde van het schrijven van de Structuurvisie (2014) niet aangeduid als woningbouwlocatie in ontwikkeling. Destijds werd uitgegaan van een afnemende woningbehoefte en een onzekere woningmarkt. Daardoor is gekozen voor het steeds gedoseerd en gefaseerd uitvoeren van ontwikkelingen. Nu wil de gemeente haar bijdrage leveren aan het landelijke en regionale woningtekort. Voorliggend bestemmingsplan helpt daarbij. Doordat Marknesse fase 3 nog niet kan worden uitgevoerd, wordt er aan Marknesse fase 4 gewerkt. De behoefteonderbouwing van fase 3 wordt nu voor fase 4 gebruikt. Hiermee valt Marknesse Zuid, fase 4 binnen de Structuurvisie. Het plan voorziet in de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte van het dorp Marknesse (zie ook paragraaf 4.3.2 en 4.3.4). Dit plan is in overeenstemming met de uitgangspunten zoals verwoord in de ‘Structuurvisie Noordoostpolder 2025’.
4.3.2
Woonvisie Gemeente Noordoostpolder (2020)
4.3.2.1 Algemeen De gemeenteraad heeft in 2020 een nieuwe woonvisie vastgesteld. De woonvisie heeft als subtitel “kansen grijpen” en dat is precies wat de gemeente wil gaan doen. De gemeente wil de vraag van vandaag beantwoorden en tegelijkertijd inspelen op de toekomst. En wil een gemeente blijven waar het goed wonen is. Dat betekent dat de gemeente inspeelt op de markt en ruimte bieden voor experimenten en nieuwe woonvormen. Dit draagt bij aan de variatie in het woonaanbod, waardoor Noordoostpolder voor meer mensen aantrekkelijker wordt. Mensen die een band hebben met Noordoostpolder geeft de gemeente de ruimte om te blijven en te komen. Zowel in Emmeloord als in de dorpen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld 4.3.2.2 De woonvisie geeft ruimte om flexibel in te spelen op de markt Uitgangspunt voor de programmering is de bevolkingsprognose van de gemeente. Tegelijk is het beeld dat de groei hoger uit kan vallen. De ambitie van de gemeente is dan ook om aan die grotere behoefte te voldoen. Dat betekent dat er een flexibele programmering is, waarbij een jaarlijkse bijstelling van prognose en planning nodig is. Het doel is om meerjarig te voldoen aan de kwantitatieve behoefte die wordt afgeleid van de huishoudensprognose. Dat betekent dat er de komende 10 jaar in ieder geval de ruimte is om 1000 woningen toe te voegen. Dat aantal staat los van de intentie van de provincie Flevoland om in het kader van het project “Flevoland bouwt voor Nederland” in de provincie tot 2050 100.000 woningen extra te bouwen. Momenteel wordt onderzocht welke bijdrage de gemeente Noordoostpolder daaraan kan leveren. Het is cruciaal steeds zowel in Emmeloord als in de dorpen de ontwikkelruimte beschikbaar te hebben om aan de vraag te voldoen. Er zijn geen harde cijfers per kern om zo de programmering flexibel te houden en in te kunnen spelen op de behoefte.
4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Noordoostpolder In het Coalitieakkoord 2018-2022 staat: “We bieden ruimte om in te breiden en waar nodig uit te breiden naar behoefte in de dorpen. De dorpsvisies en ontwikkelperspectieven geven de richting aan.” De komende jaren is het ook in Marknesse van belang woningen toe te voegen en om daarbij met name een goed aanbod voor senioren neer te zetten. Ze te verleiden om te verhuizen om zo woningen voor starters beschikbaar te krijgen. Dit doet de gemeente door ‘onderzoekend ontwikkelen’: via kleinschalige pilotprojecten de vraag toetsen. Het bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ is bewust flexibel opgesteld om optimaal invulling te kunnen geven aan individuele woonwensen. Zo worden er verschillende soorten woningen (rijwoningen, tweekappers, vrijstaande woningen) gebouwd. Een deel van de woningen zijn bedoeld voor levensloopbestendig wonen, waardoor senioren binnen Marknesse ruimte kunnen maken voor starters. Daarnaast zijn er ook mogelijkheden voor starters, middels de rijwoningen en tweekappers. En worden de doorstromers voorzien middels de tweekappers en vrijstaande woningen. Door de doorstroming komen er op andere locaties binnen de gemeente eveneens woningen beschikbaar voor starters. De voorgenomen ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met de gemeentelijke woonvisie.
4.3.3
Welstandsnota gemeente Noordoostpolder 2016
4.3.3.1 Algemeen Op 29 november 2016 heeft de raad de welstandsnota ‘Ruimte voor kwaliteit en welstandsvrijheid’ vastgesteld. De welstandsnota geeft richting aan het welstandstoezicht in de Noordoostpolder en voor de inwoners van de gemeente biedt het plan helderheid over de welstandsbeoordeling van hun bouwplannen. Zoals de titel van de nota al aangeeft wordt onderscheid gemaakt tussen welstandsvrije en niet welstandsvrije gebieden. De selectie van niet-welstandsvrije gebieden heeft plaats gevonden aan de hand van twee criteria: • •
de cultuurhistorische betekenis van de bebouwing; de zichtbaarheid van de bebouwing vanuit belangrijke openbare ruimtes.
Op basis van deze criteria is besloten dat in de volgende gebieden welstandstoezicht blijft gelden: 1. 2. 3. 4.
de kernen en beeldbepalende gebieden van Emmeloord; de dorpskernen en beeldbepalende gebieden van Marknesse, Ens, Luttelgeest, Bant, Creil, Espel, Tollebeek, Kraggenburg en Rutten; Nagele en Schokland in zijn geheel; het landelijk gebied.
Op basis van de welstandsgebiedenkaart blijkt dat het plangebied in welstandsvrij gebied ligt. In paragraaf 6.1 van de welstandnota wordt aangegeven dat voor nieuwbouwontwikkeling mogelijk beeldkwaliteitsplannen opgesteld kunnen worden. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld 4.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota gemeente Noordoostpolder Voor het voornemen zijn enkele beeldkwaliteitscriteria opgesteld (zie paragraaf 3.2). In bijlage 1 is het beeldkwaliteitsplan opgenomen. De criteria zijn bedoeld om bouwers en ontwerpers te laten zien wat belangrijk is om die samenhang en sfeer in de uitstraling van het wonen te krijgen. Het uiteindelijke doel voor iedereen is een herkenbare woonbuurt met een hoogwaardige uitstraling. De algemene lijn is dat de welstandscriteria uit een beeldkwaliteitsparagraaf hun werking verliezen voor een individueel bouwwerk, nadat deze is gerealiseerd. Voor deze lijn is gekozen omdat na realisatie de hoofdkenmerken van bebouwing en stedenbouwkundige structuur grotendeels vastliggen. De welstandscriteria kunnen dan vervallen. Dit sluit bovendien aan bij het ingezette selectieve welstandsbeleid. Indien het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk door bijzondere vormgeving, constructie, materiaalgebruik en kleurstelling kwaliteit toont, kan de welstandscommissie als ook burgemeester en wethouders afwijken van de voor het bouwwerk geldende criteria.
4.3.4
Duurzaamheidsvisie Noordoostpolder
4.3.4.1 Algemeen In haar duurzaamheidsvisie streeft de gemeente Noordoostpolder naar energieneutraliteit in 2030. De gemeente focust daarnaast op inzet van schone energie. Energiegebruik en –besparing in woningen maken daar een belangrijk onderdeel van uit. Het energiegebruik door woningen bedraagt ongeveer 16% van het totale energiegebruik in Noordoostpolder.
4.3.4.2 Landelijke eisen Het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen in Nederland beschrijft het Nederlandse beleid om te komen tot bijna-energieneutrale woningen vanaf 2021. Het beleid is erop gericht dat de EPC-eis in het Bouwbesluit per 31 december 2020 dichtbij nul komt te liggen, oftewel bijnaenergieneutraal. De eis wordt vanaf 2020 op andere wijze bepaald, maar komt ongeveer overeen met een EPC van 0,2. De huidige eis is een EPC van 0,4. Op 3 april 2018 is een aanpassing van de Gaswet in werking getreden waardoor de gasaansluitplicht is komen te vervallen. Dit betekent dat geen omgevingsvergunningen meer mogen worden afgegeven voor nieuwbouw die aangesloten wordt op een gasnet. Deze regeling geldt voor omgevingsvergunningen aangevraagd vanaf 1 juli 2018. Een gemeente kan een ontheffing verlenen waardoor toch op het gasnet aangesloten mag worden. Dit kan echter alleen in uitzonderlijke situaties waarbij grote maatschappelijke effecten ontstaan door het niet aansluiten op gas. Aangezien voor de geplande woningen technische oplossingen beschikbaar en financieel haalbaar zijn voor aardgasloos wonen, verleent de gemeente voor deze locatie geen ontheffing.
4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Duurzaamheidsvisie Noordoostpolder’ In het kader van energetisch ontwerpen op stedenbouwkundig niveau is een gunstige situering van woningen ten opzichte van de zon belangrijk. Het stedenbouwkundig plan voorziet hier in door de nokrichting van nagenoeg alle woningen vrij te laten. Hierdoor kunnen dakvlakken goed ten opzichte van de zon worden georiënteerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld 4.3.5
Ontwikkelperspectieven Noordoostpolder scope 2015-2020
Met de dorpen is de afgelopen jaren intensief gesproken over de eigen dorpsvisie en de uitvoering daarvan. Het dorp geeft met de dorpsvisies zelf richting. Er liggen resultaten van de bevolkingsprognose en diverse onderzoeken. Bekend is wat nog ligt aan uitbreidingsgrond en er zijn steeds meer mogelijke inbreidingslocaties bekend. Maatregelen als grootonderhoud, modernisering maar ook sloop en vervangende nieuwbouw om te komen tot een vernieuwing en verbetering. Bij sloop ontstaan er weer inbreidingsplekken, die kansen bieden. Dit heeft geleid tot een ontwikkelperspectief. Het resultaat is dat er nu een gedragen basis ligt om op verder te bouwen. In Marknesse zijn amper inbreidingsplekken. Toevoegen van woningen kan alleen door uitbreiden. Dit is al lange tijd niet mogelijk, hierdoor kunnen (potentiele) inwoners er voor kiezen elders te gaan wonen. Er wordt nog wat bevolkingsgroei verwacht. Het dorp is aantrekkelijk vanwege de omvang en de voorzieningen. De huurwoningen van Mercatus zijn toe aan vernieuwing/modernisering. Op locaties van Mercatus kunnen nog wat inbreidingsplekken ontstaan. De aangegeven inbreidingslocaties zijn niet allemaal even kansrijk. Mogelijkheden moeten nog verder onderzocht worden. De voorkeursstrategie is het realiseren van woningbouw op de kavel van Megahome. Omdat er nog weinig beweging is, wordt kavel Muylwijk in voorontwerp gebracht.
De voorgenomen ontwikkeling betreft deze ‘kavel Muylwijk’ waarmee het voornemen past binnen het ontwikkelperspectief.
4.3.6
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend initiatief past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. De functie 'wonen' is aan te merken als een geluidsgevoelige functie.
5.1.2 Situatie plangebied
5.1.2.1 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).
5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied is gelegen.
5.1.2.3 Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Leemringweg. Wat betreft wegverkeerslawaai is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. De conclusies worden hieronder weergegeven: Ten behoeve van de realisatie van het voornemen dient een ruimtelijke procedure te worden doorlopen. In het kader van deze procedure is het benodigd de geluidbelasting ter plaatse van de te realiseren woningen te toetsen aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. In voorliggend geval is uitsluitend het aspect wegverkeerslawaai relevant. Het projectgebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Leemringweg, een weg met twee rijbanen en een snelheidsregime van 80 km/uur. Daarnaast ligt het projectgebied nabij meerdere 30 km/uur wegen. Deze wegen hebben echter een dusdanige lage verkeersintensiteit dat redelijkerwijs aangenomen wordt dat aan de voorkeurswaarde van 48 dB zal worden voldaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld De geluidbelasting als gevolg van de gezoneerde weg Leemringweg bedraagt hoogstens 52 dB (inclusief reductie) ter plaatse van de meest westelijk gelegen woningen. De geluidbelasting exclusief reductie bedraagt hoogstens 54 dB. Een hogere waarde voor het aspect wegverkeerslawaai is in voorliggend geval benodigd, aangezien de voorkeurswaarde als gevolg van de Leemringweg op acht gevels wordt overschreden (verdeeld over vier woonblokken). Afwijken van de voorkeurswaarde is alleen mogelijk wanneer bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen rekenen op bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, verkeerskundige of landschappelijke aard en een binnenniveau van 33 dB conform Bouwbesluit gerealiseerd kan worden. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard. Het eventueel kiezen voor een ander wegdektype van de Leemringweg kan er ook voor zorgen dat aan de voorkeurswaarde wordt voldaan. De afweging hiervan is aan het bevoegd gezag. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig. Met het nemen van gevelmaatregelen met een geluidwering van minimaal 21 dB wordt ter plaatse van alle woningen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB voldaan.
Met de toepassing van gevelmaatregelen met een voldoende gevelwering is ter plaatse van de nieuwe woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering, mits er een hogere waarde wordt aangevraagd en voorzien wordt in voldoende gevelwering.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740.
5.2.2
Situatie plangebied
Door Sigma Bouw & Milieu is in juni 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies worden hieronder weergegeven. Het gehele bodemrapport is weergegeven in bijlage 3 van deze toelichting. Zintuiglijke waarnemingen Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen bodemvreemde afwijkingen of asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). Grond - bovengrond (0.0-0.5 m-mv) De verhoogd gemeten gehalten zware metalen (cadmium, kwik, nikkel, zink) en/of PCB’s in de bovengrondmengmonsters 1 t/m 6 overschrijden de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindexwaarde (>0.5) niet en geven in deze gevallen uit milieuhygiënische overweging, geen directe aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. Grond - ondergrond (0.4-2.0 m-mv) De verhoogd gemeten gehalten zware metalen (kobalt, nikkel) in de ondergrondmengmonsters 8 t/m 11 overschrijden de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) niet en geven in deze gevallen uit milieuhygiënische overweging, geen directe aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld Grondwater De verhoogd gemeten gehalten barium in het grondwater uit de peilbuizen 1 t/m 10 overschrijden de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) niet, zodat er in deze gevallen uit milieuhygiënische overweging, geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. Conclusie Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. De grond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie bevat enkele stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde resp. de streefwaarde. Deze lichte verontreinigingen overschrijden de tussenwaarde/bodemindex-waarde (>0.5) niet en geven daardoor geen formele aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek.
5.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit vormt in voorliggend geval geen belemmering.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
5.3.2
Situatie plangebied
In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden een project dat ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is dit plan aan te merken als een project dat ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen.
5.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met de blauwe contour) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl)
Op circa 100 meter ten zuiden van het plangebied ligt een gasleiding van de Gasunie (rode onderbroken lijn in bovenstaande afbeelding). Voor deze leiding geldt een risicoafstand bij 1% letaliteit en 100% letaliteit van respectievelijk 100 en 50 meter. In voorliggend geval is de afstand groter dan bij beide letaliteiten. De zuidgrens van het plangebied ligt op circa 100 meter van deze gasleiding. Gelet op dat de woningen niet op de zuidelijke grens van het plangebied worden gebouwd is een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: • • • •
5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De VNG-uitgave gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van woningen worden gesitueerd.
5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Het plangebied is gelegen ten zuiden van de kern Marknesse. Rondom de locatie zijn woningen, agrarische gronden aanwezig, en aan de overzijde van de ‘Zwolse Vaart’ zijn bedrijven aanwezig. Tevens is er een detailhandel locatie ten zuidwesten van het plangebied gesitueerd. Het gebied kan daarom worden aangemerkt met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De ontwikkeling behelst het bouwen van woningen. Woonfuncties zijn geen milieubelastende functie en zijn daarom niet van negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige functies.
5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De functie wonen is aan te merken als milieugevoelige functie. Ten oosten van het plangebied aan de overzijde van de ‘Zwolse Vaart’ is een bedrijventerrein gesitueerd. De dichtstbijzijnde bedrijven kunnen planologisch gezien maximaal milieucategorie 3.2 hebben. Voor deze categorie is de grootste richtafstand 50 meter voor het aspect geur en/of geluid voor een gemengd gebied. De afstand tussen de grens van het plangebied en deze bedrijven is circa 125 meter. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een tuincentrum. Dit heeft een maximale milieucategorie 2. Hiervoor geldt een maximale richtafstand van 10 meter voor geluid voor gemengd gebied. De afstand tussen de grens van de woonbestemming en de grens van het tuincentrum is circa 40 meter waardoor deze groter is dan de maximale richtafstand. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. Verder zijn er in de nabije omgeving geen milieubelastende functies aanwezig. Gezien de afstand tot omliggende milieubelastende functies mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Andersom worden omliggende bedrijven/functies niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd.
5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan kom 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht.
5.6.2
Situatie plangebied
Met voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Geconcludeerd wordt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder worden veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuur Netwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
5.7.2.2 Natura 2000 gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het Natura-2000 gebied ‘de Wieden’ ligt op circa 6 kilometer ten oosten van het plangebied. Gronden die tot Natura 2000-gebied ‘Zwarte meer’ behoren, liggen op circa 9 kilometer ten zuiden van het plangebied. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van Natura 2000-gebieden weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld
Afbeelding 5.2
Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: PDOK)
In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Hierna wordt het rekenresultaat besproken. Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt aan de oostgrens van het plangebied. Dit betreft de ‘Urker- en Zwolse Vaart’. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied (rode omlijning) ten opzichte van het NNN weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld
Afbeelding 5.3
Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (Bron: Provincie Flevoland)
In bijlage 5 van de Omgevingsverordening Flevoland zijn de wezenlijke kenmerken en waarden opgenomen voor het NNN van Flevoland. Voor de ‘Urker- en Zwolse Vaart’ bestaan uit deze kenmerken en waarden uit: -
Natte verbindingszone voor vissen; Foerageergebied van en corridor voor meervleermuis en watervleermuis; Verbindingszone en potentieel leefgebied voor otter.
De ecologische verbindingszone bestaat uit de Urkervaart en de Zwolse Vaart, en doorsnijdt van west naar oost de Noordoostpolder. De Zwolse Vaart loopt vanaf het Kadoelermeer via het Voorsterbos en Marknesse naar Emmeloord. In Marknesse ligt de Marknessersluis die de verbinding vormt tussen de twee waterniveaus in de polder. Dit punt vormt tevens een belangrijke ecologische barrière door het ontbreken van faunapassages en vistrappen. Tot aan Marknesse liggen geen wegen langs de vaart. Het overgrote deel van de oevers langs de vaarten bestaat uit stortsteen en houten oeverbeschroeiing. De afgelopen jaren zijn natuurvriendelijke oevers aangelegd. De overige oevers zijn steil en de aanwezige rietvegetatie is ruig. De bosjes en natuurlijk ingerichte oevers liggen versnipperd, vooral aan de noordzijde van de beide vaarten. In beide vaarten is de aanwezigheid bekend van de kleine modderkruiper, alver en winde. De vaarten zijn tevens van belang als onderdeel van het leefgebied van meervleermuis en watervleermuis en vormen een corridor met stapstenen in de vorm van struweelplekken, ruigte en ruige oeverzones. Dit biedt tevens potentieel leefgebied voor soorten als otter en ringslang. Voor de blankvoorn en diverse libellen vormen de Urker- en Zwolse Vaart een verbindingszone.
Door de aanwezigheid van natuurlijke oevers, plas-dras bermen en bosschages langs ongeveer een kwart van de totale lengte van de vaarten, is paai- en opgroeigebied, foerageergebied en overwinteringsgebied voor vissen aanwezig, maar ook dekkingsgebied voor otter zodat deze hierlangs kan migreren. Daarnaast zijn enkele poelen aangelegd als stapsteen. Ten slotte vormt de sluis bij het IJsselmeer een barrière voor vissoorten zoals de blankvoorn. Ten tijde van het bouw van de woningen zal rekening gehouden worden met de invloed van de bouw op het NNN. Zo zullen de bouwwerkzaamheden gelijk naast de Zwolse Vaart zoveel mogelijk beperkt worden. En zal bijvoorbeeld de lichtuitstraling naar de Zwolse Vaart zoveel mogelijk beperkt worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld Het plangebied ligt op circa 165 meter van de Marknessersluis. Dit is een ecologische barrière, waardoor het voornemen de verbindingszone niet meer aantast dan dat de Marknessersluis al doet. Voor het voornemen is tevens een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Daarnaast is er een vleermuizenonderzoek uitgevoerd aan de Zwolse Vaart ter hoogte van het plangebied. In de volgende paragraaf en bijlage 4 en 5 van deze toelichting wordt hier nader op ingegaan. Uit deze onderzoeken blijkt dat het geen essentieel foerageergebied is voor onder andere de vleermuizen. Daarnaast zullen woningen aan de oostzijde van het plangebied op een dusdanige afstand van de Zwolse Vaart gebouwd worden, dat de invloed zo veel mogelijk wordt beperkt. Het voornemen zal dan ook de genoemde kenmerken en waarden niet als zo dusdanig aantasten.
5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval is door Natuurbank Overijssel een QuickScan Flora en Fauna uitgevoerd. Voor de rapportage van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting.
5.7.3.2 Resultaten Quickscan flora en fauna De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Flevoland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’, en het opzettelijk ‘verstoren, beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren of te doden en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Beschermde diersoorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Vleermuizen, amfibieën, grondgebonden zoogdieren bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats in het plangebied en er nestelen geen vogels. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. De gronden in het plangebied (akkerbouwgronden) zijn geen potentieel leefgebied voor kleine marterachtigen. Een mitigatie of nader onderzoek wordt niet nodig geacht. In het voornemen wordt een deel groen en water voorzien, waaronder bijvoorbeeld een grondwal. Deze zullen natuurvriendelijk worden ingericht, waardoor het een geschikt foerageergebied blijft voor de dieren. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties omdat deze functie niet beschermd is voor dieren die het plangebied benutten als foerageergebied. Als gevolg van het bewonen van de woningen naast de Zwolse Vaart, wordt de vliegroute van water- en meervleermuizen boven de Zwolse Vaart mogelijk negatief beïnvloed op dusdanige wijze, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. Om de functie van de Zwolse Vaart als vliegroute vast te kunnen stellen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.
Hiervoor is door Natuurbank Overijssel een vleermuizenonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 6 toegevoegd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld 5.7.3.3 Resultaten Vleermuisinventarisatie Zwolse Vaart (gedeeltelijk) te Marknesse In de zomer 2021 is de functie van de Zwolse Vaart onderzocht op de functie van foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen, in het bijzonder voor meer- en watervleermuis. Uit het onderzoek is gebleken dat de Zwolse Vaart geen essentieel foerageergebied of vliegroute voor vleermuizen is. Het benutten van de nieuw te ontwikkelen woonwijk ten westen van de Zwolse Vaart heeft geen negatief effect op foerageergebied of vliegroutes van vleermuizen. Het ontwikkelen van de nieuwe woonwijk leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming, voor zover dit betrekking heeft op vleermuizen.
5.7.4
Conclusie
Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Noordoostpolder heeft haar archeologische beleid vastgelegd in het rapport “Erfgoed in de polder, Actualisatie van de archeologische waarden en verwachtingen kaart van de gemeente Noordoostpolder (2018)”. Op de archeologische beleidsadvieskaart hebben de gronden binnen het plangebied een verwachtingswaarde WA-8 (laag). Een lage verwachting is aan landschappelijke zones toegekend die vanwege erosie een lage verwachting hebben, al kunnen hierin toch ook, zij het sporadisch, nederzettingsresten of depots liggen. Hiervoor geldt echter dat de ontdekkingskans vanwege de verwachte lage dichtheid zeer gering geacht wordt, terwijl deze, voor zover overgebleven, waarschijnlijk sterk zijn aangetast en daardoor niet behoudenswaardig zullen zijn. Voor de gronden met verwachtingswaarde WA-8 geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 1 meter. Deze onderzoeksgrens wordt niet overschreden door de bouw van de nieuwe woningen. Hierdoor is archeologisch vooronderzoek niet noodzakelijk. Wel moet de dubbelbestemming archeologie formeel worden overgenomen in het bestemmingsplan. Ook al is de kans dat na deze ontwikkeling nog een overschrijding plaatsvindt niet groot, de verwachting blijft hetzelfde, waardoor de dubbelbestemming gehandhaafd moeten worden. Deze dubbelbestemming wordt verwerkt in de regels.
Dit impliceert de volgende aanpassingen: diepe grondbewerkingen, dieper dan 1,0 meter, waaronder ook begrepen ploegen of frezen, dieper dan 1,0 meter.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld 5.8.1.3 Meldingsplicht toevalsvondsten Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Voor graafwerkzaamheden in de voormalige Zuiderzee en Almere afzettingen geldt een blijvende verwachting voor resten van scheepswrakken uit de middeleeuwen en nieuwe tijd alsook voor resten van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog. Dergelijke vindplaatsen zijn niet met een booronderzoek op te sporen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Wij adviseren om in geval van dergelijke vondst de werkzaamheden direct stil te leggen en eerst contact op te nemen met de gemeente (M. Marinelli, m.marinelli@noordoostpolder.nl, 06 13 34 33 12). Ook adviseert de gemeente Noordoostpolder bij aanvang van de werkzaamheden een meldingenprotocol op te stellen. Waarin de werkwijze wordt beschreven bij aantreffen van resten van scheeps- en vliegtuigwrakken.
5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan ‘een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden’ dient te bevatten.
5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich binnen het plangebied op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. In de directe omgeving van het plangebied komen eveneens geen monumenten of cultuurhistorische waarden voor.
5.8.3
Conclusie
Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. In het plangebied en in de omgeving van het plangebied komen geen cultuurhistorische waarden voor. Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde WA8’ opgenomen.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan of ruimtelijk plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan ‘Marknesse Zuid, fase 4’ Vastgesteld •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
5.9.2
Situatie projectgebied
5.9.1.1 Art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 7,8 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit project dan ook niet noodzakelijk.
5.9.1.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Dit project voorziet in de bouw van 100-120 woningen, waarmee de agrarische grond een woonbestemming krijgt. Het bestemmingsplan voldoet aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit ruimtelijke plan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. In onderdeel D wordt de ontwikkeling wel genoemd: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling in een bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat in geval van voorliggend project geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Daarom is in bijlage 6 de aanmeldnotitie vormvrije merbeoordeling toegevoegd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt. Eén en ander is tevens bevestigd in bijlage 7 en de in dit hoofdstuk aan bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.