CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

7.1 Ontwerpbestemmingsplan Landelijk gebied Johannes Postweg 7 8 9 Nagele (6).pdf

Gemeenteraad 29 januari 2024, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 7: (Ontwerp)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Johannes Postweg 7, 8 en 9 te Nagele'23.641 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het inVex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is sloop van de bestaande bebouwing en verwijdering van de beplanting (windsingels) gepland. In de komende jaren zal de locatie ontwikkeld worden als uitbreidingslocatie van het bedrijf aan de Johannes Postweg 8 (KWS Benelux BV). Hierbij zal een groot deel van het plangebied bebouwd worden, waarbij in het kader van de funderingen tot circa 80 cm -mv gegraven zal worden. Ook zullen sloten aangelegd worden, die vermoedelijk eveneens tot circa 1 m -mv gegraven zullen worden (zie bijlage 7). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aan­ wezige archeologische waarden worden verstoord.

2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het land­ schap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen.

5 Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 6 Ten Anscher et al., 2018. 7 Bodematlas Flevoland.

R 14387.001 versie 1

Pagina 3 van 21

De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie8

Fm. v. Naaldwijk, Lp. v. Walcheren op Fm. v. Nieuwkoop; zeeklei op veen (Na8)

Geomorfologie9

vlakte van getij-afzettingen (2M72)

Bodemkunde10 11

Kalkrijke poldervaaggronden; zware zavel, profielverloop 5 (Mn25A)

11 Grondwatertrap 11

Grotendeels VI, uiterste zuiden: IV/VI

Landschappelijke ontwikkeling12 Het plangebied bevindt zich binnen een gebied dat overwegend ontstaan is in het Holoceen, de hui­ dige geologische periode die circa 11.600 jaar geleden begon. In de diepere ondergrond zijn afzettin­ gen uit het Pleistoceen aanwezig. In deze periode wisselden ijstijden en warmere tussenperioden elkaar af. Tijdens het Saalien, de voorlaatste ijstijd (circa 370.000 - 130.000 jaar geleden), raakte de noordelijke helft van Nederland bedekt met landijs. De vanuit het zuiden komende rivieren moesten afbuigen naar het westen, direct langs het zuiden van het landijs, waarbij het oerstroomdal van de Vecht ont­ stond. Het plangebied bevindt zich binnen dit stroomdal. Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 115.000 - 11.600 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet. Binnen het oerstroomdal van de Vecht werden ook in het Weichselien nog rivierafzettingen gesedimenteerd, behorend tot de Formatie van Kreftenheye. Deze worden gerekend tot het Laagterras. In de tweede helft van het Weichselien heersten er zeer koude, periglaciale omstandigheden en was de vegetatie vrijwel geheel verdwenen. Er vonden veel zandverstuivingen plaats, waarbij het zand over grote afstand werd verplaatst. Dit materiaal is afgezet als een deken van fijn, zwak lemig zand afgewisseld met lemige lagen.

Het oerstroomdal van de Vecht raakte met een pakket dekzand opge­ vuld. Het in deze periode, tot circa 13.000 jaar geleden afgezette dekzand wordt Oud Dekzand ge­ noemd. In het laatste millennium van het Weichelien was sprake van een zeer koude en droge periode met vrijwel geen vegetatie. Ook in deze periode werd door de wind een pakket dekzand afgezet, bekend als Jong Dekzand. Hierbij ontstond een landschap bestaande uit een golvend patroon van dekzandruggen, -kopjes, -welvingen en laagtes. Door de lagere delen stroomden beken en rivieren, die een deel van het jaar droog lagen. Tijdens droge perioden stoof uit deze rivierbeddingen zand op, waar­ door rivierduinen gevormd werden aan de rand van de stroomdalen. Dergelijke rivierduinen (Formatie van Boxtel, Delwijnen Laagpakket) zijn aanwezig in het zuiden van de Noordoostpolder in enkele west-oost gerichte rijen langs de pleistocene bedding van de Vecht. Op basis van de paleogeografische kaart van 9.000 v. Chr. ligt het plangebied grotendeels op een dergelijk rivierduin, terwijl het zuiden op de rivierbedding ligt (zie figuur 5).

8 TNO, 2010. 9 Wageningen Environmental Research, 2017. 10 Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland. 11 Ibid. 12 De Mulder et al., 2003/ Hamburg et al., 2013 Z Vos & De Vries, 2013 Z Ten Anscher et al., 2018.

R 14387.001 versie 1

Pagina 4 van 21

In het Holoceen, het huidige geologische tijdvak dat 11.600 jaar geleden aanving, warmde het klimaat definitief op. Dit ging gepaard met een vernatting van het landschap. Ter plaatse van het plangebied bleef de situatie in 5.500 v. Chr. ongewijzigd (figuur 5). Circa 5.300 v. Chr. drong de Noordzee de lagere delen van het landschap binnen. Als gevolg van een stijgende grondwaterspiegel vond vanaf 5100 v. Chr. veenvorming plaats in de laagste delen van het landschap, dat zich in de eeuwen hierna sterk uitbreidde. Rond 4.900 v. Chr. (Vroeg-Neolithicum) was het gebied lager dan -7,5 m NAP reeds met veen bedekt en rond 4500 v. Chr. (eind van het Vroeg-Neolithicum) raakten ook de hogere delen bedekt met veen. Op basis van de pleistocene zanddieptekaart13 bevindt het pleistocene zand zich ter plaatse van de rivierduinen in de directe om­ geving van het plangebied grotendeels op -6 tot -7 m NAP en hierbuiten op -7 tot -8 m NAP. Verwacht wordt daarom dat het rivierduin nog enige tijd boven het veen heeft uitgestoken en vermoedelijk rond de overgang naar het Midden-Neolithicum bedekt raakte met veen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het rivierduinlandschap vaak een grillig reliëf had, waardoor de begrenzing van het rivierduin bin­ nen het plangebied niet zeker is. Gedurende het vijfde millennium v. Chr. lag het zuidwesten van de Noordoostpolder in een zoetwatergetijdengebied.

Langs de Vecht werd klei afgezet, waardoor rond 4400 v. Chr. langs deze rivier de Unio-I-oeverwallen ontstonden. Deze waren iets hoger gelegen dan het omliggende gebied, waardoor deze begaanbaar en bewoonbaar waren. Op basis van landschapskaarten van de Noordoostpolder14 lagen het plangebied tussen 4900 en 4350 v. Chr. nog in een loofbosgebied op een rivierduin. Tussen 4350 en 4150 v. Chr. was het plangebied reeds vernat en lag alleen het deel van het duin ten oosten van het plangebied nog droog. Binnen het plangebied kwam galigaanveen tot ontwikkeling. Direct ten zuiden lag een rietveengebied langs de Vecht en direct ten noorden was zeggeveen aanwezig. Aan het eind van het vijfde millennium v. Chr. raakte de Noordoostpolder buiten directe zee-invloed door het dichtslibben van getijdengeulen en de vorming van de strandwal bij Castricum. Hier ver­ slechterde de waterafvoer en breidde het riet- en zeggenmoeras zich verder uit. Tussen 4150 en 3700 v. Chr. was in het plangebied nog steeds galigaanvegetatie aanwezig. Ten zuiden lag water­ driebladrijke zeggenvegetatie en ten noordoosten grotendeels zeggenvegetatie, met enkele kleine ‘eilandjes’ die nog droog lagen en waar bosvegetatie aanwezig was. Rond 3700 v. Chr. ontstond het zeegat van Bergen, waardoor de invloed van de zee in de Noord­ oostpolder weer toenam en nieuwe getijdengeulen ontstonden.

Een dergelijke getijdegeul liep zo’n 1 km ten oosten van het plangebied. Deze inbraak leidde tot aanzienlijke erosie van het veengebied. Tussen Urk en Emmeloord ontstond een groot meer, het Unio-II-meer, circa 1,3 km ten noorden van het plangebied. De Vecht verlegde in deze periode zijn loop. Waar deze in de voorliggende periode nog langs het zuiden van Urk liep, liep deze hierna via de getijdegeul ten oosten van het plangebied, naar het Unio-II-meer. Het plangebied lag in deze periode in een zeggeveengebied. Enkele zones, onder andere circa 200 m ten oosten van het plangebied, kwamen als gevolg van ontwatering van het veen weer droog te liggen, waardoor ter plaatse loofbos tot ontwikkeling kwam. Na 3400 v. Chr. steeg de grondwaterspiegel minder snel en werden de fluctuaties in het grondwater groter. In het zuiden van de Noordoostpolder ontstonden uitgestrekte moerasbossen (elzenbroekbos). Ook langs de getijdegeul ten oosten van het plangebied waren dergelijke bossen ontstaan. Tussen 3400 en 2950 v. Chr. was in het plangebied elzenbroekbos en vermoedelijk een klein deel loofbos aanwezig. Kort hierna namen de fluctuaties weer af en steeg de grondwaterspiegel weer sterker. Het moerasbosgebied kromp weer en zeggenmoerassen en hoogveenvegetaties breidden zich uit. Tus-

13 Ten Anscher, 2012. 14 Ten Anscher, 2012.

R 14387.001 versie 1

Pagina 5 van 21

sen 2950 en 2600 v. Chr. lag het plangebied weer in een zeggeveengebied. Deze situatie bleef ge­ handhaafd tussen 2600 en 2250 v. Chr. Rond 2500 v. Chr. verbeterde de drainage van de Vecht, waardoor het moerasbos verdween. Door een verlegging van de benedenloop van de Vecht in Noord-Holland vond incidentele brakwateraanvoer plaats, waardoor in het zuiden van de Noordoostpolder een berkenbroekbos tot ontwikkeling kwam. Het plangebied lag tussen 2250 en 1900 v. Chr. op de overgang van hoogveengebied in het westen naar berkenbroekbos in het oosten. Rond 1900 v. Chr. bereikte de zee-invloed een hoogte­ punt, waardoor erosie van het veenlandschap plaatsvond, waardoor de meren zich uitbreidden. Rondom de meren ontstonden rietmoerassen met daarachter hoogveenmoerassen en berkenbroekbossen. In de nabijheid van de meren werd een laag cardiumklei afgezet op het veen. Het plangebied lag tussen 1900 en 1700 v. Chr. in een rietmoeras. Hierna nam de mariene invloed verder af. De kleiaanvoer verminderde en door de stagnerende wa­ terafvoer werden de meren steeds groter. Het plangebied lag in deze periode in een verdronken veengebied. Rond 1450 v. Chr. sloot het zeegat van Bergen. Door de verslechterde afwatering ontstond rond 1200 v. Chr. een groot stelsel van meren in het veengebied, ook wel het meer Flevo genoemd. Het plange­ bied bleef echter nog in een veengebied gelegen.

In de eerste eeuw n. Chr. kwam het Flevomeer in verbinding te staan met de Waddenzee, waardoor het zoetwatermeer veranderde in een lagune met brak water, het Almere. Hierin werd de Almere Laag afgezet, gelaagde pakketten met een afwisseling van grove detritusresten, verslagen veen, brakke zanden en brakke kleien. Het plangebied lag aan de rand van dit meer, vermoedelijk nog in veengebied (zie figuur 6). Rond 800 n. Chr. was het meer echter zover uitgebreid dat het plangebied hier ook in lag. Vanaf circa 1200 werd het Almere groter. Het veen werd weggeslagen of overspoeld, waarbij klei werd afgezet. Vanaf de 14e eeuw werd de verbinding van het Almere met de Wadden- en Noordzee steeds ruimer en verziltte de binnenzee. Hierbij ontstond de Zuiderzee, die rond 1600 haar grootste omvang bereikte. In de Zuiderzee werden de afzettingen van de Zuiderzee Laag gevormd. De Zuiderzee-afzettingen bestaan vooral uit klei, maar ook opnieuw afgezet dekzand en duinzand. Na 1932, na de sluiting van de Afsluitdijk, werd de IJsselmeer Laag afgezet, bestaande uit kleiige meerbodemafzettingen. In de 20e eeuw is het huidige Flevoland ontstaan. De Noordoostpolder is ingepolderd tussen 1940 en 1942.

Nadat de polder drooggelegd was, vond maaivelddaling plaats als gevolg van rijping van boven het grondwater gelegen kleilagen, inklinking van diepere klei- en veenlagen en oxidatie van boven het grondwater gelegen veen. Hierdoor kwam het maaiveld in de loop der tijd 50 tot 150 cm lager te lig­ gen.15

DINO16 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en

15 De Lange et al., 2012 I Hamburg et al., 2013. 16 Dinoloket.

R 14387.001 versie 1

Pagina 6 van 21

geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. Ter plaatse van de huidige A6 is een groot aantal geologische boringen uitgevoerd, waarvan er 17 binnen het huidige onderzoeksgebied liggen.17 Hierbij is het Hollandveen op circa -7 m NAP aange­ troffen. Hierboven bevindt zich klei en zand, vermoedelijk zeeafzettingen.

Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een vlakte van getij-afzettingen. Het grootste deel van de Flevolandse polders valt binnen deze geomorfologische eenheid.

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)18 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetail­ leerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het maaiveld op een hoogte variërend tussen -4,7 en -3,4 m NAP (zie figuur 7). Ter plaatse van de akkers bevindt het maaiveld zich op -4,7 à -4,5 m NAP. De huidige erven zijn opgehoogd, waardoor het maaiveld ter plaatse varieert tussen -4,0 m NAP en -3,4 m NAP, waar­ bij het maaiveld rondom de woningen het hoogste gelegen is. Gezien de grote diepte van de archeo­ logisch relevante niveaus kunnen geen nadere relevante gegevens worden afgeleid van het AHN.

Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als kalkrijke poldervaaggronden; zware zavel, profielverloop 5 (Mn25A; zie figuur 8). De bouwvoor bestaat uit zavel met hieronder meestal gelaagd, lichter materiaal (Almere Laag). Hieronder wordt meestal ondieper dan 120 cm -mv oude zeeklei aangetroffen.19

Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel son­ deringen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek.

Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemid­ deld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden geka­ rakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier

17 DINO-boringen B20F0855 t/m B20F0871. 18 AHN. 19 Eilander et al., 1990.

R 14387.001 versie 1

Pagina 7 van 21

om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Binnen het plan­ gebied geldt grondwatertrap VI in het noorden en samengestelde grondwatertrap IV/VI in het zuiden. Grondwatertrappenindeling20

Tabel II. Grondwater­ trap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

GHG (cm -mv)

-

^0

^0

M0

^0

40-80

s-80

GLG (cm -mv)

^0

50-80

80-120

80-120

s-120

s-120

s-120

')

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden

")

Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

VIII

140

-

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Op basis van de landschappelijke gegevens wordt ver­ wacht dat het archeologisch relevante niveau onder de laagste grondwaterstand gelegen zal zijn, waardoor dergelijke resten vermoedelijk goed geconserveerd zijn. De grondwatertrap kan in de om­ geving van het plangebied niet gebruikt worden als indicator voor gunstige vestigingsgebieden in de archeologisch relevante perioden, gezien de grote landschappelijke veranderingen van het onder­ zoeksgebied in de afgelopen duizenden jaren.

2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeo­ logisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf­ goed (RCE).20 21 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 9. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd.

Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Flevoland De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Flevoland geeft inzicht in de archeolo­ gische, historisch-stedenbouwkundige en de historisch-geografische waarden van de regio. Op deze kaart is geen aanvullende informatie over het plangebied bekend.

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied22 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumen­ ten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaam­ heid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status.

20 Locher & De Bakker, 1990. 21 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

R 14387.001 versie 1

Pagina 8 van 21

Het uiterste oosten van het plangebied valt binnen een AMK-terrein (zie bijlage 2 en figuur 9). Dit betreft een terrein van archeologische waarde (AMK-nr. 1680) waarbinnen sporen van bewoning uit de periode Mesolithicum - Bronstijd voorkomen. Binnen dit terrein zijn restanten rivierduinen en oeverwallen aanwezig. In het verleden zijn diverse keren vuurstenen werktuigen en afslagen op deze kavels gevonden. In het onderzoeksgebied liggen verder geen AMK-terreinen.

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied23 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren in totaal twee archeologische booronderzoeken uitgevoerd. (zie bijlage 3 en figuur 9). Direct ten westen van het plangebied is een booronderzoek uitgevoerd, waarbij op minimaal 230 cm mv en maximaal 440 cm -mv (-6,5 tot -8,6 m NAP) een rivierduin is aangetroffen. Hierboven is een pakket sterk kleiig veen aangetroffen, dat is afgedekt door uiterst siltige, grijze klei met zandlagen, geïnterpreteerd als Zuiderzee-afzettingen. Er zijn geen oeverwallen in de bodem aangetroffen.24 Het oosten van het plangebied valt binnen een AMK-terrein, waarbinnen een booronderzoek is uitge­ voerd. Hierbij is vastgesteld dat de toppen van de rivierduinopduikingen zijn geërodeerd en een oud loopvlak niet meer te verwachten is. Aan de flanken van de oeverwallen en duintjes zijn echter nog wel afvalpakketten aanwezig en grondsporen te verwachten. Gezien de diepteligging van de duintjes, komen hierop waarschijnlijk geen resten jonger dan het Midden-Neolithicum A voor. De oeverwallen bestaan uit Unioklei en Cardiumklei. Waarschijnlijk dateren deze oeverwallen uit de Calais III fase, waardoor bewoningsresten op de oeverwallen uit het Midden-Neolithicum B zullen dateren.

De cardi­ umklei is vanaf de Calais IVb tot mogelijk het begin van de Duinkerke 0 fase gesedimenteerd, waar­ door de bewoningsresten op deze oeverwallen zullen dateren uit het Laat-Neolithicum tot en met de Midden-Bronstijd A.25

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied26 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan twee vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 9). Deze vondstmeldingen zijn beide circa 300 m ten oosten van het plangebied geregistreerd. Hier zijn aan het maaiveld vuurstenen artefacten op een rivierduin aangetroffen, namelijk een schrabber, schaaf, kling, kern, afslag en ongedefinieerd fragment.27 Circa 500 m ten noordoosten van het plan­ gebied staat de vondst van fragmenten bot, natuursteen en een vuurstenen schrabber geregistreerd, maar vermoedelijk is de locatie in Archis foutief geregistreerd.28

Wetenschappelijke publicaties en archieven In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen aanvullende wetenschappelijke publicaties of archie­ ven geraadpleegd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou heb­ ben.

2.7

Beschrijving van het historische gebruik

23 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 24 Archis zaakidentificatie 2362821100. 25 Archis zaakidentificatie 2045074100. 26 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 27 Archis zaakidentificaties 2862673100 & 2863361100. 28 Archis zaakidentificaite 2862657100.

R 14387.001 versie 1

Pagina 9 van 21

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld.

Korte bewoningsgeschiedenis van de omgeving van het plangebied29 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. De bewoningsgeschiedenis hangt nauw samen met het onderliggende dekzand- en rivierduinlandschap. Over het (Laat-)Paleolithicum is weinig bekend en in de Noordoospolder zijn slechts enkele vondsten uit deze periode gedaan, onder andere op de zandrug van Schokland en op een dekzandrug bij de Kuinder. Uit het Mesolithicum zijn meer vondsten bekend. In deze periode was het gebied grotendeels met loofbos begroeid. Jachtkampjes werden vooral ingericht op de hogere delen van het dekzandlandschap en op rivierduinen. Vanaf het Vroeg-Neolithicum ging men over op landbouw. De dekzandruggen en rivierduinen vorm­ den in het begin van het Neolithicum gunstige bewoningslocaties. De vindplaatsen uit deze periode horen bij de Swifterbant-cultuur (circa 4900 - 3900 v. Chr.). Hoewel men in eerste instantie nog een mobiele levenswijze had, gingen de mensen zich na enkele eeuwen vestigen in permanente neder­ zettingen op de hoge locaties in de polders: grote rivierduinen en dekzandruggen. Op basis van de geraadpleegde landschappelijke kaarten lijkt het plangebied gedurende het Vroeg-Neolithicum overveend te zijn geraakt.

Het Midden-Neolithicum (3.900 v. Chr.- 2800 v. Chr). was de periode van de Trechterbekercultuur. Dit is een landbouwcultuur die in een groot deel van Europa voorkomt. In de Noordoostpolder werd voor­ al op de zandruggen, maar ook op de oeverwallen gewoond. In het plangebied zijn mogelijk oeverafzettingen uit het Midden-Neolithicum aanwezig, waarop bewoning mogelijk zou zijn. Resten uit de jongere fasen van deze cultuur (na 3400 v. Chr) zijn zeer schaars in de Noordoostpolder, vermoede­ lijk vanwege de verdergaande vernatting van het gebied. Aan het eind van het Laat-Neolithicum werd op de hogere delen van het landschap gewoond door mensen van de Enkelgrafcultuur en later de Klokbekercultuur, zoals op de zandrug van Schokland. Het plangebied lag in deze periode vermoedelijk reeds in een veengebied. Vanaf de Midden-Bronstijd was de Noordoostpolder grotendeels een langzaam verdrinkend veen­ moeras. Hoewel uit latere perioden geen nederzettingsresten zijn gevonden, zijn wel losse vondsten bekend, zoals offervondsten uit de Late-Bronstijd en een boomstamkano uit de IJzertijd. De hoogste locaties van het dekzandlandschap zouden in de Bronstijd en IJzertijd nog wel bewoond kunnen zijn. Er zijn binnen de Noordoostpolder aanwijzingen dat in de IJzertijd en/of Romeinse tijd op het veen gewoond werd. Mogelijk was dit ook het geval in de rest van Flevoland.

Dergelijke resten zijn echter, als gevolg van latere zeeerosie, geheel verdwenen. Rond 1200 v. Chr. was een stelsel van meren (Flevomeer) ontstaan, dat zich in de loop der tijd steeds verder uitbreidde. In de eerste helft n. Chr. veranderde dit meer in een lagune, het Almere. In 29 Ten Anscher et al., 2018.

R 14387.001 versie 1

Pagina 10 van 21

de eerste eeuw n. Chr. kwam het Flevomeer in verbinding te staan met de Waddenzee, waardoor het zoetwatermeer veranderde in een lagune met brak water, het Almere. Het plangebied lag aan de rand van dit meer, vermoedelijk nog in veengebied. Rond 800 n. Chr. was het meer echter zover uitgebreid dat het plangebied hier ook in lag. Rond 1200 werd het Almere groter vanaf de 14e eeuw ontstond de Zuiderzee. In de 20e eeuw is het huidige Flevoland ontstaan. De Noordoostpolder is ingepolderd tussen 1940 en 1942, waarna de Johannes Postweg werd aangelegd. In de jaren ’50 is de huidige bebouwing gerea­ liseerd.

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kaart van Schroten30

1573

Militaire topografische kaart31 (nettekening)

1830-1850

1:50.000

Idem

Militaire topografische kaart (Bonnekaart)

1925-1935

1:50.000

Idem

Topografische kaart

1955

1:25.000

Akker

De Johannes Postweg is al aanwezig

Topografische kaart

1962

1:25.000

Oosten: erven met woningen en bijgebouwen, beide ervan worden omgeven door hout­ wal, zuiden: akker

Situatie grotendeels gelijk aan huidige, alleen oostelijke helft van de zuidoostelijke schuur ontbreekt nog

Topografische kaart

1973

1:25.000

Zuidoostelijke schuur is uitge­ breid, de houtwal rond nummer 7 is verdwenen

Topografische kaart

1988-2015

1:25.000

Situatie gelijk aan de huidige

Plangebied ligt in de Zuiderzee

Een deel van het erf van nummer 7 in het noordoosten van het plangebied is toege­ voegd aan het akkerland

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is de Johannes Postweg vlak na de ontginning gerealiseerd. In de jaren ’50 zijn de huidige erven gerealiseerd (zie figuur 10). De zuidoostelijke schuur is uitgebreid in 1971 en 1981.32

Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument.

Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Noordoostpolder is bij het gemeentelijk archief door de opdrachtgever een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Binnen het tijdsbe­ stek van het opstellen van het bureauonderzoek is op deze aanvraag geen reactie gekomen.

30 Ten Anscher, 2012. 31 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 32 Basisregistraties Adressen en Gebouwen.

R 14387.001 versie 1

Pagina 11 van 21

Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange­ bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.33 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische struc­ turen uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Wel kunnen resten van vlieg­ tuigwrakken voorkomen. Dergelijke wrakken zijn tot nog toe nog niet bekend binnen het huidige on­ derzoeksgebied. 34

Aanvullende informatie

Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 21 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Archeologische Werkgemeen­ schap Nederland, afdeling 21 (d.d. februari 2021), maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoe­ ring van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.

2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische perio­ de

Gespecificeerde verwach­ ting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum Mesolithicum

Hoog

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

In de top van het rivierduinzand, ver­ moedelijk dieper dan 1,5 m -mv

Vroeg-Neolithicum

Hoog

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen / Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvel­ den, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

In de top van het rivierduinzand, ver­ moedelijk dieper dan 1,5 m -mv

Midden- tot LaatNeolithicum

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houts­ kool en gebruiksvoorwerpen

In eventuele oeverafzettingen (Wormer Laagpakket), vanaf het maaiveld tot meer dan 1,5 m -mv

Bronstijd - VroegeMiddeleeuwen

Zeer laag

-

-

Late-Middeleeuwen Nieuwe tijd

Laag

Resten van scheeps- of vliegtuigwrak­ ken

Vanaf het maaiveld

Binnen het plangebied is sprake van drie mogelijke archeologische niveaus. In de top van het rivierduinzand, vanaf 1,5 m -mv (-6 tot -7 m NAP) kunnen resten voorkomen uit vooral de periode LaatPaleolithicum - Vroeg-Neolithicum. Voor resten uit het Paleo- en Mesolithicum betreffen dit resten van jagers-verzamelaars. Deze resten zullen hoofdzakelijk bestaan uit vuursteenstrooiingen. Er kan sprake zijn van basiskampen, extractiekampen, depots en/of begravingen. Vanaf het Neolithicum ging men op vaste locaties wonen en werd landbouw toegepast. Uit het Vroeg-Neolithicum kunnen zowel

33 Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 - 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 34 Scheeps- en vliegtuigwrakken in de Provincie Flevoland Z Flevoland Erfgoed.

R 14387.001 versie 1

Pagina 12 van 21

resten van jagers-verzamelaars als resten van landbouwers voorkomen. De resten uit deze periode bestaan overwegend uit vondststrooiingen van aardewerk en vuursteen, aangevuld met grondsporen. De archeologische resten uit deze perioden worden verwacht in de top van het duinzand. De meeste vondsten zijn te verwachten in de intacte podzolbodem. Archeologische sporen worden verwacht direct onder de podzolbodem en tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. In het veen rondom de duinopduikingen kunnen bovendien afvallagen aanwezig zijn, op een vergelijkbare diepte. Wat betreft de archeologische indicatoren kan opgemerkt worden dat er sterke verschillen zijn in de waarde hiervan. Bewerkt vuursteen, aardewerk, verbrand bot en verbrande hazelnoten vormen sterke aanwijzingen voor een archeologische vindplaats. Onverbrand bot kan echter ook een natuurlijke oorsprong hebben. Ook houtskool kan een natuurlijke oorsprong hebben. Tijdens booronderzoek in het kader van de Hanzelijn is vastgesteld dat sprake is van een soort ‘houtskool-deken’ die over het landschap ligt. Mogelijk werden in het Mesolithicum bewust bosbranden gesticht om het landschap aantrekkelijk te maken voor dieren. Ook kan houtskool door de wind aangevoerd zijn.

Van kampementen, nederzettingen en huisplaatsen is bekend dat deze zich vaak op de overgang van nat naar droog bevinden, dus zandopduikingen grenzend aan laagten. Depots en afvaldumps komen vooral in de lage delen voor. Archeologische resten worden vooral verwacht in de zones waar de bodem in het rivierduin nog intact is, dus waar een intact podzolprofiel aanwezig is. Hierbij dient ech­ ter opgemerkt te worden dat in de zones waar alleen een C-horizont aanwezig is, mogelijk nooit bodemvorming heeft plaatsgevonden. Dit is met name het geval in de laaggelegen delen van het pleis­ tocene landschap. Naast aan- of afwezigheid van het podzolprofiel kan de mate van intactheid ook bepaald worden aan de hand van aanwijzingen over erosie van het zand. Dergelijke aanwijzingen betreffen bijvoorbeeld het aantreffen van verspoeld pleistoceen zand of zandigheid van de afdekken­ de veenlaag. In oeverafzettingen van het Wormer Laagpakket kunnen resten voorkomen uit het Neolithicum. Moge­ lijk zijn dergelijke oeverafzettingen in het plangebied aanwezig, maar dit kan op basis van het bu­ reauonderzoek niet met zekerheid bepaald worden. Indien aanwezig worden binnen deze afzettingen vooral resten uit het Midden-Neolithicum en mogelijk het Laat-Neolithicum verwacht. Gedurende het Laat-Neolithicum raakte het plangebied met veen bedekt.

Vanaf de Laat-Romeinse tijd of Vroege-Middeleeuwen lag het plangebied in een meer. Vandaar dat geen resten uit deze perio­ den verwacht worden. In de bovenste meters kunnen in alle locaties resten van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoor­ log en scheepswrakken uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen. Het gaat hierbij echter om toevalsvondsten die niet door middel van prospectief onderzoek opgespoord kunnen worden. Bodemverstoring

Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventue­ le aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vind­ plaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ be­ waard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als akkerland en in de jaren ’50 of ’60 raakte het oosten bebouwd met woningen en bijgebouwen. Deze gebouwen zijn nu nog steeds aanwezig. Van­ daar dat geen diepe verstoringen buiten de huidige bebouwing verwacht wordt. Vermoedelijk bevin­ den de archeologisch relevante niveaus zich dieper dan 1,5 m -mv, waardoor ook de verstoring als gevolg van de huidige bebouwing vermoedelijk beperkt is gebleven.

R 14387.001 versie 1

Pagina 13 van 21

2.9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeo­ logische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek worden in de top van de rivierduinafzettingen, vermoedelijk dieper dan 1,5 m -mv, archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Vroeg-Neolithicum verwacht. In de top van eventuele oeverafzettingen van het Wormer Laagpakket (binnen 1,5 m -mv) kunnen bovendien resten uit het Midden- of Laat-Neolithicum voorkomen. Bewoningsresten uit latere perioden worden niet verwacht, hoewel resten van scheeps­ wrakken (Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd) of vliegtuigwrakken (Tweede Wereldoorlog) in vrijwel heel Flevoland voorkomen en ook hier niet uitgesloten kunnen worden. Dergelijke resten bevinden zich in de bovenste 2 m -mv. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uit­ gevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.

3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24-05-2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24-05-2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 24 februari 2021 door drs. J. Holl (senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen de bouwblokken en geplande sloten gezet. Er is zoveel mogelijk in een 40x50 m grid geboord, hoewel hier door de vorm van het onderzoeksgebied plaatselijk van afge­ weken is. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) en guts (diameter 3 cm) 18 boringen tot 2 à 4 m -mv gezet (figuur 11). De boringen zijn lithologisch conform de Archeolo­ gische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.35 De exacte locatie van de boringen (x-, y­ en z-waarden) is vastgelegd met behulp van dGPS. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.

Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.

35 Bosch, 2005.

R 14387.001 versie 1

Pagina 14 van 21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2116/documents/37115