7.1 Ontwerpbestemmingsplan Landelijk gebied Johannes Postweg 7 8 9 Nagele (6).pdf
Tekst van het document
Het uiterste oosten van het plangebied valt binnen een AMK-terrein (zie bijlage 2 en figuur 9). Dit betreft een terrein van archeologische waarde (AMK-nr. 1680) waarbinnen sporen van bewoning uit de periode Mesolithicum - Bronstijd voorkomen. Binnen dit terrein zijn restanten rivierduinen en oeverwallen aanwezig. In het verleden zijn diverse keren vuurstenen werktuigen en afslagen op deze kavels gevonden. In het onderzoeksgebied liggen verder geen AMK-terreinen.
In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied23 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren in totaal twee archeologische booronderzoeken uitgevoerd. (zie bijlage 3 en figuur 9). Direct ten westen van het plangebied is een booronderzoek uitgevoerd, waarbij op minimaal 230 cm mv en maximaal 440 cm -mv (-6,5 tot -8,6 m NAP) een rivierduin is aangetroffen. Hierboven is een pakket sterk kleiig veen aangetroffen, dat is afgedekt door uiterst siltige, grijze klei met zandlagen, geïnterpreteerd als Zuiderzee-afzettingen. Er zijn geen oeverwallen in de bodem aangetroffen.24 Het oosten van het plangebied valt binnen een AMK-terrein, waarbinnen een booronderzoek is uitge voerd. Hierbij is vastgesteld dat de toppen van de rivierduinopduikingen zijn geërodeerd en een oud loopvlak niet meer te verwachten is. Aan de flanken van de oeverwallen en duintjes zijn echter nog wel afvalpakketten aanwezig en grondsporen te verwachten. Gezien de diepteligging van de duintjes, komen hierop waarschijnlijk geen resten jonger dan het Midden-Neolithicum A voor. De oeverwallen bestaan uit Unioklei en Cardiumklei. Waarschijnlijk dateren deze oeverwallen uit de Calais III fase, waardoor bewoningsresten op de oeverwallen uit het Midden-Neolithicum B zullen dateren.
De cardi umklei is vanaf de Calais IVb tot mogelijk het begin van de Duinkerke 0 fase gesedimenteerd, waar door de bewoningsresten op deze oeverwallen zullen dateren uit het Laat-Neolithicum tot en met de Midden-Bronstijd A.25
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied26 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan twee vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 9). Deze vondstmeldingen zijn beide circa 300 m ten oosten van het plangebied geregistreerd. Hier zijn aan het maaiveld vuurstenen artefacten op een rivierduin aangetroffen, namelijk een schrabber, schaaf, kling, kern, afslag en ongedefinieerd fragment.27 Circa 500 m ten noordoosten van het plan gebied staat de vondst van fragmenten bot, natuursteen en een vuurstenen schrabber geregistreerd, maar vermoedelijk is de locatie in Archis foutief geregistreerd.28
Wetenschappelijke publicaties en archieven In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen aanvullende wetenschappelijke publicaties of archie ven geraadpleegd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou heb ben.
2.7
Beschrijving van het historische gebruik
23 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 24 Archis zaakidentificatie 2362821100. 25 Archis zaakidentificatie 2045074100. 26 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 27 Archis zaakidentificaties 2862673100 & 2863361100. 28 Archis zaakidentificaite 2862657100.
R 14387.001 versie 1
Pagina 9 van 21
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld.
Korte bewoningsgeschiedenis van de omgeving van het plangebied29 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. De bewoningsgeschiedenis hangt nauw samen met het onderliggende dekzand- en rivierduinlandschap. Over het (Laat-)Paleolithicum is weinig bekend en in de Noordoospolder zijn slechts enkele vondsten uit deze periode gedaan, onder andere op de zandrug van Schokland en op een dekzandrug bij de Kuinder. Uit het Mesolithicum zijn meer vondsten bekend. In deze periode was het gebied grotendeels met loofbos begroeid. Jachtkampjes werden vooral ingericht op de hogere delen van het dekzandlandschap en op rivierduinen. Vanaf het Vroeg-Neolithicum ging men over op landbouw. De dekzandruggen en rivierduinen vorm den in het begin van het Neolithicum gunstige bewoningslocaties. De vindplaatsen uit deze periode horen bij de Swifterbant-cultuur (circa 4900 - 3900 v. Chr.). Hoewel men in eerste instantie nog een mobiele levenswijze had, gingen de mensen zich na enkele eeuwen vestigen in permanente neder zettingen op de hoge locaties in de polders: grote rivierduinen en dekzandruggen. Op basis van de geraadpleegde landschappelijke kaarten lijkt het plangebied gedurende het Vroeg-Neolithicum overveend te zijn geraakt.
Het Midden-Neolithicum (3.900 v. Chr.- 2800 v. Chr). was de periode van de Trechterbekercultuur. Dit is een landbouwcultuur die in een groot deel van Europa voorkomt. In de Noordoostpolder werd voor al op de zandruggen, maar ook op de oeverwallen gewoond. In het plangebied zijn mogelijk oeverafzettingen uit het Midden-Neolithicum aanwezig, waarop bewoning mogelijk zou zijn. Resten uit de jongere fasen van deze cultuur (na 3400 v. Chr) zijn zeer schaars in de Noordoostpolder, vermoede lijk vanwege de verdergaande vernatting van het gebied. Aan het eind van het Laat-Neolithicum werd op de hogere delen van het landschap gewoond door mensen van de Enkelgrafcultuur en later de Klokbekercultuur, zoals op de zandrug van Schokland. Het plangebied lag in deze periode vermoedelijk reeds in een veengebied. Vanaf de Midden-Bronstijd was de Noordoostpolder grotendeels een langzaam verdrinkend veen moeras. Hoewel uit latere perioden geen nederzettingsresten zijn gevonden, zijn wel losse vondsten bekend, zoals offervondsten uit de Late-Bronstijd en een boomstamkano uit de IJzertijd. De hoogste locaties van het dekzandlandschap zouden in de Bronstijd en IJzertijd nog wel bewoond kunnen zijn. Er zijn binnen de Noordoostpolder aanwijzingen dat in de IJzertijd en/of Romeinse tijd op het veen gewoond werd. Mogelijk was dit ook het geval in de rest van Flevoland.
Dergelijke resten zijn echter, als gevolg van latere zeeerosie, geheel verdwenen. Rond 1200 v. Chr. was een stelsel van meren (Flevomeer) ontstaan, dat zich in de loop der tijd steeds verder uitbreidde. In de eerste helft n. Chr. veranderde dit meer in een lagune, het Almere. In 29 Ten Anscher et al., 2018.
R 14387.001 versie 1
Pagina 10 van 21
de eerste eeuw n. Chr. kwam het Flevomeer in verbinding te staan met de Waddenzee, waardoor het zoetwatermeer veranderde in een lagune met brak water, het Almere. Het plangebied lag aan de rand van dit meer, vermoedelijk nog in veengebied. Rond 800 n. Chr. was het meer echter zover uitgebreid dat het plangebied hier ook in lag. Rond 1200 werd het Almere groter vanaf de 14e eeuw ontstond de Zuiderzee. In de 20e eeuw is het huidige Flevoland ontstaan. De Noordoostpolder is ingepolderd tussen 1940 en 1942, waarna de Johannes Postweg werd aangelegd. In de jaren ’50 is de huidige bebouwing gerea liseerd.
Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kaart van Schroten30
1573
Militaire topografische kaart31 (nettekening)
1830-1850
1:50.000
Idem
Militaire topografische kaart (Bonnekaart)
1925-1935
1:50.000
Idem
Topografische kaart
1955
1:25.000
Akker
De Johannes Postweg is al aanwezig
Topografische kaart
1962
1:25.000
Oosten: erven met woningen en bijgebouwen, beide ervan worden omgeven door hout wal, zuiden: akker
Situatie grotendeels gelijk aan huidige, alleen oostelijke helft van de zuidoostelijke schuur ontbreekt nog
Topografische kaart
1973
1:25.000
Zuidoostelijke schuur is uitge breid, de houtwal rond nummer 7 is verdwenen
Topografische kaart
1988-2015
1:25.000
Situatie gelijk aan de huidige
Plangebied ligt in de Zuiderzee
Een deel van het erf van nummer 7 in het noordoosten van het plangebied is toege voegd aan het akkerland
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is de Johannes Postweg vlak na de ontginning gerealiseerd. In de jaren ’50 zijn de huidige erven gerealiseerd (zie figuur 10). De zuidoostelijke schuur is uitgebreid in 1971 en 1981.32
Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument.
Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Noordoostpolder is bij het gemeentelijk archief door de opdrachtgever een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Binnen het tijdsbe stek van het opstellen van het bureauonderzoek is op deze aanvraag geen reactie gekomen.
30 Ten Anscher, 2012. 31 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 32 Basisregistraties Adressen en Gebouwen.
R 14387.001 versie 1
Pagina 11 van 21
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.33 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische struc turen uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Wel kunnen resten van vlieg tuigwrakken voorkomen. Dergelijke wrakken zijn tot nog toe nog niet bekend binnen het huidige on derzoeksgebied. 34
Aanvullende informatie
Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 21 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Archeologische Werkgemeen schap Nederland, afdeling 21 (d.d. februari 2021), maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoe ring van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.
2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische perio de
Gespecificeerde verwach ting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum Mesolithicum
Hoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
In de top van het rivierduinzand, ver moedelijk dieper dan 1,5 m -mv
Vroeg-Neolithicum
Hoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen / Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvel den, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
In de top van het rivierduinzand, ver moedelijk dieper dan 1,5 m -mv
Midden- tot LaatNeolithicum
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houts kool en gebruiksvoorwerpen
In eventuele oeverafzettingen (Wormer Laagpakket), vanaf het maaiveld tot meer dan 1,5 m -mv
Bronstijd - VroegeMiddeleeuwen
Zeer laag
-
-
Late-Middeleeuwen Nieuwe tijd
Laag
Resten van scheeps- of vliegtuigwrak ken
Vanaf het maaiveld
Binnen het plangebied is sprake van drie mogelijke archeologische niveaus. In de top van het rivierduinzand, vanaf 1,5 m -mv (-6 tot -7 m NAP) kunnen resten voorkomen uit vooral de periode LaatPaleolithicum - Vroeg-Neolithicum. Voor resten uit het Paleo- en Mesolithicum betreffen dit resten van jagers-verzamelaars. Deze resten zullen hoofdzakelijk bestaan uit vuursteenstrooiingen. Er kan sprake zijn van basiskampen, extractiekampen, depots en/of begravingen. Vanaf het Neolithicum ging men op vaste locaties wonen en werd landbouw toegepast. Uit het Vroeg-Neolithicum kunnen zowel
33 Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 - 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 34 Scheeps- en vliegtuigwrakken in de Provincie Flevoland Z Flevoland Erfgoed.
R 14387.001 versie 1
Pagina 12 van 21
resten van jagers-verzamelaars als resten van landbouwers voorkomen. De resten uit deze periode bestaan overwegend uit vondststrooiingen van aardewerk en vuursteen, aangevuld met grondsporen. De archeologische resten uit deze perioden worden verwacht in de top van het duinzand. De meeste vondsten zijn te verwachten in de intacte podzolbodem. Archeologische sporen worden verwacht direct onder de podzolbodem en tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. In het veen rondom de duinopduikingen kunnen bovendien afvallagen aanwezig zijn, op een vergelijkbare diepte. Wat betreft de archeologische indicatoren kan opgemerkt worden dat er sterke verschillen zijn in de waarde hiervan. Bewerkt vuursteen, aardewerk, verbrand bot en verbrande hazelnoten vormen sterke aanwijzingen voor een archeologische vindplaats. Onverbrand bot kan echter ook een natuurlijke oorsprong hebben. Ook houtskool kan een natuurlijke oorsprong hebben. Tijdens booronderzoek in het kader van de Hanzelijn is vastgesteld dat sprake is van een soort ‘houtskool-deken’ die over het landschap ligt. Mogelijk werden in het Mesolithicum bewust bosbranden gesticht om het landschap aantrekkelijk te maken voor dieren. Ook kan houtskool door de wind aangevoerd zijn.
Van kampementen, nederzettingen en huisplaatsen is bekend dat deze zich vaak op de overgang van nat naar droog bevinden, dus zandopduikingen grenzend aan laagten. Depots en afvaldumps komen vooral in de lage delen voor. Archeologische resten worden vooral verwacht in de zones waar de bodem in het rivierduin nog intact is, dus waar een intact podzolprofiel aanwezig is. Hierbij dient ech ter opgemerkt te worden dat in de zones waar alleen een C-horizont aanwezig is, mogelijk nooit bodemvorming heeft plaatsgevonden. Dit is met name het geval in de laaggelegen delen van het pleis tocene landschap. Naast aan- of afwezigheid van het podzolprofiel kan de mate van intactheid ook bepaald worden aan de hand van aanwijzingen over erosie van het zand. Dergelijke aanwijzingen betreffen bijvoorbeeld het aantreffen van verspoeld pleistoceen zand of zandigheid van de afdekken de veenlaag. In oeverafzettingen van het Wormer Laagpakket kunnen resten voorkomen uit het Neolithicum. Moge lijk zijn dergelijke oeverafzettingen in het plangebied aanwezig, maar dit kan op basis van het bu reauonderzoek niet met zekerheid bepaald worden. Indien aanwezig worden binnen deze afzettingen vooral resten uit het Midden-Neolithicum en mogelijk het Laat-Neolithicum verwacht. Gedurende het Laat-Neolithicum raakte het plangebied met veen bedekt.
Vanaf de Laat-Romeinse tijd of Vroege-Middeleeuwen lag het plangebied in een meer. Vandaar dat geen resten uit deze perio den verwacht worden. In de bovenste meters kunnen in alle locaties resten van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoor log en scheepswrakken uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen. Het gaat hierbij echter om toevalsvondsten die niet door middel van prospectief onderzoek opgespoord kunnen worden. Bodemverstoring
Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventue le aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vind plaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ be waard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als akkerland en in de jaren ’50 of ’60 raakte het oosten bebouwd met woningen en bijgebouwen. Deze gebouwen zijn nu nog steeds aanwezig. Van daar dat geen diepe verstoringen buiten de huidige bebouwing verwacht wordt. Vermoedelijk bevin den de archeologisch relevante niveaus zich dieper dan 1,5 m -mv, waardoor ook de verstoring als gevolg van de huidige bebouwing vermoedelijk beperkt is gebleven.
R 14387.001 versie 1
Pagina 13 van 21
2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeo logische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek worden in de top van de rivierduinafzettingen, vermoedelijk dieper dan 1,5 m -mv, archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Vroeg-Neolithicum verwacht. In de top van eventuele oeverafzettingen van het Wormer Laagpakket (binnen 1,5 m -mv) kunnen bovendien resten uit het Midden- of Laat-Neolithicum voorkomen. Bewoningsresten uit latere perioden worden niet verwacht, hoewel resten van scheeps wrakken (Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd) of vliegtuigwrakken (Tweede Wereldoorlog) in vrijwel heel Flevoland voorkomen en ook hier niet uitgesloten kunnen worden. Dergelijke resten bevinden zich in de bovenste 2 m -mv. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uit gevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.
3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24-05-2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24-05-2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 24 februari 2021 door drs. J. Holl (senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen de bouwblokken en geplande sloten gezet. Er is zoveel mogelijk in een 40x50 m grid geboord, hoewel hier door de vorm van het onderzoeksgebied plaatselijk van afge weken is. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) en guts (diameter 3 cm) 18 boringen tot 2 à 4 m -mv gezet (figuur 11). De boringen zijn lithologisch conform de Archeolo gische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.35 De exacte locatie van de boringen (x-, y en z-waarden) is vastgelegd met behulp van dGPS. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.
35 Bosch, 2005.
R 14387.001 versie 1
Pagina 14 van 21
3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 8 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: In de boringen 10-12 en 18 is onderin de boring een pakket matig fijn, matig siltig, slecht gesorteerd zand aangetroffen. Dit betreft een pakket rivierduinafzettingen. In boring 10 kon de top van het rivierduin niet bemonsterd worden doordat het sediment uit de guts liep. In de overige boringen is een (licht)bruingrijze C-horizont aangetroffen, met hierboven een lichtbruine, zwak ontwikkelde B-horizont. Hierboven is in de boringen 11 en 12 een lichtgrijze E-horizont aangetroffen. Hierboven is een matig humeuze, donkergrijze A-horizont aanwezig. De top van het rivierduin is verspoeld, wat te zien is aan de slechte sortering, aanwezige plantenresten en de vaak aanwezige zandbijmenging aan basis van het bovenliggende veenpakket. De top van het rivierduin bevindt zich op 1,75 m -mv (-6,3 m NAP) in de meest zuidoostelijke boring 11 en in de overige boringen op 2,15 à 2,9 m NAP (-6,9 à -7,5 m NAP). In de overige boringen zijn geen rivierduinafzettingen binnen de maximale boordiepte van 2 à 4 m -mv (-5,7 à -8,7 m NAP). In boring 1 is onderin, tussen 3,5 en 4,0 m -mv (-8,2 tot -8,7 m NAP), een pakket sterk siltige, onge rijpte, kalkloze klei aangetroffen.
Deze klei bevat veel plantenresten en betreft een pakket dekafzettingen van het Wormer Laagpakket. Op basis van de ongerijptheid van de klei is hier geen sprake van oeverafzettingen, maar van lagunaire of komafzettingen die onaantrekkelijk waren voor bewoning. Boven het rivierduin en in boring 1 boven het Wormer Laagpakket is een pakket mineraalarm of zwak kleiig, donkerbruin veen aangetroffen. Dit veen bestaat overwegend uit riet- en bosveen en er zijn veraarde of geoxideerde niveaus in aangetroffen. Dit veen wordt gerekend tot de Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket. De top van dit pakket bevindt zich op 1,0 à 2,8 m -mv (-5,7 tot 7,4 m NAP), waarbij het veen in het oosten het ondiepst gelegen is. In de boringen 2-4 en 8 is het Hollandveen Laagpakket niet aangetroffen binnen de maximale boordiepte van 2 m -mv (-5,7 à -6,7 m NAP). In een deel van de boringen, voor in het noorden van het plangebied, is boven het Hollandveen een laag sterk kleiig, amorf veen aangetroffen. Dit betreft een meerbodemafzetting die gerekend wordt tot de Formatie van Naaldwijk, Flevomeer Laag en die tussen 1450 v. Chr. en 800 n. Chr. is gevormd. De top van deze laag bevindt zich op 1,3 à 2,1 m -mv (-5,8 tot -6,6 m NAP).
Hoewel op basis van het bureauonderzoek verwacht werd dat het plangebied buiten het meer Flevo lag, heeft het plangebied op basis van het booronderzoek toch nog enige tijd binnen dit meer gelegen. In de meeste boringen is een pakket uiterst siltige, sterk humeuze, donkergrijze kalkrijke klei met zandlagen aangetroffen. Dit betreft een zee-afzettingen, die tot de Almere Laag (Formatie van Naaldwijk, 9e tot 14e eeuw n. Chr.) gerekend wordt. De top van dit pakket bevindt zich op 0,5 à 1,7 m -mv (-4,9 tot -6,1 m NAP). Boven de Almere Laag is in de meeste boringen een pakket uiterst fijn, sterk siltig, kalkrijk, lichtgrijs tot blauwgrijs zand met kleilagen aangetroffen. Dit is eveneens een pakket zee-afzettingen, dat wordt gerekend tot de Zuiderzee Laag (Formatie van Naaldwijk, 14e eeuw tot 1932). De top van dit pakket bevindt zich op 0,3 à 1,2 m -mv (-4,4 à -5,2 m NAP). In de meeste boringen bestaat de bovenste circa 30 cm uit matig humeuze, uiterst siltige, donkergrij ze klei. Dit betreft de bouwvoor, die bestaat uit een vermenging van de IJsselmeer Laag en de Zui derzee Laag. De IJsselmeer Laag is een kleilaag die na de afsluiting van de Afsluitdijk in 1932 ge-
R 14387.001 versie 1
Pagina 15 van 21
vormd is. In een deel van de boringen zijn puinresten in deze bouwvoor aangetroffen. In de boringen 7, 8 en 13 is een relatief dik verstoord pakket aangetroffen. In boring 7 en 8 betreft dit een verstoord, puinhoudend, gevlekt pakket Zuiderzee-afzettingen, doorlopend tot 1,2 en 1,7 m -mv (-4,8 en -5,4 m NAP). In boring 8 is tussen 70 en 90 cm -mv bovendien een zwarte laag, kleiig zand met veel puin en een oliegeur waargenomen. In boring 13 loopt de bovenste laag uiterst siltige, matig humeuze klei relatief diep door, tot 0,6 m -mv (-5,2 m NAP).
Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aan wezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.
3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plan gebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespeci ficeerde archeologische verwachting. Op basis van het bureauonderzoek werden archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Vroeg-Neolithicum verwacht in de top van de rivierduinafzettingen en resten uit het Midden- of Laat-Neolithicum in de top van eventuele oeverafzettingen van het Wormer Laagpakket. Vanaf het maaiveld kunnen mogelijk resten van schepen uit de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd of vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog voorkomen. Het gaat hierbij echter om toevalsvondsten die niet door middel van prospectief onderzoek opgespoord kunnen worden. Uit het booronderzoek is gebleken dat de rivierduinafzettingen in de meeste boringen dieper dan 2 m -mv gelegen zijn, in het uiterste westen zelfs dieper dan de maximale boordiepte van 4 m -mv (-8,7 m NAP). Het rivierduin is het hoogst gelegen in de meest zuidoostelijke boring 11, waar het duinzand op 1,8 m -mv (-6,3 m NAP) gelegen was. In de boringen ten noorden en zuidwesten hiervan, boring 12 en 10, ligt het duinzand op 2,2 à 2,9 m -mv (-6,9 à 7,5 m NAP). In de noordelijke boring 18 is duin zand op 2,8 m -mv (-7,3 m NAP) aangetroffen.
Het Wormer Laagpakket is in één boring (boring 1) aangetroffen, op 3,5 m -mv (-8,2 m NAP). Het betreft hier echter geen oeverafzettingen, maar lagunaire of komafzettingen met ongunstige bewoningsomstandigheden.
R 14387.001 versie 1
Pagina 16 van 21
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Op basis van het bureauonderzoek werden archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Vroeg-Neolithicum verwacht in de top van de rivierduinafzettingen en resten uit het Midden- of Laat-Neolithicum in de top van eventuele oeverafzettingen van het Wormer Laagpakket. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verken nend booronderzoek uitgevoerd. Vanaf het maaiveld kunnen mogelijk resten van schepen uit de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd of vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog voorkomen. Het gaat hierbij echter om toevalsvondsten die niet door middel van prospectief onderzoek opgespoord In de meeste boringen zijn geen rivierduinafzettingen binnen de maximale boordiepte van 2 à 4 m mv aangetroffen. In vier boringen is het rivierduin aangeboord. Het rivierduin is het hoogst gelegen in de meest zuidoostelijke boring 11, waar het duinzand op 1,8 m -mv (-6,3 m NAP) gelegen was. In de boringen ten noorden en zuidwesten hiervan, boring 12 en 10, ligt het duinzand op 2,2 à 2,9 m -mv ( 6,9 à 7,5 m NAP). In de noordelijke boring 18 is duinzand op 2,8 m -mv (-7,3 m NAP) aangetroffen. In de top van het rivierduin is een grotendeels intacte podzolbodem aanwezig.
In de top van het rivier duin kunnen archeologische resten uit de prehistorie verwacht worden. Het uiterste oosten van het plangebied bevindt zich binnen een AMK-terrein waarbinnen zich een rivierduincomplex met bewoningsresten vanaf het Mesolithicum voorkomt. Uit het booronderzoek blijkt dat het rivierduin in de meest westelijke boring relatief hoog ligt, op 1,8 m -mv (-6,3 m NAP). In de overige boringen ligt het duinzand dieper dan 2 m -mv. Het Wormer Laagpakket is in één boring (boring 1) aangetroffen, op 3,5 m -mv (-8,2 m NAP). Het betreft hier echter geen oeverafzettingen, maar ongerijpte klei, die geïnterpreteerd is als lagunaire of komafzettingen met ongunstige bewoningsomstandigheden. Boven deze afzettingen is achtereenvolgens mineraalarm tot zwak kleiig bos- en rietveen (Hollandveen Laagpakket), sterk kleiig, amorf veen (Flevomeer Laag), uiterst siltige, sterk humeuze klei met zandlagen (Almere Laag) en uiterst fijn, sterk siltig zand met kleilagen (Zuiderzee Laag) aanwezig, hoewel niet alle lagen in elke boring zijn waargenomen. De bovenste 30 cm bestaat uit een bouwvoor van uiterst siltige klei. Dit betreft een vermenging van de IJsselmeer Laag met de Zuiderzee Laag. In enkele boringen is de bodem dieper verstoord, tot maximaal 1,7 m -mv. Deze verstoring is het sterkst ter plaatse van het erf van de Johannes Postweg 9.
Ter plaatse van de geplande bouwblokken is tot 2 m -mv geboord en ter plaatse van de sloten tot 3 m -mv (en in boring 1 tot 4 m -mv). Over het algemeen wordt een bufferzone van 30 cm gehanteerd boven mogelijk aanwezige vindplaatsen. Vandaar dat geadviseerd wordt om in de zones waar geen rivierduin is aangetroffen niet dieper te verstoren dan 30 cm boven de maximale boordiepte (dus maximaal 1,7 m -mv in de bouwblokken en 2,7 m -mv voor de sloten. In de zones waar het rivierduin wel is aangetroffen wordt aanbevolen om niet dieper dan 30 cm boven het rivierduin te graven (zie figuur 12). Bovendien wordt voor de fundering geadviseerd om gebruik te maken van een archeologievriendelijk bouwplan, waarbij het totale oppervlak van de heipalen minder dan 20Zo van het totale bouwvlak omvat en de onderlinge afstand tussen de palen minstens 4 m.
R 14387.001 versie 1
Pagina 17 van 21
Op basis van de huidige bouwplannen zal aan deze voorwaarden voldaan worden. Indien in de toe komst toch dieper gegraven zal worden dan de in figuur 12 aangegeven dieptes, dient een vervolg onderzoek uitgevoerd te worden. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, karterend booronderzoek, om de toppen van de rivierduinen systematisch te onderzoeken op het voorkomen van archeologische waarden. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Noordoostpolder). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed36).
36 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
R 14387.001 versie 1
Pagina 18 van 21
LITERATUUR Amersfoort, H. Ã P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Anscher, T.J. ten, 2012: Leven met de Vecht. Schokland-P14 en de Noordoostpolder in het Neolithi-
cum en de Bronstijd. Zutphen (dissertatie UvA). Anscher, T.J. ten, G.H. de Boer, Y.T. van Popta à S. van der Veen, 2018: Erfgoed in de polder! Actu
alisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Noordoostpol der. Weesp (RAAP-rapport 3155). Boer, P.C. de à A.F.L. van Holk, 2005: ‘Eens ging de zee hier tekeer...’; Waarderend veldonderzoek
ten behoeve van de Actualisatie van de Archeologische Monumenten Kaart Flevoland 2003-2004. Amersfoort (RACM Rapportage Archeologische Monumentenzorg 121). Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Eilander, D.A. Ã W. Heijink, 1990: Bodemkaart van Nederland 1:50.000; Toelichting bij de kaartbla-
den 20 West Lelystad (gedeeltelijk), 20 Oost Lelystad en 21 West Zwolle. Wageningen. Hamburg, T., A. Müller à B. Quadflieg (red.), 2013: Mesolithisch Swifterbant; Mesolithisch gebruik van
een duin ten zuiden van Swifterbant (8300-5000 v.Chr.). Een archeologische opgraving in het tra cé van de N23/N307, provincie Flevoland. Leiden/Amersfoort (Archol rapport 174 I ADC rapport 3250). Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. à B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Lange, G. de, J. Gunnink, Y. Houthuessen à R. Muntjewerff, 2012:
Bodemdalingskaart Flevoland.
Houten (Grontmij Projectnummer 304424). Locher, W.P. Ã H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van
Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Pepers, K.H.J., 2012: Nagele, Plangebied Johannes Postweg 8; Quick scan en Inventariserend veld
onderzoek (karterende fase). Deventer (BAAC Rapport V-12.0100). TNO, 2010: Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600.000. Vos, P. Ã S. de Vries, 2013: 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Utrecht (Deltares). Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000.
R 14387.001 versie 1
Pagina 19 van 21
Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
R 14387.001 versie 1
Pagina 20 van 21
OVERIGE BRONNEN AHN; internetsite, maart 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, februari 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, februari 2021. http://bagviewer.kadaster.nl Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, februari 2021. http://maps.bodemdata.nl/ Bodematlas Provincie Flevoland, internetsite, februari 2021. https://www.flevoland.nl/loket/kaarten/bodematlas Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, februari 2021. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, februari 2021. http://www.dinoloket.nl/ Flevoland Erfgoed; internetsite, februari 2021. https://www.flevolanderfgoed.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, februari 2021. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, februari 2021. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, februari 2021. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, februari 2021. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, februari 2021. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ Scheeps- en vliegtuigwrakken in de provincie Flevoland; internetsite, februari 2021.
https://www.google.com/maps/d/u/0/viewer?mid=1Ushhs3phUugB4fXHcjCQqZcAL_JOWJSL&ll=52.7 544522453233607o2C5.780932622839132&z=11 SIKB; internetsite, februari 2021. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, februari 2021. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
R 14387.001 versie 1
Pagina 21 van 21
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland37
Johannes Postweg 7, naast nr. 8 en 9 te Nagele. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda I
I Plangebied
37 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
R 14387.001 versie 1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied38
Johannes Postweg 7, naast nr. 8 en 9 te Nagele. Detailkaart van het plangebied Legenda I
I Plangebied
38 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
R 14387.001 versie 1
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied39 177400
177600
177400
177600
Johannes Postweg 7, naast nr. 8 en 9 te Nagele. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
39 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
R 14387.001 versie 1
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart40
Johannes Postweg 7, naast nr. 8 en 9 te Nagele. S ituering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Noordoostpolder Legenda I
I Plangebied
40 Ten Anscher et al., 2018, legenda op volgende pagina.
R 14387.001 versie 1
legenda Beleidscategorieën
17771
WA-1
1 1 1 1
WA-1 (archeologisch Rijksmonurrent) WA-2 WA-3 WA-4 WA-5 WA-6 WA-7 WA-7 (middeleeuwse dijken en sloten) WA-8 geen
Overig dörrtflur UNESCO-Werelderfgdedgebied Sďckland (tevens AMK-terrein en PArK-gebied)
cz:
contour PArK-gebied gemeentegrens
Beleidsadvies per beleidscategorie
I beleidscategorie vrijstellingsgrens
omschrijving
omvang tot
diepte tot
WA-1
0 m2
0 cm
WA-2
100 m2
30 cm (50 cm)
- Rijksmonumenten - overige AMK-terreinen - buurtterpen op Schokland er burchten Kuinre incl. buffer (voor zover geen AMK-terreir) - scheepswrakken categorie 1 incl. buffers (voor zover geen AMK-terrein) - scheepswrakken categorie 2 incl. buffer
WA-3
500 m2
30 cm (50 cm)
- vlaknederzettingslocaties Kuinderbos incl. buffers - rivierduinen - zandrug van Schokland buiten AMK-terrein
WA-4
500 m2
50 cm
- overige terpen incl. buffers
WA-5
2.500 m2
50 cm
- zandmggen van Urk, Tollebeek en De Voorst - zandwal incl. buffers - buffers rivierduinen en zand ruggen - hoge verwachting nederzettingen Middeleeuwen - dekzandruggen nabij water incl. buffers
WA-6
5.000 m2
50 cm
- overige dekzandmggen incl. buffer - waterbpen categorie 1 (en van waterlopen categorie 2 de Kuinder) incl. buffers (oeverwallen/ oeverzones)
WA-7
10.000 m2
50 cm
- dekzandruggen, (deels) geërodeerd - dekzandgebied boven 5,0 m -NAP - veengebied boven dekzandgebied boven 5,0 m -NAP - dijken incl. buffers - oude sloten incl. buffers
WA-Í
10.000 m2
100 cm
- dekzandgebied ander 5,0 m -NAP - veengebied boven dekzandgebied onder 5,0 m -NAP - waterbpen categorie 2 (behalve de Kuinder) incl. buffers (oeverzones, ook van meren)
R 14387.001 versie 1
ļ
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de paleogeografische kaarten (v. Chr.)41
Johannes Postweg 7, naast nr. 8 en 9 te Nagele. Situering van het plangebied binnen de paleogeografische kaarten (v. Chr.)
41 Vos & De Vries, 2013, legenda op volgende pagina.
R 14387.001 versie 1
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen de paleogeografische kaarten (n. Chr.)42
O
1000m
O
100 n. Chr.
1000m
800 n. Chr.
1000
1850 n. Chr.
1500 n. Chr.
Legenda locatie plangebied
|
] beekdal- en rivierengebied ] Pleistoceen zandgebied tussen -16 en 0 m NAP ~1 rivierduinen | gestuwd gebied ĵ binnenwater
LJ buitenwater | ] getijdenzone/wad ] kwelder
I 1000 m
| [
veen ] droogmakerij | steden waterlopen
2000 n. Chr. Johannes Postweg 7, naast nr. 8 en 9 te Nagele. Situering van het plangebied binnen de paleogeografische kaarten (n. Chr.)
42 Vos Ă De Vries, 2013.
R 14387.001 versie 1
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 43
Johannes Postweg 7, naast nr. 8 en 9 te Nagele. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
43 AHN
R 14387.001 versie 1
Figuur 8. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart44
Johannes Postweg 7, naast nr. 8 en 9 te Nagele. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart
44 Publieke Dienstverlening Op de Kaart.
R 14387.001 versie 1
Figuur 9. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied45 177800
177100 pOrt#İjnbOţjeSfrOetfe
Nieuw Huomgaweer
28S2657100
2289971100
De Oude Keurtiof
â 2863361100 2862673100
2362821100.
20450741001680 2478644100 2053206100
2210208100Z
\ X
2252304100 V
2003789100
2083769100^2863467100
Q
1QQ
2QQ
3QQ
4QQ
5QQ Eťtynü u lUtnJy (.ņfi'
177100
177800
Johannes Postweg 7, naast nr. 8 en 9 te Nagele. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Waarnemingen, Vondsten
l
l Plangebied
Categorie
Periode
m
Paleoiithicum
Monumenten
A
Nederzetting
l
l Terrein van archeologische waarde
*
Grafcontext
I
I Terrein van hoge archeologische waarde
"
Verdedigingswerk
a
l
l Terrein van zeer hoge archeologische waarde
*
Religieuze context
m
Bronstijd
1
1 Terrein van zeer hoge archeologische waarde/ beschermd
* Onbepaald
m
Uzertijd
Mesolithicum
Romeinse tijd
Onderzoeksmeldi ngen
CD
Neolithicum
m m
Middeleeuwen Nieuwe tijd Onbepaald
45 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
R 14387.001 versie 1
Figuur 10. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
k*.
u 0
200 m
5000 m
Situatie circa 1573. Bron: Ten Anscher, 2012.
Situatie circa 1955. Bron: Kadaster Topotijdreis.
0
100 m
Situatie circa 1962. Bron: Kadaster Topotijdreis.
0
Situatie circa 1973. Bron: Kadaster Topotijdreis.
100 m
100 m
Situatie circa 1997. Bron: Kadaster Topotijdreis
Johannes Postweg 7, naast nr. 8 en 9 te Nagele. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda ļ
Plangebied
R 14387.001 versie 1
100 m
Situatie circa 2014. Bron: Kadaster Topotijdreis.
Figuur 11. Boorpuntenkaart 177400
177600
Legenda Boorpunten, in rood de dieptes van het rivierduin in m -mv Plangebied Onderzoeksgebied booronderzoek
250 m Eaÿpÿ u llancytņjV0 177400
Johannes Postweg 7, naast nr. 8 en 9 te Nagele. Boorpuntenkaart
R 14387.001 versie 1
177600
Figuur 12. Advieskaart
Johannes Postweg 7, naast nr. 8 en 9 te Nagele. Advieskaart
R 14387.001 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
Holoceen 11.755
12.745 '
13.675
14.025 '
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700 -
Lithostratigrafie
Late Dryas (koud) Aller0d (warm) Vroege Dryas (koud) B0lling (warm)
2
LaatPleniglaciaal 29.000 -
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 '
130.000 -
370.000 -
410.000 -
5a
5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000 -
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
R 14387.001 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
4C jaren
1950
Chronostratigrafie
Pollen zones
0 -
Vb2
-1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd Ijzertijd
800 815-
2650 -
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755-
IVa
5000 -
-4900
-5300
7020-
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
8000 -
9000 -
Preboreaal warmer
-8800 11.755
10.150
12.745
10.800-
13.675
11.800 -
14.025
12.000
15.700
13.000-
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allercd
LW II
Vroege Dryas LW I Belling
- 35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk^0A invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000
130.000-
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) - 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P Vos ä P Kiden (2005).
R 14387.001 versie 1
Bijlage 2 AMK nr. 1680
AMK-terreinen
Locatie
Datering
Waarde en omschrijving
Overlapt met het oosten van het plangebied Johannes Postweg, Kavel J74, J75, J76 En J77 te Nagele Gemeente Noordoostpolder Coördinaat: 178297/520322
Mesolithicum, Neolithicum, Bronstijd
Complex: NederzettingWaarde: Terrein van archeologische waarde Terrein met sporen van bewoning uit de perioden: Mesolithicum, MiddenNeolithicum, Laat-Neolithicum en Bronstijd. In 1987 heeft de ROB een kleine veldkartering uitgevoerd waarbij op de duintoppen verschillende vuurstenen artefacten zijn aangetroffen. In 2004 heeft Peter De Boer (Pr. Flevoland) acht boringen gezet in het kader van de actualisatie van de AMK. Uit het onderzoek bleek dat het perceel aanzienlijk minder verstoord was dan werd aangenomen. De begrenzing is gebaseerd op een reconstructietekening van het pleistoceen in de Noordoostpolder en de Bodemcoderingskaart blad 15. Zoals boven vermeld zijn alleen aan de flanken van de opduikingen bewoningsresten en grondsporen te verwachten. Het is nog onbekend wat de kwaliteit en de con servering van deze bewoningssporen zullen zijn. Mogelijk is een groot deel van de bewoningsresten uit het Midden-Neolithicum door het zeewater tijdens de Cardiumfase verspoeld. Ook op de aangrenzende kavels bevinden zich rivierduintjes en oeverwallen. De toppen van de opduikingen zijn geërodeerd en een oud loopvlak is niet meer te verwachten. Aan de flanken van de oeverwallen en duintjes zijn echter nog wel afvalpakketten aanwezig en grondsporen te verwachten.
Gezien de diepteligging van de rivierduintjes zijn de bewoningsresten op deze pleistocene opduikingen waarschijnlijk niet jonger dan het Midden-Neolithicum A. De oeverwallen zijn opgebouwd uit Unioklei en Cardiumklei. De Unioklei kan verdeeld worden in de Unio-I (afgezet tijdens de Calais II transgressie) en de Unio-II (afgezet in de Calais III transgressie). De Unio-oeverwallen dateren, gezien de diepteligging van ca. 4.5 m. NAP, waarschijnlijk uit de Calais III fase. De bewoningsresten op deze oeverwallen zullen dan ook uit het MiddenNeolithicum B dateren. De Cardiumklei is gesedimenteerd vanaf de Calais IVb mogelijk tot begin Duinkerke 0. Soms is de Cardiumklei op een oudere Uniooeverwal gesedimenteerd. De bewoningsresten op deze oeverwallen dateren uit het Laat-Neolithicum tot en met Midden-Bronstijd A.
R 14387.001 versie 1
Bijlage 3 Zaaknummer (OM nummer) 2362821100 (51174)
2045074100 (5870)
Onderzoeksmeldingen
Locatie
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek
direct ten westen van het plangebied Johannes Postweg te Nagele Gemeente Noordoostpolder Coördinaat: 177425/520445
Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 23-3-2011 Resultaat: Op minimaal 230 cm -mv en maximaal 440 cm -mv (-6,5 tot -8,6 m NAP) is een rivierduin aangetroffen. Hierboven is een pakket sterk kleiig veen aanwezig, dat is afgedekt door uiterst siltige, grijze klei met zandlagen, geïnterpreteerd als Zuiderzee-afzettingen. Er zijn geen oeverwallen in de bodem aangetroffen. Bij bodemingrepen tot in het duinzand is proefsleuvenonderzoek geadviseerd.46
overlapt met uiterste oosten plangebied Kavels J74, 75, 76 en 77 te Nagele Gemeente Noordoostpolder Coördinaat: 178265/520255
Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Provincie Flevoland Datum: 28-1-2004 Resultaat: Hoewel het gehele AMK-terrein als onderzoeksgebied staat aangegeven, is het booronderzoek circa 900 m ten zuidoosten van het plangebied uitgevoerd (kavel J76). Hier is een boorraai geplaatst, waarbij een oeverwal is aangetroffen. Hiervan is een klein deel intact gebleven en het overige deel is verstoord. Deze verstoring is het gevolg van graafwerk zaamheden in verband met de ten tijde van de inpoldering geplande aanleg van de voortzet ting van de Vliegtuigweg. Een klein deel van de oeverwal is bewaard gebleven, hier is een opeenvolging van lagen slappe, licht gerijpte tot zeer gerijpte klei. Waar aangetroffen, ligt deze op 90 à 100 cm -mv (-5,8 à -5,9 m NAP). In één boring is houtskool aangetroffen. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het oeverwalcomplex verder is aangetroffen op de kavels J77 en J78, gelegen 800 m ten zuidoosten van het plangebied. Hier zijn fragmenten aardewerk, vuursteen, bot en natuursteen uit de Vroege-Bronstijd gevonden. Tijdens een opgraving op kavel J78 bleek dat de oeverwal ter plaatse was geërodeerd. In de naastgelegen bedding was wel een goed geconserveerde vondstlaag aanwezig met botmateriaal en aardewerk uit het Laat-Neolithicum en Vroege-Bronstijd.47
46 Pepers, 2012. 47 De Boer 8* Van Holk, 2005.
R 14387.001 versie 1
Bijlage 4 Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2862673100 (29254)
2863361100 (29351)
2862657100 (29252)
2862698100 (29256)
R 14387.001 versie 1
Vondstmeldingen Locatie
Omschrijving
300 meter ten oosten van het plangebied Johannes Postweg, Kavel J74 te Emmeloord Gemeente Noordoostpolder Coördinaat: 178000/520580 300 meter ten oosten van het plangebied Johannes Postweg, Kavel J74 te Emmeloord Gemeente Noordoostpolder Coördinaat: 178000/520580 500 meter ten noorden van het plangebied Johannes Postweg, Kavel J72 te Emmeloord Gemeente Noordoostpolder Coördinaat: 177680/521100 500 meter ten oosten van het plangebied Johannes Postweg, Kavel J75 te Emmeloord Gemeente Noordoostpolder Coördinaat: 178180/520410
Mesolithicum - Neolithicum :
- vuursteen kernen - fragmenten van vuursteen klingen - vuursteen afslagen gevonden tijdens veldkartering
Mesolithicum - Neolithicum :
- fragmenten van vuursteen objecten, - fragmenten van vuursteen schaven - fragmenten van vuursteen schrabbers gevonden tijdens veldkartering
Mesolithicum - Neolithicum :
- botmateriaal - stenen brokken - fragment van een vuursteen schrabber gevonden tijdens veldkartering. De vondsten zouden zijn geborgen op een rivierduin. Het is echter onwaarschijnlijk dat zich in kavel J72 een rivierduin bevindt. Vermoedelijk zijn de vondsten van een andere kavel verzameld (kavel J75 of J76). Mesolithicum - Neolithicum :
- fragment van een vuursteen bijl - stenen brokken - vuursteen kernen - fragmenten van vuursteen klingen - vuursteen afslagen - fragmenten van vuursteen schrabbers gevonden tijdens veldkartering
Bijlage 5
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschie denis van Nederland weergegeven.
Paleolithicum ftot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Neder land geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veran derende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd.
Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fau na (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu. Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jacht techniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wis selden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de ri vieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd.
Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrij ke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp. Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrari sche levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levens stijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale ver nieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmo numenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.
Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderschei den van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Neder lands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
R 14387.001 versie 1
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omge ven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend.
Ijzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werk tuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die moge lijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen.
Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aange zien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in be langrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederland se rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaam de 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelij ker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aar dewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten.
Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Li mes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handels contacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn.
Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
R 14387.001 versie 1
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezagheb bende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele peri ode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e - 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbe zitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en ver sterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimato logische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivali teit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal ge weld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen.
Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, han delskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwik kelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het groot ste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
R 14387.001 versie 1
Bijlage 6
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces
Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelij ke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap wor den overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot be lang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeo logische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.