CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

7.1 Bestemmingsplan Ens, Oost - fase 4.pdf

Commissie Woonomgeving 2 december 2024, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan Ens, Oost fase 431.284 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld De dorpenring heeft een vrij smal profiel omdat de meeste grond voor landbouw werd ingezet. In de huidige situatie zijn delen van de begeleidende beplanting langs de dorpenring verdwenen, bijvoorbeeld door wegverbredingen. Hierdoor staat de ruimtelijke samenhang van de polder als geheel onder druk. Een tweede dragende structuur voor de polder wordt gevormd door het assenkruis. Het assenkruis is opgebouwd enkele hoofdwaterwegen die zijn beplant met dichte singels. Hieronder vallen de N50 met de Enservaart, de A6 met de Lemstervaart. Ook de Urkerweg met de Urkervaart en de Marknesserweg met de Zwolse Vaart. Deze structuur verbindt de kern Emmeloord via radialen met de dorpenring. 4.2.5.3 Toetsing van het initiatief aan het ‘Programma landschap van de toekomst’ De kernkwaliteiten zijn aanknopingspunten bij het inrichten van het landschap van de toekomst. Met de begrenzing van het plangebied wordt het modulaire systeem van verkaveling van de polder gerespecteerd. Hierdoor blijft de rechtlijnige verkaveling na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling zichtbaar. De in de omgeving aanwezige erfbeplanting rondom (voormalige) boerenerven blijven behouden. Daarnaast doet voorgenomen ontwikkeling een afbreuk aan de dorpenring. De openheid ter plaatse van het plangebied gaat verloren, dit is echter inherent aan dergelijke ontwikkelingen.

Door de woningen tegen de huidige kern Ens te realiseren wordt afbreuk aan deze waarde zoveel als mogelijk ingeperkt.

4.2.6

Toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het provinciaal beleid de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de weg staat.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Noordoostpolder

4.3.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie is de routekaart naar de toekomst van Noordoostpolder, tot stand gekomen samen met inwoners die op verschillende manieren participeerden. De doelen tot 2050 staan beschreven in 3 kernopgaven. Dit zijn: 1. 2. 3.

Groei en bloei van dorpen en wijken; Vitaal landelijk gebied; Aantrekkelijke regio.

Deze 3 kernopgaven zijn vertaald naar 14 deelopgaven. De uitvoeringsagenda maakt de deelopgaven concreet: dit gaat de gemeente doen om de doelen in deze Omgevingsvisie te realiseren. De kernopgave die van toepassing is op voorgenomen ontwikkeling is ‘Groei en bloei van dorpen en wijken’.

4.3.1.2 Kernopgave: Groei en bloei van dorpen en wijken De sociale kracht is sterk in de Noordoostpolder en kent z’n oorsprong in de unieke ontstaansgeschiedenis. Het is deel van het DNA van de Noordoostpolder en kan tegen een stootje. De kenmerkende prettige omgangsvormen en individuele ontplooiing blijven fier overeind. De groei van productiesectoren en de agrarische sector zorgen voor voldoende kwalitatieve werkgelegenheid voor een diversiteit aan bestaande en nieuwe inwoners. Nieuwkomers zijn onderdeel van de samenleving, in het patroon van de poldermentaliteit. De groei en bloei in dorpen en wijken laten we zo geleidelijk mogelijk verlopen. Door hierbij aandacht te hebben voor sociale BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld kracht, blijft deze op niveau. Hiervoor heeft de gemeente een NOP-barcode, die ons helpt bij verdere afwegingen. Voor deze kernopgave zijn de volgende deelopgaven geformuleerd:

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is met name deelopgave 4 van toepassing. Dit is tevens weergegeven op de visiekaart behorende bij de kernopgave.

Afbeelding 4.2

Uitsnede visiekaart kernopgave 1 (Bron: gemeente Noordoostpolder)

Er is een woningbehoefte. Voorzieningen -zeker in de kleinere dorpen- staan onder druk. De gemeente kiest voor de ontwikkeling van een toekomstbestendige woningvoorraad, bereikbaar en betaalbaar voor diverse inwoners (in het bijzonder voor jongeren) door: • • •

Verduurzamen en klimaatbestendig maken van bestaande woningen; Circa 3.300 nieuwe woningen voor de autonome woningbehoefte; Daarnaast minimaal 5.000 woningen voor woningzoekenden van buiten de gemeente (bij realisatie van de Lelylijn).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld De nieuwe woningen komen in en rondom de dorpen, in en rondom Emmeloord en op de vrijkomende agrarische erven. De verdeling van woningen houdt rekening met de identiteit van dorpen en wijken en intensief ruimtegebruik. We realiseren buurten en onderscheidende woonmilieus om een diverse groep woningzoekenden aan te spreken. De sociale binding en kracht en de vernieuwende impuls die ontstaat vergroot het draagvlak voor bestaande en nieuwe voorzieningen. 4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Omgevingsvisie Noordoostpolder’ In voorliggend geval is sprake van een uitbreiding van de kern Ens met woningbouw. In de omgevingsvisie is het plangebied aangewezen als (potentiële) locatie voor uitbreiding van het woningaanbod. Het plan voorziet in de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte van het dorp Ens (zie ook paragraaf 4.3.2 en 4.3.4). Dit plan is in overeenstemming met de uitgangspunten zoals verwoord in de ‘Omgevingsvisie Noordoostpolder’

4.3.2

Woonvisie Gemeente Noordoostpolder 2020: Kansen grijpen

4.3.2.1 Algemeen De gemeenteraad heeft in 2020 een nieuwe woonvisie vastgesteld. De woonvisie heeft als subtitel “kansen grijpen” en dat is precies wat de gemeente wil gaan doen. De gemeente wil de vraag van vandaag beantwoorden en tegelijkertijd inspelen op de toekomst. En wil een gemeente blijven waar het goed wonen is. Dat betekent dat de gemeente inspeelt op de markt en ruimte bieden voor experimenten en nieuwe woonvormen. Dit draagt bij aan de variatie in het woonaanbod, waardoor Noordoostpolder voor meer mensen aantrekkelijker wordt. Mensen die een band hebben met Noordoostpolder geeft de gemeente de ruimte om te blijven en te komen. Zowel in Emmeloord als in de dorpen.

4.3.2.2 Kwantitatieve behoefte Uitgangspunt voor de programmering is de bevolkingsprognose van de gemeente. Tegelijk is het beeld dat de groei hoger uit kan vallen. De ambitie van de gemeente is dan ook om aan die grotere behoefte te voldoen. Dat betekent dat er een flexibele programmering is, waarbij een jaarlijkse bijstelling van prognose en planning nodig is. Het doel is om meerjarig te voldoen aan de kwantitatieve behoefte die wordt afgeleid van de huishoudensprognose. Dat betekent dat er de komende 10 jaar in ieder geval de ruimte is om 1000 woningen toe te voegen. Dat aantal staat los van de intentie van de provincie Flevoland om in het kader van het project “Flevoland bouwt voor Nederland” in de provincie tot 2050 100.000 woningen extra te bouwen. Momenteel wordt onderzocht welke bijdrage de gemeente Noordoostpolder daaraan kan leveren. Het is cruciaal steeds zowel in Emmeloord als in de dorpen de ontwikkelruimte beschikbaar te hebben om aan de vraag te voldoen. Er zijn geen harde cijfers per kern om zo de programmering flexibel te houden en in te kunnen spelen op de behoefte.

4.3.2.3 Kwalitatieve behoefte De kwalitatieve woningprogrammering kent drie invalshoeken: 1. 2. 3.

De vraag en tekorten van vandaag. De behoefte van morgen. Zelfstandige kwaliteitsdoelstellingen.

Bij het bouwen van nieuwe woningen wordt gekeken naar inbreidingsmogelijkheden, transformatie van bestaand vastgoed en uitbreiding. De inzet van de woonvisie is om de vraag en tekorten van vandaag op te lossen door een op doorstroming gericht seniorenprogramma dat invulling geeft aan de behoefte van morgen. Het doel is om zowel in Emmeloord als in de kernen een dergelijk programma te realiseren. Het gaat daarbij om huur- én

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld koopwoningen, appartementen én grondgebonden woningen. Een dergelijk programma kan door doorstroming ruimte scheppen voor starters en andere groepen.

4.3.2.4 Betaalbaarheid De basisstrategie is om door het stimuleren van doorstroming de betaalbare woningen in de voorraad beschikbaar te krijgen voor de groepen die daaraan behoefte hebben. Bijvoorbeeld door het toevoegen van seniorenwoningen kunnen betaalbare woningen in de bestaande voorraad beschikbaar komen. Als de doorstroming niet voldoende op gang komt, moeten er andere maatregelen genomen worden om woningen beschikbaar te krijgen voor bijvoorbeeld starters. Hierbij kan gedacht worden aan een middenhuurprogramma, levensloopgeschikte woningen die nu voor starters zijn, maar straks voor senioren. Daarnaast is het doel om voor de groepen die tussen de sociale huurmarkt en de koopmarkt vallen, te komen tot een nieuw middenhuurprogramma.

4.3.2.5 Duurzaamheid Landelijk doel is om in 2050 een energie neutrale woningvoorraad te hebben. De gemeente heeft daarbij als subdoelstellingen de betaalbaarheid van het wonen én de kwaliteit van de bestaande voorraad. Vooral in de goedkopere delen van de koopvoorraad ligt hier een belangrijke opgave. De komende jaren moet op gebiedsniveau invulling worden gegeven aan deze doelstelling. Vooruitlopend daarop is het doel te leren van experimenten en met die experimenten ook draagvlak onder de bevolking te creëren. Bijzonder aandachtspunt is dat de verwachting dat op het moment dat de strategie voor de energietransitie in een afrondende fase komt daar de nieuwe opgave van de circulaire transitie overheen komt. De oplossingen voor de energietransitie kunnen strijdig zijn met die van circulair bouwen. Parallel zijn er ook de opgaven van de klimaatadaptatie en biodiversiteit. Het doel is om tijdig met de nieuwe opgaven rekening te houden in het formuleren van de strategieën.

4.3.2.6 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Noordoostpolder In het Coalitieakkoord 2022-2026 staat dat de Noordoostpolder klaar is voor groei en daar ruimte voor biedt. De gemeente werkt toe naar een woningmarkt met een goed evenwicht tussen vraag en aanbod, in alle dorpen en in Emmeloord. Niet alleen in het aantal woningen, maar ook in variatie. Zo is er voldoende aanbod voor verschillende doelgroepen en wordt de doorstroming gestimuleerd. Een goede mix van woningen in dorpen en wijken versterkt de leefbaarheid. De gemeente richt zich in het bijzonder op starters, jongeren die terugkeren naar de polder en ouderen. De gemeente wil dat woningen duurzaam en levensloopbestendig zijn en dat ze in een groene, gezonde en klimaatbestendige leefomgeving staan. Voorliggend bestemmingsplan is bewust flexibel opgesteld om optimaal invulling te kunnen geven aan individuele woonwensen en in te kunnen spelen op de actuele vraag vanuit de markt. Zo worden er verschillende soorten woningen (rijwoningen, tweekappers, vrijstaande woningen en appartementen) gebouwd. Hierdoor kan er een brede doelgroep worden bediend. Zo zijn de rijwoningen, tweekappers en appartementen (zeer) geschikt of geschikt te maken voor starters en senioren. Daarnaast kunnen met de vrijstaande woningen, maar ook met de tweekappers de ‘doorstromers’ worden bediend.

Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld 4.3.3

Ontwikkelperspectieven woningbouw Noordoostpolder (2021-2026)

4.3.3.1 Algemeen Op 16 april 2016 zijn de ontwikkelperspectieven dorpen voor de periode 2015-2020 door de gemeenteraad vastgesteld. De ontwikkelperspectieven 2015-2020 zijn gezien hun beperkte looptijd een momentopname. Veel doelen zijn of ingevuld en/of achterhaald. De conjunctuur is veranderd, en er is sprake van een gespannen woningmarkt met een nadrukkelijke vraag naar woningen. Daarnaast is in oktober 2020 een nieuwe woonvisie vastgesteld. Vanuit de gemeenteraad is bij het vaststellen van de woonvisie gevraagd om een ontwikkelperspectief voor Emmeloord. Vanuit de dorpen was de wens om de ontwikkelperspectieven 2015-2020 te herzien. Dit zijn de ontwikkelperspectieven voor Emmeloord en de dorpen voor de periode 20212026. Hierin staan de locaties die voor (her)ontwikkeling in aanmerking komen. De inpasbaarheid en wenselijkheid van de ontwikkellocaties moet nader onderzocht worden, hierbij wordt een integrale afweging gemaakt. De ontwikkelperspectieven zijn een momentopname. Komen er in de komende periode nieuwe potentiële locaties/andere inzichten dan worden de perspectieven waar nodig aangepast. Het doel van de ontwikkelperspectieven is het in kaart brengen van (potentiële) ontwikkellocaties voor woningbouw in Emmeloord en de dorpen voor de komende vijf jaar.

4.3.3.2 Ens Ens is ontwikkeld langs de weg Kampen-Emmeloord, daar waar de Schokkerringweg en de Zuiderringweg hierop aansluiten. Door het regelmatige kavelpatroon lag het voor de hand om Ens een rechthoekige vorm te geven. Ens ligt ten oosten van de hoofdverkeersverbinding naar Emmeloord, de Kamperweg. De weg naar Kraggenburg loopt door het dorpscentrum. Ens ligt aan de Enservaart. Vanuit Ens is wel de behoefte aan in- en uitbreiden maar Ens wil wel het dorpse karakter behouden. Er is ruimte voor het uitbreiden van het aantal woningen. De ligging van Ens ten opzichte van N50/A6 is heel gunstig. De infrastructuur in en rondom (rondweg) Ens moeten wel aansluiten bij de woningbouwontwikkelingen. Ens ervaart druk op de woningmarkt. Er leven een aantal wensen in het dorp. Zo wil Ens graag de doorstroming op gang brengen en de voorzieningen behouden die nu in Ens zijn. Ze heeft behoefte aan seniorenwoningen en (betaalbare) starterswoningen. Ook zijn er veel jongeren op zoek naar een goedkope starterswoning, bestaande woningen zijn voor hen vaak niet bereikbaar. Concepten zoals rug-aanrugwoningen zijn wel betaalbaar voor starters/jongeren. In het dorp is ook veel behoefte aan seniorenwoningen, zowel levensloopbestendige woningen als appartementen.

De verwachting is dat er door het aanbieden van senioren/levensloopbestendige woningen, een doorstroom in de woningmarkt op gang wordt gebracht. In Ens is ook vraag naar huurwoningen. Er lijkt een gat te zijn tussen de huurprijzen van sociale huur en vrije sector huurwoningen. Daarnaast heeft Ens de wens om tiny houses te realiseren. De huidige uitbreiding Ens-Oost fase 1 is de afgelopen jaren grotendeels bebouwd en een gedeelte van de kavels is nog onder optie of in aanbouw. Een ontwikkelaar ontwikkelt appartementen aan De Baan. Er is op dit moment geen aanbod beschikbaar in Ens. Voor het ontwikkelperspectief van Ens wordt er in overleg met het dorp een keuze gemaakt voor de eerstvolgende woningbouwontwikkeling. Het college maakt (begin 2022) een keuze tussen het derde voetbalveld of het Ensyfair terrein. Vervolgens is de locatie C 3898, het perceel vlakbij de Zuiderringweg en Drietorensweg, als ontwikkellocatie fase 3 aangemerkt. Fase 4 is al in eigendom van de gemeente en zal ontwikkeld worden. Daarnaast zijn er nog 2 inbreidingslocaties opgenomen in het ontwikkelperspectief Ens, namelijk de locatie aan de Waterkant en de schoollocatie De Horizon. Beide locaties zijn passend voor woningbouw wanneer de huidige functies vervallen.

4.3.3.3 Toetsing initiatief aan de Ontwikkelperspectieven woningbouw Noordoostpolder (2021-2026) Voorliggend bestemmingsplan, waarmee het bouwen van 90 woningen ten oosten van Ens wordt mogelijk gemaakt sluit aan bij de lokale woningbouwbehoefte en de voorkeur vanuit het dorp voor uitbreiding op deze locatie, zoals opgenomen in het ontwikkelperspectief. Het plangebied is tevens aangewezen als ontwikkellocatie. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld Gelet op het vorenstaande is de voorgenomen ontwikkeling is overeenstemming met de ‘Ontwikkelperspectieven woningbouw Noordoostpolder (2021-2026)’.

4.3.4

Beleidsregels Uiterlijk Bouwwerken

4.3.4.1 Algemeen De beleidsregel is onderdeel van het aspect ruimtelijke kwaliteit in zijn geheel en zal in de toekomst onderdeel gaan uitmaken van het Omgevingsplan. Ruimtelijke kwaliteit gaat ook over de waardering van mensen voor hun leefomgeving. Bijvoorbeeld voor de kenmerken die samenhangen met herkomst. Het gaat om het beschermen van de karakteristiek en de zorg dat nieuwe ontwikkelingen daar rekening mee houden. Historisch besef en bescherming van bestaande karakteristieke bebouwing hoeven vernieuwing niet in de weg te staan. Voor een levensvatbare toekomst van de gebouwde omgeving is het noodzakelijk dat eigentijdse, creatieve ideeën over stedenbouw en architectuur ook een kans krijgen. Er zijn in de Noordoostpolder gebieden die ‘van ons allemaal’ voelen. Waar het aanzien het particuliere belang heel duidelijk overstijgt. Het zijn gebieden, gebouwen of erven, die in belangrijke mate onze identiteit bepalen. Hier wordt gestuurd op het behoud en de verdere ontwikkeling van de kwaliteit van de collectieve ruimte. De Beleidsregel Uiterlijk Bouwwerken is daarmee één van de bouwstenen van het gemeentelijk erfgoedbeleid. De hele Noordoostpolder is bijzonder, maar niet overal toetst de gemeente het uiterlijk van bouwwerken afzonderlijk bij het verlenen van een omgevingsvergunning.

Deze beleidsregel geldt voor de hele Noordoostpolder, maar spitst zich toe op een aantal specifieke gebieden en objecten. Daarnaast geldt voor sommige gebieden een beeldkwaliteitsplan, waarin eisen zijn gesteld voor het uiterlijk van bouwwerken in dat specifieke gebied. Verder hanteert de gemeente het DNA Emmeloord en DNA polderdorpen en het boerderijenboek als inspiratiebron en onderlegger. De overige gebieden zijn ‘regelvrij’. De gemeente verwacht wel dat in deze gebieden bouwwerken voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Uit afbeelding 4.3 blijkt dat het plangebied in een ‘regelvrij’ gebied ligt waardoor artikel 4 van de ‘Beleidsregels Uiterlijk Bouwwerken’ van toepassing is. Verder gelden er ter plaatse van het plangebied geen aanvullende criteria.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld

Afbeelding 4.3

Uitsnede kaart Ens (Bron: gemeente Noordoostpolder)

4.3.4.2 Artikel 4 - Excessenregeling Een exces is een ‘evidente en ook voor niet-deskundigen duidelijk kenbare buitensporigheid van het uiterlijk van een bouwwerk’. De excessenregeling geldt voor het hele grondgebied van de gemeente, dus ook voor gebieden die volgens deze Beleidsregel Uiterlijk Bouwwerken regelvrij zijn. Van een exces kan sprake zijn als: -

-

het bouwwerk zich afsluit voor zijn omgeving. Hiervan kan sprake zijn als er aan de openbare ruimte gevels zonder gevelopeningen worden toegepast, als die niet passen bij de functie van het gebouw of de karakteristieken van de omgeving; architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk worden vernietigd of ontkend; er armoedige materialen worden toegepast, zoals multiplex dat eigenlijk geschikt is toepassingen binnen; het bouwwerk een grove inbreuk maakt op zijn omgeving (zie ook de gebiedsbeschrijvingen); zeecontainers worden geplaatst in het buitengebied, woonwijken of de dorpskernen, zichtbaar vanuit het openbaar gebied; gebouwen of delen van gebouwen worden geschilderd in een felle en (sterk) contrasterende kleur die niet passend is in de omgeving; een bestaand pand door verwaarlozing in verval is geraakt.

Nadat is vastgesteld dat zich ergens een mogelijk excessieve situatie voordoet, vraagt het College van Burgemeester en Wethouders de Commissie Omgevingskwaliteit of stadsbouwmeester naar hun oordeel. Indien nodig, kan de gemeente een last onder dwangsom inzetten.

4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de Beleidsregels Uiterlijk Bouwwerken Ten tijde van de bouwaanvraag van de woningen wordt getoetst aan de ‘Beleidsregels Uiterlijk Bouwwerken’. Op deze plek wordt geconcludeerd dat de beleidsregel zich niet verzet tegen de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld 4.3.5

Duurzaamheidsvisie Noordoostpolder

4.3.5.1 Algemeen In haar duurzaamheidsvisie streeft de gemeente Noordoostpolder naar energieneutraliteit in 2030. De gemeente focust daarnaast op inzet van schone energie. Energiegebruik en –besparing in woningen maken daar een belangrijk onderdeel van uit. Het energiegebruik door woningen bedraagt ongeveer 16% van het totale energiegebruik in Noordoostpolder.

4.3.5.2 Landelijke eisen Het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen (BENG) in Nederland beschrijft het Nederlandse beleid om te komen tot bijna-energieneutrale woningen vanaf 2021. Op 3 april 2018 is een aanpassing van de Gaswet in werking getreden waardoor de gasaansluitplicht is komen te vervallen. Dit betekent dat geen omgevingsvergunningen meer mogen worden afgegeven voor nieuwbouw die aangesloten wordt op een gasnet. Deze regeling geldt voor omgevingsvergunningen aangevraagd vanaf 1 juli 2018. Een gemeente kan een ontheffing verlenen, waardoor toch op het gasnet aangesloten mag worden. Dit kan echter alleen in uitzonderlijke situaties waarbij grote maatschappelijke effecten ontstaan door het niet aansluiten op gas. Aangezien voor de geplande woningen technische oplossingen beschikbaar en financieel haalbaar zijn voor aardgasloos wonen/bouwen, verleent de gemeente voor deze locatie geen ontheffing. 4.3.5.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Duurzaamheidsvisie Noordoostpolder’ In het kader van energetisch ontwerpen op stedenbouwkundig niveau is een gunstige situering van woningen ten opzichte van de zon belangrijk. Het stedenbouwkundig plan voorziet hier in door de nokrichting van alle woningen vrij te laten. Hierdoor kunnen dakvlakken goed ten opzichte van de zon worden georiënteerd.

4.3.6

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. De functie 'wonen' is aan te merken als een geluidgevoelige functie.

5.1.2

Situatie plangebied

5.1.2.1 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).

5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied ligt.

5.1.2.3 Wegverkeerslawaai Artikel 74.1 van de Wgh bepaalt dat wegen een wettelijke geluidszone hebben. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of de weg in stedelijk of in buitenstedelijk gebied ligt. In onderstaande tabel zijn de wettelijke geluidszones weergegeven.

De wettelijke geluidszone bevindt zich aan weerszijde van de weg en begint naast de buitenste rijstrook. Eventuele parkeerstroken, voet- en fietspaden en vluchtstroken behoren niet tot de weg. Binnen de zone van een weg moet akoestisch onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting op de binnen de zone gelegen woning(en). Op basis van artikel 74.2 van de Wgh gelden de voorgenoemde zones niet voor: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld • •

Wegen die als woonerf zijn aangeduid; Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur.

Het feit dat voor de hiervoor genoemde gevallen geen wettelijke geluidszone geldt, betekent niet dat een akoestisch onderzoek automatisch niet benodigd is. Indien vooraf aangenomen kan worden dat niet aan de voorkeurswaarde van 48 dB kan worden voldaan, moet een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. De geluidsbelasting van de weg kan hierdoor meegenomen worden in de belangenafweging in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Het voornemen voorziet in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten, namelijk woningen. Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Zuiderringweg (N342). Deze weg heeft ter hoogte van het plangebied een snelheidsregime van 80 km/uur. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 1 van deze plantoelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai bedraagt inclusief aftrek (art. 110 Wgh) 60 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Wel wordt voldaan aan maximale ontheffingswaarde van 63 dB uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting exclusief aftrek (art. 110 Wgh) bedraagt 62 dB.

De maatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard (zie bijlage 1). Met het nemen van gevelmaatregelen tot 29 dB wordt een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Er kan dan ook een hogere waarde voor de gevels worden verleend van maximaal 60 dB. Gelet op vorenstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatste van de te realiseren woningen met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai.

5.1.3

Conclusie

Gelijktijdig met de bestemmingsplanprocedure wordt een hogere waarde procedure inzake wegverkeerslawaai doorlopen. Hiermee vormt de Wet geluidhinder geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Dumea Milieu heeft in het kader van voorgenomen ontwikkeling een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies voortkomend uit dit onderzoek opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage, opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting.

5.2.2

Situatie plangebied

In de bovengrondmengmonsters BM1, BM2, BM3 en BM4 zijn geen verhogingen aangetroffen. In de ondergrondmengmonsters OM1 en OM3 zijn lichte verhogingen kobalt aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. In alle grondwatermonsters zijn lichte verhogingen barium aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld 5.2.3

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Het aspect ‘bodemkwaliteit’ vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2

Situatie plangebied

In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is onderhavig plan zeker aan te merken als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.3.3

Conclusie

Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In het volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met de blauwe contour) en omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld •

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De VNG-uitgave gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van woningen worden gesitueerd.

5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Rondom het plangebied zijn hoofdzakelijk woningen en agrarische cultuurgronden aanwezig. Het gebied kan daarom worden aangemerkt met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De ontwikkeling behelst het bouwen van woningen. Woonfuncties zijn geen milieubelastende functie en zijn daarom niet van negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van omliggende woonfuncties.

5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De functie wonen is aan te merken als milieugevoelige functie. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal milieubelastende functies aanwezig, waaronder een aantal agrarische bedrijfspercelen waar vanuit planologisch oogpunt veehouderijen zijn toegestaan. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. De overige van toepassingen zijnde aspecten, stof, geluid en gevaar worden hierna getoetst. In de onderstaande tabel worden hinderveroorzakende activiteiten/functies benoemd welke liggen in de nabijheid van het plangebied.

Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het plangebied en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Functie

Categorie 3.2

Richtafstand gemengd gebied 30 meter (stof en geluid)

Daadwerkelijke afstand (circa) 35 meter

Grondgebonden veehouderij Zuiderringweg 6 Grondgebonden veehouderij Zuiderringweg 3II

3.2

30 meter (stof en geluid)

90 meter

In voorliggend geval wordt aan alle richtafstanden voldaan. Gezien de afstand tot omliggende milieubelastende functies mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd.

5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht.

5.6.2

Situatie plangebied

Met voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd. Uit paragraaf 5.5 is reeds gebleken zijn in de nabijheid van het plangebied twee agrarische bedrijfspercelen aanwezig waar vanuit planologisch oogpunt grondgebonden veehouderijen zijn toegestaan. Omdat het plangebied onderdeel zal geen uitmaken van de bebouwde kom, dient een vaste afstand van 100 meter aangehouden te worden tussen de beoogde geurgevoelige objecten en het agrarisch bedrijfsperceel. Zoals uit paragraaf 5.5.3.3 is gebleken liggen beide agrarische bedrijfspercelen binnen voorgenoemde vaste afstand van 100 meter. Echter blijkt uit dat zowel aan de Zuiderringweg 3II als de Zuiderringweg 6 geruime tijd geen veehouderij aanwezig is of nooit is geweest. Uit de meest actuele milieumeldingen en bedrijfsbezoeken is gebleken dat in beide gevallen sprake is van een akkerbouwbedrijf. De Wet geurhinder en veehouderij is niet van toepassing op akkerbouwbedrijven. Overige agrarische bedrijfspercelen in de omgeving liggen op (zeer) ruime afstand (> 250 m) en behoeven daarom niet nader te worden beschouwd. Gelet op het vorenstaande en het feit dat het niet aannemelijk is dat zich op één van beide nabij gelegen agrarische bedrijfspercelen in de toekomst een veehouderij zal vestigen, wordt geconcludeerd dat de Wet geurhinder en veehouderij zich niet verzet tegen de voorgenomen woningbouwontwikkeling.

Geconcludeerd wordt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Veehouderijen worden vanwege deze ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000 gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 2,6 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op minimaal 3,6 kilometer afstand van het plangebied.

Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijk is tijdens de aanlegfase incidenteel geluid waarneembaar buiten het plangebied, maar dit effect is incidenteel en kortstondig en heeft geen negatief effect op het beschermd (natuur)gebied.

5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld In voorliggend geval is ter plaatse van het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting.

5.7.3.2 Resultaten quickscan natuurwaardenonderzoek Vogels Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen ingrepen in als buiten het broedseizoen wordt er geen bezet vogelnest van jaarrond beschermde- en niet jaarrond beschermde vogelsoorten verstoord, beschadigd of vernield. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Grondgebonden zoogdieren Er wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en er wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen ingrepen. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Omdat niet uitgesloten kan worden dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot aantasting van het functionele leefgebied van kleine marterachtigen en dat niet uitgesloten kan worden of deze dieren gedood worden (grondverzet), zijn mitigatiemaatregelen noodzakelijk en dient een ontheffing te worden aangevraagd. Vleermuizen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Daarnaast wordt het plangebied niet als essentiële foerageergebied beschouwd en is er geen essentiële vliegroute aanwezig. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

Amfibieën Gezien er enkele ontsluitingen komen waardoor op deze plekken sloten gedempt worden en beplanting verwijderd, wordt er mogelijk een amfibieën (opzettelijk) gedood en daarmee verbodsbepalingen overschreden. Nader onderzoek naar de rugstreeppad wordt noodzakelijk geacht om de aanwezigheid vast te stellen. Daarnaast worden er enkele voorzorgsmaatregelen aangeraden als het gebruik van ijzeren platen voor de werkvoertuigen om te voorkomen dat er per ongeluk geschikt biotoop wordt gerealiseerd met de werkzaamheden. Tevens wordt er geadviseerd om een amfibieënscherm te plaatsen. Reptielen en overige soorten Het is uitgesloten dat er negatieve effecten op beschermde reptielen en overige soorten optreden. Het uitvoeren van een nader onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing is niet aan de orde. Zorgplicht Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

5.7.4

Conclusie

Omdat niet uitgesloten kan worden dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot aantasting van het functionele leefgebied van kleine marterachtigen en rugstreeppadden en dat niet uitgesloten kan worden of deze dieren gedood worden (grondverzet), zijn mitigatiemaatregelen noodzakelijk en dient een ontheffing te worden aangevraagd. Voor het overige leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soorten- en gebiedsbescherming.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeenteraad van Noordoostpolder beschikt over een archeologische beleidsadvieskaart. Op de archeologische beleidsadvieskaart is aangegeven dat voor het noordoostelijke gedeelte van het plangebied geen beperkingen gelden. Voor het grootste gedeelte van het plangebied geldt de beleidscategorie WA-8. Een en ander is weergegeven in afbeelding 5.2.

Afbeelding 5.2

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart (Bron: Gemeente Noordoostpolder)

Voor gronden met beleidscategorie WA-8 geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 10.000 m2 en een diepte van meer van 100 cm onder maaiveld. Omdat het plangebied een oppervlakte heeft van circa 4,2 hectare is in het kader van voorliggend bestemmingsplan een archeologische bureauonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 5. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Op basis van het bureauonderzoek worden archeologische resten verwacht. Specifiek worden er vuursteenvondsten verwacht uit het Paleolithicum – Vroeg Neolithicum en restanten van het scheepswrak op

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld 10 m ten noordoosten van het plangebied. De resten van het scheepswrak worden aan of vlak onder het maaiveld verwacht. De geplande bodemingrepen zullen deze resten zeer waarschijnlijk aantasten. We adviseren daarom vervolgonderzoek in de vorm van een veldkartering in combinatie met metaaldetectie. De veldkartering kan bevestigen of er aan het oppervlak vondsten liggen. Een vindplaats uit zich in (sterk vermolmd) hout, aardewerk, glas en resten van tegeltjes/plavuizen. Metaaldetectie kan hierbij helpen omdat ook metalen voorwerpen (gereedschappen en kookgerei) kunnen worden verwacht. Steentijdresten zijn niet binnen een diepte van 3 m -mv te verwachten en liggen waarschijnlijk dieper. Deze resten worden – voor zover daadwerkelijk aanwezig – door de geplande werkzaamheden nauwelijks aangetast: de ontgravingen gaan niet zo diep en het plaatsen van heipalen geeft in de praktijk een verwaarloosbare verstoring op een vindplaats. Geadviseerd wordt wel op een archeologievriendelijke wijze te bouwen, een en ander conform de Handreiking Archeologievriendelijke Bouwen van de RCE. Vertaald naar het plangebied houdt dit vooral in dat de heipalen met een onderlinge afstand van tenminste 4 m worden geplaatst.

Na de beoordeling en toetsing van de conceptversie van het archeologisch bureauonderzoek heeft het bevoegd gezag besloten dat er geen verder onderzoek is vereist: binnen het plangebied geldt vrijgave voor bodemingrepen tot 2,5 m -mv voor wat betreft het aspect archeologie. Wel geldt ten alle tijde de erfgoedwet, waarin staat dat bij vondsten direct melding gedaan moet worden bij bevoegd gezag. Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).

5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. De cultuurhistorisch-landschappelijke waarde van de Noordoostpolder is groot. Tegelijkertijd is er heel duidelijk de behoefte om te blijven verbeteren. Bovendien wil de gemeente ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen, die zorgvuldig een plek moeten krijgen in het landschap. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

5.8.2.2 Cultuurhistorie en beleid De cultuurhistorie van Noordoostpolder is vastgelegd en toegelicht in diverse beleidsdocumenten, zoals: ‘Kwaliteitskaart Noordoostpolder Urk – Deel 1’ (H+N+S landschapsarchitecten en Beek@ Kooiman Cultuurhistorie, 2004), ‘Landschapsvisie Noordoostpolder, landschap van rust en regelmaat’ (Feddes/Olthof Landschapsarchitecten, 2012), ‘Omgevingsvisie Noordoostpolder, (Gemeente Noordoostpolder, 2024) en de ‘Erfgoednota’, (Gemeente Noordoostpolder, 2013). Deze beleidsdocumenten nemen het bijzonder ontworpen landschap van de Noordoostpolder als vertrekpunt wanneer sprake is van vernieuwing en ontwikkeling. Het credo van eertijds de Nota Belvédère behoud door ontwikkeling, is nog altijd van kracht en klinkt tevens door in de aanwijzing van de Nooroostpolder als Nationaal Wederopbouwgebied in de beleidsnota ‘Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter’ van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE, 2016).

5.8.2.3 Situatie plangebied Op basis van cultuurhistorische waardenkaart Flevoland en het gemeentelijke beleidsstuk ‘Erfgoed in de gemeente Noordoostpolder, blijkt dat zich binnen het plangebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden bevinden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Ens, Oost – fase 4” Vastgesteld De kavel en de directe omgeving waarop de beoogde uitbreiding van Ens, is gesitueerd kent een aantal karakteristieken die kenmerkend zijn voor de Noordoostpolder. Door die kenmerken, en de zichtbaarheid daarvan, draagt het bij aan de herkenbaarheid van de Noordoostpolder en daarmee haar bijzondere identiteit. De geplande ligging van de uitbreiding borduurt voort op de oostelijke grens van de uitleglocatie Ens oost fase 1. Met de begrenzing van het plangebied wordt het modulaire systeem van verkaveling van de polder gerespecteerd. Hierdoor blijft de rechtlijnige verkaveling na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling zichtbaar. Verkaveling De oorspronkelijke verkaveling bestaat uit een regelmatig raster dat gebaseerd is op de in die tijd meest rationele agrarische verkaveling: Een kavelmaat van 300 langs de weg en 800 meter in de diepte. Die verkaveling leidde tot agrarische bedrijven van 12 tot 48 hectare, dus variërend van een halve tot 2 kavels. De kavels zijn aan de achterzijde begrensd door een tocht. Het erf van ca. 1 ha. is gesitueerd aan de weg in de hoek van de kavel, naast de kavelsloot, alleen of in clusters van 2, 3 of 4 erven. Deze modulaire opbouw vormt een basis ontwerpprincipe van Noordoostpolder en is in afbeelding 5.3 weergegeven.

Afbeelding 5.3:

Modulaire opbouw Noordoostpolder (Bron: gemeente Noordoostpolder)

Watersysteem Het geheel van kavelsloten, tochten en vaarten vormen het watersysteem van de polder. In het plangebied vinden we zowel kavelsloten terug als ook een tocht, de Onderduikerstocht. Het watersysteem kent een vorm van hiërarchie die kenmerkend is voor het polderontwerp; van kavelsloot naar tocht, naar vaart. Deze hiërarchie in het polderontwerp is eveneens een basis ontwerpprincipe van de Noordoostpolder. De functie van het watersysteem was daarnaast tweeledig. Het zorgde enerzijds voor de ontwatering van de polder en anderzijds voor het vervoer van landbouwproducten. Met de gekozen inrichting en begrenzing van het plangebied wordt het watersysteem ingezet als een kwaliteit die het oorspronkelijke ontwerp blijvend zichtbaar maken.

5.8.3

Conclusie

Het uitvoeren van een archeologisch vervolg onderzoek is in het kader van het voorliggende plan niet noodzakelijk. Ter bescherming van eventuele archeologische waarden wordt een archeologische

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2186/documents/40035