7.1 Bestemmingsplan Emmeloord - Emmelhage fase 3_split_5.pdf
Tekst van het document
Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek
RAAP
Lenselink, G., S R. Koopstra, 1994. Ontwikkelingen in het Zuiderzeegem'ed; van Meer Flevo, via Almere-lagune tot Zuiderzee. In: M. Rappol 8t C.M. Soonius (red.); In de bodem van Noord-HoLland. Lingua Terrae, Amsterdam. Menke, U., E. van Laar S G. Lenselink, 1998. De Geologie en bodem van Zuidelijk Flevoland. Flevoberícht 415. Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied. Menke, U., 8t G. Lenselink, 1991. Bodemkundig-geologisch onderzoek langs een oude loop van de Vecht op kavel D133 en D134, Noordoostpolder. Intern rapport 23 Lio. Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, Directie Flevoland, Lelystad. Müller, A., ík D.C.M. Raeimaekers, 2001. Plangebied Polderwijk, gemeente Zeewolde; een verkennend archeologisch onderzoek. RAAP-rapport 707. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Peters, F.J.C, 8į J.H.M. Peeters (red.), 2001. De opgraving van de mesolithische en neolithische vindplaats Urk-E4 (Domineesweg, gemeente Urk). RAM-rapport 93. ROB, Amersfoort. Pons, L.J., S A.J. Wiggers, 1959. De holocene wordingsgeschiedenis van NoordHolland en het Zuiderzeegebied. Deel I. Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, tweede reeks 76(2): 104-152. Raemāekers, D.C.M., 1999a. Plangebieden Poort, Overgooi en Hout, gemeente Almere; fase la archeologische begeleiding: archeologische verwachtingskaart (concept).
RAAP-rapport 450. Stichting RAAP, Amsterdam. Raemaekers, D.C.M., 1999b. Plangebieden Poort, Overgooi en Hout, gemeente Almere; fase lb archeologische begeleiding: veldtoetsing archeologische verwachtingskaart. RAAP-rapport 476. Stichting RAAP, Amsterdam. Soonius, C.M., 1994. Oude landschappen. In: M. Rappol 8c C.M. Soonius (red.); In de bodem van Noord-Holland. Lingua Terrae, Amsterdam. Spek, Th., E.B.A. Bisdom S D.G. Van Smeerdijk, 1997. Verdronken dekzandgronden in Zuidelijk Flevoland (archeologische opgraving "A27-Hoge Vaart"). Een interdisciplinaire studie naar de verandering van bodem en land schap in het Mesolithicum en Vroeg-Neolithicum. Staring Centrum Rapport 472.1. Staring Centrum, Wageningen. Vlierman, K., 1985. Vuurstenen werktuigen op de kavel M132 in de Noordoostpolder. Rijksdienst IJsselmeerpoLders, Lelystad. Wiggers, A.J., 1955. De wording van het Noordoostpoldergebied. Een onderzoek naar de physisch-geografische ontwikkeling van een sedimentair gebied. Dissertatie UvA, Amsterdam. Zeiler, J.T., 1997. Hunting, fowling and stock-breeding at neolithic sites in the western and central Netherlands. Proefschrift, Rijksuniversiteit Groningen.
RAAP-rapport 764 ļ eindversie 24-01-2002
[28]
Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente NoordoostpoLder; een verkennend archeologisch onderzoek
RAAP
Gebruikte afkortingen AMZ ARCHIS CAA CMA Mv NAP ROB
Archeologische Monumentenzorg ARCHeologisch Informatie Systeem Centraal Archeologisch Archief Centraal Monumenten Archief maaiveld Normaal Amsterdams Peil Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek
Verklarende woordenlijst antropogeen
ten gevolge van menselijk handelen (door mensen gemaakt/ veroorzaakt) detritus-gyttja fijn organisch bezinksel in stilstaand, relatief diep water (meren) donk rivierduin Holoceen jongste geologisch tijdvak (vanaf de laatste Ijstijd: ca. 8800 jaar voor Chr. tot heden) klastisch sediment sediment ontstaat door afbraak van oudere gesteenten, samen gesteld uit delen en mineralen van het moedergesteente lagunair betrekking hebbend op een ondiepe baai, beschermd door strandbank, rif of eiland- langs een kust lagune een door een barrière (strandwal, schoorwal, e.d.), bijna of geheel afgesloten deel van een zee lithologisch het sedimentaire gesteente (ook klei, zand, e.d.) betreffend (bijv. korrelgroottė) manen door de zee gevormd, afgezet meanderen (van rivieren of beken) zich bochtig door het landschap slingeren morene opeenhoping van puin op de rand of aan het einde van een gletsjer
oeverwal
pingo-ruïne
langgerekte rug langs een rivier of kreek, ontstaan doordat bij het buiten de oevers treden van de stroom het grovere materiaal het eerst bezinkt de door afsmelting van een pingo ontstane depressie waar omheen vaak een wal voorkomt die is ontstaan door afglijding van de pingo'huid'
KÄAP-rapport 754 ļ eindversie 74-01-2002
[29]
Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek
Pleistoceen
podzol
Prehistorie silt sloef Steentijd strandwal
Weichselien
RAAP
geologisch tijdperk dat ca. 2,3 miljoen jaar geleden begon. Gedurende deze periode waren er sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud (de vier bekende Ijstijden). Na de laatste Ijstijd begint het Holoceen (ca. 8800 voor Chr.) bodem met een uitspoelingslaag (E-horizont) en een inspoelingslaag (B-horizont). Het proces van het uitlogen van de E-horizont en de vorming van een B-horizont door inspoeling van amorfe humus en ijzer wordt podzolering genoemd dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven gronddeeltjes ter grootte van 2 tot 50 pm sterk siltige afzettingen afgezet (onder enigszins brakke omstandigheden) in het Almere (een lagune) archeologische periode die zich kenmerkt door het gebruik van stenen werktuigen door branding en zeestromingen ontstane zandrug parallel aan de kustlijn welke uiteindelijk boven gemiddeld hoog water uitkomt geologische periode (laatste ijstijd, waarin het landijs Nederland niet bereikte), ca. 12.000-10.000 jaar geleden
Overzicht van figuren, tabellen en (losse kaart-) bijlagen Figuur 1. Ligging van het plangebied (gearceerd); inzet: ligging in Nederland (ster). Figuur 2. Geomorfologische kaart. Figuur 3. Profiel van boorraai A-A'. Figuur 4. Dikte en verbreiding Unioklei. Tabel 1. Tabel 2. Tabel 3.
Archeologische tijdschaal. Bekende verdrinkingstijdstippen. Weging van factoren voor de archeologische verwachting voor het dekzanaoppervlak.
Bijlage 1. Archeologisch beleid. Kaartbijlage 1. Resultaten van het booronderzoek en hoogteligging van de top van het dekzand. Kaartbijlage 2. Hoogteligging van de top van de strandwalafzettingen. Kaartbijlage 3. Archeologische ''erwachtingskaart.
RAAP-rapport 764 f eindversie 24-01-2002
[30]
Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek
RAAP
Bijlage 1: Archeologisch beleid Voor de behartiging van de archeologische belangen binnen de onderhavige plannen, is het archeolog’ebeleid op rijks- en provinciaal niveau van belang. Op beide niveaus wordt beleid van de Archeologische Monumentenzorg (AM7) gevormd en gehanteerd. In dit beleid staat het beheer en behoud van archeologische waarden in de bodem als bron van kennis en cultuurbeleving centraai. In het kader aaarvan wordt gestreefd naar een voLwaardige integratie van archeologie in ruimtelijke planvorming, met het doel aantasting van het archeologische bodemarchief te voorkomen ofte beperken. Archeologische opgravingen worden bij voorkeur alleen uitgevoerd als behoud of effectieve bescherming niet langer mugelijk is. Het Europees, nationaal en provinciaal beleid op het gebied van de AMZ is momenteel zo ver ontwikkeld en geïmplementeerd dat er sprake is van een volledige erkenning van het archeolo gisch belang in planologische oesluitvormingsprocessen. Voor de vaststelling van de vindplaatsen die in aanmerking dienen te komen voor beschermende maatregelen of nadei onderzoek worden op provinciaal- en rijksniveau vastgestelde selectiecriteria gehanteerd. In Nederland wordt de onderstaande AMZ-fasering gehanteerd in ruimtelijke ontwikkelingen waarbij ingrepen in de bodem plaatsvinden. Ook voor het plan gebied Emmelhage wordt (impliciet) deze fasering gevolgd:
Inventariserend veldonderzoek: verkenning en verwachtingskaart (onderhavige onderzoek)
(eventueel) Inventariserend veldonderzoek: waardering
0 (eventueel) Aanvullend Archeologisch Onderzoek 4
Behouden Beschermen
Opgraven/Begeleiden
RAAP-rapport 764 ļ eindversie 24-01-2002
Vrijgeven [31]
Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek
RAAP
f-eitelijk betreft het een selectieproces waarbij steeds verder gefocust wordt op mogelijk behoudenswaardige archeologische vindplaatsen. Hierbij wordt het te onderzoeken gebied steeds kleirer, maar het onderzoek in het algemeen steeds intensiever. Na iedere fase bestaat de mogelijkheid dat tereinen worden vrijgegeven. Tevens is het mogelijk dat een rase wordt overgeslagen, omdat deze geen nieuwe informatie toevoegt. De uiteindelijke opties staan onderaan genoemd en kunnen per vindplaats verschillen.
RAAP-rapport 764 f eindversie 24-01-2002
[32]
RAAPRAPPORT 0764 bijlage 1.pdf
Plangebied Emmelhage Gemeente Noordoostpolder
H64
-32_____ O
------
128 ď
O 48
16 O
96
“o
O 31 O
A'
63
95
O
O
O O O
94
O
O
O 92
O
O
91
O
O
O 26 O
O
O
O 25 O
89
O
O
O 24 O
O
269
316 o
236
268 O
O 219
O
251 O
O
171
203
O
O
O
186
396 O
315
I
347
O
O 331
O
O
O
508
540
O
m
O
428 O
608
640
671
701
729
O
O
757
O
O
O
O
O
427
O o -
O
O
O
#
O
490
522
555
591
623
O
O
O
O
O
345
377
409
441
473
O
O
O
O
O
O
329
361
393
425
457
O
O
489
O
521
554
m
590
O
O
O
O
O
O
O
280
O
312 O
O
O
O O O
O
O
O
O
O
196
O
O
: O
- Q
O
O
O
O
O
O
O
552
588
620
651
682
711
O
O
739
O
O
O
O
O
534
569
603
635
666
O
O
O
O
O
422
454
486
518
—O-
551
587
O
O
619
O
650
O
681
710
o
o
o
o
O
O
O
533
568
602
O
o
o
O
O
O
O O
211
O
-b
O
O
O
O
O
O
O
241
O
@
225
586
618
649
680
o
O
O
O
O
372
274
306 -oO
257
468
500
O
O
o
532
O
O
O
O
O
679
o
O
O
O
O
O
~0“
467
499
531
566
600
O
632
O
O
693
o
721
o
O
O
O
O
O
O
O
451
483
515
548
584
616
647
O
678
O
O
o
o
O
O
370
402
434
466
498
530
-o
—o
O
O
O
o
354
418
O
O
565
450
482
514
583
O
O
o
o
433
497
O
529
O
O
O
353
417
449
O
-O
-O-
481
-
513
692
O
O
O 630
O
O
582
O 735
O
631
o
598
749
707
599 615
O
O
435 419
met onderzocht
736
O 387
boorraai met raailetters
750
708
403
355
grens plangebied
O 722
O
O
A'
O
O 694
O 648
—
737
664
617
-
A
764 o/
O
O
585
lager dan -750
overig
751
709
633
549
337 321
738 Ó~
o
516
O
O
601
484
371
752
O
O
452
-750 tot -725
—
O
724
567
420
O
O
436
388
338 322
O
356 339 O
O
~-o-;
404
O
323
258
O 177
550
O
O
O
O 226
517
o
340
291
242
485
O
O
259
O
210
453
O
-725 tot -700
765
723
O
421
O
307
O
227
O
389
O
O
275
O
695
357
324
O
243
665
O O
292
634
325 308
260
696 O
390
501
178
1o
O
O
146
1Z8
O
469
O
ĴĮ
o
753
O
195
O
O
725
437
293
O
697
O
276
O
667
405
-700 tot -675 766
O
O 502 O
-675 tot -650
O
O O
-650 tot -625
O
O 470
O
-600 tot -575
o
O O
-625 tot -600
O
O
438
767
740
636
O
O
O
519
O
-575 tot -550
712
487
406
O
683
455
O
hoger dan -525 -550 tot -525
652
358
boomummer
768
621 604
373
261
O
top dekzand geërodeerd
754
570
O
244
O 726
535
O
130
17
503 O
O
O 163
471 O
O 229
179
o
O 698
423
374
„O..
O
741
391
O O
439 O
O
589 O
O
O 164
359
O
553
713
O
668
O
341
212
O 637
O
309
O
132
O
684
605
277
O 180
O
O
326
O
O
571
O
O
755
O 520
O 727
536
488
O O
O
456
742
699
504
424
O
O 653
585
O
714
O
met bot
756
669
O
342
294
O
met zeer veel houtskool
hoogteligging top dekzand in cm t.o.v. NAP
769
O
472
245
197
O
O 262
685
O O
111
O
638 622
213
O O
.
O 230
181
131
66 I A
O 198
310
654
O
O
278
O
440
327
O
246
O
O
O
295
O
214
O
O
O
182
99
263
O
408
O
231
728
O
O 392
O
700
376 360
743
O
670
O 328
715
O
639
344
O
199
537 -O
297
248
O
313
265
686
655 O
O 607
O
O
147
624
458
O
115
O
O
O
O
592
O 573
O
O
556
O 538
O
O
523 506
O
148
O 474
O
O
491
O 442
O
116
459
O 410
O
216
O
574
426
O
O
met veel houtskool
770
O
O
281
O 744
539
394
O
O 716 O
O
O
249
O
507
362
233 O
O 687
met weinig houtskool
O
758
O
407
84
O
O
O
165
656
O
O 730
475
375
O
O 625
O
O
771
O
343
133
O 593
O
745
O 702
557
O - O-
717
O
zonder archeologische indicatoren
759
443
311
149
524
O
O
O
O
O 731 —CťZ
688
641
O
217
166
492
O
609
O 703
O
772
O 395
-
460
575 O
O 746
411
378
13
476
O
O
O O
346
O
444
O
O 760
718
O 657 O
O 732
ľf
boringen 773
379 363
314
412
279
O
34
—
673
O
O
O
O
- O
O
184
134
642
330
201
150
610
O
298
O
O
576
266
O
167
541 Ô
234
185 169
380 — o O
282
O
348 o—
247
*mi
O
O
202
O
O
18
689
O
215
117
O
658
O
----------
299
250
O
170
O
35
627
O
364
O
218
O
135
83
595
O
183
O
19 O
559
O
151
101
O
526
O
119
O
.
494
O
O
o
36
462
O
332
O
O
430
o
509 Ō1-
747
O
398
O
O O
267
O
366
300 283
235
O
704
O
O
O
674
334
626
O
O
643
O
O
O
O
594
O
102
611
O
O
O
O
577
O
558
O
118
542
O
O
O
O
O
510
O
525
O
152
103
478
O
O
O O
446
493
O
37
O
O
PÛfi eso
85
O
461
264
O
719
O
O
232
86
690
O
429
200
54
659
O
O
168
O
628
O
397
136
39
596
O
O
©
O
O
560
O
365
284
104 87
527
O
252
204
O
333
220
187
761
O
SJ
188
O
733
O
301
O
156 172
705
O
O
O
O
675
O
O
477
237
644
O
O
O
O
612
O
O
445
205
578
O
O
Legenda
O
543
O
O
O
774
511 495
O
40 55
O 463
O
302
O
479
O 431
o
270
O
447
O 399
413
O
O
O
O
120
O
415
O 367
O
153
O
O 335
381
137
56
O
O
O
105
O
349
O
41
O
O
138
121
O
O
O
O 57
O
383
O
154
106
O
351
O
O
42
748
O
O
O
122
720
O
319
O
O
90
691
O
287
O
139
O 58
660
O
155
107
629
317
O
43
597
285
O 123
561
O
253
140
O 59
528
O
221
O 108
496
O
O
O
RAAP-rapport 764, kaartbijlage 1, schaal 1:5.000
464
O
286
173
--o-
432
O
189
O 124
-—-o—
400
157 141
Resultaten booronderzoek en hoogteligging top dekzand
676
O
271
238
- r— ^13 -
368
254
O
480—O—
O
O
206
~44» —-0--
336
222
O
384 ~
O O
239
O
174
O 109
O
320 —n—
272
190
O O
288 mmTT'
255
207
O
142
O
60
O
158
125
223
175
O
93
O O
O
256 TŚ“ 240 O
191
143
o
61 ^
44
11
159
O
O
27
O
110
O
O
208
O
126
45 28
176
O O
46 29
144
O 62
224 “TT*
O
111
O
192 -ČT
112 127
47 30
“160
646
677
O
O
614
N
—n—
I
\
0
50
150
100
v— ļ177500
200
250
ļ178000
179500
| 178000
ļ179500
RAAP
1:5.000
m
Plangebied Emmelhage Gemeente Noordoostpolder
Hoogteligging top strandwalafzettingen .32—
--Žİ—— —— ö "o
õ 48
16 «O
“ç
O 31
160" lm7T
O*
112
A'
144
O 63
O
128
O
176
O
95 O
- — 224’ ------------------- ľ?
192
O
127
159
O
208
240
272
304
336
368
«Į
400
O
O
ř0
O
O
O
191
O
223
O
255
O
287
319
351
383
O
O
O
O
O
47
111
143
175
207
239
O
271
O
O
O
C»
O
O
303 fo
335
O
62
94
126
158
190
O
222
254
O
O
286
318
O
O
350
O
382
O
O
O
O
O
O
46 O 29 O
61
93
O
O
28 O
O
60
92
O
O
206 C\
157
188
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
122
154
O
186
O
O
314
346
0
O
O
O
O
138
170
202
234
O
O
O
O
O
57
O
O
121
89 O
153
O 105
137
O
O
O
56
120
O
O 136
168
O
O
O
O
394
426
458
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
201
233
O
265 O
O
297 O
329 O
248
280
312
344
o
O
O
O
O
O
200
232
o
247
O
O
O
279
O
O
263
295
327
O
359
O
O
O
O
O
456
O 391 i O
O
182
214
246
278
310
O
O
342
374
O
406
O
438
O
O
O
O
O
O
230
262
294
326
o
o
O
O
Q—
53
85
117
149
181
213
245
O
O
277
O
O
O
O
O
O
101
O
133
O 52
84
O
O
O
t
O
100
132
o
O
4-
115
o
O
35
99
67 Ç..~
O 18
50
O
O
O
34 O
O
357
389
421
453
O
O
O
O
O
244
276
O 260
292
O
O
243
O
O
O
o
O
O
O
162
226
258
O
O
O
145
177
O
468
O
O
324
129
161
-O ,
O
O
225
257
o~
1 -O'
O 371 O
O 323
O
388
O 339
O - o-
O
O
O 435
O .--o-
O
—O-
418
450
O
O
O 433 O
353
417 Q^l
O
ì 0 466
354
O »
483
O 434
337 321 —-0-
O 451
O 402
484 | O 467
O 419
370 ^5Q55
322 O
452
O 387
O 338
420 403
355
306
O
33
356
O
274
O
O
436
O
291
O 242
404
O
307
259
210
372
O
O
227
178
340
O O
275
485 O
308
O
228
130
49
O
325
195
O
66 è A
469
O
211
O
O
293
O
146
437
O
O
o
163
405
O
261
212
486 O
O
373
O
O
179 O
131 O
O
341
229
196
147 O
O
O 454
O O
164 O
422
470
197 180
-f
51
O 148
390
„jO-
309 O
O
36
165
O 116
358
487 O
O
150
O
198
O 455
118
O
471
O 423
O
166
488 O
O 439
86
O
O
O
O
134
17
O
54
O
O
O
407
O
231
102
19
472
424
375
199
O
O
440
392
343
489 O
408
O
311
O
457 O
O
íjf
360
38
O
425
O
215
O 167
376 O
264
o
393 ľ 0
O
216
183
20
361
184
O
37
490 O
O
151
Ľ
362
O
O
O
O
O
330
O
O
119
21
O
298
473
O
O
O
474
441
87
135
442
409
O
O
~
491 O
377
55
103
410
O 459 O
345
O
"
O 427 O
O
475
313
23 39 O
O
378 O
443
492 O
281
O
104
O
249
o
40
460
O
217
169 152
428
O
185
O
41
266 O
396
395
493 O 476 O
O O
O
282
106
O
444 O
411
494 O 477
364
363 O
250
O
412 O
379
331
218
42 25
380
O
299 O
445 O O
O
O
413 O
461
O
267 O
O
O
347
235 O
O 462
O
429
315
203 O
O 430
O
283
171 O
478
397
251
139 O
446
O 398 O
495 O
O
O
219
107 O
O
365
332
O
463
O
187
90
O
O
155
O
22
381
O
348
300
O
O
333 316
268
479
O 431
O
236
447
O
414
■f"
349
123
58
1
284
O
O
91
O
O
301 O
252
O
366
O 317 O
O 269
334
59
26
24
285
O
204
O
302 O
253 237
220
O 172
O
O
O 205 Oi
156 14G
270
o
221
O 173 O
O 1GS
238
A-
189
O 141 O
124
43 O
11
O
O
O 27
174
O
109 O
44
“
142
O 125
45 O
13 3
110
415
399 jŗî O
30
ľ
jjļ
367
O
496 O
482 į O
449
481
—512-~ ^ .57fcr--Cr—— —o————o—». 528 561 O O 511 543 578 O O O 527 560 596 O O O 510 542 577 O O O 526 i 559 595 O O O 509 541 576 O------- - -------- —O— — 525 558 594 O O O 508 540 575 O O O 524 557 593 O O O 507 539 574 O O O 523 556 592 O O O 506 538 573 O O O 522 555 591 O O O 505 537 572 O 521 554 590 O O O 504 536 571 O O O 520 553 589 O O O 503 535 570 O O O ļ 519 552 O O 502 534 569 O O O i 518 551 O O 501 533 568 O O O i 517 550 O O 500 532 567 O O O ţ 516 1 549 O O 499 531 566 O O O 515 5 548 O O 498 530 565 O O O 514 5 O 497 529 O O m . 513 5
RAAP-rapport 764, kaartbijlage 2, schaal 1:5.000 ----- 706
—^34.
762 -
legenda
------ -C8 720 O
612
644
675
O
O
O
628
O 627 O
610
ö' 702 O 656
687
716
O
O
O
640
671 O
O 624
655
O
O 639
701
686
O
O
743 O 728
O
O 742
O
O
O
O
O
O O
605 O
669
699
727
755
O
O
O
O
653 O
684
713
O
O
741 O
637
668
698
726
754
O
O
O
O
O
621
652
O
683
O
712
740
O
O
O
604
636
667
697
725
O
O
753
O
O
O
O
620
651
O 603
O 635
O
O
O 618
O
O
O 633
664
O
O
O
694
648
679
O
O
O
O O 736 ~~Õ —
O 693
721
O
749
O
O
o-
647
678
O
O
599
631
O O 598
-625 tot -600 -650 tot -625 767
1
o
2 |
766 O
|| ! I| | 1 6
lager dan -650 niet aanwezig
oveng __
A
A'
boorraai met raailetters grens plangebied
? -
niet onderzocht
ì f
Į t
z
707
\ 763 ţ
735
O a******
646
677
O
O
* --
630
O
O 614
- O
-600 tot -575
692
O 615
-575 tot -550 fi
Q
632
O O
-550 tot -525
750
708
600 616
-525 tot -500
0 1
O
+
2 j "Ér '
O 737
722
O
617
-500 tot -475
768 O
751
709 O
O
601
hoger dan -450
; |
764 o
~
-723 O
680
boomummer
-475 tot -450
769 O
O , '738 r Ö
O 695 O
111
hoogteligging top strandwalafzettingen in cm t-o.v. NAP
1
^752
O 710
O
649
O
O
665
* I
765 O
724
681
O 634
739
O 696
O 650
O
711
O
666
O 619
602
682
O
O
714
622
j
756
685
O
met bot
771
757 O
654 638
met zeer veel houtskool
770 1 O ìį
O
623 606
® O
O 744
O 700
met veel houtskool
758
715
O 670
O 772 1 o S j—ŗSĮ;;:į
O
729 O
O
met weinig houtskooL
745 730 O
O
O
759
717 O
625
607
O 731
O
641 O
608 O
746
O 703
zonder archeologische indicatoren
O
O
718
O 673
O
773 i O ļ 760
O 4-
657
O 609 O
O 689
O
626
O 732
boringen
1 1
O 747
O 704
O
642 -Gĥ^
761
O 719
O
658
O
O
674
774 J o 1
733
690
O 643
O
705
659
O 611
748
N
-.ü—
“
*'
1
\ \
\ 0
50
100
150
200
250
į—V----
RAAP
1:5.000
---------------------
|179000
.96^ ’o"
128 o~
48
16
112
O
224 “TT-
288 ----- üm
176
208
240
272
O
O
O
O
O
63
95
127
159
191
223
255
O
287
O
O
O
O
O
O
O
O
30
62
O
O
143
175
207
239
271
O
O
O
O
O
O
94
126
O
158
O
190
O
222
O
254
O
110
142
174
206
238
O
O
O
O
O
O
61 4-
O
o
93 O
125
157
189
O
O
O
45
109
141
173
O
O
O
O
28 O
60 O
92 O
124 O
44 O 27 O
59 O
156 O
204
236
O
O
O
O
155 O 139
171
203
O
O
O
90
122
154
O
O
O
42
106
138
O
O
O
89
121
O
O 105
O
O
O
O
40 O 23 O
O
O
22 O
O
298
O
330
394
426
O
O
345
377
409
O
O
O
O
O
184 O
O
O
O O
O
O
O
O
o
O
295 O
O
54
86
118
150
182
214
246
O
278
O
O
O
O
O
O
O
392 O
343 O
310
391 ; O
342
38
102
134
166
198
230
O
262
294
O
326
O
O
O
O
O
O
—O .
423 406
O
422
O
O
O
117
149
181
213
245
277
309
O
341
O
O
373
O
405
O
437
O
O
O
O
O
O
133
165
197
229
261
293
O
O
O
O
O
O
O
325
357
O
389
O
O
20
52
84
116
148
180
212
O
244
O
276
O
O
308
O
340
O
372
O
404
O
O
O
O
O
O
36 O
100
19
51
O
O
O
4
115
O
O
228
O
O
O
227
O
146 O
O
O
O
O
291
O
306
O-
O
O
O 338
O 387 O
O
O
34
130
162
226
O
258
O
322
O
354
O
418
O
O
O
O
17 O
49
145
O
177
O
O
33 O-
_______ _____
241
O
o
jj
f
i’jf .
----r*—t
! ļ|
'
ái
-v
~Zì -,p ä rrtrv...
—
jjjjr
"į________ _______ ?a
:l
-
İ J í
i____ļ í-i
.į. ļ
*ļ"H h ļ
i
Lj if\\
}
i
'
i
;
: i
-t
iJ
i
A
í
ļ j
î
683
O
O
535
O O
O
O O
O
O
O
O
j i—I
; \\
601
633
O
O
664
O
O
O
O
516
O
549
O
O
i
I
Hl
„.j
j
ļ
585
617
648
O
O
O
499
531
566
600
632
O
O
O
O
O
483 j: o
515
548
O 498 O
O 530
565
O
-o-
616
647
O
O
O
599
631
O
514
583
615
: O
O
;O
O
O
O
P
O
O
O
481
513 O
582
ļc: '
į
ui—1
ļjj/hn
____ a-Jļ
. ^"j----- ;
678
736 - ō- -
707
O
grens plangebied
769 o
; 1
768
| ď
o
I -
767
1
o
! |
niet onderzocht
« dr.
i I
S
-ľ ~
a
1 0
0 7 0 I
750 O
721 O
749
1
\ 763 \
ąì
o' 735
O
677
O
614
: CT’
—"
ide Esoelerweq--
g-.
\ 0
-cįrf
737 O
708 O
boomummer
764 « 0 1 751 O
722 O
+
O
boring
692 O 646
O o
679
126
| « i 1
765 O
738 -o “
709 O 694 O
S
752 O
723 O
O
O
ļ
770 O
o
739 O
710 O 695 O
O
482
oveng
1
766
724 O
693 O
584
O
ļrjpoi : ; G-J
O
567
630
3 i
O
696 O
680
532
I laag
753 O
711 O
O
O 649
598
m
ĩ--------’
O 618
O
665
500 484
- O
O 586
O
740 O 725 O
681
O 634
1
754 O
712 O 697 O
O 650
O 602
O
550
O 619
O 568
517
485
466
O 533
666
741 O 726 O
682
O 635
O
587
667 O 651
O 603
O 551
O 501
620
O 569
518
636 O
O
588
O 534
O 486
604
O
552
O
502
O
570
O 519
529
----! j] r----- P__ 21 ___-' i 1. ; X___ ; "'.w—, !
Ţ I
652
O
\
j
IŕüwýU—!
621
O
497
___ İ
. j
589
433
o
698 O
O
503
772 1 O |
755 O
713 O
O
553
487
ļ middelhoog
756 O 742 O
727 O
684
O
O
467
449
^
.. 3 L------ - í r7 ļ : LĴ ļļ: 3 ! •-J j | J.
:----1
.-------- ----------
■ģ---------------------- --------------- 1 ;
į
i
:
_______o
653
O
337
O
o
622
699 O
520
O
O
O
O
468
450
O
O
488
O
O
590
O
669
O
743 O
714 O
O
638
O
469
434
402
554
O
O
606
|
757 O
728 O
685
O
451 O
O
370 c --0--
521
O
700 O
O 654
O
O
O
O
572 -O__
O 623
O
O
419
O
744 O
715 O
O
670
O
470
435
i 591
1 hoog
771 o
729 O
686
O 639
O
452
O 403
O 355
O
274
4
O
607
O
O
O
O
[
o 1 1
758 O
716 O 701 O
O
655
668
O
420
371
323
O
242
388
O 339
O
210 —CX
O 307
259
O
178
356
275
O
195
324
O
243
O
163
292
O
211
O
131
260
O
179
O
O 50
O
O
O O
196
147
99
18
164
O
83
35
r
132
O 624
773 !
759 745 O
730 O
687 O
637
455
436
O 592
702 O
671
605
453
O
640
571
O
421
537 O
O 608
746 O
717 O
O
656 O
I
archeologische verwachting
760 O
731
legenda
774 * O ļ i
Si:
672 O
O 625
747 O
718 O
A703
688
536
454
O
—
641
o O
555 O
6•57 o~
761 O
732 O
O 673 o
626 O 609
689
O 642
504
O
85
101
O
471
O
522 O
489
O
O
610 —-öczn:
704 O
O 658
748 O 733 O
719 O
674
O 627 O
593
573 O
643
O
472 456
53
O
O O
O
O
594 O
556 O 538 O
505 —O--------
473 457
21 37
490 O
O
O
438
O 390
O 458
O
374 358
O
O
690
O
574 O
523 O 506 O
474
439
O
359 O
491 O
539 O
O 659
O
557 O
O
705 O
O
575 O
524 O 507 O
O 459 O
O 407
O
327 O
O
440
424
375
475
540 O
O
628 611
720 O
675
O
595
558 O
O 644
O
691
596
576
525 O
492 O
O
O O
dOU O
311 O
263
O
425
-b
559 O
660
O 612
577 O
541
508 O
O
441
408
O 279
231
O
393
O
O 247
199
361
312
O
O
O
O 280
329
264
215
167 O
O
248 232
183
297
O
216 200
O
265
493 O
460
442
O
362
O
233
O
O 410
313
135
O
266
O 378
O
O
103
234
O 346
281
151
O
39 O
O 314 o -
O
427
O
168
119
O 282
395
526 O 509
476
443
O
363
249
O
87
O
O
331
O
136
O 55
299
217
O
104
267
560 O 542 O
629
O
578 O
RAAP-rapport 764, kaartbijlage 3, schaal 1:5.000 —-■U-J-
597
O
461 O
O O
477
444
411 O
O O
O
543 O 527 O
494 O
O 445
412 O
O
O 462
561 O
510 O
*76
r^r579--- ---- ; VJ 1
528 O
495 O 478
O
429 O
185
152
446
428
250 r\ w
201
O
-544-
511 O
O
463
O
O O
O
O
O
202
O O
O
O
o
169
120
O
479
431
413
153 137
56
284
O
218
170
252
235
186 o
O
268
O
O O
24
O
107 58
57 O
220 O
172
123
41
O
O
O
O
269
O
140
O
O
285 O
237
O
26
25
188 O
414
O O
205 O
O
496 O
O 447
430
253
108 91
43 O
4
464
O
270
221 O
512 —O—
415
286
O
46 29
11
111
416—e— 432
31
O
ï
192 —S-
144
O
47
i
160 ’•o
Plangebied Emmelhage Gemeente Noordoostpolder Archeologische verwachtingskaart
50
100
N
ļ
T m
150
200
250 1:5.000 EmnoJcbll23\eaSc
RAAP
Bestemmingsplan "Emmeloord, Emmelhage - fase 3" Vastgesteld
Bijlage 9
Evaluatie archeologisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
73
Advies inzake het archeologisch vervolgonderzoek in het kader van het plangebied Emmelhage, gemeente Noordoostpolder
Rapport V63 versie 2.0, definitief oktober 2002 Samenstelling: drs. W.A.M. Hessing drs. M.J.P. Gouw In opdracht van: Gemeente Noordoostpolder Contactpersonen: J.H. Timmerman en mw. N.J. de Bruyn
Vestigia b.v., Archeologie Ŵ cultuurhistorie
Inhoudsopgave
1.
Samenvatting
2
2. Inleiding
3
3. Evaluatie archeologisch vooronderzoek
4
4. Wettelijk en beleidsmatig kader
6
5. Mogelijke vervolgstappen
8
6. Verantwoording
11
Bijlage
Vestigia b.v., Archeologie Ŵ cultuurhistorie
13
1. Samenvatting Het plangebied Emmelhage is een agrarisch gebied ten noordwesten van de bebouwde kom van Emmeloord in de gemeente Noordoostpolder. De gemeente is voornemens dit gebied te ontwikkelen als woningbouwlocatie, een logische uitbreiding op de bestaande stad. Het plangebied beslaat in totaal iets minder dan 185 ha. Bij het opstellen van de structuurvisie is door de Provincie Flevoland geadviseerd een inventariserend archeologische veldonderzoek (booronderzoek) te laten uitvoeren om mogelijke archeologische waarden in kaart te brengen. Dit onderzoek is in 2001 door RAAP Archeologisch Adviesbureau in opdracht van de gemeente uitgevoerd1. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek heeft de gemeente Vestigia gevraagd het uitgevoerde archeologisch onderzoek en de bijbehorende aanbevelingen te evalueren en advies uit te brengen over te nemen vervolgstappen. Uitgangspunt daarbij is te onderzoeken hoe de woningbouwdoelstelling, zoals in de structuurvisie staat aangegeven, kan worden gerealiseerd met zo gering mogelijke schade aan het bodemarchief en welke maatregelen op het gebied van fysieke bescherming en aanvullend onderzoek eventueel nodig zijn. Op basis van de beschikbare documentatie heeft Vestigia hiervoor een plan van aanpak ontwikkeld en globaal doorberekend op de archeologische, stedenbouwkundige en financiële consequenties.
Op het tot nu toe uitgevoerde vooronderzoek valt het een en ander op te merken. Dit betreft zowel archeologisch inhoudelijke aspecten als lacunes met betrekking tot de wijze waarop invulling is gegeven aan de specifieke vragen voor te nemen vervolgstappen. Voor wat betreft mogelijke vervolgstappen mag geconcludeerd worden dat de mogelijkheid zeker aanwezig is om de woningbouwopgave te realiseren en toch op een verantwoorde wijze de archeologische relicten veilig te stellen. Wel is er sprake van aanvullende kosten en/of consequenties in de vorm van aanvullend onderzoek in het westelijke gedeelte van het plangebied in combinatie met een mogelijke aanpassing van hetzelfde gedeelte van inrichtingsplan indien daar daadwerkelijk archeologische waarden worden aangetoond. Concreet adviseert Vestigia over te gaan tot een verdichtend (waarderend) booronderzoek in twee geselecteerde gebieden ter hoogte van de strandwal in het westelijk deel van het plangebied en in één gebied in de oostelijk gelegen dekgandvlakte, met als mogelijk uitvloeisel het uitsparen van enkele waardevolle archeologische vindplaatsen in dege gones. Deze aanpak wordt naast enkele alternatieven in dit advies nader toegelicht.
1 De Boer en Jansen (2001), RAAP-rapport 764
Vestigia b.v., Archeologie en cultuurhistorie
2
2. Inleiding Het plangebied Emmelhage, ten noordwesten van de bebouwde kom van Emmeloord is een landschappelijk uniform agrarisch gebied, met een opstrekkende noord-zuidgerichte blokverkaveling. De gemeente is voornemens dit gebied van circa 185 ha. te ontwikkelen als woningbouwlocatie, als logische uitbreiding op de bestaande kern. Op de indicatieve kaart van archeologische waarden (IKAW) van de ROB heeft het gebied een lage archeologische verwachting. Wel liggen in de nabijheid enkele zones met een middelhoge verwachting. Min of meer hetzelfde geldt voor de aanduiding op de provinciale archeologische monumentenkaart. In de omgeving staan enkele gebieden aangemerkt als zijnde van archeologische betekenis. In overleg met de Provincie Flevoland is desalniettemin besloten om in een vroegtijdig stadium een archeologisch vooronderzoek uit te voeren in het gebied. Met name om risico’s bij de verdere ontwikkeling uit te sluiten. Gekozen is voor de methode van een karterend booronderzoek. Dit onderzoek is in het najaar van 2001 door RAAP Archeologisch Adviesbureau in opdracht van de gemeente uitgevoerd2. Op basis van het booronderzoek is door RAAP een aantal landschapsgenetische kaarten en bodemprofielen opgesteld, waaruit tenslotte een archeologische verwachtingskaart is gegenereerd.
De belangrijkste uitkomsten van dit rapport zijn: de pleistocene ondergrond lijkt te bestaan uit een van oost naar west licht afhellende dekzandvlakte waarin geen uitgesproken toppen zijn te onderscheiden; in het westen van het plangebied is op de pleistocene ondergrond op een later moment een noordwestzuidoost-gerichte strandwal (zandrug) afgezet. Deze rug heeft in eerste instantie als een barrière gefungeerd bij het verdrinkingsproces en de afzetting van jongere sedimenten; nadat de strandwal is doorbroken is het gebied geheel verdronken en bedekt met jongere afzettingen van klei en veen. Op dat moment was het hele gebied niet meer geschikt voor menselijke bewoning; bij het onderzoek is niet onomstotelijk vastgesteld dat er vindplaatsen in het gebied aanwezig zijn. Wel zijn in een aantal boringen aanwijzingen gevonden die zouden kunnen wijzen op bewoonde plekken uit de vroege prehistorie binnen het plangebied. Het gaat daarbij om de hoogste delen van het pleistocene oppervlak en top en de flanken van de strandwalafzettingen; De gemeente heeft Vestigia b.v., Archeologie &T cultuurhistorie gevraagd het tot nu toe uitgevoerde archeologisch vooronderzoek te evalueren en advies uit te brengen over eventuele noodzakelijke vervolgstappen.
Uitgangspunt daarbij is te onderzoeken hoe de woningbouwdoelstelling, zoals in de structuurvisie aangegeven, kan worden gerealiseerd met zo gering mogelijke schade aan het bodemarchief en welke maatregelen op het gebied van fysieke bescherming en documenterend onderzoek eventueel nodig zijn. In de volgende paragraaf worden de uitkomsten van het RAAP-onderzoek kort geëvalueerd en worden een aantal kanttekeningen geplaatst die het uitgangspunt vormen voor de door Vestigia voorgestelde vervolgacties. Die vervolgacties worden beschreven in hoofdstuk 5.
2 De Boer en Jansen (2001), RAAP-rapport 764
Vestigia b.v., Archeologie en cultuurhistorie
3
3. Evaluatie archeologisch vooronderzoek Ter verduidelijking en onderbouwing van het onderstaande advies is het noodzakelijk een aantal kanttekeningen te plaatsen bij het uitgevoerde vooronderzoek en de rapportage daarover. 1.
2.
3.
4.
5.
6.
Het RAAP-rapport geeft een duidelijk beeld van de geologische wordingsgeschiedenis van het plangebied en de directe omgeving. Het gedetailleerde booronderzoek maakt het mogelijk zowel de verticale als horizontale stratigrafie van de ondergrond nauwkeurig te beschrijven. De bijbehorende kaartbeelden en profielen zijn helder en vormen een goede ondersteuning van de beschrijvingen in de tekst3. Er is dan ook geen reden om te twijfelen aan de conclusies met betrekking tot de landschapsgenese. In de kaartbijlage worden twee reliëfkaarten afgebeeld van respectievelijk de hoogteligging van de pleistocene ondergrond en van de hoogteligging van de strandwalafzettingen. Voor de legenda is gebruik gemaakt van hoogteverschillen van slechts 25 cm. Dit leidt voor het hele plangebied visueel tot een, op het eerste gezicht, zeer reliëfrijke ondergrond. In werkelijkheid komt het echter neer op een minimaal hoogteverval van vrijwel nergens meer dan 1 tot 1,5 meter over van oost naar west een lengte van meer dan 2 km. Omdat de reliëfkaart ook het belangrijkste uitgangspunt vormt voor de archeologische verwachtingskaart ontstaat ook daar, zeker voor het oostelijk deel van het plangebied, een grillig beeld van kleine gebieden van afwisselend lage, middelhoge en hoge verwachting. Het is de vraag of dit een representatieve en reële weergave is.
De conclusies voor wat betreft de archeologische verwachting zijn behalve op het reliëf, ook gebaseerd op de mate van intactheid van het bodemprofiel in de top van het dekzand. In het rapport wordt gesteld dat in slechts 28 boringen is vastgesteld dat de top van het dekzand is geërodeerd. Deze liggen vooral in het zuidwestelijke deel van het plangebied. In hoeverre dan automatisch geldt dat bij alle overige boringen de top niet geërodeerd is, valt moeilijk na te gaan. Slechts voor 15 boringen (het lengteprofiel A-B) wordt de boorkolom afgebeeld. Daarbij valt op dat ook bij een aantal als ‘niet geërodeerd’ beschreven boringen dan wel de A-, dan wel de B-horizont afwezig is. Voor het oostelijk deel van het onderzoeksgebied wordt voorts niet duidelijk of op het dekzand nu veen is afgezet of dat er juist sprake is van detritus(gyttja). Dit kan nogal een verschil maken bij de beoordeling van de verspoelingskans in dat gebied. Alle boringen zijn door RAAP beoordeeld op archeologische indicatoren. Waar deze zijn gevonden is aangegeven. Archeologische indicatoren die worden onderscheiden zijn: houtskool (veel/weinig) en bot (onverbrande vissenbotten). Voor beide categorieën geldt echter dat zijn niet ondubbelzinnig op menselijke activiteit hoeven te duiden.
Houtskool kan ook als gevolg van natuurlijke processen in de bodem zijn gekomen en ook vissenbotten kunnen in een voormalige zeebodem als gevolg van natuurlijke formatieprocessen zijn afgezet. Opvallend is dat bij geen van de boringen voor archeologen “primaire”, oftewel ondubbelzinnige, archeologische indicatoren zijn aangetroffen. Hierbij kan gedacht worden aan fragmenten bewerkt vuursteen, rode oker, aardewerk of verbrand dierlijk bot. In tegenstelling tot houtskool en vissenbotten duiden deze vondstcategorieën meestal wel direct op menselijke activiteiten uit het verleden ter plaatse. De aangetroffen secundaire archeologische indicatoren komen niet altijd uit afzettingen die duiden op intacte archeologische vindplaatsen. Zo lijkt nogal wat van het aangetroffen houtskool afkomstig te zijn uit de zogenaamde Unioklei-afzettingen aan de oostkant van de strandwal. Dit kan duiden op materiaal in een verspoelde context. Het RAAP-rapport geeft hierover onvoldoende uitsluitsel. Het onderzoek was primair bedoeld om een gedetailleerde verwachtingskaart voor het onderzoeksgebied te ontwerpen en niet direct om archeologische vindplaatsen op te sporen. De belangrijkste conclusies, zoals de aanwezigheid van een strandwal, Unioklei er direct voor en direct achter en een dekzandvlakte
3 Het verdient aanbeveling om hoogtekaarten e.d. mede af te beelden met maatvoering t.o.v. van het huidige maaiveld en niet alleen gerelateerd aan NAP. Met name indien kaarten een onderdeel vormen van inrichtingsvraagstukken is de vraag hoe diep geconstateerde fenomenen liggen meestal het meest relevant.
Vestigia b.v., Archeologie en cultuurhistorie
4
verder naar het oosten konden echter ook al uit de bestaande literatuur worden afgeleid4. Hoewel de ligging van de diverse landschapselementen nu goed is vastgelegd is het de vraag of dit niet met een veel kleiner aantal boringen had gekund. Gezien het grote aantal boringen dat is gezet, is het resultaat in relatie tot vergelijkbare zoekgebieden in de polder archeologisch gezien vervolgens ook nog eens vrij mager5. Vestigia concludeert dat archeologische vindplaatsen niet zijn aangetoond, hooguit dat op een aantal plaatsen binnen het plangebied sprake is van een matig hoge verwachting. Voor het ontwerpen van een vervolgstrategie geeft het RAAP-onderzoek wel enig, maar in een aantal opzichten eigenlijk ook weer onvoldoende, houvast.
4 Zie bijvoorbeeld Gotjé (1993) en Wiggers (1955). 5 Vergelijk de resultaten van Emmelhage met bijvoorbeeld vlakdekkend vooronderzoek in de omgeving van Almere of Swifterbant.
Vestigia b.v., Archeologie en cultuurhistorie
5
4. Wettelijk en beleidsmatig kader Het archeologiebestel is sterk in beweging. Dit heeft alles te maken met de aanstaande implementatie van het Europese Verdrag van Malta ter bescherming van het archeologisch erfgoed in de Nederlandse situatie. Het wetsvoorstel voor aanpassing van de monumentenwet en enkele andere wetten ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State. Hoewel door veel instanties hierop al geanticipeerd wordt, geldt formeel nog steeds het huidig regime van de Monumentenwet 1988 en de enkele aanvullende beleidsregels in het kader van het interim-beleid dat de staatssecretaris per 1 oktober 2001 heeft afgekondigd. Deze laatste heeft vooral betrekking op de uitvoering van archeologische werkzaamheden en niet op de planprocedure. Wat betreft de wettelijke voorschriften rond de archeologie zijn in het kader van een verdere bestemmingsplanprocedure vooral de volgende kaders van belang: *
de toetsing door de PPC en de goedkeuring van het bestemmingsplan door gedeputeerde staten op grond van art. 11 WRO/BRO;
*
wettelijke bescherming als archeologisch monument op grond van art. 3 van de Monumentenwet 1988.
Ad 1) Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient onderzoek gedaan te worden naar de bestaande toestand en de gewenste ontwikkeling. Voor wat betreft de cultuurhistorische, en daarmee ook de archeologische, waarden is er sprake van een relatie met de algemene onderzoeksverplichting op grond van art. 9 WRO. De PPC’s zijn de laatste jaren in toenemende mate alert op de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische paragrafen in ontwerpbestemmingsplannen buitengebied. Indien onvoldoende informatie aanwezig is, wordt bij reële archeologische verwachtingen vaak om aanvullend onderzoek gevraagd. Hoe ver dit onderzoek moet gaan is, zo ook in het geval van Emmelhage, vaak een punt van discussie. Indien de aanwezigheid van archeologische waarden is vastgesteld, dienen deze te worden gewaardeerd volgens algemeen geldende criteria voor waardering en selectie. Omdat in het geval van Emmelhage geen waarden zijn vastgesteld is waardering (nog) niet aan de orde. De volgende stap is het aangeven in het bestemmingsplan hoe met vastgestelde, behoudenswaardige, archeologische waarden wordt omgegaan.
Algemene beleids- en toetsingsuitgangspunten van Rijkserfgoedinstellingen (vertegenwoordigd in de PPC) en Provincie zijn: - bescherming van waardevolle archeologische relicten waar mogelijk in situ, dus inpassing in de nieuwe situatie; - indien dit niet mogelijk is, documentatie en ontsluiting van de archeologische informatie via aanvullend onderzoek. Ad 2) In principe staat het rijksbeschermingsbeleid en —programma van archeologische monumenten los van de bestemmingsplanproblematiek. De ROB kan op grond van haar eigen beleidsprioriteiten terreinen bij de minister voordragen voor bescherming als archeologisch monument. Indien bescherming of voorbescherming van toepassing zijn dan is altijd een vergunning van de minister vereist om bodemverstorende activiteiten — dus ook bouwen — op een dergelijk terrein uit te voeren. In theorie kan de ROB, na vaststelling van behoudenswaardige resten, ook in Emmelhage overgaan tot een beschermingsprocedure. In de praktijk zal dit niet gebeuren zolang de bestemmingsplanprocedure loopt. In de praktijk wordt wettelijke bescherming tegenwoordig meestal toegepast als sluitstuk van een inrichtingsplan. Bij het vooroverleg wordt het instrument echter soms wel op tafel gelegd om druk uit te oefenen.
Vestigia b.v., Archeologie en cultuurhistorie
6
Een ander (theoretisch) drukmiddel is de mogelijkheid van de minister (ROB) om op grond van art. 49 van de Monumentenwet (1988) bij uitvoering van grondwerken het werk stil te leggen indien vondsten van oudheidkundige waarden worden aangetroffen, met andere woorden, indien het bouwplan onverhoeds doorgang vindt zonder voorafgaand archeologisch onderzoek en er dan tijdens de uitvoering vondsten gedaan worden, om alsnog tot onderzoek over te gaan. In de praktijk worden beide instrumenten in Nederland in situaties als rond Emmelhage nauwelijks toegepast en zeker niet indien er sprake is van bestuurlijk overleg in het kader van een bestemmingsplan. Voorlopig is er echter nog steeds geen sprake van vastgestelde waarden, maar slechts van een verwachtingsbeeld. Belangrijk is om in een volgende stap aannemelijk te maken dat van feitelijke resten geen sprake is, of eventueel wel aangetoonde resten nauwkeurig te begrenzen en nader te waarderen. Vanuit een oogpunt van verantwoord beleid en ruimtelijke kwaliteit, is het pas dan aan te bevelen in het inrichtingsplan van Emmelhage aangetoonde archeologische waarden zoveel mogelijk te beschermen.
Vestigia b.v., Archeologie en cultuurhistorie
7
5. Mogelijke vervolgstappen Op grond van de resultaten van het archeologisch vooronderzoek is door de uitvoerders van het onderzoek (RAAP) een aantal vervolgstappen geadviseerd. Deze beschouwen we als alternatief A. * AlternatiefA (RAAP) 1. het inrichtingsplan bij voorkeur op zodanige wijze aanpassen dat geen bodemingrepen plaatsvinden tot het niveau van de strandwal- en dekzandafzettingen; 2. in alle zones met een hoge archeologische verwachting een verdichtend, karterend booronderzoek uitvoeren (meer boringen en grotere boordiameter) om vast te stellen of inderdaad vindplaatsen aanwezig zijn; 3. voor de zones met een middelhoge verwachting in het plan van aanpak voor het onder 2 genoemde onderzoek een meerwerkoptie inbouwen om ook deze zones, indien gewenst, bij het aanvullend onderzoek te kunnen betrekken; 4. tevens zou in het bestemmingsplan op deze gebieden een aanlegvergunningenstelsel moeten komen te rusten. 5. alleen voor de gebieden met een lage verwachting worden geen vervolgacties voorgesteld. Deze aanbevelingen hebben grote stedenbouwkundige, bouwtechnische en financiële consequenties. Zelfs zodanig dat de realisatie van het bestemmingsplan in gevaar komt. Een dergelijk aanvullend booronderzoek zou betekenen dat minimaal nog eens 700 tot 900 boringen gezet moeten worden op de onder alternatief B beschreven wijze. De kosten daarvan bedragen ca. C 150.000,-.
Voorts wordt door RAAP niet aangegeven wat dient te gebeuren wanneer bij verder vooronderzoek onverhoopt wel archeologische resten worden aangetroffen. Vestigia heeft vanuit de archeologische praktijk enkele alternatieven bekeken die vanuit de doelstellingen van het vigerende archeologisch monumentenzorg- en ruimtelijke ordeningsbeleid in meer of mindere mate acceptabel geacht mogen worden. Gezocht is naar oplossingen die beter in verhouding staan tot de reële kans op archeologische resten en een geringere belasting geven voor de plankosten en de tijdsplanning. Een belangrijk discussiepunt in dit verband is de vraag hoeveel boringen nodig zijn om zeker te kunnen zijn dat geen archeologische vindplaatsen gemist zijn. Voor bepaalde landschapstypes zijn daarvoor redelijke ervaringscijfers bekend. Voor andere, en daartoe behoort ook de dekzandvlakte die het hele oostelijk deel van het plangebied beslaat, ontbreken deze eigenlijk, ook al omdat over de relatie tussen de prehistorische bewoning en dit landschap eigenlijk niet veel bekend is. Tegen deze achtergrond komen wij tot de alternatieven B, C en D:
* Alternatief B: selectief aanvullend booronderzoek Voorgesteld wordt om te beginnen met: 1. een aanvullend booronderzoek in de zone met de hoogste archeologische verwachting, de strandwal in het westelijk deel van het plangebied. Het is niet nodig om in eerste instantie de hele strandwal uit te boren. Op basis van de verwachtingskaart is het gebied met de hoogste verwachting ongeveer 30 ha. groot. Voor vergelijkbaar archeologisch vooronderzoek in Almere is op wetenschappelijke gronden berekend dat indien 400A van een bepaald landschapstype wordt onderzocht hieraan statistisch gezien een betrouwbare uitspraak over het hele gebied mag worden ontleend. Aangezien het in dit geval op geogenetische gronden niet mogelijk is om één aaneengesloten gebied te selecteren is ervoor gekozen om op de strandwal twee representatief gebieden van in totaal 12 ha. aan te wijzen voor verder onderzoek (zie bijlage). In deze gebieden wordt vervolgens om de 25 meter geboord met een boor met een diameter van 15 cm tot in het pleistocene zand. De boorkernen worden gezeefd op archeologische indicatoren. In totaal zouden dan 200 aanvullende boringen nodig zijn. Gedetailleerde profielbeschrijvingen zijn wellicht niet nodig, omdat alleen gericht gekeken wordt naar archeologische indicatoren;
Vestigia b.v., Archeologie en cultuurhistorie
8
2.
3.
4.
Geadviseerd wordt om eveneens enkele verdichtende boringen te zetten rondom een van de zogenaamde pleistocene opduikingen met houtskoolconcentraties in het oostelijk deel van het plangebied (dekzandvlakte), bijvoorbeeld in de buurt van de RAAP-boringen 508, 524 en 538 (zie bijlage). Maximaal 25 boringen zouden hier kunnen volstaan. Het doel is vast te stellen of het door RAAP ontworpen verwachtingsbeeld voor het landschapstype in het oostelijk gebied inderdaad een voorspellende waarde heeft. Is dit zo dan zou het in het vervolg in vergelijkbare situaties probleemloos kunnen worden toegepast. Indien dit niet het geval is, dan moet getwijfeld worden of de gevolgde methodiek voor de dekzandvlakte wel zo functioneel is. Aangezien de gemeente Noordoostpolder hier voor toekomstige bouwlocaties baat bij kan hebben is deze geringe extra investering zeker verantwoord. Indien het resultaat negatief blijft, m.a.w. nog steeds geen “echte” archeologische indicatoren worden aangetroffen, zouden op archeologische gronden geen beperkingen meer mogen worden gegeven aan de verdere ontwikkeling van het gebied. Indien op de strandwal wel archeologische indicatoren worden aangetroffen, zou afhankelijk van het resultaat overwogen moeten worden hetzij het onderzoek uit te breiden tot de hele strandwal dan wel direct over te gaan tot beschermende maatregelen in de vorm van planaanpassing.
Indien rond de aangewezen plaats in het oostelijke deel duidelijke archeologische resten worden aangetoond, zou overwogen moeten worden hier een noodopgraving te doen plaatsvinden om in ieder geval de aard en datering van de vindplaats vast te stellen. Planaanpassing zou gezien de geringe omvang van de te verwachten vindplaats(en) in dit gebied eventueel nog overwogen kunnen worden, maar lijkt gezien de geringe kans op voorhand een te extreme maatregel. Het valt te overwegen om bij een noodzakelijk kleinschalig noodonderzoek in het oostelijk gebied, in overleg met de provinciaal archeoloog, de regionale amateurarcheologen te betrekken. Op die manier kunnen de waarnemingen niet alleen een wetenschappelijke, maar ook een educatieve meerwaarde krijgen. Omdat bij de realisatie van het bestemmingsplan gekozen wordt voor een gefaseerde uitvoering en begonnen wordt met de invulling van het oostelijk deel van het plangebied, zou de bovengenoemde aanpak geen belemmering voor de verdere planning hoeven te betekenen. Het beperkte booronderzoek in het oostelijk gebied en de onwaarschijnlijke vervolgactie hoeft geen vertraging op te leveren. Voor het uitwerken van de eventuele consequenties van de resultaten van het onderzoek op de strandwal is meer tijd beschikbaar omdat dit deel van het plan pas over enkele jaren wordt uitgevoerd.
Kosten De kosten van het voorgestelde aanvullende booronderzoek worden geraamd op 6 50.000,- tot 6 60.000,inclusief rapportage. Hierbij is uitgegaan van een gemiddelde boordiepte van twee tot drie meter en uitvoering met de hand. Wij baseren ons daarbij op gemiddelde tarieven van verschillende archeologische prospectiebedrijven. Eventueel kan overwogen worden het onderzoek machinaal uit te voeren met een zogenaamde mechanische avegaarboor. Op deze wijze is waarschijnlijk een kostenbesparing mogelijk (10200Zo?). Het verdient aanbeveling de aanbesteding in concurrentie te doen plaatsvinden op basis van een gedetailleerd programma van eisen of archeologisch bestek6.
* Alternatief C: de telefooncelmethode Indien archeologische vindplaatsen met enige zekerheid zouden kunnen worden afgebakend, zou ook gekozen kunnen worden de kwaliteit daarvan nader te bepalen door het aanleggen van enkele kleine, verticaal uit te graven proefputten tot in het pleistocene zand. Door drie van de vier zijkanten van de put met metalen platen te verstevigen en bronbemaling toe te passen kan zonder risico de bodemopbouw en het vondstniveau op de aanwezigheid van sporen worden beoordeeld. De archeologisch interessante lagen worden vervolgens bemonsterd en geanalyseerd. Deze methode is het meest doeltreffend wanneer een vindplaats onomstotelijk is aangetoond en de noodzaak tot een opgraving beoordeeld en begroot moet worden. In Emmelhage zouden rond twee of drie van de 6 Het schrijven van een PvE of bestek en een aanbestedingsadvies over de ingeleverde offertes wordt, afhankelijk van de mate van gedetailleerdheid, geraamd op tussen 6 700 en 6 2000.
Vestigia b.v., Archeologie en cultuurhistorie
9
aangetroffen houtskoolconcentraties op de strandwal een dergelijke aanpak overwogen kunnen worden. Op basis van de resultaten zouden vervolgens via boringen de begrenzingen van de vindplaats kunnen worden opgezocht. Voordeel is dat, indien een vindplaats wordt vastgesteld, direct meer inzicht wordt geboden in de aard, kwaliteit en datering, waardoor een besluit over de noodzaak van vervolgacties, zoals onder B.3 en B.4 beschreven eerder genomen kan worden. Nadeel is dat dit soort putjes onvoldoende zekerheid bieden over de rest van het gebied, indien bijvoorbeeld niets wordt aangetroffen. Verwacht mag worden dat de provincie de voorkeur zal geven aan, eerst, een aanvullend booronderzoek op een representatief deel van de strandwal, alvorens nog verder in te zoomen op een bepaald deel ervan. Kosten De kosten van een proefputtenonderzoek worden geraamd op 6 10.000,- tot 6 15.000,- per proefput, inclusief rapportage. Hierbij is uitgegaan van een gemiddelde diepte van 2,5 tot 3 meter. Wij baseren ons daarbij op de gemiddelde tarieven van verschillende archeologische bedrijven. Aangezien zeker vier putten nodig zullen zijn voor een enigszins representatieve steekproef, biedt deze aanpak ook kostentechnisch gezien niet al te veel voordelen. Daarnaast is de methode meer belastend voor de eigenaren en grondgebruikers.
Het verdient ook hier aanbeveling de aanbesteding in concurrentie te doen plaatsvinden op basis van een gedetailleerd programma van eisen of archeologisch bestek7.
Alternatief D: geen verdere archeologische maatregelen en in beroep gaan tegen een eventuele afwijzing van het bestemmingsplan door de Provincie Zoals gezegd is het de vraag of het provinciaal bestuur op grond van WRO meer onderzoek dan het reeds uitgevoerde kan verlangen. De gemeente zou zich op het standpunt kunnen stellen dat aan de onderzoeksplicht is voldaan en dat onvoldoende bewijs voor de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische relicten is gevonden. De kans op een succesvolle bezwaarprocedure is moeilijk in te schatten. Deze hangen mede samen met factoren die buiten de specifiek archeologische kant liggen. Zo speelt de financiële haalbaarheid een belangrijke rol in relatie tot de maatschappelijke noodzaak en het wel of niet aanwezig zijn van alternatieve locaties waar de archeologische bezwaren kleiner zijn. Indien onderbouwd kan worden dat excessieve archeologiekosten een doorslaggevende rol gaan spelen bij de realisatie, kan eventueel een beroep gedaan worden op een bijdrage in de kosten door de provincie of het ministerie van OCenW. In hoeverre een dergelijk beroep succes heeft hangt mede af van de voorgeschiedenis van het project en de actuele stand van zaken rond de bijdrageregelingen8. *
Tot slot Vestigia geeft de voorkeur aan alternatief B. De kans op goedkeuring/draagvlak bij bevoegd gezag (provincie) van de elk van de voorgestelde vervolgstappen wordt aanzienlijk verhoogd indien in het inrichtingsplan op enigerlei wijze de eventuele archeologische geschiedenis van het gebied tot uitdrukking kan worden gebracht of gevisualiseerd. Dit kan op vele manieren en via vele stedenbouwkundige concepten gebeuren.
7 Het schrijven van een PvE of bestek en een aanbestedingsadvies over de ingeleverde offertes wordt, afhankelijk van de mate van gedetailleerdheid, geraamd op tussen 6 700 en 6 2000. 8 Of de subsidieregeling van OcenW in 2002 nog geldt is op dit moment namelijk niet duidelijk.
Vestigia b.v., Archeologie en cultuurhistorie
10
6. Verantwoording
Belvedère Beleidsnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting, aangeboden aan de Tweede Kamer door
de Ministerie van OC en W, VROM en LNV, juli 1999. Boer, G.H. de, en B. Jansen: Plangebied Emmelhage te Emmeloord (gem. Noordoostpolder); een verkennend archeologisch onderzoek, RAAP-rapport 764, Amsterdam. Deckers, P.H., J.P. de Roever J.D. van der Waals (1980). Jagers, vissers en boeren in een prehistorisch getijdengebied bij Swifterbant. Z.W.O. Jaarboek 1980, blz. 111-145 Ente, P.J., 1973: De IJsseldelta, in: Bijdragen tot de geschiedenis van Kampen, Kamper Almanak, 137-164. Ente, P.J., 1976: The Geology of the Northern Part of Flevoland in relation to the human occupation in the Atlantic time (Swifterbant contribution 2), Helinium 16, 15-35. Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (herzien te Valletta, 1992). Eindrapport van de Voorbereidingscommissie Kwaliteitszorg Archeologe, Ministerie van OC en W, januari 2001.
Gehasse, E.F., 1995: Ecologisch-archeologisch onderzoek van het Neolithicum en de Vroege Bronstijd in de Noordoostpolder met nadruk op vindplaats P14, thesis, Amsterdam. Gotjé, W., 1993: De Holocene laagveenontwikkeling in de randzone van de Nederlandse kustvlakte (Noordoostpolder), thesis, Amsterdam. Houten, L. van den, P. van der Poel, H. van Turenhout en R. Kohlmann, 2000: Een schat aan voorbeelden, praktijkvoorbeelden uit de Archeologe, Den Haag.
Hogestijn, J.W.H. J.H.M. Peeters (red.), 2001: De mesolithische en vroeg-neolithische vindplaats Hoge Vaart-A27 (Flevoland), Rapportage Archeologische Monumentenzorg 79, ROB, Amersfoort. Kienhuis, H.I., 2001: Het verhaal van kosten van archeologisch onderzoek, in: de Gemeentestem, Bestuursrechtelijk Tijdschrift, nr. 7148, 453-459. Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, Versie 2.0, Zoetermeer oktober 2001.
Lenselink, G. U. Menke (1995). Geologische en bodemkundige atlas van het Markermeer. Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied, Lelystad Mauro, G.
M.F. van Oorsouw, 1997: Archeologische Monumenten Kaart Flevoland, ROB, Amersfoort.
Nota Archeologiebeleid Flevoland, Provincie Flevoland, Lelystad 2001. Nota Invoering Verdrag van Valletta en wijziging archeologiebestel, aangeboden aan de Tweede Kamer door de
Staatssecretaris van Cultuur, april 2000. Peters, E. J.H. M. Peeters (red.), 2001: De opgraving van de mesolithische en midden-neolithische vindplaats UrkE4 (Domineesweg), Rapportage Archeologische Monumentenzorg, ROB, Amersfoort Poel, P. van der, A. van ’t Eind en Ralph Kohlmann, 1999: Schatten van Gemeenten; vragen en antwoorden over archeologie, Amersfoort. Startnotitie Archeologische Monumentenzorg, Gemeente Almere, Almere 2000.
Vestigia b.v., Archeologie en cultuurhistorie
11
Voorstel van Wet: Wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten ten behoeve van de archeologische monumentenzorg mede in verband met de implementatie van het Verdrag van Valletta (Wet op de Archeologische Monumentenzorg), Min. Van OCenW, 20.102. VNG-ledenbrief 00/70, Archeologie, d.d. 9 mei 2000. VNG-ledenbrief 01/205, Beleidsregels opgravingsbevoegdheid archeologie, d.d. 14 december 2001.
Wiggers, A.J. (1955). De wording van het Noordoostpoldergebied. Proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam
Vestigia b.v., Archeologie en cultuurhistorie
12
Bijlage
Vestigia b.v., Archeologie en cultuurhistorie
13
Bestemmingsplan "Emmeloord, Emmelhage - fase 3" Vastgesteld
Bijlage 10
Toetsing inventariserend veldonderzoek Emmelhage
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
74
Toetsing Inventariserend Veldonderzoek Emmelhage Onderzoek en rapportage Grontmij in opdracht van de gemeente Noordoostpolder
Rapportnummer V102 Versie en status
definitief
In opdracht van
gemeente Noordoostpolder
Samenstelling
W.A.M. Hessing en C.W. Koot
Redactie
W.A.M. Hessing
Plaats en Datum Bunschoten, 29 augustus ’03
Gecontroleerd door
S. van Dijk
d.d. 29 augustus ’03
Geaccordeerd door
K.E. Waugh
d.d. 29 augustus ’03
Niets uit dit werk mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook, daaronder mede begrepen gehele ofgedeeltelijke bewerking van het werk, zonder voorafgaande schríftelijke toestemming van Vestigia B. V. Vestigia B.V. Energieweg 14 3751 LT Bunschoten telefoon 033 299 81 86 fax 033 299 93 79 vestigia@archeologie.nl
Toetsing Inventariserend Veldonderzoek Emmelhage, Onderzoek en rapportage Grontmij in opdracht van de gemeente Noordoostpolder
Inhoudsopgave 1
Inleiding......................................................................................................................................................3
2
Algemene opmerkingen............................................................................................................................ 4
3
Overwegingen............................................................................................................................................ 5
4
Conclusie....................................................................................................................................................6
5
Advies......................................................................................................................................................... 7
6
Verantwoording..........................................................................................................................................8
VESTIGIA B.V. Archeologie Q& cultuurhistorie Rapportnr V102., versie definitief, d.d 29 augustus 2003
2
Toetsing Inventariserend Veldonderzoek Emmelhage, Onderzoek en rapportage Grontmij in opdracht van de gemeente Noordoostpolder
1
Inleiding
Op verzoek van de gemeente Noordoostpolder heeft Vestigia het conceptrapport van de Grontmij over het Plangebied Emmelhage te Emmeloord getoetst aan de resultaten van het eerdere onderzoek en het daaropvolgende advies van Vestigia. Vervolgens zijn ook de conclusies en aanbevelingen beoordeeld. Daarbij zijn betrokken onze recente ervaringen bij de voorbereiding en de uitvoering van het onderzoek in een vergelijkbare landschappelijke context (duintop) van vergelijkbare ouderdom in de Harnaschpolder te Schipluiden, waarvoor de tweede auteur als projectverantwoordelijke namens het Hoogheemraadschap Delfland optreedt. Een andere goed vergelijkbare vindplaats is die in het tracé van de N31 (Leeuwarden-Nijega). Ook hiervan zijn recente karteringsgegevens bekend die als referentiekader gebruikt kunnen worden. Wij geven hieronder kort samengevat onze overwegingen en ons advies voor een eventueel vervolgtraject weer. De publicaties van de in de tekst genoemde referentieonderzoeken zijn terug te vinden onder Verantwoording.
VESTIGIA B.V. Archeologie Q& cultuurhistorie Rapportnr V102., versie definitief, d.d 29 augustus 2003
3
Toetsing Inventariserend Veldonderzoek Emmelhage, Onderzoek en rapportage Grontmij in opdracht van de gemeente Noordoostpolder
2
Algemene opmerkingen
Over het door Grontmij uitgevoerde onderzoek en de rapportage valt niet zo veel op te merken. Wij denken dat het basiswerk naar behoren is uitgevoerd. Er wordt weliswaar aandacht besteed aan, en illustraties opgenomen over, houtskoolvoorkomens, waarbij men zich af kan vragen of dat allemaal nodig is en veelzeggend is. Wellicht is dit verklaarbaar door gebrek aan andere uitkomsten. De belangrijkste omissie is dat in het rapport geen uitspraken worden gedaan over de intactheid van het bodemprofiel en de aan- of afwezigheid van een duidelijke leeflaag of A-horizont op de strandwal. Ook het RAAP-onderzoek was daarin niet altijd even duidelijk en blijkbaar is het de Grontmij ook niet opgevallen. Voor het verwachtingsbeeld zijn uitspraken over een eventuele begraven a-horizont van belang (zie onder). Onze conclusie blijft dat op de strandwal op de meeste plaatsen geen sterk ontwikkelde a-horizont aanwezig is. Onze derde opmerking is van procedurele aard. Het is niet verstandig van de opdrachtnemer om de resultaten van het onderzoek al met de provinciaal archeoloog te bespreken en samen naar een conclusie toe te werken, voordat de opdrachtgever van de resultaten in kennis is gesteld.
VESTIGIA B.V. Archeologie Q& cultuurhistorie Rapportnr V102., versie definitief, d.d 29 augustus 2003
4
Toetsing Inventariserend Veldonderzoek Emmelhage, Onderzoek en rapportage Grontmij in opdracht van de gemeente Noordoostpolder
3
Overwegingen
Er gold op basis van het RAAP-onderzoek een matig hoge archeologische verwachting voor de strandwal. De verwachting betrof met name vroeg- en midden-Neolithische bewoning, wat was ingegeven door de bevindingen van de laatste jaren met het onderzoek van P14, de A27 en de visweren in Emmeloord, naast verscheidene kleinere veldonderzoeken, maar ook vergelijkbare locaties in de Harnaschpolder (Schipluiden) en Zandwerven in het westelijk kustgebied. Recentelijk zijn (potentiële) vindplaatsen uit deze periode wel vaker het object van studie geweest, zodat we in ieder geval kunnen stellen dat ze regionaal (provinciaal) niet bijzonder zeldzaam zijn. Dat impliceert dat uitbreiding en investering in verder vooronderzoek alleen maar logisch en verantwoord zijn, indien onmiskenbare aanwijzingen voor menselijk verblijf of bewoning zijn aangetroffen. In het geval van Emmelhage zijn die, ook na het tweede fase onderzoek, nog steeds niet aangetroffen. Kan dit berusten op toeval? Ons inziens niet. Er is specifiek gezocht naar de archeologische nalatenschap van een samenleving die in hoge mate mobiel was. Ze maakten seizoensgebonden tochten door een leefgebied, waarbij jaren achtereen dezelfde locaties werden bezocht. In deze periode transformeerde die samenleving van jagers/verzamelaars zich tot veetelers en tot een boerengemeenschap met gemengde landbouw.
Zij het waarschijnlijk nog altijd wel met een redelijk nomadisch bestaan. Een strandwal van deze dimensie leent zich bij uitstek voor langer verblijf, niet alleen voor "special activity camps" maar ook voor grotere familiegroepen die jagen, vissen, veehoeden en kleinschalige akkerbouw combineerden. Dat betekent dat zij, met inbegrip van regelmatige terugkeer op zo'n plaats, een archeologische nalatenschap achterlaten die oppervlakte beslaat van enkele tientallen m2. Zo'n vindplaats kan niet door de mazen van het gehanteerde boornet zijn gevallen. In die verblijfsperioden is natuurlijk veelvuldig vuur gestookt, maar ook is er andersoortig cultureel afval zoals aardewerk, vuursteen, natuursteen en ook verbrand bot. Het is zeer indicatief dat met dit hoge aantal boringen zulke indicatoren niet zijn gevonden. In vergelijkbare omstandigheden en met vergelijkbare of zelfs minder dichte boorgrids worden deze vindplaatsen elders wel opgespoord. Een goed recent voorbeeld is het RAAP-onderzoek in de verlenging van de Rijksweg N31 in Friesland. Tot slot valt op dat er geen sprake lijkt van een duidelijke bodemontwikkeling in de strandwal. Er heeft zich geen bijzondere leeflaag/A-horizont ontwikkeld. Bij vindplaatsen in vergelijkbare condities valt toch steeds op dat er sprake bodem is van duidelijke bodemvorming, mede door de aanwezigheid van mensen veroorzaakt.
Niet valt uit te sluiten dat ergens op de strandwal sprake is geweest van een klein en zeer tijdelijk (jacht)kamp, waarbij nauwelijks archeologisch materiaal is aangereikt. Zo'n vindplaats, die over het algemeen ook minder informatief is, laat zich zeer lastig opsporen of uitsluiten. De voorgestelde proefsleuven bieden daartoe ook geen zekerheid.
VESTIGIA B.V. Archeologie Q& cultuurhistorie Rapportnr V102., versie definitief, d.d 29 augustus 2003