CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

7.1 Bestemmingsplan Emmeloord - Emmelhage fase 3_split_4.pdf

Gemeenteraad 19 september 2022, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 14: Bestemmingsplan Emmeloord, Emmelhage - fase 326.469 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Vervolgens zijn twee vervolgbezoeken afgelegd, te weten op 4 en 30 juni 2021. Hierbij zijn andermaal alle land- en waterbiotopen onderzocht op de mogelijke aanwezigheid rugstreeppadden. In de sloot langs de oostzijde stond tijdens deze bezoeken nog steeds water. Andere potentiële voortplantingswateren ontbraken in het plangebied. Ondanks het ontbreken van open water is met behulp van een geluidsdrager het geluid van roepende mannetjes afgespeeld. Daarop kwam geen respons.

Hoofdstuk 3

Resultaten

Er zijn in het plangebied geen rugstreeppadden vastgesteld. De sloot langs de oostzijde vormt het enige potentieel geschikte voortplantingsbiotoop van deze soort in het plangebied. Het feit dat de sloot een sterk V-profiel heeft en bijna volledig bedekt is met flap en dicht begroeid is met grassen, maakt deze sloot niet bijzonder geschikt als voortplantingsbiotoop. De rugstreeppad bezet geen voortplantingswateren in het plangebied en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat rugstreeppadden een (winter)rustplaats in het plangebied bezetten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, zoals het bouwrijp maken van de agrarische cultuurgrond en het vergraven/dempen van de sloot, worden geen rugstreeppadden of larven gedood, worden geen eieren beschadigd en wordt geen voortplantingsbiotoop vernield. Voorjaar 2021 was bijzonder nat. Dat heeft tot gevolg dat vele (tijdelijke) voortplantingsplaatsen beschikbaar zijn voor rugstreeppadden. Tijdens de veldbezoeken zijn geen aanwijzingen omtrent het voorkomen van rugstreeppad in het plangebied gevonden. Hiermee kan er redelijkerwijze van worden uitgegaan dat er binnen de begrenzing van het plangebied geen rugstreeppadden aanwezig zijn.

Hoofdstuk 4

Wettelijke consequenties

In relatie tot de rugstreeppad kunnen de werkzaamheden ten behoeve van de woningbouw zonder belemmering in het kader van de Wet natuurbescherming plaatsvinden. Het onderzoek is volledig uitgevoerd en heeft plaats gevonden onder geschikte weersomstandigheden.

5

Literatuur BIJ 12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad, versie 1.0 (publicatienummer BIJ12-2017-017). BIJ 12, Utrecht.

Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl/ https://waarneming.nl/ https://www.knmi.nl/nederland-nu/klimatologie/droogtemonitor https://www.weeronline.nl/nieuws/weeroverzichten-2021-april https://www.weeronline.nl/nieuws/weeroverzichten-2021-mei https://www.weeronline.nl/nieuws/weeroverzichten-2021-juni

6

Bestemmingsplan "Emmeloord, Emmelhage - fase 3" Vastgesteld

Bijlage 8

Verkennend archeologisch onderzoek RAAP

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

72

'5a

RAAP RAAF-RAPPORT 764

Plangebied Emmelhage te Emmeloord Gemeente Noordoostpoider Een verkennend archeologisch onderzoek

RAAPRAPPORT 0764 pdf

5o)

RAAP RAAP-RAPPORT 764

Plangebied Emmelhage te Emmeloord Gemeente Noordoostpolder Een verkennend archeologisch onderzoek

Colofon Opdrachtgever: gemeente Noordoostpolder Project: Verkennend archeologisch onderzoek plangebied Emmelhage te Emmeloord, (gemeente Noordoostpolder) Titel: Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek Status: eindversie Datum: januari 2002 Auteurs: ir. G.H. de Boer å drs. B. Jansen Bestandsnaam: L:\QXPress\2002\EMNO\RA764-EMN0.gxd Projectcode: EMNO Projectleider: ir. G.H. de Boer Projectmedewerkers: drs. B. Jansen, drs. C.N. Kruidhof à D.E.A. Schiltmans Autorisatie:

dr. D.C.M. Raemaekers

ISSN: 0925-6229 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V.

telefoon: 020-463 4848

Zeeburgerdijk 54

telefax: 020-463 4949

1094 AE Amsterdam

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 1347 1000 BH Amsterdam

® RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2002 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

R A AP L.

ínhoud 4

1 Inleiding

6

2 Bureauonderzoek 2.1 Methoden 2.2 Resultaten

12

3 Veldonderzoek 3.1 Methoden 3.2 Resultaten

20

4 De archeologische verwachtingskaart 4.1 Methoden 4.2 Resultaten

25

5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Conclusies

5.2 Aanbevelingen 27

Literatuur

29

Gebruikte afkortingen

29

Verklarende woordenlijst

30

Overzicht van figuren, tabellen en (losse kaart-) bijlagen

31

Bijlage 1: Archeologisch beleid

RAAP-rapport 764 f eindversie 24-01-2002

[3]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

1 Inleiding In opdracht van de gemeente Noordoostpolder heeft RAAP Archeologisch Advies­ bureau in 2001 een.verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied Emmelhage te Emmeloord. Aanleiding voor het onderzoek zijn de plannen van de gemeente voor de ontwik­ keling van een nieuwe woonwijk in het plangebied. Uitvoering van deze plannen vormt een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische resten. Bij aanvang van het onderzoek waren geen archeologische vindplaatsen uit het plangebied bekend. Het onderzoek dient duidelijk te maken welke delen van het plangebied een hoge, dan wel een lage verwachting kennen ten áánzien van het voorkomen van archeologische vindplaatsen. Hierbij gaat de aandacht uit naar de volgende drie geomorfologische eenheden: - dekzandafzettingen; - strandwalafzettingen; - Unioklei. Het plangebied heeft een omvang van circa 185 ha en ligt direct ten noorden van de bebouwde kom van Emmeloord. Het gebied wordt begrensd door de Onderduikerstocht in het noorden, de Banterweg in het oosten, de Espelerweg in het zuiden en de Emmeloorder dwarstocht in het westen (figuur 1). Met uitzondering van het (voormalige) vliegveld en het bos aan de Banterweg bestaat het gehele plangebied uit akkerpercelen. Het veldwerk is uitgevoerd in oktober en november 2001.

Voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden wordt verwezen naar tabel 1. Op verzoek van de gemeente Noordoostpolder is de uitvoering van het veldwerk deels gecombineerd met het veldwerk door milieukundig onderzoeksbureau Tauw.

RAAP-rapport 764 į eindversie 24-01-2002

[4]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

Figuur 1: Ligging van het plangebied (gear­ ceerd); ĩnzet: ligging in Nederland (ster).

Periode Nieuwe tíjd Late Middeleeuwen Vroege Middeleeuwen Romeinse tijd Ijzertijd Bronstijd Neolîthîcum (nieuwe steentijd) Mesolithicum (midden steentijd) Paleolithicum (oude steentijd)

RAAP-rapport 764 Į eindversie 24-01-2002

Datering 1500 1050 : 450 12 voor

Tabel 1: Archeologische

-

i:

-

heden 1500 1050 450

800

~ w

2000

-

800

5300 8800 300.000

-

4900 8800

12 2000

tijdschaal.

na Chr. na Chr. na Chr. voor Chr, voor Chr. voor Chr. voor Chr. voor Chr.

[5]

Plangebied Emmelbage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

2 Bureauonderzoek 2.1 Methoden Ter voorbereiding van het veldonderzoek is een bureauonderzoek (kaart- en litera­ tuurstudie) verricht. Tijdens dit onderzoek zijn diverse gegevens uit (de omgeving van) het plangebied geïnventariseerd en bestudeerd. Het bureauonderzoek verschaft daarmee inzicht in de landschappelijke (geologische en bodemkundige) alsmede archeologische aspecten van het plangebied. Dit inzicht vormt een belangrijke richtlijn voor de planning en de uitvoering van het veldonderzoek. De gewenste informatie werd verkregen aan de hand van: -de Bodemkundige code- en profielen kaart van de Noordoostpolder, blad 11 (Directie van de Wieringermeer; Noordoostpolderwerken, 1955); -de Foto-atlas Flevoland, schaal 1:14.000, fotobladen 15814 en 16801 (ROBAS Producties, zonder jaar); -de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, kaartblad 16 West Steenwijk en 16 Oost Steenwijk (Stiboka, 1988); -de Hoogtekaart van Nederland, schaal 1:10.000, kaartblad 15H Zuid Espel (Rijkswaterstaat/Topografische Dienst, 1973). Het Centraal Archeologisch Archief (CAA) en het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort zijn geraadpleegd, evenals het geautomatiseerde archeologisch infor­ matiesysteem ARCHIS. In deze archieven zijn de reeds bekende archeologische gegevens uit het plangebied geregistreerd.

Daarnaast is het archeologisch depot van de provincie Flevoland in Lelystad geraadpleegd. Voor een overzicht van de geraadpleegde literatuur wordt verwezen naar de literatuurlijst. 2.2 Resultaten 2.2.1 Geologie en bodem

Doordat de Noordoostpolder na de drooglegging en inpoldering van de Zuiderzee intensief onderzocht is, zijn er van (de directe omgeving van) het plangebied en de directe omgeving veel geo(morfo)logische en bodemkundige gegevens voor­ handen. De beschrijving van de landschappelijk ontwikkeling van het plangebied heeft betrekking op de twee laatste geologische tijdvakken (het Pleistoceen en het Holoceen) en is gebaseerd op Gehasse (1995), Gotjé (1993), Lenselink Koopstra (1994) en Wiggers (1955).

kAAP-rapport 7f4 j eindversie 24-01-2002

[6]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

Pleistocene ondergrond De pleistocene sedimenten zijn afgezet tijdens de laatste ijstijd (het Weichselien). Tijdens de koudste periode van deze ijstijd viel een groot deel van de Noordzee droog. Door de afwezigheid van vegetatie in deze pooltoendra werden er grote hoeveelheden zand verplaatst door de wind. In de Noordoostpolder komen deze dekzanden voornamelijk in de noordelijke helft voor. De afwatering van de Noordoostpolder vond in deze periode plaats door de (vlechtende) rivieren de Vecht en de IJssel. Deze doorsneden het dekzandlandschap in het zuidelijke deel van de Noordoostpolder en hebben daarbij grove, grindhoudende zanden afgezet (Formatie van Kreftenheye). In droge rivierbeddingen ontstonden door de wind opgestoven rivierduinen (ook wel donken genoemd).

Uit (de omgeving van) het plangebied zijn geen (pleistocene) rivierafzettingen bekend. Het vroeg-holocene landschap bestond uit een welvende dekzandvlakte met een kenmerkend reliëf in de vorm van dekzandruggen en -laagten. De ruggen vormden de hogere delen van het landschap; de (relatieve) laagten vormden de nattere, moerassige delen. De verschillende beekjes die zeer waarschijnlijk door dit landschap gestroomd hebben, zullen zich in deze lagere delen bevonden hebben. Bodemvorming Na de laatste ijstijd (vanaf ca. 10.000 jaar geleden) werd het klimaat geleidelijk warmer. Er ontwikkelde zich een dichte begroeiing waardoor verdergaande ver­ plaatsing van het zand werd tegengegaan en bodemvorming kon optreden. In de drogere delen van het (dekzand) landschap kwamen (moder- of humus-) podzolbodems tot ontwikkeling (Spek, e.a., 1997). Deze bodems zijn nu nog dikwijls te herkennen aan de aanwezigheid van één of meer bodemhorizonten. De bovenste horizont (A-horizont) is donkerder van kleur (in het algemeen bruingrijs tot zwart) dan de onderliggende horizonten. Het belangrijkste kenmerk van deze horizont is dat deze is gevormd door accumulatie van organisch materiaal (verteerde planten­ resten). Onder de A-horizont bevindt zich een uitspoelingslaag (E-horizont). Deze is te herkennen aan een (wit)grijze kleur (loodzand) die ontstaan is doordat humus en ijzer opgelost en uitgespoeld zijn.

Deze deeltjes slaan neer in de eronder liggende B-horizont, die hierdoor donker- tot roodbruin van kleur is. Naar bene­ den gaat de B-horizont (geleidelijk) over in het moedermateriaal (C-horizont). In deze horizont heeft (nog) niet of nauwelijks bodemvorming plaatsgevonden; het moedermateriaal is bruingeel tot lichtgrijs van kleur. In de lagere delen ontwikkelden bodems zich onder nattere omstandigheden. Dit leidde in het alge­ meen tot bodems waarin de A-horizont (direct) overgaat in het moedermateriaal (AC-profiel). De B- en/of E-horizont ontbreken hier. Holocene afzettingen Een ander gevolg van de klimaatsverandering aan het begin van het Holoceen was de stijging van de zeespiegel en de daaraan gerelateerde grondwaterstand. Het resultaat hiervan was een sterke afname van de ontwatering van het gebied, waardoor op grote schaal veengroei plaatsvond, beginnend in de laagste delen van het pleistocene oppervlak (Wiggers, 1955). Aanzienlijke delen van het landschap

RAAP-rapport 764 Į eindversie 24-01-2002

[7]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

veranderden in een uítgestrekt veenmoeras; alleen de hogere delen (zoals de toppen van de dekzandruggen, oeverwallen en donken) waren voor lange tijd droge zones in een verdrinkend landschap. Uiteindelijk raakten rond 3200 jaar geleden ook deze delen overgroeid met veen. Met uitzondering van tussenpozen waarin mariene en Lagunaire sedimenten werden afgezet, kon de veenvorming in grote delen van Noordoostpolder tot aan de sedimentatie van de ALmere Afzettingen doorgaan (ca. 2000 jaar geleden). Oude Getijde Afzettingen Als gevolg van de voortgaande zeespiegelstijging kon het zeewater (ongeveer vanaf 5000 jaar geleden) steeds verder het IJsselmeergebied binnendringen. Dit verliep hoofdzakelijk via de stroomdalen en vertakkingen van de Vecht en IJssel, waarbij het aanwezige veen (vanuit dit stroomstelsel) werd geërodeerd en klastisch materiaal afgezet: de Oude Getijde Afzettingen (Menke e.a., 1998). Binnen deze Oude Getijde Afzettingen worden verschillende eenheden met een regionale verbreiding onderscheiden. In de omgeving van het plangebied zijn dit de Unioafzettingen en de strandwalafzettingen (o.a. Gotjé, 1993; Wiggers, 1955). Unioklei De sedimentatie van de Unio-afzettingen is gedateerd tussen circa 4500 en 2000 voor Chr. (Gotjé, 1993; Ente, 1971).

De omgeving bestond destijds waarschijnlijk uit een moerasachtig kweldergebied dat doorsneden werd door een systeem van kreken en geulen (Pons Ä Wiggers, 1959). Langs de kreken ontstonden oeverwallen; dit waren relatief hoge delen in het kweloerlandschap. De oeverwallen bestaan uit enigszins gerijpte en stevige klei omdat deze boven de (gemiddelde) water­ stand zijn afgezet (Menke Ä Lenselink, 1991). Direct achter de oeverwallen zijn de Uniokleien slap en humeus (de klei is hier onder water afgezet). Nog verder van de geulen en kreken gaan de kleiige afzettingen over in veen; hier vond geen sedimentatie van de Unioklei plaats en kon de veenvorming min of meer ongehinderd doorgaan. In een omvangrijk binnenmeer ten westen van Emmeloord zijn de Unio-afzettingen (tot enkele meters dik) afgezet (Ente, 1971). De randzone van dit meer lag net in het zuidwestelijke deel van het plangebied (Wiggers, 1995: 53 8. figuur 21). Strandwalafzettingen De Unioklei ligt veelal direct op het dekzand (Wiggers, 1955). Het veen dat het dekzand oorspronkelijk heeft afgedekt, is bij de sedimentatie van de Unioklei nagenoeg geheel opgeruimd. Plaatselijk is ook de top van het dekzand geërodeerd. Dit zand is langs de noordoostelijke oever van het binnenmeer (door water en wind) weer afgezet (Pons 8. Wiggers, 1959), waarbij een langgerekte strandwal is ontstaan.

De ouderdom van deze strandwal is zeer waarschijnlijk vergelijkbaar met die van de Unio-afzettingen in het voormalige binnenmeer. De totale lengte van de strandwal is ongeveer vier kilometer (o.a. Wiggers, 1955: 53 8c figuur 21).

RAAP-rapport 764 f eindversie 24-01-2002

[8]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

Cardiumklei Tijdens de laatste sedimentatiefase van de Oude Getijde Afzettingen werd in grote delen van de Noordoostpolder Cardiumklei afgezet (ca. 2000-1200 voor Chr.). Deze afzettingen liggen ten zuiden van Emmeloord en komen in (de directe omgeving van) het plangebied niet voor. Ftevomeer Afzettingen Vanaf ongeveer 3200 voor Chr. ontstond ter hoogte van de huidige Noordoostpolder, Oostelijk en Zuidelijk Flevoland een complex van enkele grote meren die onderling verbonden waren door verscheidene geulen: het beginstadium van het Flevomeer. De (beperkte) afwatering vond in deze periode plaats door een veenstroom die uitmondde in de huidige Waddenzee. In dit zoetwatermilieu werd de zogenaamde detritus-gyttja afgezet op de bodem van de meren en geulen (de Flevomeer Afzettingen). Detritus-gyttja bestaat uit een mengsel van fijn zand, verslagen veen en andere organogene sedimenten (vergane planten- en dierenresten). Hoewel de afzetting van de detritus-gyttja waarschijnlijk niet tot sterke (en omvangrijke) erosie van het onderliggende veenpakket heeft geleid, zijn delen van het veenlandschap dat aan de geulen en meren grensde door golfwerking verdwenen. In de gebieden waar geen sedimentatie van de Flevomeer Afzettingen plaatsvond (buiten de geulen en meren) kon de veenvorming min of meer ongehinderd doorgaan.

Almere, Zuiderzee en IJsselmeer Afzettingen Rond het begin van de jaartelling kwam het Flevomeer in directe verbinding met de zee. In het enigszins braKke milieu ontstond een lagune: het Almere. De sterk siltige afzettingen (sloef) die in deze periode werden gevormd, zijn minder organisch dan de Flevomeer Afzettingen en worden aangeduid als de Almere Afzettingen. Het (open) water breidde zich uit ten koste van het veenlandschap, dat steeds meer geërodeerd werd. Plaatselijk is net veen bewaard gebleven; in die gevallen is er (veelal) klei op afgezet. De (directe) invloed van de zee nam steeds meer toe. Omstreeks de 13e7l4e eeuw na Chr. veranderde de lagune (Aimere) in een zoute (Zuider)zee. In deze binnen­ zee werden overwegend zandige sedimenten afgezet (Zuiderzee Afzettingen). Een ander gevolg van de toegenomen mariene invloed was de erosie van het veen en dekzand door golfslag. Na de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 vond nog slechts in een beperkte mate sedimentatie plaats (IJsselmeer Afzettingen). In 1942 werd de Noordoostpolder ingepolderd. 2.2.2 Archeologie Er zijn geen archeologische waarnemingen bekend uit het plangebied zelf. Uit de omgeving ervan (in een straal van één kilometer) zijn drie waarnemingen bekend.

Eén waarneming (ARCHIS-waampmingsnummer 28275) betreft een laat-neolithische (klokbeker-) scherf, die gevonden is in het Emmelerbos (ten zuidoosten van het plangebied). Het is echter niet zeker of deze vondst op neolithische bewoning ter plaatse duidt. Mogelijk is de scherf aangevoerd met opgebrachte grond. De

RAAP rapport 764 Į eindversie 24-01-2002

[9]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

andere twee waarnemingen (ARCHIS-waarnemingsnummers 30040 en 27957) betreffen respectievelijk een schedelfragment (afkomstig van kavel G58) en een metalen sierkanneţje (afkomstig van kavel G88). Beide vondsten zijn gedateerd in de Nieuwe tijd. Op basis van de verscheidene archeologische opgravingen en andere onderzoeken die met name in de laatste decennia in de Noordoostpolder zijn uitgevoerd, is het duidelijk dat het grondgebied van de gemeente Noordoostpolder al in de Steentijd werd bewoond (o.a. Vlierman, 1985; Ten Anscher S Gehasse, 1993). Opgravingen hebben plaatsgevonden langs de A6 (kavel J97) bij Emmeloord (o.a. Van der Heijden, 2001), op Schokland (o.a. Gehasse, 1995) en Urk (o.a. Peters Ä Peeters, 2001). Op basis van deze onderzoeken kan een algemeen beeld geschetst worden van de bewoningsgeschiedenis van de Noordoostpolder (en Flevoland). Dit beeld vormt het referentiekader voor de UiteindeLijke verwachtingskaart. Vuursteenfragmenten, die mogelijk gedateerd kunnen worden in de periode Laat Paleolithicum-Mesolithicum, zijn bijvoorbeeld gevonden op de kavels in de omgeving van het Kuinderbos (kavels M131, 132 en 133) en bij Schokland (kavels P14, J141 en E131). In het Mesolithicum en het begin van het Neolithicum werd de Noordoostpolder bewoond door jager-verzamelaars.

Deze mobiele gemeenschappen trokken in kleine familiegroepen door een Landschap dat werd gekenmerkt door grote 'oerbossen' en diverse kleine beekjes en rivieren, zoals de Vecht, IJssel en Tjonger. De tijdelijke kampementen bevonden zich op gunstige plaatsen in het landschap en werden dan ook herhaaldelijk bezocht. Geschikte locaties, zoals donken en dekzandruggen, lagen in de nabijheid van water, zodat optimaal gebruik kon worden gemaakt van de natuurlijke voedselbronnen, drinkwater en transportroutes. Circa 5000 voor Chr. begint het Neolithicum, een periode die wordt gekenmerkt door het gebruik van huisdieren en akkerbouwgewassen. Ook de neolithische gemeenschappen vestigden zich in Flevoland, waar genoeg mogelijkheden waren voor zowel akkerbouw en veeteelt als jagen en verzamelen, belangrijke compo­ nenten van de neolithische samenleving in deze regio. Bij opgravingen zijn de resten van neolithische gemeenschappen op verschillende plaatsen aan het licht gekomen: Schokland (kavel P14), Urk (kavel E4) en Swifterbant. Omstreeks 3700 voor Chr. veranderde het oerbos in een groot veenmoeras. Ook dit verdrinkend landschap werd bewoond. De veenmoerassen waren rijk aan natuurlijke voedselbronnen, zoals wild en vruchten.

De toppen van de dekzandruggen en de donken vormden uitstekende (droge) bewoningslocaties, zoals onder meer blijkt uit de opgravingen A27-Hoge Vaart (Zuidelijk Flevoland) en P14-Schokland. Daarnaast vormden de oeverwallen in het natte kwelderlandschap gunstige bewoningslocaties. In de omgeving van Swifterbant zijn bij opgravingen bewoningsresten uit de Steentijd aangetroffen op oeverwallen (o.a. Deckers e.a., 1980; Ente, 1976). Kenmerkend voor de oeverwallen ter hoogte van de bewoningslocaties is de compacte structuur van het bovenste deel van de oeverwallen. RAAP-rapport 764 Į eindversie 24-01-2002

[10]

Plangebied Emmelhage te Emmetoord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

Naast de hogere deien van het tandschap werden ook de lager gelegen zones benut door samenlevingen uit het Mesolithicum, NeoLithicum en Bronstijd. Dergelijke gebieden leenden zich bij uitstek voor speciale activiteiten, zoals jagen en vissen. De visweren die bij de opgraving op Bedrijvenpark A6 (kavel J97) bij Emmeloord zijn aangetroffen in de Unio-geulen, zijn hier een voorbeeld van (Kerkhoven, 2000).

KAAi’-rapport 7ŕī4 Į eindversie 24-01-2002

[11]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

3 Veldonderzoek 3.1 Methoden Booronderzoek is vaak de enige methode om vindplaatsen te lokaliseren die op enige diepte onder het maaiveld liggen doordat zij zijn afgedekt door bijvoorbeeld mariene afzettingen of veen. Locaties waar (vroeger) langdurige bewoning heeft plaatsgevonden, zijn vaak goed waar te nemen aan de hand van duidelijke concen­ traties van zogenaamde archeologische indicatoren, zoals aardewerkfragmenten, botresten, houtskoolpartikels, verbrande leem en bewerkt natuursteen. Nederzettingsterreinen van geringe omvang of met een korte bewoningsperiode en andere vindplaatsentypen, zoals grafvelden en akkercomplexen, manifesteren zich doorgaans echter minder duidelijk. Het aantreffen van slechts enkele archeologische indicatoren in een boring kan derhalve een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Het verkennend booronderzoek had tot doel inzicht te krijgen in de landschappe­ lijke (geologische en bodemkundige) gesteldheid en opbouw van het plangebied: de ontstaansgeschiedenis van het Landschap. Het veldonderzoek is dan ook voornamelijk gericht geweest op het in kaart brengen van drie geologische/ landschappelijke eenheden: - het dekzandoppervlak (reliëf); - de strandwalafżettinqen; -de Unio-afzettingen.

Het booronderzoek vond handmatig plaats met behulp van Edelmanboren met een diameter van zeven centimeter (tot 1,2 m -Mv) en gutsboren met een diameter van drie centimeter (tot 3,0 m -Mv). Er is uitgegaan van een boorgrid bestaande uit parallelle raaien met een tussenliggende afstand van 50 meter. De boringen binnen elke raai zijn gezet op een onderlinge afstand van 50 meter. Ten opzichte van de boringen in de naastgelegen raai(en) verspringen de boringen telkens 25 meter. Op deze w’jze bedraagt de boordichtheid circa vier boringen per ha. Door middel van het booronderzoek is de diepteligging, dikte er stratigrafische positie van geologische/landschappelijke eenheden nauwkeurig bepaald. Daarbij is tevens bodemkundige informatie (o.a. aanwezigheid van bodemhorizonten in de top van het dekzand) en bijvoorbeeld de mate van antropogene verstoringen en/of natuurlijke bodemerosie in kaart gebracht. Daarnaast is gelet op het voorkomen van archeologische resten in de boringen. Teneinde meer zekerheid te krijgen over de aanwezigheid en verspreiding van

RAAP-rapport 764 ļ eindversie 24-01-2002

[12]

Plangebied EmmeLhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

R AA P

(een) archeologische indicator(en), zijn twee eenheden bemonsterd: de top van het dekzand en de top van de strandwalafzettingen. De monsters zijn genomen met een gutsboor met een diameter van drie centimeter (in het geval de bemonsterde laag dieper dan 1,2 m Mv is aangetroffen) en met een Edelmanboor met een diameter van zeven centimeter (in het geval de bemonsterde laag ondieper dan 1.2 m -Mv is aangetroffen). Het opgeboorde materiaal is nat gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 1,0 mm, waarna het zeefresidu (visueel) geïnspecteerd is op het voorkomen van archeologische indicatoren. Van iedere afzonderlijke vondstcategorie is het materiaal per residu (per boring) geteld en in een database ingevoerd teneinde een zo nauwkeurig mogelijk vondstverspreidingsbeeld te verkrijgen. Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn 744 boringen gezet tot maximaal 5,25 m -Mv (ca. 9,2 m -NAP). Dat de nummering van de boringen doorloopt tot 774, komt omdat op de boerderij- en huiskavels aan de Espelerweg geen boringen zijn verricht (30 boringen). De boringen zijn met behulp van meetlinten ingemeten aan de hand van topografisch elementen, zoals (tocht-)sloten en kavelscheidingeri; vervolgens zijn de boringen ingetekend op een kaart. Voor het bepalen van de maaiveldhoogten in het plangebied is gebruik gemaakt van de meetgegevens van gemeente Noordoostpolder (oktober 2001: ca.

één meting/ha). 3.2 Resultaten 3.2.1 Geologie en bodem Algemeen De resultaten van het veldonderzoek komen in grote lijnen overeen met de reeds bekende geologische en bodemkundige gegevens. Het (relatief) grote aantal boringen leidt ertoe dat aanmerkelijk meer detail aangebracht kan worden in de verbreiding en kenmerken van de verschillende geologische eenheden. Dit is van belang voor het opstellen van een gerichte en goed onderbouwde archeologische verwachtingskaart.

İHet plangebied bestaat in geologisch-landschappelijk opzicht uit twee delen. In het centrale en oostelijke deel van het plangebied is de bodemopbouw tamelijk homogeen. Van onder naar boven zijn de (geomorfogenetische) eenheden dekzand en veen (en/of detritus-gyttja) onderscheiden (figuur 2). Deze zijn afgedekt door de recentere Almere, Zuiderzee en IJsselmeer Afzettingen. In het (zuid)westelijke deel van het plangebied (kavels G76/77 en G78) wijkt de opbouw af, omdat hier Unioklei en strandwalafzettingen voorkomen in het pakket veen (en/of detritusgyttja). Dekzand De ondergrond in het plangebied wordt gevormd door de dekzandafzettingen uit het Laat Pleistoceen. In alle boringen (m.u.v. boring 123) is de top hiervan aan­ getroffen tussen 0,9 en 3,0 m -Mv (ca. 5,25 tot 7,50 m -NAP; zie kaartbijlage 1).

RAAP-rapport 764 ļ eindversie 24-01-2002

[13]

Plangebied Emmethage te Emmetoord, gemeente Noordoostpotder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

100

200

300

400

500

1:10.000 Emnc.gcolo git/Gd B2

Plangebied Emmelhage Gemeente Noordoostpotder Geomorfologische kaart

legenda geologische profieltypen

I

ĪZZZZ1 Unioklei op detritus-gyttja en/of veen op dekzand I

overige

o

I detritus-gytţja en/of veen op dekzand

| strandwal op (veen op) dekzand

A

boorpunt

A'

boorraai met raailetters grens plangebied

ĨZZZÄ Unioklei op strandwalafzettingen op (veen op) dekzand

RAAP

; Unioklei op dekzand Figuur 2: Geomorfologische kaart.

RAAP-rapport 764 ļ eindversie 24-01-2002

[14]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente NoordoostpoLder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

Het dekzandoppervlak vertoont een globale helling (ca. 0,5 m/km) van noordoost naar zuidwest. In het zuidwestelijke deel domineert een (relatief laaggelegen) stelsel van dalen/geuien in het dekzand. In het oostelijke deel (kavels G81, G82 en G83) valt een complex van hogere dekzandkoppen en -ruggen (in een relatief hoger gelegen omgeving) op. Het tussengeiegen gebied wordt gekarakteriseerd door kleinere, min of meer geïsoleerde dekzandkopjes in een lager gelegen (en nattere?) omgeving. Uit de overgang van de top het dekzand naar het erboven liggende pakket kan afgeleid worden of (de top van) het dekzand al dan niet geërodeerd is. Informatie over de gaafheid van het voormalige dekzandlandschap is een belangrijk land­ schappelijk gegeven dat nodig is voor het vervaardigen van de archeologische verwachtingskaart (zie hoofdstuk 5). In 28 boringen is (de top van) het dekzandoppervlak geërodeerd (kaartbijlage 1). Het gaat vooral om boringen in het zuidwestelijke deel van het plangebied. Tijdens het veldonderzoek is in de boringen 148, 180, 206, 207, 217, 222, 243 en 687 een kleilaag (of kleiige laag) aangetroffen op het dekzand. De klei is waarschijnlijk afgezet vanuit kleine beken die in de lage delen van het plangebied liepen. Het gehanteerde boorgrid (50x50 m) is echter te ruim om de loopt/lopen) van deze beken in kaart te kunnen brengen.

Een uitzonderlijke waarneming betreft boring 123, waarin het dekzand is aange­ troffen op 5,25 m Mv (9,2 m -NAP). In alle overige boringen in het plangebied ligt de top van het dekzand hoger dan circa 7,0 m -NAP. Het grote hoogteverschil in het dekzand-reliëf ter hoogte van boring 123 kan veroorzaakt zijn door bijvoor­ beeld (plaatselijke) erosie door een beekloop. Een andere mogelijkheid is dat het een zogenaamde pingo-ruïne betreft. Veen en detritus-gyttja Het dekzand is afgedekt door een pakket rietveen. De top van het veenpakket is in sommige gevallen veraard. In het grootste deel van het plangebied is de top van het veen echter geërodeerd door de jongere Flevomepr Afzettingen (detritusgyttja), vaak nerkenbaar aan de scherpe overgang tussen beide afzettingen. In het westelijke t deel worden het veenpakket en de detritus-gyttja-afzettingen van elkaar gescheiden door de Oude Getijde Afzettingen. Het gaat om zand- en klei­ lagen die geïnterpreteerd zijn als respectievelijk strandwalafzettingen en Unioklei. Strandwalafzettingen De strandwal is over een lengte van één km in het westelijke deel van het plangebied in kaart gebracht (figuur 2 en kaartbijlage 2). De breedte bedraagt ongeveer 400 meter. Plaatselijk is de (top van de) strandwal al aangetroffen op 30 cm -Mv (vanaf de bouwvoor).

De totale dikte van de strandwalafzettingen varieert van enkele centimeters tot meer dan twee meter (figuur 3). De strandwal bestaat uit kleiarm, matig grof zand. Duidelijke sporen van bodemvorming zijn niet aangetroffen. Wel zijn op verschillende diepten in de strandwal kleiige en humeuze (tot venige) lagen aangetroffen. Dit wijst er op dat de strandwal niet

RAAP-rapport 764 J eindversie 24-01-2002

[15]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

A

A’

Afstand tot nulpunt în meters

IXÌ bouwvoor

1

H veen en detritus-gyttja

^ kîei ŕa-ŵi zand

1 dekzar.d

f 8

B-horizcnt

ļļ

licht humeus

*

spikkel houtskool

c~

C-horizont

hh

sterK hjmejs

II

voorkomen archeologisch materiaal

ktl kleibrokken

0Oc veel hout

ITľľl Uniokîei

Ą k'ei’ooçijes

(ļ)

1

M

1

ļ straridwala'zettíngen

1 Almere, Zuiderzee en Ijsselmeer Afzettingen

roestvlekken

w| verslagen veen

A

Figuur 3: Profiel van boorraai A-A'.

RAAP-rapport 764 Į eindversie 24-01-2002

[16]

zanďaogjes

plantenresten

^ sche'pen

Plangebied Emmelhage te Emmetoord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

in één keer, maar in meer fasen is ontstaan. De humeuze lagen zijn zeer waarscnijnlijk tijdens de tussenliggende stilstandsfasen ontstaan. Opvallend is dat het (geschematiseerde) profiel van de strandwal van Zandwerven (Noord-Holland) een sterk vergelijkbare opbouw laat zien (inclusief de 'humeuze vegetatielagen'; Pons 81 Wiggers, 1959: 142 S figuur 20). De basis van de strandwal rust in de meeste gevallen op het veen. In de boringen 91, 162, 196 en 229 ontbreekt de veenlaag en ligt het strandwalzand direct op het pleistocene zand. Tegen de verwachting in blijkt het bodemprofiel (in de top van het dekzand) nog grotendeels intact (boring 229). Unioklei De Unioklei is uitsluitend aangetroffen in het zuid westelijke deel van het plangebied (figuur 4). De top van de afzettingen is aangetroffen vanaf 35 cm -Mv (ca. 4,4 m -NAP) en bestaat in het algemeen uit sterk humeuze (soms venige), bruingrijze klei. Kenmerkend voor de Uniokleien in het plangebied is dat het in het algemeen slappe sedimenten betreft: aanwijzingen voor de aanwezigheid van compacte en/of gerijpte lagen zijn in de boringen niet aangetroffen. In enkele boringen (daar waar een dun pakket Unioklei op de strandwal uitwigt) is de Unioklei mogelijk iets gerijpt. Hier zijn tevens houtresten in de klei aangetroffen.

De dikte van het pakket Unio-afzettingen varieert van minder dan tien cm (direct op de strandwal) tot ongeveer 1,5 m in het uiterste zuidwesten (figuur 4). Doorbraak in strandwal door Unioklei De vorming van de strandwal verliep zeer waarschijnlijk (grotendeels) gelijktijdig met de afzetting van de Unioklei. De Unioklei ligt direct op de strandwal. Ter hoogte van boring 149 ligt de top van de strandwal iets lager. De laagte kan oorspronkelijk reeds in de strandwal aanwezig zijn geweest of het gevolg zijn van erosie die optrad bij sedimentatie van de Unio-afzettingen. Duidelijk zichtbaar is dat de Unio-afzettingen via de opening in de strandwal in een smalle zone achter de strandwal zijn gesedimenteerd (vergelijk figuur 4 en kaartbijlage 2). A lm ere, Zuiderzee en IJsselmeer Afzettingen Deze afzettingen vormen de top van het bodemprofiel en liggen op de Flėvomeer Afzettingen (in het centrale en oostelijke deel) of direct op de strandwal- en/of Unio-afzettingen (in het westelijke deel). De totale dikte van het pakket varieert van ongeveer 50 cm tot één meter. De Al.mere Afzettingen bestaan overwegend uit licht kleiig zand, de Zuiderzee Afzettingen uit enigszins humeuze, zandige klei. In beide komen schelpfragmenten voor. De IJsselmeer Afzettingen zijn opgenomen in de bouwvoor en derhalve niet herkenbaar. 3.2.2 Archeologie

In een groot aantal boringen zijn vondsten gedaan (zowel waarnemingen in het veld als in de zeefresiduen). Het betreft hoofdzakelijk houtskool dat is aangetroffen in de top van het dekzand en de strandwal (kaartbijlagen 1 Ã 2). In de boringen

RAAP-rapport 764 ļ eindversie 24-01-2002

[17]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

I177500

Plangebied Emmelhage Gemeente Noordoostpolder Dikte en verbreiding Unioklei legenda boringen

O

boring

111

boomummer

dikte Unioklei in cm

dikker dan 140 130 tot 140 120 tot 130 110 tot 120 100 tot 110 90 tot 100 80 tot 90 70 tot 80 60 tot 70 50 tot 60 40 tot 50 30 tot 40 20 tot 30 dunner dan 20 | niet aa nwezig

I

overig —- grens plangebied A

— —» 1

1:5.000

Figuur 4: Dikte en verbreiding Unioklei.

RAAP-rapport 764 ļ eindversie 24-01-2002

[18]

A*

boorraai met raailetters 1 niet onderzocht

Plangebied EmmeLhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

240, 251 en 471 zijn (in de top van het dekzand) kleine fragmentjes onverbrand (vissen-) bot aangetroffen. Van ae (top van de) strandwal is een fragment onver­ brand bot (vissentand) afkomstig (boring 164). Dat hoofdzakelijk houtskool is aangetroffen, is niet zo heel vreemd omdat houts­ kool de meest voorkomende en verbreide archeologische indicator is; door het geringe gewicht wordt het makkelijk verspreid via water en/of wind. Daarnaast hangt het samen met allerlei activiteiten direct buiten de eigenlijke nederzettingen. Niettemin kan niet aan elk houtskool-deeltje een archeologische betekenis worden toegedicht: houtskool kan behalve een antropogene namelijk ook een natuurlijke oorsprong hebben (ten gevolge van bosbrand, bliksem-inslag en dergelijke).

RAAP-rapport 764 I eindversie 24-01-2002

[19]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

4 De archeologische verwachtingskaart 4.1 Methoden Het uiteindelijke doel van het onderzoek is een archeologisch verwachtingskaart van het plangebied. De archeologische verwachting is gedefinieerd als de kans op het voorkomen van archeologische vindplaatsen. Een verwachtingskaart is derhalve een kaart waarop de verwachte dichtheid aan archeologische resten is weergegeven door middel van vlakken en zones. Gegevens met betrekking tot verstoringen van de bodem zijn eveneens opgenomen, voor zover deze relevant zijn voor mogelijk aanwezige vindplaatsen. De kaart is gebaseerd op het principe dat archeologische waarden niet willekeurig over een gebied verspreid zijn, maar gerelateerd zijn aan bepaalde (voormalige) landschappelijke elementen. De archeologische verwachting wordt daarom in sterke mate bepaald door de geo(morfo)logische kenmerken van het plangebied. Behalve naar deze landschappelijke kenmerken is eveneens gekeken naar het voorkomen van archeologische resten in het plangebied. Naast de resultaten van het veldonder­ zoek worden gegevens van reeds bekende vindplaatsen uit vergelijkbare gebieden gebruikt voor het opstellen van een verwachtingsmodel. Hierdoor is het mogelijk een onderbouwde archeologische verwachting toe te kennen aan verschillende delen van het plangebied.

In eerste instantie wordt de archeologische verwachting opgesteld voor de afzonderlijke geo(morfo)logische eenheden (dekzand, Unio- en strandwalafzettingen). De archeologische verwachtingen per geo(morfo)logische eenheid worden vervolgens gecombineerd tot. één archeologische verwachting. De archeologische verwachting is weergegeven in zones, waarbij is uitgegaan van een driedeling in hoog, middelhoog en laag. Hoe hoger ae verwachting, des te hoger de verwachte dichtheid aan archeologische vindplaatsen in de desbetreffende zone. Uit het plangebied zijn geen archeologische vindplaatsen bekend. De archeologi­ sche verwachtingskaart is daarom gebaseerd op de resultaten van het verkennend booronderzoek en de algemene kennis over de ligging en verspreiding van bekende archeologische vindplaatsen in Flevoland. In dit geval kan gesproken worden van een kaart die gebaseerd is op 'expert judgement'. Een dergelijke methode is al vaker toegepast tijdens vergelijkbaar archeologisch onderzoek in Zuidelijk Flevoland (o.a. Muller S Raemaekers, 2001; Raemaekers, 19993/b).

Grondwatercurve Op grond van de hoogteligging van (de top van) het dekzand kan een globale datering verkregen worden van het tijdstip waarop delen van het landschap met

RAAP-rapport 764 Į eindversie 24-01-2002

[20]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

kmmä

een bepaalde hoogteligging beūekt werden door veen- en meerafzettingen. Deze methode is onder meer toegepast bij de opgraving van de A27-Hoge Vaart, voor ae verwachtingskaarten van verschillende plangebieden in de gemeente Almere en voor een landschapskartering nabij Kuinre (De Boer, 2000; Hogestijn e.a., 1995; Raemaekers, 1999a). Hiervoor zijn de gegevens van de relatieve grondwaterpiegelstijgingscurve (Gotjé, 1993: 79) gebruikt. Omdat de curve is opgesteld voor de Noordoostpolder (omgeving van Schokland), is deze zonder verdere aanpassingen gebruikt voor onderhavig onderzoek. Met behulp van deze gegevens is het mogelijk de minimale ouderdom te bepalen van mogelijke archeologische vindplaatsen voor een gegeven diepteligging. Omgekeerd kan voor verschillende tijdstippen bepaald worden op welke hoogte de grondwaterstand zich destijds (bij benadering) bevond.

4.2 Resultaten 4.2.1 Het dekzandlandschap Algemeen Het dekzandoppervlak vertoont in het plangebied een globale helling (ca. 0,5 m/km) van noordoost naar zuidwest. Naast deze algemene trend is de aanwezigheid van relatief smalle dekzandruggen Kenmerkend voor het dekzandoppervlak. De stijgende zeespiegel in het Holoceen heeft een stijging van het grondwater tot gevolg gehad. Onder invloed hiervan is veengroei op het dekzand opgetreden. Met behulp van de grondwatercurve (Gotjé, 1993) zijn voor delen van het dekzandoppervlak met een bepaalde hoogte igging de bijbehorende verdrinkingstijdstippen berekend (tabel 2). In de laagste delen van het plangebied (lager dan 7,5 m -NAP; zie kaartbijlage 1) begon de veengroei rond 5200 voor Chr. De stijging van de grond­ waterspiegel verliep tamelijk geleidelijk: ongeveer 20 cm per eeuw. Rond 3700 voor Chr. zijn uiteindelijk ook de hoogste delen van het laat-pleistocene landschap (in het oostelijKe deel van het plangebied) verdronken (5,0 m -NAP; zie kaartbijlage 1). In het plangebied kunnen derhalve op het dekzand bewoningssporen uit het Laat Paleolithicum, Mesolithicum, Vroeg en Midden Neolithicum aanwezig zijn. diepte (cm -HAP) 450 500 600 700 750

, tü^stip (járen voor Chr.) 3400

„

verdrinkingstijdstippen.

3700 4300 4800 5200

Locatiekeuze Voor het opstellen van een verwachtingsmodel is het een eerste vereiste inzicht te hebben in de factoren die bepalend zijn geweest voor de keuze van een woon­ locatie. Een belangrijk kenmerk van de culturen in de Steentijd is dat de mens zich voornamelijk in leven hield door middel van jacht en het verzamelen van voedsel. Een structurele vorm van landbouw ontbreeict. Deze zogenaamde 'jagers-verzamelaars'

RAAP-rapport 764 ļ eindversie 24-01-2002

Tabel 2: Bekende

[21]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

trokken door het landschap en verbleven alleen tijdelijk (dagen, weken) op een verblijfplaats (Arts, 1988). Daarbij kan onderscheid worden gemaakt in basiskampen en extractie kam pen. Bij een ruimtelijke analyse van het dekzandlandschap blijkt dat de ligging van beide typen kampen zeer sterk aan landschappelijke eenheden is gebonden. In vrijwel alle gevallen zijn de archeologische vindplaatsen te vinden op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntsituaties). Dit verband is sterker naarmate deze gradiënt markante1- is: de meeste archeologische vind­ plaatsen uit deze periode zijn te vinden op hoge opduikingen tegen natte laagten. Basisnederzettingen liggen daarbij in het algemeen op de grotere landschappelijke opduikingen, terwijl de extractie kam pen tevens op zeer kleine opduikingen kunnen voorkomen. Een verklaring voor deze sterke relatie moet worden gezocht in de volgende factoren: 1. landschappelijke gradiënten worden gekenmerkt door het op korte afstand van elkaar voorkomen van een grote verscheidenheid aan vegetatie-typen. Dit brengt voor jagers-verzamelaars met zich mee dat op dergelijke locaties een grote verscheidenheid aan voedselbronnen (plarten en dieren) op korte afstand voorhanden is; 2. de beekdalen vormen de belangrijkste transportroutes in het door bossen gedomineerde landschap; 3.

langs eroderende oevers van beken kunnen vuursteenhoudende moreneafzettingen aan de oppervlakte liggen. In een begroeid dekzandlandschap kan een dergelijke ontsluiting als een belangrijke bron van vuursteen dienen. In plaats van het hanteren van de verschillende archeologische perioden (Paleo-, Meso- en Neolithicum) wordt in onderhavig rapport bewust gebruik gemaakt van het begrip jagers-verzamelaars. Hoewel de scheiding tussen Mesolithicum en Neolithicum (circa 5.000 voor Chr.) gebaseerd is op de introductie van aardewerk ir West-Nederland, betekent dit niet dat de mensen van de ene dag op de andere van een jagers-verzamelaarsDestaan overgingen op landbouw. Het is zelfs waarschijn­ lijk dat in het plargebied tot ver in het Neolithicum voornamelijk samenlevingen voorkwamen die leefden van jacht en het verzamelen van voedsel (o.a. Zeiler, 1997). Bovendien is het waarschijnlijk dat sprake was van een langdurige periode waarin beide voedselvoorzieningssystemen naast elkaar en gecombineerd voorkwamen. De locatiekeuze-factoren voor jagers-verzamelaars zijn dus behalve voor het Paleolithicum en Mesolithicum voor het plangebied in hoge mate ook van toepassing voor het Neolithicum. .

Factoren De factoren waarop de archeologische verwachting voor het dekzandoppervlak gebaseerd is, zijn de mate van erosie van het dekzandoppervlak, de nabijheid van gradiënten en de aangetroffen archeologische indicatoren. Onafhankelijk van bovenstaande drie factoren is aan enkele hoger gelegen (en relatief grote) dekzandruggen in het oosten van het plangebied een hoge archeologische ver­ wachting toegekend. Het uitgangspunt hierbij is het mogelijk voorkomen van basiskampen van jagers/verzamelaars.

RAAP-rapport 764 ļ eindversie 24-01-2002

[22]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente N oordo os tp older; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

Mate van erosie Aar delen van het plangebied waar de top van het dekzand geërodeerd is, is een lage archeologische verwachting toegekend. In deze zones women beide overige factoren (aanwezigheid van archeologische indicatoren en gradiënt) niet meer betrokken. Gradiënten In gebieden die geleidelijk steeds natter werden (en zoals het plangebied uitein­ delijk verdronken), is niet zozeer de (absolute) hoogteligging, maar zijn eerder de hoogteverschillen op relatief kleine afstand van belang. De achterliggende gedachte is dat op elk tijdstip (tot ca. 3700 voor Chr. toen de hoogste delen van het dekzandoppervlak eveneens verdronken) gradiëntzones in het landschap te vinden zijn geweest. Met de stijgende grondwaterspiegel (en veenontwikkeling) 'verschoven' de gradiënten naar de hoger gelegen delen (in het plangebied van west naar oost). Ter illustratie: de dekzandkop ter hoogte van boring 72 (ca. 6,5 m - NAP; zie kaartbijlage 1) vormde vermoedelijk rond 450C voor Chr. een gradiëntzone. Globaal 400 jaar later (4100 voor Chr.) waren de lichtoranje gebiedsdelen op kaartbijlage 1 (5,75 m -NAP) verdronken en vormde de dekzandkop ter hoogte van boring 601 een gradiëntzone. De gradiënten zijn berekend aan de hand van de lokale hoogteverschillen van het dekzandoppervlak. De gradiëntkaart die op deze wijze is verkregen, geeft in feite de (lokale) hellingen weer.

Hierbij is van belang dat des te groter de lokale hoogteverschillen zijn (en dus hoe steiler de helling is), des te langer heeft de desbetreffende dekzandkop (of-rug) een gradiënt gevormd. Naar verwachting is in deze zones de kans op het voorkomen van archeologische resten het grootst. Uit de classificatie van ae hellingen in het plangebied blijkt dat deze een zoge­ naamde normaal-verdeling benadert. Er is gekozen om de grens tussen een hoge dan wel lage archeologische verwachting (geũaseerd op de gradiënt) zo te leggen dat 507o van het oppervlak een grotere helling heeft. Op deze wijze is het opper­ vlak van het plangebied verdeeld in 507o hoge archeologische verwachting en 507u lage archeologische verwachting op grond van de (lokale) gradiënt in het dekzandoppervlak.

Aanwezigheid van archeologische indicatoren Aan de zones rond de boringen met archeologische indicatoren is (onafhankelijk van de hoeveelheid aangetroffen indicatoren) een hoge archeologische verwachting toegekend. Deze hoge archeologische verwachting op grond van de aanwezigheid van archeologische indicatoren geldt voor een cirkel met een diameter van ruwweg 25 m rondom de boring waarin zij zijn aangetroffen. Door de drie bovengenoemde factoren te combineren is de uiteindelijke archeo­ logische verwachtingskaart voor het dekzandoppervlak vervaardigd (tabel 3).

RAAP-rapport 764 f eindversie 24-01-2002

[23]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

wel archeologische indicatoren aangetroffen heltin gklasse »50oZo hoge archeologische verwachting hellingklasse «500Zo middelhoge archeologische verwachting erosie lage archeologische verwachting

RAAP

geen archeologische indicatoren aangetroffen middelhoge archeologische verwachting lage archeologische verwachting lage archeologische verwachting

4.2.2 De Strandwal De strandwal is ontstaan tijdens de vorming van het binnenmeer, waarbij de Unioklei is afgezet (Ş 2.2). Uitgaande van de grondwatercurve is berekend dat de hoogste delen van de strandwal (4,5 m -NAP; zie kaartbijlage 2) rond 3400 voor Chr. zijn verdronken. Op de strandwal kunnen derhalve archeologische resten aanwezig zijn uit het Midden Neolithicum. Uit de hoogteligging blijkt eveneens dat terwijl het omringende dekzandoppervlak al verdronken was, de strandwal nog een (bewoonbare) hoogte vormde: een gradiëntzone bij uitstek. Hierdoor was het zeer waarschijnlijk een gunstige woonlocatie in het natte veenlandschap. Voor de gehele strandwal geldt derhalve een hoge archeologische verwachting. Plaatselijk zijn archeologische indicatoren aangetroffen in de top van de strandwal (ŝ 3.2.2). Uit opgravingen op de strandwal van Zandwerven (Noord-Holland) blijkt dat ook (juist) op enige diepte onder de top van de strandwal archeologische cultuurlagen aanwezig zijn (Soonius, 1994). Dezelfde constatering is ook gedaan bij archeologisch onderzoek op een strandwal nabij Schipluiden in Zuid-HoLland (Deunhouwer, 2001 S 2002).

4.2.3 De Unio-afzettinqen In de boringen zijn geen archeologische resten aangetroffen in de Unio-afzettingen. De afzettingen zijn bovendien slecht ontwikkeld (ongerijpt en slap) en bestaan uit humeuze (soms tot venige), grotendeels ongerijpte, zware siltige klei. Dergelijke afzettingen worden in het algemeen ongeschikt geacht voor (prehistorische) bewoning. Voor de Unio-afzettingen geldt derhalve een lage archeologische verwachting.

RAAP-rapport 764 f eindversie 24-01-2002

[24]

Tabel 3î Weging van factoren voor de archeO' logische verwachting voor het dekzandoppervlak.

Plangebied Emmelhage te Emmetoord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

R AA P

5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Conclusies Het verkennend archeologisch onderzoek in het plangebied Emmelhage (gemeente Noordoostpolder) kon in grote lijnen worden uitgevoerd zoals gepland was. Tijdens het verkennend booronderzoek zijn drie geomorfologische eenheden in kaart gebracht: - het laat-pleistocene dekzandoppervlak; -de strandwalafzettingen; -de Unio-afzettingen. Op basis van erosieverschijnselen, het voorkomen van archeologische indicatoren en de hoogte ligging alsmede het lokale reliëf (gradiënt) in/van het dekzandopper­ vlak is een verwachtingsmodel opgesteld voor deze geomorfologische eenheid. Op basis van deze factoren is aan het dekzandoppervlak een hoge, middelhoge of lage archeologische verwachting toegekend. Op basis van de structuur van de Unioklei in het plangebied is de archeologische verwachting voor deze geomorfo­ logische eenheid laag. Aan de strandwalafzettingen is een hoqe archeologische verwachting toegekend. De archeologische verwachtingen per geo(morfo)logische eenheid zijn op de archeo­ logische verwachtingskaart gecombineerd tot één archeologische verwachťng. De archeologische verwachting is weergegeven in zones met een hoge, middelhoge of lage archeologische verwachting.

5.2 Aanbevelingen Het algemene rijks- en provinciaal beleid is voor een belangrijk deel gericht op het behoud van archeologische waarden (zie bijlage 1). Derhalve wordt aanbevolen om de top van de strandwalafzettingen en het dekzandoppervlak zoveel mogelijk te ontzien tijdens bodemwerkzaamheden en -ingrepen die zeer waarschijnlijk met de woningbouw en verdere inrichting van het plangebied gepaard zullen gaan. Concreet betekent dit dat aanbevolen wordt om te onderzoeken of de inrichtings­ plannen op zodanige wijze kunnen worden aangepast dat bodemingrepen tot in of net boven de top van de strandwal en/of het dekzandoppervlak zoveel mogelijk vermeden worden.

RAAP-rapport 764 ļ eindversie 24-01-2002

[25]

Plangebied Emmelhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

Zones met een hoge archeologische verwachting (kaartbijlage 3: oranje eenheden) In zones met een hoge archeologische verwachting wordt de hoogste dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht. In deze zones dienen ingrepen die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische waarden leiden zoveel mogelijk voorkomen te worden. Aanbevolen wordt om in een zo vroeg mogelijke fase van de planvorming (na vaststelling van het definitieve inrichtingsplan) in de desbetreffende zones een karterend archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit bestaat uit een booronderzoek waarbij een grotere boordichtheid (meer boringen per ha) en een grotere boordiameter toegepast worden. Het karterend onderzoek heeft tot doel vast te stellen waar in de zones met een hoge archeologische verwachting daadwerkelijk archeologische vindplaatsen aanwezig zijn.. Zones met een middelhoge archeologische verwachting (kaartbijlage 3: gele eenheden) In zones met een middelhoge archeologische verwachting worden archeologische vindplaatsen verwacht, maar met een iets lagere dichtheid dan in de zones met een hoge archeologische verwachting. Bij de planuitvoering dient rekening te worden gehouden met de (verwachte) aanwezige archeologische waarden.

Gezien de (verwachte) lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen en het grote oppervlak van de zone met een middelhoge archeologische verv/achting wordt een vlakdekkend karterend archeologisch onderzoek in deze zone niet haalbaar geacht. Derhalve wordt aanbevolen om, indien tijdens het karterend vervolgonder­ zoek van de zones met een hoge archeologische verwachting (oranje eenheden) daadwerkelijk archeologische vindplaatsen worden aangetroffen, in de aangrenzende delen met een middelhoge verwachting in een straal van 50 m rondom de vind­ plaatsen eveneens een karterend vervolgonderzoek uit te voeren. Tevens is het raadzaam om aan de zones met een middelhoge archeologische verwachting (waar geen karterend vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden) in het bestemmingsplan een stelsel van aanlegvergunningen op te nemen met het oog op toekomstige bodemingrepen. Zones met een lage archeologische verwachting (kaartbijlage 3: groene eenheden) In zones met een lage archeologische verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische vindplaatsen klein tot zeer klein. Normaliter kunnen geplande ingrepen in deze zone zonder beperkingen (tenminste voor zover het de archeo­ logische waarden betreft) worden uitgevoerd. Ten aanzien van het vervolgtraject in het plangebied Emmelhage wordt aanbevolen te overleggen met de provinciaal archeoloog (dhr. A.A. Kerkhoven: zie bijlage 1).

RAAP-rapport 764 Į eindversie 24-01-2002

[26]

Plangebied EmmeLhage te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder; een verkennend archeologisch onderzoek

RAAP

Literatuur Anscher, T.J. ten, 8t E.F. Gehasse, 1993. Neolithische en Vroege Bronstijdbewoning langs de benedenloop van Overijsselse Vecht. In: J.H.F. Bloemers, W. Groenman-Van Waateringe 81 H.A. Heidinga (red.); Voeten in de aarde: een kennismaking met de moderne Nederlandse archeologie. Amsterdam University Press, Amsterdam. Arts, N., 1988. Mesolithische jagers, vissers en voedselverzamelaars in noordoost België en zuidoost Nederland. De prehistorische mens in Limburg: 27-85. Boer, G.H. de, 2000. De burchten van Kuinre, gemeente Noordoostpolder; een landschapskartering. RAAP-rapport 562. Stichting RAAP, Amsterdam. Deckers, P.H., J.P. de Roever 8t J.D. van der Waals, 1980. Jagers, vissers en boeren in een prehistorisch getijdengebied bij Swifterbant. Z.W.O.jaarboek 1980: 111-145. Deunhouwer, P., 2001. Afvalwaterzuiveringsinstallatie Harnaschpolder, gemeente Schipluiden; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie. RAAPrapport 682. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Deunhouwer, P., 2002. De neolithische vindplaats op de strandwal van Noordhoorn, Harnaschpolder, gemeente Schipluiden; een Aanvullend Archeologisch Onderzoek. RAAP-rapport 771. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Ente, P.J., 1971. Sedimentary geology of Holocene in the Lake IJssel region. Geologie en Mijnbouw 50: 373-382. Ente, P.J., 1976.

The geology of the northern part of Flevoland in relation to the human occupation in atlantic time. Helinium 16: 13-33. Gehasse, E.F., 1995. Ecologisch-archeologisch onderzoek van het Neolithicum en de Vroeg Bronstijd in de Noordoostpolder met de nadruk op vindplaats P14. Dissertatie UvA, Amsterdam. Gotjé, W., 1993. De holocene laagveenontwikkeling in de randzone van de Nederlandse kustvlakte (Noordoostpolder). Dissertatie VU, Amsterdam. Heiden, F.J.G. van oer, 2001. Gemeente Noordoostpolder, Aanvullend archeolo­ gisch onderzoek Vindplaats Rijksweg A6 - kavel J97. ADC-rapport 69. ADC, Bunschoten. Hogestijn, W.J., H. Peeters, W. Schnittger S E. Bulten, 1995. Bewoningsresten uit het laat-mesolithicum/vroeg-neolithicum bij Almere (prov. FL): verslag van de eerste resultaten van de opgraving "A?7-Hoge Vaart". Archeologie 6: 66-89. Kerkhoven, A.A., 2000. De visweren van Emmeloord; een tussentijdse verslag­ legging. Agrarisch Flevoland: Een 20e eeuws landschap door de Staat gepland. Cultuur historisch jaarboek Flevoland. Stichting Uitgeverij de Twaalfde Provincie. RAAP-rapport 764 f eindversie 24-01-2002

[27]

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1940/documents/31539