CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

7.1 Bestemmingsplan Emmeloord - Emmelhage fase 3_split_4.pdf

Gemeenteraad 19 september 2022, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 14: Bestemmingsplan Emmeloord, Emmelhage - fase 326.469 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel - zonder vergunning - niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming.

4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): ^ lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; ^ lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; ^ lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; ^ lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; ^ lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); ^ lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; ^ lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; ^ lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; ^ lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; ^ lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: » onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; » onderdeel b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

7

^

onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.

4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN^Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel

8

Hoofdstuk 5

Gebiedsbescherming

5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura 2000) en het Natuurnetwerk Nederland.

5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een 'goede ruimtelijke ordening' als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vastgelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.

Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het 'nee, tenzij'-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Noord-Holland. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt.

Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op 1,6 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

9

1,6 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot het NNN behoren.

A-----Emmelhage

Muntweg

M

N351

De Erven

Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De globale ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren, worden met de lichtrgroene kleur aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Beschermingsregime Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden.

Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: ^ de leefgebieden van vogels; ^ de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere 10

plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Als gevolg van het opschorten van de PAS-systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOX/NH3 op Natura 2000-gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning. Per 1-1-2020 is de Spoedwet stikstof van kracht. Het doel van deze tijdelijke wet is om projecten op het gebied van woningbouw, infrastructuur en landbouw door te laten gaan. Projecten worden daartoe van 'dringend openbaar belang' verklaard.

Ligging van het plangebied t.o.v. Natura 2000 Het plangebied ligt op 9,4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied IJsselmeer. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. Oic

Skoattersyl

Ossc

Runen

9,4 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren.

Kuinre

Blankenham

Luttelgeest

Blol

Espel Emmetoord

Marknesse

Tollebeek

Urk

Kraggenburg

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied (bron pdok.nl).

Stikstofgevoelige habitattypen Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie. Zo bestaat het Natura 2000-gebied IJsselmeer niet uit stikstofgevoelige habitattypen, maar bestaat Natura 2000-gebied Weerribben voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Dit gebied ligt echter op 12,67 kilometer afstand.

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten

De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie.

11

Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied IJsselmeer is een negatief effect uitgesloten. Beoordeling Stikstof

Ten behoeve van de totale ontwikkeling van de nieuwbouwlocatie, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van sloop- en/of bouwmaterialen, materieel en personeel. Gelet op de ligging van het plangebied, op 12,67 kilometer afstand Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Deze conclusie wordt getrokken op basis van ervaring met stikstofberekeningen voor soortgelijke projecten, zowel qua omvang, als afstand tussen plangebied en stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied.

Wettelijke consequenties Voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied en leidt mogelijk daarom tot wettelijke consequenties.

5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Flevoland. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging ten opzichte van Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties te kunnen vaststellen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.

12

Hoofdstuk 6

Soortenbescherming

6.1 Verwachting en bureauonderzoek Uit de bureaustudie (bronnenonderzoek) zijn geen veldbiologische gegevens naar voren gekomen die bruikbaar zijn voor deze studie. Het plangebied bestaat uit intensief beheerd agrarische cultuurgrond en een kavelgrenssloot met oever. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: ^ vogels; ^ vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën;

Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.

6.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 5 maart 2021 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog; ^ aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); ^ NDFF Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. ^ Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; ^ Atlas van de zoogdieren van Nederland; ^ Nieuwe atlas van de Nederlandse flora;

Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Sommige vogels vertonen in deze tijd van het jaar territorium-indicerend gedrag (zingen/balts), en sommige vogelsoorten hebben al een bezet nest (o.a. nijlgans, grauwe gans, kievit, bosuil, houtduif) of uitgevlogen jongen (bosuil). De meeste zomergasten houden zich in deze tijd van het jaar nog op in de overwinteringsgebieden. Standvogels, zoals steenuil en huismus bevinden zich meestal nog wel in de directe omgeving van de nestplaats.

13

In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.

Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. De meeste grondgebonden diersoorten hebben nog geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. Veel grondgebonden zoogdieren benutten de voortplantingsplaats ook als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen.

Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat de meeste vleermuizen in deze tijd van het jaar de winterverblijfplaats bezetten. Sommige vleermuissoorten bezetten de winterverblijfplaats op enige afstand ^100km) van de zomerverblijfplaats, maar er zijn ook soorten die de zomerverblijfplaats bezetten in de wintermaanden dat er geen sprake van streng winterweer. Sommige vleermuizen in winterrust zitten diep weggekropen in gebouwen of bomen, maar er zijn ook vleermuizen die open en bloot aan de binnenzijde van gebouwen hangen, zoals op tochtvrije zolders. Gewone dwergvleermuizen zijn al wel actief in deze periode van het jaar. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied.

Amfibieën De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. De meeste amfibieën bezetten nog de winterrustplaats in deze tijd van het jaar en zitten dan weggekropen in de sliblaag van open water of diep weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen, maar er zijn ook soorten die de winterrustplaats al verlaten hebben en de voortplantingswateren beginnen op te zoeken, zoals gewone pad, kleine watersalamander en kamsalamander. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken.

Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten sommige vogels er een nestplaats. Vogels kunnen 14

nestelen op de akker (kievit, gele kwikstaart) of in de ruigte in en langs de sloot (bosrietzanger, kleine karekiet, wilde eend). De geschiktheid van het plangebied als broedplaats voor vogels hangt sterk af van het gevoerde beheer. In een sloot zonder hoge, ruige vegetatie zullen vermoedelijk geen vogels gaan nestelen en de geschiktheid van het agrarisch cultuurland als broedplaats wordt sterk bepaald door het type gewas tijdens de broedtijd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Als gevolg van het beschadigen/vernielen van bezette vogelnesten, worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels verwond of gedood. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb:

-

Agrarisch cultuurland bouwrijp maken; Kavelgrenssloot dempen/vergraven; Bebouwen en verharden plangebied;

Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat grondgebonden zoogdieren een vaste rust- en/of voortplantingslocatie bezetten in het plangebied, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als veldmuis, haas en vos. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet de veldmuis er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soort kan een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond langs de slootkant en in het agrarische cultuurland. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en/of vernield. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren aangetast. Kleine marterachtigen

Het plangebied bestaat grotendeels uit ongeschikte habitat voor kleine marterachtigen, zoals wezel en hermelijn. In de Nationale databank flora en fauna zijn geen waarnemingen van voorgenoemde soorten opgenomen. Langs de kavelgrenssloot ligt een smalle strook gras. In theorie, kunnen deze grasstroken benut worden door kleine marterachtigen. Zij kunnen de stroken benutten als foerageergebied, en mogelijk zelfs als vaste rust- en voortplantingsplaats, al is dat niet aannemelijk, gelet op de voorkeuren van beide soorten voor andere ecotopen om hun verblijfplaats in te bezetten. Omdat de aanwezigheid van een vaste rust- en voortplantingsplaats niet op voorhand uitgesloten kan worden, worden deze mogelijk beschadigd en vernield als gevolg van grondverzet. Ook worden mogelijk dieren gedood tijdens dit werk.

15

Kavelgrenssloot in het plangebied; potentieel leefgebied voor kleine marterachtigen als wezel en hermelijn. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: Agrarisch cultuurland bouwrijp maken;

-

Kavelgrenssloot dempen/vergraven; Bebouwen en verharden plangebied;

Vleermuizen Verblijfplaatsen

Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Potentiële verblijfplaats van vleermuizen ontbreken in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: Geen; Essentieel foerageergebied

Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten langs de slootkanten en vliegen ze over het plangebied, terwijl ze foerageren rond beplanting die net buiten het plangebied staat. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb:

-

Geen;

Essentiële vliegroute

Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt

16

gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: Geen;

Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen in het plangebied. Het agrarisch cultuurland wordt als een ongeschikte habitat voor amfibieën beschouwd, maar de kavelgrenssloot een de oever worden als een geschikte habitat voor sommige amfibieënsoorten beschouwd. Soorten als bastaardkikker, kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker en mogelijk rugstreeppad benutten de kavelgrenssloot vermoedelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Of de kavelgrenssloot ook benut wordt als voortplantingsbiotoop is sterk afhankelijk van de beschikbaarheid van open water tijdens de voortplantingsperiode. Indien er water in de kavelgrenssloot staat tijdens de voortplantingsperiode, is het mogelijk dat voorgenoemde soorten de kavelgrenssloot benutten als voortplantingsbiotoop (inclusief rugstreeppad). Gelet op de aard van het plangebied en de ligging in agrarisch cultuurlandschap, is de betekenis van het plangebied als functioneel leefgebied voor amfibieën vrij gering. De kavelgrenssloot wordt niet als 'optimaal voortplantingsbiotoop' van de rugstreeppad beschouwd, maar op basis van het uitgevoerde onderzoek kan de functie van de kavelgrenssloot als functioneel leefgebied (incl. voortplantingsbiotoop) van de rugstreeppad niet uitgesloten worden.

Door het dempen/vergraven van de kavelgrenssloot worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield. Afhankelijk van de functie van de sloot en de periode van het jaar waarin de kavelgrenssloot gedempt of vergraven wordt, kunnen ook amfibieëneieren beschadigd en vernield worden en kunnen larven verwond en gedood worden. Omdat aan de oostzijde van het plangebied een nieuwe sloot gegraven wordt, blijft de functie van het plangebied als functioneel leefgebied voor amfibieën behouden. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb:

-

Dempen kavelgrenssloot;

Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

17

6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het bouwrijp maken van het plangebied tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van bezette nesten (eieren) of het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september1-februari. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied van vogels. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied heeft daarom geen effect op jaarrond beschermde nesten en leidt daarom niet tot wettelijke consequenties. De initiatiefnemer mag maatregelen treffen die vogels weerhouden te gaan nestelen in het plangebied. Door de kavelgrenssloot geregeld te maaien, zodat de vegetatie niet hoog wordt, zullen vogels er vermoedelijk niet in gaan nestelen. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb:

-

Plangebied bouwrijp maken buiten de voortplantingsperiode;

Vleermuizen ^ Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb:

-

Geen;

• Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb:

-

Geen;

• Vliegroute Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentiële vliegroute van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb:

-

Geen;

1 Kleine karekieten kunnen tot eind augustus bezette nesten hebben. 18

Grondgebonden zoogdieren Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd en vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden' en het 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om te voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Kleine marterachtigen

Wezel en hermelijn zijn beschermd en mogen niet gedood worden zonder ontheffing van de verbodsbepaling. Ook is het functionele leefgebied, inclusief vaste rust- en voortplantingsplaats beschermd. Conform de beleidslijn van de provincie Flevoland2 wordt geadviseerd ontheffing aan te vragen (en geen nader onderzoek uit te voeren). Het opstellen van een mitigatieplan maakt onderdeel uit van de onthefffingsprocedure. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb:

-

Ontheffing aanvragen voor doden, beschadigen en vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats en aantasten functioneel leefgebied voor wezel en hermelijn;

Amfibieën Door het dempen en vergraven van de kavelgrenssloot (incl. oeverzone) worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk vaste (winter)rust- of voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield. Indien de kavelgrenssloot gedempt of vergaven wordt tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk eieren beschadigd en vernield of larven verwond of gedood. Met uitzondering van de rugstreeppad, geldt voor de amfibieënsoorten die in het plangebied voorkomen, een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties'. De functie van het plangebied als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Rugstreeppadden (incl. larven) zijn strikt beschermd en mogen niet verwond of gedood worden, eieren mogen niet beschadigd of vernield worden en functioneel leefgebied mag niet aangetast worden zonder ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het plangebied vormt mogelijk functioneel leefgebied van de rugstreeppad en dit mogelijke leefgebied wordt aangetast als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Omdat de functie van het plangebied als functioneel leefgebied voor de rugstreeppad niet vastgesteld kan worden op basis van een quickscan natuurwaardenonderzoek in juli, is aanvullend onderzoek verplicht.

Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het daarvoor geldende onderzoeksprotocol. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb:

-

Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor de rugstreeppad verplicht;

Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

2 https://www.flevoland.nl/wat-doen-we/natuur/kleine-marterachtigen 19

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Functie

Beschermde soorten planlocatie

Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)

Aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren

Functioneel leefgebied

Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling

Geen

Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren

Functioneel leefgebied

Diverse soorten, m.u.v. wezel en hermelijn wezel en hermelijn

Art. 3.10 lid 1b

Ontheffing aanvragen

Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling.

Geen

Art. 3.10 lid 1a

Ontheffing aanvragen Geen

Doden van dieren

Doden van dieren

Diverse soorten, m.u.v. wezel en hermelijn wezel en hermelijn

Foerageergebied

Diverse soorten

Vogels

Bezette nesten (niet jaarrond beschermd)

Diverse soorten

Niet van toepassing; er wordt geen jaarrond beschermd nest aangetast Art. 3.1 lid 2

Vogels

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Vogels

Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren

Diverse soorten

Art. 3.1 lid 1

Vleermuizen Vleermuizen

Verblijfplaats Foerageergebied

Niet aanwezig Diverse soorten

Vleermuizen Vleermuizen Amfibieën

Vliegroute Doden van dieren Foerageergebied

Niet aanwezig Niet van toepassing Mogelijk diverse soorten

Amfibieën

(winter)rustplaatsen

Mogelijk diverse soorten

Niet van toepassing Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing Art. 3.10 lid 1b (indien het essentieel foerageergebied is van de rugstreeppad). Functie voor andere amfibieënsoorten is niet beschermd Art. 3.10 lid 1b voor rugstreeppad.

Amfibieën

Voortplantingsbiotoop

Mogelijk diverse soorten

Art. 3.10 lid 1b voor rugstreeppad

Amfibieën

Doden en verwonden van dieren

Mogelijk diverse soorten

Art. 3.10 lid 1a voor rugstreeppad

Overige soorten

Dieren en overige functies

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Grondgebonden zoogdieren Vogels

Werken buiten voortplantingsperiode of broedvogelscan uitvoeren Geen Werken buiten voortplantingsperiode of broedvogelscan uitvoeren Geen Geen Geen Geen Nader onderzoek naar functie van plangebied voor rugstreeppad verplicht (art. 1.11 zorgplicht) Nader onderzoek naar functie van plangebied voor rugstreeppad verplicht (art. 1.11 zorgplicht) Nader onderzoek naar functie van plangebied voor rugstreeppad verplicht (art. 1.11 zorgplicht) Nader onderzoek naar functie van plangebied voor rugstreeppad verplicht (art. 1.11 zorgplicht) Geen

Samenvatting van de wettelijke consequenties.

Soortgroep

Vaste plaats

rust­ Voortplantingsplaats

Vliegroute Essentieel (vleermuizen) foerageer­ gebied

Wettelijke consequenties

Nader onderzoek vereist

Ontheffing vereist

Grondgebonden zoogdieren Vogels

ja

ja

n.v.t.

nee

Ja

nee

Ja

nee

ja

n.v.t.

nee

Ja

nee

Vleermuizen Amfibieën

nee ja

nee Ja, mogelijk

nee n.v.t.

nee nee

nee Ja, mogelijk

nee Ja

Nee, tenzij vogels gedood, bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden nee Nader onderzoek naar rugstreeppad verplicht

Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep. 20

6.5 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend.

6.6 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

21

Hoofdstuk 7

Conclusies

De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Flevoland een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden', en het opzettelijk 'verstoren, beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren of te doden en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Flevoland.

Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging ten opzichte van Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties te kunnen vaststellen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een vaste (winter)rust- of voortplantingsplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Voor de meeste grondgebonden zoogdiersoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties'. Deze vrijstelling geldt niet voor kleine marterachtige. Deze vrijstelling geldt ook voor de meeste in het plangebied voorkomende amfibieënsoorten, maar niet voor de rugstreeppad. Deze soort is niet in het plangebied vastgesteld tijdens het veldbezoek, maar de functie van het plangebied als functioneel leefgebied (incl. voortplantingsbiotoop) kan niet uitgesloten worden. De rugstreeppad en het functionele leefgebied van de rugstreeppad is beschermd en mag alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Om de functie van het plangebied voor de rugstreeppad vast te kunnen stellen is nader onderzoek vereist. omdat niet uitgesloten kan worden, dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot aantasting van het functionele leefgebied van wezel en hermelijn, en dat niet uitgesloten kan worden, of deze dieren gedood worden (grondverzet), dient ontheffing aangevraagd te worden. Conform de beleidslijn van de provincie Flevoland, wordt de onderzoeksfase hierbij overgeslagen.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels aangetast. Echter, leidt alleen het aantasten van het functionele leefgebied van de rugstreeppad (mits aanwezig) en kleine marterachtigen tot wettelijke consequenties in het kader voor soortenbescherming. 22

Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:

Optimale periode voor werkzaamheden. Acceptabele periode voor werkzaamheden. De werkzaamheden verrichten onder voorwaarden zoals beschreven in protocol. Geen werkzaamheden ín deze periode. Wanneer er wel gewerkt moet worden is een ontheffing verplicht.

23

Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -

-

Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode.

Soortenbescherming en het 'nee, tenzij principe' De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort.

Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd".

Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van tevoren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. 24

Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Flora- en faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.

Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor 'andere soorten' waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.

Beschermingsregime soorten Vogelrichdijn g 3.1 Wn

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 5 3.2 Wn

Beschermingsregime andere soorten g 3,3 Wn

Art 3.1 íidi Met is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.10 lid ia Het is verboden soorten opzettelijk te doden ofte vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Art 3.10 lid tb Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Niet van toepassing

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Art 3.10 lid ic Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

25

Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te doden, en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: -

de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.

Nederlandse Naam

Wetenschappelijke Naam

■O «i s 1 o ì o w

ft T? Mr

K

X

X

X

X

X

■o ĩ u ■3 u o

s cŰ 5

ŝ ■D s s o ra z ļ ĩ į -ò ţi Ē O 1 1 3 Z z

■ţj

5

ş

'1

I lü

« I ■é a

■o

H rn m Ö ï * x Z

CL

ş E 2 ī İ 3

Zoogdieren Mxrotus ogres tn Apodemus sytvaticus Mustelo putonus Mtcromys mmutus Sorer mmutus Ermoceus europoevs Eekhoorn Sciurus vulgaris Gewone bosspitsmuis Sorer araneus mms lepus europeus Hermelijn Mustelo ermmea Huisspltsmuis* Croadura russula Konijn Oryctoiogos cunKulus ArvKola scherman Molmuis Ondergrondse woel muis Pttymys subterraneus Ree Copreolus copreolus Rosse woelmuis Clethrtonomys gloreolus Steenmarter Maries ļoina Tweekleunge bosspitsmuis Sorex coronatus Microtus arvalŕs Veldmuis* Vufpes vulpes Vos Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel

Wezel

Wild zwijn Woelrat

Mustelo nrvats Sus scrofa Arvicola tenestris

Amfibieën en reptielen Kano temporana Bufo bufo Hazelworm Anguis frogilis Kleine watersalamander Tnturus vulgaris Levendbarende hagedis Zootoca vivipara Meerkikker Pelophylax rtdibundus (Rano rid'bundo) Middelste groene kikker/ Pelophylax klepton esculentus (Rano Bastaardkikker esculenta)

Bruine kikker Gewone pad

X X X X n

X

X

X

X

X

X

X

X

1

X

X

X

X

X

X

X

X

K

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X X

K

X

X

X X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

1

X

X

K

X

X

xl x

x

X

X X X X X X X X X X

X

X

X X X X X X X

X

X

Jt

X

X X X

X

X

x

X X X X X X X X

X

X

X X

X

X

X

X

X

X X X X

X

X.

X

X

K

X

x X

X

x

X

X

X X

X X

X

x

X

x

X

X

X

X

X

r

X

X

X X X X X

X X

n

X X

X

X

X

K

X

X

X

X X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

A

X

X

X

X

X

X

X2

X X

x

X

X

X

X

X

X.

X

X

X.

X

X

X.

X X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

K

X

X

X

X

X

X X

X

X

X X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

.X.

x3 X x4

X

X

X

X

K X

X

X.

X

X

X

X

X

X

X

X. X

X

X X

X X

X

X

26

* voor deze soorten daarnaast algemene vrijstelling in/op gebouwen en bijbehorende erven Wnb 3.10 3e lid xl vrijstel ling geldt in de periode maart- april en juli tot en met november x2 - vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met februari x3 vrijstelling geldt in de periode juli, augustus en september x4 vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met 15 oktober Opmerking bij Friesland: in de stukken wordt ook vrijstelling gegeven voor de mol, maar dere is niet beschermd onder de Wnb.

wettelijke belangen 3 10.2.a } Rnb 3.31.d

Ikv RO en geb-ulk van gebieden

3 10 2d

voorkomen onnodig lijden ikv beheer of onderhoud landbouw of bosbouw

3.10.2.e ļ Rnb 3.31.b 3 10 2 f/Rnb 3.31a 3.10.2*

ikv beheer of onderhoud overig ikv beheer of onderhoud landsch kwali­ teiten bepaald gebied

3.10.2.ĩ! Rnb 3.31c

bestendig gebruik

(geldt alleen voor amfibieenļ ikv bescherming wilde flora, fauna S habitats

X

X

X

X

X

1

*

X

X

X

X

X

X

1

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X X

X

|

11

Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Op basis van door PS vastgestelde verordeningen d.d. 4 maart 2019.

27

Bijlage 3. Fotobijlage. Impressie van het plangebied en de directe omgeving.

28

Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl https://pdokviewer.pdok.nl/ https://www.flevoland.nl/wat-doen-we/natuur/kleine-marterachtigen

29

Bestemmingsplan "Emmeloord, Emmelhage - fase 3" Vastgesteld

Bijlage 7

Onderzoek rugstreeppad

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

71

Onderzoek rugstreeppad Emmelhage fase 3 te Emmeloord

72

ATUURBANK

OVERIJSSEL

Colofon Onderzoek rugstreeppad Emmelhage fase 3 te Emmeloord

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 Z 0614-435700

Opdrachtgever:

BJZ.NU Twentepoort-Oost 16a 7609 RG Almelo

Projectnummer en versie: 3475 versie 1.0 Veldmedewerker(s): Auteur: P.Leemreise P.Leemreise Ligging projectgebied: Espelerweg (ongenummerd) te Emmeloord

1

Status: definitief Rapportdatum: 12-9-2021

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1

Inleiding............................................................................................................................................ 3

1.1 Algemeen.......................................................................................................................................................... 3 1.2 Beschrijving van hetplangebied...................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 2

Onderzoek.........................................................................................................................................4

2.1 Het weer in het voorjaar 2021.......................................................................................................................... 4 2.2 Bezoeken.......................................................................................................................................................... 4 Hoofdstuk 3

Resultaten......................................................................................................................................... 5

Hoofdstuk 4

Wettelijke consequenties................................................................................................................ 5

Literatuur.................................................................................................................................................................... 6

2

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Algemeen In verband met woningbouwplannen in plangebied Emmelhage, fase 3, is er behoefte aan inzicht in de functie en verspreiding van het plangebied voor de middels artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde rugstreeppad (Epidalea calamita). Het plangebied ligt ten noorden van de woonkern Emmeloord. Op onderstaande topografische kaart wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron kaart: PDOK).

1.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit agrarische cultuurgrond. De agrarische cultuurgrond was tijdens het veldbezoek in 2021 in gebruik als akker. Langs de oostrand van het plangebied ligt een kavelgrenssloot. Bebouwing of andere bouwwerken ontbreken in het plangebied, evenals bomen of andere houtige beplanting. Voor een verbeelding van het plangebied wordt naar onderstaande foto's verwezen.

Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).

Het plangebied ligt binnen de grenzen van het verspreidingsgebied van de rugstreeppad. Omdat er bovendien potentieel geschikte land- en waterbiotopen aanwezig zijn is aanvullend onderzoek naar deze zwaar beschermde amfibie noodzakelijk. 3

Impressie van het plangebied 4 juni 2021.

Hoofdstuk 2

Onderzoek

2.1 Het weer in het voorjaar 2021 April 2021 was een extreem koude maand en de koudste april sinds 1986. De gemiddelde temperatuur komt uit op 6,7 graden tegen 9,9 graden normaal. Met 221 uur zon tegen 196 uur normaal was april een zonnige maand. Er viel 42 mm regen en dat is heel normaal. Met een gemiddelde temperatuur van 11,2 graden tegen 13,4 normaal was de maand mei de koudste meimaand sinds 2010. Er viel 103 millimeter regen gemiddeld over het land tegen 56 mm normaal en de zon scheen 199,6 uur tegen 219 uur normaal. Met een gemiddelde temperatuur van 18,2 graden tegen 16,2 graden normaal was het de warmste junimaand sinds het begin van de metingen in 1901. Opvallend is dat de afgelopen vijf jaar allemaal in de top-10 van warmste junimaanden staan. Het was, mede door flinke plensbuien, nat met 99 mm tegen 68 normaal. De zon scheen vaker dan normaal met 247 uur tegen 214 uur gebruikelijk (bron: weeronline).

2.2 Bezoeken Ten behoeve van het aantonen van de aanwezigheid is op 9 mei 2021 een avondbezoek gebracht aan het plangebied tussen 22:00 en 23:00 uur. Op deze avond zijn geen rugstreeppadden gehoord. Daarom is met behulp van een geluidsdrager het geluid van roepende mannetjes afgespeeld. Daarop kwam geen respons. De sloot langs de oostzijde van het perceel bevatte water, maar deze sloot was grotendeels bedekt met flap (alg). 4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1940/documents/31539