7.1 Bestemmingsplan Bant Oost fase 3-2.pdf
Tekst van het document
Art 3.5 Lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 Lid 2 Het is verboden opzetteLijk nesten, rustpLaatsen en eieren van vogeLs te vernieLen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Art 3.5 Lid 4 Het is verboden de voortplantings- plaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.
Art 3.10 Lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzetteLijk te beschadigen of te vernielen.
Art 3.1 Lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Art 3.5 Lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing
Art 3.5 Lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidings- gebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 Lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidings- gebied opzetteLijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
ecofect
10
QUICKSCAN 50360 - BANT
4.2 Onderzoeksmethode De voLgende methoden zijn bij het onderzoek gebruikt: 1.
Door middeL van bureauonderzoek is onderzocht weLke beschermde fLora en fauna in de omgeving van het pLangebied recenteLijk zijn waargenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van waarnemingen uit de NationaLe Databank FLora en Fauna (NDFF). Op basis van het onderzoek in verspreidingsatLassen en overige beschikbare natuurinformatie is een inschatting gemaakt weLke soorten er redeLijkerwijs zijn te verwachten in het pLangebied.
2.
Op 11 januari 2023 is het pLangebied te Bant door dhr. P. WiegeL bezocht. Daarbij werden de, in het pLangebied aanwezige, natuurwaarden geïnventariseerd en beoordeeLd. Tijdens dit veLdbezoek was het zonnig en ongeveer 9 graden CeLsius. Er is gekeken naar mogeLijke groeipLaatsen dan weL vaste rust- en verbLijfpLaatsen van de beschermde fLora- en fauna. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk soortbescherming.
3.
Er is een visueLe inspectie uitgevoerd op aanwezigheid van kieren, hoLten en spLeten (voor zover aanwezig).
4.
De controLe is te voet uitgevoerd en waar mogeLijk zijn eventueLe toegankeLijke hoLtes en spLeten verkennend geïnspecteerd (met zakLamp en/of endoscoop).
5.
BewijsLast is verzameLd met fotomateriaaL.
6.
De Ligging van het pLangebied ten opzichte van nabijgeLegen beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) werd opgezocht. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk gebiedsbescherming.
7.
In samenspraak met de opdrachtgever is de ingreep in kaart gebracht.
8.
Door middeL van een nauwkeurige anaLyse van deze data en waarnemingen is:
9.
a.
bepaaLd of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand zijn uit te sLuiten of dat hiervoor een aanvuLLend onderzoek noodzakeLijk is,
b.
een inschatting gemaakt van de redeLijkerwijs te verwachten negatieve effecten op de (potentieeL) aanwezige beschermde soorten en functies,
c.
bepaaLd of de bescherming van houtopstanden aan de orde is.
Er is gebruik gemaakt van de voLgende huLpmiddeLen (zie verantwoording).
10. De opgesteLde rapportage is gecontroLeerd en beoordeeLd door een tweede Lezer.
11
QUICKSCAN 50360 - BANT
4.3 Toepasbaarheid Deze QuickScan is gericht op de mogeLijke overtreding van de wet natuurbescherming, niet aan andere (natuur)wetgeving. De resuLtaten van het onderzoek zijn 3 jaar geLdig. Dit onderzoek kan voor de opdrachtgever aLs bewijsstuk dienen dat natuuronderzoek is verricht. Deze rapportage kan dan ook ingediend worden aan beLanghebbende partijen zoaLs gemeente en provincie. Op basis van in de deze rapportage opgenomen projectgegevens (zie hoofdstuk 3; december 2022) is dit onderzoek uitgevoerd en een inschatting gemaakt van de effecten hiervan op de beschermde soorten en gebieden. Latere wijzigingen van het project kunnen invLoed hebben op deze effecten en zijn dus niet opgenomen in deze rapportage. Er zaL dan een nieuwe beoordeLing pLaats moeten vinden. Deze verstrekte natuurinformatie is ten behoeve van de initiatief- en ontwerpfase van de pLanontwikkeLing. Om in de uitvoerings- en beheerfase overtreding van de wet natuurbescherming te voorkomen, wordt - indien nodig- in deze rapportage aangegeven wanneer het noodzakeLijk is om te werken voLgens één van de voLgende standaarden: ^
ALgemeen zorgvuLdig handeLen
^
Gedragscode ruimteLijke ontwikkeLing
^
EcoLogisch werkprotocoL
^
Ontheffing/vrijsteLLing wet natuurbescherming
12
QUICKSCAN 50360 - BANT
5. Gebiedsbescherming 5.1 Natura2000 ALgemeen In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn in de Wet natuurbescherming strikt beschermd. VoLgens de Wet natuurbescherming is het voLgens artikeL 2.7 Lid 2 verboden zonder vergunning projecten te reaLiseren of andere handeLingen te verrichten die, geLet op de instandhoudingsdoeLsteLLingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaLiteit van de natuurLijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen versLechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Afstand meten
Gekozen kaarten
Klik op de kaart om de afstand te meten. Dubbelklik om te stoppen.
Kaarten i i tm a 1
Q Alle kaarten aan/uit Murwe*
o Natura 2000 gebied Afstand: 9,488 km
Transparantie: 2096 Wissen Legenda HR VR VR+HR □m HR groeve
Bron: Ministerie van Economische Zaken. 2019
Natura 2000 gebied De weerribben
Afstand meten
Gekozen kaarten
Klik op de kaart om de afstand te meten. Dubbelklik om te stoppen.
Kaarten Q Alle kaarten aan/uit Dc Bi«se
Afstand: 9.617 km
gj Natura 2000 gebieden Transparantie: 2096
Wissen
.egenda
L—j HR groeve
Rottige Meenthe & Brandemeer
Dit geLdt ook voor projecten die fysiek buiten het Natura 2000-gebied geLegen zijn maar weL een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking). De pLanLocatie is geLegen tussen Natura 2000 gebieden de weerribben en Rottige Meenthe & Brandemeer De afstanden tussen pLanLocatie en deze Natura 2000 gebieden bedragen respectieveLijk 9.5 en 9.6 kiLometer.
13
QUICKSCAN 50360 - BANT
Weerribben (Overijssel.) Het gebied Weerribben is een ten deLe vergraven veengebied in de kop van OverijsseL Het bestaat uit uitgeveende trekgaten, onvergraven Legakkers van wisseLende breedte, grotere perceLen niet-vergraven veen, verLandend water, triLveen rietLanden, grasLanden, ruigteterreinen en moerasbossen. ALLe successiestadia van open water tot en met moerasheide en veenbos zijn aanwezig. Mede door de betrekkeLijk Late vervening weerspiegeLen ze nog veeL van de oorspronkelijke gebiedsopbouw. Het huidige Landschap met een karakteristiek patroon van petgaten en Legakkers is ontstaan door het afgraven van veen voor de turfwinning. Toen rond 1920 de turfwinning niet meer rendabeL was, schakeLde de LokaLe bevoLking geLeideLijk over op rietteeLt. In 1919 werd het Stroink gemaaL bij BLokzijL gebouwd om het waterpeiL in Noordwest OverijsseL onder controLe te krijgen. Hierdoor werden de rietLanden minder nat, waardoor het verLandingsproces versneLde en het riet doorgroeid raakte met ruigtekruiden. De Rottige Meenthe & Brandemeer (FriesLand) De Rottige Meenthe & Brandemeer zijn een LaagveenverLandingsgebied dat de noordeLijke voortzetting vormt van de Laagvenen van Noordwest-OverijsseL. Naast de Weerribben en De Wieden is dit het beLangrijkste gebied in NederLand is voor de grote vuurvLinder. Jonge verLanding komt goed op gang.
14
QUICKSCAN 50360 - BANT
5.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te Leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de EcoLogische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met eLkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk NederLand Liggen: ^ ^ ^ ^ ^
Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 NationaLe Parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangeLegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd voLgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; ALLe Natura 2000-gebieden.
ConcLusie Natuurnetwerk NederLand Aangezien het pLangebied is geLegen buiten het NNN van FLevoLand (figuur 5), en het NNN in FLevoLand geen externe werking kent, is nadere toetsing niet aan de orde.
C\ natuurnet
X
Resultaten
Q Natuurnetwerk Nederland (ehs) Q Natuurnetwerk Nederland (ehs) Q Natuurnetwerk Nederland (ehs)
Figuur 5 - Natuurnetwerk NederLand
15
QUICKSCAN 50360 - BANT
5.3 Stikstofdepositie Door de uitspraak van de Raad van State inzake het Programma Aanpak Stikstof kan er geen beroep gedaan worden op de oude regeLing PAS. Citaat uit de kamerbrief van 11 juni 2019: ‘Het is duideLijk dat het PAS niet meer gebruikt kan worden aLs passende beoordeLing voor toestemmingsverLening. Dat wiL niet zeggen dat aLLe vergunningverlening daarmee heLemaaL stiL komt te Liggen. Met een individueLe passende beoordeLing die voLdoet aan de randvoorwaarden die de AfdeLing schetst is dit weL mogeLijk. ALs gevoLg van de uitspraak geLdt aLs voorwaarde bij toestemmingsverLening dat zodanige maatregeLen moeten worden getroffen dat verzekerd is dat de stikstofdepositie op daarvoor gevoeLige Natura 2000gebieden niet toeneemt. Dat kan door maatregeLen verbonden aan de activiteit zeLf (intern saLderen), of onder strikte voorwaarden - door saLdering met de effecten van beëindiging of beperking van andere activiteiten (extern saLderen). IndividueLe toestemmingsverLening is ook mogeLijk op basis van een andere ecoLogische onderbouwing waaruit bLijkt dat de natuurLijke kenmerken van het betreffende Natura 2000gebied niet worden aangetast, ondanks een toename van stikstofdepositie van het betreffende project. Het is aan het betreffende bevoegde gezag om hierover te oordeLen. Hierbij is aandacht voor een eenduidige handeLwijze tussen de bevoegde gezagen.
Wanneer uit een individueLe passende beoordeLing niet de vereiste zekerheid kan worden verkregen dat er geen sprake is van aantasting van de natuurLijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, zaL aLLeen toestemming kunnen worden verLeend aan de hand van de ADC-toets. Een toestemming op basis van de ADC-toets kan aLLeen worden verLeend indien wordt voLdaan aan de voLgende drie voorwaarden: er zijn geen aLternatieve opLossingen (A), het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar beLang (met inbegrip van redenen van sociaLe of economische aard) (D), en de nodige compenserende maatregeLen worden getroffen om te waarborgen dat de aLgeheLe samenhang van Natura-2000 bewaard bLijft (C). Het resuLtaat van de compensatie moet in beginseL bereikt zijn op het moment waarop het betrokken gebied schade van het project ondervindt.' (einde citaat) Advies / concLusie De afstand tot depositiegevoeLige Natura2000-gebieden (incLusief habitatsoorten) is ruim 9 kiLometer Ten aanzien van de aanLegfase kan niet op voorhand worden aangetoond of uitgesLoten of er stikstofdepositie pLaatsvind. Daarom wordt geadviseerd om een stikstofberekening te maken ten aanzien van de aanLeg- en nieuwe gebruiksfase.
Advies / concLusie Een Aeriusberekening voor de aanLeg- en gebruiksfase wordt dan ook geadviseerd om aan te tonen dan weL uit te sLuiten of er in de aanLeg- en nieuwe gebruiksfase stikstofdepositie pLaatsvindt.
16
QUICKSCAN 50360 - BANT
6. Soortbescherming De wet natuurbescherming kent twee vormen van soortbescherming voor ruimteLijke ontwikkeLing gekoppeld aan de juridische status van de soorten: ^ ^
ALgemene zorgpLicht ZorgvuLdig handeLen
Algemene zorgplicht
Heb respect voor aLLe wiLde fLora en fauna en tracht het doden, verontrusten en beschadigen van aanwezige soorten te voorkomen of, indien voorkomen in redeLijkheid niet mogeLijk is, dit zo veeL mogeLijk te beperken. Zorgvuldig handelen
Deze vorm van soortbescherming is gekoppeLd aan soorten met een juridisch beschermde status. Er dient invuLLing te worden gegeven aan zorgvuLdig handeLen tijdens de uitvoering van werken die vaLLen onder ruimteLijke ontwikkeLing. ZorgvuLdig handeLen betreft: .
Voorkomen dat schade optreedt aan beschermde pLanten en dieren (bijvoorbeeLd andere projectLocatie kiezen).
.
Beperken van schade aan beschermde pLanten en dieren (bijvoorbeeLd beschermingszone hanteren rondom een bewoond vogeLnest of verpLaatsen beschermde pLanten).
.
Ongedaan maken van schade aan beschermde pLanten en dieren:
1
2
3
Preventief: aLternatieve verbLijfpLaats (mitigerende maatregeLen) reaLiseren voordat het werk uitgevoerd wordt (bijvoorbeeLd aanLeg van een poeL voor de gewone pad). Achteraf: opgeLegd door het bevoegd gezag indien onzorgvuLdig is gehandeLd.
6.1 FLora Toetsing aan gebiedsbescherming vindt uitsLuitend pLaats indien beschermde gebieden in het geding zijn, terwijL toetsing aan de soortbescherming aLtijd vereist is, zoweL binnen aLs buiten beschermde gebieden. Bevinding veLdbezoek Het perceeL en de te sLopen opstaLLen zijn nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeipLaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Ook de geraadpLeegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de projectLocatie.
17
QUICKSCAN 50360 - BANT
6.2 Fauna Op de pLanLocatie is geen bebouwing aanwezig. Gebouwbewonende soorten worden dus op voorhand uitgesloten. Van de vogeLs uit categorie 5 (zie tabeL 3) kunnen in de omgeving worden verwacht: vink (FringiLLidae), pimpeLmees (Cyanistes caeruLeus), kooLmees (Parus major), ekster (Pica pica) kokmeeuw (ChroicocephaLus ridibundus), en spreeuw (Sturnus vuLgaris). Wat betreft de spreeuw kan er buiten het broedseizoen worden geveLd omdat dit soort een soort is dat makkeLijk uitwijkt naar aLternatieve verbLijfpLaatsen (doorgaans gebouwen). Hiernaast kunnen binnen het pLangebied zangvogeLs aanwezig zijn die in tuinen en LandeLijk gebied broeden zoaLs de mereL (Turdus meruLa), heggenmus (PruneLLa moduLaris) en winterkoning (TrogLodytes trogLodytes) en overige vogeLs die broeden in gebouwen onder bijvoorbeeLd dakpannen, zoaLs de kauw (CoLoeus moneduLa). De bomen in de directe nabijheid zijn in goede conditie en hebben geen kieren, hoLten of (scheur)spLeten. Dit is o.a. het gevaL doordat het reLatief jonge begroeiing is. Spechten of hoLtebroeders zuLLen niet verstoord worden. WeLiswaar dat de begroeiing geschikt is aLs nestgeLegenheid voor aLgemene soorten, echter zonder jaarrond beschermd nest. (Oude) nesten zijn ook niet aangetroffen.
Er geen sporen aangetroffen van uiLen of roofvogeLs die duiden op het gebruik van de opstaL aLs verbLijfpLaatsen en het omLiggende terrein aLs foerageergebied (o.a. braakbaLLen, prooiresten, gepLukte vogeLs, zitpLaatsen met uitwerpseLen/krijtsporen). WeLiswaar dat de ruime omgeving, de (rommeLige) erven en de toegankeLijke schuren in de omgeving een geschikt habitat is voor de steenuiL. VoLgens NDFF komt de steenuiL ook voor in deze omgeving. Met de pLanontwikkeLing gaan er geen nest- of rustpLaatsen van de steenuiL verLoren. VoLgens het kennisdocument steenuiL (BIJ12) verbLijft de steenuiL graag nabij of in zijn nest en gebruikt deze jaarrond aLs vaste rust- en verbLijfpLaats (categorie 1). Een nader onderzoek steenuiL is niet noodzakeLijk. Sporen van uiLen, zoaLs braakbaLLen en meststrepen zijn niet gevonden. Het voorkomen van vogeLs zoaLs genoemd in de verdragen van Bonn en Bern kan niet worden uitgesLoten. Deze soorten vaLLen zoweL onder het beschermingsregime VogeLrichtLijn aLs het beschermingsregime HabitatrichtLijn. Voor deze soorten geLdt dat ze niet opzetteLijk mogen worden verstoord, ongeacht hun staat van instandhouding. Voor aLLe inheemse vogeLsoorten geLdt een verbod op handeLingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verbLijfpLaatsen beschadigen of verstoren.
Voor werkzaamheden met schadeLijke effecten op broedvogeLs wordt veeLaL geen ontheffing verLeend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het aLgemeen een goed aLternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschiLLen. Van beLang is of een broedgevaL wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen haLf maart en eind juLi worden aangehouden aLs broedseizoen. Nesten, horsten en hoLten zijn niet aangetroffen. Advies y conclusie
Geen overtreding Wet natuurbescherming betreffende de vogeLs. Geadviseerd wordt om de aanwezige houtsingeL te rooien buiten het broedseizoen danweL voorafgaande aan de werkzaamheden een broedvogeLonderzoek uit te voeren.
18
QUICKSCAN 50360 - BANT
Jaarrond beschermde nesten In onderstaande tabel. (voLgende pagina) zijn opgenomen de nesten weLke door de wetgever jaarrond beschermd zijn. Geen van deze nesten zijn aangetroffen. Nederlandse naam
Bescherming
Nederlandse naam
Bescherming
Nederlandse naam
Bescherming
Steenuil
Categorie
Blauwe reiger
Categorie 5
Kleine vliegenvanger
Categorie 5
Gierzwaluw
Categorie 2
Boerenzwaluw
Categorie 5
Koolmees
Categorie 5 Categorie 5
Huismus
Categorie 2
Bonte vliegenvanger
Categorie 5
Kortsnavelboomkruip er
Roek
Categorie 2
Boomklever
Categorie 5
Oeverzwaluw
Categorie 5
Grote gele kwikstaart
Categorie 3
Boomkruiper
Categorie 5
Pimpelmees
Categorie 5
Kerkuil
Categorie 3
Bosuil
Categorie 5
Raaf
Categorie 5
Oehoe
Categorie 3
Brilduiker
Categorie 5
Ruigpootuil
Categorie 5
Ooievaar
Categorie 3
Draaihals
Categorie 5
Spreeuw
Categorie 5
Slechtvalk
Categorie 3
Eidereend
Categorie 5
Tapuit
Categorie 5
Boomvalk
Categorie 4
Ekster
Categorie 5
Torenvalk
Categorie 5
Buizerd
Categorie 4
Gekraagde roodstaart
Categorie 5
Zeearend
Categorie 5
Havik
Categorie 4
Glanskop
Categorie 5
Zwarte kraai
Categorie 5
Ransuil
Categorie 4
Grauwe vliegenvanger
Categorie 5
Zwarte mees
Categorie 5
Sperwer
Categorie 4
Groene specht
Categorie 5
Zwarte roodstaart
Categorie 5
Wespendief
Categorie 4
Ijsvogel
Categorie 5
Zwarte specht
Categorie 5
Zwarte wouw
Categorie 4
Kleine bonte specht
Categorie 5
Op de voLgende categorieën geLden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het geheLe seizoen: Categorie 1. Nesten die, behaLve gedurende het broedseizoen aLs nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn aLs vaste rust- en verbLijfpLaats (voorbeeLd: steenuiL). Categorie 2. Nesten van koLoniebroeders die eLk broedseizoen op dezeLfde pLaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankeLijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestpLaats zijn vaak zeer specifiek en Limitatief beschikbaar (voorbeeLd: roek, gierzwaLuw en huismus). Categorie 3. Nesten van vogeLs, zijnde geen koLoniebroeders, die eLk broedseizoen op dezeLfde pLaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankeLijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestpLaats zijn vaak zeer specifiek en Limitatief beschikbaar (voorbeeLd: ooievaar, kerkuiL en sLechtvaLk). Categorie 4. VogeLs die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzeLfde nest en die zeLf niet of nauweLijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeLd: boomvaLk, buizerd en ransuiL). Categorie 5. Nesten van vogeLs die weLiswaar vaak terugkeren naar de pLaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die weL over voLdoende fLexibiLiteit beschikken om, aLs de broedpLaats verLoren is gegaan, zich eLders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
Categorie 5-soorten zijn weL jaarrond beschermd aLs zwaarwegende feiten of ecoLogische omstandigheden dat rechtvaardigen. Indien dit het gevaL is, is een omgevingscheck benodigd.
19
QUICKSCAN 50360 - BANT
Vleermuizen Het Leefgebied van beschermde vLeermuizen (artikeL 3.5 HabitatrichtLijn bijLage IV) bestaat uit verbLijfpLaatsen, vLiegroutes en foerageergebieden. In de toeLichting vLeermuizen (voLgende pagina) worden deze onderdeLen nader toegeLicht. VerbLijfpLaatsen voor vLeermuizen moeten voLdoen aan een geschikt microkLimaat: temperatuur, verschiLLende temperaturen binnen één object (gradiënten), sneLheid van opwarmen of afkoeLen (bufferwaarde) en vochtigheid. EssentieeL is dat de verbLijfpLaats tochtvrij is in verband met de temperatuurreguLatie en het voorkomen van uitdroging in de winter. WinterverbLijven moeten daarnaast grotendeeLs vorstvrij zijn. VLeermuizen zijn gevoeLig voor Licht. Bij een verbLijfpLaats wordt dan ook niet vaak een Lichtbron gevonden. De toegang tot de verbLijfpLaats, de in- en uitvLiegopeningen en de aanvLiegroute moet vrij van obstakeLs zijn. Sporen van vLeermuizen en dergeLjke verbLijfpLaatsen zijn niet aangetroffen. Nabij en op de pLanLocatie zijn geen bomen aanwezig met vLeermuispotentie. Hierbij kan gedacht worden aan hoLten en Loshangende schors hetgeen niet aanwezig is op de pLanLocatie. EventueeL aanwezige soorten zuLLen geen hinder ondervinden van de gepLande ontwikkeLing en er zuLLen geen verbLijfpLaatsen verLoren gaan.
Schade op onmisbare vLiegroutes en foerageergebieden, verbLijfpLaatsen van vLeermuizen kan mogeLijk ontstaan wanneer de LijneLementen verdwijnen uit het Landschap. Op de pLanLocatie zijn deze LijneLementen aanwezig. Hiertussen staan geen bomen met hoLten weLke in potentie een verbLijfpLaats kan zijn voor de vLeermuis. Aangezien deze bomenrij Z houtwaL binnen het pLangebied Ligt en deze wordt gesaneerd is er nader onderzoek naar de functie vLiegroute noodzakeLijk. Het foerageergebied, hetzij anders ingericht, bLijft intact. Het biotoop en habitat Laat zich het beste omschrijven door een randstedeLijke omgeving. Advies / concLusie Nader onderzoek naar de functie LijneLement t.a.v. de vLeermuis wordt noodzakeLijk geacht.
20
QUICKSCAN 50360 - BANT
Toelichting vleermuizen Verblijfplaats Een object (gebouw, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of 's winters, met enige regeLmaat). ZoimerverbLijfpLaats: Een verbLijfpLaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. Er zijn bij soorten als gewone dwergvleermuis massa winterverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa.
Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.
21
QUICKSCAN 50360 - BANT
Overige zoogdieren Soorten van Habitatrichtliin en de Verdragen van Bern en Bonn Tijdens het veLdbezoek zijn geen vaste verbLijfpLaatsen van overige zoogdieren die zijn opgenomen op HabitatrichtLijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen. Bever en otter In het pLangebied zijn geen sporen van de otter (Lutra Lutra) of bever (Castor fiber) aangetroffen. Het voorkomen van beide soorten kan hiermee redeLijkerwijs worden uitgesLoten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het pLangebied. Vanwege het waterarme karakter van het pLangebied is het habitat voor deze soort ongeschikt. Hamster, hazeLmuis en noordse woeLmuis Het verspreidingsgebied van de hamster (Cricetus cricetus) en hazeLmuis (Muscardinus aveLLanarius) is beperkt tot Zuid-Limburg. Voor de noordse woeLmuis (Microtus oeconomus) geLdt dat deze soort een zeer natte, kruidenrijke vegetatie behoeft en dat de verspreiding zich beperkt tot de Lage, natte deLen van NederLand. DerhaLve kan worden gesteLd dat binnen het pLangebied geen van de genoemde soorten voorkomen. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het pLangebied. SLaapmuizen Het verspreidingsgebied van de eikeLmuis (ELiomys quercinus) beperkt zich tot specifieke gebieden in ZuidLimburg. De soort kan voor het pLangebied worden uitgesLoten.
In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het pLangebied. Ware muizen Het verspreidingsgebied van de grote bosmuis (Apodemus fLavicoLLis) beperkt zich tot de oostgrens van NederLand en Ligt ver buiten het pLangebied. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het pLangebied. Voor de overige ware muizen geLdt dat zij door de provincie FLevoLand voor ruimteLijke ingrepen zijn vrijgesteLd van de Wet natuurbescherming. Spitsmuizen Het verspreidingsgebied van de veLdspitsmuis (Crocidura Leucodon) betreft Twente en Zeeuws-VLaanderen en Ligt derhaLve buiten het pLangebied. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is gebonden aan schone wateren met een rijke oevervegetatie. DerhaLve kan worden gesteLd dat beide soorten niet in het pLangebied voorkomen. Voor de overige spitsmuizen geLdt dat zij door de provincie FLevoLand voor ruimteLijke ingrepen zijn vrijgesteLd van de Wet natuurbescherming. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het pLangebied. WoeLmuizen De verspreiding van de moLmuis (ArvicoLa scherman) is beperkt tot Limburg. Sporen zijn van deze soort niet aangetroffen. De pLanLocatie Leent zich dan ook niet voor deze soort. De overige onder dit beschermingsregime vaLLende woeLmuizen zijn door de provincie FLevoLand voor ruimteLijke ingrepen vrijgesteLd van de Wet natuurbescherming.
In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het pLangebied.
22
QUICKSCAN 50360 - BANT
Eekhoorn Tijdens het veLdbezoek werden geen nesten van de eekhoorn (Sciurus vuLgaris) of knaagsporen aangetroffen. De bomen nabij het pLangebied zijn onderzocht. Het pLangebied vertoont dan ook geen essentiëLe functie voor de eekhoorn. In de diverse databases zijn er geen verspreidingsgegevens bekend nabij het pLangebied. Haasachtigen, egeL en vos Deze soorten zijn door de provincie FLevoLand voor ruimteLijke ingrepen vrijgesteLd van de Wet natuurbescherming. Marterachtigen Op het perceeL zijn geen sporen van marterachtigen aangetroffen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de UV Lamp om urine sporen te doen opLichten en de endoscoop om ruimten te inspecteren. Een verbLijfpLaats van de bunzing (MusteLa putorius), hermeLijn (MusteLa erminea) en wezeL (MusteLa nivaLis) zijn niet te verwachten op de pLanLocatie. Er zijn geen potentiëLe verbLijfpLaatsen of migratieroutes met een (robuuste) verbindingszone die zorgt voor dekking (veiLigheid) tegen predatoren. KLeine marterachtigen Het habitat is suboptimaaL geschikt voor kLeine marterachtigen. Wanneer aanwezigheid van kLeine marterachtigen niet kan worden uitgesLoten, dan weL aanwezigheid waarschijnLijk is (bijvoorbeeLd door data uit de NDFF of een omgevingscheck), kan de initiatiefnemer in FLevoLand tussen twee benaderingswijzen kiezen, nameLijk: 1.
Mitigatie
2.
Nader onderzoek
Omdat het om Lastig te inventariseren soorten gaat, kiest FLevoLand voor een pragmatische aanpak. Initiatiefnemers hebben hierin de keuze tussen uitgebreid nader onderzoek om aanwezigheid vast te steLLen, dan weL uit te sLuiten, dan weL ervan uit te gaan dat de soorten er voor zuLLen komen. Of om een aanvraag voor een ontheffing in te dienen met een mitigatiepLan. Het een en ander staat hierover beschreven in de ‘ToeLichtina beleid kLeine marterachtigen' (pdf, 1 MB). Ecofect adviseert om een ontheffing aan te vragen betreffende de kLeine marterachtigen. Overige zoogdieren De in NederLand voorkomende zoogdieren betreffen of zeezoogdieren of sLechts zeLden in Limburgse bossen waargenomen soorten (de wiLde kat (FeLis siLvestris) en Lynx (Lynx Lynx) en de in NederLand gevestigde woLf (Canis Lupus)) ofweL in het bos of open veLd Levende grote hoefdieren. DerhaLve kan worden gesteLd dat binnen het pLangebied geen overige zoogdieren voorkomen. In de diverse databases zijn weL verspreidingsgegevens bekend nabij het pLangebied (het ree: capreoLus capreoLus). ReptieLen en amfibieën en vissen Het pLangebied Ligt buiten het bereik van beschermde reptieLen en amfibieën.
De kLeine watersalamander (Lissotriton vuLgaris), gewone pad (Bufo bufo), bruine kikker (Rana temporaria), bastaardkikker (PeLophyLax escuLentus) en meerkikker (PeLophyLax ridibundus) zijn door de provincies voor ruimteLijke ingrepen vrijgesteLd
23
QUICKSCAN 50360 - BANT
van de Wet natuurbescherming. De effectafstanden en invloeden van genoemde soorten zijn dus irrelevant. De ingreep heeft geen invloed op het habitat van deze soorten. De beschermde vissen zijn rivieroptrekkende zoutwater soorten die niet of nauweLijks in Nederland worden aangetroffen. De beekdonderpad (Cottus rhenanus), beekprik (Lampetra planeri), elrits (Phoxinus phoxinus) en gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) zijn soorten van schone heldere continu stromende beken en zijn (grotendeels) beperkt tot de provincie Limburg. De beekprik komt ook elders op de hogere zandgronden voor en van de elrits bevindt zich een geïsoleerde populatie op de Veluwe. De kwabaal (Lota lota) is een soort van grote wateren en riviertjes. Dergeüjke leefgebieden komen in het plangebied ook niet voor. Derhalve kan worden gesteld dat in het plangebied geen onder dit beschermingsregime voorkomende vissen te verwachten zijn. De ingreep heeft geen invloed op het habitat van deze soorten. Weliswaar dat voor de algemene soorten vanuit zorgplicht een reptielenscherm aangebracht dient te worden langs de watergangen aan de noord-, oost-, en zuidzijde van het perceel. Ten aanzien van het dempen van de watergang aan de zuidzijde wordt een ecologisch werkprotocol geadviseerd. Voorafgaand wordt een nader onderzoek rugstreeppad gevraagd door de provincie.
VĻinders en libellen In het plangebied komen geen voedselarme wateren of vegetaties voor die geschikt zijn als leefgebied voor onder dit beschermingsregime vallende libellen en dagvlinders. Het voorkomen van deze libellen en vlinders kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Overige ongewervelden Het oeveraas (Palingenia longicauda), de juchtleerkever (Osmoderma eremita) en Bataafse stroommossel (Unio crassus) zijn uit Nederland verdwenen. Van de vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus) is slechts een populatie nabij Maarheeze (Noord-Brabant) bekend. Omdat veensloten en vennen met schoon water ontbreken in het plangebied kan het voorkomen van andere overige ongewervelden redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied bevindt zich buiten het bekende verspreidingsgebied van de Europese rivierkreeft (Astacus astacus) en het vliegend hert (Lucanus cervus). In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.
24
QUICKSCAN 50360 - BANT
6.3 Houtopstanden Op de pLanLocatie worden geen bomen gekapt zoaLs bedoeLd in het onderdeel, houtopstanden van de Wet natuurbescherming. Overtreding op dit onderdeeL Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Hoofdstuk 4 wet natuurbescherming regeLt de bescherming van houtopstanden. Een bij wet beschermde houtopstand betreft een zeLfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend buiten de bebouwde kom, die een oppervLakte grond besLaat van tien are of meer, of bestaat uit een rjbepLanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaaL aantaL rijen. Voor het kappen (van een deeL) van een beschermde houtopstand geLdt meLd- (artikeL 4.2) en herpLantpLicht (artikeL 4.3). Er geLdt een verbod op de kap aLs het voornemen daartoe niet (maximaaL een jaar en minimaaL een maand) vooraf is gemeLd bij bevoegd gezag. Binnen drie jaar moet dezeLfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbepLant. De gemeenteraad steLt de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming vast. Het bevoegd gezag is meestaL de provincie waar (het grootste deeL van) de ingreep pLaatsvindt, soms is dat het Rijk. ProvinciaLe staten kunnen in de provinciaLe verordening regeLs opnemen over de meLding en de herpLant, zoaLs herpLant op andere gronden dan waar de (deeLs) geveLde opstand stond. Deze regeL geLdt niet voor : 1.
Houtopstanden binnen de bij besLuit van de gemeenteraad vastgesteLde grenzen van de bebouwde kom;
2.
Houtopstanden op erven of in tuinen;
3.
Fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
4.
NaaLdbomen, kenneLijk bedoeLd om te dienen aLs kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;
5.
Kweekgoed;
6.
Uit popuLieren of wiLgen bestaande: a.
WegbepLantingen;
b.
BepLantingen Langs waterwegen, en
c.
Eenrijige bepLantingen Langs Landbouwgronden;
7.
Het dunnen van een houtopstand;
8.
Uit popuLieren, wiLgen, essen of eLzen bestaande bepLantingen die kenneLijk zijn bedoeLd voor de productie van houtige biomassa, indien zij: a.
Ten minste eens per tien jaar worden geoogst;
b.
Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per bepLantingseenheid, zijnde een aaneengesLoten bepLanting die niet wordt doorsneden door onbepLante stroken breder dan twee meter, en
c.
Zijn aangeLegd na 1 januari 2013.
25
QUICKSCAN 50360 - BANT
Verantwoording Literatuur / bronnen ^
Wet Natuurbescherming
^
Omgevingsverordening
^
Fauna inventarisatie, Rik Schoon
^
150416
_Rapport_Effectafstanden_Natura_2000.pdf
Materiaal ^
Camera
•
Zaklamp
•
Thermometer
•
Windmeter
•
Verrekijker
•
Endoscoop
•
Ladder (5 meter)
•
Uv lamp
Internet ^
www.rvo.nL
^
www.bij12.nL
^
wwww.verspreidingsatLas.nL
^
www.zoogdiervereniging.nL
^
www.ndff.nL
^
www.synbiosys.aLterra.n I7natura2000
^
https://atLasnatuurLijkkapitaaL.nL/kaarten
^
www.natura2000.nL
^
https://www.infomiL.nL
26
QUICKSCAN 50360 - BANT
Bijlagen Overijssel
Flevoland
Gelderlan ____ d____ Utrecht
NoordBrabant
Zuid-
Holland
Zeeland
NoordHolland
Lim burg
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Apodemus sylvaticus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Bunzing
Mustela putorius
x5
x
x
x
Dwergmuis
Micromys minutus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Dwergspitsmuis
Sorex minutus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Egel
Erinaceus europaeus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Eekhoorn
Sciurus vulgaris
Gewone bosspitsmuis
Sorex araneus
Zoogdieren
x
x
3.31)
Drenthe
Microtus agrestis
Bosmuis
Wetenschappelijke naam
EZ(AmvB RN art.
Friesland
Aardmuis
Nederlandse naam
Ministerie
Groningen
Vrijgestel.de soorten per provincie
x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x5
x
Haas
Lepus europeus
Hermelijn
Mustela erminea
Huisspitsmuis’
Crocidura russula
x
x
x
x
x
x
x
x
Konijn
Oryctolagus cuniculus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Molmuis
Arvicola scherman
Ondergrondse woelmuis
Pitymys subterraneus
x
x
x
x
Ree
Capreolus capreolus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Rosse woelmuis
Clethrionomys glareolus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Steenmarter
Martes foina
Tweekleurige bosspitsmuis
Sorex coronatus
x
x
x x
x
x
x
x
x
x2
Veldmuis’
Microtus arvalis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Vos
Vulpes vulpes
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Wezel
Mustela nivalis
x
x5
x
x
x
Wild zwijn
Sus scrofa
Woelrat
Sus scrofa
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Rana temporaria
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Gewone pad
Bufo bufo
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Hazelworm
Anguis fragilis
Kleine watersalamander
Lissotriton vulgaris
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Levendbarende hagedis
Zootoca vivipara
Meerkikker
Pelophylax ridibundus Pelophylax klepton esculentus
Amfibieën en reptielen Bruine kikker
Middelste groene kikker / bastaardkikker
x3 x
x
x4 x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
’ voor deze soorten daarnaast algemene vrijstelling in/op gebouwen en bijbehorende erven Wnb 3.10 3e lid xi = vrijstelling geldt in de periode maart- april en juli tot en met november x2 = vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met februari x3 = vrijstelling geldt in de periode juli, augustus en september x4 = vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met 15 oktober x5 = de vrijstelling voor deze soorten wordt ingetrokken met de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening 2022
27
QUICKSCAN 50360 - BANT
ecofect
28
QUICKSCAN 50360 - BANT
ecofect
29
QUICKSCAN 50360 - BANT
ecofect
30
QUICKSCAN 50360 - BANT
31
QUICKSCAN 50360 - BANT
ecofect
32
QUICKSCAN 50360 - BANT
Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoaLs hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middeL van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schrifteLijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doeL gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakeLijk voor vervoLgschade, aLsmede schade die voortvLoeit uit toepassingen van de resuLtaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecoLogisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesLoten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakeLijk voor de gevoLgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende fLora of fauna, noch voor de gevoLgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2023 Ecofect B.V.; Nunspeet
í
.* 33
Bestemmingsplan "Bant, Oost - fase 3" Vastgesteld
Bijlage 8
Nader onderzoek vleermuizen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
69
Nader onderzoek soorten
BANT Vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2021
Datum: Project:
29 juni 2023 NOV50395
ecologisch adviesbureau
NADER ONDERZOEK SOORTEN- BANT OOST BANT
INHOUD 1.
Colofon
3
2.
Samenvatting
4
3.
Inleiding
5
3.1
Aanleiding
5
3.2
Planlocatie
5
3.3
Werkzaamheden
6
4.
Wettelijk kader
7
5.
De vleermuis
9
6.
Werkwijze
11
6.1
Vleermuisprotocol 2021
11
6.2
Checklist
11
6.3
Bureauonderzoek
15
6.4
Werkwijze onderzoek
16
6.5
Onderzoeksresultaten
16
7.
Verantwoording
Disclaimer
cofect
17
.'
20
2
NADER ONDERZOEK SOORTEN- BANT OOST BANT
1. Colofon Onderzoek
Nader onderzoek vleermuis
Document
NOV50395
Datum
29juni 2023
Locatie
Bant Oost Bant
Opdrachtgever
BJZ.nu
Opdrachtnemer
Ecofect
Ecoloog
P. Smits
Adres
Laan 21, 8071 JG, Nunspeet
Telefoon
06-41737676
info@ecofect.nl
Internet
www.ecofect.nl
KvK-nummer
87036487
Btw-identificatienr.
NI864184311B01
Rekeningnummer
NL39 RABO 0198 8908 69
cofect
3
NADER ONDERZOEK SOORTEN- BANT OOST BANT
2. Samenvatting Samenvattend: ^
Er zijn geen essentiële vliegroutes van vleermuizen aangetroffen in de te doorsnijden dan wel te vellen houtopstanden.
^
Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie veranderd. Er gaan geen essentiële lijnelementen verloren.
^
Elke inventarisatie is een steekproef gebaseerd op momentopnamen.
^
Hierdoor is niet uitgesloten dat soorten en functies die tijdens de inventarisatie niet waargenomen zijn, op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat met het volgen van de inventarisatieprotocoHen gedaan is 'wat redelijkerwijs verwacht kan worden'. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (Zorgplicht) van de Wet natuurbescherming.
ecofect
4
NADER ONDERZOEK SOORTEN- BANT OOST BANT
3. Inleiding 3.1 Aanleiding BJZ.nu heeft namens client aan Ecofect B.V. gevraagd een vleermuisonderzoek uit te voeren op de planlocatie te Bant. Op basis van bevindingen vanuit de eerder afgenomen Quickscan (Ecofect 50360) is besloten een aanvullend onderzoek uit te voeren conform het vleermuisprotocol 2021. In deze rapportage zijn de bevindingen van diverse veldbezoeken opgenomen. Om zekerheid en inzicht te krijgen op het voorkomen van overtreding van de Wet natuurbescherming hebben we ervoor gekozen om de volledige checklist vleermuizen door te lopen en te rapporteren met daarbij wel de reële inschatting of de aard van de ingreep invloed heeft op het soort.
3.2 Planlocatie De geplande ontwikkelingen betreffen de Bant Oost te Bant (zie figuur 1). De planlocatie betreft een akkerbouwland met een droge greppel aan de westzijde en een afwateringssloot aan de noordzijde. Er is geen bebouwing binnen het plangebied. Bant is een van de tien dorpen in de gemeente Noordoostpolder en telt 1.430 inwoners.
ecofect
5
NADER ONDERZOEK SOORTEN- BANT OOST BANT
3.3 Werkzaamheden Het is de bedoeling om de naastgelegen woonwijk en industrie terrein uit te breiden. Voor het ontwerp en de inhoudelijke vragen hierover wordt verwezen naar de opdrachtgever.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie van het plangebied zal gelijk blijven en ecologisch niet veranderen. De ingrepen en effecten van de ingreep in relatie tot natuurwaarden: ^
Bouwrijp maken terrein
^
Egaliseren terrein
^
Bouwwerkzaamheden
^
Aan- en afvoer materiaal.
^
Heinrichting terrein welke bij de functie wonen verwacht kan worden
ecofect
6
NADER ONDERZOEK SOORTEN- BANT OOST BANT
4. Wettelijk kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wetgeving vervangt de Flora- en faunawet, boswet en natuurbeschermingswet. In deze wet is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming vleermuis.
Wet natuurbescherming Soortbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van soorten. De bescherming is opgedeeld in vijf categorieën met soorten: » Vogels met jaarrond beschermde nesten; » Overige vogels; » Soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I); » Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn en waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt; » Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt. Voor vogels geldt dat er twee categorieën zijn: de vogels met jaarrond beschermde nesten (o.a. Huismus, Gierzwaluw en Buizerd) en de overige broedvogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten hebben een strikte beschermingsstatus binnen de Wet natuurbescherming. Van overige broedvogels zijn hun nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn (periode van nestbouw, eileg, broeden en voeren van de jongen op het nest). Voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn zijn in artikel 3.5 verboden vastgelegd (o.a. verboden om dieren te doden en voortplantings- of rustplaatsen te vernielen) en geldt een strikte beschermingsstatus. Soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, kunnen ingedeeld worden in twee categorieën.
Provincies mogen besluiten om bepaalde soorten vrij te stellen van bescherming in het kader van ruimtelijke ingrepen, beheer en onderhoud. In de meeste provincies geldt - onder andere voor ruimtelijke ontwikkelingen - een vrijstelling voor een selectie van zoogdieren en amfibieën. Voor de overige soorten gelden vergelijkbare verboden (zie artikel 3.10) als voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en geldt eveneens een strikte beschermingsstatus. Voor het overtreden van verbodsartikelen bij ruimtelijke ingrepen is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij bevoegd gezag (veelal de provincie waarbinnen de ingreep plaatsvindt). Voor het verkrijgen van een ontheffing dient een uitgebreide rapportage opgesteld te worden waarin o.a. wordt aangegeven hoe gezorgd wordt dat schade tot een minimum beperkt blijft en of compenserende maatregelen aan de orde zijn.
De Wet natuurbescherming onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen (zie tabel 2). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Het 3e beschermingsregime, andere soorten, betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau (nationaal beschermde soorten). Daarnaast geldt dat voor alle soorten de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs verwacht van men kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen. Alle vleermuissoorten worden strikt beschermd door de Wet natuurbescherming en ook de vaste verblijfplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Hierdoor is er, bij ruimtelijke ingrepen, een ontheffing nodig in het kader van de Wet natuurbescherming wanneer vaste verblijfplaatsen
ecofe
7
NADER ONDERZOEK SOORTEN- BANT OOST BANT
aangetast, vernield en/of verstoord zullen worden of wanneer individuen van de soorten verwond of gedood zullen worden. Het is daarom noodzakelijk om middels aanvullend onderzoek de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen vast te stellen dan wel uit te kunnen sluiten.
cofect
8