6.1 Bestemmingsplan Emmeloord Professor ter Veenstraat 25.pdf
Tekst van het document
Het feit dat voor de hiervoor genoemde gevallen geen wettelijke geluidszone geldt, betekent niet dat een akoestisch onderzoek automatisch niet benodigd is. Indien vooraf aangenomen kan worden dat niet aan de voorkeurswaarde van 48 dB kan worden voldaan, moet een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. De geluidsbelasting van de weg kan hierdoor meegenomen worden in de belangenafweging in het kader van 'een goede ruimtelijke ordening'. Het voornemen voorziet in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten (woningen) binnen een bestaande woonwijk van Emmeloord. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich uitsluitend 30 km/uur- wegen. Het betreffen woonstraten met lage verkeersintensiteiten, waardoor geen relevante geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai te verwachten is. Verwacht wordt dan ook dat ter plaatse van de nieuwe woningen aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk.
5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740.
5.2.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval heeft het plangebied reeds een maatschappelijke bestemming voor maatschappelijke voorzieningen. Volgens het geldende bestemmingsplan 'Emmeloord, Noord en Oost' vallen hieronder alsmede zorginstellingen en aan zorg gerelateerd woonvormen voor bewoners en begeleiders. De voorgenomen herontwikkeling voorziet niet in een gevoeligere functie dan de functie die op dit moment reeds planologisch is toegestaan. Verder ligt het plangebied in een woonwijk waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Een bodemonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
5.2.3
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: ^ ^
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3'^ van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: ^ ^ ^
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3'^ van de grenswaarden.
5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
5.3.2
Situatie plangebied
In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden als een project dat "niet in betekenende mate bijdraagt" aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is dit plan gezien aard en omvang zeker aan te merken als een project dat "niet in betekenende mate bijdraagt" aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat met deze ontwikkeling geen gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen wordt gerealiseerd.
5.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: ^ ^ ^ ^ ^
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: ^ ^ ^
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met de blauwe onderbroken omlijning) en de directe omgeving weergegeven.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld
Bamerweg
Hendnc Stoviniaan
Jansmaliwui
Prol Loientz straat
t n ni n Noofdlljtía I ui a Hm
Korte Aduemļd® Overtutnee
SchoKketwal Meeuwen^
Basisnet weg Basisnet-wegtraject met PAG-indicatie
ei**0" Afbeelding 5.1:
Bnlteraua»'
Basisnet-wegtraject zonder PAG-indicatie
Uitsnede Risicokaart (Bron: www.risicokaart.nU
Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: ^ ^ ^ ^
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Ten oosten op circa 900 meter van het plangebied bevindt zich de snelweg A6. Deze snelweg behoort tot het Basisnet wegtraject: A6 knooppint Emmeloord - afrit 15 (De Munt). Voor dit wegtraject geldt geen plasbrand aandachtsgebied. Verder ligt het groepsrisicoplafond op 74 meter. Gelet op de ruimte afstand tot het plangebied is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk.
5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De VNG-uitgave gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van woningen worden gesitueerd.
5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Het plangebied is gelegen in de kern Emmeloord. Rondom de locatie liggen woningen, maatschappelijke functies (onderwijsinstellingen) en sportfuncties. Het gebied kan daarom worden aangemerkt met het omgevingstype 'gemengd gebied'. Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
5.5.3
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Woonfuncties zijn niet aan te merken als milieubelastende functies en zijn daarom niet van negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van omliggende woonfuncties.
5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De functie 'wonen' is namelijk aan te merken als milieugevoelige functie. Zoals hiervoor reeds aangegeven liggen rondom het plangebied hinder veroorzakende functies in de vorm van onderwijsinstellingen en sportvoorzieningen. Geurhinder veroorzakende functies zoals veehouderijen liggen op grote afstand buiten de kern Emmeloord en worden hier buiten beschouwing gelaten. In de onderstaande tabel worden milieubelastende activiteiten/functies benoemd, welke zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie (maximaal) wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het plangebied en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke minimale afstand hiertussen bedraagt (eventueel per fase). Functie
Categorie
Richtafstand gemengd gebied
Daadwerkelijke afstand tussen bestemmingsvlakken (circa)
Maatschappelijk (onderwijsinstelling) Professor ter Veenstraat 6 Maatschappelijk (onderwijsinstelling) Professor ter Veenstraat 5 Sport (openlucht ijsbaan) Hendric Stevinlaan Sport (parkeerterrein) Boslaan Sport (sportcentrum) Boslaan 28
2
10 meter voor geluid
20 meter
2
10 meter voor geluid
25 meter
4.2
200 meter voor geluid
55 meter
2
30 meter voor geluid
80 meter
3.1
30 meter voor geluid
150 meter
In voorliggend geval wordt aan de richtafstanden voldaan, met uitzondering van de openluchtijsbaan. Hierbij wordt opgemerkt dat het geen permanente ijsbaan betreft, maar een ijsbaan die uitsluitend in koude winters met voldoende natuurijs wordt gebruikt. Verder is er sprake van tussenliggende woonbebouwing aan de Hendric Stevinlaan. Gelet op het beperkte gebruik van de ijsbaan en de afschermende werking van tussenliggende bebouwing wordt ervan uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vorm geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat" Vastgesteld
5.6
Ecologie
5.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
5.6.2
Gebiedsbescherming
5.6.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
5.6.2.2 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden 'IJsselmeer' en 'Ketelmeer ä Vossemeer' liggen op een afstand van circa 11 kilometer. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Gelet op de forse onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Gelet op de kleinschalige aard en omvang van de ontwikkeling (maximaal 16 woningen) en de grote afstand tot de Natura 2000-gebied wordt geen stikstofdepositie op deze gebieden verwacht. Deze conclusie kan worden gesterkt met het feit dat voor omvangrijkere woningbouwprojecten (ca. 150 woningen) ter plaatse van nieuwbouwwijk Emmelhage stikstofonderzoek is uitgevoerd met de uitkomst dat er geen sprake was van stikstofdepositie op natura 200 gebieden. 5.6.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 600 meter afstand ten oosten van het plangebied buiten de kern Emmeloord. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland.
5.6.3
Soortenbescherming
5.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval Alcedo natuurprojecten ter plaatse van het plangebied een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hierna worden de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek beknopt samengevat. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting.
5.6.3.2 Resultaten quickscan flora en fauna Op basis van de quickscan kan het volgende worden geconcludeerd: ^ ^ ^ ^ ^
Op de onderzochte locatie is het voorkomen van middels de Wnb beschermde diersoorten niet direct aangetoond; Het kan echter niet worden uitgesloten dat er ter plaatse geen vaste verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis of laatvlieger aanwezig zijn; Soortgericht vervolgonderzoek volgens vleermuisprotocol is noodzakelijk; De voorgenomen plannen hebben geen invloed op het aangrenzende Natuurnetwerk Flevoland en/of de gunstige staat van instandhouding van wettelijk beschermde plant- en diersoorten; Het aanvragen van een ontheffing inzake de Wnb is niet noodzakelijk.
Op basis van deze quickscan wordt geadviseerd een vervolgonderzoek uit te voeren volgens het vleermuisprotocol 2017 voor de soorten gewone dwergvleermuis en laatvlieger.
5.6.4
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op beschermde gebieden. Nader onderzoek naar de dwergvleermuis en laatvlieger is noodzakelijk. Op dit moment zijn echter nog geen concrete plannen voor het plangebied gemaakt. Een ecologisch onderzoek naar vleermuizen heeft een beperkte houdbaarheidsdatum. Om die reden is het uitvoeren van een dergelijk onderzoek als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit plan.
5.7
Archeologie ä Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld 5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeenteraad van Noordoostpolder beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Op basis van de archeologische verwachtingskaart beschikt het plangebied over een lage archeologische verwachtingswaarde. Doorvertaald naar de archeologische beleidsadvieskaart houdt dit in dat met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse geen beperkingen gelden. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" dient te bevatten.
5.7.2.2 Situatie plangebied Op basis van cultuurhistorische waardenkaart Flevoland en het gemeentelijke beleidsstuk 'Erfgoed in de gemeente Noordoostpolder, blijkt dat zich binnen het plangebied cultuurhistorische waarden bevinden. In de directe omgeving van het plangebied komen eveneens geen monumenten of cultuurhistorische waarden voor die in relatie tot voorliggend plan relevant zijn.
5.7.3
Conclusie
Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. In het plangebied en in de omgeving van het plangebied komen geen cultuurhistorische waarden voor.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: ^
^
^
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
5.8.2
Situatie plangebied
5.8.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op grote afstand van Natura 2000-gebied (ca. 11 kilometer). In paragraaf 5.6 is reeds geconcludeerd dat gelet op de grote onderlinge afstand directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) en indirecte hinder als gevolg van stikstofdepositie niet aan de orde. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is geen sprake. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen en vormt daarmee een besluit in het kader van het besluit me.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is er mogelijk sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject'. Het voornemen betreft een transformatie van een bestaand woonerf met één woning, naar een erf met twee woningen. Het betreft een fysieke ontwikkeling met mogelijke milieugevolgen. Zekerheidshalve wordt getoetst of er sprake is van een m.e.r-beoordelingsplicht. Hiervan is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit (o.a. 2.000 of meer woningen) wordt vergeleken met de omvang van de ontwikkeling (het realiseren van maximaal 16 woningen), wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk en bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat" Vastgesteld
5.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen significant negatieve effecten te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld
Hoofdstuk 6 6.1
Wateraspecten
Algemeen
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
6.2
Beleidskaders
6.2.1
Waterbeheerplan 2016-2021
Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) is de opvolger van WPB2+ en bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema 'water en ruimte'. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen.
6.2.2
Stroomgebiedsvisie Flevoland (2003)
De Noordoostpolder is gelegen binnen het plangebied van de stroomgebiedsvisie Flevoland. In de watervisie voor 2015 wordt het plangebied aangeduid als een gebied met een vitaal watersysteem. Voor de gemeente Noordoostpolder zijn de wateropgaven onderverdeeld in een aantal generieke maatregelen en in de resterende wateropgave. De generieke maatregelen houden onder andere in: ^ ^ ^
afvoerblokkering in natuurgebieden; vasthouden van water in natuurgebieden en landbouwgebied; realisatie van duurzame oevers.
Oplossingsrichtingen voor de resterende wateropgave zijn onder andere bergen in open water en efficiënt uitmalen.
6.2.3
Beleid gemeente Noordoostpolder en waterschap Zuiderzeeland
De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (april 2006). Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Als aanvulling op het Stedelijk waterplan is in 2011 door het Waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke "Maatwerkovereenkomst stedelijk water" ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daardoor beter verankerd. Verdere actualisatie met het oog op onder andere de klimaatadaptatie is verwerkt in het gezamenlijk met het Waterschap Zuiderzeeland opgestelde Watertakenplan Noordoostpolder 2019-2024.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld
6.3
Watertoetsproces
6.3.1
Algemeen
Het waterbelang is sinds 1 november 2003 door middel van de Watertoets verankerd in het 'Besluit ruimtelijke ordening'. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn dertien nationale belangen genoemd, deels op het gebied van water. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige chemische en ecologische waterkwaliteit). Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën: ^ ^
Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren); Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).
De waterparagraaf maakt inzichtelijk hoe het vigerend waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen, waarmee rekening moet worden gehouden bij het uitbreiden van woningbouw in Luttelgeest. Bij de inrichting van de stedenbouwkundige inrichting van dit uitbreidingsplan is rekening gehouden met de wijze waarop op deze locaties wordt omgegaan met water ten aanzien van: 1. 2. 3.
6.3.2
Veiligheid; Voldoende water; Schoon water.
Proces van de Watertoets
Het waterschap Zuiderzeeland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleidt dat de korte procedure van toepassing is. Het waterschap geeft hiermee een positief wateradvies. De uitgangspuntennotitie (bijlage 2) bevat de voor het plan relevante waterhuishoudkundige streefbeelden, strategieën en randvoorwaarden. Situatie plangebied In voorliggend geval is voor het plangebied nog geen concreet plan uitgewerkt. De locatie wordt van haar maatschappelijke bestemming ontdaan en met een woonbestemming in de markt gezet. Op basis van de bouwregels wordt voorkomen dat de hoeveelheid bebouwing ten opzichte van de huidige situatie niet of niet substantieel zal toenemen. Bij de nadere uitwerking van het woongebied zal de waterhuishouding conform de uitgangspunten van het waterschap worden vormgegeven. Hieronder wordt op basis van de standaard waterparagraaf voor zover op dit moment mogelijk op de thema's 'Voldoende water' en 'Schoon water' ingegaan.
Voldoende water (wateroverlast) Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied ligt in stedelijk gebied en voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat" Vastgesteld
Planspecifiek De aanvrager is niet voornemens om een substantieel meer bebouwing te plaatsen ten opzichte van hetgeen in het vigerend bestemmingsplan opgenomen is. Compensatie alleen aan de orde is wanneer de toename in verharding groter is dan 750 m2 ten opzichte van de referentiesituatie van 2012. Vooralsnog wordt geen compensatieopgave verwacht.
Schoon water (goed omgaan met afvalwater) Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunt(en) Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. Planspecifiek Het waterschap adviseert geen uitlogende (bouw)materialen toe te passen bij de realisatie van het plan. Het afvalwater zal worden geloosd op het reeds aanwezige rioolsysteem in de wijk. Het hemelwater wordt waarschijnlijk plaatselijk geïnfiltreerd. Bij de verdere planuitwerking moet dit verder worden onderzocht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat" Vastgesteld
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1.
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
7.2.2
Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.
Algemene regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: ^
Begrippen (Artikel 1)
In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. ^
Wijze van meten (Artikel 2)
Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. De op de verbeelding of in de regels aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat" Vastgesteld
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: ^ ^ ^
7.2.4
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksactiviteiten die niet of juist wel zijn toegestaan;
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: ^
Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
^
Algemene gebruiksregels (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om aan te geven welke vormen van gebruik in elk geval wel en niet strijdig zijn met de aan de grond gegeven bestemming.
^
Algemene afwijkingsregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
^
Overige regels (Artikel 8) In dit artikel zijn regels omtrent het voorzien in voldoende parkeergelegenheid opgenomen.
7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld Tuin (Artikel 3) De voor 'Tuin' aangewezen gronden liggen aan de voorzijde van het woongebied en zijn bestemd voor tuinen, behorend bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen. Daarnaast zijn hier bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere-werken, in- en uitritten, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Op deze gronden mag met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet worden gebouwd.
Woongebied (Artikel 4) De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met de hierbij behorende gebouwen en bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere-werken, tuinen, erven en paden, waterhuishoudkundige voorzieningen, wegen en parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en evenementen. Hoofdgebouwen/woningen moeten binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd. Bijbehorende bouwwerken dienen ten minste 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens dan wel in de zijdelingse perceelgrens te worden gebouwd. De maximale oppervlakte bedraagt 50% van het bij de woning behorende achtererfgebied met een maximum van 100 m2. De oppervlakte van binnen het bouwvlak gebouwde bijbehorende bouwwerken telt niet mee in de bepaling van de gezamenlijke oppervlakte. Bij een woning mag onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit worden uitgevoerd. Ten slotte is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De bestaande bebouwing mag pas worden gesloopt nadat er onderzoek heeft plaatsgevonden naar de vleermuis en de eventuele hieruit volgende maatregelen zijn getroffen.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. In voorliggend geval wordt een exploitatieovereenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Noordoostpolder. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Hiermee is het kostenverhaal op een andere wijze verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld
Hoofdstuk 9 9.1
Vooroverleg
9.1.1
Het Rijk
Vooroverleg, inspraak en zienswijzen
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
9.1.2
Provincie Flevoland
De provincie Flevoland is in het kader van wettelijk vooroverleg geïnformeerd over het plan. De provincie heeft positief geadviseerd op het plan.
9.1.3
Waterschap Zuiderzeeland
Het waterschap Zuiderzeeland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleidt dat de korte procedure van toepassing is. Het waterschap geeft hiermee een positief wateradvies.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Gelet op de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling, is een inspraakprocedure niet noodzakelijk. De omwonenden zijn per brief geïnformeerd over de bestemmingsplanherziening en worden in verdere traject ook geïnformeerd.
9.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 17 februari tot en met 30 maart 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediendd.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld
Bijlagen bij de toelichting
Bijlage 1
Quickscan ecologie
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan "Emmeloord, Prof. ter Veenstraat"
Vastgesteld
Bijlage 2
Watertoetsresultaat
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
45
P
Ter
Emmeloord /' '' ^ "
-
«T-Ŵ-
.
p
'V'"
‘M*r
Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 25 8302 AG, Emmeloord E.J. Ruiter
2
Alcedo Natuurprojecten heeft dit rapport opgesteld in opdracht van BJZ nu. Daarmee is dit rapport eigendom van bovengenoemde op drachtgever. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldig en/of openbaar gemaakt door middel van druk, microfilm, fotokopie, of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Alcedo Natuurprojecten. Het is ook niet toegestaan dit rapport zonder toestemming te gebruiken voor enig ander werk dan waarvoor dit product is ontwikkeld. Alcedo Natuurprojecten is niet aansprakelijk voor gevolgschade of schade welke voortvloeit uit toepassingen van resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Alcedo Natuurprojecten; opdrachtgever vrijwaart Alcedo Natuurprojecten van aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 25 Emmeloord
w Alcedo
natuurprojecten s.
Colofon Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 25 8302 AG, Emmeloord Auteur:
Evert Ruiter
Opdrachtgever:
BJZ.nu Twentepoort Oost 16a 7609 RG Almelo
Contactpersoon:
Sander Slijkhuis, snader@bjz.nu
Opdrachtnemer:
Alcedo Natuurprojecten Cornelis Houtmanstraat 10 8023 EA Zwolle
3
Contactpersoon:
Evert Ruiter, info@alcedo-natuurprojecten.nl
Uitvoer onderzoek:
Evert Ruiter
Projectcode:
2020 - 066
Rapportcode:
2020 - 048
Datum:
25 augustus 2020
Status:
Concept
Te citeren als: Ruiter E.J. 2020. Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 24 Emmeloord, Alcedo Natuurprojecten rapport 2020 - 048. In opdracht van: BJZ.nu
Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 25 Emmeloord
w Alcedo
natuurprojecten s.
Inhoud 1.
2.
3.
4.
5.
Inleiding
5
1.1. Aanleiding
5
1.2. Doel
6
1.3. Leeswijzer
6
Onderzoeksmethode
7
2.1. Algemene opzet en werkwijze
7
2.2. Bronnenonderzoek
7
2.3. Oriënterend terreinbezoek
7
2.4. Volledigheid van het onderzoek
8
2.5. Verantwoording
8
Wettelijk kader
9
3.1. Algemeen
9
3.2. Doelstelling van de Wnb
9
3.3. Welke soorten worden beschermd
9
3.4. Zorgplicht
10
3.5. De verbodsbepalingen
11
3.6. Beschermingsregimes
12
3.7. Natuur Netwerk Nederland
13
3.8. Natura 2000 Beschrijving locatie en ingreep
14 15
4.1. Beschrijving locatie
16
4.2. Beschrijving ingreep
17
Resultaten
17
5.1. Veldbezoek
17
5.2. Flora
17
5.3. Grondgebonden zoogdieren
16
5.4. Vleermuizen
17
5.5. Vogels
18
5.6. Amfibieën, reptielen en vissen
19
5.7. Dagvlinders, libellen en overige ongewervelden
19
6.
Toetsing aan de Wnb
20
7.
Conclusies en aanbevelingen
21
8.
Bronvermeldingen
22
Bijlage 1: Foto overzicht
23
Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 25 Emmeloord
w Alcedo
natuurprojecten s.
4
1. Inleiding 1.1.
Aanleiding en vraag
Aan de Professor Ter Veenstraat 25 te Emmeloord bevindt zich een woon-zorg locatie voor verstandelijk gehandicapten van Stichting Triade. Stichting Triade is voornemens om de locatie aan de Professor Ter Veenstraat te verlaten en op een nieuwe locatie in Emmeloord een nieuw woon-zorg complex te gaan bouwen. De bebouwing aan de Professor Ter Veenstraat zal worden afgebroken en ter plaatse zullen woningen worden gebouwd. De kans bestaat dat vanwege de geplande ingreep (het afbreken van de huidige bebouwing) huisvesting of foerageerbiotoop middels de Wet Natuurbescherming (Wnb) beschermde diersoorten in het gedrang komt. Een ecologisch onderzoek zal moeten uitwijzen of dit ook daadwerkelijk het geval is. Daartoe zal een ecologische quickscan moeten worden uitgevoerd. De resultaten van deze quickscan kunnen bepalend zijn voor vervolgonderzoek op basis van het vleermuisprotocol en/of kennisdocumenten. BJZ.nu uit Almelo heeft het ecologisch adviesbureau Alcedo Natuurprojecten uit Zwolle verzocht deze ecologische quickscan uit te voeren. In deze rapportage wordt uiteengezet hoe de opdracht is uitgevoerd en wat de conclusies daarvan zijn.
De ecologische quickscan is uitgevoerd op basis van de vraag: wat is het effect van de voorgenomen ingreep op de aanwezig flora en fauna?
1.2.
Doel
Het doel van het onderzoek, de ecologische quickscan, is het controleren en onderzoeken van de locatie op de aanwezigheid van middels de Wnb beschermde diersoorten en het uitbrengen van advies ten aanzien van eventuele vervolgstappen. Het uitgevoerde onderzoek is samen te vatten in zes vragen: 1.
Welke beschermde soorten, zoals genoemd in de Wnb zijn op de locatie aanwezig?
2.
Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze beschermde soorten?
3.
Worden bij uitvoer van de voorgenomen plannen verbodsbepalingen van de Wnb overtreden?
4.
Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen?
5.
Is vervolgonderzoek noodzakelijk?
6.
Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een ontheffing van de Wnb aan te vragen bij de provinciale overheid.
Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 25 Emmeloord
w Alcedo
natuurprojecten s.
1.3.
Leeswijzer
In dit hoofdstuk is beschreven hoe dit onderzoek, het uitvoeren van ecologisch onderzoek in het kader van soort- en gebiedsbescherming, tot stand is gekomen en werd de doelstelling vertaald naar onderzoeksvragen. In hoofdstuk 2 wordt de onderzoeksmethodiek besproken. In hoofdstuk 3 wordt het wettelijk kader uiteengezet. In hoofdstuk 4 volgt een algemene beschrijving van de onderzochte locatie en de voorgenomen ingrepen. In hoofdstuk 5 volgt de synthese van de resultaten en wordt een effectentoetsing uitgevoerd op beschermde soorten in het kader van de WNB. In hoofdstuk 6 volgt een effectentoetsing op de gebiedsbescherming Wnb. In hoofdstuk 7 volgen de conclusies en aanbevelingen met eventuele mitigerende maatregelen en wordt de eventuele noodzaak aangegeven tot vervolgonderzoek. Hierna volgen de geraadpleegde bronnen en bijlagen met een foto impressie van de onderzochte locatie.
6
Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 25 Emmeloord
w Alcedo
natuurprojecten s.
2. Onderzoeksmethodiek 2.1.
Algemene opzet en werkwijze
Dit onderzoek betreft een quickscan. Op basis van een grondig onderzoek op locatie is een inschatting is gemaakt van de (potentiële) aanwezigheid van en mogelijke nadelige effecten op beschermde diersoorten. Deze inschatting is gemaakt op basis van parate kennis van soorten en expert judgement. Vervolgens is een inschatting gemaakt van te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten. De mogelijk negatieve effecten zijn getoetst aan de Wnb.
2.2.
Bronnenonderzoek
Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Voor een actueel overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen zijn verspreidingsgegevens van internetmedia en diverse verspreidingsatlassen van relevante soortgroepen en (jaar)verslagen van Particuliere Gegevens-beherende Organisaties (PGO's) geraadpleegd (zie geraadpleegde bronnen).
2.3.
7
Oriënterend terreinbezoek
—
De locatie is op 24 augustus 2020 bezocht. Het bezoek vond overdag plaats onder gunstige weercondities. Tijdens dit bezoek is op basis van de opdrachtgever aangeleverde gegevens zoveel mogelijk concrete informatie te verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten, o.a. via zicht- en gehoorwaarnemingen, sporenonderzoek, nesten, holen, uitwerpselen, enzovoorts. Ook is de wijde omgeving van het plangebied bekeken en een inschatting gemaakt van hoe dieren de locatie en het omliggende terrein kunnen gebruiken als plaats om te foerageren, er langs te trekken, er te rusten of het anderszins te benutten.
2.4.
Volledigheid van het onderzoek
Gedurende het veldonderzoek wordt een inschatting van een gebied gemaakt, maar met een dergelijk veldonderzoek is het nooit zeker dat alle aanwezige soorten ook daadwerkelijk waargenomen (kunnen) worden. Een ervaren veldbioloog kan wel een goede inschatting maken van de kans dat beschermde soorten een plangebied benutten. Dit gebeurt aan de hand van parate kennis van beschermde soorten, hun habitatvoorkeur, ecologie en op basis van vooronderzoek m.b.t. de te onderzoeken locatie. Op basis van het veldbezoek, bronnenonderzoek en eventueel overleg met de eigenaar wordt er een goede inschatting is gemaakt van het voorkomen van beschermde soorten.
Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 25 Emmeloord
w Alcedo
natuurprojecten s.
2.5.
Verantwoording
Het veldwerk is uitgevoerd en de rapportage geschreven door Evert Ruiter, werkzaam vanuit Alcedo Natuurprojecten uit Zwolle. Alle in het rapport gebruikte foto's zijn gemaakt door Evert Ruiter, tenzij anders vermeld.
8
Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 25 Emmeloord
w Alcedo
natuurprojecten s.
3. Wettelijk kader 3.1. Algemeen De bescherming van planten- en diersoorten is in Nederland geregeld in de Wet natuurbescherming (verder te noemen Wnb). Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt ruim 900 soorten in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet.
3.2. Doelstelling van de Wnb ^ ^ ^
het beschermen en ontwikkelen van de natuur; het behouden en herstellen van biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen.
De Wet natuurbescherming benoemt niet welke concrete activiteiten wel of niet zijn toegestaan. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten. Dit betekent in de praktijk dat het gaat om het effect van uw activiteiten op beschermde soorten. Heel vaak gaan activiteiten en werkzaamheden en de bescherming van soorten prima samen. Als u uw werk zo kunt inrichten dat u geen schade toebrengt aan beschermde soorten, dan hoeft u vooraf niets te regelen. Soms is het echter onvermijdelijk dat schade ontstaat aan beschermde dieren of planten. In die situaties is het nodig dat u vooraf bekijkt of hiervoor een wijsteNing geldt, of dat een ontheffing moet worden aangevraagd ('nee-tenzij'-beginsel).
3.3. Welke soorten worden beschermd? De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten: » » »
Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn; Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn; Andere soorten waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.
Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 25 Emmeloord
w Alcedo
natuurprojecten s.
3.4. Zorgplicht In de Wnb is ook een zorgplicht vastgelegd. Deze plicht geldt te allen tijde en houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Deze plicht geldt voor iedereen en voor alle planten en dieren, beschermd of niet. De Memorie van Toelichting zegt het zo: "De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd".
10
Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 25 Emmeloord
w Alcedo
natuurprojecten s.
3.5. De verbodsbepalingen
Beschermingsregimes Vogelrichtlijn Ş 3.1 Wnb
Habitatrichtlijn Ş 3.2 Wnb
Andere soorten Ş 3.3 Wnb
Artikel 3.1 lid 1
Artikel 3.5 lid 1
Artikel 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild
Het is verboden soorten in hun
Het is verboden soorten
levende vogels opzettelijk te
natuurlijke verspreidingsgebied
opzettelijk te doden of te
doden of te vangen.
opzettelijk te doden of te
vangen.
vangen. Artikel 3.1 lid 2
Artikel 3.5 lid 2
Artikel 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk
Het is verboden om dieren
Het is verboden de vaste
nesten, rustplaatsen en eieren
opzettelijk te verstoren.
voortplantingsplaatsen of
van vogels te vernielen of te
rustplaatsen van dieren
beschadigen, of nesten van
opzettelijk te beschadigen of te
vogels weg te nemen.
vernielen.
Artikel 3.1 lid 3
Artikel 3.5 lid 3
Artikel 3.10 lid 1c
Het is verboden eieren te
Het is verboden om eieren van
Het is verboden planten in hun
rapen en deze onder zich te
dieren in de natuur opzettelijk
natuurlijke verspreidingsgebied
hebben.
te vernielen of te rapen.
opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Artikel 3.1 lid 4 en lid 5
Artikel 3.5 lid 4
Het is verboden vogels
Het is verboden de
opzettelijk te verstoren, tenzij
voortplantingsplaatsen of
de verstoring niet van
rustplaatsen van dieren te
wezenlijke invloed is op de
beschadigen of te vernielen.
staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5 lid 5 Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Tabel 1. Overzicht verbodsbepalingen
Ecologische Quickscan Professor Ter Veenstraat 25 Emmeloord
w Alcedo
natuurprojecten s.
11
3.6. Beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn en een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels, in totaal ruim 700 soorten, zijn (beschermd). Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten (flora, fauna en avifauna) beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: ^ Er mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. ^ Er moet tegenover een afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. ^ De ingreep mag geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. 12 —