4.1 Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark.pdf
Tekst van het document
De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. De situatie van het beheergebied begin 2013 is de nulsituatie. De compensatieplicht geldt voor de netto toename van het verhard oppervlak vanaf de nulsituatie.
Genoemde beleidsregel wordt herzien met een verwachte vaststelling rond 2027. Daarbij wordt ook de bergingsnorm geactualiseerd in lijn met de meest recente KNMI-klimaatscenario's en neerslagstatistieken. De bestaande bergingsnorm maakt dan plaats voor een methodiek in de vorm van een universele norm die toepasbaar is voor open water én alternatieve waterberging. Voor een klimaatbestendige leefomgeving, nu en in de toekomst, is voldoende ruimte voor water cruciaal. In dit licht vragen wij initiatiefnemers uitdrukkelijk om nu al uit te gaan van de adviesbergingsnorm. Deze is gebaseerd op KNMI-klimaatscenario's van 2023 en bijbehorende neerslagstatistiek: 10,2 m³/100 m² toename verhard oppervlak.
Het plangebied ligt in landelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto toe. Deze toename is groter of gelijk aan 2.500 m², namelijk 23.350 m². Hierdoor is compensatie nodig. Voor het versneld tot afvoer laten komen van neerslag door aanleg van nieuw verhard oppervlak is door het Waterschap Zuiderzeeland reeds een vergunning verleend (d.d. 21 januari 2025, kenmerk ZZL/ WPRC-1761502147-24). De benodigde watercompensatie van tenminste 934 m² is reeds aangelegd als oppervlaktewater rondom het glastuinbouwbedrijf. De kennisgeving en bijbehorende brief is opgenomen in bijlage 11.
Thema schoon water
Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld: Het gronden oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische en ecologische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.
Uitgangspunten Conform de Omgevingswet is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen te brengen in oppervlaktewateren. In bestaande en nieuwe watersystemen wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen van hemelwater worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Daarnaast geldt het principe 'vasthouden, bergen en afvoeren'. Dit om afwenteling
32
Omgevingsplan (voorontwerp)
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark (wateroverlast) te voorkomen.
Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat schoon en vervuild hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Als infiltratie niet kan dan door lozing in oppervlaktewater, waarbij vervuild hemelwater vooraf gezuiverd wordt. Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon hemelwater af te koppelen van het rioolstelsel. Het ombouwen van bestaande gemengde stelsels naar gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur.
Randvoorwaarden Onder schoon hemelwater wordt het volgende verstaan. Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1.000 voertuigen per etmaal; Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; Hemelwater van daken/bebouwing waarbij geen voor het watersysteem schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; Hemelwater van onverhard terrein; Hemelwater van centrumgebieden (met uitzondering van marktterreinen). Als het afstromend hemelwater hier niet aan voldoet, dan geldt het volgende.
Op grond van art. 2.12 van de Waterschapsverordening gelden emissiegrenswaarden voor afstromend hemelwater van parkeerterreinen met meer dan 50 parkeerplaatsen en van wegen met meer dan 1.000 vervoersbewegingen per etmaal. Deze emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als het hemelwater een bodempassage doorstroomt die voldoet aan de richtlijnen in de Kennisbank Stedelijk Waterbeheer van Stichting RIONED.
Aan lozingen in oppervlaktewater als gevolg van uitlogende (bouw)materialen (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld.
Er wordt niet voorzien in het gebruik van uitlogende (bouw)materialen. Binnen het plan worden 190 parkeerplaatsen aangelegd. Het afstromend hemelwater wordt via een kolkenstelsel opgevangen en wordt gezuiverd door een put met slibvang en olieafscheider om te voldoen aan de lozingsnorm die het waterschap stelt (omdat er meer dan 50 parkeerplaatsen worden aangelegd). De HWA-leiding wordt aangesloten op het bestaande HWA-stelsel van naastgelegen migrantenpark en parkeerterrein en loost vervolgens in het reeds aangelegde oppervlaktewater (waterberging) rondom het glastuinbouwbedrijf.
Matige tot slechte kwaliteit kwelwater Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap wordt vroegtijdig betrokken voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem.
Op basis van het overleg met het waterschap is de benodigde omgevingsvergunning verleend voor de voorgenomen ontwikkeling.
Omgevingsplan (voorontwerp)
33
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.
Uitgangspunten Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen.
De volgende voorkeursvolgorde geldt in het omgaan met afvalwater: 1. Lozingen in oppervlaktewater voorkomen; 2. Afvalwater vergaand hergebruiken; 3. Aansluiten afvalwaterstroom op riolering; 4. Afvoeren per as (transport); 5. Opslaan en gelijkmatig verspreiden over akkerland; 6. Lokaal zuiveren (IBA) en lozen in oppervlaktewater;
Randvoorwaarden Bij het afvoeren van afvalwater via openbare riolering naar een rioolwaterzuivering (AWZI) geldt dat de inrichting van de riolering in een plangebied wordt afgestemd op de infrastructuur van de gemeente en het waterschap.
Aan lokaal zuiveren en lozen van huishoudelijk afvalwater worden minimale afstandscriteria tot de openbare riolering en emmissiegrenswaarden gesteld in de Waterschapsverordening. Hiervoor gelden strengere eisen bij lozing in oppervlaktewater met bijzondere bescherming op grond van de Omgevingswet, bijbehorende regelingen en de Waterschapsverordening.
De lozingsroute van het huishoudelijke afvalwater wordt aangesloten op de bestaande afwatering van Nieuwlandseweg 2. Het gaat hierbij om een privaat rioleringssysteem dat in het glastuinbouwgebied aangelegd is en dat aansluit op het publieke rioleringssysteem van de gemeente noordoostpolder. Deze lozingsroute is van voldoende omvang voor het aantal huishoudens.
Goed functionerend watersysteem Streefbeeld: Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste gronden oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk.
Uitgangspunten
34
Omgevingsplan (voorontwerp)
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
In het hele beheergebied streeft het waterschap na dat de aanwezige functies worden gefaciliteerd door goed en voldoende water.
Randvoorwaarden Het waterschap wil een watersysteem met grote peilvakken. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar watergangen met een minimum aantal duikers of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed beheerbaar is.
De benodigde watercompensatie van tenminste 934 m² maakt deel uit van het reeds vergunde en aangelegde oppervlaktewater rondom het glastuinbouwbedrijf. Voor de migrantenhuisvesting wordt zo gebruik gemaakt van het overschot aan compensatie voor de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf welke op een hoger peil is aangelegd en middels een stuw versnelde afvoer naar het bestaande watersysteem dient te voorkomen.
5.4.4 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling. Aan de relevante instructieregels van zowel het Bkl als de revelante waterschapsverordening is voldaan. Voor maatregelen tegen het versneld tot afvoer laten komen van neerslag door aanleg van nieuw verhard oppervlak is door het Waterschap Zuiderzeeland reeds een vergunning verleend.
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1 Instructieregels Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. Vanaf 1 januari 2024 zijn de normen voor luchtkwaliteit vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hoofdstuk 5, paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl bevat instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, om de gezondheid en het milieu te beschermen in het geval van een agglomeratie. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig.
Er zijn enkele situaties die de overheid nog wel landelijk moet beoordelen: het toestaan van milieu belastende activiteiten; de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of wanneer een bestaande tunnel minimaal 100 meter wordt verlengd; de aanleg van een autosnelweg. 5.5.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen het volgende toepassingsbereik: de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Daarnaast is de gemeente Noordoostpolder niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Een toets aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit is daarom niet aan de orde.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een afweging van de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling plaats te vinden. Dit is
Omgevingsplan (voorontwerp)
35
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).
De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Blokzijlerdijk, 3,8 km ten noordoosten van het plangebied. Uit de CIMLK-viewer blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen; 6,5 µg/m³ voor NO2 , 12,7 µg/m³ voor PM1 0 en 6,3 µg/m³ voor PM2 ,5 . Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM1 0 bedroeg 6 dagen. Op deze weg bevinden zich veel motorvoertuigen bewegingen, waardoor de waardes voor stikstofdioxide en fijnstof hoger liggen dan waarschijnlijk het geval is in het projectgebied. Dichter gelegen wegen, zoals de Nieuwlandseweg en de Oosterringweg, beschikken niet over hoge concentraties stikstof en/of fijnstof en zijn niet opgenomen in de CIMLK-viewer.
Gezien de relatieve grote afstand van het projectgebied tot de Blokzijlerdijk is ook op basis van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit ter plekke van de Nieuwlandseweg 6. De waarde voor fijnstof bedraagt grofweg 6 µg PM2,5 / m3 en de waarde voor stikstof bedraagt grofweg 6 µg NO2 / m3. Deze concentraties vallen nog steeds ruimschoots onder de toegelaten grenswaarden. 5.5.3 Conclusie De jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Een aanvullende toetsing van de luchtkwaliteit is voor de Nieuwlandseweg 6 te Luttelgeest niet nodig. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de relevante instructieregels van het Bkl is voldaan.
5.6
Geluid door activiteiten
5.6.1 Instructieregels Bij een nieuwe ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen, maar ook andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid wordt gelaten.
Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: 1. Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder); 2. Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. In Artikel 5.65 Bkl zijn voor geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals windturbines of militaire activiteiten, standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw en in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden zijn van toepassing op nieuwe geluidbelastende activiteiten, maar omgekeerd ook op het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten nabij een geluidbelastende activiteit.
36
Omgevingsplan (voorontwerp)
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
Het geluid door een activiteit is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen:
Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een 07.00-19.00 geluidgevoelig gebouw uur
07.00-19.00 uur
07.00-19.0 0 uur
LA r,LT als gevolg van activiteiten
45 dB(A)
40 dB(A)
van --
65 dB(A)
65 dB(A)
--
65 dB(A)
65 dB(A)
07.00-19.00 uur
07.00-19.0 0 uur
30 dB(A)
25 dB(A)
van --
55 dB(A)
55 dB(A)
--
45 dB(A)
45 dB(A)
LA max door transportmiddelen
50 dB(A)
aandrijfgeluid
LA max door andere piekgeluiden Standaardwaarden toelaatbaar geluidgevoelige ruimten
geluid
LA r,LT als gevolg van activiteiten LA max door transportmiddelen
aandrijfgeluid
LA max door andere piekgeluiden
in 07.00-19.00 uur 35 dB(A)
5.6.2 Toetsing Tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten kan worden beschouwd als een logiesfunctie. Een logiesfunctie is niet geluidgevoelig volgens het Bkl. De beoogde ontwikkeling maakt dus geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk. Wonen geldt niet als een geluidbelastende activiteit in de zin van het Bkl. Het initiatief maakt dus geen geluidshinder mogelijk. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen activiteiten die tot geluidhinder kunnen leiden op het arbeidsmigrantenpark.
Op het naastgelegen perceel, aan de Nieuwlandseweg 4, is al een soortgelijk arbeidsmigrantenpark gevestigd. Op basis hiervan kan ervan uitgegaan worden dat de beoogde ontwikkeling niet (extra) belemmerend is voor de omliggende omgeving en vica versa.
De huisvestingslocatie kan ook een belemmeringen vormen voor de bedrijfsvoering van de glastuinbouwbedrijven in de omgeving. De individuele bedrijfsactiviteiten moeten voldoen aan de regels van de Bruidsschat (voorheen het Activiteitenbesluit). De VNG-afstandentabel uit 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) biedt een indicatie of het aannemelijk is dat de geluidwaarden van de Bruidsschat in acht genomen kunnen worden. Deze bedrijven vallen onder milieucategorie 2, waarbij een richtafstand van 10 meter geldt in een gemengde omgeving. Aangezien de logiesgebouwen op meer dan 10 meter vanaf de erfgrens staan, zal de huisvestingslocatie dus geen belemmering vormen.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek ('Notitie Geluidsbelasting nieuw te bouwen migrantenwoningen', d.d. 12 juni 2025) is opgenomen als bijlage 12. Deze notitie beoordeelt primair het geluid van het wegverkeer over de Nieuwlandseweg. Secundair wordt ook het geluid van het eigen bedrijf berekend zodat een totaalbeoordeling van het gezamenlijk geluid kan plaatsvinden.
Omgevingsplan (voorontwerp)
37
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
Er is een berekening gemaakt van de geluidsbelasting van de bedrijfsmatige activiteiten van Hoogweg Paprika (rekenmodule omgevingswet, methode IVh). Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting niet meer bedraagt dan 39 dB(A) etmaalwaarde. Deze waarde is significant lager dan de eis van 50 dB(A). Er is geen hinder te verwachten van het bedrijfsgeluid. 5.6.3 Conclusie Wonen is niet milieubelastend dus dat is geen belemmering. Er moet wel sprake zijn van 'goede fysieke leefomgeving' (GoFLo). Ook hebben de bedrijven geen last van voorgenomen ontwikkeling en worden ze niet beperkt. Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Aan de relevante instructieregels van het Bkl is voldaan.
5.7
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
5.7.1 Instructieregels In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens navolgende tabel. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens navolgende tabel. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.
5.7.2 Toetsing Tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten kan worden beschouwd als een logiesfunctie. Een logiesfunctie is niet geluidgevoelig volgens het Bkl. De beoogde ontwikkeling maakt dus geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk. Er is in of nabij het projectgebied geen sprake van een spoorweg of een industriegebied. Wel bevindt de projectlocatie zich in een geluidsaandachtegebied van de Nieuwlandseweg, waar een maximum snelheid van 60 km/u geldt (zie figuur 5.3).
38
Omgevingsplan (voorontwerp)
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
Figuur 5.3 Geluid wegverkeer projectgebied (bron: Atlas Leefomgeving, 2022)
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek ('Notitie Geluidsbelasting nieuw te bouwen migrantenwoningen', d.d. 12 juni 2025) is opgenomen als bijlage 12. Deze notitie beoordeelt primair het geluid van het wegverkeer over de Nieuwlandseweg. Secundair wordt ook het geluid van het eigen bedrijf berekend zodat een totaalbeoordeling van het gezamenlijk geluid kan plaatsvinden. Tegenover de locatie bevindt zich het bedrijf Tas Paprika. De installaties van dat bedrijf bevinden zich op zodanige afstand dat de geluidsbelasting laag zal zijn. Transport van en naar Tas Paprika zijn meegenomen als onderdeel van het wegverkeerslawaai.
Berekeningen laten zien dat voor de nieuwe migrantenwoningen sprake is van een voldoende/goed leefklimaat. De woningen beschikken over een buitenruimte die voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB. Om een binnenwaarde van 33 dB te borgen wordt geadviseerd om, zodra het definitief ontwerp van de woningen definitief is vastgesteld, de geluidwering te beoordelen. Mogelijk moet worden gekozen voor een ventilatierooster met een iets hogere geluidswering.
In Bijlage 4 van deze notitie is het volledige akoestisch rapport industrielawaai opgenomen. Dit rapport is in 2024 opgesteld ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning milieu voor de biomassa-installatie. Het rapport beschrijft de bedrijfsvoering, uitgangspunten en geeft het geluidsmodel weer. Uit de resultaten blijkt dat het industrielawaai ter plaatse van de nieuwe woningen ruim onder de standaardwaarde blijft en dat geen hinder door het bedrijfsgeluid wordt verwacht. 5.7.3 Conclusie Het plan maakt geen nieuwe geluidsbron mogelijk. De akoestische situatie vanwege (gemeente)wegen in de omgeving is aanvaardbaar voor de beoogde functie. Het plan is niet in strijd met instructieregels voor geluid van (spoor)wegen en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.
Omgevingsplan (voorontwerp)
39
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
5.8
Trillingen
5.8.1 Instructieregels In de instructieregels van het Bkl (paragraaf 5.1.4.4) is bepaald dat in een omgevingsplan of BOPA onderbouwing rekening gehouden dient te worden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van een trillingsgevoelig gebouw. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden: 1. Toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. 2. Toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan.
Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Wat is een trillinggevoelig gebouw? Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Weg- en spoorverkeer Weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en dergelijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trillinggevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Gemeentelijke wegen en/of trillinggevoelige gebouwen bij wegen Verkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden, zoals bij een brug. In de meeste gevallen speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. Er gelden geen instructieregels van het Rijk. In deze situatie kan het bevoegd gezag gebruikmaken van de SBR-richtlijn. Hiervoor gelden geen instructieregels van het Rijk.
40
Omgevingsplan (voorontwerp)
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
5.8.2 Toetsing In de nabijheid van het projectgebied is er geen sprake van bronnen die voor trillingen kunnen zorgen. Daarnaast is wonen geen activiteit die zorgt voor trillingen. 5.8.3 Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de relevante instructieregels van zowel het omgevingsplan als het Bkl is voldaan.
5.9
Bodem
5.9.1 Instructieregels Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Omgevingsplan (voorontwerp)
41
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
5.9.2 Toetsing De bodemkwaliteitskaart is een door de gemeente vastgestelde kaart met daarop de bodemkwaliteit per gebied. De gemeente Noordoostpolder heeft een bodemkwaliteitskaart en een bodemfunctieklassenkaart, deze zijn opgenomen in de Nota Bodembeheer. De projectlocatie valt binnen deelgebied B1, 'Overig bebouwd gebied en buitengebied provincie Flevoland' van de bodemkwaliteitskaart. Op de bodemfunctieklassekaart ligt de projectlocatie in een gebied met de functieklasse 'Industrie'. Met de voorliggende ontwikkeling wordt de functie wonen mogelijk gemaakt. De instructieregels schrijven voor dat met het omgevingsplan het ambtsgebied ingedeeld wordt in bodemfunctieklassen. Aangezien er een bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld in de Nota Bodembeheer (die deels is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) hoeft er geen maatwerkvoorschrift opgenomen te worden. De wijziging van de bodemfunctieklasse wordt in het gemeentedekkende omgevingsplan opgenomen.
De beoogde ontwikkeling maakt bodemgevoelige gebouwen mogelijk. Er is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek (d.d. 17 juni 2025) is opgenomen als bijlage 13. Op grond van het bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat de bodem hoogstens licht verontreinigd is, hetgeen ook verwacht werd op basis van de uitkomsten van voorgaande bodemonderzoeken. De vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de grond (hoogstens licht verontreinigd) vormt geen beperking voor de voorgenomen ontwikkeling.
In het grondwater uit peilbuizen P24 en P29 zijn verhoogde concentraties aan arseen en barium aangetoond. Waarschijnlijk is er sprake van een van nature verhoogde achtergrondwaarde. Echter dient wel rekening te worden gehouden met de aangetoonde concentraties en eventueel te nemen maatregelen bij (graaf)werkzaamheden onder de grondwaterstand. Conform de NEN 5740 is tussen het plaatsen en de bemonstering van de peilbuizen een rusttermijn van minimaal één week gehanteerd. In de praktijk komt het wel eens voor dat er een langere rusttermijn noodzakelijk is voor het herstellen van het natuurlijk evenwicht tussen de gehalten/concentraties van zware metalen in de grond en het grondwater. Het wordt geadviseerd om na een langere wachttijd (> één maand) nogmaals een bemonstering van het grondwater uit te voeren ter bepaling of met name de sterk verhoogde waarden in het grondwater uit peilbuis P24 daadwerkelijk aangetoond/gereproduceerd kunnen worden. 5.9.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering om de ontwikkeling mogelijk te maken. Aan de relevante instructieregels van zowel het Omgevingsplan als het Bkl is voldaan.
5.10 Nietgesprongen explosieven De provincie Flevoland beschikt over een Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten, zie figuur 5.2 met de zwarte ster het projectgebied. Uit deze kaart blijkt dat het projectgebied is aangewezen als een onverdacht gebied, hier zijn geen of onvoldoende aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hier hoeven geen maatregelen getroffen te worden voor grondroerende werkzaamheden. Om die reden wordt dan ook niet verder ingegaan op dit onderwerp.
42
Omgevingsplan (voorontwerp)
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
Figuur 5.2 - Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten (bron: Provincie Flevoland)
5.11 Geur 5.11.1
Instructieregels
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan opneemt.
Ook de bruidsschat behoort tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen.
In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied,
Omgevingsplan (voorontwerp)
43
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl). 5.11.2
Toetsing
De ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel zijn de woningen die mogelijk gemaakt worden volgens het Bkl geurgevoelig. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig waarvan geur van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van de plangebied en/of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad. 5.11.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering om de ontwikkeling mogelijk te maken. Er zijn geen voorschriften benodigd. Het plan zorgt niet voor onaanvaardbare geurhinder binnen of buiten de planlocatie. Aan de relevante instructieregels van zowel het Omgevingsplan als het Bkl is voldaan.
5.12 Cultureel erfgoed 5.12.1
Instructieregels
Cultureel erfgoed (en werelderfgoed) is onderdeel van de fysieke leefomgeving. In het Bkl (artikel 5.130 Bkl ) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Hierbij wordt rekening gehouden met bepaalde aspecten van cultureel erfgoed die zien op: het voorkomen van ontsiering, beschadiging, sloop of verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en het bevorderen van het gebruik hiervan; het voorkomen van aantasting van: 1. de omgeving van rijksmonumenten en op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten; 2. het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur ter plaatse (in situ). Verordening fysieke leefomgeving gemeente Noordoostpolder De gemeente beschikt over de verordening fysieke leefomgeving, waar onder andere regels zijn opgenomen met betrekking tot erfgoed, monumenten & het uiterlijk van bouwwerken. 5.12.2
Toetsing
5.12.2.1
Archeologie
Initiatiefnemers hebben op basis van het Bkl een archeologische zorgplicht bij plannen waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
44
Omgevingsplan (voorontwerp)
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
Om na te gaan of sprake is van archeologische (verwachtings)waarden in het projectgebied is de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Noordoostpolder geraadpleegd. Op deze kaart is het projectgebied aangewezen als zijnde een gebied zonder archeologische waarde. De kans dat op deze locatie behoudswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn is dus zeer onwaarschijnlijk. Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de realisatie van het arbeidsmigrantenpark wordt onnodig geacht. In het geval er toch archeologische vondsten worden aangetroffen in het projectgebied geldt er een meldingsplicht bij de archeologische dienst van de gemeente of provincie.
Figuur 5.4 Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart projectgebied (rood omlijnd) (Bron: gemeente Noordoostpolder, 2018)
5.12.2.2
Cultuurhistorie
Op basis van cultuurhistorische waardenkaart Flevoland en het gemeentelijke beleidsstuk ‘Erfgoed in de gemeente Noordoostpolder', blijkt dat zich binnen het projectgebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden bevinden.
De boerderijen in de Noordoostpolder, en de erven van deze boerderijen, kenmerken zich door een robuuste erfbeplanting rondom de erven. De boerderijen liggen per 2 of 4 geclusterd aan een doorgaande weg. De erfbeplanting kenmerkt zich door een opening aan deze weg Dit principe is, als verwijzing en knipoog naar de historie van de Noordoostpolder, doorgezet in het plangebied. Er is hiervbij niet gekozen voor een opgaande, dichte brede beplantingsstrook met bomen en struiken, maar voor een gemengde haag van ongeveer 1 a 1.5 meter hoog. Dit principe wordt zowel bij de parkeerplaats als bij de woningen toegepast. Daarnaast worden lage haagjes (circa 0.5 m) toegepast. Toe te passen soorten zijn onder andere veldesdoorn, meidoorn, sleedoorn en hondsroos.
Wat betreft deze waarde kan worden gesteld dat de ontwikkeling ermee in lijn is. De
Omgevingsplan (voorontwerp)
45
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark beoogde ontwikkeling houdt voldoende rekening met de landschappelijk inpassing van het perceel in de omgeving. 5.12.3
Conclusie
Er vindt geen aantasting plaats aan de archeologische- en cultuurhistorische waarden. Uit de toetsing van het aspect archeologie en cultuur komt naar voren dat aan de regels gesteld in het Bkl kan worden voldaan. Archeologische en cultuurhistorische waarden worden in het planvoornemen niet aangetast dan wel voldoende beschermd. Voorschriften zijn niet nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
5.13 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.13.1
Instructieregels
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een BOPA voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
Het tijdelijk deel van het omgevingsplan (het vigerende voormalig bestemmingsplan) is vertrekpunt in de beoordeling of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 5.13.2
Toetsing
Huisvesting voor 300 arbeidsmigranten en een beheerderswoning is op basis van de huidige planologische regeling niet mogelijk. De huisvesting is gelet op het ruimtebeslag een nieuwe stedelijke ontwikkeling, ondanks dat het gezien kan worden als een agrarisch aanverwante functie. Gelet op de agrarische functie op het perceel gaat het om een locatie buiten bestaand stedelijk gebied. Daarom is hierna de behoefte beschreven en gemotiveerd dat dit niet binnen bestaand stedelijk gebied kan.
Beschrijving behoefte De behoefte aan huisvesting voor arbeidsmigranten komt voort uit de behoefte van Hoogweg Paprikakwekerijen. De behoefte aan voldoende huisvesting van voldoende kwaliteit blijkt verder uit geldend beleid en onderzoek.
46
Omgevingsplan (voorontwerp)
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
Behoefte bedrijf De huisvesting van arbeidsmigranten voorziet primair in de behoeften van het eigen bedrijf. De groenteteelt is de laatste jaren sterk veranderd. Schaalvergroting en specialisatie hebben geleid tot een grote professionalisering in de sector. Bedrijven moeten alle aspecten van de bedrijfsvoering zo goed mogelijk beheersen: de locatiekeuze, de teelt, het energiemanagement, het verpakken en de afzet. Als aan die voorwaarde is voldaan, heeft een bedrijf ook in een dynamische tijd als deze onverminderd toekomst. Door te produceren met voldoende schaalgrootte, met een efficiënte inzet van mensen en middelen, is een duurzame bedrijfsvoering mogelijk worden. De paprikakwekerij is inmiddels uitgegroeid tot een bedrijf met een omvang van 190 hectare.
Gemotiveerde medewerkers en de professionaliteit van de medewerkers zorgen er voor dat dit mogelijk wordt. Voor de bedrijfsvoering is de paprikakweker afhankelijk van voldoende praktijkpersoneel. Dat is gelet op de omvang alleen mogelijk met buitenlandse seizoenskrachten. Basisvoorwaarde voor het aantrekken en behouden van voldoende seizoenskrachten is het bieden van voldoende goede huisvesting. In de kassen en verwerkingshallen werkten in 2024 in het hoogseizoen (van eind maart tot begin november) ongeveer 550 medewerkers (bij een bedrijfsomvang van 160 ha). Met de uitbreiding naar 192 ha werken er nu circa 675 mensen in het hoogseizoen. De wintermaanden staan in het teken van de teeltwisseling en de voorbereiding van het volgende seizoen. In deze periode werken er ongeveer 200 mensen.
Het is voor het bedrijf belangrijk dat de (tijdelijke) arbeidskrachten goed gehuisvest zijn. Het bedrijf streeft naar huisvesting, die schoon en netjes is en voldoende privacy heeft. Ook zaken zoals het vervoer van huisvesting naar bedrijf moet goed geregeld zijn. In 2020 is een migrantenpark gerealiseerd voor 300 bewoners. Deze huisvesting is niet voldoende om in de behoefte (minimaal 550 + extra ruimte in verband met wisseling personeel) te voorzien. Daarom is een tweede huisvestingslocatie op het terrein noodzakelijk.
Beleidsmatige behoefte huisvesting In de gemeente Noordoostpolder wonen en werken veel arbeidsmigranten. De gemeente heeft hiervoor in 2012 beleid opgesteld. Dit beleid is in 2022 geevalueerd (BMC, juli 2022) en heeft in 2024 geleid tot een nieuw beleidskader voor huisvesting van arbeidsmigranten. In het onderzoeksrapport van de Provincie Flevoland ’Onderzoek huisvesting arbeidsmigranten Flevoland' uit 2020, wordt het aantal arbeidsmigranten geschat op 3.000 tot 5.200 (waarvan tussen de 1.400-1.900 geregistreerd). Uit de raadsmemo Beleidsregel Huisvesting Arbeidsmigranten Landelijk Gebied (mei 2023) blijkt dat er op dat moment 1.597 plekken in het landelijk gebied waren vergund. Daar komen de vergunningsvrije en illegale huisvestingsplekken, waar geen zicht op is, nog bij. Ook de plekken die vergund werden onder de beleidsregel 'Ander woongebruik kernen Noordoostpolder 2018' waren hierbij niet meegeteld.
Hoewel de schattingen nogal uiteenlopen is het duidelijk dat met de toename van het aantal arbeidsmigranten in de afgelopen jaren ook de vraag naar huisvesting flink is toegenomen. Er is hiervoor nog onvoldoende (legale) huisvesting. Uit provinciaal onderzoek naar de huisvesting van arbeidsmigranten (november 2024) blijkt dat er in Flevoland inmiddels bijna 17.000 arbeidsmigranten werken. Het acuele aantal in de gemeente Noordoostpolder is nog niet beschikbaar, maar ligt naar verwachting ook hoger dan de inschatting uit 2020.
Omgevingsplan (voorontwerp)
47
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
Uitgangspunt van het huisvestingsbeleid van de gemeente Noordoostpolder is om arbeidsmigranten legaal en behoorlijk te huisvesten.
De arbeidsmigranten die naar Nederland komen moeten ergens wonen (huisvesting). Zij komen daarmee terecht op de Nederlandse (oververhitte) woningmarkt, soms voor kortdurend verblijf (o.a. in reguliere woningen) en soms voor langdurig verblijf. Arbeidsmigranten wonen in wijken en maken hier in meer of mindere mate deel uit van de samenleving. Dit raakt de leefbaarheid in de kernen. In de 'Evaluatie beleid en beleidsregels (huisvsting ) arbeidsmigranten uit 2022 wordt opgemerkt dat er diverse incidenten bekend zijn met betrekking tot integratie en overlast van arbeidsmigranten. Dit heeft een negatieve invloed op de leefbaarheid in de kernen. Er wordt daarom hard gewerkt om incidenten terug te dringen en gezamenlijk te kijken wat er moet gebeuren om de leefbaarheid in de kernen te behouden.
Het is niet wenselijk om reguliere woningen te benutten voor huisvesting van arbeidsmigranten, gelet op de leefbaarheid in de dorpen en het grote tekort aan reguliere woningen. Uit de regionale woondeal ZUND-gemeenten (Zeewolde, Urk, Noordoostpolder en Dronten) blijkt dat er sprake is van krapte op de reguliere woningmarkt. In maart 2023 is regionaal afgesproken dat de gemeente Noordoostpolder zich inzet om meer dan 2.200 woningen toe te voegen.
Over de huisvesting voor arbeidsmigranten zijn afspraken gemaakt binnen de gemeente. In februari 2024 is nieuw beleid vastgesteld voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Met dit nieuwe beleid geeft de gemeente ruimte aan ondernemers. En zet de gemeente in op goede huisvesting voor arbeidsmigranten en probeert tegelijk de reguliere woningmarkt te beschermen. De gemeente maakt geen nieuwe huisvestingslocaties in de kernen meer mogelijk, omdat ongewenste huisvestingssituaties te voorkomen en de leefbaarheid in de dorpen te behouden.
In het nieuwe beleid is ruimte voor het toevoegen van in totaal 3.600 bedden. Dit betreft het ingeschatte aantal arbeidsmigranten min de legale plekken (circa 1.600). Hierdoor worden maximaal 12 middelgrote locaties (150 bedden) en maximaal 6 grote locaties (300 bedden) mogelijk gemaakt. Uit het onderzoek blijkt dat deze grote locaties bij alle partijen het beste bevallen. Door deze te realiseren kunnen tevens betere voorzieningen voor de arbeidsmigranten getroffen worden. Daarnaast is het op grote locaties mogelijk om continue toezicht te houden (dooor de schaal is een beheerder in een beheerderswoning mogelijk). Beide elementen zorgen ervoor dat deze locaties voor aanzienlijk minder overlast voor omwonenden zorgen. Ook de uitzendbureaus, huisvesters en werkgevers geven een voorkeur voor deze grote locaties aan.
Hiermee komt de gemeente tegemoet aan de dringende vraag naar meer huisvesting. Dit is een van de grote locaties die voorziet in de actuele behoefte.
Motivering locatiekeuze (waarom niet binnenstedelijk) Het is voor huisvesting van arbeidsmigranten belangrijk dat de huisvesting dicht bij het werk is. Medewerkers komen met eigen auto, gezamenlijk in een auto en met openbaar vervoer naar de huisvestingslocatie. Vanaf de huisvestingslocatie naar het werk gaan (de meeste) personen op de fiets.
Huisvesting van arbeidsmigranten -en zeker in een grootschalige vorm- is in de dorpen
48
Omgevingsplan (voorontwerp)
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark niet gewenst, gelet op de leefbaarheid in de dorpen. Dit heeft te maken met ongewenste huisvestingssituaties, het gebrek aan reguliere woningen en het ontbreken van de noodzaak voor tijdelijke buitenlandse werknemers om te integreren in de samenleving. 5.13.3
Conclusie
Het mogelijk maken van huisvesting voor arbeidsmigranten voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect ladder voor duurzame verstedelijking.
5.14 Gezondheid 5.14.1
Instructieregels
Een doel van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 van dit artikel wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Daarbij gaat het volgens paragraaf 5.1.4 van het Bkl in ieder geval om 1. Kwaliteit buitenlucht 2. Geluid door activiteiten 3. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 4. Trillingen 5. Slagschaduw van windturbines 6. Bodem 7. Geur In paragraaf 5.1 is in tabel 5.1 reeds aangegeven of deze thema's voor dit plan relevant zijn. De thema's die relevant zijn, zijn eerder in dit hoofdstuk behandeld.
Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen. zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid /toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Hiervoor zijn in het Bkl geen instructieregels opgenomen. Wel kan het zijn dat de provincie, regio en/of gemeente hiervoor beleid heeft. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in de belangenafweging betrokken. 5.14.2
Toetsing
Een aantal van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk hebben een gezondheidscomponent, daarbij gaat het bijvoorbeeld om de aspecten geluid, geur en omgevingsveiligheid. Uit de verschillen paragrafen behorende tot hoofdstuk 5 wordt duidelijk dat binnen het projectgebied geen sprake is van significante milieubelasting die van invloed kan zijn op de gezondheidssituatie. Daarnaast voorziet het terrein in voldoende buitenruimte. Er wordt een recreatieruimte en een speelveld geealiseerd. Er zijn voldoende fietsenstallingen waardoor het fietsen wordt gestimuleerd. 5.14.3
Conclusie
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
Omgevingsplan (voorontwerp)
49
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
5.15 Gezondheidsrisico's vanwege veehouderijen 5.15.1
Wettelijk kader
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt over het toekennen van gevoelige/kwetsbare functies nabij veehouderijen vanwege de volksgezondheid. Dit is met name het geval bij geitenhouderijen en endotoxinen vanwege varkenshouderijen en/of pluimveehouderijen.
Geitenhouderijen Op basis van verschillende onderzoeken (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)) is aangetoond dat er verhoogde gezondheidsrisico's (verhoogde kans op longontsteking) zijn wanneer in de nabijheid (1,5 tot 2 kilometer) van een geitenhouderij wordt gewoond. Dit moet in overweging worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.15.2
Toetsing
De projectlocatie bevindt zich niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij en varkenshouderij. 5.15.3
Conclusie
Er bestaan geen gezondheidsrisico's vanwege veehouderijen voor de projectlocatie.
5.16 Mobiliteit en parkeren 5.16.1
Wettelijk kader
Mobiliteit en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Het Bkl en de provinciale omgevingsverordening stellen geen instructieregels op dit gebied. Wel kan het zijn dat de provincie, regio en gemeente hiervoor beleid heeft, bijvoorbeeld een Mobiliteitsvisie, regels over aanleg parkeerplaatsen in het omgevingsplan en/of een Nota Parkeernormen.
In de beoordeling van het plan op het omgevingsaspect mobiliteit zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerswijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer). De beoordeling van het plan op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. 5.16.2
Toetsing
In bijlage 14 is het volledige verkeersplan opgenomen.
Verkeersgeneratie Om de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling uit te rekenen is het gebruikelijk om uit te gaan van de kencijfers die zijn gepubliceerd door het CROW in publicatie 744. Gekozen is voor het kencijfer in het buitengebied van een weinig stedelijk gebied en het kencijfer voor kleine 1-persoonshuizen, de zogenaamde ‘tiny houses’. Vanwege de verhuur per kamer kan immers worden gesteld dat elk huis 2 huishoudens kan huisvesten. Daarom is de verkeersgeneratie berekend voor 302 tiny houses Het kencijfer waar op basis van bovenstaande vanuit wordt gegaan is 1,8 motorvoertuigbeweging per etmaal voor een weekdag. Met 302 woningen levert de
50
Omgevingsplan (voorontwerp)
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark beoogde ontwikkeling een verkeersgeneratie op van 544 mvt/etmaal. Op een werkdag kan de verkeersgeneratie volgens CROW-publicatie 744 vermenigvuldigd worden met 1,11. Omwille van de verkeerstoets wordt er worst-case berekend per werkdag. De verkeersgeneratie bedraagt aldus voor de beoogde ontwikkeling 604 mvt. In figuur 5.5 is de verkeerstoedeling weergegeven.
Figuur 5.5 Verkeersgeneratie projectgebied (bron: Rho Adviseurs, 2024)
Verkeersveiligheid Uit het onderzoek is gebleken dat de verkeersveiligheid voldoende gewaarborgd zal zijn. De lokale wegen hebben ruim voldoende capaciteit om het extra verkeer uit de beoogde ontwikkeling veilig af te kunnen wikkelen.
Parkeren Om de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen te berekenen is uitgegaan van de normen uit ’Beleid parkeren en parkeernormen 2025 – 2030’. Er is gebruik gemaakt voor de norm voor de functie ‘Huisvesting arbeidsmigranten’, in stedelijke zone ‘buitengebied’. Deze norm bedraagt 0,5 parkeerplaatsen per persoon. De normatieve parkeerbehoefte is 302 x 0,5= 151 parkeerplaatsen. Beoogd is om circa 190 parkeerplaatsen te realiseren, waarmee ruimschoots aan de parkeerbehoefte wordt voldaan.
Fietsparkeren In figuur 5.7 is weergegeven dat er in 4 fietsenbergingen is voorzien, gelijkmatig verspreid over het woongebied. Deze zijn geschikt om 300 fietsen te stallen, genoeg voor 1 fiets per arbeidsmigrant. Voor de fietsen van bezoekers is ruimschoots voldoende ruimte beschikbaar in de openbare ruimte. Fietsparkeren is hiermee voldoende gefaciliteerd.
Omgevingsplan (voorontwerp)
51
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
Figuur 5.7 Indeling fietsparkeren projectgebied (bron: Wubben Chan, 2024) 5.16.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het project niet tot problemen met de verkeersontsluiting, -afwikkeling en -veiligheid zal leiden. Het aspect mobiliteit en verkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.17 Ecologie: gebiedsbescherming 5.17.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal en het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels, niet zijnde instructieregels, komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebiedsen soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland.
Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedsel-kwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet significant zal aantasten.
De Natura 2000-activiteit is geen omgevingsplanactiviteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in het bestaan van een eventuele Natura 2000-vergunningplicht
52
Omgevingsplan (voorontwerp)
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een bopa-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. 5.17.2
Toetsing
De projectlocatie ligt niet binnen een natuurgebied dat is aangewezen als Natura2000-gebied. De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura2000-netwerk is het gebied "Weerribben" op ongeveer 5.3 kilometer ten oosten van de projectlocatie (zie figuur 5.7). Op ongeveer 2,9 kilometer ten zuiden van de planlocatie is het dichtstbijzijnde Natuur Netwerk Nederland (zie figuur 5.8). Verder is de planlocatie niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied.
Figuur 5.7 - Natura 2000 gebieden rondom het projectgebied (rode ster) (bron: Atlas Leefomgeving)
Omgevingsplan (voorontwerp)
53
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark
Figuur 5.8 - Natuurnetwerk Nederland rondom het plangebied (rode ster) (bron: Atlas leefomgeving)
Directe negatieve effecten van dit plan op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van de planlocatie tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit plan een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage 15 bij deze onderbouwing gevoegd. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. 5.17.3
Conclusie
Uit de toetsing van het deelaspect gebiedsbescherming blijkt dat het planvoornemen geen negatieve aspecten heeft voor Natura-2000 en NNN gebieden in de omgeving van het projectgebied. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.18 Ecologie: soortenbescherming 5.18.1
Wettelijk kader
Indien een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een bopa wordt aangevraagd mogelijk gevolgen heeft voor verblijfs- of groeiplaatsen van beschermde dieren of planten, dan is sprake van een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. De flora- en fauna-activiteit is geen omgevingsplanactiviteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in het bestaan van een eventuele flora- en fauna-vergunningplicht, aan de hand van een quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend 54
Omgevingsplan (voorontwerp)
Omgevingsplan Luttelgeest Nieuwlandseweg arbeidsmigrantenpark onderzoek nodig. Of een flora- en fauna-activiteit vergunbaar is wordt beoordeeld in de daarvoor geldende procedure bij GS als bevoegd gezag.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. In de provinciale omgevingsverordening is dit doorvertaald in Afdeling 16.2.2 'Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild'. Hierin staat benoemd voor welke soorten een vrijstelling geldt en voor welke soorten een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit geldt. 5.18.2
Toetsing
Bij bouwwerkzaamheden, het dempen van slopen of het kappen van bomen kan het leefgebied van beschermde plant,- en diersoorten worden aangetast. Met de voorliggende ontwikkeling is sprake van bouwwerkzaamheden.
In opdracht van de opdrachtgever is een quickscan natuurbescherming uitgevoerd. Het rapport, na te gaan in bijlage 16 van de ruimtelijke onderbouwing, is opgeleverd op 4 juni 2024. Uit de quickscan natuurbescherming Omgevingswet ten aanzien van flora- en fauna-activiteit wordt het volgende geconcludeerd: Het plangebied biedt gezien de terreinkenmerken en afwezigheid van bebouwing en opgaand groen geen geschikte broedgelegenheid voor vogels met jaarrond beschermde nesten. In de directe omgeving van het plangebied kunnen wel algemene vogelsoorten langs de oeverzijdes van de watergangen tot broeden komen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vanwege het ontbreken van bebouwing en bomen uitgesloten. Mogelijk vormt het plangebied onderdeel van een vliegroute en foerageergebied. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied en de ontwikkeling heeft geen negatief effect op de functionaliteit ervan. Groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, grondgebonden zoogdieren, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. In het plangebied zijn enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen. Er geldt te allen tijde de specifieke zorgplicht.