3.2 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder.pdf
Tekst van het document
De budgethouder moet daar desgevraagd zijn medewerking aan verlenen. Vierde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 9.5 Hoogte persoonsgebonden budget diensten (niet zijnde beschermd wonen) Eerste tot en met derde lid In de verordening moet worden bepaald hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (CRVB:2017:1803). Daarbij geldt ook dat de hoogte toereikend moet zijn (art. 2.1.3, tweede lid onder b, van de wet). De tarieven mogen worden afgeleid van de tarieven die het college verschuldigd is aan de gecontracteerde aanbieders. Door de nieuwe inkoop gelden andere percentages voor begeleiding, dagactiviteiten en kortdurend verblijf. Er wordt in dat kader gebruik gemaakt van gedifferentieerde tarieven voor ondersteuners die werkzaam zijn bij een professionele organisatie en degene die als ZZP-er werkzaam zijn. De hoogte van het pgb dat wordt besteed aan personen uit het sociaal netwerk van de cliënt en anderen die de ondersteuning (ook) niet beroepshalve bieden, wordt lager vastgesteld. Die bevoegdheid is neergelegd in artikel 2.3.6, vierde lid, van de wet. De nieuwe contracten gaan in per 1 januari 2022 met uitzondering van begeleiding en dagactiviteiten arbeidsmatig. Deze gaan in per 1 april 2022.
Zie daarvoor artikel 9.8 van de verordening op grond waarvan de “oude” pgb-systematiek van toepassing blijft en artikel 15.6 van de verordening waarin de inwerkingtreding van het tweede lid van artikel 9.5 is geregeld. Vierde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Vijfde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Zesde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Zevende lid Het staat de cliënt op basis van dit lid vrij om uit het toegekende pgb reiskosten te (laten) uitbetalen. Er wordt geen apart of hoger pgb voor reiskosten verstrekt. Artikel 9.6 Hoogte persoonsgebonden budget overig Eerste lid In de verordening moet worden bepaald hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (art. 2.1.3, tweede lid onder b, van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Voor hulpmiddelen
33
No. 21.0005563 is bepaald dat het pgb niet meer bedraagt dan het college verschuldigd is aan de aanbieder (kostprijs). Tweede lid In dit lid staan de regels over de hoogte van het pgb bij hulpmiddelen waarvoor maandelijks een huurprijs is verschuldigd. Het college kan het (maandelijkse) pgb afwijkend vaststellen. Het gaat om situaties waarin de cliënt het hulpmiddel aan wil schaffen of binnen de grenzen van de bestedingsvrijheid een ander hulpmiddel wil aanschaffen. Daarbij zullen maandelijkse bedragen niet toereikend zijn voor de aanschaf. Derde lid Het kan voorkomen dat de aangewezen maatwerkvoorziening niet door het college is ingekocht. In die gevallen wordt de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van een offerte. Het kan gaan om een offerte die het college zelf opvraagt of een offerte die door de cliënt aan het college wordt verstrekt. Vierde lid Het realiseren van een woningaanpassing kan door het college niet standaard worden ingekocht. Daarom wordt de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van een of meerdere offertes én een Programma van Eisen. Omdat het niet is uitgesloten dat er meerkosten verbonden kunnen zijn aan het realiseren van een woningaanpassing, kan het college daar nadere regels over stellen. Vijfde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Zesde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.
Artikel 9.7 Hoogte persoonsgebonden budget beschermd wonen Eerste lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Tweede lid Voor situaties zoals bedoeld in dit lid bepaalt het college de hoogte van het pgb op basis van de aangewezen ondersteuning. De werkwijze is dan net als bij de indicatie voor ambulante ondersteuning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de verordening. Artikel 9.8 Hoogte persoonsgebonden budget begeleiding en dagactiviteiten arbeidsmatig Dit artikel bepaalt de pgb-systematiek voor de genoemde maatwerkvoorziening en de datum waarop dat vervalt. Zie verder toelichting bij artikel 9.5 van de verordening. Hoofdstuk 10 Bijdrage in de kosten, kostprijs en ritbijdrage Artikel 10.1 Maatwerkvoorziening, persoonsgebonden budget Eerste en tweede lid Net als vóór 1 januari 2020 het geval was, is de cliënt voor maatwerkvoorzieningen dan wel een pgb een bijdrage in de kosten verschuldigd. Daar brengt de Wet abonnementstarief ook geen wijziging in aan. De wet bepaalt echter wel dat de bijdrage in de kosten is gemaximeerd (abonnementstarief). Ook kan deze bijdrage voor hulpmiddelen en woningaanpassingen (nog steeds) niet meer zijn dan de kostprijs (zie art. 10.3 van de verordening). Verder regelt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (landelijk) dat de bijdrage in de kosten niet meer afhankelijk wordt gesteld van het inkomen en/of vermogen van de cliënt en zijn eventuele echtgenoot.
In het tweede lid is neergelegd dat de Regiotaxi is uitgezonderd van het abonnementstarief. Wel is de gebruiker net als voorheen een ritbijdrage verschuldigd (zie art. 10.4 van de verordening). Derde, vierde en vijfde lid Spreken voor zich, behoeven geen nadere toelichting. Het is aan het college om te bepalen wat onder tijdelijk als bedoeld in het vierde lid wordt verstaan. In artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is het maximale bedrag (abonnementstarief) vastgelegd. De cliënt betaalt dus nooit meer dat dit bedrag.
34
No. 21.0005563 Zesde lid Dit lid bepaalt wie de bijdrage in de kosten is verschuldigd als een maatwerkvoorziening dan wel een pgb wordt verstrekt voor een woningaanpassing bestemd voor een minderjarige cliënt. Dat is een cliënt jonger dan 18 jaar. Zevende lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 10.2 Maatwerkvoorziening beschermd wonen Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting. Het is aan het college om te bepalen wat onder tijdelijk als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan. Artikel 10.3 Kostprijs De kostprijs is (mede) bepalend voor de bijdrage in de kosten die de cliënt verschuldigd is. Die mag niet meer bedragen dan de kostprijs. Dit is met name van belang als de kostprijs lager is dan het wettelijke maximale tarief (abonnementstarief). Opgemerkt wordt dat er niet snel sprake zal zijn van hulpmiddelen en woningaanpassingen die qua kosten lager zijn dan het abonnementstarief. De kostprijs van het pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb in de budgetperiode. Artikel 10.4 Ritbijdrage Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Hoofdstuk 11 Tegemoetkoming meerkosten Artikel 11.1 Aanspraak Eerste lid De gemeente Noordoostpolder maakt gebruik van de bevoegdheid om een tegemoetkoming in de meerkosten te verstrekken aan persoon die aannemelijke meerkosten hebben die verband houden met een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem.
Daarnaast dient de tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. Het gaat bij deze tegemoetkoming om is een inkomensondersteunende maatregel en geen maatwerkvoorziening of pgb. Tweede lid Het behoren tot een bepaalde doelgroep kan aannemelijke meerkosten met zich meebrengen. Dat wil zeggen de kosten worden verondersteld. Het college heeft de bevoegdheid om deze doelgroep vast te stellen in het Besluit (CRVB:2019:3206, CRVB:2020:2704). Artikel 11.2 Hoogte tegemoetkoming en uitbetaling Naast de bevoegdheid van het derde lid in artikel 11.1 van de verordening biedt dit artikel de bevoegdheid om in het Besluit nadere regels te stellen. Hoofdstuk 12 Regels bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik Artikel 12.1 Bevoegdheid Eerste en tweede lid Artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet bepaalt dat de verordening regels moet bevatten ter voorkoming van het onterecht ontvangen van maatwerkvoorzieningen of pgb’s, alsmede het bestrijden van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. De regels over het toezicht op de uitvoering en de kwaliteit zijn geïntegreerd. Dat wil zeggen ze hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als ook de doelmatigheid. Derde lid Dit lid bepaalt de inhoudelijke bevoegdheid van het college over de inhoud van de controles en de personen die gecontroleerd kunnen worden.
Vierde en vijfde lid Uit artikel 2.3.9 van de wet volgt al dat het college bevoegd is om besluiten te heroverwegen. Daarvoor is geen specifieke aanleiding nodig. Zo kan het college in een klacht of een signaal over de kwaliteit van ondersteuning aanleiding zien om een onderzoek op te starten. Er kan in die gevallen namelijk ook sprake zijn van tekortschietende rechtmatigheid. Het kan dus gaan om de vraag of de ondersteuning, al dan niet in de vorm van een pgb, nog wel passend is (doelmatigheid). Maar ook of
35
No. 21.0005563 de verstrekking nog voldoet aan de voorwaarden (rechtmatigheid). Zowel het college als de toezichthoudende ambtenaar kunnen zo’n onderzoek uitvoeren. Artikel 12.2 Informatieplicht Tijdens het onderzoek rust op het college een informatieplicht jegens cliënten en/of hun vertegenwoordiger (art. 2.3.2, zesde lid, van de wet). Deze plicht bestaat uit het in begrijpelijke bewoordingen inlichten van de cliënt over de gevolgen van die keuze én over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Artikel 12.3 Medewerkingsplicht Dit artikel regelt de medewerkingsplicht. Dat wil zeggen dat als het college of de toezichthoudende ambtenaar aan de genoemde personen vraagt om verantwoording af te leggen over de geboden ondersteuning, dan zijn zij verplicht dat te doen. De gevolgen van het niet of onvoldoende meewerken kan voor het college aanleiding zijn om het recht op pgb in te trekken of om de cliënt onder te brengen bij een andere aanbieder ingeval van een maatwerkvoorziening in natura. Artikel 12.4 Kwaliteitseisen diensten Eerste lid De hoofdregel is dat de kwaliteitseisen van de gecontracteerde aanbieders ook gelden voor de derde aan wie het pgb wordt besteed. Tweede lid Dit artikel waarborgt het recht op een pgb als de budgethouder dat wenst te besteden aan de derde.
Immers niet alle kwaliteitseisen van het gecontracteerde aanbod kunnen op hen van toepassing worden geacht. Denk aan rapportage- en evaluatieverplichtingen die alleen voor gecontracteerde partijen gelden. De opleidingseisen die gelden voor gecontracteerde aanbieders zijn niet van toepassing op personen van het sociaal netwerk. Artikel 12.5 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget Eerste lid aanhef en onder a In het kader van de opdracht in dit hoofdstuk is een bepaling opgenomen die aanleiding kan zijn een pgb te weigeren: de belangenverstrengeling tussen de budgethouder en de derde aan wie het pgb wordt besteed waardoor de verantwoorde besteding van het pgb als bedoeld in artikel 2.3.6, eerste lid aanhef en onder a van de wet, niet is gewaarborgd. Daarvan is sprake als die derde ook degene is die de budgethouder helpt om de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren. In het geval de derde beroepshalve maatschappelijke ondersteuning biedt, dan gaat het college er in principe van uit dat deze belangenverstrengeling oneigenlijk gebruik van de wet in hand kan werken. Immers deze derde (een ZZP-er of ondersteuner in dienst bij een professionele organisatie) kan niet twee belangen dienen. Het bepaalde van dit artikel is in overstemming met de jurisprudentie (bijv. CRVB:2019:2803 en CRVB:2019:3761).
Denk ook aan de situatie waarin de professionele organisatie in bijvoorbeeld een andere BV activiteiten heeft ondergebracht gericht op bemiddeling. Of medewerkers die bij deze derde in dienst zijn of op een andere wijze aan de derde zijn verbonden (CRVB:2019:2803). In het geval de derde een persoon betreft uit het sociaal netwerk (niet beroepshalve werkzaam) kan ook sprake zijn van een belangenverstrengeling. Eerste lid aanhef en onder b Er geldt de algemene verplichting bij diensten om een Budgetplan op te stellen, behalve voor huishoudelijke ondersteuning (zie art. 9.3 van de verordening). Ook kan het noodzakelijk zijn dat dit plan met het college (nader) wordt besproken. Ook dit is niet vrijblijvend. Tweede lid Zoals in de begripsbepaling van de verordening staat, kan de cliënt afhankelijk zijn van hulp door een andere persoon. Omdat de budgethouder in principe verantwoordelijk blijft voor de gevolgen van het niet voldoen aan de voorwaarden, is het van groot belang dat het college beoordeelt of die persoon gewaarborgde hulp kan bieden. Als daar geen sprake van is, dan weigert het college het pgb om die reden. Denk bijvoorbeeld ook aan de situatie dat deze persoon eerder (mede) verantwoordelijk was voor onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin of dat geen of ondersteuning van onvoldoende kwaliteit is ingekocht.
36
No. 21.0005563 Derde lid Het kan voorkomen dat een cliënt een overeenkomst wenst aan gaan waarin ook huurbepalingen zijn opgenomen. Gelet op de kwetsbaarheid van cliënten is dat niet toegestaan. Immers moet de cliënt de derde van wie hij de ondersteuning ontvangt daarop kunnen aanspreken, zonder te moeten vrezen voor verlies van zijn huisvesting. Ook moet het de cliënt vrij blijven staan te wisselen van derde aan wie hij zijn pgb wenst te besteden. Dit ook gelet op een mogelijke wijziging van de indicatie bij een verlengingsverzoek of een heroverweging van het pgb-besluit door het college. De derde aan wie het pgb zal worden besteed heeft dubbele (financiële) belangen die als potentieel oneigenlijk gebruik van de wet moeten worden aangemerkt. Het belang van de (kwetsbare) cliënt dient altijd voorop te staan. Het is een cliënt natuurlijk wel toegestaan om bij de derde woonruimte te huren, als dit in een zelfstandige huurovereenkomst geregeld wordt. Op die manier leidt het wegvallen of wijzigen van de ondersteuning, niet automatisch tot het wegvallen van huisvesting. De cliënt is huurder en hij geniet dan huurbescherming. Artikel 12.6 Opschorting betaling persoonsgebonden budget aan de Sociale Verzekeringsbank Een opschorting van betaling aan de Svb is een beter instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek.
Als het recht op pgb is vastgesteld, zal het college de overeenkomst van de Svb moeten goedkeuren. De Svb beoordeelt de overeenkomst voornamelijk op de toepasselijke arbeidsrechtelijke bepalingen. Het kan dan ook voorkomen dat het college de overeenkomst niet goedkeurt en om die reden het pgb vooralsnog niet aan de Svb overmaakt. Ook kan een andere reden aanleiding zijn om (nog) niet over te gaan tot uitbetaling aan de Svb. Gedurende de opschorting doet het college en/of de toezichthoudende ambtenaar onderzoek naar het gegronde vermoeden. Opschorting van de betaling kan met zich meebrengen dat het college moet zorgen voor een tijdelijke maatwerkvoorziening in natura. Dat zal zeker aan de orde zijn als het gegronde vermoeden betrekking heeft op de derde aan wie het pgb zal worden besteed. Immers in zo’n geval blijft de cliënt bij de opschorting van de betaling verstoken van de noodzakelijk bevonden ondersteuning. Met de maximale termijn van dertien weken in dit artikel en artikel 12.7 is overigens aangesloten bij de termijn zoals genoemd in artikel 4:56 van de Awb. Artikel 12.7 Verzoek opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget Zoals gezegd is de opschorting van betaling een beter instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek.
Artikel 2b, vierde lid aanhef en onder f, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 geeft de Svb de bevoegdheid als het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, daarom verzoekt. Gedurende de opschorting doet het college en/of de toezichthoudende ambtenaar onderzoek naar het gegronde vermoeden. Opschorting van betaling kan met zich meebrengen dat het college moet zorgen voor een tijdelijke maatwerkvoorziening in natura. Dat zal zeker aan de orde zijn als het gegronde vermoeden betrekking heeft op de derde aan wie het pgb zal worden besteed. Immers in zo’n geval blijft de cliënt bij de opschorting van de betaling verstoken van de noodzakelijk bevonden ondersteuning. Artikel 12.8 Opschorting inzet maatwerkvoorziening Naar analogie van artikel 12.6 en 12.7 van de verordening kan het college ook de levering van een maatwerkvoorziening tijdelijk opschorten als het gegronde vermoeden bestaat dat de cliënt: de inlichtingenplicht niet nakomt, niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden of de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt. Gedurende de opschorting doet het college en/of de toezichthoudende ambtenaar onderzoek naar het gegronde vermoeden. Hoofdstuk 13 Beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering Dit hoofdstuk gaat over de bevoegdheid van het college om terug te komen op een eerder afgegeven besluit.
Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden als er sprake is van de situaties zoals genoemd in de wet of de verordening. Denk in dit verband ook aan de verplichting van de cliënt om op verzoek van het college maar ook uit eigen beweging relevante feiten en omstandigheden bij het college te melden (art. 2.3.8 van de wet). Maar ook situaties die juist betrekking hebben op de derde, of een aan die derde gelieerde(rechts)persoon, aan wie het pgb wordt besteed. Omdat het in alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling) gaat, zal er een belangenafweging moeten plaatsvinden. Dat wil zeggen waarom het college wel of geen gebruik maakt van de bevoegdheid. Het college hanteert als uitgangspunt dat als er: geen recht, een gedeeltelijk recht of een gewijzigd recht bestaat op ondersteuning dat het gebruik maakt van de bevoegdheid. In het geval
37
No. 21.0005563 van de terugvordering van het pgb of de geldswaarde van de maatwerkvoorziening, maakt het college altijd gebruik van de bevoegdheid, tenzij dringende redenen daaraan in de weg staan. Artikel 13.1 Beëindiging Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. In dit artikel is bepaald wanneer het college in ieder geval kan overgaan tot beëindiging van de maatwerkvoorziening dan wel pgb of de tegemoetkoming als bedoeld in hoofdstuk 11 van de verordening. Er kunnen dus ook andere situaties aan de orde zijn. Op grond van het bepaalde onder c kan het college de indicatie huishoudelijke ondersteuning van een cliënt die is overleden toch tijdelijk door laten lopen als er een partner is. Immers er was al vastgesteld dat die geen gebruikelijke hulp kan bieden en in de meeste gevallen (ook) aangewezen zal zijn op ondersteuning. Artikel 13.2 Herziening of intrekking Voor de cliënt geldt een wettelijke plicht op grond van artikel 2.3.8 van de wet tot het desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een maatwerkvoorziening dan wel een pgb.
Deze verplichting (in geval van een pgb) geldt ook jegens de Sociale verzekeringsbank (Svb). Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Een herziening/intrekking van een besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of wordt ingetrokken in het geval er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te maken van het verstrekken van onjuiste inlichtingen die tot een ander besluit zou hebben geleid als de cliënt wel de juiste inlichtingen had verstrekt of het niet voldoen aan andere voorwaarden genoemd in artikel 2.3.10, eerste lid, van de wet. Verder kan het college, gelet op de bepalingen over de derde in hoofdstuk 12 van de verordening, aanleiding zien om een pgb-besluit te herzien of in te trekken. Ook kan het voorkomen dat de cliënt de verplichtingen, uit een privaatrechtelijke overeenkomst met de aanbieder, niet of onvoldoende nakomt. Denk bijvoorbeeld aan het onzorgvuldig gebruik van een scootmobiel. De wet biedt een publiekrechtelijke grondslag om het toekenningsbesluit in te trekken (art. 2.3.10 aanhef eerste lid onder d van de wet). Dat betekent nadrukkelijk niet dat op het college geen ondersteuningsplicht meer rust.
Zijn er nog steeds geen passende voorliggende oplossingen, dan kan mogelijk worden volstaan met het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een gebruikerspas voor de Regiotaxi. Artikel 13.3 Terugvordering geldswaarde Eerste lid In dit lid is de wettelijke bevoegdheid uitgewerkt wanneer het college kan overgaan tot het terugvorderen van ten onrechte genoten maatwerkvoorzieningen, financiële tegemoetkomingen dan wel pgb’s in geval de inlichtingenplicht door de cliënt opzettelijk is geschonden en/of de derde die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend (CRVB:2020:943, CRVB:2021:824). Gelet op het reparatoire karakter van de terugvordering ligt het op de weg van het college de opzet aannemelijk te maken. Het ligt bij een financiële tegemoetkoming overigens niet voor de hand dat van een derde wordt teruggevorderd omdat de tegemoetkoming rechtstreeks aan de cliënt wordt betaald zonder tussenkomst van de derde aan wie de tegemoetkoming eventueel wordt besteed. Tweede en derde lid Hierin is de bevoegdheid tot invordering geregeld middels verrekening of een dwangbevel. Dat wil overigens niet zeggen dat het college direct overgaat tot deze maatregelen. De cliënt wordt eerst in de gelegenheid gesteld om het terug te vorderen bedrag te betalen, binnen de termijn die de beschikking voorschrijft.
Artikel 13.4 Terugvordering overig Eerste lid De wet staat niet in de weg om over te gaan tot terugvordering als het besluit is herzien of ingetrokken onder toepassing van artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder d of e, van de wet. Zie ook de toelichting bij artikel 13.2 van de verordening.
38
No. 21.0005563 Tweede lid De wet staat er niet aan in de weg om bij een schending van de inlichtingenplicht (zonder opzetvereiste) over te gaan tot terugvordering van de ten onrechte verstrekte tegemoetkoming meerkosten. Dit lid biedt het college de bevoegdheid daartoe. Wel is vereist dat het college eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit neemt. Derde lid Dit lid regelt de bevoegdheid voor het college om over te gaan tot terugvordering in het geval van een onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW). Uit CRVB:2006:AX5819 kan namelijk worden afgeleid dat het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Vierde en vijfde lid Hierin is de bevoegdheid tot invordering geregeld middels verrekening of een dwangbevel. Dat wil overigens niet zeggen dat het college direct overgaat tot deze maatregelen. Zie toelichting bij artikel 13.3 van de verordening. Hoofdstuk 14 Overige bepalingen § 1.
Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers Artikel 14.1 De blijk van waardering Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers als mantelzorg wordt verleend aan een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Noordoostpolder. Daarbij moet het college oog hebben voor mantelzorgers van cliënten die mogelijk alleen gebruik maken van algemene voorzieningen. Het college kan nadere regels stellen. § 2. Klachtafhandeling en medezeggenschap Artikel 14.2 Regeling voor klachtenafhandeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De aanbieder is voor de in de verordening genoemde maatwerkvoorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (art. 3.2, eerste lid aanhef en onder a, van de wet). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Het college ziet toe op naleving van de klachtenregeling door aanbieders.
Uit het cliëntervaringsonderzoek kan onder meer blijken of cliënten tevreden zijn over aanbieders. Artikel 14.3 Regeling voor medezeggenschap Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid aanhef en onder f, van de wet. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde maatwerkvoorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid onder b, van de wet). In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. § 3. Kwaliteit Artikel 14.4 Kwaliteitseisen De Wmo 2015 maakt de gemeenten integraal verantwoordelijk voor de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning, de handhaving en het toezicht.
De wet bevat een basisnorm voor kwaliteit van voorzieningen die aanbieders direct bindt (zie hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de deskundigheid van beroepskrachten. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeente om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Die
39
No. 21.0005563 standaarden kunnen als richtinggevend kader voor gemeenten dienen. Uitgangspunt hierbij is dat deze standaarden de benodigde ruimte voor maatwerk, om goed in te kunnen spelen op de situatie van de cliënt, intact laten. Er is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen is in de artikelen uitgewerkt. Het jaarlijkse verplichte cliëntervaringsonderzoek draagt eraan bij dat het college kan toezien op de kwaliteit. Artikel 14.5 Prijs kwaliteitsverhouding In dit artikel wordt invulling gegeven aan opdracht aan de gemeenteraad om bij de uitvoering van deze wet door derden, regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van diezelfde voorziening. Dit artikel is van toepassing op alle vormen van dienstverlening op grond van de wet. Uitgezonderd zijn dus de verstrekking van hulpmiddelen en woningaanpassingen. Aanleiding voor dit artikel is het sinds 1 juli 2017 gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (landelijk). Op grond hiervan worden bij AMvB nadere regels gesteld aan de daarvoor al bestaande verplichting van het hanteren van een reële prijs (art. 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015).
De bepaling van de reële prijs voor een voorziening wordt geregeld door de kostprijselementen in dit artikel van de verordening waar het college een reële prijs op moet baseren vast te leggen. Dit is een verduidelijking van de verplichting die op het college rust op grond van artikel 2.6.6 van de wet. Ook wordt de plaats van een door het college vastgestelde reële prijs in de aanbestedingsprocedure geregeld. De nadere regels (AMvB) hebben tot doel dat een reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur en de gecontracteerde aanbieders. Hulpmiddelen en woningaanpassingen zijn uitgezonderd. Het spreekt voor zich dat het college bepaalt met welke derde een overeenkomst wordt gesloten. Artikel 14.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In dit artikel is vastgelegd dat het college een regeling treft voor het melden van calamiteiten en geweld bij de levering van een voorziening door een aanbieder. Het college wijst hiervoor een toezichthoudend ambtenaar aan. De toezichthoudend ambtenaar onderzoekt de meldingen en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. § 4.
Betrekken van ingezetenen Artikel 14.7 Betrekken van ingezetenen bij het beleid Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. Verwezen wordt naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. De wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij het beleid is neergelegd in de Verordening cliëntenparticipatie sociaal domein Noordoostpolder. Hoofdstuk 15 Slotbepalingen Artikel 15.1 Hardheidsclausule eerste lid Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de cliënt. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe te passen. In het algemeen geldt echter dat de cliënt gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is en dat voor het overige ook nader moeten onderbouwen. Artikel 15.2 Indexering Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.
Artikel 15.3 Evaluatie Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 15.4 Overgangsrecht Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 15.5 Citeertitel
40
No. 21.0005563 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 15.6 Inwerkingtreding Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Zie verder toelichting bij artikel 9.5 van de verordening.
41