CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder.pdf

Commissie Samenlevingszaken 25 oktober 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 3: Verordeningen jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 202223.133 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Mede hieruit moet blijken of de cliënt aan de voorwaarden voor toekenning van een pgb voldoet en of de door de cliënt gewenste ondersteuning redelijkerwijs kan bijdragen aan het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (zie ook art. 2.3.6, derde lid, van de wet). Tegelijkertijd biedt dit budgetplan aanknopingspunten voor evaluatie, herindicatie en toezicht op kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder d: collectieve maatwerkvoorziening Deze maatwerkvoorziening wordt individueel verstrekt maar kan wel door meerdere personen tegelijk wordt gebruikt. Een voorbeeld daarvan is het Collectief vervoer (Regiotaxi). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder e: dagactiviteiten Het bieden van dagactiviteiten kan een vorm zijn van ondersteuning, die bijdraagt aan het bereiken van een resultaat gericht op de zelfredzaamheid en/of participatie en die de cliënt zingeving biedt. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder f: financiële tegemoetkoming De Centrale Raad van Beroep heeft het begrip financiële maatwerkvoorziening geïntroduceerd (bijv. CRVB:2018:396). Het gaat in de praktijk om een tegemoetkoming in de kosten aan de cliënt als het college geen volledige maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is.

Bij deze tegemoetkomingen hoeft het college – in tegenstelling tot pgb’s – geen oordeel te geven over de kwaliteit en ook geldt geen trekkingsrecht. Denk aan een tegemoetkoming in de kosten voor brandstof voor het gebruik van een (eigen) auto. Zie verder artikel 5.3 van de verordening.

18

No. 21.0005563 Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder g: gebruikelijke hulp Het gaat (deels) om de wettelijke begripsbepaling waarbij het college beoordeelt of van de genoemde personen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Zie ook leefeenheid in dit artikel. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder h: gemeenschappelijke ruimten De begripsbepaling geeft het verschil aan tussen de woonruimte van een cliënt en de delen van het (woon)gebouw waar de cliënt woont, die ook door anderen worden of kunnen worden gebruikt. Er is sprake van een gemeenschappelijke ruimte als de cliënt alleen middels deze ruimte zijn woning kan bereiken of betreden. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder i: gewaarborgde hulp De cliënt kan afhankelijk zijn van anderen ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat deze persoon moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: de keuze van de ondersteuner, de kwaliteit en het behalen van het resultaat van de ondersteuning, en de financiële verantwoording rondom het pgb. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder j: hoofdverblijf Het gaat om de woning waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben.

De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Noordoostpolder te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de diens (te verwachten) beperkingen. Dat valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid, zie artikel 7.4 van de verordening. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder k: huisgenoot Met deze begripsbepaling wordt beoogd aan te geven dat alleen van de persoon die gezamenlijk een huishouden voert met de cliënt gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Of er sprake is van een commerciële relatie moet blijken uit een huur- of kostgangersovereenkomst. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder l: huishoudelijke ondersteuning Het geheel of gedeeltelijk ondersteunen en/of overnemen van noodzakelijke activiteiten in het huishouden dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder m: instandhoudingskosten Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder n: leefeenheid De begripsbepaling vloeit voort uit de bepaling over gebruikelijk hulp. Het gaat om de genoemde personen die gemeenschappelijk een woning bewonen en gezamenlijk een huishouden voeren.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder o: normale gebruik van de woning De begripsbepaling is met name van belang bij het verstrekken van woningaanpassingen, hulpmiddelen (woonvoorzieningen) of huishoudelijke ondersteuning. Deze maatwerkvoorzieningen worden slechts verstrekt als ze gericht zijn op het normale gebruik van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken, wassen en slapen). Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tot de tuin of het balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder p: ondersteuningsvraag Met deze begripsbepaling wordt beoogd aan te geven dat een verzoek om informatie en advies niet als melding in de zin van de wet wordt beschouwd. De term ondersteuningsvraag sluit meer aan bij de nieuwe wet. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder q: onderzoek Met deze begripsbepaling wordt het bij wet verplichte onderzoek bedoeld (art. 2.3.2, eerste lid, van de wet).

19

No. 21.0005563 Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder r: onderzoeksverslag Met deze begripsbepaling wordt de bij wet verplichte schriftelijke weergave van het onderzoek bedoeld (art. 2.3.2, achtste lid, van de wet). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder s: persoonlijk plan In een persoonlijk plan beschrijft de cliënt per onderdeel als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet, welke maatschappelijke ondersteuning volgens hem het meest is aangewezen als passende bijdrage, eventueel in aanvulling op voorliggende oplossingen, die nodig is om voldoende zelfredzaam te zijn en in aanvaardbare mate te kunnen participeren. Dit plan wordt voorafgaande aan het onderzoek ingediend. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder t: professionele organisatie De begripsbepaling is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. In de verordening worden namelijk gedifferentieerde tarieven gebruikt. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder u: spoedeisende situaties Het is aan de cliënt om te stellen en te onderbouwen dat sprake is van een spoedeisende situatie. Het is dan ter beoordeling aan het college of een tijdelijke maatwerkvoorziening in natura moet worden ingezet, dit in afwachting van de resultaten van het onderzoek (art. 2.3.3 van de wet). Omdat nog niet is vastgesteld of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening kan hier geen sprake zijn van het verstrekken van een pgb.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder v: vervoersvoorziening Spreekt voor zich. Voorbeelden zijn een scootmobiel of een driewielfiets. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder w: voorliggende voorziening Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek, die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot de ondersteuning, een voorziening bestaat op grond van een andere wettelijke regeling. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager daar ook daadwerkelijk een beroep op te doen. Daaronder kan ook een privaatrechtelijke regeling worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan een overeenkomst waarin de eisen van een (nog te bouwen) woning zijn vastgelegd. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder x: wet Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder y: WML Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder z: woning De wet kent geen begripsbepaling van een woning. Voor de toepassing van de verordening is het daarom van belang een begripsbepaling op te nemen. Kamerhuur valt, gelet op de begripsomschrijving in de verordening niet onder het begrip woning.

Een woning voldoet (minimaal) aan het niveau van sociale woningbouw, hetgeen betekent dat de woning moet zijn voorzien van een woonkamer, een keuken, inpandige sanitaire ruimten (badkamer en toilet) en voldoende slaapkamers voor alle gezinsleden. Woningen waarin de cliënt woonachtig is en de cliënt beschikt over een door de gemeente afgegeven persoonlijke gedoogverklaring, worden gelijkgesteld met permanente bewoning. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder aa: woonvoorziening De wet zelf geeft geen begripsbepaling van een woonvoorziening maar wel van een woningaanpassing of hulpmiddel voor de ondersteuning gericht op het wonen. Soms wordt in de verordening de wettelijke begripsbepaling woningaanpassing gebruikt als dat begrip ook daadwerkelijk is bedoeld. Dat is van belang omdat voor woningaanpassingen en trapliften (hulpmiddel) de regels gelden over het primaat van verhuizen of een weigeringsgrond aan de orde kan zijn als de cliënt naar een niet geschikte woning is verhuisd. Voor losse hulpmiddelen zoals een tillift gelden die regels niet. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder bb: ZZP-er De begripsbepaling is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. In de verordening worden namelijk gedifferentieerde tarieven gebruikt.

20

No. 21.0005563 Artikel 1.1 tweede lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening Eerste en tweede lid Het verstrekken van maatwerkvoorzieningen heeft betrekking op ingezetenen van de gemeente Noordoostpolder. Het tweede lid bepaalt wie als ingezetene worden aangemerkt. Uitgangspunt is de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP). Zie verder begripsbepaling over hoofdverblijf. Derde lid Onder maatschappelijke ondersteuning valt ook het bieden van beschermd wonen en opvang. Hoewel in de Wmo 2015, in tegenstelling tot de Wmo (2007), geen centrumgemeenten zijn aangewezen zijn het wel deze gemeenten die de hiervoor genoemde maatwerkvoorzieningen bieden. Daarvoor ontvangen zij vooralsnog ook de middelen van het Rijk. Voor de gemeente Noordoostpolder treedt de gemeente Almere op als ‘centrumgemeente’ voor beschermd wonen en opvang. Middels een mandaatbesluit heeft de gemeente Almere de bevoegdheid om de ondersteuningsvragen en bijbehorende aanvragen om beschermd wonen en opvang namens de gemeente Noordoostpolder af te handelen. Het college zorgt voor een zorgvuldige overdracht in het geval een cliënt zich meldt bij de gemeente Noordoostpolder. Hoofdstuk 2 Procedureregels In dit hoofdstuk van de verordening worden de procedureregels beschreven.

Het gaat om de manier waarop het college om gaat met de melding van cliënten en hoe het onderzoek wordt gedaan en afgerond. De wettelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn afgerond is zes weken. De regels van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op de procedure. Om toch voldoende rechtsbescherming te bieden kan de cliënt die een melding heeft gedaan (ondersteuningsvraag) na zes weken in ieder geval een aanvraag indienen. Artikel 2.1 De ondersteuningsvraag Eerste tot en met derde lid Een ieder kan zich bij het college melden. Om te spreken van een melding wordt onderscheid gemaakt tussen een verzoek om informatie en advies en een ondersteuningsvraag. De melding kan schriftelijk of telefonisch worden gedaan. Daarmee wordt de huidige praktijk voortgezet. Het college kan echter anders bepalen. Het spreekt voor zich dat hoe burgers zich kunnen melden voldoende bekend moet zijn voor een ieder. Zoals bij wet is voorgeschreven bevestigt het college de ontvangst van de ondersteuningsvraag. Dat gebeurt in principe schriftelijk. Dit alles zoals bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet. Vierde lid De cliënt heeft de mogelijkheid een persoonlijk plan in te dienen. Verwezen wordt naar de begripsbepaling in artikel 1.1, eerste lid, van de verordening. Voorafgaande aan het onderzoek wijst het college de cliënt op deze mogelijkheid.

Dat is van belang omdat de cliënt gedurende zeven dagen na het melden van de ondersteuningsvraag de gelegenheid heeft om dat plan aan het college te overhandigen (art. 2.3.2, tweede lid, van de wet). Vijfde lid Het college start het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet. Zie daarvoor verder artikel 2.3 van de verordening. Een uitzondering geldt voor spoedeisende situaties (zie begripsbepaling art. 1.1, eerste lid, van de verordening). Het college zet in voorkomende gevallen direct een maatwerkvoorziening in, dit in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. Zesde lid Verder is geregeld dat het college met aanbieders afspraken kan maken over het indienen van een ondersteuningsvraag voor cliënten. Het is logisch dat aanbieders snel kunnen constateren dat de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van een cliënt toeneemt, of daar tenminste aanleiding om dat aan te nemen (signaleringsfunctie). Ook in deze gevallen doet het college onderzoek en wordt een onderzoek gepland met de cliënt.

21

No. 21.0005563 Artikel 2.2 Cliëntondersteuning Artikel 2.2.4 van de wet draagt het college op te zorgen dat cliëntondersteuning beschikbaar is. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning voor de cliënt waarbij zijn belang het uitgangspunt moet zijn. Voorafgaande aan het onderzoek informeert het college de cliënt en/of diens mantelzorger over deze mogelijkheid. Artikel 2.3 Het onderzoek Eerste tot en met vijfde lid Na bevestiging van de ondersteuningsvraag wordt een afspraak gemaakt voor een onderzoek. Op voorhand bepaalt de verordening niet precies wanneer deze afspraak wordt gemaakt. Afhankelijk van de ondersteuningsvraag kan het namelijk zijn dat het college eerst gegevens wil verzamelen voor een goede voorbereiding op het onderzoek. Daarvoor kan overigens ook medewerking van de cliënt nodig zijn. Bij het onderzoek kunnen ook andere personen dan de cliënt aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan personen uit diens sociale netwerk. Ook kan sprake zijn van een vertegenwoordiger. In het onderzoek wordt in samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil bereiken ten aanzien van zijn zelfredzaamheid en/of participatie en welke oplossingen daarvoor mogelijk zouden kunnen zijn. Daarbij staat zijn belang voorop. Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van een persoon of personen uit het sociale netwerk van een cliënt een meerwaarde hebben.

Denk ook aan de oplossingen die zij geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de zelfredzaamheid van de cliënt wordt versterkt of kan verbeteren. In geval van mantelzorg wordt de mantelzorger in principe altijd uitgenodigd voor het onderzoek. Het is namelijk ook van belang te weten of de mantelzorger ondersteuning behoeft in verband met het verlenen van mantelzorg. Gelet op de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) moeten regels in acht worden genomen. Daarvoor kan het nodig zijn om toestemming te vragen om persoonsgegevens te verwerken of uit te wisselen. Artikel 2.4 Vaststellen identiteit Bij wet is geregeld dat de cliënt gehouden is zich desgevraagd te legitimeren. Voor de mantelzorger en de vertegenwoordiger van de cliënt is dat niet het geval. Uit het oogpunt van zorgvuldigheid is de bevoegdheid daartoe bij verordening bepaald. Artikel 2.5 Verslag van het onderzoek Eerste tot en met derde lid Van het onderzoek wordt een schriftelijk verslag opgesteld. Daarin staan het in samenspraak met de cliënt, en voorzover aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk, tot stand gekomen oplossingen (een arrangement). Deze oplossingen hebben betrekking op de onderwerpen van artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet.

Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger onderdeel uitmaken van het onderzoeksverslag. Daarmee is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, voorzover een aanvraag wordt ingediend (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat verslag zijn beschreven. Dat zal het college in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren. Het onderzoeksverslag vormt de belangrijkste basis voor de beslissing op de aanvraag. Nadat de cliënt beschikt over het onderzoeksverslag is het wel de verantwoordelijkheid van de cliënt, al dan niet diens mantelzorger, zelf te beslissen of een aanvraag wordt ingediend. De wet bepaalt niet tot wanneer de cliënt zijn aanvraag kan indienen. Strikt genomen betekent dit dat bijvoorbeeld twaalf maanden, nadat het college het verslag aan de cliënt heeft verstrekt, de aanvraag nog kan worden gedaan terwijl de feiten en omstandigheden gewijzigd zouden kunnen zijn. De wetgever meent daarom dat het onder de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad valt om te bepalen tot wanneer het verslag geldig is (TK 33 841, nr. 34, p. 219). Hoofdstuk 3 De aanvraag Vanaf het moment dat de cliënt een aanvraag indient voor een maatwerkvoorziening, is er sprake van enige vorm van juridisering.

Dat is een gevolg van het aanvragen van de maatwerkvoorziening en heeft met name tot doel om de rechtszekerheid van de cliënt te waarborgen. Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag. Artikel 3.1 De aanvraag Eerste en tweede lid Pas na verstrekking van een onderzoeksverslag kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2, negende lid, van

22

No. 21.0005563 de wet). De aanvraag wordt in principe ingediend op een door het college beschikbaar gesteld formulier. Om administratieve lasten te voorkomen kan het onderzoeksverslag ook als aanvraag worden aangemerkt. Derde lid In artikel 2.5, vierde lid, van de verordening is neergelegd hoe lang het verslag geldig is en wanneer er dus sprake is van een (nieuwe) melding van de hulpvraag. Zijn er volgens het college echter geen gewijzigde feiten of omstandigheden, dan neemt het college het ‘eerste’ verslag van het onderzoek als uitgangspunt. Vierde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Vijfde en zesde lid Artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet bepaalt dat het college binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag moet beslissen. Het kan echter voorkomen dat het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van dat besluit een deskundigenadvies nodig heeft zoals bedoeld in artikel 3.2 van de verordening. Het behoeft geen toelichting dat het college doorgaans niet over een dergelijk advies zal kunnen beschikken binnen de genoemde termijn. Het college vraagt in die situatie de cliënt om instemming de beslistermijn te verlengen. Stemt de cliënt hier mee in, dan heeft het college de bevoegdheid de beslistermijn van de aanvraag op te schorten met toepassing van artikel 4:14 van de Awb.

Daarbij noemt het college een redelijke termijn waarbinnen de cliënt het besluit tegemoet kan zien. In de praktijk zal de cliënt toestemming verlenen omdat ook hij is geholpen met een beslissing die gebaseerd is op een inhoudelijk oordeel. De beslistermijn kan ook worden opgeschort als de cliënt of diens huisgenoot (gebruikelijke hulp) niet de benodigde gegevens, bescheiden heeft aangeleverd of onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek. Dit voor zover dat van belang is voor het beoordelen van de aanvraag. In die gevallen is artikel 4:15, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb van toepassing. Artikel 3.2 Advisering Voor de uitvoering van de wet vraagt het college (medisch) advies als het zelf niet ter zake deskundig is. Vereist is dat de beperkingen van de cliënt objectiveerbaar zijn en vast te stellen zijn aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2019:2909 en CRVB:2009:BK4567). Uit artikel 2.3.8, derde lid, van de wet vloeit voort dat de cliënt zijn medewerking verleent aan het onderzoek door bijvoorbeeld gehoor te geven aan een oproep van de (medisch) adviseur of het -via een machtiging- toestemming verlenen om informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist (CRVB:2021:408).

Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college de noodzaak op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen (bijv. CRVB:2019:224 en CRVB:2020:567). Daarbij geldt wel dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet op een andere manier dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen (CRVB:2012:BY0448). Via de cliënt geldt de hier bedoelde medewerkingsplicht ook voor de huisgenoten. Denk in dit verband aan de beoordeling of wel/geen gebruikelijke hulp kan worden geboden. Hoofdstuk 4. Beoordeling van de aanspraak Artikel 4.1 Algemene criteria maatwerkvoorziening Algemeen In dit artikel zijn voor de kenbaarheid de algemene criteria van artikel 2.3.5, derde lid, van de wet opgenomen. Dit ter beoordeling van de aanspraak door het college. Gelet hierop is het verstrekken van een maatwerkvoorziening het ultimum remedium. Dat wil zeggen dat alleen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt als er geen voorliggende oplossingen beschikbaar, geschikt en toereikend zijn. Het gaat om oplossingen die vóór gaan op de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Voorbeelden zijn: algemeen gebruikelijke voorziening en algemene voorzieningen. Eerste lid aanhef en onder b Per 1 januari 2020 is het bepaalde onder b opgenomen in de wet.

De strekking daarvan is dat er geen compensatieplicht geldt voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 147-148). Dat wil zeggen dat het college niet gehouden is een maatwerkvoorziening te verstrekken als de cliënt zijn beperkingen

23

No. 21.0005563 kan oplossen dan wel verminderen met een algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535, CRVB:2021:160). Er is sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening als deze: 1. niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en 2. daadwerkelijk beschikbaar is; en 3. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid is participatie in staat is; en 4. financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Tweede lid Het tweede lid van dit artikel is (mede) gebaseerd op de tweede volzin van artikel 2.3.5, derde lid, van de wet en bepaalt dat het college maatwerk moet bieden. Immers, de maatwerkvoorziening waartoe het college beslist moet een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Derde lid De strekking van het derde lid is gelijk aan de strekking van het eerste lid met dien verstande dat dit lid betrekking heeft op de doelgroep van beschermd wonen en opvang. Vierde lid Het vierde lid van dit artikel is (mede) gebaseerd op de tweede volzin van artikel 2.3.5, vierde lid, van de wet en bepaalt dat het college maatwerk moet bieden.

Vijfde lid Dit artikel benadrukt dat het college bij het beoordelen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening het onderzoeksverslag en voorzover aanwezig het persoonlijk plan als uitgangspunt neemt. Artikel 4.2 Gebruikelijke hulp Eerste lid Er is geen plaats voor het verlenen van een maatwerkvoorziening wanneer tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college geacht worden gebruikelijke hulp te kunnen verlenen (bijv. CRVB:2019:1334, CRVB:2021:1114, CRVB:2021:823. Daar zal het college onderzoek naar moeten doen. Tweede lid Bij de beoordeling of gebruikelijke hulp kan worden gevergd van huisgenoten hanteert het college een beoordelingsstructuur die gebaseerd is op de aard, de omvang en de (te verwachten) duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt (onder a). Het college houdt daarbij rekening met de omstandigheden zoals genoemd onder b, c en d. Verder wordt verwezen naar de begripsbepalingen van gebruikelijke hulp, leefeenheid en huisgenoot van de verordening. Artikel 4.3 Specifieke criteria maatwerkvoorziening In dit artikel zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten.

Eerste lid aanhef en onder a Hierin is bepaald dat de maatwerkvoorziening de cliënt in staat moet stellen tot zelfredzaamheid en/of participatie. In welke mate iemand zelfredzaam moet kunnen zijn en/of kan participeren is niet in de wet bepaald omdat het mede afhankelijk is van de individuele situatie; het gaat om maatwerk. De wet schrijft dan ook voor dat de maatwerkvoorziening daar een passende bijdrage aan moet leveren. Wat passend is, is strikt genomen een open norm die in beperkte mate in de verordening is ingekaderd. Dat geeft ruimte voor professioneel handelen. De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning zal in een redelijke verhouding moeten staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149).

24

No. 21.0005563 Eerste lid aanhef en onder b Het college is slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te bieden (bijv. CRVB:2018:1643. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat deze hiermee passender worden gemaakt, komen in principe niet voor verstrekking in aanmerking. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde maatwerkvoorziening als passende bijdrage kan worden gekwalificeerd. Zijn er meerdere maatwerkvoorzieningen die als passende bijdrage kunnen gelden, dan wordt de goedkoopste verstrekt. Eerste lid aanhef en onder c Een maatwerkvoorziening wordt op aanvraag verstrekt, het is een ‘individuele voorziening’. Het spreekt daarom voor zich dat deze in overwegende mate op de cliënt gericht is. Echter (tijdelijke) ondersteuning aan huisgenoten en/of personen uit het sociale netwerk van de cliënt behoort ook tot de mogelijkheden, mits de ondersteuning in overwegende mate op de cliënt is gericht. Dat wil zeggen de tijdelijke maatwerkvoorziening komt (indirect) tegemoet aan de problemen die de cliënt niet zelf kan oplossen. Denk bijvoorbeeld aan het aanleren van het uitvoeren van huishoudelijke taken door de huisgenoot. Tweede lid aanhef en onder a De cliënt kan mogelijk aanspraak maken op een ‘voorziening’ op grond van een andere wet.

In dat geval kan het college de cliënt verwijzen (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 150). In dat kader speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een belangrijke rol. Het college is niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als een andere wettelijke regeling kan voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Denk aan gebruikmaking van fysiotherapie, ergotherapie of een gehoorapparaat (vergelijk CRVB:2011:BT7241 en CRVB:2013:CA1427). Onder de eigen verantwoordelijkheid valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming (CRVB:2012:BV9433). Hier kan ook een privaatrechtelijke regeling onder vallen, zoals een contractuele overeenkomst met eisen waaraan de woning moet voldoen. Op grond daarvan moet de cliënt de ‘verantwoordelijke’ aanspreken (CRVB:2011:BQ4115). Tweede lid aanhef en onder b Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op een al eerder verstrekte voorziening op grond van deze of hieraan voorafgaande verordeningen en de normale economische afschrijvingstermijn daarvan is nog niet verstreken, dan wordt de aanvraag in beginsel afgewezen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte individuele voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen.

Een andere mogelijkheid is dat de cliënt zelf geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Tweede lid aanhef en onder c Bij de beoordeling van de aanvraag mag het college rekening houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of van anderen uit diens sociale netwerk. Dit met het oog op een passende oplossing voor de beperkingen in zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Op voorhand kan niet worden gezegd wanneer daarvan sprake is, dat is afhankelijk van de individuele situatie. Te denken valt aan het anders organiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is. Ook kan worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening of woningaanpassing hoeft te worden verstrekt (vergelijk CRVB:2016:429, CRVB:2013:CA0183). Tweede lid aanhef en onder d Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen (vergelijk CRVB:2014:1161 en CRVB:2013:BZ7735).

In hoofdstuk 7 van de verordening is nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woonvoorzieningen.

25

No. 21.0005563 Artikel 4.4 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget Eerste lid aanhef en onder a Het college is niet gehouden om een maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) te verstrekken als deze al vóór de hulpvraag gerealiseerd is. Omdat deze weigeringsgrond niet in de wet is opgenomen heeft deze bepaling een plek gekregen in de verordening (CRVB:2017:433, CRVB:2020:1099). In de praktijk zal het meestal om een verzoek gaan om bepaalde kosten te vergoeden. Denk bijvoorbeeld aan een badkamer die is al aangepast of een verhuizing van een ongeschikte naar een geschikte woning die al heeft plaatsgevonden waarvoor achteraf nog een vergoeding van de kosten wordt aangevraagd. Onbekendheid van een cliënt met de terzake geldende regelingen komen voor diens eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). Eerste lid aanhef en onder b Het kan ook voorkomen dat de cliënt de maatwerkvoorziening realiseert hangende de procedure tussen de melding en de beslissing op de aanvraag. In zo’n situatie wordt de maatwerkvoorziening alleen verstrekt als de cliënt aan het college toestemming heeft gevraagd en schriftelijk heeft verkregen. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat de cliënt een woning kan verkrijgen en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan aan iemand wordt toegewezen of verkocht. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Tweede lid Het kan ook voorkomen dat een maatwerkvoorziening nog niet is gerealiseerd maar de cliënt al wel begonnen is met bijvoorbeeld het aanpassen van de badkamer en het college nog niet heeft beslist op de aanvraag. Het college is bevoegd de aanvraag te weigeren, tenzij het college tot het oordeel komt dat de betreffende maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Ook geldt het bepaalde over de goedkoopst passende bijdrage onverkort. Derde lid Dit lid is in overeenstemming met de vaste rechtspraak (CRVB:2018:818, CRVB:2016:2052, CRVB:2015:4918). De strekking hiervan is dat het college (bij ongewijzigde omstandigheden) niet verplicht is om binnen de budgetperiode (looptijd) opnieuw een pgb te verstrekken als het pgb volledig door de cliënt is besteed. De cliënt maakt de keuze voor een pgb en aanvaard tevens de daaraan verbonden risico's en kosten. Daaronder valt bijvoorbeeld het verloren gaan van het vervoermiddel. Vierde lid Het spreekt voor zich dat wanneer een ondersteuningsvraag of een aanvraag wordt gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, vanaf dat moment niet meer gesproken wordt van realisatie. Dat wil zeggen als de noodzaak wordt vastgesteld voor een dergelijke maatwerkvoorziening, kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt (al dan niet in de vorm van een pgb) maar niet met terugwerkende kracht (vergelijk CRVB:2019:772).

Vijfde lid Het kan voorkomen dat de cliënt ná het verstrijken van de budgetperiode opnieuw bij het college een melding doet van een ondersteuningsvraag. Tijdens het onderzoek kan blijken dat de beschikbare maatwerkvoorziening die de cliënt met het pgb heeft aangeschaft nog voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Wanneer dat het geval is, kan het college besluiten om instandhoudingskosten toe te kennen in plaats van een pgb om een nieuwe maatwerkvoorziening aan te schaffen. De strekking van dit lid heeft ook betrekking op de maatwerkvoorziening in natura. Dat wil zeggen als een natura-voorziening nog voldoet aan de kwaliteitseisen, dan kan het college volstaan met het verstrekken van instandhoudingskosten in plaats van het verstrekken van een nieuwe maatwerkvoorziening. Zesde lid Van de cliënt, die een maatwerkvoorziening meeneemt op vakantie naar het buitenland, wordt verwacht dat daarvoor een adequate verzekering wordt afgesloten in geval van verlies, diefstal of schade. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht voor schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Zevende lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

26

No. 21.0005563 Hoofdstuk 5 Maatwerkvoorzieningen De Wmo 2015 bestaat uit een voorzieningenstelsel waarbij op het college de verplichting rust om met dat stelsel een resultaat te bereiken waarbij de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid, participatie of het zich op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving. Een maatwerkoplossing kan heel divers van aard zijn. Er bestaat dus niet één oplossing; er kunnen meerdere wegen naar Rome leiden. Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de aanvrager, om te besluiten hoe zij de aanvrager ondersteunt (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Dit betekent ook dat de verordening geen limitatief stelsel van maatwerkvoorzieningen kan omvatten. Artikel 5.1 Maatwerkvoorzieningen algemeen Eerste lid aanhef en onder a Hoewel de wet huishoudelijke ondersteuning niet benoemd, is op basis van de jurisprudentie duidelijk geworden dat huishoudelijke ondersteuning binnen het bereik van de wet valt. Het college handelt overigens al sinds 2015 in lijn hiermee. Om duidelijk te maken dat burgers hier een beroep op kunnen doen, is deze voorziening opgenomen. Dit neemt niet weg dat huishoudelijke ondersteuning een raakvlak heeft met het begrip zelfredzaamheid. Denk in dat verband aan de cliënt met voldoende regievermogen waarbij enkel de inzet van schoonmaakondersteuning voldoende is.

Of de cliënt die juist is aangewezen op regie bij het huishouden. Verder volgt uit de jurisprudentie dat huishoudelijke taken geen betrekking hebben tuinonderhoud of het lappen van de ramen aan de buitenkant van de woning (CRVB:2017:885, CRVB:2017:1302). Eerste lid aanhef en onder b en c In dit onderdeel zijn de twee elementen opgenomen waar het begrip zelfredzaamheid uit bestaat. Om te zorgen dat de cliënt zelfredzaam is (blijft) kunnen bijvoorbeeld hulpmiddelen, woningaanpassingen, begeleiding of dagactiviteiten nodig zijn. Het gaat erom dat de cliënt met de maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid. De diverse begripsbepalingen in de verordening zijn daarbij ook van belang. Daarmee is nadrukkelijk niet gezegd dat altijd een maatwerkvoorziening is aangewezen. De aan de maatwerkvoorziening voorliggende oplossingen gaan altijd voor op het verstrekken daarvan. Denk aan: gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen. Eerste lid aanhef en onder d De cliënt moet, als er geen voorliggende oplossingen zijn, in aanvaardbare mate kunnen participeren. Dat wil zeggen, ondanks de lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kunnen ontmoeten, contacten kunnen onderhouden, boodschappen kunnen doen en aan maatschappelijke activiteiten kunnen deelnemen.

Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 6 en 123). Sporten valt ook onder participatie voor zover iemand daar in redelijke mate aan deelneemt (CRVB:2018:3348). Eerste lid aanhef en onder e Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger ontlast moet of wil worden, geldt nog wel een specifiek criterium om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf. Namelijk dat de cliënt door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg is aangewezen op ondersteuning die gepaard gaat met voortdurend toezicht dan wel 24-uurs ondersteuning in de nabijheid. Is dat niet het geval, dan zou bijvoorbeeld dagactiviteiten al dan niet gecombineerd met ondersteuning (begeleiding individueel) en ambulante zorg als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw) uitkomst kunnen bieden. De mantelzorger kan ook ‘geneeskundige zorg’ bieden, die niet ambulant (door een wijkverpleegkundige) wordt of kan worden geboden. In dat geval ligt het voor de hand dat er aanspraak bestaat op Eerstelijnsverblijf op grond van de Zvw. Er geldt in die situatie geen ondersteuningsplicht voor het college. Eerste lid aanhef en onder f Voor de doelgroep van opvang en beschermd wonen geldt een primaire beoordeling van de vraag of zij in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Artikel 5.2 Primaat en kortdurende ondersteuning Eerste lid De hoofdregel volgens de verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals de Regiotaxi. Het gaat bij het primaat om een verbijzondering van het beginsel van de ‘goedkoopst passende bijdrage’. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd

27

No. 21.0005563 gekeken naar de individuele omstandigheden. Het primaat van een collectief vervoerssysteem was al bekend (en geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep) onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo (oud) en kan onder de Wmo 2015 zonder meer worden voortgezet (CRVB:2018:1487). Zie ook het primaat van verhuizing en het primaat van dagactiviteiten in de verordening. Tweede en derde lid Verder is het zo dat de maatwerkvoorziening voor een kortdurende periode kan worden verstrekt. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt te versterken of verbeteren. Bijvoorbeeld door de cliënt toe te leiden naar beschikbare, geschikte en toereikende algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen. Dat is (indirect) ook het geval als tijdelijk maatschappelijke ondersteuning wordt verleend omdat degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan maar dat wel kan leren. Ook kan de maatwerkvoorziening gericht zijn op het behouden van een aanvaardbare mate van zelfredzaamheid en/of participatie. Artikel 5.3 Criteria financiële tegemoetkoming Eerste lid aanhef en onder a, b en c Het gaat om tegemoetkomingen in de kosten van het gebruik van eigen auto, individueel (roltoel)taxivervoer en verhuiskosten en/of inrichtingskosten die het gevolg van de toepassing van het primaat van verhuizen.

Omdat het om maatwerk gaat, houdt het college bij het gebruik van eigen auto rekening met de volledige of gedeeltelijke samenvallende vervoersbehoefte van de cliënt en zijn eventuele partner. Ook kan de cliënt afhankelijk zijn van iemand die hem met een auto vervoerd. Eerste lid aanhef en onder d Omdat de wet uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten dan genoemd onder a, b of c in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. Het zal in de praktijk gaan om situaties waarin het college geen volledige maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Tweede lid In dit lid is bepaald wanneer het college tot uitbetaling overgaat. Een niet tijdig ingediende declaratie kan leiden tot het niet meer uitbetalen daarvan (CRVB:2013:924). Derde lid In principe wordt de financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten en/of inrichtingskosten betaalbaar gesteld na de verhuizing naar een, volgens het college, geschikte woning. Het kan ook voorkomen dat de cliënt kosten heeft die niet kunnen worden voorgeschoten. Door het overleggen van een huurcontract is duidelijk dat de cliënt zal gaan verhuizen naar de geschikte woning en kan het college tot (gedeeltelijke) uitbetaling overgaan.

Vierde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting Hoofdstuk 6 Begeleiding, dagactiviteiten en kortdurend verblijf en beschermd wonen Artikel 6.1 Algemeen Dit artikel bepaalt de reikwijdte van de maatwerkvoorzieningen van dit hoofdstuk. Artikel 6.2 Algemene criteria Het college kan de begeleiding en/of deelname aan dagactiviteiten combineren met de mogelijkheden van de cliënt zelf, zijn sociale netwerk of vrijwilligers. Dat sluit aan bij het wettelijk kader. Onder het ‘combineren van’ kan ook ‘afstemmen op’ worden verstaan. Verder geldt, zoals eerder in deze verordening is bepaald, het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening, voorzover aanwezig en een passende bijdrage levert gelet op de omstandigheden van het individuele geval. Artikel 6.3 Specifieke criteria begeleiding en dagactiviteiten Eerste en tweede lid Het spreekt voor zich dat ook de hier bedoelde maatwerkvoorzieningen moeten bijdragen aan het behouden dan wel verbeteren van de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt die daarin beperkingen ondervindt. Het moet gaan om een passende bijdrage in het concrete individuele geval. Bij deze maatwerkvoorzieningen gaat het (ook) om de twee elementen van zelfredzaamheid:

28

No. 21.0005563 algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 12 en 26). Bij deelname aan dagactiviteiten kan ook de participatie van de cliënt (ook) van belang zijn. Het gaat om structurele tijdsbesteding die de cliënt zingeving biedt. Derde en vierde lid De cliënt kan tevens in aanmerking worden gebracht voor het noodzakelijke vervoer van huis naar de locatie en weer terug waar de dagactiviteiten worden geboden. Ook is bepaald wanneer het vervoer in ieder geval noodzakelijk wordt geacht. Artikel 6.4 Criteria kortdurend verblijf in een instelling Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger ontlast moet of wil worden, geldt nog wel een specifiek criterium om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf. Namelijk dat de cliënt door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg is aangewezen op ondersteuning die gepaard gaat met voortdurend toezicht dan wel 24-uurs ondersteuning in de nabijheid. Is dat niet het geval, dan zou bijvoorbeeld dagactiviteiten al dan niet gecombineerd met ondersteuning (begeleiding individueel) en ambulante zorg als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw) uitkomst kunnen bieden. De mantelzorger kan ook ‘geneeskundige zorg’ bieden, die niet ambulant (door een wijkverpleegkundige) kan worden geboden.

In dat geval ligt het voor de hand dat er aanspraak bestaat op Eerstelijnsverblijf op grond van de Zvw. Er geldt in die situatie geen ondersteuningsplicht voor het college. Dit artikel bevat tevens een maximale omvang maar ook dat het college daarvan kan afwijken. Artikel 6.5 Criteria beschermd wonen Een indicatie voor beschermd wonen is slechts aangewezen als de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving gelet op diens complexe problematiek. Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de cliënt er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder (in de directe nabijheid van) 24 uur per dag toezicht en daarbij is aangewezen op ondersteuning. Het toezicht is noodzakelijk ter voorkoming van één of meer van de genoemde risico’s en bestaat uit een (noodzakelijke) behoefte aan meerdere en onplanbare ondersteuningsmomenten op essentiële terreinen dagelijks leven. Hoofdstuk 7 Ondersteuning gericht op het wonen In dit hoofdstuk van de verordening zijn de mogelijkheden opgenomen over de aanspraak op ondersteuning aan cliënten die niet (zelf) in staat zijn, zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van deze verordening, beperkingen op het gebied van wonen te verminderen of weg te nemen. Verder zijn bepalingen opgenomen op grond waarvan het college aanvragen kan weigeren. Deze zijn in overstemming met het beleid dat onder de Wmo (2007) werd gevoerd en met de jurisprudentie onder de Wmo 2015.

Artikel 7.1 Maatschappelijke ondersteuning Dit artikel beschrijft de vormen van maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken gericht op het wonen. Het spreekt voor zich dat de reikwijdte van de verordening bij het verstrekken van een woonvoorziening zich beperkt tot de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Noordoostpolder te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de diens beperkingen. Zie verder artikel 7.4 van de verordening. Artikel 7.2 Algemene criteria woonvoorzieningen Dit artikel beschrijft de reikwijdte van het verstrekken van woonvoorzieningen (hulpmiddel of een woningaanpassing). De cliënt moet in staat worden gesteld tot het kunnen uitvoeren van elementaire woonfuncties gericht op het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Dat is feitelijk een uitwerking van het begrip zelfredzaamheid. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen in de verordening van: een woning en het normale gebruik van de woning. Artikel 7.3 Criterium primaat van verhuizen Eerste lid De hoofdregel volgens de verordening is dat het zogeheten primaat van verhuizen geldt (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149 en CRVB:2018:702, CRVB:2018:2602).

Het spreekt voor zich dat er wel binnen een voor de cliënt medisch aanvaardbare termijn een passende of goedkoper aanpasbare woning beschikbaar moet zijn. Het primaat kan worden toegepast als de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing en/of traplift, wat hogere kosten voor het college mee zal brengen dan het

29

No. 21.0005563 verhuizen door de cliënt. Kan het college het primaat toepassen, dan kan er mogelijk aanspraak bestaan op een financiële tegemoetkoming in de vorm van verhuis- en inrichtingskosten, zie artikel 5.3 van de verordening). Het primaat van verhuizen en de eventuele verhuis- en inrichtingskosten is niet bedoeld voor personen die inwonend zijn bij de (mede)huurder of (mede)eigenaar zijn van de woning. Denk bijvoorbeeld aan kinderen die op zichzelf gaan wonen. Voor hen geldt dat de verhuizing naar een geschikte woning geen kosten met zich meebrengt die in aanmerking komen voor (gedeeltelijke) vergoeding. Het gaat om een algemeen gebruikelijke verhuizing. Tweede lid Het beginsel van de goedkoopst passende bijdrage geldt ook in het geval de cliënt toch wil verhuizen naar een andere (passende) woning. Dat wil zeggen dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming in de vorm van een verhuis- en inrichtingskosten. Artikel 7.4 Specifieke criteria woonvoorzieningen Eerste lid Onder omstandigheden kan het verstrekken van woonvoorzieningen ook betrekking hebben op: de berging, de toegang tot tuin of balkon van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het gaat om de beoordeling van het college wat voor de cliënt onder het normale gebruik van de woning valt.

Tweede lid onder a en b Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn er uitgesloten situaties genoemd waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn of geen noemenswaardige extra kosten meebrengen. Een woonvoorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Kamers (onzelfstandige woonruimten) die verhuurd worden vallen daar niet onder. Of woongebouwen voor gehandicapten- en/of ouderen zijn bedoeld, blijkt niet alleen uit de bestemming, maar ook uit de bewoners zelf. Wordt een gebouw voornamelijk bewoond door ouderen en/of gehandicapten, dan wordt die bestemming aangenomen. Dit kan het geval zijn wanneer meer dan de helft van de bewoners ouder is dan 55 jaar en/of beperkingen heeft. Uit de jurisprudentie blijkt wel dat er zware eisen kunnen gelden om aan te nemen dat een woongebouw specifiek is gericht op mensen met beperkingen (vergelijk bijvoorbeeld CRVB:2009:BI9087). Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor gemeenschappelijke ruimten (zie derde lid onder f).

Derde lid algemeen Hierin worden een aantal situaties bepaald waarin het college de aanvraag om een maatwerkvoorziening in ieder geval kan weigeren. Hieraan ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag waaronder begrepen de omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt liggen. Derde lid aanhef en onder a Het kan voorkomen dat de cliënt is verhuisd terwijl daar gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Is dat het geval én bestond er geen belangrijke reden om toch te verhuizen, dan weigert het college de genoemde maatwerkvoorziening(en). Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt en de partner maken in welke woning men gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom naar de woning wordt verhuisd waar mogelijk (meer) aanpassingen moeten worden verstrekt. Derde lid aanhef en onder b Is de cliënt niet verhuisd naar de voor hem beschikbare meest geschikte woning, dan wordt de maatwerkvoorziening in beginsel afgewezen. Deze bepaling sluit aan op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijv. CRVB:2019:2951, CRVB:2018:702, CRVB:2014:3084, CRVB:2013:1809).

Het college wordt namelijk op voorhand de mogelijkheid ontnomen om nog te kunnen bepalen of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, maar ook wat de goedkoopst passende bijdrage had kunnen zijn. Onder deze bepaling zijn ook begrepen de aankoop (of het huren) van een woning of een kavel dan wel andere onomkeerbare handelingen zonder dat voorafgaande daaraan- contact is opgenomen met het college. Door dat na te laten, bijvoorbeeld niet

30

No. 21.0005563 bij het college te informeren over de mogelijkheden, brengt de cliënt zich in een lastige bewijspositie. De aantoonplicht dat er geen (andere) geschiktere beschikbare woningen waren, ligt in eerste instantie bij de cliënt (CRVB:2019:2951, CRVB:2011:BQ2868 en CRVB:2012:BY5215). Er is alleen sprake van een uitzondering als de cliënt vooraf (schriftelijk) toestemming aan het college heeft gevraagd en (schriftelijk) toestemming heeft gekregen om te verhuizen naar de betreffende inadequate woning. Derde lid aanhef en onder c Woningen die niet bestemd en/of geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen kunnen niet dienen als hoofdverblijf als bedoeld in de begripsbepaling van de verordening. Daarom worden aan woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen geen woningaanpassingen en/of trapliften verstrekt (vergelijk bijv. CRVB:2011:BR4180). Derde lid aanhef en onder d Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen. Hieraan ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Denk bijvoorbeeld aan de constructie van een houten vloer in de woning (vergelijk CRVB:2003:AM5445). Derde lid aanhef en onder e Aan deze afwijzingsgrond(en) ligt ook het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt ten grondslag.

Net als ieder ander is de cliënt, die (mede)eigenaar is van de door hem bewoonde woning, verantwoordelijk om zaken als achterstallig onderhoud aan diens woning zelf op te lossen. Iedereen zal onderhoud moeten plegen aan zijn (eigen) woning, hoe kostbaar dat soms ook kan zijn. Daaronder worden ook de eisen verstaan die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld. Ingeval van een huurwoning ligt het op de weg van de cliënt de verhuurder hierop aan te spreken (CRVB:2013:2509). Daarbij mag het college een hoge mate van inspanningsverplichting verwachten van de cliënt. Denk bijvoorbeeld aan het gemotiveerd aanschrijven van de verhuurder in plaats van alleen een telefoongesprek. Derde lid aanhef en onder f Het begrip gemeenschappelijke ruimte geeft het verschil aan tussen de woonruimte van een cliënt en de delen van het (woon)gebouw waar de cliënt woont, die ook door anderen worden of kunnen worden gebruikt. Het college verstrekt alleen een woonvoorziening in gemeenschappelijke ruimten als sprake is van een situatie genoemd onder 1° of 2° van dit onderdeel. Als dat noodzakelijk is kunnen bijvoorbeeld elektrische deuropeners of een opstelplaats voor een scootmobiel worden verstrekt.

Opgemerkt wordt wel dat als de cliënt zonder toestemming van het college verhuist naar een ongeschikte woning (gelet op zijn beperkingen), andere criteria van het derde lid van dit artikel van toepassing kunnen zijn. Artikel 7.5 Zich verplaatsen in en om de woning Dit artikel bepaalt de reikwijdte van het verstrekken van maatwerkvoorzieningen voor het zich kunnen verplaatsen in en om de woning. Denk in dat verband bijvoorbeeld aan een rolstoel, traplift of plafondlift. Hoofdstuk 8 Ondersteuning bij het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer Artikel 8.1 Maatschappelijke ondersteuning Het college kan een maatwerkvoorziening of een financiële tegemoetkoming verstrekken aan de cliënt die geen gebruik kan maken van het reguliere openbaar vervoer en waarvoor ook geen voorliggende oplossingen beschikbaar zijn om, al dan niet met hulp uit zijn sociaal netwerk, deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer. Artikel 8.2 Specifieke criteria Eerste tot en met derde lid Het kan gaan om een maatwerkvoorziening voor ‘de korte afstand’ en/of voor de wat ‘langere afstand’ om zich lokaal te kunnen verplaatsen. Het verschil hiertussen is doorgaans gelegen in de vraag of het om gerichte of ongerichte bestemmingen gaat. Dat wil zeggen: welke vervoersvoorziening biedt een passende bijdrage gelet op de vervoersbehoefte.

Onder lokaal in het kader van dit artikel wordt 15-35 kilometer rondom de woning verstaan (vergelijk CRVB:2009:BH4270 en CRVB:2010:BL4037). Afwijking van het begrip lokaal kan nodig zijn om de cliënt aansluiting te geven op het boven-lokale Valys vervoer. Met het zich lokaal kunnen verplaatsen wordt de cliënt in staat gesteld tot participatie

31

No. 21.0005563 (CRVB:2018:1972, CRVB:2018:1961). Verder geldt het principe van het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening. Artikel 8.3 Het zich lokaal kunnen verplaatsen Eerste tot en met derde lid Dit artikel bepaalt waar het te bereiken resultaat voor het zich lokaal kunnen verplaatsen op is gericht. Het onderhouden van sociale contacten of deelname aan maatschappelijke activiteiten kan bijvoorbeeld door buurthuizen te bezoeken. Het kan gaan om algemeen beschikbare faciliteiten maar ook om algemene voorzieningen die door het college zijn geregeld. Het vervoer voor deelname aan dagactiviteiten wordt apart georganiseerd (zie art. 6.3 van de verordening). Het uitgangspunt qua omvang is bepaald op 1500-2000 kilometer per jaar. Dit betekent echter niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn; dit op basis van de noodzakelijke lokale vervoersbehoefte. Het college is immers gehouden maatwerk te leveren en daarom bevoegd in individuele gevallen om af te wijken. Het zou bijvoorbeeld (ook) het geval kunnen zijn dat er meer dan één vervoersvoorziening wordt verleend en met deze voorzieningen tezamen 1500-2000 kilometer op jaarbasis kunnen reizen bereikt kan worden. Hoofdstuk 9.

Persoonsgebonden budget In dit hoofdstuk van de verordening zijn criteria opgenomen over de aanspraak, bijbehorende verplichtingen verbonden aan het pgb en regels over het vaststellen van de hoogte van het pgb. Artikel 9.1 Algemeen Eerste lid Het spreekt voor zich dat het college gehouden is aan de wettelijke bepalingen en voorschriften in de verordening. Tweede lid Uit de wet volgt dat het verstrekken van maatwerkvoorzieningen gericht is op de in Nederland noodzakelijke ondersteuning (territorialiteit). Ook volgt uit de wet dat maatwerkvoorzieningen, al dan niet in de vorm van een pgb, worden verstrekt aan de cliënt die feitelijk in de gemeente Noordoostpolder woonachtig is. Voor huishoudelijke ondersteuning geldt dat deze maatwerkvoorziening wordt verstrekt voor het niet zelf kunnen uitvoeren van huishoudelijke taken in de eigen woning. De plicht om de cliënt te ondersteunen, op welke manier dan ook, geldt niet voor het kunnen verrichten van activiteiten in het buitenland of buiten de gemeente. Voor wat het vervoer geldt dat de cliënt zich lokaal moet kunnen verplaatsen. Lokaal is begrensd tot alleen de gemeentegrenzen van Noordoostpolder (zie art. 8.2 van de verordening). Het kan echter voorkomen dat een cliënt met een indicatie voor bijvoorbeeld begeleiding in de vorm van een pgb op vakantie gaat.

Het college stelt voor dergelijke gevallen in het Besluit nadere regels over de besteding van een verstrekt pgb als de cliënt buiten de gemeente Noordoostpolder verblijft of in het buitenland verblijft. Artikel 9.2 Regels persoonsgebonden budget algemeen Eerste en tweede lid Het eerste lid zorgt ervoor dat situaties waarin geen recht bestaat op een maatwerkvoorziening ook niet met een pgb niet doorkruist kunnen worden. Immers er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt als de cliënt zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie kan oplossen met een algemeen gebruikelijke voorziening, zie artikel 4.1 aanhef en onder b van de verordening. Met het tweede lid wordt voorkomen dat een pgb wordt besteed aan de huisgenoot die (tijdelijk) niet in staat is gebruikelijke hulp te bieden. Immers er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt als van een huisgenoot wordt verwacht gebruikelijke hulp te bieden (bijv. CRVB:2019:2616). Derde, vierde en vijfde lid De wetgever heeft zich nadrukkelijk uitgelaten over de vraag waar het pgb niet aan mag worden besteed (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 38). Verder is bepaald dat geen vast bedrag mag worden gehanteerd. Dat wil zeggen declaraties worden gedaan op basis van de werkelijk geboden ondersteuning (in tijd). Een uitzondering geldt voor huishoudelijke ondersteuning.

Ook wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid geen verantwoordingsvrij bedrag te hanteren. Zesde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

32

No. 21.0005563 Artikel 9.3 Verplichtingen persoonsgebonden budget diensten Om te zorgen dat het college goed kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van artikel 2.3.6, tweede lid en derde lid, van de wet en/of het bepaalde in deze verordening geldt de verplichting om een budgetplan op te stellen. Dit met uitzondering van huishoudelijke ondersteuning. Het college stelt een format beschikbaar. Artikel 9.4 Verplichtingen persoonsgebonden budget overig Eerste lid In dit lid zijn verplichtingen neergelegd met het oog op de correcte besteding van het pgb. Met het realiseren van woningaanpassingen kunnen namelijk grote bedragen zijn gemoeid. De cliënt zal het college bijvoorbeeld desgevraagd toegang moeten verlenen tot de woning waar de woningaanpassing wordt gerealiseerd (bijv. CRVB:2013:1782). Tweede lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Derde lid Dit lid regelt een aantal verplichtingen die gelden voor de budgethouder als met het pgb een hulpmiddel wordt aangeschaft. Om te zorgen dat het met het pgb aan te schaffen hulpmiddel gedurende de budgetperiode kan worden gebruikt zal de cliënt instandhoudingskosten moeten besteden voor onderhoud. Daarnaast kan het afsluiten van een WA-verzekering bij vervoersvoorzieningen vereist zijn. Het college is bevoegd om de aanschaf te beoordelen of te controleren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1854/documents/28298