CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 Reactienota zienswijze e.d. bp Landelijk gebied Repelweg te Marknesse (MITC).pdf

Commissie Woonomgeving 27 juni 2023, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)’36.499 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

8. Beantwoording specifieke zienswijzen Hieronder worden de ingediende zienswijzen, voor zover deze niet zijn beantwoord in de algemene beantwoording, letterlijk weergegeven. De beantwoording van de gemeente en de provincie is in grijs gearceerde kaders opgenomen.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

19

8.1 Zienswijze G1 Geacht college, Als lid van de werkgroep "Voor een Veilige Voorsterweg", wil ik een reactie geven op de ontwerp plannen betreffende de inrichting van het MITC en Politieschool. 1. Wenselijk zou zijn: de in- en uitrit van NLR/DNW verwijderen op de Voorsterweg, zodat ook toeleveranciers de nieuwe in- en uitrit op de Repelweg gaan gebruiken. De Voorsterweg is een klinkerweg door natuurgebied. Repelweg heeft een fietspad, Leemringweg heeft een fietspad, Vollenhoverweg heeft een fietspad. Allemaal goed en veilig ingericht: daarom is het absoluut niet wenselijk dat toeleveranciers en bezorg- en/of bodediensten toch nog een in-uitrit houden aan de Voorsterweg.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.4. 2. Op de laatst gegeven info-avond blijkt de geluidswal op het terrein waar MITC is gepland, ineens te zijn vervallen, omdat dat daar geen ruimte meer voor zou zijn ????!!l Dit is echt onacceptabel!! Het is een nu nog blanco terrein: dus bouw eerst een fatsoenlijke en nodige geluidswal. En dan op de overgebleven ruimte kan men indelen volgens plan. Men kan niet ineens zulke belangrijke plannen wijzigen onder t motto: "het valt misschien wel mee met het geluid". Dit is onacceptabel!

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.5. 3. Ook betreffende in- en uitritten van Natuurmonumenten Waterloopbos en het nog te realiseren Fletcher hotel, maken wij ons grote zorgen. Er zijn in het verleden miljoenen euro's gegaan naar de Natuurmonumenten. Die hebben ze op eigen terrein besteedt. Waarom heeft gemeente of provincie niet een kleine (?) bijdrage gereserveerd voor een veilige in- en uitrit van deze accommodaties richting Repelweg, Vollenhoverweg of Leemringweg? Bezint eer ge begint! Het probleem blijft nu toch de Voorsterweg!! Nu moet alle verkeer: fietsers, wandelaars, brommers, landbouwverkeer en auto's over de Voorsterweg, d.w.z. smalle klinkerweg in natuurgebied !!ü En dan moeten we nu blij zijn dat nu eindelijk eens, na 4 jaar van lobbyen, de snelheid van snelverkeer, van 80 naar 60 km/u misschien zal gaan? Bedankt, maar niet heus! Er worden miljoenen gegeven aan Natuurmonumenten, en veel geld is er gemoeid met de bouw van het MITC en het Fletcher hotel, maar voor een fatsoenlijke oplossing voor overlast en veiligheid op de Voorsterweg, daar kan nog geen cent van af; een paar borden met 60 is zelfs nog een probleem. . Graag zie ik uw reactie tegemoet,

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.4 en 7.8.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

20

8.2 Zienswijze G2 - Provincie Flevoland Mobiliteit De ontsluiting van het plangebied is nog onderwerp van verkeerskundig onderzoek. Dit onderzoek is van belang om uiteindelijk een verkeersveilige ontsluiting te realiseren Het onderzoek zal in twee stappen worden uitgevoerd. De eerste fase is een globale verkenning naar vier varianten. In fase 2 wordt vervolgens de voorkeursvariant uit fase 1 uitgewerkt. De verkeersruimte opgenomen op de verbeelding lijkt in alle gevallen niet toereikend in relatie tot dc tc onderzoeken varianten. Het is van belang dat u de verbeelding hierop aanpast. Daarnaast verdient het de voorkeur datu de resultaten van het onderzoek mee neemt in het vast te stellen bestemmingsplan. Het voorgaande geeft ons aanleiding om op dit punt een pro-forma zienswijze in te dienen (mede in relatie tot het aspect geluid) om het provinciaal belang goed te borgen.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.4. Inmiddels is er een variantenstudie uitgevoerd door de provincie. Gebleken is dat het bestemmingsplan voldoende ruimte biedt voor de voorkeursvariant. Het is niet nodig het bestemmingsplan hier op aan te passen. Geluid De resultaten van het verkeerskundig onderzoek (zoals onder het kopje ‘Mobiliteit' benoemd, kunnen leiden tot een fysieke wijziging van de Repelweg (provinciale weg) hetgeen mogelijk een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder betekent. De woningen aan de Repelweg liggen (gedeeltelijk) in het onderzoeksgebied. Het is belangrijk dat wordt vastgesteld dat de geluidbelasting over de komende 10 jaar (inclusief het MITC), niet leidt tot een toename van 1,5 dB of meer Het is wettelijk verplicht dat onderzoek dit uitsluit. In hot vooroverleg is door ons verzocht om hier onderzoek naar te doen. Dit onderzoek is niet uitgevoerd, echter wel van belang omdat het wettelijk verplicht is ingevolge de Wet Geluidhinder. Nu dit onderzoek ontbreekt bij het ontwerp-bestemmingsplan, vormt dit aanleiding tot een zienswijze.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.5.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

21

Ecologie In het plangebied bevindt zich een (nog te slopen) boerderij. Alvorens de sloop in gang kan worden gezet is het van belang te orderzoeken of zich hier verblijfplaatsen van vleermuizen in aanwezig zijn. De uitkomst var dit onderzoek bepaalt of er een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming verleend kan worden of niet. Kortom de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is hiermee in het geding. Inmiddels is duidelijk dat het onderzoek nog niet is uitgevoerd omdat de huidige eigenaar geen toegang verleent tot de boerderij. Feit is dat een dergelijk onderzoek naar kraamverblijfplaatsen van deze vleermuizen (gebouwbewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en/of tweekleurige vleermuis) jaarlijks alleen tussen 15 mei en 15 juli kan worden uitgevoerd. Formeel moet dit onderzoek zijn uitgevoerd voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld, tenzij de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan voldoende geborgd is ongeacht de uitkomsten van het onderzoek. Het onderzoek naar paarverblijfplaatsen kan na vaststelling van het bestemming worden uitgevoerd in de periode 15 augustus-1 oktober. Inmiddels is vast komen te staan dat de sloop van de boerderij naar verwachting in het najaar van 2024 verwacht wordt.

Om het bestemmingsplan toch uitvoerbaar te laten zijn, bestaat er gegeven de huidige omstandigheden de mogelijkheid om ruimte vast te leggen voor alternatieve (kraam)verblijfplaatsen in de planregels. Het is van belang dat deze alternatieve verblijfplaatsen (in een gebouw) worden gecreëerd voor de soorten die eventueel een kraamverblijfplaats hebben in de boerderij U kunt over deze alternatieve verblijfplaats overleg voeren met mevr. M. Kolen van de provincie Flevoland. Het voorgaarde is aanleiding om op dit punt een pro-forma zienswijze in te dienen om ervoor te zorgen dat de planregels hierop worden aangepast. Het is van belang om in de ptanregels op te nemen dat het vleermuizenonderzoek wordt uitgevoerd alvorens tot sloop wordt overgegaan van de betreffende boerderij. Daarnaast is het van belang om in de planregels op te nemen dat, indien een kraamkclonie wordt aargetroffen, er gezorgd wordt voor eer alternatieve verblijfplaats (zoals hiervoor is beschreven). Tenslotte rroet in de regels de ruimte voor de alternatieve verblijfplaatsen zijn vastgelegd.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.6. Overig Het is belangrijk de drie voorwaarden om negatieve effecten voor de vleermuizen aan de zijde van Blokzijlertocht te voorkomen op te nemen in de planregels (niet verbreden bosstrook noordrand, geen verlichting langs bosrand of slechts vleermuisvriendelijke armaturen en verlichting bij de gebouwen én testbaan zonder uitstraling naargroenelementen er randen plangebied). Mede in het kader van deze zienswijze vragen wij u om dit bij het vaststellen van het bestemmingsplan mee te nemen.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.8 onder 'licht'.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

22

In de vooroverlegreactie is stilgestaan bij het opnemen van de aanduiding‘Luchthavengebied'. Deze aanduiding ziet op het vastleggen van de bestaande situatie in het plangebied ten opzichte van het direct nabijgelegen Nederlands Lucht en Ruimtecentrum (NLR) In het ontwerpbestemmingsplan is dit punt uit de vooroverlegreactie niet overgenomen. Uit de reactierota bij het ontwerp-bestemmingsplan volgt dat "..het opnemen van een aparte geluidszone is daarom juridisch niet nodig en zou een theoretische beperking kunnen vormen voor eventuele toekomstplannen van NLR. Daarom is hier niet voor gekozen. De provincie is bevoegd gezagvoorde luchthavenregeling.'' Deze opvatting wordt niet gedeeld. In een ambtelijk overleg op 24 mei is dit onderwerp met u en de adviseur van RDW en NLR besproken. Besproken is de bedoeling om te komen tot het borgen van het luchthavengebied en de daarop gelegen contouren in het bestemmingsplan. Voordeel daarvan lijkt te zijn dat de provincie op grond van de Wet Luchtvaart kan blijven volstaan met een luchthavenregeling voor NLR. Ook als de gronden binnen het luchthavengebied in eigenaar zouden overgaan. Ar ders komt het zwaardere instrument van een luchthavenbesluit in beeld. Van belang is in ieder geval dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening het planologisch kader op orde moet zijn.

In dat kader valt voor de onderhavige situatie met betrekking tot het NLR bijvoorbeeld te denken aan een wijzigingsbevoegdheid, uitwerkmgsplicht of een afwijkingsbevoegdheid met een omgevingsvergunning onder voorwaarden. Dit vraagt nog nader overleg. Tijdens het overleg op 24 mei 2022 is bovenal vast komen te staan dat alle partijen op één lijn zitten om het luchthavengebied goed te borgen en daarover met elkaar in gesprek te blijven. Wij vertrouwen er daarom op dat u bereid bent om deze belangen op een juiste manier (ambtshalve) mee te nemen in het bestemmingsplan, doel van de aanduiding legt juist de bestaande situatie vast, zodat daar vanuit toegewerkt kan worden naar een toekomstige situatie (voor MITC/Digicity en NLR). Wij vertrouwen er op dat voor deze bestemmingsplanprocedure in goed constructief overleg de wettelijke procedure wordt vervolgd en afgerond. Wij behouden ons riettemin het recht voor om het wettelijk instrumentarium gedurende deze procedure alsnog in te zetten.

Naar aanleiding van de zienswijzen vond overleg plaats met provincie, NLR, RDW en de gemeente. Naar aanleiding van het overleg worden de toelichting, regels en verbeelding aangepast. Kern van de aanpassing is dat in het bestemmingsplan wordt aangegeven dat er sprake is van een luchthavengebied. De aanwijzing en het daadwerkelijk gebruik van het luchthavengebied vindt niet plaats en wordt niet geregeld met dit bestemmingsplan. Dit is reeds gedaan door de provincie als bevoegd gezag bij het vaststellen van de luchthavenregeling. Het bestemmingsplan legt dus enkel deze reeds bestaande situatie vast. Er wordt geen nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt.

Aanpassing van het bestemmingsplan: de toelichting (paragraaf 5.3 is aangevuld), de regels (artikel 14.2 en 14.3) en de verbeelding (opname van aanduidingen 'overige zone - luchthavengebied' en Veiligheidszone - luchtvaart') zijn aangepast.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

23

8.3 Zienswijze G3a 1.1 Aanleiding Er wordt een bestemmingsplan voorbereid voor een testcentmm voor mobiliteit en infrastructuur (MITC) in het buitengebied van Marknesse. De aanleg en het gebruik van het MITC leiden tot stikstof-emissies. Daarom is in beeld gebracht in hoeverre deze emissies leiden tot depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden die kan leiden tot significante effecten op instandhoudingsdoelstellingen van die gebieden Daartoe is bepaald wat bronnen van stikstof zijn tijdens de aanleg en het gebruik van het MITC Vervolgens is bepaald tot welke stikstofdeposities dit leidt Daarbij is een vergelijking gemaakt met de referentiesituatie: de huidige toegelaten stikstofdeposities vanwege het betrokken projectgebied. De ontwikkeling heeft een potentieel effect op de nabijgelegen Weerribben en De Wieden, maar mogeliįk ook om gebieden op grotere afstand, zoals Rottige Meende 8l Brandemeer en de Uiterwaarden Zwarte Wateiļ en Vecht. De gebieden Zwarte Meer en Ketelmeer Ä Vossemeer kennen geen stikstofgevoelige habitatten In dit onderzoek wordt achtereenvolgend het toetsingskader voor de beoordeling en afweging van stikstofeffecten, de uitgangspunten voor de berekeningen, de resultaten en de conclusie beschreven. Het onderzoek is gebaseerd op het rekenprogramma AERIUS (januari 2022). Vragen -

Welke waarden aan stikstofemissies werden de afgelopen 10 jaai in de lucht binnen de Gemeente Noordoostpolder concreet genieten? Welke waarden aan NO, NOx en NH3 werden de afgelopen 10 iaar in de bodem van de natuurgebieden in de Gemeente Noordoostpolder gemeten? Welke waarden aan NO. NOx en NH3 werden de laatste lOjaar concreet gemeten in dc lucht in/bii De Wieden0

-

Welke deposities van NO, NOx en NI 13 werden dc laatste 10 jaar concreet gemeten m de bodem van De Wieden0

-

I loe, waar en door wie is vastgesteld, dal voornoemde waarden I deposities (punt 3 en 4), mits aanwezig, uit de Gemeente Noordoostpolder afkomstig zijn'7

-

Here, waar en door wie is vastgesteld, dat voornoemde waaiden deposities (punt 3 en 4). mits aanwezig, van agrarisch gebruik binnen de Gemeente Noordoostpolder afkomstig zijn7

-

Welke andere stikstofbronnen behalve landbouw - kunnen verantwoordelijk zijn vooi voornoemde waarden i deposities (punt 3 en 4), mits aanwezig? In hoeverre kunnen overige stikstofbronnen verantwoordelijk zijn voor voornoemde waarden (punt 3 en 4), mits aanwezig7

-

Waar. wanneer, door wie en gedurende welke periode is de eventuele stikstofemissie

-

vanuit deze overige stikstofbronnen onderzocht? In hoeverre bent u bekend met het feit, dat tussen het Vogeleiland en de

-

N33 KProvincie Overijssel) een stikstofgevoelige habitat met onder meer de beschermde Kievitsbloem ligt7 (Bron Natuurmonumenten) 1 loe exact luidt de opdracht die de RJ)W aan IN ľerra heeft verstrekt7

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3. Voor wat betreft de opdracht van RDW aan Interra gaat het er voor de gemeente om dat de onderzoeken die zijn geleverd, zijn beoordeeld en akkoord bevonden zijn.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

24

2.1 Algemeen

In 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden, inclusief bijbehorend toetsingskader Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is gebleken dat het PAS niet mag dienen als toetsingskader voor het geven van toestemming voor activiteiten. De bezwaren van de RvS richten zich met name op de beoordelingssystematiek. Het AERIUS-rekeninstrument blijft wel toepasbaar (voor zover de situatie binnen het toepassingsbereik valt). In het PAS werd als “drempelwaarde” een bijdrage van 0,05 mol N/ha/jr gehanteerd Hen depositiebijdrage van 0,05 mol N/ha/jr mag sinds de uitspraak van 29 mei 2019 op voorhand niet zonder meer als “niet significant” worden aangemerkt. Vragen -

Beoordelingssystematiek » AERIUS-tnodel In hoeverre past het ontoereikende, want onbetrouwbare rekeninstrument' AF.RIUS tóch binnen (citaat) ‘het toepassingsbereik MITC’?

-

Waarom wordt de door de Raad van State als “onbetrouwbaar” ingeschaalde AERlUS-beoordelingssystematiek tóch voor het grote infrastructurele project MITC toegepast?

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3. 2.2 Beslisboom toestemmingsverlening

Uit de op 12 oktober 2019 door de Rijkoverheid gepubliceerde beslisboom “Toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten” volgt dat als de uitkomst van de berekening is dat er geen sprake is van stikstofdepositie (dat wil zeggen dat de op twee decimalen afgeronde bijdrage niet meer bedraagt dan 0,00 mol N/ha/jr) er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten en er geen natuurvergunning nodig is. Als de AERIUSberekening aantoont (zie volgend) dat een project leidt tot tijdelijke en/of zeer geringe stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden, kan het toch zo zijn dat significante negatieve effecten via een ecologische voortoets kunnen worden uitgesloten Als dit niet het geval is, kan overgegaan worden naar een passende beoordeling. V raag Het project MITC leidt tot langdurige en (te) hoge stikstofdepositie op De Wieden (zie onder). In hoeverre kunnen RDW INTerra. auteur f alse Venema, B&W en/of Gemeenteraad Noordoostpolder juridisch aansprakelijk worden gesteld voor fouten ! verkeerde aannames/ foutieve prognoses onjuiste berekeningen in het rapport ‘Onderzoek stikstofdepositie MITC Marknesse', wanneer de stikstofdepositie op onder meer De Wieden in de toekomst blijkt toe te nemen'* Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

25

2.3 Provinciale beleidsregels en saldering

Op 23 juni 2020 zijn de huidige beleidsregels Wet natuurbescherming in werking getreden Bedrijven die een vergunning nodig hebben, moeten ervoor zorgen dat de neerslag van stikstof in Natura 2000-gebiedcn niet toeneemt Dit betekent dat als een aanvrager kan aantonen dat er als gevolg van een aanvraag geen significante effecten zijn op Natura 2000gebieden, er vergunning kan worden verleend Eventuele stikstofemissie kan worden beperkt door emissiebeperkende maatregelen of door in-/ex tem salderen Vraag Waar en hoe in het IN Terra-rap port wordt met feiten aangetoond, dat aanleg en gebruik van het \1ITC I Marknesse in de toekomst géén significante effecten op in de -

nabijheid gelegen N2000-gebieden en natuurgebieden zullen hebben? Waarom wordt in het rapport van de heer Venema geen enkele aandacht besteed aan dc Vogelrichtlijn- en Habitatregelinggebieden tussen het Vollenhovermeer en De Wieden?

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3. 2.4 Mogelijkheid en procedure intern salderen

Een uitspraak van de Raad van State van 20 januari 2021 heeft bevestigd dat voor interne saldering geen vergunningplicht geldt Verder hanteert de provincie Flevoland de lijn van het intemprovinciaal project BIJ 12, dat aangeeft dat bemesting of beweiding van een agrarisch perceel als salderingsbron kan worden ingezet als dit legaal kan gebeuren op grond van de meststofĩenregelgeving en het bestemmingsplan en sinds de referentiedatum altijd en agrarische bestemming heeft gehouden Ook moet het aannemelijk zijn dat het perceel op en sinds de referentiedatum een agrarisch gebruik heeft, De bemesting/beweiding van de te ontgraven percelen, die in de toekomst geen agrarische bestemming meer zullen hebben, is dus in te zetten voor het totale plan Op basis van het voorgaande geldt als uitgangspunt dat wanneer de stikstofdepositic als gevolg van het gebruik van het bedrijventerrein niet toeneemt, er geen sprake is van vergunningplicht of een noodzaak voor een passende beoordeling (voor wat betreft stikstof)

Vraag -

‘Intern salderen' is een rekentruc. Waarom past de Provincie Flevoland enerzijds deze truc ten aanzien van het project MI K’ toe, terwijl anderzijds boeren uit onze hoek van de Nooidoostpolder op last van diezelfde provincie moeten verdwijnen in verband met

-

hun niet aangetoonde stikstofemissie richting De Wieden dan wel hun met aangetoonde stikstofdepositic óp De Wieden9 1 loe en uaar toont de auteur van het rapport in dit rapport met harde meetgegevens aan, dat "de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg en het gebruik van het bedrijventerrein níet toeneemt’ waardoor "er geen sprake is van vergunningplicht of

-

een noodzaak voor een passende beoordeling (voor wat betreft stikstof)” Op welke variant í varianten stikstof doelt de auteur?

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.1 en 7.3.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

26

2.5 Aanlegfase Op grond van de Wet Stikstofreductie en natuurverbetering is het niet meer nodig om de aanlegfase van het plan te beoordelen. Bij grotere gebiedsontwikkelingen verdient het wel de aanbeveling om hier aandacht aan te besteden Zeker dit project geldt dat een Milieueffectrapportage (MER) wordt opgesteld, waarin ook de effecten van de realisatie worden afgewogen Voor deze fase is in het kader van de uitvoering geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig bij mogelijk effecten van stikstof. Vragen í Verzoeken -

Graag toezending van de bedoelde passages van de Wel Stikstofreductie en natuurverbetering.

-

Graag toezending van de bedoelde passages van de Wet Natuurbescherming

-

Op welke variant

varianten 'stikstof doelt de auteur van het rapport'7

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3. Voor passages uit wet- en regelgeving wordt verwezen naar de website wetten.overheid.nl waar alle wetgeving is in te zien. Stikstofemissie van testbanen en oefenterreinen

Voor de gebruiksfase wordt ervan uitgegaan dat stikstofemissies optreden als gevolg van het gebruik van de testfaciliteiten Voor hei gebruik van de testfaciIiteiten worden de stikstofemissies berekend aan de hand van het verwachte brandstofverbruik Daarbij is voor het gebruik door de RDW uitgegaan van een groei van \CiO% (verdubbeling) ten opzichte van het huidige gebruik in Lelystad Dit is in de programma van eisen van RDW voor de locatiekeuze en het bedrijfseconomisch perspectief de maximale groeivariant Qua oppervlakte neemt het terrein met 25Vo toe ten opzichte van de huidige locatie in Lelystad. Het huidige gebruik van diesel is 22 274 liter diesel I jaar Omdat gegevens over benzine onbekend zijn wordt hiervoor zekerheidshalve gerekend met een toeslag van 200Zo op het dieselgebruik om de emissie van benzine te simuleren. De kombaan wordt namelijk hoofdzakelijk gebruikt voor vrachtverkeer (diesel) Hiermee komt het uitgangspunt voor het huidig gebruik van de RDW op 26.729 liter diesel / jaar. Vragen -

Het getal van het huidige gebruik van 22.274 liter diesel per jaar op de RDW-testbaan te Lelystad is afkomstig van de opdrachtgever voor dit rapport Hoe en waar kan dit getal worden geverifieerd? Graag ook bronnen

-

Hoe kan liet, dat gegevens over het jaarlijkse benzinegebruik op de RDW-testbaan te Lelvstad ontbreken?

-

Waarom is de ' lOO^í» groei’ (verdubbeling, zie boven) op het MITC te Marknesse ten opzichte van de RDW-testbaan te Lelvstad niet verrekend in de prognose voor het jaarliikso brandstofverbruik op de testbaan te Marknesse'7

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3. Het brandstofverbruik op de testbanen is door RDW opgegeven en zijn gebaseerd op concrete interne gegevens. De verdubbeling hierop is een worst-case scenario, waarbij de praktijk is dat de voertuigen steeds schoner zijn en op termijn zelfs hoofdzakelijk elektrisch. Er is daarom geen reden om aan deze invoergegevens te twijfelen. Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

27

Voor het gebruik door de politie en de testfaciliteiten van DigiCity/Campus zijn geen gegevens bekend De testbanen zoals die door de politic gebruikt zullen worden zijn veel kleiner van omvang en kennen een minder continu gebruik dan de testbanen die door de RDW zelf gebruikt worden Voor DigiCity geldt het gebruik in de praktijk zeer extensief zal zien en gezien de aard van deze activiteiten, die vooral zijn gericht op innovatieve mobiliteit, maar worden aangenomen dat het traditionele brandstofgebruik laag zal zijn. Daarom is gekozen voor een conservatieve (veilige) aanname, waarin het brandstofgebruik naar rato van de oppervlakte is bepaald RDW vertegenwoordigd ~!0Vo van de oppervlakte en DigiCity/Campus de overige 30oZo

Vragen -

Hoe kan het, dat voor het gebruik van de rij- en slipopleiding van de politie en de

-

testfaciliteiten van DigiCity Campus geen gegevens ten áánzien van brandstofgebruik t diesel dan wel benzine) bekend zijn9 De testbaan, zoals die door de politie gebruikt zal worden, is weliswaar kleiner van ontvang, maar de daar tc verrichten rij vaardigheids- en sliphandelingen zijn in hun aard veel intenser dan die op de RDW-testbaan. Waarom zijn de emissies van de rij­ en slipopleiding van de politie niet meegenomen in het rapport9 een minder continu gebruik dan de testbanen die door de RDW zelf gebruikt worden’ W aarom wordt de oeťenbaan voor de politie op het M1TC qua intensiteit van gebruik gerelateerd aan de RDW-iesIbaan? Wal is er qua gebruik sintensi teit - bekend

omtrent de huidige oefenbaan I -banen van de politie? Waarom worden deze data niet gebruikt? -

Waarop is de aanname gebaseerd, dal hel circuit voor rij- en slipopleiding van de politie een minder continu gebruik kent’? Graag bronnen!

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3. Bij de politie geldt dat veel voertuigen van elders komen en dus niet op de locatie getankt worden. Het is onduidelijk waarop de indiener baseert dat de intensiteit op de oefenbanen intensiever is. Het is in deze fase alleen mogelijk om op basis van een reële inschatting de emissie te berekenen. Wat vaststaat is dat dieselmotoren meer NOx uitstoten dan benzinemotoren en bij RDW vooral met dieselvrachtwagens is gerekend. Bij de politie gaat het hoofdzakelijk om kleine benzinevoertuigen. Daarom is de redenatie uit het onderzoek, namelijk een gelijke uitstoot per hectare als veilige aanname, reëel.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

28

Voor de berekening van de emissies wordt gebruik gemaakt van een standaard emissiefactor voor diesel van 4,0 g/1 NOx Deze is als volgt tot stand gekomen De testbaan van RDW wordt voornamelijk gebruikt voor het testen van vrachtwagens en voornamelijk nieuwe voertuigen Op basis hiervan wordt als vertrekpunt genomen de emissiefactor die hoort bij de Euro 6 norm voor vrachtverkeer De Euro 6 norm is in g/kWli (0,40-0,46). Voor een benadering van de norm in g/1 is gebruik gemaakt van informatie van het RIVM. Dit betreft een tabel met emissiefactoren in g/km voor verschillende soorten voertuigen in verschillende omstandigheden, die ook worden gebruikt voor berekeningen door AERJUS Om op basis hiervan één emissiefactor te bepalen voor de RDW, zijn de beschikbare emissiefactoren voor verschillende typen zwaar vervoer gemiddeld (personenvervoer weggelaten) Kentallen voor stedelijk verkeer zijn hierbij weggelaten (omdat dit niet representatief is voor de testbaan). Het hieruit afgeleide kental is 0,95 g/km NOx Om dit om te rekenen naar een hoeveelheid met verbruikte liter diesel, is uitgegaan van een gemiddeld 1 liter op 3 kilometer 1 . Dit resulteert in een emissiefactor voor euro 6 van 2,84 g/1.

De getallen van het RIVM kijken naar de voertuigmix op Nederlandse wegen Hier zijn ook zeer oude voertuigen bij Om hiervoor zoveel mogelijk te corrigeren is de gemiddelde emissiefactor opgenomen, gebaseerd op het jaar 2030 Dit sluit aan op het type voertuigen dat wordt getest (in 2030 zijn de nu te testen voertuigen representatief voor de verkeersmix op de wegen) Ook zijn ter correctie de gegevens weggelaten die betrekking hebben op verkeer binnen de bebouwde kom en files. De afgeleide emissie van NOx uit diesel komt op 5,07 g/1. Het voorgaande leidt tot de genoemde gemiddelde emissiefactor van 4 g/1 NOx en de in onderstaande tabel weergegeven emissiecijfers, die als uitgangspunt voor de berekening zijn gehanteerd. Er is zekerheidshalve een ruime afronding naar boven toegepast In overeenstemming met de door AERIUS gegenereerde emissies vanuit verkeer, is uitgegaan van 10*^ NH3 emissies vanuit de tests In de vorige rekenmethode van AERIUS werd de inzet van mobiele werktuigen bepaald aan de hand van type machines en het aantal draaiuren In de versie 2022 wordt het aantal draaiuren en dieselverbruik van een machine van een bepaalde klasse bepaald. Het brandstofverbruik per uur is gebaseerd op de oude rekenmethode van AERIUS, waarin 1.000 draaiuren met een 215 kW machine equivalent van 8 000 liter diesel uitstoot Voor alle machines geldt een maximum. Dit zijn de zwaarste machines.

Het gaat dus om een gemiddeld verbruik van 8 liter per uur Alle in de voorgaande tabel opgenomen machines zijn, per werk, op basis van inzet per jaar bij elkaar opgeteld Vraag -

W aarom heeft de auteur van liet rapport ten aanzien van ‘draaiuren en dieselverbruik per uur’ gebruik gemaakt van ‘de oude rekenmethode van AERllJS’ terwijl er een AERIUS-versie 2022 voorhanden is?

-

In hoeverre zijn de oude en de nieuwe versie van de AERIUS-rekenmethode geschikt voor het berekenen van het aantal draaiuren en dieselverbruik van een machine van een bepaalde klasse?

-

I loe oordeelt de Raad van State over o m de betrouwbaarheid van de nieuwe AERIUS -reken m et h ode?

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3. Over hoe de Raad van State oordeelt over zaken kan hier verder geen uitspraak worden gedaan. Dat is aan de Raad van State. Voor zover jurisprudentie van toepassing is op deze zaak is dat betrokken in de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

29

3.2 Referentiesituatie

Een toestemming kan een niet-vergunde activiteit zijn die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest De meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gcbicdcn zijn de Wieden en even verderop de Weerribben Op grotere afstand liggen de Jjiterwaarden Zwarte Wat^i en Vecht, Holtingerveld, Zwartemeer en het DrentsFriese Wold Sĺ Leggelderveld De referentiedata voor deze gebieden variëren van 10 juni 1994 tot 7 december 2004 Voor de Wieden is de referentiedatum 24 maart 2000.

De ruimtelijke verdeling van ammoniak emissies door toediening van mest, kunstmest en beweiding wordt door het model INITIATOR per hectare berekend Voor de emissie van stikstof in de referentiesituatie is gebruik gemaakt van dit model. Interprovinciaal initiatief BIJ 12 heeft op hiervoor per regio kentallen bepaald, die zijn gebaseerd op het model INITIATOR Voor de Noordoostpolder gaat het om 27,38 kg NFO/ha/jaar. Voor het totale plan komt dit neer op 3.230 kg NID/jaar. Vragen -

Hoe kar het. dat de in alinea 1 genoemde ‘referentiedata allen 18 jaar en ouder zijn9

-

In hoeverre zijn genoemde data daardoor nog up-to-date?

-

In hoeverre is het model INITIATOR voor de MITC-situatie toepasbaar en relevant? Hoe oordeelt de Raad van State over het gebruik van het model INITI ATOR9 In hoeverre is het genoemde kental '27.38 kg NH3. ha/jaar' \an toepassing op de 118 voor het MITC te gebruiken hectares akkerbouwgrond. waarop b v. nooit ‘beweiding’ heeft plaatsgevonden9 Hoe oordeelt Uw raad over het onnodige verlies van bijna 120 hectare goede akkerbouwgrond in de Gemeente Noordoostpolder. mede gezien in het kader van de mondiale voedselsituatie anno 20229

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.2 en 7.3.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

30

De relevante emissies op het terrein zijn het gevolg van verkeersbewegingen Dit betreft zowel verkeer van werknemers en bezoekers en aan- en afrijden van materieel en materiaal, als de feitelijke test-, oefen- en onderzoeksfaciliteiten Daarbij is nagegaan wat het piekjaar is voor deze emissies Er is allereerst een berekening uitgevoerd voorjaar 10 van de planperiode In dat jaar zal het programma het verst zijn ingevuld. Daarnaast is een berekening uitgevoerd voorjaar 7 om rekening te houden met eventuele verschoning tussen jaar 7 en 10 Verschoning van wegverkeer en werkvoertuigen is automatisch ingecalculeerd in Aerius. Daarnaast wordt ermee rekening gehouden dat binnen de testomgeving voor geavanceerde mobiliteitssystemen (Digicity) in jaar 10 uitsluitend elektrische voertuigen worden getest In jaar 7 wordt dit aandeel geraamd om 83*^ó. Uit deze berekeningen blijkt dat jaar 7 (2028) het piekjaar is voor de emissies van het MITC. In járen voorjaar 7 zal (in elk geval) nog niet het gehele programma aan bvo’s zijn gerealiseerd zodat daarvoor lagere stikstofemissies mogen worden verwacht Vragen -

Waarop is de aanname gebaseerd, dm over 10 jaar (2032) nog uitsluitend elektrische voertuigen op de MITC-testbaan van de RDW worden gelest Graag bronnen en feiten, geen ramingen)

-

Waarop is de raming gebaseerd, dat in ‘jaar 7' 830zo elektrische voertuigen betrokken zal zijn bij de aanleg cn het gebruik van het MITC?

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3. 4 Resultaten

De in hoofdstuk 3 bepaalde uitgangspunten zijn ingevoerd in het rekenprogramma AERIUS, dat op basis van de emissies van NOx en NH3 en ingebouwde verspreidingsmodellen de depositie van stikstof op daarvoor gevoelige habitats berekend Hiervoor zijn de natuurgebieden ingedeeld in hexagonen met een oppervlakte van 1 hectare, waarbij de depositie per hectare per jaar bepalend is Bij interne saldering gaat het om het verschil van de verschillende fasen van het project ten opzichte van de reľerentiesituatie. In de bijlage bij dit rapport is deze verschilberekening van de emissie van de gebruiksfase en aanlegfase ten opzichte van de referentiesituatie opgenomen Vragen -

Waarom zijn de emissies NO niet in het rekenprogramma AERIUS ingevoerd? Wat is er feitelijk bekend over de NO-, NOx en NH3-deposiiie in ‘natuurgebieden' in

-

zowel de Gemeente Noordoostpolder als in de Provincie Overijssel? Stelling Intern salderen is een rekentruc- Iedereen begrijpt, dat een hectare snelweg per iaat meer NO-, NOx en NH3-emissies heeft dan diezelfde hectare toen die nog agrarisch werd gebruikt

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

31

Referentiesituatie

_________________

Voor de referentiesituatie is het gebruik van 118 hectare grasland vermenigvuldigd met het emissiekental van BIJ 12 Dit is 27,38 kg NID/ha/jaar Voor het totale plan komt dit neer op 3.230 kg NFB/jaar Op basis van de berekening leidt dit tot een hoogste bijdrage van de stikstofdepositie van 0,80 mol/ha/jaar op de Wieden Vragen Hoe komt de auteur bij ' 11S hectare grasland'9 Genoemde percelen waren t zijn uitsluitend in gebruik (geweest) voor akkerbouw, waarop de toediening van NH3 beduidend lager is dan op percelen grasland Graag een verklaring! -

De auteur vergelijkt! compenseert de berekende stikstofuitstoot tijdens aanleg en gebruik van genoemde Mľl C-banen met de huidige, gemodelleerde uitstoot van Ammoniak (MH3) ‘Groene emissie’ wordt dus vergeleken met/gecompenseerd door 'grijze emissie'. In hoeverre is dit een juist! eerlijk uitgangspunt9 In hoeverre is dit uitgangspunt wettel ijk toegestaan9

-

Met BIJ 12-emissiekental voor NH3 in landbouwgebieden rond Wieden en Weerribben is 29,26 kg/ha/jaar, 2 kg/ha/jaar hoger dan in dc Gemeente Noordoostpoldei Wat doet de Provincie Overijssel daaraan?

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

32

Gebruiksfase

Voor de gebruiksfase zijn de verkeerbewegingen en de stikstofemissie als gevolg van het gebruik van de test- en oefenfaciliteiten ingevoerd De gebruiksfase leidt tot een hoogste bijdrage van stikstofdepositie van 0,07 mol/ha/jaar op de Wieden

Verschilberekening Uit de verschilberekening blijkt dat de verspreiding van de stikstof zich in de nieuwe situatie anders gedraagt dan in de huidige Dit komt doordat de huidige stikstofdepositie van ammoniak zeer hoog is ten opzichte van de nieuwe NOx emissies, maar dat deze laatste zich verder verspreid. Per saldo neemt de stikstofdepositie daarom vooral in De Wieden en de Weerribben sterk af. Op grotere afstanden wordt het verschil kleiner, maar nergens is sprake van een toename Geconcludeerd wordt dat de stikstofdepositie als gevolg van de realisatie van het bedrijventerrein, ten opzichte van het agrarische grondgebruik nergens leidt tot een oename van meer dan 0,00 mol/ha/jaar Dit betekent dat, zelfs bij het gebruik van naai verwachting sterk overschatte uitgangspunten, geen sprake is van significante negatieve effecten op stikstofgevoelige habitatten.

Vragen -

Hoe en waar toont de auteur van het rapport aan. dat de huidige stikstofdepositie van ammoniak (vanuit plangebied op Wieden cn Weerribben, HK) zeer hoog is ten opzichte van de nieuwe (berekende. HK) NOx emissies’7

-

Hoe kan de toediening van NI H (kunstmest) dan wel geïnjecteerde en verplicht direct ondergeweikle dierlijke mest in hel plangebied leiden tol een huidige, zeer hoge stikstofdepositie van ammoniak tin Wieden en Weerribben. HK)’7 Graag feiten1

-

Waar, wanneer en door wie is de animomakdepositic in/op De Wieden en Weerribben vaslgesteld? Graag bronnen!

-

In paars - twee zeer riskante conclusies waar auteur Gemeenteraad Noordoostpolder aan gehouden zullen worden

stakeholders en

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3. Aanvullend wordt opgemerkt dat de laatste opmerking ('waar [...] aan gehouden zullen worden') ongepast is. We beschouwen deze opmerking als een 'sIİp of the pen' vanuit emotie. We gaan er tegelijk ook van uit dat deze manier van communiceren niet meer voor gaat komen en er ook geen maatregelen tegen getroffen hoeven te worden. Hierbij wordt tevens verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.1.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

33

Aanlegfase De aanlegfase van RDW zorgt gedurende twee jaar voor een stikstofemissie Deze leidt tot een hoogste bijdrage van stikstofdepositie van 0,11 mol/ha/jaar op de Wieden

Verschilberekening Ook hier geldt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Vragen -

-

-

Waarom zou f w raad. ondanks de ‘intern-salderen-truc’. akkoord gaan met de illegaal-hoge stikstofuitstoot van 0.1 I mol/ha jaat gedurende 2 jaar9 Hoe zou Uw raad deze illegaal hoge stikstofuitstoot verdedigen? Wat vindt natuurbeschermingsorganisatie Natuurmonumenten van deze illegaal-hoge stikstofuitstoot op haar ‘kwetsbare natuur’ gedurende 2 jaar? (de - lid var de ‘Klankbordgroep MITC”) 1 loudt deze illegaal-hoge stikstofuitstoot stand in een onderzoek door de heer

■■"Muir Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3. Over hoe de Natuurmonumenten oordeelt over zaken kan hier verder geen uitspraak worden gedaan. Dat is aan de Natuurmonumenten. Wat Natuurmonumenten vindt van het bestemmingsplan is weergegeven in haar zienswijze (Zienswijze G9). Datzelfde geldt voor de opmerking over MOB.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

34

5 Conclusie Voor de planvorming van het MITC Marknesse zijn de effecten van stikstofdepositie beoordeeld ten opzichte van dc huidige feitelijke en planologisch legale situatie (referentiesituatie). De ontwikkeling heeft ten opzichte van de referenties!tuatie geen toename van de stikstoťdepositie op enkele natuurgebieden tot gevolg. De toename van de stikstofdepositie is nergens hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op de stikstofgevoelige habitattype/leefgebieden met een (naderende) overschrijding van de KDW Hiermee zijn significante effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten ten gevolge van stikstofdepositie uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie is daarmee geen belemmering voor de planvorming Er is voor dit project daarom geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig In het kader van de planvorming is vanuit het oogpunt van stikstofdepositie niet noodzakelijk om een passende beoordeling uit te voeren Vragen -

Op welke ’enkele natuurgebieden' doelt de auteur?

-

Op welke ‘habitattype/leefgebieden met een (naderende) overschrijding van de KDW (Kritische Depositie Waarde. HK) doelt de auteur^ Graag namen * locaties Hoe kan de auleur met grote stelligheid beweren, dat de níet-onaan/.ienlijke, op basis

-

van ondeugdelijkc modellen en rekenmethodes (AERIUS) en aannames berekende ‘stikstofdepositie geen belemmering is voor de planvorming (MITC, HK)’. waardoor geen vergunning op basis van de Wei Natuurbescherming nodig zou zijn en vanuit het oogpunt van stikstofdepositie een passende beoordeling niet uitgevoerd behoeft te worden7

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3.

8.4 Zienswijze G3b Vragen

KOPIE In hoeverre is het u bekend, dat de ‘Intern Salderen’-rekentruc binnen Nederland wél, maar binnen turopa niet mag wordėfl lòégepāSī, Wāttňeer sprake is van een ‘andere activiteit’7 Toelichting - Agrarisch gebruik en Testbanen/Opleidingsbanen zijn ‘verschillende/andere activiteiten’! In Europees verband gezien zal de werkwijze van de Provincie Flevoland en andere ‘stakeholders’ voor een rechter geen stand houden, daar zij illegaal is! Hoe kijkt Uw raad naar door mij genoemde feiten en wat doet Uw raad hiermee?

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

35

-

'In art. 2.7 Wet Natuurbescherming is opgenomen dat. kort gezegd, wanneer een plan of project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied hiervoor een vergunning nodig is Daarvoor moet een passende beoordeling worden gemaakt, waarin de gevolgen voor het Natura 2000-gebied van de aangevraagde activiteiten staan beschreven Deze regelgeving komt voort uit Europese regelgeving.’ Waar in zijn rapport bewijst de heer^^^^met volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies, die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van de geplande werkzaamheden wegnemen, dat Natura2000-gebied Vollenhovermeer, Natura2000-gebied Barsbekerbinnenpolder en de Vogelrichtlijn- en Habitatregelinggebieden tussen Vollenhovermeer en NP De Wieden geen significante, negatieve gevolgen van aanleg en gebruik van het MITC/Marknesse zullen ondervinden, waardoor een passende beoordeling alsmede een Natuurvergunning voor aanleg en gebruik van het MITC/Marknesse niet nodig zouden zijn7

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3. Door de aanleg en het gebruik van het MITC/Marknesse alsmede de ‘vercommercialisering’ van het Waterloopbos is een aanzienlijke toename van (ten dele zeer zwaar) verkeer in het plangebied en ver daarbuiten te verwachten In hoeverre zijn de gevolgen van genoemde toenames ten aanzien van stikstofemissie vanuit genoemde projecten en stikstofdepositie op o m Natura2000-gebieden, Vogelrichtlijn- en Habitatregelinggebieden nabij beide plangebieden door de heer Venema op de juiste wijze berekend? Betreft het feiten of aannames? Dit zal ook de {Europese) rechter willen welen! Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3. TENSLOTTE Tussen 2014 en 2017 was (een deel van) liet huidige MITC-plangebied in de race binnen het programma Nieuwe Natuur van de Provincie Flevoland Volgens NLR en Natuurmonumenten zou (een deel van) het plangebied een “robuuste ecologische schakel” gaan vormen tussen De Wieden, Vollenhovermeer, Waterloopbos en Voorsterbos. Letterlijk schreven beide ‘partners’ destijds: “Omvorming naar natuur versterkt de verbinding en ecologische samenhang tussen de natuurgebieden Voorsterbos/W'aterloopbos - Nationaal Park Weenibben-Wieden.” (zie LINK)

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

36

-

Hoe denkt Uw raad — gezien in het licht van het bovenstaande en de informatie in de LINK hieronder - over de omvorming van het plangebied naar 2 zwaar omheinde 'racebanen’, over de verdere aantasting van het Nationaal Natuur Netwerk t NNN (voorheen EHS) en over de gevolgen hiervan voor natuur en ecologie?

LINK: littpsV/www.flevoland.nl/getmedia/2cf77048-daa5-4b2e-bdl 2-7cb632e0abb(VRuimĩe-enLucht-voor-Natuur pdf

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.3 en 7.6.

8.5 Zienswijze G4

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.4. NLR en de betrokken partijen nemen de hoofdontsluiting via de Repelweg in de toekomstige bedrijfsvoering op als uitgangspunt. Het ligt niet in de rede dat de ingang aan de Voorsterweg anders gebruikt gaat worden dan voor leveranciers van het NLR.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.4.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

37

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

38

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.4.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

39

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.4.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.4 en 7.8.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

40

8.6 Zienswijze G5

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

41

Feiten en omstandigheden 3.

woonachtig in het Plangebied. De Maatschap voert haar bedrijfsvoering in het Plangebied.

De

bedrijfsvoering van

de

Maatschap ziet

hoofdzakelijk op

de teelt van

pootaardappelen met daarnaast zaaiuien. Verder teelt de Maatschap nog de gewassen witlofwortelen, suikerbieten, graan en wortelen. Cliënten zijn eigenaar van zo'n 70 hectare en pachten daarnaast nog zo'n 20 hectare. Op de percelen bevinden zich een woonhuis en vier schuren met een totale opslagcapaciteit van zo'n 3500ton. Het Plangebied bestrijkt ongeveer 47 hectare van de percelen in eigendom en zo'n 20 hectare van de percelen in pacht.

4.

De

percelen

krijgen

met

het

Ontwerpbestemmingsplan

de

bestemmingen:

'Bedrijf-

Testcentrum, Natuur en Water’. Het voornemen is om op de percelen van Cliënten het RDW testcentrum en het oefenterrein van de politie te vestigen. Indien de percelen de gewijzigde bestemming krijgen is het voor de Maatschap niet langer mogelijk het bedrijf daar ter plaatse (duurzaam) te exploiteren. Tevens is tiet vcor^^^^^^^^iiet meer mogelijk om ter plaatse te wonen. Zodoende heeft de voorgenomen wijziging een enorme impact op de woon en werkomgeving van Cliënten.

Juridisch kader 5.

Het Ontwerpbestemmingsplan is gebaseerd op art. 3.1 van de Wro en ziet op het planologischjuridisch

kader

om

de

voorgenomen

ontwikkeling

mogelijk

te

maken.

Het

Ontwerpbestemmingsplan is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb op grond van art. 3.8 Wro. Op het Plangebied is momenteel het bestemmingsplan 'Beheersverordening Landelijk gebied' van toepassing.

Gronden van de zienswijze Noodzakelijkheid 6.

Uit de toelichting op het Ontwerpbestemmingsplan blijkt dat de verplaatsing van het bestaande testcentrum van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: ''RDW”) van de huidige locatie nabij Lelystad noodzakelijk is in verband met de uitbreiding van vliegveld Lelystad Airport

en de

beperkte

uitbreidingsmogelijkheden op de

huidige

locatie.

De

uitbreiding van Lelystad Airport staat al járen ter discussie en het ziet er niet naar uit dat Lelystad Airport daadwerkelijk op korte termijn wordt uitgebreid. Zeker nu door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, althans door minister Van der Wal van Stikstof en

Natuur, is kenbaar gemaakt dat Lelystad Airport niet in aanmerking komt voor legalisatie als voormalig PAS-melder en de stikstofberekenigen m.b.t. de uitbreiding onjuist blijken te zijn is de uitbreiding (op korte termijn) niet waarschijnlijk. Een daartoe strekkende natuurvergunning is namelijk niet voorhanden. Van noodzakelijkheid om het testcentrum te verplaatsen is dan ook geen sprake.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.2.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

42

Wet ruimtelijke ordening 7.

Op grond van art. 6.12, tweede lid, Wro kan de gemeenteraad bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen in de bij een AMvB aangegeven gevallen of indien aan de voorwaarden onder a - c wordt voldaan. Uit het Ontwerpbestemmingsplan blijkt niet dat dit het geval is. In het Ontwerpbestemmingsplan is opgenomen dat sprake is van anterieuire overeenkomsten tussen drie van belang zijnde partijen (RDW, de politie, en

NLR) dat dit inderdaad het geval is blijkt niet. Tevens is

onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat het verhaal van kosten op die manier anderszins verzekerd is in die zin dat niet duidelijk is dat de genoemde drie partijen alle kosten zullen dekken of dat nog sprake is van een leemte. In het Plangebied zijn vele percelen betrokken van verschillende eigenaren duidelijk dient te zijn of verhaal van de kosten anderszins is verzekerd.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.10. 8.

Uit het Ontwerpbestemmingsplan blijkt niet waarom het bepalen van een tijdsvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 40, onderscheidenlijk 50, niet noodzakelijk is. Doordat dit niet in het Ontwerpbestemmingsplan is opgenomen worden de zorgen van Cliënten over onduidelijkheid van de ontwikkeling groter. Juist omdat de ontwikkeling op een groot project ziet met samenhangende werkzaamheden is het volgens Cliënten noodzakelijk om tijdvakken en faseringen kenbaar te maken.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.2. Goede ruimtelijke ordening 9.

Art. 3.1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vaststelt, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Hier is niet aan voldaan.

De gemeente heeft voor haar gehele grondgebied bestemmingsplannen vastgesteld. Voor het buitengebied geldt een beheersverordening, wat wettelijke gelijk is aan een bestemmingsplan. Voor de voorliggende ontwikkeling is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld dat ter plaatse in de plaats komt van de beheersverordening. Het gehele grondgebied van de gemeente is en blijft daarom voorzien van een dekkend geheel aan bestemmingsplannen en de beheersverordening. Water 10.

De percelen van Cliënten bevinden zich in infiltratiegebied. Uit het Ontwerpbestemmingsplan blijkt niet dat dit gehandhaafd wordt. Het is van groot belang voor de bedrijfsvoering van de Maatschap dat het infiltratiegebied ongewijzigd in stand wordt gehouden. Ten onrechte is dit niet

in

het

Ontwerpbestemmingsplan

opgenomen

ook

blijkt

niet

uit

het

Ontwerpbestemmingsplan dat dit in de afweging is meegenomen. Daarnaast geldt dat ten aanzien van pootaardappelen bronberegening verplicht is. In het Ontwerpbestemmingsplan is dit nu niet voorzien. Dit dient te worden aangepast in het vast te stellen bestemmingsplan.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

43

De effecten voor de waterhuishouding zijn in het bestemmingsplan voldoende beschreven. Het Waterschap Zuiderzeeland is als beheerder van het watersysteem betrokken als vooroverlegpartner. 11.

In Bijlage 1 bij de Toelichting wordt ingegaan op het watersysteem. Op pagina 54 staat vermeld dat er afspraken zullen worden gemaakt met de aangrenzende agrariërs. Uit Bijlage 1 en/de Toelichting blijkt niet waar die afspraken uit zouden moeten bestaan en tot welk resultaat die afspraken moeten leiden. De gemeente laat na toe te lichten wat het alternatief is indien de afspraken met de agrariërs niet tot het noodzakelijk resultaat leiden.

Voor het vaststellen van het bestemmingsplannen gaat het er om dat het redelijkerwijs is aan te tonen dat de ontwikkeling uitvoerbaar is. Het aanpassen van het watersysteem is redelijkerwijs mogelijk. Dat daarbij afspraken zullen worden gemaakt, is aangegeven. Er is geen reden om aan te nemen dat deze afspraken niet gemaakt zouden kunnen worden. Dit staat daarom de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Geluid 12.

Uit Bijlage 6 bij de Toelichting blijkt dat het planologische model van de Politie voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus niet voldoet aan de standaard voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Tevens blijkt dat de geluidsbelasting vanwege het bedrijf (lees: de voorgenomen ontwikkeling) in het stiltegebied niet voldoet aan de gestelde richtwaarde. Conclusie is dan ook dat een bestuurlijke afweging en maatwerk nodig is om de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie te kunnen vestigen. Uit het Ontwerpbestemmingsplan blijkt onvoldoende dat dit voorwaardelijk is voor het kunnen vestigen van de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie. In de Toelichting staat vermeld:

"dat de bedrijven individueel

voldoen aan de standaard milieuregels, of via maatwerk te vergunnen zijn".1 Vervolgens staat in de Toelichting:

"Bij de beoordeling van de effecten is rekening gehouden met een

maatwerksituatie, maar of dit ook wordt toegepast,

wordt in het kader van de

vergunningverlening afgewogen, waarbij in ieder geval wordt gekeken naar mogelijkheden om de geluidsbelasting te reduceren."1 Cliënten zijn van oordeel dat op basis van maatwerk in de vergunningverlening

pas

kan

worden

Geluidreductie

zodoende

als

dient

beoordeeld

voorwaarde

of

voor

het

voornemen

inpasbaar

vergunningverlening

te

is.

worden

opgenomen in het bestemmingsplan. Ten onrechte is dit nu nog niet voorwaardelijk in het Ontwerpbestemmingsplan opgenomen.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.2. De geluidsnormen waar bedrijvigheid aan moet voldoen, zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Daarmee is geborgd dat de geluidbelasting op gevoelige objecten niet te hoog wordt. Het bestemmingsplan is niet het instrument om dergelijke normen of maatregelen voorwaardelijk in vast te leggen. In het bestemmingsplan is vanuit een ruimtelijke afweging de geluidsbelasting van de bedrijven individueel en gezamenlijk een beoordeling gemaakt. Daarmee is aangetoond dat het bestemmingplan uitvoerbaar is, met in acht neming van geluidgevoelige objecten en de wettelijke normen die daarvoor gelden.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

44

Verkeer 13.

In de Mobiliteitsvisie Flevoland 2030 is bepaald dat voor wegen waar de intensiteit boven de 12.000 mvt/werkdag uitkomt, beschouwd moet worden of alternatieve routes voor langzaam verkeer (zoals landbouwverkeer)

noodzakelijk zijn.

In

de Toelichting staat dat niet is

uitgesloten dat deze intensiteit wordt behaald. Op basis van monitoring moet blijken of daadwerkelijk

sprake

is

van

(overschrijding

van

12.000

mvt/werkdag).

Uit

het

Ontwerpbestemmingsplan blijkt niet dat sprake is van opties tot alternatieve routes als inderdaad blijkt dat overschrijding van de norm plaatsvindt.

Voor de beantwoording wordt verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.4. Overgangsrecht 14.

Art. 17 Planregels bevat het overgangsrecht. Na wijziging van de bestemming is het niet langer planologisch toegestaan om op de percelen te wonen en de bedrijfsvoering door te zetten, althans

voor

Cliënten

is

onvoldoende

toekomst

perspectief

voor

dit

gebruik.

Het

overgangsrecht bepaalt dat het bestaande gebruik mag worden voortgezet echter is in het overgangsrecht een beperking opgenomen ten aanzien van 'bouwwerken'.

Het overgangsrecht voorziet in het voortzetten van huidig (legaal) gebruik en het in stand laten van huidige (legale) bebouwing. De regels voor overgangsrecht zijn wettelijk voorgeschreven in hoofdstuk 3 van het Besluit ruimtelijke ordening. 15.

Bestaande bouwwerken mogen op basis van het overgangsrecht in beginsel niet worden vergroot. De enkele uitzondering hierop lijkt te zijn dat eenmalig een omgevingsvergunning kan worden verleend waarbij een bouwwerken met maximaal 1096 kan worden vergroot. Met die beperking bestaat voor de Maatschap onvoldoende mogelijkheid om te investeren in de bedrijfsvoering in de zin van nieuwbouw van schuren en opslag etc. Voor de Maatschap is zodoende onvoldoende toekomst perspectief voor het doen van investeringen omdat zij niet duurzaam op deze locatie kan blijven. De Maatschap acht het noodzakelijk dat uw Raad het maximum van 1096 niet opneemt in het overgangsrecht maar op basis van de aanvraag een ruimtelijke beoordeling maakt. Op voorhand is niet deugdelijk te onderbouwen waarom slechts

109ó

vergroot

zou

mogen

worden,

althans

dit

is

nagelaten

in

het

Ontwerpbestemmingsplan.

Het overgangsrecht is niet bedoeld voor het accommoderen van bedrijfsgroei. Het heeft tot doel een bestaande situatie te laten voort bestaan, ondanks de strijdigheid met het bestemmingsplan. Voorwaarde is dat de strijdigheid niet (significant) groter wordt. Om nog wel enige flexibiliteit te behouden is de 100Zo regeling opgenomen. Het bestemmingsplan gaat er in essentie van uit dat de bestemming binnen 10 jaar tijd gerealiseerd zal worden. Voortzetting van het bedrijf past daar niet in. De financiële en economische uitvoerbaarheid is voldoende aangetoond. Er is geen reden om aan te nemen dat de voorgenomen ontwikkelingen geen doorgang zullen vinden. Tevens wordt hierbij verwezen naar de algemene beantwoording onder paragraaf 7.10.

Reactienota zienswijzen, ambtshalve wijzigingen en reactie commissie m.e.r. (Ontwerp-)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Repelweg te Marknesse (MITC)'

45

16.

Uit het Ontwerpbestemmingsplan blijkt onvoldoende wat de verwachting voor Cliënten zal zijn als de voorgenomen ontwikkeling uiteindelijk niet plaats gaat vinden. Het is zeer aannemelijk dat bijvoorbeeld de bouw- of gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling uiteindelijk niet gaat plaatsvinden alleen al om de stikstofproblematiek voor de omliggenden Natura 2000gebieden. Het woon- en leefklimaat is dan zeer ernstig aangetast in verband met de verminderde mogelijkheden die de bestemmingen met zich brengen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2058/documents/34923