3.1 Ruimtelijke onderbouwing - Oosterringweg 39 te Luttelgeest 1.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing OMGEVINGSVERGUNNING PETERS BIOGAS B.V. OOSTERRINGWEG 39 LUTTELGEEST
A
Opdracht Ruimtelijke onderbouwing voor omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest 3 maart 2023
Opdrachtgever Peters Biogas B.V. Tsjûkemarwei 6 8521 NA Sint Nicolaasga Opdrachtnemer Locis Adviseurs B.V. Borchgraven 2.5 7051 CW Varsseveld
Projectleider Locis Adviseurs B.V. lnfo@locisadviseurs.nl 0315 820 100
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze opgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schríftelijke toestemming van Locis Adviseurs. Aan de ínhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend, Locis Adviseurs, verwerpt elke aansprakelijkheid voor aan ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor hij wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan veranderd worden zonder voorafgaande kennisgeving.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
1
INHOUDSOPGAVE 1 Inleiding.........................................................................................................................................4 1.1 Aanleiding...................................................................................................................... 4 1.2 Ligging projectlocatie......................................................................................................4 1.3 Vigerend plan................................................................................................................. 5 1.4 Leeswijzer....................................................................................................................... 6 2 Beschrijving van het project...........................................................................................................7 2.1 Beschrijving van het project........................................................................................... 7 2.2 Historische en bestaande situatie...................................................................................8 2.3 Toekomstige situatie.....................................................................................................13 3 Beleid...........................................................................................................................................
18 3.1 Rijksbeleid.................................................................................................................... 18 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie.............................................................................. 18 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijkeordening................................................. 18 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening/Laddervoor duurzame verstedelijking..............19 3.1.4 Klimaatakkoord..............................................................................................19 3.1.5 Rijk investeert in duurzame groei...................................................................20 3.1.6 Water............................................................................................................ 20 3.2 Provinciaal beleid.......................................................................................................... 21 3.2.1 Omgevingsvisie FlevolandStraks/Omgevingsprogramma Flevoland..............21 3.2.2 Omgevingsverordening Flevoland..................................................................22 3.2.3 Programma Landschap van de Toekomst......................................................
22 3.3 Gemeentelijk beleid......................................................................................................23 3.3.1 Structuurvisie Noordoostpolder.....................................................................23 3.4 Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland............................ 25 4 Omgevingsaspecten..................................................................................................................... 26 4.1 Bodem.......................................................................................................................... 26 4.2 Archeologie.................................................................................................................. 26 4.3 Cultuurhistorie.............................................................................................................. 27 4.4 Landschappelijke inpassing.......................................................................................... 28 4.5 Soorten- en gebiedsbescherming natuur.......................................................................31 4.6 Bedrijven- en milieuzonering........................................................................................ 34 4.7 Geluid........................................................................................................................... 36
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
2
V
37
4.8 Luchtkwaliteit
4.9 Geur..............................................................................................................................39 4.10 Externe veiligheid.......................................................................................................40 4.11 Water......................................................................................................................... 41 4.12 Verkeer en parkeren...................................................................................................44 4.13 Kabels en leidingen.....................................................................................................45 4.14 Milieueffectrapportage.............................................................................................. 45 5 Uitvoerbaarheid van het project..................................................................................................47 5.1 Economische haalbaarheid........................................................................................... 47 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid...............................................................................
47 6 Conclusie......................................................................................................................................48 Bijlagen........................................................................................................................................... 49 1. Plattegrondtekening beoogde situatie d.d. 1 maart 2023 2. Processchema d.d. 6 november 2022 3. Procesbeschrijving Carborex LNG en C02 d.d. 7 augustus 2020 4. Omschrijving vacuümverdampinstallatie 5. Notitie Beplantingsplan erfsingels Noordoostpolder 6. Inrichtings- en beplantingsplan d.d. 1 maart 2023 7. Omgevingsvergunning d.d. 13 oktober 2017 8. Vergunning Wet natuurbescherming d.d. 28 maart 2018 9. Stikstofonderzoek d.d. 2 maart 2023 10. Quickscan soortenbescherming d.d. 24 februari 2021 11. Akoestisch onderzoek d.d. 14 februari 2022 12. Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) d.d. 3 maart 2023 13. Advies groepsrisico veiligheidsregio d.d. 3 maart 2023 14. Geuronderzoek d.d. 23 februari 2023 15. Geurbeheersplan d.d. 27 februari 2023 16. Watertoets d.d. 19 juli 2021 17. Verslag buurtdialoog d.d. 3 maart 2023
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
3
V
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Op de locatie Oosterringweg 39 te Luttelgeest bevindt zich een co-vergistingsbedrijf met akkerbouwbedrijf (zie figuur 1). Het bedrijf is voornemens om de productiecapaciteit van de co-vergistingstak te vergroten (van 50.000 naar 80.000 ton per jaar), met daarbij de mogelijkheid om LNG en mineralenconcentraat te produceren. Deze ontwikkeling past niet binnen de geldende beheersverordening en de op 13 oktober 2017 verleende omgevingsvergunning handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. Er is daarom een planologische procedure nodig om de ontwikkeling mogelijk te maken. Gekozen is om af te wijken van het bestemmingsplan met een aanvraag om omgevingsvergunning (op grond van art. 2.12, lid 1 sub a onder 3 Wabo). Er moet worden gemotiveerd, dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Deze ruimtelijke onderbouwing geeft daar uitwerking aan. Naast de toestemming handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening zijn ook toestemmingen voor de activiteiten milieu en bouwen benodigd. Die toestemmingen zijn gecombineerd aangevraagd in één vergunningaanvraag.
Figuur 1: luchtfoto projectgebied in huidige situatie
1.2 Ligging projectlocatie De projectlocatie (kadastraal bekend gemeente Noordoostpolder, sectie G, nummers 1762, 2708, 2731, 2744, 2745 (gedeeltelijk), 2815 en 2816) is gelegen in het buitengebied van Luttelgeest. De projectlocatie (zie figuur 2) bevindt zich op ca. 2,2 km afstand van de kern Luttelgeest, op ca. 2,8 van de kern Kuinre en op ca 4,3 km afstand van de kern Bant.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
4
V
1.3 Vigerend plan De projectlocatie is opgenomen in de op 21 maart 2016 vastgestelde beheersverordening 'Landelijk gebied'. In deze beheersverordening is het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' van kracht verklaard. Hieronder is een uitsnede van de verbeelding uit het bestemmingsplan opgenomen. In de beheersverordening heeft het perceel de bestemming "agrarisch gebied - openheid van het landschap" met bebouwingsvlak. Hierbinnen is een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. De bedrijfsgebouwen en de silo's zijn grotendeels opgetrokken binnen het bebouwingsvlak.
Figuur 3: uitsnede verbeelding
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
5
Binnen deze bestemming was het niet mogelijk om de nu aanwezige co-vergistingsinstallatie als zelfstandige bedrijfstak te voeren. Met de op 13 oktober 2017 verleende omgevingsvergunning (kenmerk OFGV HZ-WABO-67181) is dit, in afwijking van de beheersverordening, mogelijk gemaakt. De nu gewenste ontwikkeling is niet passend binnen de kaders van de be heersverordening of de verleende omgevingsvergunning. Om die ontwikkeling mogelijk te maken is een afwijkingsprocedure benodigd, in dit geval de uitgebreide procedure op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo.
1.4 Leeswijzer In het vervolg van deze toelichting wordt eerst ingegaan op de huidige situatie op de projectlocatie en de voorgenomen ontwikkeling (hoofdstuk 2). Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de relatie van het project met het algemene en specifieke rijks-, provinciale en gemeentelijk beleid voor de fysieke omgeving van de projectlocatie aan bod. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in alle relevante aspecten van dit project. Het te realiseren project dient te passen binnen het betrokken gebied, waarbij gemotiveerd moet worden aangegeven hoe het project zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden in dat gebied. Aan de hand van een beschrijving van alle relevante omgevingsaspecten wordt de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het project onderbouwd. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het project. Hoofdstuk 6 besluit met de slotconclusie.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B. V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
6
2 BESCHRIJVING VAN HET PROJECT 2.1 Beschrijving van het project Het project voorziet als zodanig niet in een wijziging van de bestaande co-vergistingsinstallatie ten opzichte van de op 13 oktober 2017 vergunde situatie. Binnen de bestaande installatie wordt de capaciteit verhoogd. Hiervoor zijn geen technische ingrepen noodzakelijk. Uitsluitend de doorzet wordt vergroot van 50.000 ton naar 80.000 ton per jaar. Verder wordt de biogasopwaardeerinstallatie uitgebreid met een mogelijkheid om een gedeelte van het geproduceerde gas te vervloeien als bio-LNG. Hiermee wordt op hoogwaardige technologische wijze biogas van aardgaskwaliteit geproduceerd, waarbij nu de mogelijkheid komt van bio-LNG als vervanger van fossiele brandstof. Tevens zal de C02 die vrijkomt tijdens het productieproces voor bio-LNG worden afgevangen en vervloeid voor afzet naar de glastuinbouw, waardoor het niet in de atmosfeer terecht komt. Verder zal de dunne fractie van de gescheiden digestaat worden opgewerkt tot een mineralenconcentraat welke geschikt is als kunstmestvervanger. Verladen van de dikke fractie van de gescheiden digestaat vindt voortaan inpandig plaats. Bovenstaande technieken vinden grotendeels plaats in dezelfde verwerkingsinstallatie en opslagruimten als aanwezig in de vergunde situatie.
De groengasinstallatie wordt in afwijking van de vergunde situatie geplaatst aan de noordwestzijde van opslagloods K in plaats van aan de westzijde. Hier wordt het biogas opgewerkt naar groengas of bio-LNG. In verband met het voldoen aan de Best Beschikbare Techniek zal na de chemische luchtwasser die achter verwerkingsloods G zit een biobedfilter met overkapping en schoorsteen worden geplaatst om de geur verdergaand te reduceren. De aangevraagde vacuümverdampingsinstallatie is een gesloten systeem binnen loods G, waarbij het verdampte water zal worden opgevangen in een polyester silo. Tenslotte zijn 2 van de 3 vergunde WKK's buiten werking gesteld en is hiervoor in de plaats een op (eigen) biogas gestookte verwarmingsketel geplaatst. Reeds aanwezig maar nog niet vergund zijn 2 cilinders van 25 liter per stuk voor kalibratiegas en 4 cilinders van 50 liter per stuk voor heliumgas. De akkerbouwtak van het bedrijf blijft ongewijzigd aanwezig. Zie figuur 4 en bijlage 1 voor een plattegrondtekening van de beoogde situatie.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B. V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
7
■V
2.2 Historische en bestaande situatie De projectlocatie bevindt zich in het buitengebied van Luttelgeest. Luttelgeest is gelegen in de gemeente Noordoostpolder in de provincie Flevoland. Hieronder is de ligging van de projectlocatie binnen de gemeente Noordoostpolder zichtbaar gemaakt. De projectlocatie wordt ontsloten op de Oosterringweg. In de omgeving bevinden zich De Orchideeënhoeve (een tropisch park met bijbehorende planten en dieren) op de locatie Oosterringweg 34, een recreatiebedrijf (visvijvers en kampeerterrein) op de locatie Oosterringweg 36, een AZC op de locatie Oosterringweg 41, een huisvestingslocatie voor arbeidsmigranten op de locatie Kuinderweg 23 en diverse verspreid liggen agrarische bouwblokken. Daarnaast wenste het COA aan de Oosterringweg naast het huidige AZC een aanmeldcentrum te realiseren. Wegens gebrek aan draakvlak heeft het COA echter onlangs laten weten daar vanaf te zien. Er wordt gezocht naar een andere plek in de Noordoostpolder.
Figuur 5: ligging projectlocatie binnen gemeente Noordoostpolder
Hieronder volgt een historisch overzicht de ontwikkeling van het projectgebied en omgeving op basis van beschikbaar historisch kaart- en luchtfotomateriaal.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
8
V
Figuur 6: situatie 1952 (bron: topotijdreis.nl)
Figuur 7: situatie 1975 (bron: topotijdreis.nl)
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
9
Figuur 9: situatie in 2000 (bron: topotijdreis.nl)
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
10
V
Figuur 10: situatie in 2020 (bron: topotijdreis.nl)
Zichtbaar is de groei binnen het gebied, zowel qua landschappelijke ontwikkeling als ook ten aanzien van de enorme vergroting van het areaal aan bebouwing in het gebied sinds begin járen '50 nadat de Noordoostpolder is aangelegd. Met name vanaf begin járen '80 is de toename aan glastuinbouw in het gebied opmerkelijk te noemen. Andere ontwikkelingen die zichtbaar zijn, zijn de recreatieve ontwikkelingen, de komst van een AZC en huisvesting arbeidsmigranten aan de Kuinderweg. Ook de projectlocatie zelf heeft zichtbaar een ontwikkeling doorgemaakt, zo laten de luchtfoto's op de volgende pagina zien (figuur 11 en 12). De bovenste foto is van 2006 en de foto daaronder is van 2020. Duidelijk zichtbaar is de ontwikkeling van het bedrijf naar co-vergisting.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
11
V
Figuur 11: luchtfoto bedrijf 2006 (bron: topotijdreis.nl)
Figuur 12: luchtfoto bedrijf 2021 (bron: topotijdreis.nl)
Bij ingebruikname van de co-vergistingsinstallatie in 2007 was initiatiefnemer Peters één van de pioniers in Nederland op het gebied van co-vergisting. Dit betekent dat dit ook één van de eerste installaties is waarbij de tienjarige exploitatiesubsidie reeds langere tijd geleden afgelopen is. De vervolgregelingen bieden onvoldoende rendement, waarmee ontwikkelingen nodig blijven voor een rendabele exploitatie van de installatie.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
12
V
Aanvankelijk was het de bedoeling de installatie uit te breiden met een vierde WKK-installatie, echter ook dit lijkt vanwege gewijzigde marktomstandigheden onvoldoende rendement op te leveren. Wanneer er geen uitbreiding plaatsvindt gaat de productie-installatie verloren. Om dit te voorkomen wordt ingezet op een nog duurzamere manier van energie uit biomassa, namelijk het omzetten van biogas naar (groen) aardgas. Waar de huidige WKK-installaties een gecombineerd rendement van circa IFť/o hebben, is het met de biogasopwaardering mogelijk om een rendement tot 95Yo te halen. Deze activiteit is reeds vergund op 13 oktober 2017 (omgevingsvergunning met kenmerk OFGV HZ-WABO-67181). Op dit moment is de jaarlijkse input van de vergistingsinstallatie 50.000 ton/jaar. In deze situatie levert het bedrijf elektriciteit voor 1.500 huishoudens en groen gas voor 2.500 huishoudens. Aanwezige bebouwing Op de locatie zijn conform de omgevingsvergunning uit 2017 aanwezig een bedrijfswoning, een werktuigenberging, een tweetal loodsen en 7 silo's ten behoeve van de co-vergisting (zie figuur 13). Het bedrijf bestaat uit twee zelfstandige takken, te weten een grondgebonden agrarisch bedrijf (akkerbouw) en een co-vergistingsinstallatie voor het verwerken van mest en het produceren van groen gas.
Figuur 13: huidige bebouwing
2.3 Toekomstige situatie Van belang voor het project is dat de vergistingsinstallatie als zodanig niet wijzigt ten opzichte van de vergunde situatie. Binnen de bestaande installatie wordt de capaciteit verhoogd zonder verdere technische ingrepen. De drie belangrijkste wijzigingen betreffen: Verhogen van de jaarlijkse doorzet grondstoffen van 50.000 naar 80.000 ton; Nageschakelde stap van de gasopwaardering, namelijk vervloeiing naar bio-LNG; Nageschakelde stap van de vrijkomende CO2, namelijk vervloeiing.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
13
Daarnaast worden onderstaande wijzigingen aangevraagd: Biologische luchtwasser voor reiniging uitgaande lucht opslagloods K is vervangen door een biobedfilter om de geuremissie verder te reduceren. De afgezogen lucht wordt via een schoorsteen geëmitteerd op de buitenlucht, zodat sprake is van een betere verspreiding/meer verdunning en daardoor een kleinere geurbelasting; Na de chemische luchtwasser op verwerkingsloods G is een biobedfilter geplaatst om de geuremissie verder te reduceren. Dit biobedfilter wordt voorzien van een overkapping en schoorsteen, zodat sprake is van een betere verspreiding/meer verdunning en daardoor een kleinere geurbelasting; Toevoegen Greenstep voor de inzet van enzymen in het proces, zodat de omzetting naar biogas efficiënter plaatsvindt; Vervallen 2 WKK's en plaatsing HR-verwarmingsketel op biogas (vanwege met name de in verhouding lagere omzetting van biogas naar elektriciteit en het aanzienlijke verlies van warmte in de WKK's en om in het proces alsnog verzekerd te zijn van voldoende warmte); Optimalisatie proces met opslag vloeibaar CO2 en Bio-LNG; Toevoegen installatie voor het opwaarderen van digestaat tot een mineralenconcentraat als kunstmestvervanger (vacuümverdamper); Opwaardeerinstallatie naar groengas is verplaatst van de achterzijde van loods K naarde korte zijde aan de noordwestkant.
Deze verplaatsing heeft geen invloed op de emissies van geur, stikstof en geluid. Verladen van vaste digestaat vindt voortaan inpandig plaats. Verhogen doorzet De voornaamste wijziging is de verhoging van de jaarlijkse te verwerken hoeveelheid aan mest en biomassa. In beide gevallen is het minimaal SOYo dierlijke mest en maximaal SOYo co-producten. De opslagcapaciteit en het proces van de co-vergisting als zodanig veranderen niet. Deze wijziging/uitbreiding brengt een aantal effecten met zich mee: Meer bruto geurbelasting door laden/lossen van de extra tonnages; Meer transportbewegingen voor het afvoeren van het eindproduct; Meer transportbewegingen voor aanvoer van de extra tonnages. Het bedrijf probeert alle effecten zo goed mogelijk te mitigeren. Zo wordt een extra groot biobedfilter geplaatst met een overkapping en schoorsteen, om niet alleen de extra verdringingslucht te filteren, maar ook de huidige geurbelasting terug te dringen. Het afgelopen jaar heeft het bedrijf gemerkt dat het huidige filter aan de maximale capaciteit zit en dat dit aanzienlijk beter kan. Verder zal verlading van vast digestaat in de beoogde situatie inpandig plaatsvinden, zodat de diffuse emissies door verlading buiten niet meer optreden.
Zoals blijkt uit een uitgevoerd geuronderzoek (zie paragraaf 4.9 en bijlage 14) wordt in de beoogde situatie ruimschoots voldaan de voor de geur van toepassing zijnde toetsingswaarden. De extra transportbewegingen vanwege de afvoer van het product probeert het bedrijf terug te dringen. De indampinstallatie (wijziging 5) is namelijk in staat om het digestaat te scheiden in twee stromen, een concentraat (inzetbaar voor lokale akkerbouw en glastuinbouw als kunstmestvervanger) en een effluent, dat waarschijnlijk niet via transport hoeft te worden afgevoerd. Veiligheidshalve zijn de afvoerbewegingen van het effluent wél meegenomen in de berekeningen, maar gezien de afzetmogelijkheden niet nodig. Dan blijven de transportbewegingen voor het aanvoeren van de extra stromen dus over. Deze kan het bedrijf niet wegnemen.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B. V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
14
Nageschakelde stap van de gasopwaardering, namelijk vervloeiing (bio-LNG) Op dit moment beschikt het bedrijf over een biogas-opwaardeerinstallatie die het geproduceerde biogas omzet naar aardgaskwaliteit. Dit gas wordt gasvormig op het openbare net geïnjecteerd. Het bedrijf wil niet afhankelijk zijn van alleen invloeden op het vaste aardgasnet. Het risico op netcongestie is groot, omdat de komende járen vanuit bestaande bebouwing de gasvraag zal afnemen en er mogelijk meer invoeders van groen gas bijkomen. Daarom wordt als een extra nageschakelde stap nu voorzien in de productie van bioLNG. De nageschakelde bio-LNG stap heeft een aantal effecten op de omgeving: geluidproductie door extra koelers; afvoerbewegingen voor het vloeibare gas; externe veiligheid vanwege de opslag van LNG. Ook hier probeert het bedrijf de effecten zo goed mogelijk te mitigeren. De koelers vallen weg tegen de vrijkomende koelers van de WKK-installaties (wijziging 7). Het aantal afvoerbewegingen betreft circa 230 stuks per jaar, oftewel 4,5 keer per week. Zowel in de huidige omgevingsvergunning als in de nieuwe vergunningaanvraag zit hiervoor ruimte in de vorm van twee stuks 'diverse aan/afvoerbewegingen' per etmaal. Het effect dat niet weggenomen kan worden heeft betrekking op externe veiligheid. De LNG-opslagtank en bijbehorend afleverpunt voor vrachtwagens valt onder milieucategorie 4.2.
Dit is uitsluitend vanwege de risicocontour. Het bedrijf plaatst de LNG-opslagtank op voldoende afstand van de openbare weg. Uit de risicoanalyse (QRA) en de verantwoording van het groepsrisico blijkt dat de situatie qua externe veiligheid toelaatbaar kan worden geacht. Nageschakelde trap van de vrijkomende CO2, te weten vervloeiing Op dit moment produceert het bedrijf gasvormige hernieuwbare CO2. Dit kan in de glastuinbouw worden ingezet. Het voornemen was om een rechtstreekse leiding te leggen richting naastliggende tuinders maar dit blijkt nog niet zo eenvoudig. Om verschillende redenen willen deze bedrijven de CO2 liever vloeibaar ontvangen. Op die manier kunnen de bedrijven het gerichter inzetten en zo veiligheidsrisico's in hun kassen voorkomen. Om aan deze vraag te kunnen voldoen wil het bedrijf ook hiervoor een extra nageschakelde trap plaatsen. De effecten die deze uitbreiding met zich meebrengt zijn beperkt tot het transport van de CO2. Hiervoor geldt hetzelfde als voor het transport van het bio-LNG; de transportbewegingen van het CO2 passen binnen het vergunde aantal van twee transportbewegingen per dag voor aan- en afvoer van diversen. Overige wijzigingen De wijzigingen zoals hiervoor genoemd onder 4 tot en met 9 hebben geen (groter) effect op de omgeving. In de huidige vergunning was een onjuiste locatie van de groengas-opwaardeerinstallatie vermeld.
De locatie maakt voor het milieu en de omgeving echter niet uit. Verder wil het bedrijf een container plaatsen met optimale kweekomstandigheden (door toevoeging van micro-organismen) voor de kweek van enzymen welke worden toegevoegd aan het vergistingsproces om zodoende een betere afbreekbaarheid te bewerkstellingen.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
15
Het verwijderen van twee WKK-installaties en het terugplaatsen van een gasketel spreekt voor zich. In de huidige vergunning waren koelers met grote capaciteit vergund voor deze WKK-installaties. Deze capaciteit wordt verplaatst naar de bio-LNG-trap, waarbij de stikstofuitstoot per saldo lager wordt. De indampinstallatie is een volledig gesloten proces dat door middel van vacuümdestillatie vloeibaar digestaat kan scheiden in een concentraat en een effluent. Het concentraat mag conform nieuwe wetgeving in 2022 worden ingezet als kunstmestvervanger. Het effluent is zeer waterig, en kan worden ingezet voor irrigatie en/of lozing. Het bedrijf gaat voorlopig in de aanvraag uit van afvoer per vrachtwagen, maar streeft ernaar om hiervoor een beter alternatief te vinden. Voor wat betreft de luchtwassers staat in de huidige vergunning een biologische luchtwasser voor de opslagloods (loods K) en een chemische luchtwasser voor de lucht uit de digestaatloods (loods G) en de decanter. Er is de laatste járen echter een betere techniek beschikbaar gekomen voor het verwijderen van geur in de vorm van het zogenaamde biobedfilter. Het bedrijf heeft reeds de biologische luchtwasser vervangen door een biobedfilter, maar deze aanpassing was nog niet in de vergunning vermeld.
Daarnaast wil het bedrijf achter de chemische luchtwasser (waar nu nog niks achter zit) een groot biobedfilter plaatsen om nog beter alle geuremissie te kunnen verwijderen. Uit de beoordeling van de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4 blijkt dat de impact op de omgeving beperkt blijft tot een uitbreiding van het aantal transportbewegingen en externe veiligheidsrisico's. Van laatstgenoemde is met de QRA aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar risico. Qua toename van het aantal transportbewegingen zijn de verschillende relevante aspecten (met name geluid, verkeer, luchtkwaliteit en stikstof) onderzocht. Hieruit komen geen knelpunten naar voren. Ruimtelijke impact Voor de bepaling van de ruimtelijke impact is het vooral van belang om vast te stellen dat de inrichting in gebruik blijft als een co-vergistingsinstallatie met akkerbouwtak. De wijzigingen leiden niet tot een ander gebruik. Er wordt nog steeds minimaal SOYo dierlijke mest met de toevoeging van co-producten vergist tot hernieuwbaar aardgas. De uitbreiding in tonnages heeft hier geen effect op. De indampinstallatie zorgt voor een geconcentreerdere hoeveelheid output en betere afzetmogelijkheden voor het digestaat. Echter maakt dit niet dat de inrichting daarmee als een 'mestverwerkingsinstallatie' of iets van gelijke aard is aan te merken.
Het overgrote deel van de output blijft dierlijke mest en krijgt daarmee niet de status 'verwerkt'. Tevens is het hoofddoel van de installatie het produceren van hernieuwbare energie uit mest en biomassa en niet het verwerken van mest. Daarnaast zou nog kunnen worden gekeken of de inrichting mogelijk valt aan te merken als een 'biogasfabriek', 'industriële vergister' of iets van gelijke aard. Hiervan is geen sprake zolang minimaal SOYo van de input bestaat uit dierlijke mest en zeker niet zolang ook de output hoofdzakelijk bestaat uit dierlijke mest. Daarnaast bestaan de co-producten uitsluitend uit food waste van Ĵ.00% organische herkomst. Het toevoegen van de bio-LNG-stap zorgt ervoor dat het hernieuwbaar aardgas niet alleen gasvormig kan worden afgezet, maar ook vloeibaar. Dit maakt de installatie nog geen gasfabriek, met name omdat de hoofdactiviteit, namelijk het co-vergisten van dierlijke mest niet wijzigt. Alleen de fysieke toestand van het geproduceerde aardgas gaat hiermee van gasvormig naar vloeibaar.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B. V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
16
Gelet op het bovenstaande, kan worden gesteld dat de aard van de inrichting ondanks de beoogde wijzigingen niet wijzigt en dat met name de geursituatie verbetert. Daarmee is sprake van een beperkte ruimtelijke impact.
Figuur 14: beoogde bedrijfssituatie
Participatie In het kader van de vergunningaanvraag heeft initiatiefnemer een buurtdialoog gevoerd (zie bijlage 17). Ten behoeve van de dialoog zijn alle omwonenden binnen een straal van 750 meter benaderd voor een gesprek op de bedrijfslocatie. Tijdens het gesprek is de bedrijfsvoering toegelicht en uitgelegd wat de wijzigingen in de bedrijfsvoering zijn. De omwonenden hebben de gelegenheid gekregen om hun vragen te stellen en opmerkingen te maken. Deze vragen en opmerkingen zijn vastgelegd en zo goed als mogelijk van een reactie voorzien. Uit de buurtdialoog volgde dat de meeste omwonenden geen of slechts incidenteel overlast ervaren van het bedrijf, maar dat er op twee adressen sprake is van significante geuroverlast. Dat heeft geleid tot het versneld treffen van aanvullende maatregelen ter reductie van de geuremissie. Daarbij kunnen als belangrijkste maatregelen de plaatsing van een biobedfilter als nageschakelde techniek achter de chemische luchtwasser en het binnen laden worden genoemd. Met de betreffende omwonenden is nadien vaker contact geweest. Zij hebben daarbij aangegeven geen problemen te hebben met de beoogde ontwikkeling zolang de installatie niet meer geurhinder veroorzaakt dan in de bestaande situatie. Zoals blijkt uit het geuronderzoek neemt de geurbelasting ter plaatse van deze woningen af in de beoogde situatie.
Verder is overleg gevoerd met de adviseur van de directe buren op het adres Oosterringweg 37. Daarbij zijn uiteindelijk verklaringen van geen bedenkingen vanuit omwonenden overlegd voor de ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
17
3 BELEID 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Rijksoverheid werkt aan een nieuwe Omgevingswet. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één Rijksvisie op de leefomgeving: De Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie naar de Tweede Kamer gestuurd. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Ook de bouw van nieuwe woningen om het nationale woningtekort op te lossen en de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra zijn van belang. Denk ook aan het versterken van de natuur en biodiversiteit, het behoud van het landschap en de vitaliteit van de landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland.
Niet alles kan, niet alles kan overal. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk dus een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken met als doel om het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Het project voorziet in een lokaal initiatief dat bijdraagt aan de nationale doelen uit de NOVI. Het gaat hierbij volgens Wageningen University Research (WUR) om reductie van broeikasgasemissies, het verminderen van lokaal mestoverschot en het lokaal creëren van energie uit overtollige producten.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B. V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
18
Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's. Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen. De uitgangspunten van het Barro zijn bij het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing betrokken.
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening/Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld. De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Vervolgens dient bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie gekeken te worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied.
Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt - onder voorwaarden - aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied een locatie gezocht. Door de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, wordt verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt. In beginsel kunnen mestverwerkingsinstallaties waar mest verwerkt wordt afkomstig van bedrijven in de omgeving aangemerkt worden als stedelijke ontwikkeling (zie uitspraak ABRvS d.d. 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:734). Dat sprake is van een ontwikkeling die naar aard kan worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling betekent niet meteen dat de ladder doorlopen moet worden. In dit geval is sprake van een bestaande co-vergistingsinstallatie waarvan de capaciteit en de nageschakelde stappen wijzigen in de beoogde situatie. Het project maakt geen uitbreiding in de oppervlakte aan bebouwing mogelijk. Bij een ontwikkeling met een bruto vloeroppervlakte van minder dan 500 m2 is volgens jurisprudentie geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder (zie uitspraak ABRvS d.d. 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Dus ondanks de activiteit is in dit geval geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Een nadere onderbouwing is daarom niet noodzakelijk.
3.1.4 Klimaatakkoord Het kabinet heeft in het nationale Klimaatakkoord van 28 juni 2019 als centraal doel gesteld om de uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2030 met 49'Xi terug te dringen ten opzichte van 1990. Voor de elektriciteitssector geldt hierbij een opgave om in eerste instantie in 2030 de C02-emissies met tenminste 20,2 Mton te verminderen. Daarnaast is in het Klimaatakkoord vastgelegd dat er in 2030 2 miljard kuub groen gas moet worden geproduceerd. Op dit moment is dat slechts 0,3 miljard. De co-vergistingsinstallatie draagt dus bij aan de genoemde doelen.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B. V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
19
3.1.5 Rijk investeert in duurzame groei De afgelopen járen heeft de overheid diverse doelstellingen geformuleerd betreffende het opwekken van duurzame energie. Om deze doelstellingen te behalen worden initiatieven voor het opwekken van duurzame energie gestimuleerd en gesubsidieerd. Voor de productie van hernieuwbaar gas uit biomassa kan subsidie worden aangevraagd vanuit de regeling SDE++. 3.1.6 Water KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. De gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag de beschikbare grondwatervoorraad op lange termijn niet overschrijden. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk.
De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1. vasthouden, bergen en afvoeren; 2. schoonhouden, scheiden en zuiveren. Waterwet De Waterwet (2009) bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Eén van de voornaamste veranderingen, naast invoering van de watervergunning, is de verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 20222027. Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico's, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EUrichtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
20
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie FlevolandStraks/Omgevingsprogramma Flevoland In het kader van de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2023 dienen alle provincies te beschikken over een Omgevingsvisie, één of meer programma's en een Omgevingsverordening. Op 8 november 2017 hebben Provinciale Staten van Flevoland de Omgevingsvisie FlevolandStraks vastgesteld. Hierin is in hoofdlijnen de strategische visie op de toekomst van Flevoland weergegeven voor wat betreft een goede leefomgeving. Op 27 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Flevoland het Omgevingsprogramma Flevoland vastgesteld. De grondslag van dit Omgevingsprogramma is gelegen in artikel 3.4 van de Omgevingswet. Daarnaast is de grondslag te vinden in diverse vigerende wetten, zoals de Waterwet, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder en de Wet natuurbescherming. Het Omgevingsprogramma omvat daarmee de op dit moment verplichte plannen: het milieubeleidsplan, het regionale waterplan en het verkeer- en vervoersplan. In het (eerste) Omgevingsprogramma Flevoland is ervoor gekozen al het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving te bundelen in één programma dat digitaal beschikbaar is.
Het Omgevingsprogramma is een verdere uitwerking van wat de provincie belangrijk vindt en wil doen om te zorgen voor een goede leefomgeving. Hierin staat beschreven wat het te voeren beleid is en welke maatregelen of acties de provincies neemt om haar doelstellingen te kunnen bereiken. De provincie streeft ernaar om dit programma jaarlijks te actualiseren en waar nodig aan te vullen met overig provinciaal beleid. Zo kunnen in volgende versies onderwerpen worden toegevoegd die betrekking hebben op bijvoorbeeld economisch of sociaal beleid. Ook kunnen programma's worden toegevoegd met een meer gebiedsgebonden of thematische aanpak. Het Omgevingsprogramma is in principe zelfbindend voor de provincie. Wel moet het waterschap bij vaststelling van een waterbeheerplan rekening houden met de door de provincie uitgewerkte kaderstelling in het regionale waterprogramma. Voor de doorwerking van andere thema's uit het Omgevingsprogramma maakt de provincie waar nodig gebruik van gezamenlijke programma's, bestuurlijke afspraken, convenanten, stimuleringsregelingen en de Omgevingsverordening Flevoland. Provinciale regelgeving voor de fysieke leefomgeving is opgenomen in de Omgevingsverordening. Agrarische activiteiten Het landelijk gebied moet vitaal blijven. Ook in Flevoland is sprake van verdergaande schaalvergroting en herstructurering van de landbouw.
De provincie wil agrarische bedrijvigheid die zich in de eerste plaats richt op duurzame productie en verwerking van landbouwproducten optimale ontwikkelingskansen geven. Bovendien wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied om het economisch draagvlak te verbreden en deze te verweven met de bestaande landbouwfunctie. In de beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied zijn de voorwaarden en maatvoering concreter uitgewerkt. Verder moet er voldaan worden aan een goede ruimtelijke ordening, waaronder een landschappelijke inpassing en een goede verkeersafwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B. V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
21
De landbouw verandert in hoog tempo van een beschermde en ondersteunde sector naar een sector die moet concurreren op de wereldmarkt. Bedrijven reageren hierop met schaalvergroting, specialisatie, intensivering en een verschuiving van akkerbouw naar veehouderij. Ook zijn er bedrijven die oplossingen zoeken in verbreding van de bedrijfsvoering, zoals verwerking van agrarische producten, het telen van energie- of andere gewassen, mestvergisting, recreatie en toerisme. De provincie wil de agrarische sector in de verdere ontwikkeling faciliteren en ondersteunen. In een duurzame, vitale landbouwsector ontstaan er meer mogelijkheden voor de ontwikkeling van andere economische functies in het landelijk gebied. Ten aanzien van het gebruiken van biomassa voor het produceren van energie heeft de provincie een voorkeur voor de inzet van materiaal dat minder geschikt is voor hoogwaardige toepassingen of dat al een cascade heeft doorlopen. Van afvalstromen die niet als product of materiaal hergebruikt kunnen worden hergebruikt, kan de energie-inhoud worden benut. De inzet van afval als brandstof wordt gezien als nuttige toepassing. De hier voorgestane ontwikkeling, het vergisten van mest voor de productie van gas en Bio-LNG is passend in het beleid van de provincie Flevoland, waarin verbreding van de agrarische activiteiten wordt gefaciliteerd.
3.2.2 Omgevingsverordening Flevoland De Omgevingsverordening Flevoland is vastgesteld op 27 februari 2019 en op 15 maart 2019 in werking getreden. Sindsdien hebben Provinciale Staten diverse wijzigingsverordeningen vastgesteld. De huidige Omgevingsverordening Flevoland geldt tot het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. In de omgevingsverordening staan de regels hoe de provincie Flevoland wil omgaan met de fysieke leefomgeving. Het zijn de regels die gaan over onder andere (vaar)wegen, grondwater, watersysteem, zwemwater, stilte, grondwaterbeschermingsgebieden, natuur, ontgrondingen, borden in het landelijk gebied, duurzame energie, geitenhouderijen en schaliegas. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet gaat de nieuwe Omgevingsverordening Flevoland gelden. Dit is naar verwachting per 1 januari 2023 het geval. Deze nieuwe omgevingsverordening is door Provinciale Staten vastgesteld op 26 januari 2022. Het is een digitaal bestand waarin de regels en de toelichting zijn gekoppeld aan de locatie op een digitale kaart. In de Omgevingsverordening is geen bepaling opgenomen die de voorgenomen ontwikkeling in de weg staat.
3.2.3 Programma Landschap van de Toekomst De nieuwe provinciale landschapsvisie - het Programma Landschap van de Toekomst - geeft richting aan alle ruimtelijke ontwikkelingen in Flevoland. Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving wil de provincie Flevoland de ruimtelijke kwaliteit verbeteren. Hiervoor moeten overheden, initiatiefnemers, inwoners en andere betrokkenen samenwerken. Daarbij geven het Programma Landschap van de Toekomst en het Handboek kernkwaliteiten Flevoland een houvast. Ten aanzien van de Noordoostpolder geldt specifiek dat sprake is van een concentrische ruimtelijke opbouw, met een hoofdkern (Emmeloord) en daar omheen een ring van dorpen. Emmeloord en de dorpenring zijn verbonden door radialen van vaarten die het assenkruis vormen. De groene aankleding werd vanuit deze basis ontworpen. Ondergeschikt aan de dorpenring werden ontsluitingswegen toegevoegd, die de polder verbinden met het oude land. Hierbij moet in gedachten worden gehouden dat de Noordoostpolder primair is aangelegd om het areaal aan landbouwgrond in Nederland sterk uit te breiden. Het agrarische landschap is hier dan ook bepalend voor de beleving.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B. V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
22
Het Programma zet voor agrarische erven in op het herstel van de kenmerkende beplanting, zodat erven als 'groene eilanden' in de open polder zichtbaar zijn. Zoals nader uiteengezet in paragraaf 4.4 wordt in de beoogde opzet invulling gegeven aan dit principe door beplanting met lijnvormige boomsingels langs de randen van het erf.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Noordoostpolder De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is in december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad. De Structuurvisie is een integrale ruimtelijke visie, die de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten beschrijft. De Structuurvisie is een document voor de langere termijn. Daarom kent deze een zekere mate van globaliteit en abstractie. De visie vormt de basis voor toekomstig beleid. Ter uitwerking van de structuurvisie zijn gebiedsvisies, masterplannen, uitwerkingsplannen, bestemmingsplannen en beleidsplannen nodig om concrete (plan)ontwikkelingen in gang te zetten. Doel De visie heeft als doel de verschillende belangen, zoals voor het landschap, de kernen en de gemeenschap, zorgvuldig af te wegen en hieruit een integrale ontwikkelingsrichting te bepalen voor de periode tot 2025. De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten en daarmee op het versterken van het landschap en leefbaarheid in de gemeente Noordoostpolder. Duurzame energie, duurzame landbouw De gemeentelijke ambitie is om in 2030 voldoende duurzame energie op te wekken om daarmee energieneutraal te zijn.
De gemeente staat positief tegenover kansrijke initiatieven voor het opwekken van duurzame energie, zoals grootschalige opwekking van windenergie langs de dijken, geothermie, biomassastromen, grootschalige inzet van zonne-energie en de productie van biogas. Daarom wordt aan deze ontwikkelingen, onder voorwaarden, ruimte geboden. Mogelijkheden voor biovergistingsinstallatie De structuurvisie kent specifieke bepalingen over biovergisting: 1. Ruimte bieden aan de plaatsing van biovergisters op erven, onder voorwaarde dat: a. toename aan stikstofdepositie wordt voorkomen of beperkt; b. aangesloten wordt bij de karakteristiek van de polder middels een goede landschappelijke inpassing, binnen de erfsingel van het bestaande erf. 2. Voor biovergistingsinstallaties als nevenactiviteit van een bestaand agrarisch bedrijf geldt verder de voorwaarde dat de installaties kleinschalig zijn; 3. Biovergisting als zelfstandige hoofdactiviteit op een agrarisch erf is toegestaan mits dit perceel direct ontsloten is door (doorgaande) wegen met voldoende capaciteit voor het benodigde transport. Overigens zijn biovergistingsinstallaties ook toegestaan op de grootschalige, gezoneerde bedrijventerreinen bij Emmeloord. De beoogde ontwikkeling past binnen bovenstaande bepalingen. Hieronder wordt dat puntsgewijs toegelicht.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
23
Ad l.a. Toename aan stikstofdepositie wordt voorkomen of beperkt. Aan het bedrijf is op 28 maart 2018 een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming verleend (zie bijlage 8). Ten opzichte van deze vergunning neemt de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet toe. Op 20 januari 2021 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan waarvan de strekking is dat bij intern salderen geen nieuwe vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk is. Uit de voor het project uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat er geen van sprake is van een toename. Hiermee is sprake van intern salderen en is geen nieuwe vergunning nodig. Significant negatieve effecten door stikstof zijn op voorhand uitgesloten. Ad l.b. Aangesloten bij karakteristiek polders door goede landschappelijke inpassing erf. Er kan voldaan worden aan het uitgangspunt van een goede landschappelijke inpassing. Zie hiervoor paragraaf 4.4 waarin de inpassing van het erf nader is beschreven, mede in relatie tot de cultuurhistorische vorming van het landschap. Ad 2. Biovergisting als nevenactiviteit bij bestaand agrarisch bedrijf moet kleinschalig zijn. De biovergistingsactiviteiten zijn vanwege de omvang niet als kleinschalig aan te merken. In verband daarmee is eerder sprake van hoofdactiviteit dan van een nevenactiviteit. Wel nog steeds naast de bestaande akkerbouwtak. Ad 3.
Biovergisting als zelfstandige hoofdactiviteit op agrarisch erf mogelijk mits voldoende ontsloten. In deze situatie is sprake van een goed ontsloten perceel aan doorgaande wegen met voldoende capaciteit voor het benodigde transport. Zie verder paragraaf 4.12. Maatvoering De maximale breedte bij het verruimen van erven bedraagt 150 meter en de maximale oppervlakte 3,0 hectare. In de huidige situatie is de omvang van het perceel reeds groter dan 3 hectare, te weten 3,14 hectare. Ook de maximale breedte van 150 meter wordt reeds overschreden. In de nu voorliggende bedrijfsopzet neemt de omvang en breedte van de projectlocatie echter niet toe ten opzichte van de vergunde situatie. Hierbij wordt opgemerkt dat ook het bestaande bebouwingsvlak reeds breder is dan 150 meter. Van het oorspronkelijke bebouwingsvlak is eerder afgeweken met de op 13 oktober 2017 verleende omgevingsvergunning. Die situatie blijft ongewijzigd met de huidige aanvraag. Op grond daarvan kan gemotiveerd afgeweken worden van hetgeen is gesteld in de gemeentelijke structuurvisie. De landschappelijke inpassing is weergegeven in onderstaande figuur. Zie ook paragraaf 4.4 en bijlage 6.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B. V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
24
Figuur 15: landschappelijke inpassing
Milieucategorie Bij ketenverlenging zijn maximaal bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3 toegestaan. In de huidige situatie is reeds een co-vergistingsinstallatie (milieucategorie 3.2) toegestaan. Met de nu voorgestane wijzigingen in de bedrijfsvoering wijzigt de milieucategorie niet (ook niet vanwege de LNG-installatie, omdat hiervoor niet is voorzien in een milieucategorie). Hiermee ontstaan er voor de omgeving geen grotere richtafstanden dan die op grond van de bestaande situatie reeds gelden. Op grond daarvan kan gemotiveerd afgeweken worden van hetgeen is gesteld in de gemeentelijke structuurvisie.
3.4 Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland De Watervisie verbindt waterthema's en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgen dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B. V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
25
4 OMGEVINGSASPECTEN
4.1 Bodem Ten aanzien van de bodemkwaliteit gelden de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit als beoordelingskader. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat de bodem- en grondwaterkwaliteit ter plaatse geschikt is voor het beoogde gebruik. Bij een project moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Projectspecifiek In de aangevraagde situatie is geen sprake van realisatie van gebouwen of bouwwerken waarin mensen gedurende langere tijd verblijven. De bodemkwaliteit van de projectlocatie is eerder (in 2017) met bodemonderzoek vastgesteld. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en inventarisatie van andere historische bronnen is er geen aanleiding om nu een afwijkende bodemkwaliteit te verwachten. Het uitvoeren van nieuw bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit wordt geschikt geacht voor de beoogde functies en vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project. Conclusie De bodemkwaliteit ter plaatse levert geen probleem op voor de beoogde functies. Met betrekking tot het aspect bodem is het initiatief uitvoerbaar.
4.2 Archeologie Op grond van het Verdrag van Malta en de daaruit vloeiende Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), dient bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. In de ruimtelijke onderbouwing moet worden aangegeven hoe het cultureel erfgoed wordt beschermd in relatie tot de wettelijke bepalingen en hoe met het oog op het noodzakelijk onderzoek met het aspect archeologie is omgegaan. De gemeente Noordoostpolder heeft haar archeologisch beleid vastgelegd in de rapportage 'Erfgoed in de polder Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Noordoostpolder'. Projectspecifiek Volgens de archeologische beleidsadvieskaart (zie onderstaande figuur) is ter plaatse van de projectlocatie geen sprake van een archeologische verwachtingswaarde en is daarom geen archeologisch onderzoek nodig.
Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning Peters Biogas B.V., Oosterringweg 39 Luttelgeest
26
legenda Beleidscategorieën
Wr1 Vŵ-1 (archeologisch Rijksmontment)
Wr2 WW
WW WW
WW WW WW (rriddeteeuwseájken en slóten)
ww geen Figuur 16: uitsnede archeologische beleidskaart (projectlocatie rood omcirkeld)
Mochten tijdens werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dienen deze conform artikel 5.140 van de Erfgoedwet 2016 bij de minister te worden gemeld. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed, zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologisch informatiesysteem. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het project leidt niet tot een onderzoeksverplichting voor archeologisch onderzoek.
4.3 Cultuurhistorie Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van e monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorisch erfgoed moet worden beschermd. Het gaat dan om erfgoed in brede zin; in cultuurlandschappelijke, stedenbouwkundige en bouwhistorische betekenis. Voorgaande is sinds 1 juli 2016 vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Projectspecifiek Uit de cultuurhistorische kaart van de provincie Flevoland blijkt de beplanting langs de Oosterringweg is aangemerkt als waardevol. Verder is het gebied ten westen van het projectgebied aangemerkt als een waardevol open gebied. In de beoogde situatie wordt de beplanting langs de Oosterringweg niet aangetast en het erf blijft van gelijke omvang. Binnen het projectgebied zelf gelden geen specifieke cultuurhistorische waarden. In algemene zin kan worden opgemerkt dat de erfsingels langs het bedrijfsperceel bijdragen aan de gewenste landschappelijke inrichting van het gebied.