CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1 (Ontwerp)bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele'.pdf

Commissie Woonomgeving 27 november 2023, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 3: (Ontwerp)bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele’27.719 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2.3 Geluid / mobiliteit / parkeren Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidszones van toepassing. Als er geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de normen. Er zijn geen spoorwegen of geluidszoneringsplichtige industrie aanwezig (in directe nabijheid), dus alleen het aspect 'wegverkeerslawaai' is aan de orde. - Wegverkeerslawaai De ontwikkeling is niet gericht of maakt het niet mogelijk om nieuwe geluidsgevoelige objecten op te richten. De bestaande situatie van woningen blijft ongewijzigd. Een nadere toetsing aan het aspect wegverkeerslawaai is niet aan de orde. - Industrielawaai De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.

Een eventueel akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Onderhavig plan maakt geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk. Door Adviesburo Van der Boom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de beoogde bedrijfsvoering. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. In dit akoestisch onderzoek is zowel de milieukundige als de ruimtelijke inpassing beschouwd. Uit het onderzoek blijkt dat aan de grens- en richtwaarden in de representatieve bedrijfssituatie worden voldaan. Er is dan dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het bedrijf wordt niet beperkt in haar bedrijfsvoering. In de incidentele bedrijfssituatie ligt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau overdag hooguit 5 dB(A) hoger dan de richtwaarde voor woongebied (45 dB(A)). Wel wordt in de incidentele bedrijfssituatie voldaan een de grenswaarde van stap 3 en van de VNG handreiking bedrijven en milieuzonering. De activiteit van de incidentele bedrijfssituatie vindt uitsluitend in de dagperiode gedurende ten hoogste 6 uur per dag en ten hoogste 12 dagen per kalenderjaar plaats. - Mobiliteit / verkeersaantrekkende werking Gemiddeld komen er enkele vrachtwagen en personenauto’s per dag naar de locatie.

Deze aantallen zijn voor het landelijk gebied c.q. de Ramsweg als gebiedsontsluitingsweg niet dusdanig dat dit zal leiden tot aanpassing van het wegennet of plaatsen van voorzieningen of dergelijke. Van een onevenredige verkeersaantrekkende werking is geen sprake. Binnen het plangebied zijn voldoende parkeergelegenheden aanwezig. Conclusie: Het aspect geluid / mobiliteit / parkeren geeft geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan. 4.2.4 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet heeft de volgende drie wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (houtopstanden). De provincie is bij de Wnb het bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en handelingen bij Natura 2000-gebieden en dier- en plantensoorten. Het Rijk blijft bevoegd gezag bij ruimtelijke ingrepen met grote nationale belangen. Voor gemeenten geldt dat zij het bevoegd gezag zijn voor omgevingsvergunningen.

Cumela Advies – Nijkerk

- 21 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

In het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met Europese- en nationale wetgeving en beleid ten aanzien van de bescherming van natuur. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. - Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) - voorheen Ecologische Hoofdstructuur - is een samenhangend netwerk van bestaande- en nog te ontwikkelen - belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.

- Soortenbescherming Het uitgangspunt van de Wnb is dat er geen (opzettelijke) schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De soortenbescherming binnen de Wnb is daarbij opgedeeld in drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen dier- en plantensoorten. Er dient een ontheffing op grond van artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 Wnb te worden aangevraagd voor een (bouw)werkzaamheid of activiteit indien het volgende van toepassing is: • uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van verstoring of doden van (een) beschermde soort(en); • het bouwwerk en/of de activiteit veroorzaakt beschadiging of vernieling van voortplanting- of rustplaatsen van dieren, dan wel ontworteling of vernieling van plantensoorten; • er kan geen gebruik gemaakt worden van een vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming; • er kan niet gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Beoordeling natuurwaarden i.r.t. plangebied - Ligging planlocatie t.o.v. Natura 2000-gebieden De ligging van de planlocatie en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn weergegeven in figuur 5.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het gebied de Ketelmeer & Vossemeer op circa 450 m. ten zuiden van het plangebied. Het eerstvolgende gelegen Natura2000-gebied, welke gevoelig is voor stikstof, betreft het gebied Rijntakken op circa 3,8 km ten zuidoosten van het plangebied. Overige voor stikstof gevoelige Natura2000-gebieden liggen op ruimere afstand. - Gebieds-/soortenbescherming Het plangebied bestaat uit een bestaande bedrijfslocatie (blijft ongewijzigd). Het plangebied ligt binnen landelijk gebied, derhalve behoeft uitsluitend een oordeel plaats te vinden op soortenbescherming: de aanwezigheid van beschermde soorten op of nabij de onderhavige locatie en de eventuele wettelijke consequenties hiervan volgens de Wet Natuurbescherming (ontheffing / vrijstelling). Het plangebied (bestaande bedrijfslocatie) is van oudsher al vele jaren in gebruik geweest voor agrarische doeleinden. Er is sprake van een bestemmingswijziging van agrarisch naar niet-agrarisch (bedrijf). Van sloop of amoveren van bebouwing of het kappen van bomen, waarin zich redelijkerwijs (vaste) verblijf- of broedplaatsen bevinden is redelijkerwijs geen sprake.

Cumela Advies – Nijkerk

- 22 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

Aangezien sprake is van een bestaande locatie / stedelijke ontwikkeling, waarbij de bebouwing en inrichting gelijk blijft, is de kans dat er aantasting is van vaste woon- en verblijfplaatsen van aanwezige flora- en fauna nihil. Een nadere toetsing van de aanwezige flora- en fauna c.q. het uitvoeren van een quick-scan is dienaangaande niet opportuun.

figuur 5: Ligging plangebied tot nabij gelegen Natura 2000-gebieden

- Stikstof In navolging van het bepaalde in de Wnb dient voor een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied een passende beoordeling – al dan niet via een voortoets – gemaakt te worden om te beoordelen of (eventueel met mitigerende maatregelen) met zekerheid kan worden vastgesteld dat het plan of project de natuurwaarden niet aantast. Deze verplichting vloeit voor uit de Habitatrichtlijn. Door Nederland is dit toestemmingsregime geïmplementeerd in de Wnb. Middels het zogenaamde Programma Aanpak Stikstof (PAS) is er vanaf 2015 een integraal programma, waarmee voor activiteiten die stikstof uitstoten en kunnen neerslaan op een Natura-2000 gebied ("stikstofdepositie") bepaald kan worden wat de invloed al dan niet is. Het gaat dan bijvoorbeeld om uitbreidingen van veehouderijen, de aanleg van woonwijken en wegen en industriële activiteiten. Stikstofdepositie

Cumela Advies – Nijkerk

- 23 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

kan een negatief effect hebben op de natuur. In veel Natura 2000-gebieden is sprake van een overschrijding van de 'kritische depositiewaarde' voor stikstof voor het specifieke habitattype in het betrokken gebied. Het PAS strekt enerzijds tot herstel en behoud van de in het PAS opgenomen Natura 2000-gebieden en creëert daarmee tegelijkertijd ook ruimte voor economische activiteiten. In het PAS is een pakket van maatregelen vastgesteld (herstelmaatregelen en PAS-bronmaatregelen) dat samen met autonome ontwikkelingen moet leiden tot vermindering van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van die toekomstige 'winst' wordt beschikbaar gesteld voor economische activiteiten ("ontwikkelruimte"). Middels een uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) geoordeeld dat het PAS in strijd met de Habitatrichtlijn is vastgesteld. Bijlage 2 van het PAS, artikel 2 van het (vervallen) Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof en artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming zijn onverbindend verklaard c.q. vernietigd. Voormelde heeft tot gevolg dat het toetsingskader, zoals opgenomen in het PAS en het daarbij behorende ‘rekenprogramma’ Aerius, sinds 29 mei 2019 niet meer bruikbaar zijn (c.q. zijn vernietigd).

De overheid beraadt zich op de mogelijkheden en onmogelijkheden voor vergunningverlening voor (nieuwe) activiteiten rondom Natura 2000– gebieden. Alhoewel voor een bestemmingsplan het PAS-beoordelingskader niet van toepassing is (was), dient indien er sprake is van een (ruimtelijke) ontwikkeling c.q. activiteiten waarvan niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er geen toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is (0,00 mol/ha/jaar), waar de kritische depositiewaarde is bereikt, wel een passende beoordeling te worden uitgevoerd (artikel 2.8, tweede lid, Wnb). De in dit plan benoemde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve gevolgen vanwege stikstofdepositie op het meest nabij gelegen voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebied Rijntakken (zie figuur 5). Wanneer de ontwikkeling bijvoorbeeld gepaard gaat met extra verkeersbewegingen of er nieuwe activiteiten (planologisch) plaats mogen vinden welke leiden tot een toename aan stikstofuitstoot (i.c. depositie) op Natura-2000 gebieden zal ter onderbouwing een voortoets / passende beoordeling moeten worden uitgevoerd. Het initiatief richt zich met name op het wijzigen van de bestemming van een bestaand agrarisch bedrijf naar een nietagrarisch bedrijf. Dit betreft een bestaande locatie. Ongeacht dat er sprake is van een bestaande locatie zijn de activiteiten c.q.

de soort machines/werktuigen en de opslag van meststoffen een N-emissie veroorzakende activiteit, welke redelijkerwijs bij kunnen dragen aan een significante negatief effect qua stikstofdepositie voor (stikstofgevoelige) habitats in Natura-2000 gebieden. Middels een voortoets stikstofdepositie op grond van de Wet natuurbescherming is nader op de invloed / gevolgen van deze planologische ontwikkeling in relatie tot de Wet natuurbescherming ingegaan. Uit de rekenresultaten blijkt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Uit de beoordeling van de effecten blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt of redelijkerwijs niet zal leiden tot een negatief effect op habitattypen in een Natura 2000-gebied. De voortoets inclusief Aerius-berekening (gebruiksfase) is opgenomen in de bijlagen bij dit bestemmingsplan. Conclusie: Het initiatief heeft geen specifieke invloed of dermate onevenredige aantasting van de belangen / waarden, welke op grond van de Natuurbeschermingswet beschermd dienen te worden, dat uitvoering van het plan hierdoor niet mogelijk zou zijn.

4.2.5 Luchtkwaliteit Op basis van de EU- richtlijn 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2) en stikstofoxiden (NOx), zwevende deeltjes (PM10) en lood (Pb) in de lucht (Pb EG L163) dient Nederland de wettelijke luchtkwaliteitsnormen voor bovengenoemde stoffen en tevens voor

Cumela Advies – Nijkerk

- 24 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

koolmonoxide (CO) en benzeen (C6H6) vast te leggen. Het vorige Besluit Luchtkwaliteit 2005 is na de inwerkingtreding van de “Wet Luchtkwaliteit (Wlk)” vervallen. Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 5 Wet Milieubeheer (zie Staatsblad 2007, nr. 414, d.d. 30 oktober 2007). In artikel 5.16 Wm (lid 1) is opgenomen onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer aan één van de voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid. De voorwaarden zijn: a) er is geen sprake van een feitelijke en dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) de concentratie van de betreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; c) een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging; d) een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. In het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) en bijbehorende Regeling is opgenomen wanneer ‘projecten’ geen aantoonbare gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit.

Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Het bestemmingsplan voorziet de wijziging van bestemming agrarisch naar de bestemming bedrijf. De in dit kader relevante bronnen betreffende derhalve de verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen (licht-/zware bronnen) zoals opgenomen in het akoestisch onderzoek bedraagt in totaal 50 per etmaal. Voor de berekening in het kader van de luchtkwaliteit wordt – als worst-case – uitgegaan van 75 bewegingen welke voor 100% als zware bron wordt aangemerkt. De NIBM tool is een rekentool voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit. Hiermee is op een eenvoudige en snelle manier te bepalen of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Aan de hand van de NIBM-tool is bezien of er met de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen wordt voldaan aan de hiervoor geldende norm. Gezien de ‘zware bronnen’, zoals vrachtwagens etc. is dit aandeel als ‘vrachtverkeer’ aan te houden (zie figuur 6).

Cumela Advies – Nijkerk

- 25 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2023

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

75

Aandeel vrachtverkeer

10,0%

3

NO2 in μg/m

0,12

3

0,02

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig figuur 6: berekening NIBM De blootstelling aan luchtverontreiniging is – gebaseerd op een worst-case (dus niet de feitelijke situatie) – zeer beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar. De uitbreiding van het bedrijf draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Nader onderzoek is niet aan de orde. Conclusie: Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. 4.2.6 Water - Standaard waterparagraaf Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

- De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: • aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; • duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; • er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. - Nationaal Water Programma De minister van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) stelt het Nationaal Water Programma (NWP) op voor de periode 2022–2027. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid voor deze periode

Cumela Advies – Nijkerk

- 26 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

en geeft een doorkijk naar 2050. Het Nationaal Water Programma bevat: • Een uitwerking van het te voeren beleid (inclusief het nationale ruimtelijke en ecologische beleid) voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer en de bescherming of het behoud van water; • Maatregelen vanwege nationale belangen en om wateropgaven te bereiken en daaraan te blijven voldoen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016- 2021. Met de samenvoeging van deze twee plannen wordt geanticipeerd op de Omgevingswet, waarin het programma als een van de instrumenten is opgenomen. Het NWP geeft het integrale kader voor het waterbeleid en -beheer van het Rijk voor de periode 2022-2027 (inclusief het Noordzeebeleid). De Stroomgebiedbeheerplannen en Overstromingsrisicobeheerplannen voor de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems en het Programma Noordzee (inclusief het programma Kaderrichtlijn Mariene Strategie) zijn een bijlage bij het NWP. In het NWP worden de nationale componenten van de herijking van het Deltaprogramma vastgelegd. In het NWP worden de voor het waterbeleid relevante nationale belangen uit de NOVI en de toepassing van de afwegingsprincipes hierbij, verder uitgewerkt.

Verder geeft het NWP uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en overstromingsrisico’s. De voorbereiding van dit NWP vindt plaats onder het wettelijk regime van de Waterwet. Het overgangsrecht bij de Omgevingswet voorziet erin dat het NWP 2022-2027 uiteenvalt in een aantal verplichte programma’s onder de Omgevingswet. - Watertoetsprocedure Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De meerwaarde van de watertoets is dat zij zorgt voor een vroegtijdige systematische aandacht voor het meewegen van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is wettelijk verankerd met het Besluit van 3 juli 2003 tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 in verband met gevolgen van ruimtelijke plannen voor de waterhuishouding (watertoets).

De wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en een uitbreiding van het vooroverleg met de waterschappen. Op 3 maart 2023 is er gebruik gemaakt van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleidt dat de korte procedure van toepassing is. De gewenste ontwikkeling heeft beperkte gevolgen voor de waterhuishouding en waterstaatswerken. De beleidsthema’s Waterveiligheid, Voldoende water en Schoon water zijn van toepassing. De waterparagraaf dient de relevante streefbeelden, uitgangspunten en randvoorwaarden te beschrijven, aangevuld met een concrete uitwerking van de gevolgen voor de waterhuishouding. Standaard waterparagraaf korte procedure Thema Waterveiligheid Dit plan is deels gelegen in de binnen- en buitenbeschermingszone van de primaire waterkering, de Zuidermeerdijk. In figuur 7 is een uitsnede opgenomen van het plangebied zoals weergegeven op de legger van het waterschap. Hierin is te zien dat het voorerf, het deel tussen de Ramsweg en de voorgevel van de bedrijfswoning is gelegen in de binnenbeschermingszone. Vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning ligt het deel hierachter binnen de buitenbeschermingszone.

Cumela Advies – Nijkerk

- 27 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

De woning zal worden uitgebreid met een uitbouw voorzien van een fundering middels heipalen en daarop funderingsbalken. De uitbouw is gesitueerd achter de voorgevel, dus in de buitenbeschermingszone. Aangezien dit in de buitenbeschermingszone plaatsvindt is geen watervergunning benodigd. De uitbreiding van de woning heeft een oppervlakte van circa 75 m2. Thema Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. Uitgangspunt wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van(grond)wateroverlast. Binnen het plangebied bedraagt de toename van het verharde oppervlak 75 m2. Door de geringe toename van het verharde oppervlak (minder dan 750 m2 in stedelijke gebied of minder dan 2.500 m2 in landelijk gebied) is geen compensatie noodzakelijk voor dit plangebied.

Cumela Advies – Nijkerk

- 28 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

figuur 7: uitsnede legger Zuidermeerdijk inclusief legenda Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het(maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen heeft voor het streefpeil van het oppervlaktewater in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren.

Cumela Advies – Nijkerk

- 29 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

Anticiperen op watertekort Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Uitgangspunt(en) Met uitzondering van het toevoegen van een aanbouw aan de bestaande bedrijfswoning vindt er geen fysieke wijziging plaats aan het verharde oppervlak. Het bergend vermogen van de aanwezige watersysteem wijzigt hierdoor niet. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling een neutraal effect heeft op de waterkwantiteit en het bergend vermogen. Thema Schoon water Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Uitgangspunt(en) Ten aanzien van het plan kan worden gesteld dat zo weinig mogelijk uitlogende materialen gebruikt gaan worden. Randvoorwaarde(n) Uitlogende bouwmaterialen: lozingen op oppervlaktewater als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) zijn meldingsplichtig.

Voor lozingen in kwetsbaar water van alle typen oppervlakken gemaakt van uitlogende materialen worden voorwaarden gesteld door het waterschap. Uitgangpunten en randvoorwaarden ‘Wijziging lozingen’ Uitgangspunt(en) In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Randvoorwaarden Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunt(en) Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen.

Ten aanzien van het plangebied kan worden aangegeven dat zich in de nabijheid van de beoogde ontwikkeling momenteel geen openbaar rioolsysteem aanwezig is. Ten aanzien van het plan geldt dat hemelwater naar omliggende sloten wordt gevoerd via een put-opvang en afvoerbuis. Er is daarbij geen vervuild hemelwater te verwachten. Ook is er geen sprake van bedrijfsafvalwater.

Cumela Advies – Nijkerk

- 30 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

Randvoorwaarde(n) Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een "zuiverend" gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon regenwater af te koppelen van het rioolstelsel. Onder schoon hemelwater wordt verstaan: • Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1000 voertuigen per dag; • Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; • Hemelwater van daken/woningen waarbij geen voor het watersysteem; schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; • Hemelwater van onverhard terrein; • Hemelwater van centrumgebieden (met uitzondering van marktterreinen). Huidige en beoogde situatie In de huidige situatie is nabij de woning 1 septic tank aanwezig. Initiatiefnemer gaat in de bedrijfswoning met 2 personen wonen. Deze septic tank is daarmee voldoende. In de bedrijfsgebouwen zal een toilet worden aangelegd voor medewerkers van het bedrijf. Maximaal 2 medewerkers zullen tegelijkertijd aan het werk zijn op de locatie. Hiervoor wordt een aparte septic tank aangelegd. Initiatiefnemer zal voor het aanleggen van deze septictank een melding doen bij het waterschap. Conclusie: Aangaande het onderdeel waterhuishouding zijn afdoende maatregelen aanwezig of uitvoerbaar, zodat dit de uitvoering van dit plan niet hoeft te belemmeren.

4.2.7 Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2024 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van toepassing is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarde6n van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Algemeen geldt dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ).

Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van gemeentelijk of provinciaal beleid bepaald. Per 1 september 2017, is onder andere ter vervanging van de Wet op de archeologische monumentenzorg, de Erfgoedwet in werking getreden. Nederland heeft hiermee haar verplichting op basis van de Wet van Malta (1992) gestalte gegeven. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige- of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Cumela Advies – Nijkerk

- 31 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

Cultuurhistorie en beleid Beleidsmatig is de cultuurhistorie van Noordoostpolder vastgelegd en toegelicht in diverse documenten zoals ‘Kwaliteitskaart Noordoostpolder Urk – Deel 1’ (H+N+S landschapsarchitecten en Beek & Kooiman Cultuurhistorie, 2004), ‘Landschapsvisie Noordoostpolder, landschap van rust en regelmaat’ (Feddes/Olthof Landschapsarchitecten, 2012), ‘Structuurvisie Noordoostpolder 2025’, (Kuiper compagnons/Gemeente Noordoostpolder, 2013) en de ‘Erfgoednota’, (Gemeente Noordoostpolder, 2013). Al deze documenten nemen bij vernieuwing en ontwikkeling het bijzonder ontworpen landschap van de Noordoostpolder als vertrekpunt. Het credo van destijds de Nota Belvédère behoud door ontwikkeling, geldt nog altijd en klinkt ook door in de aanwijzing van de Nooroostpolder als Nationaal Wederopbouwgebied in de beleidsnota ‘Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter’ van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE, 2016). De gemeente Noordoostpolder is een duidelijk voorbeeld van een rationeel landschap uit de 20e eeuw (rond 1940 drooggelegd), waarin de twee voormalige eilanden Urk en Schokland als zelfstandige elementen zijn opgenomen. Dit rationeel vormgegeven landschap is niet alleen ontworpen vanuit het oogpunt van optimale landbouwkundige productie, maar ook als wetenschappelijke, esthetische en intellectuele uitdaging.

Karakteristiek voor het landschap van de Noordoostpolder zijn: • de kavelmaat; • de erven met bijbehorende erfsingels; • de diverse typen boerderijen; • de arbeiderswoningen; • de kavel- en erfsloten; • het grondgebruik. Cultuurhistorie in relatie tot het plangebied Het plangebied en de directe omgeving kent een aantal karakteristieken die kenmerkend zijn voor de Noordoostpolder. Door die kenmerken, en de zichtbaarheid daarvan, draagt het perceel bij aan de herkenbaarheid van de Noordoostpolder en daarmee haar bijzondere identiteit. De ligging van het erf geeft uitdrukking aan het modulaire systeem van verkaveling van de polder. Een regelmatig raster dat gebaseerd is op de in die tijd meest rationele agrarische verkaveling; een kavelmaat van 300 langs de weg en 800 meter in de diepte. Die verkaveling leidde tot agrarische bedrijven van 12 tot 48 hectare, dus variërend van een halve tot 2 kavels. De kavels zijn aan de achterzijde begrensd door een tocht. De grootte van het erf zegt verder iets over de grootte van het bedrijf. De bedrijven met minder dan 24 hectare kregen een boerenerf van 0,7 tot 0,8 hectare. Voor bedrijven van 24 hectare en groter werden erven van 0,9 tot 1,0 hectare ingepland. Dit was bovendien gebaseerd op een functionele analyse van de inrichting van het boerenerf door landschapsarchitect Bijhouwer.

Kortom de grootte van het erf zegt iets over de oorspronkelijke omvang/uitgifte van het bedrijf. Het erf aan de Ramsweg 22 is circa 10.000 m2 groot. Het laat zien dat hier van oorsprong een groter bedrijf was gevestigd. Het erf zelf heeft ook een aantal kenmerken die bijdragen aan de inrichting van de polder. Wat hierin opvalt is de aanwezigheid van een volwassen erfsingel rondom het erf. Ook deze singel is een basisonderdeel van het ontwerp van de Noordoostpolder. Het kent een vaste maatvoering. Het type beplanting was deels afhankelijk van de ondergrond. Het doel was vooral om beschutting te creëren in het open vlakke polderland en een stukje menselijke maatvoering aan te brengen. De erfsingels zijn daarmee een belangrijk element op het schaalniveau van de polder als geheel. Samen met de omlijsting van de dorpen vormen het groene eilanden in een open agrarische bedrijfsruimte. Het perceel is zoals gezegd van oorsprong een agrarisch erf. De bestemmingswijziging leidt niet tot aantasting van eventuele cultuurhistorische waarden. Voor het plan is een erfinrichtingplan met bijbehorend beplantingsplan opgesteld. Deze is door een voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan de bestemmingsplanregels en zodoende ook gericht op de daadwerkelijke uitvoering ervan.

Hierdoor wordt het perceel op een landschappelijk verantwoorde wijze omzoomt met een volwaardige erfsingel die past bij het kenmerkend cultuurhistorische landschap. In het plangebied komen geen monumenten voor. Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie is het bestemmingsplan uitvoerbaar.

Cumela Advies – Nijkerk

- 32 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

Archeologie Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Met deze inwerkingtreding werd het Verdrag van Malta, dat op 16 april 1992 onder andere door Nederland is ondertekend, in de Nederlandse weten regelgeving verwerkt. Het Verdrag van Malta is gericht op het behouden van archeologische waarden in de bodem. Het streven is dat archeologische resten in situ – in de bodem – bewaard blijven. Uitgangspunt hierbij is onder andere het uitvoeren van een onderzoek naar archeologische waarden in het plangebied voor het vaststellen van een bestemmingsplan. Indien mogelijk moeten archeologische vondsten in de bodem bewaard blijven (in situ), als dit niet mogelijk is, moeten de archeologische waarden veilig gesteld worden en elders worden bewaard (ex situ). Ook het zogenoemde veroorzakerprincipe is een uitgangspunt van het Verdrag van Malta. Dit betekent dat diegene die mogelijke archeologische waarden in de bodem verstoort, financieel verantwoordelijk is voor voldoende onderzoek naar en het behoud van die archeologische waarden. Met de inwerkingtreding van de Wamz werd ook de Monumentwet 1988 (Monw) gewijzigd. Op grond van de Monw moeten in een bestemmingsplan (mogelijke) archeologische waarden in de bodem van het plangebied overwogen worden.

In Nederland dient op basis van het verdrag van Malta in alle ruimtelijke plannen een archeologische paragraaf te worden opgenomen. Archeologie en beleid De gemeente Noordoostpolder heeft een archeologische beleidskaart vastgesteld. Op basis van deze archeologische beleidskaart van de gemeente Noordoostpolder ligt het perceel in een gebied dat deels is aangeduid als ‘Waarde Archeologie 6’, zie figuur 7. Voor deze gebieden geldt dat een archeologisch onderzoek nodig is bij ruimtelijke ingrepen die groter zijn dan 5.000 m2. Het plangebied is groter dan 5.000 m2, echter er zal niet worden gegraven in de bodem. Er is geen onderzoek nodig. Wel wordt de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ opgenomen in de planregels en op de verbeelding.

Cumela Advies – Nijkerk

- 33 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

figuur 8: uitsnede archeologische beleidskaart inclusief legenda

Conclusie: De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor het planvoornemen. 4.2.8 Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpgvulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) (stb. 250, 2004) wordt een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (artikel 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen.

Cumela Advies – Nijkerk

- 34 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

figuur 9: Uitsnede risicokaart Figuur 8 toont een uitsnede van de risicokaart. Te zien is dat ten noorden van het plangebied een bovengrondse hoogspanningsleiding is gelegen. De aanwezigheid van deze hoogspanningsleiding brengt geen beperkingen met zich mee met het oog op voorliggend plan. Het plangebied is daarmee niet gelegen binnen invloedsgebieden van externe risicobronnen. In of nabij het plangebied zijn geen aardgasleidingen / kabels aanwezig, welke een belemmering zouden opleveren voor de uitvoering van het initiatief. Ten aanzien van het groepsrisico kan gesteld worden dat onderhavig plan niet voorziet in de realisatie van een nieuw kwetsbaar object. Het groepsrisico blijft dan ook ongewijzigd en hoeft daarom niet nader verantwoord te worden. Aangezien er op de bedrijfslocatie niet met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt behoeft het plaatsgebonden risico ook niet nader verantwoord te worden. Conclusie: Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.2.9 MER In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) 1994 is vastgelegd wanneer voor welke activiteiten een verplichting geldt tot het maken van een (project-)MER (onderdeel C) en is aangegeven in welke situaties voor welke activiteiten een m.e.r-beoordelingsplicht geldt (onderdeel D). Per 16 mei 2017 bestaat ook beneden de drempel van onderdeel D een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Cumela Advies – Nijkerk

- 35 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

In de Wet milieubeheer, artikel 7.2, lid 1 onder b. wordt aangegeven dat bij algemene maatregel van bestuur (i.e. Besluit m.e.r.) activiteiten worden aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Het 4e lid, artikel 7.2, stelt dat voor dergelijke activiteiten categorieën van besluiten worden aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag aan de hand van de relevante criteria in bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 7.17) een beslissing neemt of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Het wijzigen van de bestemming agrarisch naar bedrijf en het oprichten van een bedrijf voor het verwerken van stamhout tot haardhout en daarbij behorende opslag, is geen ontwikkeling welke genoemd is/ wordt of de ‘ondergrenzen’ overschrijdt zoals genoemd in categorie C of D van de m.e.r. Alhoewel geen sprake is van een wettelijke verplichting tot het doorlopen van de uitgebreide m.e.r.-procedure en de m.e.r.-beoordeling, geeft de Wet milieubeheer aan dat voor de geplande activiteiten wel een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht van toepassing is. Deze beoordeling wordt uitgewerkt in een ‘aanmeldnotitie’.

Bij een dergelijke beoordeling moet dan worden beoordeeld of het project geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu die alsnog aanleiding kunnen geven tot het doorlopen van de uitgebreide procedure (o.g.v. bijlage III van de mer-richtlijn). Een activiteit heeft geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu indien: ➢ sprake is van een grote afstand tot gevoelige gebieden; ➢ de locatie en de omgeving geen bijzondere kenmerken hebben waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten; ➢ de activiteit niet tot grote emissies leidt; ➢ er sprake is van een klein ruimtebeslag. Er is overwogen om een aanmeldnotitie m.e.r. op te stellen, maar gezien het feit dat dit plan geen belangrijke nadelige gevolgen / belemmeringen geeft voor activiteiten van inrichtingen en woningen in de omgeving dan wel geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu meebrengt (zie criteria hiervoor plus de verantwoording in onderhavige onderbouwing), wordt er geen aanleiding gezien om een aanmeldnotitie m.e.r. op te stellen. Conclusie: Onderhavig initiatief is geen activiteit of plan waarvoor het verplicht is om een milieueffectrapportage of –(vormvrije m.e.r.-) beoordeling uit te voeren op grond van het Besluit milieueffectrapportage en / of artikel 7.16, lid 2 van de Wet milieubeheer.

4.2.10 Geur De ontwikkeling is deels gericht op het toestaan van een toename aan geurrelevante activiteiten. Het aspect ‘geur’ is / kan van belang zijn bij de (tijdelijke) op-/overslag en handelingen met houtachtig materiaal (groen), etc. Op grond van de milieuregels van het Activiteitenbesluit dient in beginsel een afstand van 100 meter aangehouden te worden tot geurgevoelige objecten. Hier wordt aan voldaan. De opslaglocatie bevindt zich op een afstand van ruim 145 meter tot de dichtstbijzijnde woon- / geurgevoelige object (Schokkerhaven 22). Indien activiteiten met een geurcomponent aan de orde zijn, zal er overeenkomstig de milieuregelgeving (Activiteitenbesluit) aan de voorwaarden moeten worden voldaan. Conclusie: Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. 4.2.11 Wet Milieubeheer / Activiteitenbesluit Inzake de verplichtingen uit de Wet Milieubeheer (ex. art 8.1 juncto art. 8.40) wordt door het bedrijf voldaan. Initiatiefnemer is een bedrijf waarop qua aard van de activiteiten en benodigde voorzieningen het Activiteitenbesluit van toepassing is.

Cumela Advies – Nijkerk

- 36 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

In relatie tot de beoogde wijzigingen zal vanwege de aard, omvang en soort activiteiten, de geluids(reducerende) maatregelen en wijzigingen qua logistiek (en o.a. de mate / capaciteit inzake opslag, overslag en handelingen met stenen, grond-, bouw-, reststoffen) een wijziging c.q. actualisatie van de milieuvoorschriften (melding) benodigd en relevant zijn.

Cumela Advies – Nijkerk

- 37 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

5 JURIDISCHE TOELICHTING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van bestemmen. In de eerste twee paragrafen wordt daarbij een toelichting gegeven op het instrument 'bestemmingsplan' in het algemeen voor die personen die niet dagelijks te maken hebben met bestemmingsplannen.

5.1 Doel en reikwijdte Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 1.

het bebouwen van de gronden; 2. het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

5.2 Onderdelen van een bestemmingsplan Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart). 5.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de

Cumela Advies – Nijkerk

- 38 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieueffect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale- en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

5.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2.

Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. Indien er sprake is van specifieke verplichtingen kan dit via een zogenaamde ‘voorwaardelijke verplichting’ worden vastgelegd.

3.

Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingsregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen;

4.

Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

Cumela Advies – Nijkerk

- 39 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

Bijlagen bij de regels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels. 5.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

5.3 Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan voorziet in de wijziging van de bestemming Agrarisch naar de bestemming Bedrijf voor het perceel Ramsweg 22 te Nagele. Vanwege de wijziging van deze bestemming is een specifiek bestemmingsplan benodigd. In deze toelichting is de verantwoording, motivering en interpretatie opgenomen waarbij inzicht is gegeven in het voldoen aan het ruimtelijk beleid en de zorg / aandacht voor de fysieke leefomgeving i.c. een goede ruimtelijke ordening. Bij dit bestemmingsplan is inzake de planregels aangesloten bij de ‘modelregels’ van de gemeente Noordoostpolder.

De specifieke regels ‘planregels Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele’ zijn onderdeel van dit plan. Conclusie Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Cumela Advies – Nijkerk

- 40 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

6 UITVOERBAARHEID EN CONCLUSIE In dit bestemmingsplan is nader ingegaan op de ruimtelijke, planologische, juridische en milieukundige aspecten aangaande de verantwoording van de beoogde ontwikkeling voor de locatie Ramsweg 22 te Nagele.

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze toelichting maakt onderdeel uit van een herziening van het bestemmingsplan, welke door de gemeente Noordoostpolder in procedure wordt gebracht. In dit plan worden, wanneer deze beschikbaar zijn en indien noodzakelijk, de resultaten van het overleg op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening uiteengezet. De direct omwonenden zijn geïnformeerd c.q. bekend met onderhavig initiatief.

6.2 Economische uitvoerbaarheid De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. Er is geen sprake van een zogenaamd GREX-plan, maar een legesplan. Dit betekent dat voor de bestemmingsplanprocedure leges worden geheven en met initiatiefnemer een planschadeovereenkomst wordt gesloten.

6.3 Conclusie In dit bestemmingsplan is verantwoord dat het initiatief in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en dat er sprake is van een aanvaardbare ruimtelijke ontwikkeling.

Cumela Advies – Nijkerk

- 41 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

7 INSPRAAK EN VOOROVERLEG 7.1 Inspraak (omgevingsdialoog) Initiatiefnemer heeft de omwonenden in een straal van 200 meter vanaf de planlocatie een brief bezorgt waarin hij zichzelf en zijn bedrijf voorstelt, de plannen toelicht en aangeeft wat het bedrijf gaat doen op de locatie. Op deze brief is tot zover geen reactie gekomen.

7.2 Wettelijk vooroverleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is onderhavig bestemmingsplan worden voorgelegd aan de wettelijke vooroverlegpartners. Meerdere vooroverlegpartners hebben een reactie gegeven. Deze reacties zijn verwerkt in dit bestemmingsplan.

Cumela Advies – Nijkerk

- 42 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

8 PROCEDURE Er wordt een reguliere bestemmingsplanprocedure voorstaan op grond van artikel 3.1 van de Wro.

8.1 Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan wordt gepubliceerd en zal gedurende een periode van 6 weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode kan door eenieder zienswijzen worden ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan.

Cumela Advies – Nijkerk

- 43 -

oktober 2023

Toelichting – Landelijk gebied, Ramsweg 22 te Nagele

BIJLAGEN 1. Tekening bestaande situatie Ramsweg 22 Nagele, Team 2 studio voor bouwkunst, 11 april 2023; 2. Tekening nieuwe situatie Ramsweg 22 Nagele, Team 2 studio voor bouwkunst, 11 april 2023; 3. Akoestisch onderzoek Ramsweg 22 Nagele, Adviesburo Van der Boom BV, rapport 23-061, 7 september 2023; 4. Plan landschappelijke inpassing Ramsweg 22 Nagele, Team 2 studio voor bouwkunst, 12 juni 2023; 5. Beplantingsschema Ramsweg 22 Nagele, Team 2 studio voor bouwkunst, 12 juni 2023; 6. Voortoets stikstof Ramsweg 22 Nagele, Cumela Advies, projectnummer ORI36664, 9 oktober 2023. 7. Milieutekening bij voortoets stikstof Ramsweg 22 Nagele, Team 2 studio voor bouwkunst, 11 april 2023; 8. Aerius berekening bij voortoets stikstof Ramsweg 22 Nagele, 9 oktober 2023.

Cumela Advies – Nijkerk

- 44 -

oktober 2023

Akoestisch onderzoek Berdi b.v. Ramsweg 22 te Nagele Versie 7 september 2023

opdrachtnummer

23-061

datum

7 september 2023

opdrachtgever

Berdi b.v. Hakstraat 18 8308 AH NAGELE 0527 - 65 33 63

auteur

ir. Peter van der Boom

INHOUDSOPGAVE bladzijde

INHOUDSOPGAVE .......................................................................................... I SAMENVATTING ............................................................................................ 1 1

2

3

INLEIDING .......................................................................................... 3 1.1

Omgeving

3

1.2

Onderzoek

4

1.3

Grenswaarden

4

METINGEN EN UITGANGSPUNTEN ........................................................ 9 2.1

Metingen

9

2.2

Meteocondities

9

2.3

Meetresultaten

9

2.4

Bedrijfsactiviteiten

10

2.5

Bronvermogensniveaus

11

GELUIDBELASTING EN ANALYSE ........................................................ 13 3.1

Rekenmodel

13

Akoestisch onderzoek

3.2

Geluidoverdracht

14

Berdi Nagele

3.3

Bedrijfstijden en bedrijfstijdcorrecties

15

3.4

Geluidbelasting

15

3.5

Maximale geluidniveaus

16

3.6

Verkeersaantrekkende werking

17

onderwerp

opdrachtnummer

23-061

bestand

4

CONCLUSIES EN MAATREGELEN ........................................................ 18 4.1

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT

18

4.2

Maximale geluidniveaus

18

bladzijde

4.3

Ruimtelijke toets

18

pagina i

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2102/documents/36449