CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1 Bestemmingsplan Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens.pdf

Commissie Woonomgeving 20 juni 2022, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens27.186 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van de realisatie van een extra woning in een bestaande boerderij in het buitengebied van de gemeente Noordoostpolder. In de dorpen is het niet mogelijk een vergelijkbare woning te realiseren. Daarmee concurreert het woonmilieu en het woningtype niet met woningen in dorpen.

5.

Belemmeringen van omliggende bedrijven is geenszins sprake, hiervoor wordt verwezen naar paragrafen 5.5 en 5.6.

6.

Het maximum aantal wooneenheden van 26 woningen is nog niet behaald. Daarnaast is de provincie Flevoland en de gemeente Noordoostpolder bezig om de regeling permanent te maken.

4.3.4

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend initiatief past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

25

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld

Hoofdstuk 5

Milieu- en omgevingsaspecten

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. De functie 'wonen' is aan te merken als een geluidsgevoelige functie.

5.1.2

Situatie plangebied

De geplande woning en de bestaande woning worden op basis van de Wgh aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten weg- en railsverkeerslawaai en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. In het kader van wegverkeerslawaai is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierna worden de resultaten beschreven. In bijlage 2 van deze toelichting is de gehele rapportage opgenomen.

5.1.2.1 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woning wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).

5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied is gelegen.

5.1.2.3 Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszones van de Zwijnsweg (60 km/uur). Het projectgebied ligt niet binnen de wettelijke geluidszone van overige wegen en er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen overige wegen gelegen die in het kader van voorliggend onderzoek relevant worden geacht. Ter plaatse van de woning in het schuurgedeelte van de Zeeuwse boerderij bedraagt de geluidsbelasting door wegverkeerslawaai, als gevolg van de Zwijnsweg maximaal 39 dB (incl. aftrek) (voorgevels). Hiermee wordt voor deze woning ter plaatse van alle gevels ruimschoots aan de voorkeurswaarde van 48 dB voldaan. Een hogere waarde is niet benodigd. Met de toepassing van de minimale gevelwering conform het Bouwbesluit 2012 wordt in alle gevallen voldaan aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Hiermee is ter plaatse van de nieuwe woning sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

26

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

5.2.2

Situatie plangebied

Door Kruse B.V. is een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De resultaten van het bodemonderzoek worden hierna behandeld. Voor de rapportage van het bodemonderzoek wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: ^ ^ ^ ^ ^ ^

de bovengrond (BG I) is zeer licht verontreinigd met lood, zink en PCB; de bovengrond (BG II) is zeer licht verontreinigd met zink; de bovengrond (A-BG) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (peilbuis 1) is licht verontreinigd met barium; het grondwater (peilbuis A1) is niet verontreinigd.

Nader asbestbodemonderzoek resultaten asbestanalyses: ^ ^

5.2.3

het mengmonster van de fijne fractie MM FF - Gat B1A, B2A en B3A bevat asbest; het gehalte is ruim lager dan de interventiewaarde; het mengmonster van de fijne fractie MM FF - Gat B4, B5 en B6 bevat asbest; het gehalte is ruim lager dan de interventiewaarde.

Conclusie

Uit milieukundig oogpunt is geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de realisatie van de woning, aangezien de vastgestelde (zeer) lichte verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De omgevingsdienst adviseert om de druppelzone te saneren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen en tuin).

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: » »

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

27

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: ^ ^ ^

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2

Situatie plangebied

In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is dit plan zeker aan te merken als een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.3.3

Conclusie

Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: ^ ^ ^ ^

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

28

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld ^

het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: ^ ^ ^

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met de blauwe contour) en omgeving weergegeven.

In de omgeving van het plangebied bevindt zich één risicovolle inrichting, namelijk een bovengrondse opslagtank (propaan of ander vloeibaar gemaakt brandbaar gas). Op afbeelding 5.1 is de plaatsgebonden risicocontour (zwart gestippelde cirkel) van de bovengrondse opslagtank duidelijk weergegeven. Deze ligt ruim buiten het plangebied. De afstand van de inrichting tot het plangebied bedraagt circa 146 meter. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is daardoor niet noodzakelijk. Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: ^

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); BJZ.nu

Bestemmingsplannen

29

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld ^ ^ ^

5.4.3

zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De VNG-uitgave gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van woningen worden gesitueerd.

5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De gemeente Noordoostpolder heeft in het principebesluit aangegeven dat het plangebied kan worden gezien als een gemengd gebied vanwege de verscheidenheid aan functies. De gedachtegang van de gemeente Noordoostpolder wordt in dit kader gevolgd. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

30

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld 5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Dit plan voorziet in de functiewijziging van agrarisch naar wonen. Wonen betreft, in tegenstelling tot een agrarisch bedrijf, een niet-milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Zoals aangegeven wordt de bestemming gewijzigd van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. De functie wonen is aan te merken als milieugevoelige functie. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. De overige van toepassingen zijnde aspecten, stof, geluid en gevaar worden hierna getoetst. Ter plaatse van het plangebied zijn verschillende agrarische bedrijven aanwezig. Voor wat betreft agrarische bedrijfsactiviteiten, gelden de grootste richtafstanden voor intensieve veehouderij, melkveehouderij en intensieve veehouderij als tweede tak. De raad van de gemeente Noordoostpolder heeft op 25 januari 2016 besloten, dat zij nieuwvestiging van intensieve veehouderij in het eerstvolgende ruimtelijk plan niet meer toe zal staan.

Als gevolg van landelijke regelgeving moet bovendien intensieve veehouderij als tweede tak aan zoveel regels voldoen, dat het niet langer mogelijk is om een dergelijk bedrijf economisch rendabel te maken. Het uitoefenen van deze bedrijfsactiviteiten binnen de Noordoostpolder is daardoor praktisch niet meer mogelijk, ondanks dat het planologisch is toegestaan. De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (hierna de Afdeling) staat in zo'n geval toe dat de gemeente bij het toelaten van activiteiten rekening houdt met reële maximalisatie van planologische mogelijkheden in plaats van de juridische maximalisatie van planologische mogelijkheden. In voorliggend geval wordt, ondanks de planologische mogelijkheden voor intensieve veehouderijen, uitgegaan van grondgebonden veehouderijen. In de onderstaande tabel worden de activiteiten/functies benoemd welke zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het plangebied en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

31

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld Functie

Categorie

Grondgebonden agrarisch bedrijf (melding voor paardenhouderij met schapen en rundvee) Zwijnsweg 24-2 Grondgebonden agrarisch bedrijf Zwijnsweg 23 Grondgebonden agrarisch bedrijf Zwijnsweg 25

3.2

3.2 3.2

Richtafstand gemengd gebied 10 meter voor stof en geluid.

Daadwerkelijke afstand (circa) 90 meter

10 meter voor stof en geluid. 10 meter voor stof en geluid.

175 meter 240 meter

De daadwerkelijke belasting die ontstaat waar de dieren zijn gehuisvest betreffende de stal. De dichtstbijzijnde stal staat op een afstand van circa 45 meter. Gezien de indeling van het erf Zwijnsweg 24-2 kan niet worden verwacht dat deze stal op een kortere afstand van de nieuwe woningen zal worden gebouwd omdat planologisch gezien dit nu niet mogelijk is, aangezien niet dichter op de bestaande bedrijfswoning aan de Zwijnsweg 24-1 mag worden gebouwd. De bestaande bedrijfswoning mag op basis van de regels niet op een kortere afstand van het agrarisch bedrijf worden gebouwd. In voorliggend geval wordt aan alle richtafstanden voldaan. Gezien de afstand tot omliggende milieubelastende functies mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarbij zal de nieuwe woning het naastgelegen agrarisch bedrijf niet verder belemmeren aangezien er woningen op kortere afstand zijn gelegen.

5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ^ ^

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht.

5.6.2

Activiteitenbesluit

Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en BJZ.nu

Bestemmingsplannen

32

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden.

5.6.3

Situatie plangebied

De geplande ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de geurhinder, aangezien woningen geen bron van geurhinder zijn. Wel bevinden zich in de omgeving van het plangebied een aantal veehouderijen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het nieuwe geurgevoelige object, namelijk de nieuwbouw woning in bestaande bebouwing. Ook moet beoordeeld worden of omliggende agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Om dit in beeld te brengen is in dit geval door M-tech een geuronderzoek uitgevoerd. Hierna worden de belangrijkste onderzoeksresultaten weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten Onderstaande tabel geeft een overzicht van de berekende geurbelasting ter plaatse van het plangebied. In de bijlage van het geuronderzoek is een overzicht van de rekenresultaten weergegeven. Immissiepunt

Geurbelasting (ouE/m3) als 98-percentiel berekend (huidig)

Berekend fictief

norm

24-1.1 bestaande woning

0,1

10,6

8,0

24-1.2 nieuwe woning

0,1

8,9

8,0

24-1.3 B&B

0,1

7,0

8,0

De geurbelasting vanwege de huidige activiteiten van Zwijnsweg 24-2 bedraagt maximaal 0,1 ouE/m3 ter plaatse van de nieuwe te realiseren woningen. De geurbelasting ter plaatse van de nieuwe geurgevoelige objecten blijkt gelijk aan de geurbelasting op de bestaande woning. Hiermee wordt de norm van 8 ouE/m3 als 98-percentiel ruim gerespecteerd (conform Wgv artikel 3, eerste lid, voor een niet-concentratiegebied en buiten de bebouwde kom). In het kader van de omgekeerde werking dient rekening gehouden te worden met de maximale planologische mogelijkheden, waarbij op het perceel 24-2 een grondgebonden veehouderij met als tweede tak intensieve veehouderij is toegestaan. Uit een fictieve berekening blijkt dat de geurbelasting vanwege een (fictieve) intensieve veehouderij 10,6 ouE/m3 bedraagt ter plaatse van de bestaande woning en maximaal 8,9 ouE/m3 ter plaatse van de nieuwe geurgevoelige objecten. Deze geurbelasting voldoet niet aan de norm van 8 ouE/m3. Volgens de handreiking, meer specifiek bijlage 6 en 7, komt een voorgrondbelasting van 10,6 ouE/m3 voor een concentratiegebied overeen met een geurhinderpercentage van 34%.1.

Op basis hiervan kan de milieukwaliteit als "zeer slecht" worden omschreven.2 Het toevoegen van de nieuwe geurgevoelige objecten op perceel 24-1 vormt echter geen extra beperking voor de activiteiten voor 24.2, daar de bestaande woning dichterbij 24-2 is gelegen en maatgevend zal zijn voor de geursituatie. Los van bovenstaande valt het niet binnen de verwachting dat op perceel 24-2 daadwerkelijk een intensieve veehouderij als tweede tak gevestigd zal worden. In het kader van de stikstofcrisis zal er geen ontwikkelingsruimte beschikbaar zijn én in bedrijfseconomisch oogpunt zal een intensieve veehouderij als tweede tak niet rendabel zijn.

1 Handreiking geurhinder en veehouderij, bijlage 6, tabel B 2 https://www.infomil.nl/onderwerpen/landbouw/geur/handreiking-wgv/bijlagen/bijlage-7-geurhinder/ BJZ.nu

Bestemmingsplannen

33

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuur Netwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

5.7.2.2 Situatie plangebied In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Gronden die tot Natura 2000-gebied behoren, liggen op minimaal 2650 meter afstand van het plangebied. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (groene vlak) weergegeven.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

34

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld

In het kader van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), die op 1 juli 2021 in werking is getreden, is de aanlegfase van de ontwikkeling achterwege gelaten. In de Wsn is namelijk een partiële vrijstelling voor de bouwsector opgenomen. Dit houdt in dat de door de bouw mogelijke veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij een natuurvergunning. De vrijstelling geldt slechts voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw-, sloop en aanleg en ander werkzaamheden en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt. Concreet betekent dit dat de aanlegfase na 1 juli 2021 niet meer berekend hoeft te worden. Hieronder worden de uitgangspunten van de berekening ten aanzien van de gebruiksfase toegelicht. Voor wat betreft de gebruiksfase wordt, als gevolg van de wijziging van de agrarische bestemming naar woonbestemming en het toevoegen van een woning in bestaande bebouwing, er geen toename in verkeer of stikstofuitstoot uit het toekomstige perceel verwacht. In het huidige gebruik van de locatie is sprake van de mogelijkheid van het exploiteren van een agrarisch bedrijf. Deze activiteiten stoppen op het perceel aan de Zwijnsweg 24-1.

Als gevolg de toekomstige woonfunctie zal het aantal vervoersbewegingen afnemen en wordt het houden van dieren ter plaatse gestaakt. Gelet op het vorenstaande wordt een afname van stikstofuitstoot verwacht, hetgeen een positief effect heeft op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. 5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op minimaal 2,8 kilometer afstand van het plangebied. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (groene vlak) weergegeven.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

35

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld

Afbeelding 5.3

5.7.3

Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (Bron: Provincie Flevoland)

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval is door Natuurbank Overijssel een QuickScan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Voor de rapportage van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting.

5.73.2 Resultaten Quickscan natuurwaardenonderzoek Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats en bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats. Er zijn in het plangebied geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden die op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in het plangebied duiden. De bebouwing in het plangebied wordt als een ongeschikte verblijfplaats voor vleermuizen beschouwd. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden moeten daarom afgestemd worden op de voortplantingsperiode van vogels.

Voor de grondgebonden zoogdier- en/of amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties' (of de soort is niet beschermd). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

36

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren, niet aangetast. In het kader van de zorgplicht dient bij uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden te worden met amfibieën in winterrust en dient voorkomen te worden dat er (tijdelijke) geschikte voortplantingswateren voor de rugstreeppad ontstaan in de periode april-juli.

5.7.4

Conclusie

De uitgevoerde Quickscan ecologie van februari 2019 is uitgegaan van de sloop van voormalige agrarische bebouwing en toevoeging van vrijstaande woning op het erf. De enige mogelijke gevolgen voor beschermde dieren, vinden plaats tijdens de verbouwing van de huidige bebouwing en is niet afhankelijk van het eindbeeld. Het gepubliceerde onderzoek, en het vervolgonderzoek, zijn nog steeds toepasbaar. Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.

5.8

Archeologie ä Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Noordoostpolder heeft in 2018 de Archeologische Basis- en Beleidsadvieskaart voor haar grondgebied geactualiseerd. Op de Basiskaart staan de archeologische waarden en verwachtingen weergegeven, terwijl op de Beleidsadvieskaart maatregelen staan aangegeven die nodig zijn om het archeologisch erfgoed te beschermen. In afbeelding 5.4 is een uitsnede van de Archeologische waarden en verwachtingskaart weergegeven en op afbeelding 5.5 is de Archeologische Beleidsadvieskaart

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

37

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld

Erfgoed in de polder! Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Noordoostpolder Archeologische waarden- en verwachtingskaart RAAP-rapport 3155. kaartbjlage 2. schaal 1:35.000 legenda

vwwacMlng pretiMori»

Afbeelding 5.4: Archeologische waarden- en verwachtingskaart (Bron: Gemeente Noordoostpolder)

Erfgoed in de polder! Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Noordoostpolder Archeologische beleidsadvieskaart RAAP-rapport 3155, kaartbīļage 3. schaal 1:35.000 legenda 17771

WM VMM iJTctadogacli Rţünqmwf)

WV2 WW

VK-5

WW

Wk-7 WW imdMMUM» dşker ęn sater

Afbeelding 5.5: Archeologische Beleidsadvieskaart (Bron: Gemeente Noordoostpolder)

Op basis van de Archeologische beleidsadvieskaart kent het projectgebied 'waarde 8'. Dit houdt in dat het plangebied een lage archeologische verwachting kent. De landschappelijke omstandigheden waren hier

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

38

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld minder gunstig voor bewoning. Bovendien is het bodemprofiel in deze gebieden vaak aangetast. Voor deze verwachtingswaarde geldt dat bouwwerken, waarvoor bodemingrepen nodig zijn met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en dieper dan 100 cm beneden maaiveld moet worden aangetoond of de archeologische waarden kunnen worden verstoord en in voldoende mate is aangegeven op welke wijzen de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. Het voorliggende bestemmingsplan maakt ontwikkelingen mogelijk waarbij bodemingrepen worden beoogd met een diepte en oppervlakte die geen archeologisch onderzoek nodig maken. Nader archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. In voorliggend bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde Archeologische verwachtingswaarde WA-8' toegevoegd.

5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan 'een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden' dient te bevatten.

5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich binnen het plangebied op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. In de directe omgeving van het plangebied komen eveneens geen monumenten of cultuurhistorische waarden voor. Het perceel aan de Zwijnsweg en de directe omgeving kent een aantal cultuurhistorische karakteristieken die kenmerkend zijn voor de Noordoostpolder. Door die kenmerken, en de zichtbaarheid daarvan, draagt het perceel bij aan de herkenbaarheid van de Noordoostpolder en daarmee haar bijzondere identiteit. Karakteristieke structuren en kenmerken in de omgeving, zoals de laanbeplantingen en verkavelingspatronen zijn aanwezig. Door in het voorliggende initiatief het behoud van oorspronkelijke inrichting, behoud van de langgevelboerderij, erfsingel, entree en andere opstallen valt er een redelijk gaaf beeld van het erf te realiseren. Zo worden de aanwezige karakteristieken gerespecteerd.

5.8.3

Conclusie

Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. In het plangebied en in de omgeving van het plangebied komen geen cultuurhistorische waarden voor.

5.9

Kabels & leidingen

In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen aanwezig.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

39

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld

5.10

Besluit milieueffectrapportage

5.10.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan of ruimtelijk plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: ^ ^

^

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

5.10.2

Situatie projectgebied

5.10.1.1 Art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 2.650 meter afstand van het projectgebied. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit project dan ook niet noodzakelijk.

5.10.1.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Dit project voorziet in een concrete woningbouwontwikkeling op gronden met een woonbestemming voor wat betreft de binnen het projectgebied geplande ontwikkeling en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit ruimtelijke plan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De ontwikkeling in een bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, BJZ.nu

Bestemmingsplannen

40

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld 2. 3.

een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat in geval van voorliggend project geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit project worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Van een m.e.r.-plichtig stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. is dan ook geen sprake. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk en bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.

5.10.3

Conclusie

Dit project is niet m.e.r.-plichtig omdat het geen stedelijk ontwikkelingsproject betreft. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de voorliggend project.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

41

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld

Hoofdstuk 6 6.1

Wateraspecten

Algemeen

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.2

Beleidskaders

6.2.1

Waterbeheerplan 2016-2021

Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) is de opvolger van WPB2+ en bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema 'water en ruimte'. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen.

6.2.2

Stroomgebiedsvisie Flevoland (2003)

De Noordoostpolder is gelegen binnen het plangebied van de stroomgebiedsvisie Flevoland. In de watervisie voor 2015 wordt het plangebied aangeduid als een gebied met een vitaal watersysteem. Voor de gemeente Noordoostpolder zijn de wateropgaven onderverdeeld in een aantal generieke maatregelen en in de resterende wateropgave. De generieke maatregelen houden onder andere in: ^ ^ ^

afvoerblokkering in natuurgebieden; vasthouden van water in natuurgebieden en landbouwgebied; realisatie van duurzame oevers.

Oplossingsrichtingen voor de resterende wateropgave zijn onder andere bergen in open water en efficiënt uitmalen.

6.3

Watertoetsproces

Het waterschap Zuiderzeeland is geïnformeerd over het plan. De beantwoording van de vragen van de digitale watertoets heeft niet geleid tot het gewenst resultaat, doordat er sprake was van een technische storing. Het waterschap Zuiderzeeland heeft door middel van een mail laten weten dat er voor het bestemmingsplan een 'korte procedure' in het kader van de watertoets van toepassing is. De planontwikkeling heeft een geringe invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De uitspraak van waterschap Zuiderzeeland is opgenomen in bijlage 6 van deze plantoelichting.

Verharding In de voorgaande ontwikkeling is sprake van een afname van de verharding op het perceel aan de Zwijnsweg 24-1. Er is sprake van een netto afname van circa 1.350 m2 in verharding. Daarnaast bestaat het idee om een deel van de overgebleven verharding te vervangen door houtsnippers. Geconcludeerd kan worden dat er in het voorliggende geval geen sprake is van een compensatieopgave ten behoeve van de waterberging. BJZ.nu

Bestemmingsplannen

42

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld Wat betreft de lozingsroute van hemelwater op het nieuwe verharde oppervlakte wordt opgenomen dat de kortste route naar een nabijgelegen sloot wordt aangehouden.

Schoonwater Voorliggende ontwikkeling bestaat uit een realisatie van één woning en een Bed & Breakfast. In deze nieuwe situatie wordt geschat dat de bezettingsgraad circa 25% is in een heel jaar. In deze situatie is enkel sprake van overnachtingen. In deze nieuwe ontwikkeling wordt het woonerf een eco-erf genoemd. Dit houdt in dat de de nieuw te realiseren woning zoveel mogelijk worden gerealiseerd met ecologische bouwmaterialen. Dit houdt in dat uitlogende bouwmaterialen worden vermeden in de bouw van de twee nieuwe woningen. Daarnaast wordt het huishoudelijk afvalwater van de nieuw te realiseren huizen en Bed & Breakfast gezuiverd door middel van een helofytenfilter. Dit betekent dat met behulp van natuurlijke filters het afvalwater wordt gezuiverd tot een kwaliteit die onschadelijk is voor het milieu. Het huidige woonhuis heeft een vervuilingseenheid van 4 en loost het afvalwater op een septictank van kleiner dan 6m3. In de nabijheid van het plangebied is ook geen openbaar rioolsysteem aanwezig. Op deze manier wordt voorkomen dat vuil water wordt geloosd in het omliggende kwetsbare gebied. Goed omgaan met afvalwater Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.

Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. Opbarstrisico en/of aansnijden van Pleistoceen zandpakket Op basis van een indicatief onderzoek is het plangebied gelegen in een gebied met een substantieel risico op opbarsten van de grond bij minder dan 100 cm ontgraving ten opzichte van het maaiveld. Opbarsten of (bijna) aansnijden van het pleistocene zandpakket dient voorkomen te worden vanwege de kans op bodeminstabiliteit. Geadviseerd wordt om een vervolgonderzoek uit te voeren naar het opbarstrisico ter plaatse, alvorens overgegaan wordt op het ontgraven van de grond. De planontwikkeling heeft een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Zuiderzeeland geeft een positief wateradvies en verzoekt te worden geïnformeerd over de wijze waarop het plan verder zal worden voorbereid. De hierbij behorende waterparagraaf is opgenomen in bijlage 6 van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

43

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische aspecten en planverantwoording

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1. Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1 inleidende regels; 2 bestemmingsregels; 3 algemene regels 4 overgangs- en slotregels.

7.2.2.

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: ^

begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

^

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

44

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld 7.2.3.

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. De regels zijn onderverdeeld in: ^

Bestemmingsomschrijving Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.

^

Bouwregels In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.

7.2.4.

Algemene regels

Hoofstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: ^

Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

^

Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan.

^

Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

^

Overige regels (Artikel 9) In dit artikel is een regel opgenomen ten aanzien van de inwerkingtreding van de wettelijke regels die zijn vastgelegd in het bestemmingsplan.

7.2.5.

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

45

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld 'Groen - Erfsingel' (Artikel 3) De voor 'Groen - Erfsingel' aangewezen gronden zijn bestemd voor opgaande afschermende beplanting, een bebouwingsvrije onderhoudsstrook en erfsloten. Binnen deze bestemming mag niet worden gebouwd. 'Wonen - voormalige agrarische erven' (Artikel 4) De voor 'Wonen - voormalige agrarische erven' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor wonen. Binnen deze bestemming mogen woningen, bijhorende bouwwerken en andere bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen overnachtingsmogelijkheden'; ook voor het bieden van overnachtingsmogelijkheden met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m2 per woning. Binnen deze bestemming zijn specifieke bouwregels opgenomen ten aanzien van toegestane bebouwing. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanplant en instandhouding van een erfsingel ter plaatse van de bestemming 'Groen - Erfsingel'. 'Waarde- Archeologische verwachtingswaarde WA-8 (Artikel 5) De voor 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde WA-8' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische verwachtingswaarden.

Bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 100 cm beneden maaiveld is archeologisch onderzoek vereist.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

46

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld

Hoofdstuk 8

Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Wel wordt met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst gesloten zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

47

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens'

Vastgesteld

Hoofdstuk 9

Vooroverleg, inspraak en zienswijzen

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

9.1

Vooroverleg

9.1.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

9.1.2 Provincie Flevoland Het bestemmingsplan is ter vooroverleg naar de provincie Flevoland verstuurd. Het bestemmingsplan is akkoord bevonden.

9.1.3 Waterschap Zuiderzeeland Het bestemmingsplan is ter vooroverleg naar het waterschap Zuiderzeeland verstuurd. Het bestemmingsplan is akkoord bevonden.

9.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt er, gezien de aard van dit bestemmingsplan, geen inspraak verleend.

9.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eenieder heeft in deze periode de kans gekregen om zienswijzen in te dienen. In deze periode is één zienswijze ingediend. De zienswijze heeft betrekking op het nabij gelegen agrarisch bedrijfsperceel aan de Zwijnsweg 24-2. Naar aanleiding van deze zienswijze is het bestemmingsplan aangepast. De compensatiewoning is komen te vervallen en de bijgebouwen zullen niet worden gesloopt. De mogelijkheid voor het realiseren van een windmolen is ook komen te vervallen in de regels van het bestemmingsplan.

BJZ.nu

Bestemmingsplannen

48

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens' Vastgesteld

Bijlagen bij de toelichting

BJZ.nu Bestemmingsplannen

49

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Zwijnsweg 24-1 te Ens' Vastgesteld

Bijlage 1

Erfinrichtingstekening met beplantingsplan

BJZ.nu Bestemmingsplannen

50

Zwijnsweg 24-1 ENS Legenda: Bestaande gebouwen Erfsingel in tact J Erfsingel aanbrengen | herstellen Erfsingel aanbrengen | herstellen Voorerf, aanzicht erf Heg

Toelichting: Erfsingel blijft behouden, met onderbegroeing. Boomkronen en ondergroei reeds dicht. Oude monocultuur singel van voornamelijk zieke essen wordt verplaatst naar de rand van het erf in lijn met singel van de buren en aangeplant volgens advies landschapbeheer flevoland met grote diver­ siteit inheemse soorten. Singel aan naastgelegen boerderij wordt hersteld. Voorerf/tuinzijde: kleine boomgaard volgens adviesrapport landschapsbeheer Flevoland. Natuurlijke haag als tuinafscheiding

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1909/documents/30672