CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1 Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Leemringweg 22 te Kraggenburg' .pdf

Commissie Woonomgeving 12 januari 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Leemringweg 22 te Kraggenburg’21.163 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

20192022

blz. 2

In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van stedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden: -

-

stedelijk gebied: gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg;

30 km-wegen Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u of lager zijn op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Echter dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde als maximaal aanvaardbare waarde. Dosismaat Lden De berekende geluidsniveaus wordt beoordeeld op basis van de Europese dosismaat Lden (Lday-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De berekende geluidwaarde in Lden vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal. Aftrek op basis van artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden gelden inclusief de standaard aftrek op basis van artikel 110g van de Wgh.

Dit artikel houdt in dat een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het verkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/u geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of hoger geldt de volgende aftrek: • 4 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 RMG 2012 57 dB bedraagt; • 3 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 RMG2012 56 dB bedraagt; • 2 dB voor andere waarden van de geluidbelasting. De toegestane aftrek conform artikel 3.4 uit het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is op alle genoemde geluidbelastingen toegepast, tenzij anders vermeld. Wet geluidhinder en nieuwe situaties Voor de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de wettelijke geluidzone van een weg, gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.

Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnen- of buitenstedelijk). Bestemmingen met een binnenstedelijke ligging, maar binnen de geluidzone van

20192022

blz. 3

een autosnelweg, worden bij het bepalen van de geluidzone voor die autosnelweg gerekend tot buitenstedelijk gebied. De Wet geluidhinder is van toepassing bij o.a. het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone van een weg. De bestaande woning is al aanwezig en hoeft niet te worden beoordeeld. De opvang biedt uitgebreide dagopvang aan en ook logeerweekenden. Op basis van artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh) valt de opvanglocatie als “ander geluidsgevoelige gebouw” aan te duiden en is de Wgh van toepassing. De aanwijzing als "ander geluidsgevoelig gebouw" geldt niet voor de delen van een gebouw die een andere bestemming hebben dan de verblijfsruimten zoals genoemd in art. 1.1 lid 1, onder d Bgh. Als geluidgevoelige ruimte van een kinderdagverblijf zijn aangewezen: onderzoeks-, behandelings-, recreatie- of conversatieruimte alsmede woon- en slaapruimte. Bij de bepaling van de geluidsbelasting wordt de waarde voor de avond- en nachtperiode buiten beschouwing gelaten, voor zover deze gebouwen in de betrokken periode niet als zodanig worden gebruikt. De geluidsbelasting Lnight is niet van toepassing als het kinderdagverblijf in de nachtperiode niet overeenkomstig de bestemming wordt gebruikt. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom van Kraggenburg aan de Leemringweg, zijnde de provinciale weg N719.

In het akoestisch onderzoek is daarom uitgegaan van een ligging in buitenstedelijk gebied. De voorkeursgrenswaarde voor de gezoneerde wegen betreft maximaal Lden = 48 dB. De maximale ontheffingswaarde bedraagt Lden = 58 dB (ander geluidsgevoelig gebouw binnen de zone van een weg, art. 3.2 Bgh). Uitvoering berekeningen Algemeen Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd conform de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012). Het overdrachtsmodel is opgesteld in het softwareprogramma Geomilieu, versie 5.10 van dgmr-software. De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer hangt af van verschillende factoren. Voor een deel hebben deze factoren betrekking op verkeer en wegdek (brongegevens); voor een ander deel op de omgeving van de weg (geluidoverdracht, reflecties en afscherming). Verkeersintensiteiten en voertuigverdelingen De Leemringweg is een provinciale weg. Op basis van de geluidbelastingskaart van Flevoland bedroeg de etmaalintensiteit in 2017 2.400 mvt/etmaal. Op basis van 2% autonome groei bedraag de etmaalintensiteit in 2030 (10 jaar na plandatum) 3.100 mvt/etmaal. Voor wat betreft de voertuig- en etmaalverdelingen is uitgegaan van standaard gegevens (zie bijlage 1). De Leemringweg is voorzien van een standaard asfaltverharding en de rijsnelheid bedraagt 80 km/uur.

Akoestisch rekenmodel Ten behoeve van het onderzoek is een akoestisch rekenmodel opgesteld, waarbij rekening is gehouden met alle relevante gebouwde ruimtelijke objecten in de omgeving. Deze gegevens zijn afkomstig van de PDOK-website en als GML-bestand geïmporteerd.

20192022

blz. 4

Voor het bodem-model zijn harde (wegen, water, etc.) en zachte (onverhard terrein) bodemgebieden van belang. De indeling van bodemgebieden is eveneens gebaseerd op PDOK-gegevens. Voor de niet gedefinieerde harde bodemgebieden (Bf = 0) is uitgegaan van een 50 % absorberende bodem (Bf = 0,5). De ingevoerde wegen zijn geschematiseerd in rijlijnen die 0,75 m boven het wegdek liggen. Ter plaatse van de gevels van de verschillende gebouwdelen zijn waarneempunten ingevoerd met een waarneemhoogte ho = +1,5/+4,5 m boven het lokale maaiveld. Het maximum aantal reflecties waarmee de berekeningen zijn uitgevoerd bedraagt 1 reflectie en een sectorhoek van 2˚, conform de aanbeveling van de projectgroep Vergelijkend Onderzoek Akoestische Bureaus (VOAB). In deze projectgroep VOAB zijn afspraken gemaakt om de onderlinge verschillen in rekenprogrammatuur te minimaliseren. In bijlage 1 is een overzicht gegeven van het rekenmodel en de relevante invoergegevens (wegen). Berekeningen en resultaten Een overzicht van de berekeningsresultaten in Lden is gegeven in figuur 2, exclusief aftrek op basis van art. 110g Wgh. In figuur 3 is een overzicht gegeven van de berekende geluidbelastingen als Lday (alleen gebruik in de dagperiode).

20192022

blz. 5

Figuur 2:

overzicht van de berekende geluidbelasting vanwege Lden in dB vanwege de Leemringweg, exclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh

20192022

blz. 6

Figuur 3:

overzicht van de berekende geluidbelasting vanwege Lday in dB vanwege de Leemringweg, exclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh

Toetsing en conclusie De geluidbelasting vanwege de Leemringweg is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. De maximale waarde op de voorgevel bedraagt Lden = 57 dB exclusief aftrek op basis van art. 110g Wgh (zie figuur 2). De aftrek is niet gepresenteerd omdat deze afhankelijk is van de hoogte van de geluidbelasting. Bij de hoogst berekende waarde bedraagt de aftrek 4 dB, waarmee wordt voldaan aan de maximale grenswaarde van Lden = 58 dB. Wanneer de opvang alleen wordt gebruikt in de dagperiode bedraagt de berekende geluidbelasting ten hoogste Lday = 56 dB exclusief en wordt eveneens voldaan aan de maximale ontheffingswaarde. Omdat het een bestemmingsplan betreft voor bestaande gebruik, het slechts om één perceel gaat, zijn geluidreducerende maatregelen financieel niet haalbaar. Voorgesteld wordt een generieke hogere waarde van 53 dB vast te stellen.

20192022

blz. 7

Leemringweg 22 Model: Groep:

Naam 1

Bijlage 1: ingevoerde weg (provinciale weg)

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Omschr. provinciale weg

Geomilieu V5.10

X-1 187848,50

Y-1 521858,67

H-1 0,00

H-n 0,00

M-1 0,00

M-n 0,00

Hbron 0,75

6-2-2020 11:53:26

Leemringweg 22 Model: Groep:

Naam 1

Bijlage 1: ingevoerde weg (provinciale weg)

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Wegdek Referentiewegdek

Geomilieu V5.10

V(MR(D)) --

V(LV(D)) 80

V(MV(D)) 80

V(ZV(D)) 80

Totaal aantal 3100,00

%Int(D) 6,70

%Int(A) 2,70

%Int(N) 1,10

%Int(P4) --

6-2-2020 11:53:26

Leemringweg 22 Model: Groep:

Naam 1

Bijlage 1: ingevoerde weg (provinciale weg)

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 %MR(D) --

%MR(A) --

Geomilieu V5.10

%MR(N) --

%MR(P4) --

%LV(D) 86,00

%LV(A) 93,50

%LV(N) 86,00

%LV(P4) --

%MV(D) 9,10

%MV(A) 4,50

%MV(N) 9,10

%MV(P4) --

%ZV(D) 4,90

6-2-2020 11:53:26

Leemringweg 22 Model: Groep:

Naam 1

Bijlage 1: ingevoerde weg (provinciale weg)

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 %ZV(A) 2,00

%ZV(N) 4,90

Geomilieu V5.10

%ZV(P4) --

MR(D) --

MR(A) --

MR(N) --

MR(P4) --

LV(D) 178,62

LV(A) 78,26

LV(N) 29,33

LV(P4) --

MV(D) 18,90

6-2-2020 11:53:26

Leemringweg 22

Bijlage 1: ingevoerde weg (provinciale weg)

Model: Groep:

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012

Naam 1

MV(A) 3,77

Geomilieu V5.10

MV(N) 3,10

MV(P4) --

ZV(D) 10,18

ZV(A) 1,67

ZV(N) 1,67

ZV(P4) --

Wegdek W0

6-2-2020 11:53:26

50

Rho adviseurs voor leefruimte

20192022

51

Bijlage 2

Watertoets

Rho adviseurs voor leefruimte

20192022

datum 18-2-2020 dossiercode 20200218-37-22511

Geachte heer/mevrouw Lisette Woltjer, U heeft de digitale watertoets doorlopen op de website www.dewatertoets.nl. De samenvatting in de email bevat de gegeven antwoorden op de vragen. Op basis van deze toets volgt u de normale procedure. Uitgangspuntennotitie Hierbij ontvangt u alvast de uitgangspuntennotitie voor de normale procedure van de watertoets. Deze notitie is automatisch gegenereerd op basis van de door u gegeven antwoorden en het ingetekende plangebied. Deze uitgangspuntennotitie bevat de voor uw plan relevante waterhuishoudkundige streefbeelden, strategieën en randvoorwaarden van Waterschap Zuiderzeeland die u kunt gebruiken bij het ruimtelijk laten meewegen van het waterbelang en bij het opstellen van de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. Vooroverleg wateradvies Met de digitale watertoets heeft u Waterschap Zuiderzeeland op de hoogte gebracht van het ruimtelijk plan, hiermee doet u nog geen aanvraag voor een wateradvies. Dit betekent dat u, aanvullend op de digitale watertoets, in het kader van het ambtelijk vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de Ruimtelijke ordening een aanvraag voor een wateradvies moet indienen bij Waterschap Zuiderzeeland. Ook is het mogelijk om telefonisch contact op te nemen om informatie in te winnen of een afspraak te maken.

Team Waterprocedures Waterschap Zuiderzeeland Lindelaan 20 Postbus 229 8200 AE Lelystad (0320) 274 911 watertoets@zuiderzeeland.nl _________________________________________________________________________ Uitgangspuntennotitie normale procedure 1. Inleiding Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijn de waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding.

Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. Deze uitgangspuntennotitie dient als goede basis voor het overleg. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's 'Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water'. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u het uitgangspunt, dat het vertrekpunt vormt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn.

2. Inhoudelijke opmerkingen ten behoeve van de waterparagraaf

2.1. Thema veiligheid 2.1.1. Veiligheid - primaire waterkeringen op orde Streefbeeld Het buitenwater is een reële bedreiging voor de veiligheid in Flevoland. Waterkeringen beschermen Flevoland tegen deze bedreiging. Het waterschap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen.

2.1.2 Veiligheid Regionale waterkeringen op orde Regionale keringen kunnen zowel binnen als buitendijks liggen. De binnendijkse Knardijk, een zogeheten compartimenteringsdijk, scheidt Zuidelijk en Oostelijk Flevoland, om de gevolgen van een overstroming te beperken. Buitendijkse regionale keringen beschermen buitendijkse gebieden tegen hoog water. Het plangebied ligt niet buitendijks. Het plangebied ligt niet in een keurzone van de waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. 2.2. Thema Voldoende Water 2.2.1 Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebeid, is in 2015 op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.

Uitgangspuntwateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden.

Randvoorwaarde(n) wateroverlast Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met 500 m2 toe. Indien deze toename groter of gelijk is aan 2500 m2 dan is compensatie noodzakelijk. Ontwerprichtlijnen compensatie toename verharding De oppervlakte te realiseren waterberging is gerelateerd aan de maximaal toelaatbare peilstijging in het peilvak en de netto oppervlakte nieuw te realiseren verharding. Uw plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5,0% van de netto toename aan verharding* als open water moet worden gecompenseerd. Bij de hantering van de bergingsnorm (onderdeel van beleidsregel compensatie toename verharding en versnelde afvoer) gaat het om het benodigde oppervlak open water op de hoogte van het streefpeil. * Indien in de tekst sprake is van meerdere opgegeven percentages voor compensatie van de toename van verharding dan betekent dit dat uw plangebied zich over meerdere peilgebieden uitstrekt. Het percentage kan namelijk per peilgebied verschillen. Indien (vanwege lange termijn ontwikkelingen) een inrichtingsplan nog niet is uitgewerkt, wordt voor een indicatieve berekening van aan te leggen berging de toename van het verhard oppervlak ingeschat. Voor een bedrijventerrein wordt uitgegaan van een verhard oppervlak van 90% van het uitgeefbaar terrein (60% daken en 30% wegen en terreinen).

Voor een woonwijk is dit een verhard oppervlak van 45% van het uitgeefbaar terrein (30% daken en 15% wegen en terreinen).

Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen dienen bij voorkeur in het eigen projectgebied gevonden te worden. Indien dit niet mogelijk is, dient dichtbij het projectgebied compensatie gezocht te worden. Dit moet binnen hetzelfde peilgebied zijn of eventueel benedenstrooms. De compensatie wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. De reeds aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen. Bij plannen waarbij meer dan 250.000 m2 verharding wordt toegevoegd, kan niet worden volstaan met de bergingsnorm. Dan is het nodig om de te realiseren compensatie door middel van een model te toetsen aan de normering wateroverlast Flevoland. U kunt contact opnemen met het waterschap om de aanpak te bespreken. Indien overwogen wordt om het plangebied te voorzien van één of meerdere stuwen dan moet door middel van een specifieke maatwerkberekening worden aangetoond dat er voldoende gecompenseerd wordt zodat de afvoer gelijk blijft en/of geen sprake is van afname van bergingscapaciteit in het oorspronkelijke peilgebied. U kunt contact opnemen met het waterschap om de aanpak te bespreken. Bij een nieuwe ontwikkeling die gelegen is in een natuurgebied en waarbij meer dan 2500 m2 verharding wordt toegevoegd is de bergingsnorm niet van toepassing.

Hierbij is een maatwerkberekening nodig om aan te tonen dat de toekomstige afvoer bij maatgevende gebeurtenissen gelijk blijft aan de huidige afvoer. U kunt contact opnemen met het waterschap om de aanpak te bespreken.

2.2.2 Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties.

[/ALS_kunstwerken=ja]

[ALS_nieuw water=ja||beschermingszone watergang=ja] Indien een watergang smaller is dan 24 meter, dan zal in principe rijdend onderhoud mogelijk moeten worden gemaakt. Een watergang dient te zijn voorzien van een goed bereikbare obstakelvrije werkstrook van minimaal 5 meter breed: - één zijde van een watergang met breedte tot en met 8 meter, gemeten van insteek tot insteek; - aan weerszijden van een watergang met een breedte vanaf 9 meter, gemeten van insteek tot insteek. Bij een talud van minimaal 1:6 of flauwer is geen aparte onderhoudsstrook nodig. Afwijken van dit onderhoudsvriendelijke profiel is mogelijk en soms noodzakelijk als gevolg van de bodemgrondslag en bodembedekking. Dit is maatwerk. Bij maatwerk wordt uitgegaan van onderhoudsmaterieel van gemiddelde grootte. Maatwerk wordt beoordeeld op: Het ontwerp van de watergang inclusief talud: ● Begroeiing in de watergang; ● Breedte watergang van insteek tot insteek; ● Bodemgrondslag; ● Hellingsgraad; ● Obstakels voor onderhoudsmaterieel gemarkeerd met een houtpaal.

Het ontwerp van het onderhoudspad c.q. obstakelvrije werkstrook: ● Begroeiing rondom het onderhoudspad; ● Breedte onderhoudspad; ● Obstakels voor onderhoudsmaterieel, gemarkeerd met een houtpaal.

Voor watergangen breder dan 24 meter, gemeten van insteek tot insteek, is varend onderhoud een mogelijkheid. De watergang dient in het geval gekozen wordt voor varend onderhoud te voldoen aan de volgende ontwerprichtlijnen: ● Bodembreedte van minimaal 1 meter; ● Diepte van minimaal 1,2 meter;

● Waterbreedte van minimaal 7 meter; ● Helling onderwatertalud is maximaal 1:3; ● Doorvaarhoogte van minimaal 1,5 meter vanaf het streefpeil; ● Te water plaats.

Afwijken van dit onderhoudsvriendelijke profiel is mogelijk en soms noodzakelijk als gevolg van de bodemgrondslag en bodembedekking. Dit is maatwerk. Bij maatwerk wordt uitgegaan van onderhoudsmaterieel van gemiddelde grootte. Maatwerk wordt beoordeeld op: Het ontwerp van de watergang inclusief talud: ● Bodembreedte; ● Breedte watergang van insteek tot insteek; ● Diepte; ● Doorvaarhoogte; ● Hellingsgraad onderwatertalud; ● Obstakels voor onderhoudsmaterieel, gemarkeerd met een houtpaal.

Het ontwerp te waterlaat plaats: ● Bereikbaarheid en verkeersveiligheid; ● Bodemgrondslag; ● Constructie (standaardtekening op te vragen bij het waterschap); ● Inzamelpunt en afvoer van maaisel; ● Taludhelling.

Houdt de beschoeiing zoveel mogelijk uniform. De verankering dient minimaal dezelfde levensduur te hebben als de beschoeiing zelf. 2.2.3 Anticiperen op watertekort Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Ten behoeve van de planontwikkeling is geen bronnering van grondwater nodig. Er wordt in het plan geen gebruikt gemaakt van bodemenergie, ofwel warmte koude opslag. Bij deze planontwikkeling zal geen grondwater worden onttrokken ten behoeve van beregening, veedrenking of bedrijfsmatige toepassingen. 2.3. Thema Schoon Water 2.3.1 Goede structuurdiversiteit Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied.

[ALS_nieuw water=ja||flauwe_oevers=ja||water dempen=ja]Grotere waterpartijen en plassen worden onderscheiden in diepe en ondiepe waterplassen. Ondiepe plassen variëren in diepte tot 4 meter. Diepe plassen zijn meer dan 4 meter diep. Bij beide typen is een goede verhouding tussen ondiepe en dieper delen noodzakelijk voor een goed chemisch en ecologisch functioneren. Grotere waterpartijen hebben een waterdiepte van minimaal 1,5 meter bij streefpeil (mede i.v.m. stabiliteit); plaatselijk zijn verdiepingen van de waterbodem tot een diepte van 2,5 meter gewenst. Afhankelijk van de grootte en de functie kan de voorkeur worden gegeven aan een geïsoleerde diepe (recreatie)plas of een (kleinere) met het watersysteem verbonden ondiepe plas (met meer ruimte voor vegetatie). Ondiepe plassen worden omzoomd door brede gordels van boven het water uitstekende planten, bevatten eilandjes en zijn 0 - 2,5 m diep. 15 tot 30 % van het areaal van grote waterpartijen en plassen is minimaal 1,5 m. diep. De rest (70 tot 85%) van het areaal is dus ondieper dan 1,5 m. Afhankelijk van de functie kan een uitzondering worden gemaakt. Bijvoorbeeld bij een vaarfunctie, waarbij een diepte van meer dan 3 meter gewenst is, om overmatige waterplantengroei te voorkomen.

In diepe plassen wordt 30% van het oeverareaal ingericht als rietzone met aansluitend een waterfase van 0,8 - 2,0 meter diep (afhankelijk van het doorzicht). De rest van de diepe plas mag max. 10 m. diep zijn.[/ALS_nieuw water=ja||flauwe_oevers=ja||water dempen=ja] 2.3.2 Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Randvoorwaarde(n) Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een een vergunning nodig. [ALS_kunstwerken=ja][/ALS_kunstwerken=ja] 2.3.3 Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.

Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Randvoorwaarde(n) In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon regenwater af te koppelen van het rioolstelsel. Onder schoon hemelwater wordt verstaan: - Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1000 voertuigen per dag; - Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; - Hemelwater van daken/woningen waarbij geen voor het watersysteem; schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; - Hemelwater van onverhard terrein; - Hemelwater van centrumgebieden (m.u.v. marktterreinen). Het hemelwater afkomstig van schone oppervlakken wordt geïnfiltreerd of direct afgevoerd naar open water. Ook ter compensatie van het afgekoppelde verharde oppervlak dient extra open water of alternatieve berging te worden aangelegd. Het hemelwater stroomt onder vrij verval af, direct of indirect (eventueel via een lokale zuivering) richting open water. Het afstromend hemelwater wordt vanaf de erfgrens, en waar mogelijk, bovengronds aangeboden.Vuil hemelwater is afstromend hemelwater dat niet onder schoon is vermeld.

Verharde oppervlakken die vervuild zijn of waar de kans op vervuiling groot is worden afgevoerd via een (in)filtratievoorziening, (in)filtratieberm en/of slibafscheider. Een bodempassage wordt gedimensioneerd volgens de Leidraad Riolering. De afvoer van minder schone verharde oppervlakken via het rioolstelsel vindt plaats op basis van expert-judgement. In het geval huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater niet wordt aangeboden via het bestaande rioolstelsel denken wij graag met u mee over de verwerking van dit afvalwater. U wordt verzocht contact op te nemen met Team Waterprocedures van het waterschap. Er wordt de volgende voorkeursvolgorde in het omgaan met afvalwater gehanteerd: 1. Lozingen / emissies worden voorkomen. 2. Afvalwater wordt vergaand hergebruikt. 3. Aansluiting afvalwaterstroom op riolering. 4. Afvoer per as (transport). 5. Opslag en gelijkmatige verspreiding ___________________________________________________________________________________ Verklaring Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u

ingevulde gegevens en heeft verklaard dat alles naar waarheid is ingevuld.

www.dewatertoets.nl

58

Rho adviseurs voor leefruimte

20192022

59

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

20192022

Verkennend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van: Leemringweg 22 te Kraggenburg projectnummer

200318

Pagina 2 van 23

TITELBLAD RAPPORT Type onderzoek Locatie onderzoek Projectnummer Versie rapportage Auteur Controle en vrijgave Paraaf vrijgave Datum OPDRACHTGEVER Naam Contactpersoon Adres

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg 200318 1.0 J.M. Aalderink - Reurslag J.R.W. Staal

2 april 2020 Buitengewoon Fit-inn Dhr. J. Willemsen Leemringweg 22, 8317 RE KRAGGENBURG

UITGEVOERD DOOR

info@vdpoelmilieu.nl www.vdpoelmilieu.nl

Larikslaan 1 7244 BA BARCHEM Tel: 0547 – 26 18 88

DISCLAIMER Dit rapport is het resultaat van een verkennend bodem- en asbestonderzoek dat is uitgevoerd ter plaatse van Leemringweg 22 te Kraggenburg, in opdracht van Buitengewoon Fit-inn. Ten behoeve van de juiste interpretatie van dit rapport is het noodzakelijk te beschikken over de gehele rapportage, inclusief bijlagen. Het rapport is ongeschikt voor toepassing in een juridische context indien: de paginanummering van het rapport onjuist of onvolledig is de bijlagen genoemd in de inhoudsopgave (deels) ontbreken het projectnummer in het rapport en op de bijlage niet overeenkomt We stellen dit rapport alleen ter beschikking aan derden in geval van schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 3 van 23

INHOUD 1.

INLEIDING.................................................................................................................... 5

1.1 1.2 1.3 1.3.1 1.3.2 1.3.3 1.4

Aanleiding en doelstelling ............................................................................................................. 5 Kwaliteitsborging algemeen .......................................................................................................... 5 Kwaliteitsborging onderzoek ......................................................................................................... 5 Normen onderzoeksstrategie ........................................................................................................... 5 Veldwerkzaamheden ........................................................................................................................ 6 Laboratoriumwerkzaamheden ......................................................................................................... 6 Leeswijzer ..................................................................................................................................... 7

2.

VOORONDERZOEK (NEN 5725:2017)............................................................................. 8

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8

Systematiek milieuhygiënisch vooronderzoek ............................................................................... 8 Stap 1; aanleiding vooronderzoek ................................................................................................. 8 Stap 2; onderzoeksvragen ............................................................................................................. 8 Samenvatting vooronderzoek ....................................................................................................... 9 Volledigheid en betrouwbaarheid vooronderzoek ...................................................................... 10 Afwijkingen vooronderzoek ........................................................................................................ 10 Onderzoekshypothese (NEN5725) en -strategieën (NEN5740 en NEN5707) ................................ 10 Veiligheidsklasse ......................................................................................................................... 10

3.

VELDWERKZAAMHEDEN CHEMISCH ONDERZOEK ....................................................... 11

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grond en plaatsen peilbuis) ..................................... 11 Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grondwater) ............................................................ 11 Bodemopbouw ............................................................................................................................ 12 Zintuiglijke waarnemingen .......................................................................................................... 12 Afwijkingen protocollen .............................................................................................................. 12 Afwijkingen strategie(ën) ............................................................................................................ 13

4.

ANALYSERESULTATEN EN BESPREKING (CHEMISCH ONDERZOEK) ................................ 14

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Analysemonsters ......................................................................................................................... 14 Afwijkingen laboratoriumwerkzaamheden ................................................................................. 14 Toetsing analyseresultaten.......................................................................................................... 14 Milieuhygiënische kwaliteit grond............................................................................................... 15 Milieuhygiënische kwaliteit grondwater ..................................................................................... 16

5.

VELDWERKZAAMHEDEN ASBESTONDERZOEK ............................................................. 17

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

Uitvoering werkzaamheden (visuele inspectie maaiveld en bodem) ........................................... 17 Visuele inspectie maaiveld .......................................................................................................... 17 Resultaten veldwerkzaamheden ................................................................................................. 17 Visuele inspectie en monsterneming diepere bodemlaag ........................................................... 17 Afwijkingen onderzoeksopzet ..................................................................................................... 18

6.

ANALYSERESULTATEN EN BESPREKING (ASBESTONDERZOEK) ..................................... 19

6.1 6.2 6.2.1 6.3 6.4

Analysemonsters ......................................................................................................................... 19 Analysemethoden en monsterbehandeling ................................................................................. 19 Analyse asbest in bodem (volgens NEN 5898) ............................................................................... 19 Toetsingskader asbest ................................................................................................................. 19 Analysemonsters en concentraties .............................................................................................. 20

7.

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................... 21

7.1 7.2

Samenvatting .............................................................................................................................. 21 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 23

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 4 van 23

BIJLAGEN 1.1 Regionale ligging 1.2 Situatieschets onderzoekslocatie met boorpunten 2 Resultaten vooronderzoek 3 Boorprofielen 4 Analyseresultaten 5 Toetsingswaarden 6 Analysemethoden

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 5 van 23

1. INLEIDING In opdracht van Buitengewoon Fit-inn is door Van der Poel BV een verkennend milieukundig bodemen asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een locatie aan de Leemringweg 22 te Kraggenburg. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aanleiding en de doelstelling van het onderzoek, en de wijze van kwaliteitsborging van de verschillende onderzoekstappen.

1.1

Aanleiding en doelstelling

Aanleiding tot het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging van het onderzoeksterrein (van agrarisch naar maatschappelijk). Doel van het verkennend chemisch onderzoek is een indruk te verkrijgen over de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (maatschappelijk). Doel van het verkennend asbestonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem.

1.2

Kwaliteitsborging algemeen

Van der Poel BV streeft naar een zo hoog mogelijk kwaliteit van onderzoek te leveren. Naast kwaliteit is onafhankelijkheid van groot belang om onze opdrachtgever van dienst te zijn met het beste advies voor zijn vraagstuk. Wij merken dan ook op dat er geen functionele relatie bestaat tussen opdrachtgever en Van der Poel, hetgeen betekent dat het advies van Van der Poel onafhankelijk is van de belangen van de opdrachtgever en derden. Conform de eisen uit onze ethische code houdt Van der Poel alle gegevens geheim, waarvan wij kennisnemen als gevolg van de uitvoering van de werkzaamheden, behoudens in geval van wettelijke verplichtingen.

1.3

Kwaliteitsborging onderzoek

De bodemonderzoeksstrategie is opgesteld conform de geldende NEN normen en protocollen. De veldwerkzaamheden en laboratorium werkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de actuele beoordelingsrichtlijn en accreditatieschema. In de volgende paragrafen worden de normen, beoordelingsrichtlijnen toegelicht.

1.3.1 Normen onderzoeksstrategie In tabel 1.1 zijn de kwaliteitsnormen opgenomen, die zijn toegepast voor de bepaling van de bodemonderzoeksstrategieën.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 6 van 23

Tabel 1.1 Toegepaste onderzoeksnormen

Aspect onderzoek Strategie voor uitvoeren van milieu hygiënisch vooronderzoek Strategie voor uitvoeren van verkennend (chemisch) onderzoek Strategie voor uitvoeren van asbest onderzoek in bodem

Toegepaste norm NEN 5725:2017 NEN 5740:2009 + A1: 2016 NEN 5707:2015/C2:2017

Eventuele afwijkingen op de normen, die tijdens de uitvoering naar voren zijn gekomen, zijn beschreven in respectievelijk § 2.6 “Afwijkingen vooronderzoek” en § 3.6 “Afwijkingen strategie(ën)”.

1.3.2 Veldwerkzaamheden

Het veldwerk is uitgevoerd door Eco Reest BV te Zuidwolde. De veldwerkzaamheden hebben plaatsgevonden onder procescertificaat op grond van de BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor Eco Reest BV Zuidwolde is gecertificeerd en erkend door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Het certificaatnummer is K96988/01, en de certificerende instelling is KIWA te Rijswijk. Het veldwerk heeft plaats gevonden conform SIKB 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen ten behoeve van het nemen van grond- en grondwatermonsters”, protocol 2002 “Het nemen van grondwatermonsters” en protocol 2018 “Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem”. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door gecertificeerde en erkende veldmedewerkers, zoals weergegeven in tabel 1.2. Tabel 1.2 Betrokken veldwerkers

Aspect onderzoek Uitvoering monsterneming grond

Toegepaste protocol SIKB protocol 2001

Uitvoering monsterneming grondwater Uitvoering monsterneming asbest in bodem

SIKB protocol 2002 SIKB protocol 2018

Erkend veldmedewerker Dhr. J. Kemper Dhr. T. Bonkes Dhr. T. Bonkes Dhr. T. Bonkes

Eventuele afwijkingen op de normen en protocollen, die tijdens de uitvoering naar voren zijn gekomen zijn weergegeven in § 3.5 “Afwijkingen protocollen”. De bedrijf- en persoonserkenningen en het certificaatnummer zijn te verifiëren op de volgende website: https://www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu/

1.3.3 Laboratoriumwerkzaamheden

De analyses zijn uitgevoerd conform de AS 3000 “Laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor Eurofins Analytico B.V. is geaccrediteerd en erkend door het ministerie van I en W. De asbest analyses zijn uitgevoerd door ACMAA Laboratoria BV te Deurningen, die geaccrediteerd en erkend is door het ministerie van I en W. ACMAA Laboratoria BV is een NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005 geaccrediteerd laboratorium, met certificaatnummer L376. Het certificaat is eveneens bijgevoegd in bijlage 6. De monsterconservering is uitgevoerd conform SIKB protocol 3001 “Conserveringsmethoden en conserveringstermijnen voor milieumonsters”.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 7 van 23

Eventuele afwijkingen op de normen, die tijdens de uitvoering van de analyses naar voren zijn gekomen, zijn beschreven in § 4.2 “Afwijkingen laboratoriumwerkzaamheden”.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden de onderzoeksvragen beantwoord op basis van de resultaten van het vooronderzoek en wordt de onderzoekshypothese opgesteld. In hoofdstuk 3 zijn de veldwerkzaamheden en waarnemingen tijdens het onderzoek beschreven, gevolgd door de toetsing van de analyseresultaten in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 is een samenvatting opgenomen en zijn de conclusies en aanbevelingen weergegeven.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 8 van 23

2. VOORONDERZOEK (NEN 5725:2017) Het vooronderzoek is de basis voor werkzaamheden die een uitspraak vereisen over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het doel van het vooronderzoek is inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie zelf, alsmede eventuele beïnvloeding(en) vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd, zoals hierna weergegeven.

2.1

Systematiek milieuhygiënisch vooronderzoek

Het vooronderzoek is onderverdeeld in twee stappen. In stap 1 wordt de aanleiding voor het vooronderzoek bepaald. De mogelijke aanleidingen (A t/m G) zijn weergegeven in bijlage 2. Voor de in bijlage 2 weergegeven mogelijke aanleidingen zijn in de NEN 5725:2017 diverse onderzoeksvragen geformuleerd. In stap 2 van het vooronderzoek moet antwoord verkregen worden op een deze onderzoeksvragen. Indien naar deskundigheid van de onderzoeker alle (verplichte) onderzoeksaspecten zijn behandeld en de onderzoeksvragen (zie bijlage 2) in voldoende mate zijn beantwoord, is het vooronderzoek afgerond en worden conclusies getrokken en een hypothese opgesteld.

2.2

Stap 1; aanleiding vooronderzoek

De eerste stap in het vooronderzoek is het vaststellen van de aanleiding voor vooronderzoek (zie ook bijlage 2). In het onderhavige geval is aanleiding A geselecteerd, die onderstaand is weergegeven. - A. opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek volgens 6.2.1

2.3

Stap 2; onderzoeksvragen

Uit de geselecteerde aanleiding (A) voor het vooronderzoek volgt een aantal onderzoeksvragen die zijn weergegeven in bijlage 2. Op basis van het totaal aan informatie uit het vooronderzoek moeten de onderzoeksvragen worden beantwoord, waarna een hypothese voor bodemonderzoek wordt opgesteld. In tabel 2.1 zijn de onderzoeksaspecten weergegeven, waarover bij het vooronderzoek informatie moet worden verzameld. Tabel 2.1 Onderzoeksaspecten en te verzamelen informatie

Onderzoeksaspecten

Locatiegegevens Bodemopbouw en geohydrologie

Eigendomssituatie Hoogteligging Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem Geohydrologie

Aanleidingen tot vooronderzoek A B C D E 0 0           

F

G

 

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 9 van 23

Onderzoeksaspecten Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit

Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval

Geval van ernstige bodemverontreiniging? Kwaliteit o.b.v. BKK O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken Voormalig Huidig Toekomst Asbestverdacht?

Aanleidingen tot vooronderzoek      

0 

 

 

 

 

0  

 

  0 

  

     Terreinverkenning  Verplicht onderzoeksaspect. Indien dit onderzoeksaspect niet van toepassing is, behoort dit in het rapport te worden vermeld en gemotiveerd 0 Optioneel

De verzamelde informatie benoemd in tabel 2.1 met antwoorden is weergegeven in bijlage 2. In § 2.4 (samenvatting vooronderzoek) is een beschrijving van de te onderzoeken (delen van de) locatie weergegeven met antwoorden, op basis van de antwoorden op de onderzoeksvragen weergegeven in bijlage 2.

2.4

Samenvatting vooronderzoek

Na het raadplegen van de verschillende bronnen zijn er voldoende gegevens bekend om antwoord te geven op de geformuleerde onderzoeksvragen (bijlage 2). De onderzoekslocatie ligt aan de Leemringweg 22 in Kraggenburg is kadastraal bekend als gemeente Noordoostpolder, sectie C, nr. 3466 en heeft een totale oppervlakte van circa 8.000m2. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage 1.1. De onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1.2. Uit gegevens van BAG-viewer blijkt dat de eerste bebouwing dateert van 1951. Het kaartmateriaal van Topotijdreis.nl geeft de eerste bebouwing op locatie weer van 1961, voordien bestond de locatie uit agrarisch terrein. Uit informatie van de opdrachtgever, de omgevingsdienst Flevoland, Gooi en Vechtstreek en de Omgevingsrapportage Flevoland komt naar voren dat er op de locatie een voormalige boven- en ondergrondse tanklocatie en een asbestverdacht dak dat afwatert op onverhard maaiveld aanwezig zijn. Op de locatie zijn in het verleden twee bodemonderzoeken uitgevoerd. In 2005 is door Tebodin B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk 22100-10/9087) en in mei 2015 is door Van der Poel Milieu Advies B.V., rapportnummer 2015.164 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een gedeelte van het perceel. Er waren voor beide onderzoeken geen aanleiding tot nader onderzoek. De onderzoeken worden besproken in bijlage 2.1.

Tijdens de terreininspectie d.d. 10 maart 2020 door de heer T. Bonkes en J. Kemper blijkt dat de locatie deels verhard is met beton en klinkers. De verharding verkeerd in goede staat. Tijdens de terreininspectie zijn behoudens het asbestverdacht dak dat afwatert op onverhard maaiveld geen verdachte locaties waargenomen. Voor de uitgebreide weergave van het vooronderzoek verwijzen wij naar bijlage 2.1. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 10 van 23

2.5

Volledigheid en betrouwbaarheid vooronderzoek

Het vooronderzoek beschouwen wij als volledig, aangezien er voldoende relevante gegevens aanwezig zijn en er in afdoende mate antwoord kan worden gegeven op de onderzoeksvragen. Gezien het feit dat de gegevens, verstrekt door de verscheidene bronnen, in voldoende mate overeenkomen met elkaar en met de aangetroffen situatie ten tijde van de terreininspectie, achten wij het vooronderzoek tevens betrouwbaar.

2.6

Afwijkingen vooronderzoek

Er zijn bij de uitvoering van het vooronderzoek geen relevante afwijkingen ten opzichte van de NEN 5725:2017 naar voren gekomen.

2.7

Onderzoekshypothese (NEN5725) en -strategieën (NEN5740 en NEN5707)

Op basis van de informatie uit het vooronderzoek is ter plaatse van de in het vooronderzoek beschouwde locatie bodemonderzoek noodzakelijk. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek is het onderzoek met betrekking tot de verdachte deellocatie A (terreindeel voormalige ligging bovengrondse tank) uitgevoerd conform de richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld in de NEN 5740:2009, § 5.3. Het betreffende deel van het onderzoeksterrein is beschouwd als een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek is het onderzoek met betrekking tot de verdachte deellocatie B (terreindeel voormalige ligging ondergrondse tank) uitgevoerd conform de richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld in de NEN 5740:2009, § 5.4. Het betreffende deel van het onderzoeksterrein is beschouwd als een verdachte locatie met één of meer ondergrondse opslagtanks. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek is het onderzoek met betrekking tot de verdachte deellocatie C (Overig terrein) uitgevoerd conform de richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld in de NEN 5740:2009, § 5.6. Het betreffende deel van het onderzoeksterrein is beschouwd als een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming.

Op basis van de locatiegegevens wordt het asbestonderzoek ter plaatse van deellocatie D (Onverharde druppelzones onder asbesthoudende dakbedekking) uitgevoerd conform de richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld in paragraaf 6.4.4 “verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke kern” en § 7.4 Milieuhygiënisch saneringscriterium”. De locatie is aangemerkt als verdacht voor asbestverontreiniging.

2.8

Veiligheidsklasse

Op basis van het vooronderzoek is er analyse gemaakt met betrekking tot de veiligheidsklasse waarbinnen het asbestonderzoek dient te worden uitgevoerd. Hiervoor is gebruik gemaakt van de CROW P400 “Werken in en met verontreinigde”. Omdat de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal niet is aangetoond tijdens het verkennend onderzoek, is onderhavig asbestonderzoek uitgevoerd op basis van standaard veiligheidsklasse .

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 11 van 23

3. VELDWERKZAAMHEDEN CHEMISCH ONDERZOEK In dit hoofdstuk is de uitvoering van de veldwerkzaamheden beschreven van het chemisch onderzoek, met eventuele afwijkingen op de veldwerkzaamheden en/of onderzoeksstrategie.

3.1

Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grond en plaatsen peilbuis)

De uitvoering van het veldwerk heeft plaatsgevonden op 10 en 18 maart 2020 en het grondwater is bemonsterd op 18 maart 2020. Deellocatie A, voormalige liggging bovengrondse tank; Het veldwerk heeft bestaan uit het verrichten van 2 boringen 1,0 m-mv (nrs. 26 en 27) en 1 boring tot circa 2,0 m-mv (nr. 25). Voor het grondwateronderzoek is gebruik gemaakt van de peilbuis ter plaatse van deellocatie B. Deze is direct nabij de ligging van de voormalige bovengrondse tank gesitueerd. Het grondwater van peilbuis 1 wordt als representatief beschouwd voor deellocatie A. Deellocatie B, voormalige ligging ondergrondse tank; Het veldwerk heeft bestaan uit het verrichten van 1 boring tot circa 3,0 m-mv (nr. 28) en 1 boring tot 2,0 m-mv (nr. 1). Boring 1 is vervolgens afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek (filterstelling 1,0 – 2,0 m-mv, grondwaterstand 0,5 m-mv). Deellocatie C, overig terrein, circa 8.000 m²; Het veldwerk heeft bestaan uit het verrichten van 17 boringen tot 0,5 m-mv (nrs. 8 t/m 24) en 6 boringen tot 2,0 m-mv (nrs. 2 t/m 7). Boring 2 is vervolgens afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek (filterstelling 1,0 – 2,0 m-mv, grondwaterstand 0,5 m-mv). Voor het grondwateronderzoek van deellocatie C wordt (ten dele) gebruik gemaakt van de gegevens van peilbuis 1 , ter plaatse van de deellocaties B.

Het grondwater van peilbuis 1 wordt deels als representatief beschouwd voor deellocatie C. Van het opgeboorde materiaal zijn per 50 cm, of per afwijkende bodemlaag representatieve monsters genomen, die zijn beschreven qua textuur, geur en kleur. In bijlage 1.2 is een situatieschets van het terrein opgenomen met daarop aangegeven de ligging van de monsterpunten.

3.2

Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grondwater)

Op basis van de NEN 5744 zijn bij de monstername van grondwater de volgende metingen uitgevoerd:  Geleidingsvermogen (EGV of Ec); bij monstername mag dit maximaal 10 % afwijken van de voorlaatste meting;  Indien het geleidingsvermogen (zie bovenstaand) constant is, is een NTU-waarde (troebelheid) van 0 tot 10 gewenst. Indien hier niet aan wordt voldaan moet bij de beoordeling van de analyseresultaten worden bekeken of dit van invloed is;  De zuurgraad (pH) wordt eveneens beoordeeld, de NEN5744 heeft hier echter geen normen of eisen aan verbonden.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 12 van 23

In tabel 3.1 zijn de resultaten van de bij de monstername in het veld uitgevoerde grondwatermetingen weergegeven. Tabel 3.1 Resultaten grondwaterbemonstering NEN 5744

Grondwaterbemonstering peilbuis 1 Voorlaatste meting Geleidingsvermogen 1,06 (µS/cm) -

Laatste meting Zuurgraad 6,6 (pH) Geleidingsvermogen 1,07 (µS/cm) Troebelheid 19,3 (ntu)

Beoordeling NVT Voldoet Troebel

Grondwaterbemonstering peilbuis 2 Voorlaatste meting Geleidingsvermogen 0,65 (µS/cm) -

Laatste meting Zuurgraad 6,8 (pH) Geleidingsvermogen 0,63 (µS/cm) Troebelheid 35,2 (ntu)

Beoordeling NVT Voldoet Troebel

Op basis van tabel 3.1 blijken het geleidingsvermogen en zuurstofgehalte voldoende constant te zijn om over te gaan tot bemonstering. Het grondwater is echter beschouwd als troebel, bij de beoordeling van de analyses dient te worden vastgesteld of dit van invloed is geweest op het resultaat.

3.3

Bodemopbouw

De bodemopbouw van de locatie is samengevat in tabel 3.2. Tabel 3.2 Bodemopbouw onderzoekslocatie

Diepte (m-mv)

Omschrijving

0,0

- 0,5

0,5

- 1,0

1,0 1,5 2,0

- 1,5 - 2,0 - 3,0 3,0

Klei, sterk zandig, zwak humeus. Mp. 3 en 28; zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus. Klei, zwak tot sterk zandig, plaatselijk matig roesthoudend. Mp. 3 zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus. Klei, zwak tot sterk zandig. Mp. 4 zand, matig fijn, zwak siltig. Klei, zwak zandig. Mp. 4 klei, sterk zandig. Klei, zwak zandig. Diepst verkende bodemlaag

Het grondwaterniveau is tijdens de monstername van het grondwater van peilbuis 1 is vastgesteld op een diepte van 0,9 m-mv. Het grondwater van peilbuis 2 is vastgesteld op een diepte van 0,95 m-mv.

3.4

Zintuiglijke waarnemingen

Het terrein en het opgeboorde materiaal zijn in het veld zintuiglijk beoordeeld op bijzonderheden. Er zijn geen voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen.

3.5

Afwijkingen protocollen

Er zijn bij de uitvoering van het onderzoek geen relevante afwijkingen ten opzichte van de geldende SIKB protocollen 2001 en 2002 naar voren gekomen. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 13 van 23

3.6

Afwijkingen strategie(ën)

Er zijn bij de uitvoering van het onderzoek geen relevante afwijkingen ten opzichte van de NEN 5740:2009/A1: 2016 naar voren gekomen.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 14 van 23

4. ANALYSERESULTATEN EN BESPREKING (CHEMISCH ONDERZOEK) Na bemonstering van grond en grondwater zijn de monsters gekoeld opgeslagen, en ter analyse aangeboden aan het laboratorium. Alle geanalyseerde monsters zijn in het laboratorium voorbehandeld conform de eisen, opgesteld in het AS 3000 (Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek).

4.1

Analysemonsters

In tabel 4.1 zijn de geanalyseerd grond- en grondwatermonsters weergegeven. Tabel 4.1 Analysemonsters grond en grondwater

Motivatie

Analyse

Mp. 25 t/m 27

Diepte (m-mv) 0,0 – 0,5

Bovengrond

Mp. 1

0,5 – 2,0

Ondergrond

Mp. 3, 9, 11 en 24

0,0 – 0,5

Bovengrond

Minerale olie, organische stof en lutum Minerale olie, organische stof en lutum Standaardpakket bodem

Mp. 6, 8, 10 en 12

0,0 – 0,5

Bovengrond

Standaardpakket bodem

Mp. 7, 14, 22 en 23

0,0 – 0,5

Bovengrond

Standaardpakket bodem

Mp. 16 t/m 19

0,0 – 0,5

Bovengrond

Standaardpakket bodem

Deellocatie

Grondmonster

A, voormalige bovengrondse tank B, voormalige ondergrondse tank C, Overig terrein

Deellocatie

Grondwatermonster

B

Pb. 1

Filterstelling Motivatie (m-mv) 1,0 – 2,0 Grondwater

C

Pb. 2

1,0 – 2,0

Grondwater

Analyse Standaardpakket grondwater Standaardpakket grondwater

Het analysepakket “standaardpakket bodem” genoemd in tabel 4.1 bestaat uit de paramaters droge stof, lutum en organische stof, zware metalen (barium, cadmium, kwik, kobalt, koper, molybdeen, nikkel, lood en zink), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie GC (C10-C40). Het analysepakket “standaardpakket water” bestaat uit de paramaters zware metalen (barium, cadmium, kwik, kobalt, koper, molybdeen, nikkel, lood en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXN), vluchtige organische chloorhoudende oplosmiddelen (VoCl) en minerale olie GC (C10-C40). De zuurgraad (pH) en geleidbaarheid (EGV) zijn in het veld bepaald bij monsterneming.

4.2

Afwijkingen laboratoriumwerkzaamheden

4.3

Toetsing analyseresultaten

Er zijn geen afwijkingen naar voren gekomen bij de uitvoering van de laboratoriumwerkzaamheden ten opzichte van de AS 3000 en/of analysemethoden van de individuele parameters.

De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa), waarbij de toetsmodules T12 en T13 zijn gehanteerd. Bij de interpretatie van de analyseresultaten is gebruik gemaakt van de toetsingstabel uit de Circulaire bodemsanering 2013. Hierin zijn voor de meeste gangbare parameters verwaarloosbare risiconiveaus (achtergrondwaarden, en voor grondwater streefwaarden) en maximaal toelaatbare risiconiveaus (interventiewaarden) weergegeven. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Leemringweg 22 te Kraggenburg (kenmerk: 200318)

Pagina 15 van 23

Deze verwaarloosbare en maximaal toelaatbare risiconiveaus (Achtergrond- of Streefwaarden, respectievelijk Interventiewaarden) zijn berekend met behulp van onder meer (eco)toxicologische gegevens, en hebben betrekking op de vastgestelde Nederlandse Standaardbodem, met een organische stofgehalte van 10% en een lutumgehalte van 25 %. De toetsing van gehalten aan onder andere PAK, minerale olie en zware metalen in grond is afhankelijk gesteld van de gemeten organische stof- en/of lutumgehalten, die meestal afwijken van de gehalten in de vastgestelde Standaardbodem. Bij de BoToVa-toetsing wordt daarom, per stof, het gemeten gehalte omgerekend naar een gestandaardiseerd gehalte. Deze gestandaardiseerde gehalten worden vervolgens getoetst aan de standaard toetsingswaarden, die in bijlage 5 zijn weergegeven. De getoetste analyseresultaten van de grond en het grondwater zijn weergegeven in de tabellen in de navolgende paragrafen. Onder de tabellen wordt de interpretatie van de toets-uitslag besproken. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. De betekenis van de toetsingswaarden en de wijze van weergave staan vermeld in tabel 4.2. Tabel 4.2 Betekenis van de toetsingswaarden

Weergave tabellen

Concentratieniveau

Betekenis

≤ AW-waarde of S-waarde (of < detectiegrens) > AW-waarde of S-waarde

Geen verhoging t.o.v. achtergrondwaarde of streefwaarde gemeten Lichte verhoging gemeten

> I-waarde

Sterke verhoging gemeten

Weergave bijlage 5 * ***

Verhoogde rapportagegrens (meetwaarde is vermenigvuldigd met factor 0,7)

(v)

Tabel 4.2 is de legenda voor de interpretatie van de geanalyseerde grond- en grondwatermonsters, zoals weergegeven in tabellen 4.3 en 4.4.

4.4

Milieuhygiënische kwaliteit grond

In tabel 4.3 zijn de geanalyseerde grondmonsters met toetsing conform tabel 4.2 weergegeven. Tabel 4.3 Geanalyseerde grondmonsters met toetsing

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1752/documents/25125