3.1.2 Ruimtelijke onderbouwing aanpassing-verdieping vaarweg Enkhuizen - Lemmer.pdf
Tekst van het document
4.8
Effecten op vis
De soorten aalscholver, visdief, fuut, nonnetje, grote zaagbek, dwergmeeuw, reuzenstem en zwarte stern zijn afhankelijk van de visstand in het IJsselmeer. 4.8.1
Verstoring van vissen
Door de vaarbewegingen en de zandwinning kunnen vissen uit de nabijheid van de activiteit vluchten. Hierdoor is er in de nabijheid van de activiteit (tijdelijk) minder voedsel voor de vogels aanwezig. Zoals in 4.7.1 staat beschreven is er echter door de verstoring van de reguliere scheepvaart, geen optimaal leefgebied aanwezig. De activiteit vindt daarom niet plaats in een voor vogels belangrijk voedselgebied. Verstoring van vissen zal daarom niet tot een (cumulatief) effect op de instandhoudingsdoelstellingen leiden. 4.8.2 Effecten op visstand door verandering in nutriëntengehalte Door omwoeling van de waterbodem en de ‘overflow’ van fijn sediment kunnen nutriënten vrijkomen in het oppervlaktewater. Wanneer de nutriëntconcentraties te hoog worden profiteren algen waarbij (blauw)algenbloei en vermindering van het doorzicht kan ontstaan, zeker in de zomer. Voor een andere zandwinlocatie (Traject De Oever-Urk) is door TAUW een Immissietoets uitgevoerd (TAUW, 2020), waarin berekend is welke eindconcentratie van totaal fosfaat en totaal stikstof ontstaat door ‘overflow’. Daaruit bleek dat de eindconcentratie van zowel TN als TP niet veranderde door ‘overflow’ (geen verschil berekend tot detailniveau van pg^/1.000 mg). De Immissietoets is een goede referentie voor dit project, omdat het om vergelijkbare achtergrondconcentraties en lozingsconcentraties gaat.
Het is uit te sluiten dat er door zandwinning verhoogde nutriëntenconcentraties meetbaar zijn in het IJsselmeer. Er is daarom ook geen effect op de visstand. Een (cumulatief) effect op de instandhoudingsdoelstellingen is uitgesloten. 4.8.3 Effecten op vissen door stratificatie Door stratificatie, waarbij verschillende waterlagen ontstaan waaronder een zuurstofloze laag, kan sterfte van vis optreden. Omdat het plangebied is gelegen in open, relatief ondiep en veel bevaren
20/29
ŴTAUW Kenmerk
R006-1282567AI H-V05-kzo-NL
water zal stratificatie echter niet optreden. Dit wordt ook door de turbulentie in het open water van het Ijsselmeer door wind en stromingen voorkomen. Geconcludeerd kan worden dat het proces van stratificatie niet zal optreden, een effect op de visstand treedt niet op. Een (cumulatief) effect op de instandhoudingsdoelstellingen is uitgesloten. 4.8.4 Effecten op vissen of visetende vogels door vertroebeling Het in contact komen met de bodem (opzuigen van zand) brengt opwoeling met zich mee. In geval van een slibrijke bodem zal dit meer zijn dan in geval van een zandbodem. Hoe kleiner de deeltjes, hoe meer deze opdwarrelen en hoe langer ze blijven zweven. In een eerder opgestelde MER voor zandwinning in het IJsselmeer (Antea, 2017) is vastgesteld (op basis van boorstaten) dat het IJsselmeer weinig leem, silt of organisch materiaal in de bodem heeft. In het algemeen bestaan de kleinere bodemdeeltjes (c125 pm) uit leem, silt of organisch materiaal, maar in het IJsselmeer bestaat het bodemmateriaal al vanaf circa 30 pm uit uiterst fijn zand. Dit materiaal zal snel bezinken, door de hoekige vorm van het zand. Uit de boorstaten is gebleken dat de bodem voor slechts circa 2,5 Vo uit materiaal fijner dan 30 pm bestaat, dat tot vertroebeling kan leiden. In de MER (Antea, 2017) wordt geconcludeerd dat er slechts weinig materiaal vrijkomt bij de winning dat tot vertroebeling kan leiden.
De CommissieMER heeft deze redenatie als aannemelijk beschouwd (CommissieMER, 2015). Ook in andere bronnen is te vinden dat zand dat opwervelt, redelijk snel uitzakt (30 minuten tot 1,5 uur) en de vertroebeling beperkt blijft tot een plaatselijke verstoring (www.bodemrichtliin.nl). Specifiek voor dit project geldt dat de aantasting van de bodem beperkt is, omdat zand direct gewonnen wordt en niet eerst omgeput. Bovendien is de maximale werkduur op één locatie enkele uren per dag en door de rusttijden tussendoor, in de nacht en weekenden, is de vertroebeling tijdelijk te noemen (enkele uren). Zelfs in een worst-case scenario van fulltime winning overdag, is rust in de nacht voldoende om opgewerveld zand volledig uit te laten zakken en continue vertroebeling treedt niet op. Het grootste deel van de vertroebeling wordt echter niet veroorzaakt door opwoeling, maar door de ‘overflow’ waarbij de fijnste zand-Zslibfractie samen met het water de beunbak uitstroomt en neerdaalt naar de bodem. De diepgang van het schip bepaalt op welke diepte de overflow plaatsvindt. Als het schip niet geladen is, is dit op circa 2 meter diepte. Als het schip volledig geladen is, vindt overflow plaats op 3,5 tot 4 meter diepte. Zoals hierboven beschreven zal de sedimentatiesnelheid relatief snel zijn, omdat ook de fijnste fractie voornamelijk uit hoekige zanddeeltjes bestaat.
Er zijn weinig meetgegevens of onderzoeken naar de duur en verspreiding van vertroebeling door zandwinning of door baggeren. Ook in de eerder benoemde MER (Antea, 2017) is bij Rijkswaterstaat navraag gedaan of er informatie beschikbaar is over de mate van opwerveling bij zandwinning. Rijkswaterstaat gaf aan dat hier geen rekenmodellen of kentallen voor beschikbaar zijn. In een oud onderzoek naar effecten van vertroebeling bij baggerstort (Rijkswaterstaat Directie Noord-Holland, 1999) wordt aangegeven: ‘Voorde bepaling van de mate van verspreiding van slib bij storten van baggerspecie in open water zijn er zowel in Nederland als in het buitenland vele praktijkproeven gedaan. Algemeen beeld is dat onder rustige hydrodynamische condities de verhoging van de zwevend stofgehaltes ten gevolge van het storten beperkt blijft tot een gebied van geringe omvang en laagdikte. Bovendien is de verhoging van het zwevend stofgehalte onder dergelijke condities in de regel van beperkte duur: binnen een
21/29
ŴTAUW Kenmerk
R006-1282567AI H-V05-kzo-NL
termijn van enkele uren is het gesuspendeerde materiaal alsnog nagenoeg volledig bezonken’. In het rapport wordt voor meerdere storttechnieken (zowel hoog in de waterkolom als vlak bij de bodem) een verspreidingsafstand tot ongeveer 70 meter van de stortlocatie genoemd. Dit is als worst-case te beschouwen omdat bij deze referentie (bij baggerstort) méér materiaal in de waterkolom wordt gebracht dan via overflow bij zandwinning. Ook geldt dat bagger beduidend meer fijnere delen (zoals organische stof, veen, slib en klei) bevat dan het in dit geval (zandwinning) te winnen zand. Echter, bij hogere en langdurige windsnelheden en stroming kan de verspreiding van vertroebelingspluimen verder dan 70 meter reiken. Dit blijkt ook uit foto’s van inspectievluchten boven het areaal van RWS MN. Omdat er geen zand gewonnen wordt op het IJsselmeer bij een windkracht zeven of hoger en omdat de overflow altijd op een diepte van ten minste 2 meter plaats vindt zijn dergelijke ruime vertroebelingspluimen in dit geval niet aannemelijk. Een voorbeeld dat iets over de duur van vertroebeling laat zien, zijn baggerwerkzaamheden in het Noordzeekanaal (RIZA, 2005). De grootste vertroebeling (tot circa 250 mg/l zwevende stof) werd hier veroorzaakt door de overflow van water uit de boot bij belading.
Deze vertroebeling was binnen enkele uren na het beëindigen van de baggerwerkzaamheden weer afgenomen tot het normale gehalte zwevend stof van minder dan 20 mg/l. De effecten van vertroebeling zijn eerder beoordeeld in de MER Zand Boven Water (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1991 en 1993). In deze MER is geconcludeerd dat een tijdelijk verminderd doorzicht door vertroebeling niet leidt tot milieueffecten op waterkwaliteit (flora en fauna). Er is specifiek gekeken naar samenstelling van algen, voorkomen van bodemfauna (macrofauna) en effecten op vis: de biologische kwaliteitselementen waarvoor doelen zijn gesteld binnen de KRW. Er is geen reden om aan te nemen dat de effecten op dit moment anders zouden zijn dan ten tijde van het opstellen van de MER Zand Boven Water. Op basis van bovenstaande is het aannemelijk dat de effecten van het zandwinproces ten aanzien van vertroebeling beperkt zijn in tijd en ruimte. Een effect op de visstand van het IJsselmeer is daardoor uitgesloten. Visetende vogels worden mogelijk door de vertroebeling gehinderd in het vangen van vis. Deze verstoring is echter tijdelijk en plaatselijk en vindt voor een groot deel plaats in niet optimaal leefgebied voor visetende soorten. Een (cumulatief) effect op de instandhoudingsdoelstellingen is uitgesloten.
4.9
Effecten op mosselen
De soorten tafeleend, kuifeend, topper, brilduiker en meerkoet zijn afhankelijk van de mosselen in het IJsselmeer. In het Natura 2000-beheerplan is in een toetsingskader voor zandwinning een kaart opgenomen waaruit blijkt dat de activiteit plaatsvindt in een gebied die van belang kan zijn voor deze soorten door de aanwezigheid van (bereikbare) mosselbanken. Deze kaart staat in figuur 3.1 opgenomen. Zoals in het beheerplan staat beschreven zijn alleen mosselbanken op een diepte tot 5 meter van belang omdat dieper gelegen mosselbanken energetisch niet interessant zijn voor deze vogelsoorten. Uit figuur 4.1 blijkt dat het zandwinnen maar voor ongeveer de helft in water ondieper dan 5 meter plaatsvindt. De overige helft is voor deze soorten vogels niet van
22/29
ŴTAUW Kenmerk
R006-1282567AI H-V05-kzo-NL
belang. Daarnaast vindt de zandwinning plaats in een deel van het IJsselmeer dat gelet op de regulier scheepvaart niet van belang is voor de relevante soorten. Door de aanwezige scheepvaart en de verstoringsgevoeligheid van deze soorten zullen ze op afstand van de vaarroute foerageren. Er is geen sprake in een verandering in nutriëntengehalte (zie 4.8.2) in het IJsselmeer en daarmee geen effect op de mosselstand. Effecten door vertroebeling zijn plaatselijk en tijdelijk (zie 4.8.4) dit kan mogelijk leiden tot een plaatselijke bedekking van mosselbanken met slib. Dit zal echter in de nabijheid van de vaarroute optreden, deze is niet van belang als foerageergebied voor vogels. Gelet op het plaatselijke effect van de vertroebeling en slibopwerveling is er ook geen effect op de mosselstand in zijn geheel in het IJsselmeer. Gelet op het voorgaande is een (cumulatief) effect op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten.
| -3m tot -5m a -1 m tot -3m +1 m tot -1 m
'
N l
®-TAUW |
Esri Nederland. Community Map Contributors^
Figuur 4.1 Waterdiepte in traject zandwinning
4.10
Conclusie Passende beoordeling
De zandwinning leidt niet tot een cumulatief negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Mitigerende maatregelen zijn niet nodig. Er is evenmin sprake van een noodzaak tot compensatie of het doorlopen van een ADC-toets.
4.11
Aanvullende toetsing Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het IJsselmeer en daarmee het plangebied maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN is door het Rijk juridisch geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Via het Barro werkt het rijksbeleid door naar de ruimtelijke verordeningen van de provincies. De provincies zijn verantwoordelijk voor het NNN op land. Grote
23/29
ŴTAUW Kenmerk
R006-1282567AI H-V05-kzo-NL
wateren als het IJsselmeer behoren ook tot het NNN, hiervoor is niet de provincie meer het Rijk verantwoordelijk. Voor grote wateren als het IJsselmeer zijn er in het kader van het NNN geen doelen aangewezen. Dit blijkt uit de toelichting bij de artikelen 2.10.1 en 2.10.2. van het Barro: “De wateren, genoemd in artikel 2.10.1, derde lid, maken ingevolge de SVIR wel onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur (tegenwoordig NNN, opm. TAUW). Op deze wateren is het planologisch beschermingsregime uit dit besluit echter niet van toepassing. Het betreffen onder meer de Noordzee, de Waddenzee, de Eems, de Dollard, het IJsselmeergebied, de Deltawateren en de grote rivieren." Hoewel er geen doelen zijn aangewezen voor het IJsselmeer als onderdeel van het NNN, zijn effecten evengoed uitgesloten. Uit toetsing in het kader van Natura 2000 (voorgaande alinea’s) en Wnb soortenbescherming (hoofdstuk 5), blijkt namelijk dat er geen blijvende effecten optreden op de natuurwaarden het IJsselmeergebied.
24/29
ŴTAUW Kenmerk
R006-1282567AI H-V05-kzo-NL
5 Wnb soortenbescherming 5.1
Beschermingsregime en bepalingen
Het onderdeel soortenbescherming onder de Wnb heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: » Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de Europese Vogelrichtlijn; de bescherming is geregeld in artikel 3.1 van de Wnb » Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn beschermd via de
»
Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; de bescherming is geregeld in artikel 3.5 van de Wnb Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd; de bescherming is geregeld in artikel 3.10 van de Wnb
Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Hier is ook een beschrijving opgenomen onder welke voorwaarden een bevoegd gezag ontheffing of vrijstelling kan verlenen. Tabel 5.1 is een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Friesland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.
5.2
Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren onder de categorie ‘Nationale soorten’, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn, landelijk vrijgesteld. Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Provinciale Staten van de provincie Friesland hebben bij verordening deze soorten vrijgesteld. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.
25/29
ŴTAUW Kenmerk
R006-1282567AI H-V05-kzo-NL
Tabel 5.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb
Verbodsbepaling
A
B
C
D
E
Vogels Vrl
Dieren Hrľ
Planten
Dieren
Planten
Hrľ
(‘nationaal’)
(‘nationaal’)
Bonn/Bern
Bonn/Bern Dieren of planten: Doden of vangen Storen/verstoren
3.1.1
3.5.1
3.1.4
3.5.2
3.10.1.a
(tenzij 3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,
3.5.5
3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen
3.1.2
nesten Beschadigen of vernielen
3.5.4
voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen
3.10.1.b (vaste vp)
3.1.2
3.5.4
3.10.1.b (vaste rp)
Eieren: Vernielen (of-Vrl- beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
Toelichting: Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming. Oranje
verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet. verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet.
5.3
Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is overal van toepassing, ook buiten beschermde gebieden.
26/29
ŴTAUW Kenmerk
5.4
R006-1282567AI H-V05-kzo-NL
Relevante soorten
Gelet op de ligging van het plangebied in open water midden in het IJsselmeer is het voorkomen van de volgende beschermde soortgroepen op voorhand uitgesloten: planten, amfibieën, reptielen, ongewervelden. Voor vogels zijn er in het plangebied geen broedlocaties of vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig. Een overtreding van de Wnb met betrekking tot vogels is daarom op voorhand uitgesloten. Vogels blijven verder buiten beschouwing. Van de zoogdieren zijn vleermuizen van belang die kunnen boven het water foerageren. Otter komt voor in het IJsselmeer, maar deze soort is gebonden aan de oevers. De vaarroute op open water heeft voor otter geen betekenis. Voor zoogdieren worden daarom alleen de effecten naar vleermuizen nader onderzocht. Van de beschermde vissoorten komt in het IJsselmeer de houting en kwabaal voor. Samengevat is een toetsing nodig voor: » Vleermuizen » Vissen
5.5
Vleermuizen
Vleermuizen zijn beschermd via artikel 3.5. hierdoor is er niet alleen een verbod op aantasting van verblijfplaatsen maar ook op verstoring. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, andere bouwwerken of in bomen. Deze zijn niet aanwezig op het open water van het IJsselmeer. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. In het plangebied zijn geen lijnvormige elementen aanwezig, effecten op vliegroutes zijn daarom ook uitgesloten. Het open water is wel foerageergebied voor de meervleermuis. Voor de overige soorten is het open onbeschutte centrale deel IJsselmeer geen geschikt foerageergebied, deze soorten foerageren met name aan oevers, boven kleine wateren of boven land. Kortom alleen de effecten op het foerageergebied van meervleermuis zijn van belang. Effecten op foerageergebied vleermuizen De actieve periode van vleermuizen loopt globaal van half maart tot half november. Volgens de plannen wordt er dagelijks gewerkt tussen acht uur in de ochtend tot tien uur in de avond. Dit betekent dat er gedurende een deel van het jaar werkzaamheden plaatsvinden in het donker. Daardoor worden foeragerende vleermuizen mogelijk verstoord door bij de werkzaamheden gebruikt licht.
Omdat lichtsterkte snel afneemt over afstand (kwadratisch) is slechts sprake van een plaatselijk effect. Gelet op het grote IJsselmeer is een dergelijk plaatselijke verlichting verwaarloosbaar. Boven het centrale deel van het IJsselmeer zijn bovendien minder insecten aanwezig dan aan de oevers. Gelet hierop is er een plaatselijke verstoring in niet optimaal
27/29
ŴTAUW Kenmerk
R006-1282567AI H-V05-kzo-NL
foerageergebied. Gelet hierop zijn effecten op vleermuizen uitgesloten. Maatregelen of een ontheffing zijn niet nodig.
5.6
Vissen
In het IJsselmeer komen de beschermde vissoorten houting en kwabaal voor. De kwabaal is beschermd via artikel 3.10, voor deze soort geldt een verbod op aantasting van verblijfplaatsen en daarvoor essentiële onderdelen van het leefgebied. Houting is beschermd via artikel 3.5 voor deze soort geldt daarom tevens een verbod op verstoring. Beide soorten kunnen voorkomen in de centrale en diepere delen van het IJsselmeer. De activiteiten vinden echter plaats in een relatief zeer klein oppervlak van dit grote meer. De zandwinlocaties hebben ten opzichte van de rest van het meer geen specifieke betekenis voor deze soorten. Een verstoring van een individu is niet uitgesloten. Er is echter voldoende onverstoord vergelijkbaar leefgebied aanwezig. Na afronding van de werkzaamheden is er in gelijke mate geschikt leefgebied voor deze soorten aanwezig. De soorten kunnen daarom uitwijken en er zal geen blijvend effect optreden op het individu, populatie, verblijfplaatsen of leefgebied. Maatregelen of een ontheffing zijn niet nodig.
5.7
Conclusie Wnb soortenbescherming
De Wnb onderdeel soortenbescherming wordt niet overtreden. Maatregelen of een ontheffing zijn niet nodig.
28/29
ŴTAUW Kenmerk
R006-1282567AI H-V05-kzo-NL
6 Literatuur »
Beason, R.C. 2004. What can birds hear? USDA NWRC Staff publications. University of Nebraska
»
CommissieMER, 2015. Zandwinning Ijsselmeer - Toetsingsadvies over het milieueffectrapport en de aanvulling daarop. 25 november 2015. Projectnummer 3062
»
Dorenbosch, M ã I. Hille Rís Lambers, 2016. Effecten van de ontwikkeling van een WarmteKoude Opslag op mosselbanken en watervogels nabij IJburg. Notitie Bureau Waardenburg 16-611
»
Fliessbach KL, Borkenhagen K, Guse N, Markones N, Schwemmer P and Garthe S (2019) A Ship Traffic Disturbance Vulnerability Index for Northwest European Seabirds as a Tool for Marine Spatial Planning. Front. Mar. Sci. 6:192. doi: 10.3389Zfmars.2019.00192
»
Krijgsveld, Karen ã Smits, Ralph ã van der Winden, Jan. (2008). Verstoringsgevoeligheid van vogels. Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie
»
Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1991. ‘Zand Boven Water’. Deel 2: Milieueffectrapport oppervlaktedelfstoffenwinning wateren IJsselmeergebied 1991-2000. ISBN: 90-369-1090-0
»
Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1993. ‘Zand Boven Water’. Deel 3: aanvullingen op het milieueffectrapport oppervlaktedelfstoffenwinning wateren IJsselmeergebied. ISBN: 90-3691101-X
»
Rijkswaterstaat 2017. Beheerplan IJsselmeergebied 2017-2023 IJsselmeer
»
RIZA, 2005. Vertroebeling tijdens en na baggeren met sleephopperzuiger in het Noordzeekanaal. Auteurs: Kraaijenveld M. en A. Fioole. rapport 2005.006
»
TAUW, 2020. Immissietoets zandwinning IJsselmeer
29/29
ŴTAUW Kenmerk
Bijlage 6
R003-1282567LBE-V03-mdg-NL
Stikstofonderzoek
ŴTAUW
Stikstofdepositie-onderzoek zandwinning IJsselmeer 19 april 2022
ŴTAUW Kenmerk
R007-1282567IQU-V02-mdg-NL
Verantwoording Titel
Stikstofdepositie-onderzoek zandwinning Usselmeer
Opdrachtgever
De Waardt Zandhandel en Overslag
Projectleider
Bart van Genugten
Auteur(s)
Ivo Quax
Tweede lezer
Albert Brouwer
Projectnummer
1282567
Aantal pagina’s
9 (exclusief bijagen)
Datum
19 april 2022
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Rhijnspoor 209 Postbus 6 2900 AA Capelle aan den IJssel T+31 10 28 86 10 0 E info.rotterdam@tauw.com
2/9
ŴTAUW Kenmerk
R007-1282567IQU-V02-mdg-NL
ínhoud 1
Inleiding.......................................................................................................................................4
2
Wettelijk kader.............................................................................................................................5
3
Opzet onderzoek........................................................................................................................ 6
4
Uitgangspunten gebruiksfase..................................................................................................... 7
5
4.1
Zandzuigers....................................................................................................................... 7
4.2
Vaarbewegingen................................................................................................................8
Resultaten en conclusie............................................................................................................. 9
Bijlage 1
AERIUS projecteffect
3/9
ŴTAUW Kenmerk
R007-1282567IQU-V02-mdg-NL
1 Inleiding De Waardt Zandhandel en Overslag (verder: de Waardt) heeft adviesbureau TAUW gevraagd het stikstofdepositie-onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) uit te voeren voor hun geplande zandwinning in het IJsselmeer. De Waardt is voornemens om zand te gaan winnen op twee locaties in de vaargeul op het traject Enkhuizen-Lemmer. Bij werkzaamheden kunnen er bronnen zijn die stikstofoxiden (NOx) en/of ammoniak (NH3) uitstoten. De stikstofoxiden en ammoniak in de lucht komen uiteindelijk weer op de grond terecht. Dit heet stikstofdepositie. Vooral in natuurgebieden kan stikstofdepositie een probleem zijn, omdat hierdoor de bodem (te) rijk wordt aan voedingsstoffen waardoor de biodiversiteit afneemt. Wanneer blijkt dat een project meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op (naderend) overbelaste1 stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden is er sprake van een in potentie significant effect waarvoor een Wnb-vergunning moet worden aangevraagd. Figuur 1.1 toont de ligging van projectgebied en de Natura 2000-gebieden in de omgeving. De meest nabije stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten zijn gelegen op 17,4 km van het projectgebied in Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving.
Figuur 1.1 Projectlocatie en omliggende Natura 2000-gebieden (groen Z blauwZ mosterdgeel) en stikstofgevoelige habitats en leefgebieden (licht en donkerpaars)
1 Indien de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde (KDW) dan bevindt de natuur (habitats of
leefgebieden van soorten) zich in een overbelaste situatie.
4/9
ŴTAUW Kenmerk
R007-1282567IQU-V02-mdg-NL
2 Wettelijk kader In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie en overbelast door een teveel aan stikstof. Het is verboden zonder vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb-vergunning) projecten te realiseren die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000gebied een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten, waarvoor dat gebied is aangewezen. Een vergunning wordt uitsluitend verleend, indien de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Daarom dient voor projecten onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een mogelijk significant effect door depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Een project dat netto meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een (naderend) overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied heeft in potentie een significant effect, waarvoor een Wnb-vergunning moet worden aangevraagd. Wanneer er sprake is van een toename in stikstofdepositie kan in een ecologische voortoets of passende beoordeling onderzocht worden of effecten daadwerkelijk op gaan treden als gevolg van het project en of deze de natuurlijke kenmerken van het gebied aantasten.
Als blijkt dat de toename in stikstofdepositie niet leidt tot aantasting van het gebied kan het project alsnog doorgang vinden.
5/9
ŴTAUW Kenmerk
R007-1282567IQU-V02-mdg-NL
3 Opzet onderzoek Voor het berekenen van de stikstofdepositie is gebruik gemaakt van de vigerende versie van het rekenmodel AERIUS Calculator, versie 2021. Er is in dit onderzoek één berekening uitgevoerd om de stikstofdepositiebijdrage van het project op de Natura 2000-gebieden in kaart te brengen, namelijk een berekening van stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de zandwinningsactiviteiten.
6/9
ŴTAUW Kenmerk
R007-1282567IQU-V02-mdg-NL
4 Uitgangspunten gebruiksfase 4.1
Zandzuigers
De Waardt zal voor de zandwinning in het IJsselmeer 2 zandzuigers gebruiken. De zandzuigers zijn uitgerust met de een categorie CCR II jet-en zandpompmotoren, met respectievelijk 224 kW en 405 kW vermogen. Motoren van emissieklasse CCR II klasse komen overeen met de STAGE UIA klasse. Verder zal er gebruik worden gemaakt van één stage V generator met een vermogen van 72 kW per schip. In het meest intensieve productiescenario wordt er 600.000 m3 zand per jaar per locatie gewonnen. Het maximum debiet van één zandzuiger is 1.000 nrVuur. Dat komt neer op 600 draaiuren per jaar per locatie. Bij gelijke verdeling is dit 300 uur per schip per jaar. De stikstofemissie van de mobiele werktuigen is bepaald met de meest recente emissiekentallen van TNO en de voorschreven rekenmethode in AERIUS.2 Tabel 4.1 Emissies van stikstofverbindingen bij het zandzuigen per locatie. Werktuig
classificatie
Vermogen
draaiuren
brandstof
AdBlue
NOx-
nh3-
(kW)
[uur/jaar]
verbruik
verbruik
vracht
vracht
riiter/jaarl
riiter/jaarl
fkg/iaarl*
fkg/jaarl*
Zandzuiger 1 224
300
7674
0
116,61
0,057555
405
300
13302
0
201,03
0,099765
Stage V
72
300
2247
0
35,205
0,0169
Scania Dl 13
224
300
7674
0
116,61
0,057555
405
300
13302
0
201,03
0,099765
72
300
2247
0
35,205
0,0169
Total
705,7
0,35
Jetpomp-
Scania Dl 13
motor 1
(CCR II)
Zandpomp-
Scania Dl 16
motor 1
(CCR II)
Generator Zandzuiger 2 Jetpompmotor 2
(CCR II)
Zandpomp-
Scania Dl 16
motor 2
(CCR II)
Generator
Stage V
De emissiehoogte bedraagt 4 meter, een representatieve hoogte voor het emissiepunt van de betreffende zandzuigers. De emissies weergegeven in tabel 4.1 zijn per zandwinlocatie. Op basis van het brandstofverbruik, AdBlueverbruik en de draaiuren berekend AERIUS de uitstoot van de zandzuigers. Per locatie wordt er 705,7 kg NOx en 0,35 kg NH3 per jaar uitgestoten. Dat is in totaal dus 1411,4 kg NOx en 0,7 kg NH3 per jaar voor dit project.
2 Ligterink, N.E., Dellaert, S., van Mensch, P., AUB (AdBlue verbruik, Uren en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen (10 december 2021)
7/9
ŴTAUW Kenmerk
4.2
R007-1282567IQU-V02-mdg-NL
Vaarbewegingen
Uitgangspunt is dat de vaarbewegingen van de zandzuigers meegenomen worden in de berekening, totdat deze opgaan in het ‘heersend vaarbeelď. Deze werkwijze is in parallel met de werkwijze bij verkeerseffecten, waarbij verkeer wordt meegenomen in het model totdat het is ‘opgenomen in het heersend verkeersbeeld’. De instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator (BI J12, januari 2022) geeft aan dat voor projecten de verkeersgeneratie meegenomen dient te worden totdat het verkeer is opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. In de regel wordt de verkeersgeneratie meegenomen tot aan het doorgaande wegennet. Met het doorgaande wegennet worden stadsontsluitingswegen, gebiedsontsluitingswegen, autowegen, autosnelwegen en vaarwegen bedoeld. De zandzuigers bewegen niet tijdens het opzuigen van het zand. Het gewonnen zand wordt afgevoerd door de zandzuigers zelf. Het laadvermogen van een zandzuiger is ongeveer 1.000 m3. De afvoer van het zand gebeurt zodra het schip volgeladen is. Het zand wordt vervoerd naar verscheidene afnemers. Er varen 600.000 1 1.000 = 600 schepen per jaar per locatie. Dit zijn 1.200 vaarbewegingen per locatie per jaar.
De vaarbewegingen zijn in AERIUS gelijk verdeeld over de vaargeul in noordoostelijk en zuidwestelijke richting. Omdat de zandwinning plaatsvindt in de vaargeul Enkhuizen-Lemmer, gaan deze verkeersbeweging op in het heersende vaarbeeld zodra ze schepen hun kruissnelheid hebben bereikt. Dit gebeurt na 1.000 m. De vaarbewegingen zijn dus op beide locaties in beide richtingen 1.000 m meegenomen in de AERIUS-berekening.
8/9
ŴTAUW Kenmerk
R007-1282567IQU-V02-mdg-NL
5 Resultaten en conclusie De bijdrage aan de stikstofdepositie van het project Zandwinning IJsselmeer is berekend met de vigerende versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator (versie 2021). In de bijlage worden de AERIUS pdf uitvoerbestanden gegeven. Deze pdf uitvoerbestanden zijn tevens als losse bestanden bij de rapportage bijgeleverd. AERIUS Calculator berekent voor de activiteiten een maximale stikstofdepositiebijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden van 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er vanwege het project geen negatieve effecten te verwachten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het project. Er is daarmee voor het aspect stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht voor het project in het kader van de Wet natuurbescherming.
9/9
ŴTAUW Kenmerk
Bijlage 1
R007-1282567IQU-V02-mdg-NL
AERIUS projecteffect
Projectberekening AERIUS' CALCULATOR
Dit document geeft een overzicht van de invoeren rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
"
Overzicht
" Samenvatting situaties "
Resultaten
"
Détailgegevens per emissiebron
Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www. aerius. nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening AERIUS' CALCULATOR
Contactgegevens Rechtspersoon
De Waardt Zandhandel en Overslag
Inrichtingslocatie
Divers, Divers Divers
Activiteit Omschrijving
Zandwinning Ijsselmeer
Toelichting
Zandwinning Ijsselmeer vaargeul Enkhuizen-Lemmer
Berekening AERIUS kenmerk
RcUde9V5nimX
Datum berekening
14 april 2022,13:35
Rekenconfiguratie
Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH3
Emissie NOx
Situatie 1 - Beoogd
2022
1,8 kg/j
1.553,3 kg/j
Resultaten
Hoogste depositie Hexagon
Gebied
Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha)
0,00 ha
Gekarteerd oppervlak met afname (ha)
0,00 ha
Grootste toename van depositie
0,00 mol/ha/j
Grootste afname van depositie
0,00 mol/ha/j
RcUde9V5nimX (14 april 2022)
2/8
Projectberekening AERIUS CALCULATOR
Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2022
Emissiebronnen
O
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrieën Delfstoffenwinning Zandzuiglocatie 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrieën Delfstoffenwinning Zandzuiglocatie 2
Emissie
Emissie
NH3
NOx
0,9 kg/j 712,4 kg/j
0,9 kg/j 712,4 kg/j
Scheepvaart | Binnenvaart: Vaarroute | Vrachtschepen
-
32,2 kg/j
Scheepvaart | Binnenvaart: Vaarroute | Vrachtschepen
-
32,1 kg/j
Scheepvaart | Binnenvaart: Vaarroute | Vrachtschepen
-
32,1 kg/j
Scheepvaart | Binnenvaart: Vaarroute | Vrachtschepen
-
32,1 kg/j
RcUde9V5nimX (14 april 2022)
3/8
Projectberekening AERIUS CALCULATOR
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn
Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
f f 9
Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie
De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie.
RcUde9V5nimX (14 april 2022)
4/8
Projectberekening AERIUS CALCULATOR
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie
Berekend (ha
Hoogste totale Met toename
gekarteerd)
depositie (mol/ha/jr)
Totaal
RcUde9V5nimX (14 april 2022)
0,00
0,00
Grootste
(ha gekarteerd) toename
Met afname (ha Grootste gekarteerd)
(mol/ha/jr)
0,00
0,00
afname (mol/ha/jr)
0,00
0,00
5/8
Projectberekening AERIUS CALCULATOR
Situatie 1, Rekenjaar2022 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrieën Delfstoffenwinning Naam
Zandzuiglocatie 1
NOx
712,4 kg/j
Locatie
155526,528602
NH3
0,9 kg/j'
Naam
Stageklasse
Brandstofverbruik Draaiuren AdBlue
Stof Emissie
verbruik Zandzuiger Stage-IIIA,2006-2010,75-560 kW,diesel, 1
SCR: nee
20976 l/j
NOx
300 u/j
NH3 Zandzuiger Stage-IIIA,2006-2010,75-560 kW,diesel, 2
SCR: nee
20976 l/j
NOx
300 u/j
NH3
Generator
Stage-V, ^ 2019,56-75 kW, diesel, SCR: ja
2382 l/j
300 u/j
0 l/j
NOx
NH3
316,1 kg/j
0,2 kg/j 316.1 kg/j
0,2 kg/j 80.1 kg/j
0,6 kg/j
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrieën Delfstoffenwinning Naam
Zandzuiglocatie 2
NOx
712,4 kg/j
Locatie
162360,530320
NH3
0,9 kg/j
Naam
Stageklasse
Brandstofverbruik Draaiuren AdBlue
Stof Emissie
verbruik Zandzuiger Stage-IIIA,2006-2010,75-560 kW,diesel, 1
SCR: nee
20976 l/j
NOx
300 u/j
NH3 Zandzuiger Stage-IIIA,2006-2010,75-560 kW,diesel, 2
SCR: nee
20976 l/j
NOx
300 u/j
NH3
Generator
Stage-V, « 2019,56-75 kW, diesel, SCR: ja
2382 l/j
300 u/j
0 l/j
NOx
NH3
RcUde9V5nimX (14 april 2022)
316,1 kg/j
0,2 kg/j 316.1 kg/j
0,2 kg/j 80.1 kg/j
0,6 kg/j
6/8
Projectberekening AERIUS CALCULATOR
Scheepvaart! Binnenvaart:Vaarroute Naam
Vrachtschepen
Beschrijving
Vaarwater
CEMTJI
VanAnaarB
Irrelevant
Type
NOx
Van A naar Vo B
„ . Motorvrachtschip-M2 Beunschepen , (Kempenaar)
Van B naar Vo
Beladen A
300
300
007o
p/jaar
32,2 kg/j
p/jaar
Stof
NOx
Oo/o
NH3
O
Vrachtschepen
Vaarwater
CEMTJI
VanAnaarB
Irrelevant
Beschrijving Type
NOx
VanA naar ū/o B
„ Motorvrachtschip-M2 Beunschip , (Kempenaar)
kg/j 0,0 kg/j
Van Bnaar ū/o
Beladen A
300 p/jaar
007o
32,1 kg/j
300 p/jaar
Stof
Emissie
Beladen
NOx
Oo/o
NH3
32,1 kg/j 0,0 kg/j
Scheepvaart | Binnenvaart: Vaarroute
Naam
Vrachtschepen
Vaarwater VanAnaarB
Beschrijving Type
CEMTJI
NOx
VanA naar ū/o
„ Motorvrachtschip-M2 Beunschip , (Kempenaar)
32,1 kg/j
Irrelevant
B
Van Bnaar ū/o
Beladen A
300 p/jaar
007o
300 p/jaar
Stof
Emissie
Beladen
NOx
Oo/o
NH3
O
32,2
Scheepvaart | Binnenvaart: Vaarroute
Naam
O
Emissie
Beladen
32,1 kg/j 0,0 kg/j
Scheepvaart | Binnenvaart: Vaarroute
Naam
Vrachtschepen
Vaarwater VanAnaarB
Beschrijving Type
CEMTJI
VanA naar ū/o B
„ Motorvrachtschip-M2 Beunschip , (Kempenaar)
NOx
32,1 kg/j
Irrelevant
300 p/jaar
Van Bnaar ū/o
Beladen A 007o
300 p/jaar
Stof
007o
NOx
NH3
RcUde9V5nimX (14 april 2022)
Emissie
Beladen
32,1 kg/j
0,0 kg/j
7/8
Projectberekening AERIUS' CALCULATOR
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de Ínhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie
2021.0.5J20220328.855771c674
Database versie
2021.0.5-855771c674
Voor meer informatie over de gebruikte methodieken data zie: https://www.aerius.nl/
RcUde9V5nimX (14 april 2022)
8/8