CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

15.1 Bestemmingsplan ‘Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat’.pdf

Commissie Woonomgeving 16 september 2024, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 15: Bestemmingsplan Rietstraat (zuid) en Zeebiestraat en Emmeloord, Rietstraat (noord)24.977 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

27

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2

Situatie plangebied

In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is onderhavig plan zeker aan te merken als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat woningen niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen. Ten aanzien van de beoogde situatie wordt opgemerkt dat deze functie niet wordt aangemerkt als gevoelige bestemming zoals opgenomen in het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.3.3

Conclusie

Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met een blauwe contour) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1:

Uitsnede Risicokaart (Bron: atlasleefomgeving.nl)

Zoals is te zien in afbeelding 5.1 zijn in de nabije omgeving van het plangebied enkel schoolinstellingen en woonverblijven aanwezig. Nadere uitwerking is wegens het ontbreken van risico’s dan ook niet aan de orde. Uit de inventarisatie blijkt verder dat de locatie: • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld •

5.4.3

niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in de kern van Emmeloord. Rondom en in het plangebied zijn naast woningen tevens diverse maatschappelijke functies, detailhandel en horeca aanwezig. Het gebied kan daarom worden aangemerkt met het omgevingstype ‘Gemengd gebied’.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake.

5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De functie wonen is aan te merken als milieugevoelige functie. In de nabijheid van het plangebied zijn diverse functies aanwezig/toegestaan. In de onderstaande tabel worden hinderveroorzakende activiteiten/functies benoemd welke liggen in de nabijheid van het plangebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het plangebied en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Functie

Categorie 1

Richtafstand gemengd gebied 0 meter

Daadwerkelijke afstand (circa) 6 meter

Bibliotheek Harmen Visserplein 5 Kapsalon Moerasandijviestraat 21 Cafetaria Moerasandijviestraat 19 Buurtsuper Moerasandijviestraat 19-A Opticien Moerasandijviestraat 15

1

0 meter

0 meter

1

0 meter

0 meter

1

0 meter

0 meter

1

0 meter

0 meter

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld Ten aanzien van de cafetaria en buurtsuper wordt opgemerkt dat voor het aspect ‘gevaar’ een richtafstand geldt van 10 meter. Deze afstand mag in de regel niet worden verkleind. Zoals ook blijkt uit paragraaf 5.4 vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Bovendien gaat het in voorliggend geval om kleinschalige functies die normaliter goed passen in een woonomgeving. Tot slot gaat het in voorliggend geval om een bestaande situatie. Aangenomen kan worden dat ter plaatse van de bestaande en toekomstige woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Overige functies in de omgeving betreffen milieucategorie 1 of 2 functies. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 10 meter. Omdat binnen een straal van 10 meter rondom de beoogde woningen dergelijke functies niet aanwezig zijn, vormen deze functies geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden omliggende bedrijven/functies niet (verder) in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd.

5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan kom 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht.

5.6.2

Situatie plangebied

Met voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Geconcludeerd wordt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder worden veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000 gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 10,2 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op minimaal 540 meter afstand ten oosten van het plangebied. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijk is tijdens de aanlegfase incidenteel geluid waarneembaar buiten het plangebied, maar dit effect is incidenteel en kortstondig en heeft geen negatief effect op het beschermd (natuur)gebied.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval is ter plaatse van het plangebied een ecologische quickscan uitgevoerd voor de te slopen woningen aan de Rietstraat en Zeebiesstraat. Aanvullend is een natuurtoets uitgevoerd voor de in het plangebied aanwezige tuinen, gemeentelijk en openbaar groen. Hierna zijn de resultaten van de onderzoeken opgenomen. Voor de volledige onderzoeken wordt verwezen naar bijlage 6, 7 en 8 van deze toelichting.

5.7.3.2 Resultaten quickscan natuurwaardenonderzoek Te slopen woningen Er komen mogelijk beschermde soorten voor in de huizen aan de Rietstraat en Zeebiesstraat. Geen van deze soorten zal een wijziging in het bestemmingsplan blokkeren. Wel vragen sommige soorten mogelijk aandacht bij de inrichting en/of uitvoering van de plannen. Er is nader onderzoek nodig naar beschermde soorten in de Rietstraat, Zeebiesstraat en omgeving. Het nader onderzoek geeft uitsluitsel over welke beschermde soorten daadwerkelijk aanwezig zijn in het gebied.

Groenstructuren Op basis van uitgevoerde natuurtoets is duidelijk dat de werkzaamheden op de korte termijn zeker effecten zullen hebben op de aanwezige flora en fauna. De effecten voor de lange termijn zijn echter onduidelijk en afhankelijk van de nieuwe inrichting (en beheer) van het plangebied. Er moet daarom een activiteitenplan worden opgesteld en een omgevingsvergunning flora en faunaactiviteiten worden aangevraagd. Daarin moet ten minste worden opgenomen: •

•

Voor de huismus moet worden gewaarborgd dat de functionele leefomgeving niet wordt verslechterd. Door het verbeteren van de kwaliteit van bestaand of het realiseren van nieuw geschikt habitat voor huismussen. Dit moet tijdig gerealiseerd zijn en moet buiten de invloedsfeer van de activiteiten plaatsvinden. De huismussen zouden kunnen meeliften op de mitigerende maatregelen voor kleine marterachtigen. De activiteiten hebben invloed op het leefgebied van in elke geval gewone dwergvleermuis en laatvlieger (en vermoedelijk ook andere soorten vleermuizen) die een verblijfplaats hebben in het studiegebied of in de nabije de omgeving. Het is afhankelijk van de nieuwe situatie wat de gevolgen van de activiteiten zijn op het leefgebied van de vleermuizen. In het activiteitenplan moet worden opgenomen hoe het leefgebied van vleermuizen kan worden behouden of gemitigeerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld •

•

Het is onbekend hoeveel verblijfplaatsen van de steenmarter zich bevinden in het studiegebied en het in kaart brengen hiervan is een flinke uitdaging. Daarom is het advies om contact op te nemen met bevoegd gezag om te overleggen hoe het beste met de steenmarter en diens verblijfplaatsen kan worden omgegaan. Voorgesteld wordt om, zonder nader onderzoek naar de aanwezigheid van de kleine marterachtigen, ervan uit te gaan dat de soorten aanwezig zijn. Dan zal een omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteiten aangevraagd moeten worden voor deze soorten. Hierin wordt in elk geval opgenomen dat het nodig is om buiten de meest kwetsbare periode voor kleine marterachtigen te werken (maart tot en met augustus) en om leefgebied weer terug te brengen in het studiegebied.

Voor broedende vogels in zijn algemeenheid geldt dat er geen omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteiten mogelijk is. Broedende vogels mogen nooit zodanig verstoord worden met de activiteiten dat hun broedsucces in gevaar komt. Een korte inspectie op nesten voorafgaand aan de werkzaamheden is dus nodig. 5.7.4

Conclusie

Omdat de functie van het plangebied voor de in paragraaf 5.7.3.2 opgenomen soorten niet uitgesloten worden op basis van de uitgevoerde ecologische quickscans is aanvullend onderzoek conform de daarvoor geldende protocollen verplicht. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Alvorens bouwwerken geheel of gedeeltelijk worden gesloopt of groenstructuren gerooid of gekapt worden dient aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten conform de daarvoor geldende protocollen te zijn uitgevoerd, mogelijke mitigerende maatregelen zijn getroffen en mogelijke ontheffingen zijn verkregen. Vorenstaande is vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.8.1.2 Situatie plangebied Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Noordoostpolder is het plangebied aangeduid als beleidscategorie WA-8 (zie afbeelding 5.2). Voor gebieden met beleidscategorie WA-8 geldt een archeologische onderzoeksplicht indien er sprake is van een project met bodemingrepen tot een oppervlakte van 10.000 m2 en een diepte van 100 centimeter.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld

Afbeelding 5.2:

Archeologische beleidskaart gemeente Noordoospolder (Bron: gemeente Noordoostpolder)

De oppervlakte van het plangebied is groter dan 10.000 m2. Echter gaat het in voorliggend geval voor het grootste gedeelte op sloop en nieuwbouw van woningen waarbij er vanuit kan/mag worden gegaan dat de bodem reeds is geroerd. Daar waar nieuwe bodemroerende activiteiten zullen plaatsvinden, bedraagt de oppervlakte grofweg 3.000 m2 (ruim gemeten). De oppervlaktegrens van 10.000 m2 wordt hiermee niet benaderd. Hierdoor is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Voor de bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde WA8’ opgenomen. In de regels van deze dubbelbestemming is een archeologische onderzoeksplicht opgenomen conform het gemeentelijke archeologiebeleid.

5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. De cultuurhistorisch-landschappelijke waarde van de Noordoostpolder is groot. Tegelijkertijd is er heel duidelijk de behoefte om te blijven verbeteren. Bovendien wil de gemeente ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen, die zorgvuldig een plek moeten krijgen in het landschap. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld 5.8.2.2 Situatie plangebied Op basis van cultuurhistorische waardenkaart Flevoland en het gemeentelijke beleidsstuk ‘Erfgoed in de gemeente Noordoostpolder’, blijkt dat zich binnen het plangebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten bevinden. Het Oversticht heeft een cultuurhistorische analyse uitgevoerd van de Rietstraat en omgeving (zie bijlage 9). Hierin wordt onderbouwd over welke cultuurhistorische waarden ter plaatse aanwezig zijn en waar deze kwaliteiten zich manifesteren. Met dit inzicht kan, zover als mogelijk, rekening worden gehouden met de cultuurhistorische waarden bij de ontwikkeling van de buurt. Uit de analyse volgt de volgende aanbeveling: Het gebied van Rietstraat en omgeving bezit hoge cultuurhistorische waarden. De belangrijkste daarvan zijn: • •

• • • • •

Wijkje van Emmeloord met de eerste permanente woningen; Hiërarchische en planmatige stedenbouwkundige opzet met heldere principes, zoals: Brede straten (woonstraten noord-zuid en ontsluiting west-oost); Groene straatprofielen ; Doorgaans strakke verkaveling, soms verspringende rooilijnen; Voortuinen; Diepe achtertuinen; Kleinschalige woonblokken; Ruimte tussen woonblokken; Laagbouw in baksteen met kap; Planmatig ontwerp van verschillende woningtypes; Sobere, zorgvuldige materiaalgebruik en detaillering architectuur; Herkenbare tijdslagen in bebouwing; Dorpse sfeer.

Op basis van de vastgestelde waarden, wordt geadviseerd genuanceerd te kijken naar de herontwikkeling van de wijk en de cultuurhistorische waarden te laten meewegen in de te maken keuzes voor sloop-behoud. Hieronder volgen enkele aanbevelingen vanuit cultuurhistorisch oogpunt: • • • • • • • •

Behoud de waardevolle kenmerken van de wijk en versterk deze waar mogelijk; Herstel en versterk groene inrichting; Herstel bij renovatie de architectonische kwaliteit; Houd licht, lucht en ruimte in het wijkje; Behoud de dorpse sfeer; Behoud verschillende tijdslagen; Voeg met een eventuele nieuwe tijdlaag nieuwe kwaliteit toe; Houd rekening met de stedenbouwkundige opzet.

Met de ontwikkeling is zoveel als mogelijk rekening gehouden met de voorgenoemde aanbevelingen. Zo wordt de stedenbouwkundig opzet in grote lijn behouden, met een toevoegen van twee rijen van vier woningen in het binnenterrein tussen de woningen aan de Rietstraat en Zeebiesstraat. Verder wordt de Rietstraat heringericht met oog voor meer groen in de straat. Dit wordt behaald door het verplaatsen van een fors deel van de parkeerplaatsen achter de woningen. Hierdoor wordt tevens het dorpse karakter teruggebracht. De beoogde woningen worden zodanig ontwikkeld zodat deze voldoen aan de hedendaagse duurzaamheidseisen en -wensen en zich doen herinneren aan de huidige woningen. Dit laatste komt terug in bijvoorbeeld de bouwstijl, woningtypen, nokrichting, goot- en bouwhoogte en kleurstelling. Bovendien is voor de voorgenomen ontwikkeling een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 1). Hierin zijn de welstandseisen voor het plangebied opgenomen. Dit beeldkwaliteitsplan is tot stand gekomen met oog op de uitgevoerde cultuurhistorische analyse.

5.8.3

Conclusie

Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van het voorliggende plan niet noodzakelijk. Daarnaast vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op ten minste 10 kilometer van het plangebied gelegen. Zoals in paragraaf 5.7.2.2 en bijlage 5 (stikstofberekening) van deze toelichting is beschreven is voor de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat de in voorliggend wijzigingsplan besloten ontwikkeling van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.-plicht is in dit geval geen sprake. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 10 bij deze plantoelichting. Opgemerkt wordt dat in de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling in wordt gegaan op de voorgenomen ontwikkeling, alsook de beoogde soortgelijke ontwikkeling aan de Rietstraat ten noorden van de Moerasandijviestraat. Uit de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat voorgenomen ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt.

5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

WATERASPECTEN

Algemeen

Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.

6.2

Proces van de watertoets

Het proces van de watertoets is via een digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Waterschap Zuiderzeeland. In het kader van de watertoets is de normale procedure van toepassing. Daarvoor is in een vroegtijdig stadium contact gezocht met het Waterschap Zuiderzeeland. De definitieve reactie op de voorgenomen ontwikkeling wordt nadat het vooroverleg heeft plaatsgevonden nader ingevuld. Het Waterschap geeft een wateradvies, waarin het Waterschap beoordeelt in hoeverre bij de ontwikkeling de effecten op de waterhuishouding en de waterschapsbelangen raken.

6.3

Wet- en regelgeving en beleid water

6.3.1

KRW

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. De gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag de beschikbare grondwatervoorraad op lange termijn niet overschrijden.

6.3.2

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1. 2.

vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren.

6.3.3

Stedelijk waterplan Noordoostpolder

De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (april 2006). Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de “watersysteembenadering” centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Als aanvulling op het Stedelijk waterplan is in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke “Maatwerkovereenkomst stedelijk water” ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daardoor beter verankerd. Verdere actualisatie met het oog op onder andere de klimaatadaptatie is verwerkt in het gezamenlijk door het Waterschap Zuiderzeeland en gemeente Noordoostpolder opgesteld Watertakenplan Noordoostpolder 20192024. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater.

In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het “gebiedseigen water” wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het Waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.

6.3.4

Waterwet

De Waterwet (2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. Één van de voornaamste veranderingen, naast invoering van de watervergunning, is de verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domain. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd.

6.3.5

Nationaal Waterprogramma

Het Nationaal Waterprogramma bestaat uit het landelijke en regionale waterbeleid, vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke Ordening. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en - beheer beschreven voor de periode 2022-2027. Het programma richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico’s, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten.

6.3.6

Watervisie en waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Zuiderzeeland

De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld

6.4

Beschrijving van het watersysteem

6.4.1

Veiligheid/Waterkeringen

Het plangebied ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

6.4.2

Voldoende Water

Wateroverlast Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt: Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013.

Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling naar verwachting toe met meer dan 750 m2 ten opzichte van de huidige feitelijke situatie, waardoor watercompensatie noodzakelijk is. Hierbij is de relatie gelegd met het naastgelegen bestemmingsplan Emmeloord, Rietstraat Noord. Het waterschap beschouwt beide bestemmingsplannen in samenhang. Het hemelwater wordt binnen het plangebied opgevangen, vastgehouden en gefiltreerd in de bodem. Hierbij kan gedacht worden aan het aanleggen van wadi’s, infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen en infiltratieriool. Hierover zal afstemming met het waterschap plaatsvinden vóór het indienen van de aanvraag om een watervergunning. Gelet op de ruimte binnen het plangebied wordt geconcludeerd dat er voldoende ruimte is voor hemelwaterbergingsvoorzieningen.

6.4.3

Schoon water

Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld: Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Randvoorwaarden: Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. Het voornemen ziet niet toe op het aanleggen van nieuw oppervlaktewater of dempen van bestaand oppervlaktewater. Er worden geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt, waardoor alle verhardde en te bouwen oppervlakken als relatief schoon kunnen worden aangemerkt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld Het hemelwater wordt binnen het plangebied opgevangen, vastgehouden en gefiltreerd in de bodem. Hierbij kan gedacht worden aan het aanleggen van wadi’s, infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen en infiltratieriool. Hierover zal afstemming met het waterschap plaatsvinden vóór het indienen van de aanvraag om een watervergunning. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunten: Verontreiniging van het oppervlaktewater door vervuild hemelwater wordt voorkomen. Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt geloosd, zonodig voorafgegaan door een lokale zuivering. Bij nieuwbouwgebieden (bijvoorbeeld woonwijk, industrieterrein) is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd.

Het Waterschap zuivert in dit plangebied, door de gemeente ingezameld en afgevoerd, huishoudelijk afvalwater op de afvalwaterzuiveringsinstallatie te Tollebeek. Door deze behandeling in de afvalwaterketen vindt in het plangebied zelf geen onoverkomelijke vuillast op het aanwezige oppervlaktewater plaats. Alle vrijkomende stedelijk huishoudelijke afvalwater afkomstig van het plangebied wordt reeds afgevoerd via de gemeentelijke riolering. Door de ontwikkeling wijzigt de hoeveelheid afvalwater niet of marginaal. Het bestaande rioleringsstelsel is voldoende gedimensioneerd om het vrijkomend afvalwater via het bestaande stelsel te kunnen afvoeren. Het bestaande rioleringsstelsel betreft een gescheiden stelsel. Het waterschap beschouwt afstromend hemelwater van 50 of meer parkeerplaatsen als vervuild. Dit hemelwater dient daarom gezuiverd te worden voorafgaande aan lozing in oppervlaktewater (al dan niet via gemeentelijke hemelwaterriolering).

6.5

Conclusie

Gelet op het vorenstaande vormt het milieuaspect ‘water’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1.

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

7.2.2

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.

Algemene regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1)

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. •

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. De op de verbeelding of in de regels aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen).

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld • • •

7.2.4

Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksactiviteiten die niet zijn toegestaan. Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarden kan worden afgeweken middels een omgevingsvergunning.

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

7.2.5

•

Anti-dubbeltelregel (Artikel 8) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage;

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 9) Deze regel is opgenomen om aan te geven welk gebruik in elk geval strijdig is met de aan de grond gegeven bestemming;

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) Deze regel is opgenomen om aan te geven onder welke voorwaarden kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken;

•

Algemene procedure regels (Artikel 11) In dit artikel zijn procedureregels opgenomen die te maken hebben met het stellen van een andere eis.

•

Overige regels (Artikel 12) In dit artikel is aangegeven dat de wettelijke regeling waarnaar in de regels van het plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast zijn er regels opgenomen omtrent parkeren.

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld Groen (Artikel 3) De belangrijkste groenstructuren binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Groen’. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, evenementen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, parkeerplaatsen, speelvoorzieningen, water. Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Tuin (Artikel 4) In de meeste gevallen zijn de voor- en zijtuinen voorzien van de bestemming ‘Tuin’. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. De gronden ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - erf zonder bebouwing' worden niet als erf beschouwd in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Hiermee wordt vergunningsvrij bouwen ter plaatse van de betreffende aanduiding uitgesloten. De ‘specifieke bouwaanduiding – erf zonder bebouwing’ is opgenomen op een deel van de bestemming ‘Tuin’ ten zuiden de Moerasandijviestraat 25. Binnen de bestemming ‘Tuin’ zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. d.

indien het voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen; de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten mag niet meer dan 12 m bedragen; in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m bedragen; in afwijking van het bepaalde onder a t/m c mag ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - erf zonder bebouwing' de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen.

Verkeer (Artikel 5) De belangrijkste wegen en paden binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Verkeer’. De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten, voetpaden, rijwielpaden, kunstwerken, nutsvoorzieningen en evenementen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Wonen (Artikel 6) De woonpercelen, brandgangen en overige paden zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor het wonen in woningen. Als hoofdgebouwen mogen uitsluitend woningen worden gebouwd. Een hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Met de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is op de verbeelding per bouwvlak het maximum aantal wooneenheden vastgelegd. Woningen worden in een rij van niet minder dan 3 gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’ tevens vrijstaande woningen zijn toegestaan. Met de aanduiding ‘maximum goothoogte (m)’ is op de verbeelding de maximum goothoogte van het hoofdgebouw vastgelegd. Verder mag de dakhelling niet minder dan 25° en niet meer dan 60° bedragen. Tot slot zijn regels opgenomen omtrent de minimale breedte van een woning.

Waarde – Archeologische verwachtingswaarde WA8 (Artikel 7) De voor 'Waarde – Archeologische verwachtingswaarde WA8’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische verwachtingswaarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Wel wordt met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten waarin afspraken gemaakt worden over onder andere bouwrijp maken, planbegeleidingskosten, grondoverdracht, herinrichting openbare ruimte en planschadeverhaal.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan “Emmeloord, Rietstraat (zuid) en Zeebiesstraat” Vastgesteld

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

9.1.2

Provincie Flevoland

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Flevoland. De vooroverlegreactie van de provincie is opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting. De provincie heeft geen opmerkingen op het plan.

9.1.3

Waterschap Zuiderzeeland

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan waterschap Zuiderzeeland. De vooroverlegreactie van het waterschap is opgenomen in bijlage 12 van deze toelichting. Het waterschap heeft een inhoudelijke reactie gegeven op de waterparagraaf. Na aanleiding van de reactie van de waterschap zijn tekstuele aanpassingen doorgevoerd. Het waterschap stemt in met de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

9.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening vanaf 28 december gedurende zes weken tot en met 7 februari mei ter inzage gelegen. Tijdens de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan zijn 12 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een zienswijzenrapport. Het zienswijzenrapport is opgenomen in bijlage 13 van deze plantoelichting. In het zienswijzenrapport is per onderdeel aangegeven of en welke aanpassingen zijn doorgevoerd in het bestemmingsplan. Omdat er op een aantal punten aanpassingen zijn doorgevoerd in de regels en verbeelding, is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2167/documents/39222