14.1 Bijlage 1 Transitievisie Warmte.pdf
Tekst van het document
Inhoudsopgave Voorwoord wethouder
3
Samenvatting
4
1
Inleiding
9
2
Uitgangspunten
12
3
Duurzame warmteopties
13
4
Transitiepaden en fasering
16
5
Uitvoeringsstrategie
25
2
Voorwoord wethouder De Transitievisie Warmte geeft aan hoe de Noordoostpolder stapsgewijs aardgasvrij kan worden. Dit is een enorme klus die we samen met inwoners en ondernemers aanpakken. Dit moet gebeuren in de korte tijd tot 2050. De warmtetransitie raakt ons allemaal, omdat die gaat over de manier waarop we onze huizen en bedrijven verwarmen en hoe we koken. We hebben deze visie samen met partners opgesteld. Dit was een mooi proces, waarbij we als regisseur veel inbreng kregen en waarvoor we erg dankbaar zijn.
De visie is een levend stuk De visie geeft inzichten op buurtniveau, maar geeft nog geen antwoord op de meest prangende vragen van inwoners: met welke techniek ga ik mijn eigen huis in de toekomst verwarmen en wat gaat het mij kosten? Daarvoor moeten we per wijk of dorp dieper gaan kijken naar de uitvoering. We hebben deze visie opgesteld met de kennis van nu. Omdat de ontwikkelingen snel gaan en er nog veel onduidelijk is, gaan we de visie minimaal elke vijf jaar actualiseren.
Inwoners en ondernemers kunnen direct aan de slag Deze visie geeft houvast aan mensen die iets willen doen. Het nodigt inwoners uit om zelf aan de slag te gaan met spijtvrije aanpassingen aan hun woning. We gaan inwoners ondersteunen waar we kunnen en we leren van de projecten waar we nu al bezig zijn, zoals de landelijke proeftuin in Nagele.
De uitvoer is afhankelijk van een bijdrage van het Rijk De uitvoeringsstrategie is het beeld dat wij voor ogen hebben, maar wij kunnen deze niet zelf bekostigen. We verwachten hiervoor financiële ondersteuning vanuit Den Haag. Totdat die ondersteuning komt, bereiden we de uitvoering alleen voor.
Anjo Simonse, wethouder Energietransitie Juli 2021
3
Samenvatting Transitievisie Warmte voor de Noordoostpolder In 2050 verwarmen we gebouwen in Nederland niet meer met aardgas. Dat is nodig om onze CO 2 terug te dringen en klimaatverandering tegen te gaan. We willen daarnaast onze afhankelijkheid van aardgas verminderen, zowel uit binnenland zoals in Groningen, als uit het buitenland. Ook in de Noordoostpolder gaan we onze gebouwen en huizen op een andere manier verwarmen. Deze overstap naar duurzame en aardgasvrije verwarming noemen we de warmtetransitie. Volgens het Nederlands Klimaatakkoord moeten alle gemeenten uiterlijk in 2021 hun Transitievisie Warmte vaststellen, waarin de alternatieven voor aardgas en het tijdpad per buurt is uitgewerkt. Het gaat daarbij om alternatieven voor aardgas in de bestaande bouw. Nieuwbouw wordt sinds 2018 aardgasvrij gerealiseerd. De Transitievisie Warmte zal minimaal iedere vijf jaar worden herijkt om de nieuwste inzichten op het gebied van innovatie en wet- en regelgeving mee te nemen. Inzichten die binnen de vijf jaar worden opgedaan, worden meegenomen bij de herijking. De gemeente kan er voor kiezen de Transitievisie Warmte ook eerder te herijken. Onderdeel van deze visie is een begrippenlijst in bijlage D, waarin verschillende termen die in dit stuk terugkomen gerelateerd aan de warmtetransitie worden toegelicht.
Uitgangspunten voor de warmtetransitie We hebben uitgangspunten opgesteld die aan deze visie ten grondslag liggen. De uitgangspunten zijn opgesteld met behulp van inbreng van bewoners, raadsleden en betrokken stakeholders. Belangrijk uitgangspunt is dat we de kosten zorgvuldig afwegen, zodat we de maatschappelijke betaalbaarheid van de transitie kunnen waarborgen. Dat doen we door in deze visie uit te gaan van de laagste maatschappelijke kosten. We kiezen daarnaast voor een transitie van, voor en door de polder waarbij we samenwerken met initiatieven die bestaan en ontstaan binnen onze gemeente. Ook in buurten, dorpen en wijken waar nog geen geschikte oplossing is om van het aardgas af te gaan, willen we handelingsperspectief kunnen bieden aan gebouweigenaren. Daarnaast blijft er voor gebouweigenaren (huiseigenaren en andere eigenaren van gebouwen zoals ondernemers) een bepaalde mate van keuzevrijheid bij de keuze voor de warmtevoorziening, maar deze keuzevrijheid is beperkt in de zin dat aardgas op termijn geen optie meer is. Tot slot vinden we het belangrijk dat oplossingen bijdragen aan comfort, duurzaam zijn en lokaal zijn.
Transitiepaden en het onderzoeksbeeld Voor iedere buurt, wijk en dorp in de Noordoostpolder hebben we een transitiepad uitgestippeld waarin we iets zeggen over de alternatieven voor aardgas, een fasering op hoofdlijnen schetsen en handelingsperspectief bieden. Deze transitiepaden hebben we weergegeven in een kaart, de transitiekaart. In alle transitiepaden worden handvaten geboden zodat gebouweigenaren nu al aan de slag kunnen met zogenoemde spijtvrije maatregelen om hun gebouw geschikt te maken voor aardgasvrije verwarming. Denk hierbij aan bijvoorbeeld isoleren of elektrisch koken. Daarnaast beschrijft het transitiepad de stappen die nodig zijn om te komen tot een aardgasvrije warmtevoorziening. We hebben zorgvuldig onderzocht welk transitiepad in welke buurt de beste keuze is, met de kennis van nu. We hebben gekeken welke warmteoptie in iedere buurt, dorp en wijk de laagste maatschappelijke kosten heeft door drie rekenmodellen met elkaar te vergelijken. Het beeld dat hieruit is gekomen noemen we het onderzoeksbeeld. Samen met de werkgroep bestaand uit betrokken partnerorganisaties hebben we gekeken naar de uitkomsten van dit onderzoeksbeeld en dit gevalideerd. Daarnaast hebben we het perspectief op duurzame warmtebronnen, de impact op de openbare ruimte, koppelkansen en de duurzaamheid van de warmteopties meegenomen.
Transitiekaart Figuur 1 toont de transitiekaart voor de Noordoostpolder. De legenda laat zien welk transitiepad we in welke buurt doorlopen. Onder de kaart worden de in de Noordoostpolder voorkomende warmteoplossingen en bijbehorende transitiepaden toegelicht.
4
Figuur 1: Transitiekaart van de Noordoostpolder
Besparingsbuurt met perspectief op warmtenet Voor een deel van Emmeloord is er perspectief op een warmtenet vanaf 2030. Hoe kansrijk een warmtenet uiteindelijk is, hangt nauw samen met de verkenningsstudie die plaatsvindt vanaf 2021, voor een warmtenet met aquathermie. Het verkenningsgebied van deze studie is aangeduid met de lichtgroene kleur, met stippellijn omlijnd. Mocht deze verkenning kansrijk zijn en hier op den duur een warmtenet ontwikkeld gaan worden, dan kan dit aansluitmogelijkheden bieden voor de donkergroene delen van Emmeloord. Tot die duidelijkheid er is, ligt de prioriteit vanaf 2021 op het stimuleren van gebouweigenaren om gebouwen in deze ‘besparingsbuurten’ geschikt te maken voor toekomstige aardgasvrije verwarming. De gemeente gaat hiermee aan de slag door in deze buurten in te zetten op spijtvrije maatregelen zoals isoleren en gasbesparing met hybride warmtepompen. We beginnen niet vanaf nul in Emmeloord. Er zijn al verschillende stappen gezet, zo heeft woningcorporatie Mercatus al verschillende woningen aardgasloos gemaakt in Emmeloord en zijn er voor de komende jaren nog sloop-nieuwbouw werkzaamheden gepland. Gebouweigenaren hoeven niet verplicht aan te sluiten op een warmtenet als dat gerealiseerd wordt, er is keuzevrijheid. Wel wordt de Wet collectieve warmtevoorziening (Wcw) in de nieuwe kabinetsperiode verwacht.
Met deze wet heeft de gemeente meer sturingsmogelijkheid door het aanwijzen van warmtekavels, waarmee woningeigenaren binnen deze kavels moeten aansluiten op het warmtenet, tenzij zij kiezen voor een ander duurzaam en gasvrij alternatief. Bewoners in de Noordoostpolder die al aan de slag willen of zijn met eigen initiatieven of lokale initiatieven in de buurt, hoeven niet te wachten op deze ontwikkelingen, er is ruimte is voor eigen duurzame initiatieven en bewoners zullen niet opgelegd worden aan te sluiten op een warmtenet waardoor hun eigen investeringen teniet worden gedaan.
5
Besparingsbuurten: besparen, hybride oplossingen en herijken Voor een deel van Emmeloord en voor de meeste dorpen geldt dat we, met de kennis van nu, niet duidelijk kunnen maken wat op dit moment de optimale warmteoptie is. Deze dorpen worden gekenmerkt door een vergelijkbare wat oudere bebouwing: veelal eengezinswoningen die redelijk verspreid gebouwd zijn, veelal gebouwd na 1950. De lage dichtheden en de kleine schaal maken warmtenetten lastig haalbaar. Ook maakt de verschillende naoorlogse bouwperioden van het aanwezige vastgoed all-electric relatief kostbaar en ingewikkeld, zeker voor de oudere woningen. Hiernaast is het onzeker of deze buurten en dorpen op de lange termijn aanspraak kunnen maken op duurzaam gas door het uitsluitend naoorlogse vastgoed wat aanwezig is. Deze buurten, dorpen en wijken geven we bij de herijking van de TVW extra aandacht om te kijken of we, op basis van de nieuwste inzichten en ontwikkelingen, nieuwe conclusies kunnen trekken over de warmteoptie. Tot die tijd zitten we ook in deze buurten, dorpen en wijken niet stil: we gaan volop aan de slag met het ‘’transitiegereed’’ maken van alle gebouwen door isolatie en overstappen op hybride warmtepompen en elektrisch koken om het gasverbruik verder terug te brengen. Deze maatregelen zijn spijtvrij, en kunnen dus genomen worden zelfs als er over de uiteindelijke warmteoplossing nog geen zekerheid is.
All-electric buurten In een all-electricbuurt ligt in de toekomst in principe alleen een elektriciteitsnet onder de grond. De gebouwen maken gebruik van een warmtepomp voor verwarming. Ook in deze gebouwen moet eerst geïsoleerd worden om woningen geschikt te maken en moeten er andere gebouwmaatregelen genomen worden voordat deze gebouwen klaar zijn voor all-electric. All-electric is een individuele warmteoptie, wat betekent dat iedere gebouweigenaar zelf kiest wanneer de overstap gemaakt wordt. De buurten waarin all-electric de meest voor de hand liggende oplossing is voor de gebouwde omgeving, zijn vaak vrij nieuw en deze gebouwen stoten relatief weinig CO2 uit. Daarnaast zijn er nog relatief veel innovaties te verwachten in all-electric oplossingen. Daarom is het niet nodig dat deze buurten een te hoog tempo doorlopen. Dat zou tot onnodige desinvesteringen kunnen leiden. In de Noordoostpolder is de buurt waar all-electric het meest kansrijk lijkt, Emmelhage-Boswonen. Deze buurt heeft een gemiddeld bouwjaar van ná 2005 en kan gestaag de overstap maken naar all-electric, door op natuurlijke momenten de woning geschikt te maken voor verwarmen met lage temperatuur en over te stappen naar een warmtepomp. Natuurlijke momenten kunnen zijn een verhuizing, een verbouwing of de vervanging van apparaten.
In all-electric buurten kan de overstap naar aardgasvrij zich op die manier organisch ontwikkelen, waardoor er voldoende tijd ontstaat voor de netbeheerder om het huidige elektriciteitsnet waar nodig te verzwaren. Ook voor veel delen van de dorpen zal all-electric op termijn een kansrijke oplossing zijn, mogelijk met hybride warmtepompen als tussenstap. De capaciteit van het elektriciteitsnet en de verzwaringen die nodig zijn, blijven een belangrijk aandachtspunt waar doorlopend aandacht aan besteed moet worden door de gemeente samen met Liander maar ook met partijen zoals woningcorporatie Mercatus. Voor verschillende delen van onze gemeente zou all-electric in 2050 de eindoplossing kunnen zijn, maar het is belangrijk te constateren dat het elektriciteitsnet op veel plekken in de Noordoostpolder hier op dit moment nog niet voldoende voor verzwaard is. Als op korte termijn grote clusters van woningen over zouden stappen op all-electric zou dit direct al voor problemen zorgen. Het is daarom belangrijk dat woningeigenaren een gestaag tempo doorlopen, door op natuurlijke momenten de stappen richting all-electric te zetten. Zo blijft er voldoende tijd om het net te verzwaren, waarbij er continu de afstemming gezocht wordt tussen de gemeente en netbeheerder Liander. Bedrijventerreinen Bedrijventerreinen volgen een eigen transitiepad waarbij veel aandacht is voor maatwerk.
Dat komt omdat de warmtevraag van bedrijven sterk verschilt, al naar gelang de functie van het bedrijf. Sommige bedrijven hebben een beperkte warmtevraag, zoals kantoren, andere bedrijven hebben een grote warmtevraag vanwege hun bedrijfsprocessen, weer andere hebben juist een koudevraag, zoals koelhuizen. We voorzien daarom meerdere oplossingen op een bedrijventerrein, zowel individueel als kleinschalig collectief.
6
Buitengebied Voor het buitengebied van de Noordoostpolder geldt dat er sprake is van een hele lage bouwdichtheid. Collectieve oplossingen zoals een warmtenet zullen in het buitengebied daarom niet tot zeer beperkt haalbaar blijken. All-electric oplossing zullen lastig zijn omdat woningen alleen tegen hoge kosten geschikt gemaakt kunnen worden voor verwarming met lage temperatuur. Overgaan op hybride warmtepompen is een spijtvrije route, met mogelijk perspectief op overstappen naar all-electric later in de toekomst, wanneer blijkt dat er beperkte beschikbaarheid is van duurzaaam gas. We gaan voor het buitengebied dus volop aan de slag met isolatie, overstappen op hybride warmtepompen en elektrisch koken. Verschil met de dorpen is dat het buitengebied niet als gebied na vijf jaar herijkt wordt, maar dat doorlopend toegewerkt wordt naar hybride. Startkansen We identificeren voor de Noordoostpolder een aantal startkansen om te beginnen met voorbereiding en verkenning van een aantal concrete mogelijkheden. die we apart op de transitiekaart benoemen: We zien kansen voor een warmtenet op aquathermie (warmte uit oppervlaktewater) in Emmeloord. Dit wordt onderzocht. Het gaat om de lichtgroene, met stippellijn omcirkelde gebieden in Emmeloord.
Om op de planning aan te sluiten van Mercatus met betrekking tot sloop-nieuwbouw is het wenselijk om het onderzoek in het komende jaar uit te voeren.
Er is een startkans voor uitbreiding van een warmtenet op geothermie (warmte uit de diepere ondergrond) in Luttelgeest. In Luttelgeest ligt al een geothermienet dat in bedrijf is voor de glastuinbouw. Verschillende kassen die reiken tot aan Marknesse zijn reeds op deze bron aangesloten en de uitbreiding van dit warmtenet voor de kassen is in volle gang. Er is hier perspectief om het net uit te breiden voor de woningen en mogelijk op te schalen, vandaar dat Marknesse en Luttelgeest geïdentificeerd worden als verkenningsgebied voor geothermie.
De proeftuin Aardgasvrij Nagele is een belangrijke startkans waar de haalbaarheid bekeken is voor een kleinschalig warmtenet. Deze proeftuin biedt een unieke kans om lessen op te doen die we elders in de polder kunnen toepassen. Successen in de uitvoering voor Nagele, kunnen kansen bieden voor successen in andere dorpen.
We zien in de buurt De Zuidert, een startkans voor een collectieve isolatieaanpak, in samenwerking met woningcorporatie Mercatus. De gemeente wil zich richten op zowel corporatiewoningen als particuliere woningen.
Aan de slag met een uitvoeringsstrategie In grote delen van de Noordoostpolder gaat niet meteen de schop in de grond. Op basis van de Transitievisie Warmte is de eerste belangrijke stap woningen transitiegereed maken. Als vervolg op deze Transitievisie Warmte gaan we daarom met doelgroepgerichte en gebiedsgerichte aanpakken aan de slag. Hierbij proberen we om eigenaren te bewegen tot isoleren en gas besparen. Transitiegereed betekent dat het gebouw qua isolatie, kierdichting en ventilatie gereed is voor aardgasvrije verwarming, ongeacht de warmteoptie die voorzien is in de buurt. Ook elektrisch koken is onderdeel van transitiegereed. Voor de binneninstallatie geldt dat deze meestal alleen aangepast hoeft te worden als een woning verwarmd gaat worden met een lage temperatuuroplossing, zoals een warmtepomp. Daarnaast werken we als vervolgstap na de Transitievisie Warmte verder aan het onderzoeken van de haalbaarheid voor aquathermie en geothermie in Emmeloord, Luttelgeest en Marknesse. Een concrete vervolgstap richting bewoners waarde gemeente mee aan de slag gaat om bewoners te motiveren en te informeren na vaststelling van de Transitievisie Warmte is een isolatie aanpak die toegespitst is op verschillende 1 doelgroepen, maar ook op gebiedsniveau zoals in De Zuidert waar collectief veel isolatiewinst te behalen is.
Enerzijds is het belangrijk dat de gemeente helder communiceert richting gebouweigenaren over wat nu spijtvrije
1
7
https://www.netwerkenergieneutraal.nl/samen-isoleren-we-de-zuidert/
maatregelen zijn in welke buurten, dorpen en wijken, en waarom het belangrijk is dat zij die maatregelen nemen. Anderzijds kan de gemeente gebouweigenaren daadwerkelijk gaan faciliteren die maatregelen te nemen, bijvoorbeeld met subsidiebeleid of collectieve inkoopacties. Hier zijn nu geen middelen voor. Belangrijk is dat deze instrumenten zijn afgestemd op de Transitievisie Warmte: dus geen subsidiëring van maatregelen die niet spijtvrij zijn.
8
1 Inleiding In het Klimaatakkoord is afgesproken dat alle Nederlandse gebouwen in 2050 verduurzaamd zijn. We gebruiken dan geen aardgas meer om onze woningen en bedrijven en te verwarmen, te douchen en om te koken. We gaan op zoek naar andere oplossingen. Misschien klinkt 2050 nog ver weg, maar de overstap naar aardgasvrije gemeente is een enorme klus, die we zorgvuldig en stap voor stap realiseren. Die stappen brengen we in deze Transitievisie Warmte in beeld
1.1 Landelijke context Net als alle andere landen moet Nederland een flinke inspanning leveren om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2, en liefst niet meer dan 1,5 graden Celsius. Daarover hebben we afspraken gemaakt in het Klimaatakkoord van Parijs. In 2019 ondertekenden overheden, organisaties en bedrijven in Nederland het Nationale Klimaatakkoord. Hierin staan concrete afspraken om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 49 procent te verminderen ten opzichte van 1990. Nederland wil, als andere landen meedoen, de Europese doelstelling verhogen naar 55 procent minder uitstoot van broeikasgassen in 2030. Het Nederlandse doel is om in 2050 een volledig aardgasvrije samenleving te hebben. Voor de gebouwde omgeving zijn dit bijna acht miljoen woningen en één miljoen utiliteitsgebouwen. Om dit einddoel te kunnen behalen is de tussendoelstelling dat twintig procent van het totaal aantal woningen in 2030 al aardgasvrij is. Gemeenten hebben een regierol in deze transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. Het Klimaatakkoord vraagt gemeenten om te werken aan plannen op drie niveaus, waartussen afstemming plaatsvindt:
Uitvoeringsplan aardgasvrij Figuur 2: Planvorming op drie niveaus in de warmtetransitie
1. Op Regionaal niveau doen we met de Regionale Energie Strategie (RES), waarin we duurzame energiebronnen in de regio in kaart brengen. Onderdeel van de RES is de Regionale Structuur Warmte (RSW), waarmee we de regionale beschikbare warmtebronnen, het verdeelvraagstuk van warmte binnen de regio, de benodigde infrastructuur en de ruimtelijke impact en kosten in beeld brengen. De RSW in de RES Flevoland ziet geen regionale warmtebronnen en legt het oppakken van de warmtetransitie neer bij de individuele gemeenten. In de RES 2.0 worden alle gemeentelijke TVW's opgenomen.
9
2. Op gemeentelijk niveau doen we dat in de vorm van de Transitievisies Warmte (TVW), die elke gemeente uiterlijk 2021 vaststelt. De TVW beschrijft hoe de gemeente samen met stakeholders en bewoners de warmtevraag in de gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier kan invullen en in welk tempo dat zal verlopen. 3. Op plekken waar we starten met een traject richting aardgasvrij stellen we een uitvoeringsplan op. In het uitvoeringsplan maakt de gemeenteraad de definitieve keuzes over hoe en wanneer een specifieke wijk aardgasvrij wordt. Daarbij worden de bewoners, overige gebouweigenaren en andere belanghebbenden nauw betrokken. Omdat het aardgasvrij maken van wijken door middel van een wijkaanpak nog niet op grote schaal haalbaar en betaalbaar is, op gesubsidieerde pilots na, voorzien we voor de meeste delen in de Noordoostpolder de komende jaren nog geen uitvoeringsplannen. Wel wordt de haalbaarheid van aquathermie in Emmeloord verder geïnventariseerd en biedt de eenduidigheid van de dorpen kansen voor ‘’dorpuitvoeringsplannen’’ waarbij bewoners doelgroepgericht gestimuleerd worden aan de slag te gaan met isoleren. In het uitvoeringsplan maakt de gemeenteraad de definitieve keuzes over hoe en wanneer de wijk aardgasvrij wordt. Daarbij worden de bewoners, overige gebouweigenaren en andere belanghebbenden nauw betrokken.
1.2 De warmtetransitie in de Noordoostpolder Warmteverkenning 2018 In 2018 heeft er een warmteverkenning plaatsgevonden waarbij verschillende oplossingen voor aardgas onderzocht zijn en kansrijke plekken om te starten genoemd zijn. Aan deze verkenning hebben meerdere partners deelgenomen zoals het 10 dorpen overleg, Liander, HVC, Mercatus en LTO Noord. Er zijn als onderdeel van deze verkenning gezamenlijke uitgangspunten geformuleerd. Rondom deze verkenning heeft er geen participatie plaatsgevonden en is er ook geen handelingsperspectief voor alle buurten, dorpen en wijken geformuleerd. De resultaten uit de warmteverkenning zijn meegenomen en verder uitgewerkt in deze Transitievisie Warmte.
RES De Noordoostpolder werkt samen met andere gemeenten in de provincie Flevoland aan de energietransitie, met name als het gaat om de opwek van duurzame energie in de regio. In de Regionale Energiestrategie (RES) is een inventarisatie gemaakt van de warmtebronnen die in de regio beschikbaar zijn.
Proeftuin Aardgasvrij Nagele In 46 gemeenten in Nederland wordt binnen zogeheten proeftuinen gewerkt aan het aardgasvrij maken van buurten, dorpen en wijken. Eén van deze proeftuinen is Nagele, waar met een rijksbijdrage zowel technisch als organisatorisch wordt gewerkt aan het aardgasvrij maken van bijna 500 woningen. De ervaringen die opgedaan worden in Nagele geven waardevolle inzichten voor nieuwe initiatieven in andere dorpen van de Noordoostpolder. Gemeentelijke omgevingsvisie De gemeente bereidt zich voor op de invoering van de Omgevingswet. Er wordt gewerkt aan de gemeentelijke omgevingsvisie: een visie voor de lange termijn voor de fysieke en sociale leefomgeving in de Noordoostpolder. Er is een Nota van Uitgangspunten vastgesteld door de raad. Klimaatverandering en de energietransitie zijn daarin benoemd als grote gemeentelijke opgaven. De opgaven van de Transitievisie Warmte en de RES krijgen een plek in de Omgevingsvisie. Hoe deze opgaven daarin landen, wordt nader ingevuld.
1.3 Wie zijn betrokken geweest? 1.3.1 Inwoners en bedrijven Om deze Transitievisie Warmte tot stand te brengen, hebben we bewoners, bedrijven en andere stakeholders op verschillende manieren en momenten in het proces van de Transitievisie Warmte betrokken. Ruim 800 bewoners en bedrijven in de Noordoostpolder hebben via een enquête laten weten wat ze belangrijk vinden in de overstap naar 2 aardgasvrij. De resultaten van de enquête en het bijbehorende persbericht zijn online te vinden.
2
10
https://www.noordoostpolder.nl/nieuws/enquete-uitkomsten-overstap-naar-aardgasvrij-wonen
Enquête over de overstap naar aardgasvrij wonen Gemeente Noordoostpolder heeft de inwoners gevraagd hoe zij denken over het aardgasvrij wonen. De enquête is zorgvuldig samengesteld aan de hand van ervaringen bij andere gemeenten en in samenspraak met de afdeling communicatie van de gemeente. Deze enquête is door 801 inwoners ingevuld. De enquête is bedoeld om een idee te krijgen van wat er leeft in Noordoostpolder. De volledige uitkomsten zijn opgenomen in bijlage A. Een grote meerderheid van de respondenten vindt de betaalbaarheid het belangrijkst bij de overstap naar aardgasvrij. Ook wil men zelf kiezen voor een aardgas alternatief. Verder vindt men comfort en een duurzame oplossing belangrijk. Gevraagd naar wat bewoners kansrijke wijken vinden om te beginnen, geven de meeste mensen aan dat het hen logisch lijkt te starten in buurten, dorpen en wijken waar toch al werkzaamheden gepland staan. Het gaat dan bijvoorbeeld om het vervangen van riolering of gasnet, nieuwbouw of verbouwingen. Ook geven inwoners aan te kijken naar buurten en dorpen waar flinke slagen gehaald kunnen worden met grote gebouweigenaren zoals woningcorporaties. Daarnaast geeft een groot deel aan het raadzaam te vinden daar te starten waar bewoners zelf initiatief willen nemen.
Daarnaast heeft op 2 juni 2021 een tweede participatieronde plaatsgevonden. Tijdens een bewonersavond waarbij ruim 50 bewoners aanwezig waren, zijn bewoners geïnformeerd over aardgasvrij wonen, is er een toelichting gegeven op wat de Transitievisie Warmte is en is er een concept van de transitiekaart gedeeld. Daarop zijn reacties verzameld en er is input opgehaald bij bewoners op de vraag wat zij nodig hebben om met isoleren aan te slag te gaan. Deze input is meegenomen voor hoofdstuk 5: uitvoeringsstrategie. In bijlage A zijn de volledige resultaten van de bewonersavond te vinden.
1.3.2 Lokale stakeholders De warmtetransitie heeft impact op de hele gemeente: Emmeloord, de dorpen en het buitengebied. Dus is het belangrijk om zoveel mogelijk partijen uit de gemeente te betrekken. Er is samengewerkt met belangrijke partners die een rol spelen in deze transitie: woningcorporatie Mercatus, netbeheerder Liander en verschillende partners vanuit het Netwerk Energieneutraal. Ook binnen de gemeente zijn verschillende afdelingen op het gebied van energie, wonen, ondergrondse infrastructuur en communicatie betrokken. Zij vormden de werkgroep waarmee deze Transitievisie Warmte is ontwikkeld. De gemeenteraad is tijdens het opstellen van deze Transitievisie Warmte bijgepraat en heeft inbreng kunnen leveren. Op 19 november 2020 is er een raadsbijeenkomst geweest om de raad te informeren over het proces en input te laten geven voor de invulling van het traject.
1.4 Leeswijzer Deze inleiding vormt hoofdstuk 1. In hoofdstuk 2 gaan we in op de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de warmtetransitie in de Noordoostpolder. In hoofdstuk 3 gaan we in op de techniek en hoe we gekomen zijn tot een voorkeur voor een warmteoptie per buurt. In hoofdstuk 4 leggen we uit hoe we zijn gekomen tot de transitiekaart, waarin de transitiepaden per buurt staan toegelicht. In hoofdstuk 5 gaan we ten slotte in op de uitvoeringsstrategie, waarin we handvatten bieden voor de vervolgstappen in de uitvoering van de warmtetransitie. Als achtergrond bij dit document zijn alle bijlagen gebundeld in één document. Op verschillende plekken in dit document verwijzen we naar deze bijlagen.
11
2 Uitgangspunten In dit hoofdstuk gaan we in op de uitgangspunten die het afwegingskader vormen voor de keuzes die we maken in de Transitievisie Warmte. Deze vormen de basis voor de warmtetransitie van de Noordoostpolder. Samen met stakeholders, de gemeenteraad en met input uit de eerste participatieronde zijn de uitgangspunten opgesteld. 1. We wegen de kosten zorgvuldig af Betaalbaarheid is een belangrijke randvoorwaarde en voor inwoners van de Noordoostpolder een belangrijk vraagstuk, zo bleek uit de participatie. Er is nog veel onzeker over de kosten van de warmtetransitie en de verdeling daarvan. Er ligt een taak bij de Rijksoverheid om dit op te lossen. Wat we zelf kunnen doen is voorsorteren op betaalbaarheid door in onze afwegingen de laagste maatschappelijke kosten als basis te 3 nemen, zodat de totale kosten van de overstap naar aardgasvrij zo laag mogelijk zijn. 2. Van, voor en door de polder: samen werken aan oplossingen We kiezen ervoor de komende jaren samen te werken aan de warmtetransitie. We zoeken daarbij naar uitvoerbare en opschaalbare oplossingen, waarbij we een belangrijke rol voor initiatief uit de samenleving zien. We doen dit samen met bewoners en bedrijven in de wijken en dorpen, waarbij we werkzaamheden en andere uitdagingen zoveel mogelijk met elkaar afstemmen en aan elkaar koppelen, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatadaptatie en renovatie.
We onderbouwen altijd duidelijk waar, wanneer en hoe we aan de slag willen gaan. 3. Zekere mate van keuzevrijheid, maar aardgas op termijn geen optie meer Gebouweigenaren en/of bewoners worden altijd betrokken bij de keuze voor de warmtevoorziening in hun wijk. De gebouweigenaar maakt uiteindelijk zelf de keuze over het alternatief voor zijn of haar woning. Tegelijkertijd is het belangrijk dat we een balans vinden tussen keuzevrijheid en betaalbaarheid. Meer van het één betekent soms namelijk minder van het ander. Bijvoorbeeld wanneer in een wijk meerdere woningeigenaren kiezen voor een individuele oplossing op een plek waar juist een collectieve oplossing de meest betaalbare optie is. Die individuele keuze maakt de collectieve oplossing dan minder betaalbaar. In wijken waar een collectieve warmteoplossing voor de hand ligt, is het dus niet vanzelfsprekend dat we particulieren aanmoedigen te kiezen voor een individuele oplossing. Evengoed blijft een gebouweigenaar de optie houden om niet mee te doen met het voorkeursalternatief voor de wijk en zelf een gelijkwaardig of duurzamer alternatief te kiezen. Maar aardgas is daarbij op termijn geen optie meer. 4. Gekozen warmteoplossingen dragen bij aan comfort, zijn duurzaam en lokaal We vinden het belangrijk dat aardgasvrije warmteoplossingen en maatregelen rondom besparing en isolatie bijdragen aan het wooncomfort.
Een comfortabele woning kan in de winter eenvoudig en storingsvrij worden verwarmd, maar moet tijdens de zomermaanden de warmte buiten de deur kunnen houden. Goede isolatie draagt hieraan bij. De gekozen oplossingen zijn daarnaast zoveel mogelijk hernieuwbaar en leveren zo min mogelijk schade op voor het milieu en de directe leefomgeving. Oplossingen zijn daarmee toekomstbestendig een verbetering ten opzichte van het gebruik van aardgas. Daarnaast streven we naar zoveel mogelijk lokale warmtealternatieven in te zetten en hebben we oog voor de circulariteit van de oplossingen. 5. Handelingsperspectief en aan de slag met energiebesparing Om onze gebouwen op een aardgasvrije en duurzame manier te verwarmen, is het van belang dat we aan de slag gaan met goede isolatie, ventilatie en de overstap naar elektrisch koken. Deze maatregelen kunnen nu al uitgevoerd worden en zijn altijd nuttig: ze zijn spijtvrij. We worden niet in één keer aardgasvrij, maar stapsgewijs. Het is daarom juist zo belangrijk ook in buurten, dorpen en wijken waar nu nog geen geschikte oplossing is om van het aardgas af te gaan, handelingsperspectief te bieden. Door vast aan de slag te gaan en gebouweigenaren te stimuleren en te ondersteunen om gebouwen “transitiegereed” te maken. Denk
3
In bijlage B wordt uiteengezet hoe de vergelijkende analyse eruit heeft gezien waarin de laagste maatschappelijke kosten een belangrijke rol spelen
12
daarbij aan tussenstappen zoals isoleren en hybride warmtepompen.
3 Duurzame warmteopties In dit hoofdstuk gaan we in op de warmteopties: welke aardgasvrije en duurzame warmteoptie is in welk type buurt het meest logisch, met de kennis van nu? We beschrijven de overstap naar duurzame warmteopties, maar beginnen met een toelichting op isoleren. In alle gevallen is het namelijk belangrijk om de warmtevraag terug te dringen. Vervolgens zijn er verschillende warmteopties, oftewel alternatieven voor verwarmen met aardgas. In het laatste deel van dit hoofdstuk behandelen we de afwegingscriteria die we hebben gebruikt om tot een warmteoptie per buurt te komen.
3.1 In alle gevallen: warmtevraag beperken door isoleren Ongeacht de meest voor de hand liggende duurzame warmteoptie voor een buurt, wijk of dorp, is het van belang dat we de warmtevraag terugdringen en andere noodzakelijke gebouwaanpassingen doen. Dit zijn ‘schilmaatregelen’, zoals isolatie van gevel, dak en vloer en vervanging van het glas en aanpassingen in de binneninstallatie, zoals radiatoren, ventilatie, het dichten van kieren en elektrisch koken. Bij gebouwgebonden maatregelen is het de vraag hoe ver we moeten gaan om gebouwen transitiegereed te krijgen. We nemen in de Transitievisie Warmte als uitgangspunt dat aan het einde van de transitie zoveel mogelijk gebouwen een basisniveau moeten hebben bereikt. Op dit moment verwarmen we onze woningen met 60-90 graden, terwijl we niet warmer douchen dan zo’n 40°C en niet warmer verwarmen dan zo’n 23°C. Met het basisniveau van isolatie kan een woning in ieder geval met 70°C verwarmd worden en ook met 40°C als de binneninstallatie daarvoor geschikt wordt gemaakt. Maatregelen om te komen tot het basisniveau zijn maatregelen waar je geen spijt van krijgt (‘spijtvrij’): wat het alternatief voor aardgas ook wordt voor je woning of gebouw, het isolatieniveau is er voor geschikt. Het basisniveau sluit aan op de Standaard en Streefwaarden.
Dit is een landelijke 4 richtlijn voor isoleren, en volgt uit een afspraak in het Klimaatakkoord. De Standaard en Streefwaarden hebben nog geen formele status. Welke status zij krijgen is aan het volgende kabinet. Het basisniveau voor de isolatie van onze woningen bereiken we als we tussen nu en 2050 inzetten op warmtevraagbeperking, bij voorkeur op natuurlijke momenten om de kosten zo laag mogelijk te houden. Nieuwere woningen zitten doorgaans al op het basisniveau. Bij oudere woningen moet er juist meer gebeuren. Die woningen zullen dus meer tijd nodig hebben om het basisniveau te bereiken. Sommige gebouwen, veelal van voor 1920 en soms monumentaal, zijn zo oud dat je een relatief hoge warmtevraag overhoudt, ook al doe je het maximale binnen de bestaande schil. Dit laatste type woningen komt in de polder niet voor.
3.2 De overstap naar duurzame warmteopties Deze paragraaf beschrijft in vogelvlucht de verschillende beschikbare warmteopties. Een gedetailleerde, technische beschouwing is opgenomen in bijlage C. Met een warmteoptie wordt bedoeld het meest logische alternatief voor aardgas in een wijk in 2050. Dit zegt nog niets over de fasering of planning per wijk, daarover wordt nader toelichting gegeven in hoofdstuk 4.
3.2.1 Warmtenet Een warmtenet is een infrastructuur van ondergrondse, geïsoleerde leidingen die warm water vervoert naar meerdere gebouwen. Er is dan sprake van een collectieve warmtevoorziening. De woning heeft in vergelijking met all-electric geen of minder ingrepen nodig aan de binneninstallatie, en in de woning is qua techniek alleen een afleverset aanwezig. De temperatuur van het aangeleverde warme water moet voldoende zijn om de woningen te kunnen verwarmen en in samenhang zijn met de temperatuur van de warmtebron. Voor veel woningen zal een
4
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2021/03/18/kamerbrief-standaard-voor-woningisolatie
13
middentemperatuurwarmtenet dat hoogstens 70°C levert op de koudste dagen van het jaar de laagste maatschappelijke kosten hebben. Bij dit temperatuurniveau is er een technisch en economisch optimum met de warmtevraagbeperking die hoort bij het basisniveau van isolatie en een eventuele aanpassing van de binneninstallatie. 70°C-levering geldt als maximum. Afhankelijk van de woningen kan de temperatuur van het warmtenet ook lager zijn of in de tijd verlaagd worden naarmate de woningen beter geïsoleerd zijn. Dat heeft als voordeel dat er meer woningen op dezelfde bron kunnen worden aangesloten. Warmtenetten hebben als belangrijk kenmerk dat er grote investeringen in de infrastructuur nodig zijn. Hierdoor zijn warmtenetten alleen haalbaar in gebieden met een hoge bebouwingsdichtheid. Dichtheden die een warmtenet kansrijk maken zien we vooral terug in Emmeloord. Een ander belangrijk kenmerk van warmtenetten is dat een warmtenet in een relatief kort tijdsbestek moet worden ontwikkeld, om zodoende snel voldoende aansluitingen te krijgen waarmee je voorinvesteringen voorkomt en zo snel mogelijk de bron kunt verduurzamen.
3.2.2 All-electric
‘All-electric’ betekent dat er in principe alleen nog een elektriciteitsnet in de buurt aanwezig is. Er is dan een warmteopwekinstallatie in de woning of het gebouw nodig die alleen elektriciteit gebruikt. Bijvoorbeeld een warmtepomp die warmte haalt uit de buitenlucht of de bodem. Iedere individuele vastgoedeigenaar kan op ieder moment de keuze maken om zijn huis niet alleen te isoleren, maar ook de CV-ketel te vervangen door bijvoorbeeld een warmtepomp. De individuele vastgoedeigenaar is dus veel minder afhankelijk van keuzes en beperkingen van andere vastgoedeigenaren in de straat, of in de buurt. De capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is echter beperkt en die capaciteit is bovendien ook nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit. Het elektriciteitsnet zal dus verzwaard moeten worden, niet alleen op buurtniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal, nationaal en internationaal niveau. Buurten waar all-electric oplossingen de laagste maatschappelijke kosten hebben zijn meestal buurten, dorpen en wijken met veel eengezinswoningen, gebouwd na 1990. In deze buurten, dorpen en wijken hoeven vaak nog maar beperkte gebouwgebonden maatregelen te worden genomen om de overstap naar all-electric te kunnen maken. Vervanging van radiatoren is dan nodig om de binneninstallatie geschikt te maken voor laag temperatuurafgifte.
In deze buurten is het gasnet doorgaans nog nieuw, evenals de gasketels. Tegelijkertijd is hier vaak al goed geïsoleerd, waardoor er relatief weinig klimaatwinst valt te behalen. Dit pleit ervoor om in deze buurten de volledige transitieperiode te benutten en eventueel de hybride warmtepomp als tussenstap te gebruiken.
3.2.3 Duurzaam gas In oudere buurten is zowel een warmtenet als all-electric met de huidige stand van de techniek vaak kostbaar of niet inpasbaar. Dat komt onder andere door drukte in de ondergrond en de oude, soms monumentale staat van de bebouwing die werkzaamheden kostbaar en technisch ingewikkeld maken. Met de kennis van nu is het daarom logisch om het bestaande gasnet hier te handhaven en op termijn te gebruiken voor duurzaam gas. Randvoorwaarde is dan wel dat er op termijn voldoende duurzaam gas is, zoals groengas of waterstofgas. Daarbij moet er rekening mee gehouden worden dat duurzaam gas ook voor andere doeleinden nodig is, zoals in de industrie, zwaar transport en voor de piekvoorziening van warmtenetten. Aangezien duurzaam gas zeer schaars is en voorlopig ook zal blijven, is in deze buurten waar het gasnet wordt gehandhaafd wel gasbesparing nodig. Door middel van isolatie, hybride warmtepompen en door gebouwen zoveel mogelijk gasvrij te maken met bijvoorbeeld allelectric kan een gasbesparing van 60% tot 70% worden gerealiseerd in deze buurten, dorpen en wijken. In de analyses voor de Noordoostpolder komt deze warmteoptie voor het eindbeeld in 2050 niet voor, omdat de woningen in de Noordoostpolder relatief nieuw zijn, met alleen naoorlogse bebouwing.
3.2.4 Variatie binnen buurten, dorpen en wijken: opt-out Een belangrijke nuance bij de verschillende warmteopties is dat de inkleuring van een buurt zelden betekent dat de hele buurt volledig op één warmteoptie over gaat. Om uiteenlopende financiële, technische of andere, lokale redenen kunnen gebouweigenaren kiezen voor andere warmteopties dan de optimale warmteoptie in een buurt. Eigenaren hebben en behouden keuzevrijheid om te kiezen voor een warmteoptie van hun eigen voorkeur. Dit betekent bijvoorbeeld dat vastgoedeigenaren kunnen kiezen voor een all-electric oplossing, ook al komt er in de buurt een warmtenet. Er is keuzevrijheid en die blijft er naar verwachting ook. Bovendien heeft de gemeente momenteel nog niet de bevoegdheid om het gasnet te laten verwijderen. Wel wordt de Wet collectieve warmtevoorziening (Wcw) in de nieuwe kabinetsperiode verwacht. Met deze wet kan de gemeente warmtekavels
14
aanwijzen waarmee woningeigenaren moeten aansluiten op het warmtenet, tenzij zij kiezen voor een ander duurzaam en gasvrij alternatief, zoals all-electric. Opt-out oplossingen zijn in principe individuele of kleinschalig collectieve warmteopties, zoals all-electric of lokale bronnetten met WKO, maar in sommige gevallen kan het ook zo zijn dat een complex wordt aangesloten op een warmtenet, terwijl voor de wijk als geheel een warmtenet niet als meest logische oplossing wordt gezien vanuit de vergelijkende analyses. De proeftuin in Nagele is hier een voorbeeld van. We gaan per warmteoptie verschillend om de opt-out. Bij buurten, dorpen en wijken die kansrijk zijn voor een warmtenet, zullen er gebouweigenaren zijn die om uiteenlopende redenen kiezen om niet op het warmtenet aan te sluiten. Zij behouden daartoe keuzevrijheid. Maar om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden is het wel belangrijk dat zoveel mogelijk gebouweigenaren aansluiten. Het ligt dus minder voor de hand in deze buurten, dorpen en wijken de opt-out te stimuleren. Uiteindelijk zullen ook de gebouweigenaren die kiezen voor een “opt-out” op het warmtenet, een gasvrije warmteoptie moeten kiezen. Om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden is opt-out in deze buurten, dorpen en wijken niet wenselijk.
Binnen de buurten, dorpen en wijken waar het gasnet voorlopig blijft liggen, is het wenselijk de opt-out naar aardgasvrije alternatieven zoals individueel all-electric wèl wenselijk. Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de verschillende warmteopties. Warmtenet
All electric
Duurzaam gas
Isolatie
Zoveel mogelijk op natuurlijke momenten het maximale doen binnen de bestaande schil (basisniveau)
Zoveel mogelijk op natuurlijke momenten het maximale doen binnen de bestaande schil (basisniveau).
Zoveel mogelijk op natuurlijke momenten het maximale doen binnen de bestaande schil (basisniveau).
Techniek in de woning
Midden-temperatuur afgiftesysteem en een afleverset. Relatief weinig impact in de woning.
Laag-temperatuur afgiftesysteem en een warmtepomp. Relatief veel impact in de woning
Midden-temperatuur afgiftesysteem en een hybride warmtepomp. Relatief veel impact in de woning
Infrastructuur
Warmtenet. Relatief veel impact in de ondergrond.
Extra verzwaard elektriciteitsnet. Relatief weinig impact in de ondergrond.
(Bestaande) gasnet. Relatief weinig impact in de ondergrond.
Bronnen
Mix van duurzame, lokale bronnen. Bij lage temperatuur bronnen hoort nog een collectieve warmtepomp.
Landelijke, op termijn duurzame, elektriciteitsmix in combinatie met omgevingswarmtebronnen zoals buitenlucht en bodem.
Op termijn duurzaam gas
Opt-out
All electric en lokale bronnetten. Opt-out is onwenselijk.
Lokale bronnetten
All electric en lokale bronnetten. Opt-out is wenselijk.
Tabel 1: Samenvatting van verschillende warmteopties
15
4 Transitiepaden en fasering In het vorige hoofdstuk is de basis gelegd voor de keuze van de warmteoptie per buurt. In dit hoofdstuk verrijken we die basis, zodat we per buurt meer perspectief creëren. We kijken per buurt van de Noordoostpolder naar de warmteoptie, de fasering, het handelingsperspectief (welke stappen kan een gebouweigenaar wanneer nemen), lokale kansen en ontwikkelingen en naar onzekerheden waar we mee om moeten gaan. Samen vormen die onderdelen het transitiepad van een buurt. We eindigen dit hoofdstuk met een kaart, die per buurt het transitiepad en het perspectief richting duurzame warmteopties weergeeft: de transitiekaart. In een transitiepad schetsen we per buurt de route om tot een warmteoptie te komen. In het transitiepad schetsen we zowel een fasering als tussenstappen, hoe we omgaan met op-out en wat voor aanpak erbij hoort, zoals een wijkgerichte aanpak of een doelgroepgerichte aanpak. In deze paragraaf lichten we toe hoe we tot de transitiekaart zijn gekomen, waarin de transitiepaden per buurt staan. Met de werkgroep hebben wij de volgende stappen doorlopen om te komen tot de transitiekaart: 1. Lokale validatie van het onderzoeksbeeld in de werkgroep. 2. Het kiezen van een transitiepad per buurt/dorp.
4.1 Lokale validatie van het onderzoeksbeeld We zijn gestart met het onderzoeksbeeld dat volgt uit een vergelijking van twee rekenmodelstudies (Warmtetransitiemodel van Over Morgen en de Startanalyse van het PBL) Het onderzoeksbeeld laat zien in welke buurten, dorpen en wijken er een robuuste uitkomst is van meerdere modellen en waar er geen of minder consensus is tussen de modellen. Het onderzoeksbeeld is de basis voor de keuze van een warmteoptie en transitiepad per buurt. Rekenmodellen werken echter op basis van inputdata en aannames en bevatten diverse onzekerheden. Daarom zijn de uitkomsten gevalideerd met de lokale werkgroep van betrokken partijen en zo nodig gecorrigeerd op basis van lokale afwegingen en informatie. Zo is bij de validatie met de werkgroep het onderzoek naar aquathermie in Emmeloord meegenomen en de geothermie uitbreiding bij de kassen in Luttelgeest. Daarnaast komt uit het onderzoeksbeeld voor een aantal dorpen consensus uit voor all-electric in het eindbeeld, maar is er met de werkgroep voor gekozen om één transitiepad te hanteren voor alle dorpen, ook voor de dorpen waarbij all-electric als uitkomst naar voren is gekomen. De verschillen tussen die dorpen zijn namelijk subtiel: als in het ene dorp net wat meer nieuwere (wijken met) nieuwbouwwoningen staan heeft, slaat de balans om naar all-electric.
Het is echter een grote uitdaging nu al met deze warmteoptie aan de slag te gaan, die kostbaar is en ingewikkeld, zeker voor wat oudere woningen. Het handelingsperspectief is dus ook voor de woningen in deze dorpen die uit het onderzoeksbeeld op all-electric uitkomen: besparen en overstappen op hybride. Alle transitiepaden worden hieronder nader toegelicht. De startkansen die op de transitiekaart geïdentificeerd zijn en de transitiepaden die gekozen zijn voor de Noordoostpolder zijn getoetst op de uitgangspunten uit hoofdstuk 2.
4.1.1 Het kiezen van een transitiepad per buurt Samen met de werkgroep zijn de transitiepaden gekoppeld aan buurten, dorpen en wijken; één transitiepad voor elke buurt en elk dorp. We onderscheiden de volgende transitiepaden. Met elke type buurt bedoelen we zowel buurten, dorpen als wijken.
16
Besparingsbuurten met perspectief op warmtenet Besparingsbuurten en periodiek herijken All-electricbuurten Bedrijventerreinen
4.1.1.1 Besparingsbuurten met perspectief op warmtenet Transitiepad Besparen, overstappen op hybride oplossingen, perspectief op warmtenet Gebouwen
Alle gebouwen gaan zoveel mogelijk op natuurlijke momenten naar het basisniveau van isolatie, installatie en elektrisch koken
Warmteoptie
Een warmtenet dat hoogstens 70°C levert in de wijk met een afleverset in de woning. Warmtenetten kunnen ook kleinschalig en lokaal zijn. In de Noordoostpolder zijn er verschillende kleinschalige warmtenetten in gebruik. Er is in deze buurt een duurzaam bronperspectief zoals aquathermie. De beschikbaarheid hiervan wordt onderzocht. In de opstartfase van een nieuw warmtenet zijn vaak nog tijdelijke transitiebronnen nodig, zoals aardgas.
Perspectief op duurzame bronnen
Het kiezen voor een hybride warmtepomp is in deze buurten in ieder geval de komende vijf jaar ook een spijtvrije maatregel. Een hybride warmtepomp kent namelijk een afschrijvingstermijn van 15 jaar, en van een eventuele start met een warmtenet zou pas na 2030 sprake kunnen zijn. Daarbij betekent ‘’starten vanaf 2030’’ niet dat in 2030 al het gros van de woningen is aangesloten op een warmtenet, dat zal geleidelijk gaan. Veel woningen zullen pas tussen 2035 en 2040 een aansluiting op een warmtenet kunnen krijgen. Daarom is het wenselijk om hybride warmtepompen nu te stimuleren als spijtvrije maatregel, waarmee in ieder geval de komende 10-15 jaar besparingen gerealiseerd kunnen worden in deze buurten. Tempo
Deze buurten, dorpen en wijken volgen een wijk- of doelgroepgerichte aanpak waarbij de buurt, of een cluster gebouwen binnen een buurt, in een bepaald tempo aansluit op het warmtenet. De snelheid waarin verschillende doelgroepen in een buurt wel of niet aansluiten is vooral afhankelijk van landelijke subsidies, financiering en regelgeving.
Opt-out
Eigenaren hebben een keuze om niet mee te doen met het warmtenet, en zelf voor een ander duurzaam alternatief voor aardgas te zorgen. Binnen deze buurten, dorpen en wijken zullen all-electric en lokale bronnetten als opt-out voorkomen. Om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden is opt-out in deze buurten en dorpen niet wenselijk.
4.1.1.2 Besparingsbuurten en periodiek herijken Transitiepad Besparen en periodiek herijken Gebouwen
Alle gebouwen gaan zoveel mogelijk op natuurlijke momenten naar het basisniveau van isolatie, installatie en elektrisch koken.
Warmteoptie en herijking
Voor deze buurten, dorpen en wijken is het nog onduidelijk welke warmteoptie zij krijgen. De lage dichtheden en de kleine schaal maken warmtenetten lastig haalbaar. Ook de verschillende naoorlogse bouwperioden van het aanwezige vastgoed maken dat all-electric relatief kostbaar en ingewikkeld is, zeker voor de oudere woningen. Hiernaast is het onzeker of deze buurten, dorpen en wijken op de lange termijn aanspraak kunnen maken op duurzaam gas door het uitsluitend naoorlogse vastgoed wat aanwezig is. Daarom volgen deze buurten, dorpen en wijken een spijtvrij transitiepad gericht op gasbesparing en overstappen op hybride warmtepompen, en krijgen zij extra aandacht bij de vijfjaarlijkse herijking van de Transitievisie Warmte, waarbij de warmteoptie opnieuw wordt beoordeeld op basis van voortschrijdend inzicht. Bij de herijking zal de vraag beantwoord moeten worden of een collectieve óf individuele warmteoplossing kansrijk is voor deze buurten. Collectieve oplossingen hangen af van een mogelijke startmotor en bron. Als die er niet zijn, is een individuele oplossing zeer waarschijnlijk. Dit laatste zal in de dorpen veelal het geval zijn. Overstappen op hybride warmtepompen is overal een spijtvrije tussenstap. Vanuit hybride kan altijd overgestapt worden naar all-electric of een warmtenet. Dan maakt de hybride warmtepomp op termijn
17
plaats voor een volledige warmtepomp of een afleverset van het warmtenet. Tempo
Deze buurten, dorpen en wijken stappen in het tempo van gebouweigenaren naar het basisniveau isoleren en kiezen eventueel voor hybride warmtepompen als spijtvrije tussenoplossing.
Opt-out
Binnen deze buurten, dorpen en wijken zullen individueel all-electric en lokale bronnetten als opt-out voorkomen.
4.1.1.3 All-electricbuurten Transitiepad All-electricbuurten Gebouwen
Alle gebouwen gaan zoveel mogelijk op natuurlijke momenten naar het basisniveau van isolatie, installatie en elektrisch koken. Daarnaast zetten deze gebouwen een extra stap om de binneninstallatie (bijvoorbeeld radiatoren) geschikt te maken voor all-electric.
Warmteoptie
Individueel all-electric door middel van een warmtepomp in de woning en een extra verzwaard elektriciteitsnet in de wijk.
Tempo
Deze buurten stappen gestaag over op all-electric, in het tempo van gebouweigenaren. Een te hoog tempo is in deze buurten onnodig door:
De extra stap die deze gebouwen moeten zetten in de binneninstallatie, die bij voorkeur op een natuurlijk moment (verbouwing/ verhuizing) wordt gezet.
Het feit dat dit vaak relatief jonge wijken zijn waar gasleidingen en riolering vaak nog lang niet afgeschreven zijn.
Het feit dat er nog veel inpandige innovaties verwacht worden die de kosten verlagen en netverzwaring wellicht voorkomen.
Het feit dat deze buurten vaak al redelijk geïsoleerd zijn, waardoor er relatief weinig klimaatwinst te behalen valt.
Toch is het belangrijk er rekening mee te houden dat als steeds meer eindgebruikers van het gasnet af gaan, de kosten voor het onderhoud over steeds minder aangeslotenen verdeeld moeten worden en hiermee dus omhoog gaan. Dus enige voorspelbaarheid inbouwen door middel van collectieve sturing vanuit de gemeente is wel wenselijk. Netverzwaring
Op een gegeven moment zijn zoveel gebouwen overgestapt op een warmtepomp dat netverzwaring onvermijdelijk is. De netbeheerder monitort de capaciteit op het net, en kiest samen met de gemeente en de woningcorporatie een natuurlijk moment om het elektriciteitsnet te verzwaren en het gasnet te verwijderen, zoals bij rioleringsvervanging. Ook woningcorporatie Mercatus wordt hier nauw bij betrokken. Netverzwaring en gasnetverwijdering zijn niet per definitie op hetzelfde moment.
Opt-out
Binnen deze buurten zullen lokale bronnetten als opt-out voorkomen. Bronnetten zijn feitelijk een kleine ‘collectieve opt-out’ waar een groep bewoners kiest voor een gezamenlijk alternatief voor de individuele all-electric optie. Een bronnet kan mogelijk verzwaringen aan het net voorkomen.
Varianten
We onderscheiden een variant in dit transitiepad:
18
Relatief jonge buurten: deze buurten hebben een mediaan bouwjaar van na 1990. Zij zijn al relatief goed geïsoleerd en hebben dus minder natuurlijke momenten nodig om de transitie te doorlopen en zijn naar verwachting al rond 2040 aardgasvrij.
4.1.1.4 Buitengebied Transitiepad Buitengebied Gebouwen
Verspreide bebouwing in zeer lage dichtheden, plattelandswoningen en boerderijen
Warmteoptie
De bebouwing in de Noordoostpolder is voor het overgrote deel vroeg naoorlogs. Dat wil zeggen dat het mogelijk is om de bebouwing geschikt te maken voor lage temperatuurverwarming, zoals all-electric, maar dat dit relatief veel ingrepen en bijbehorende kosten met zich meebrengt. Hybride warmtepompen zijn hier daarom een logische warmteoptie: we kunnen daarmee snel beginnen met gas en CO2 besparen. Ondertussen gaan we stapsgewijs isoleren tot het basisniveau. Indien er op lange termijn duurzaam gas beschikbaar komt, is de hybride warmtepomp ook de eindoplossing. Indien er geen duurzaam gas beschikbaar komt, maken we op termijn de overstap naar all-electric. Daarom is het belangrijk om te isoleren, ook na overstap naar de hybride warmtepomp.
Tempo
We gaan volop aan de slag met het ‘’transitiegereed’’ maken van alle gebouwen door isolatie, overstappen op hybride warmtepompen en elektrisch koken. All-electric is de logische eindoplossing als er onvoldoende duurzaam gas beschikbaar komt, maar de gebouwen in het buitengebied zullen alle tijd nodig hebben om hier geschikt voor gemaakt te worden en om de capaciteit op het net uit te breiden. Het is dus wenselijk hier alle tijd voor te nemen tot 2050 en hybride als tussenoplossing te zien. Bij eventuele (ruime) beschikbaarheid van duurzaam gas in de toekomst kan hybride ook de eindoplossing zijn. Verschil met de dorpen is dat het buitengebied niet als gebied na vijf jaar herijkt wordt, maar dat doorlopend de gebouwen in het buitengebied de overstap naar hybride maken en in samenwerking en afstemming met de netbeheerder naar netverzwaring gekeken wordt.
4.1.1.5 Bedrijventerreinen Transitiepad Bedrijventerreinen Gebouwen
Voor bedrijfsbebouwing geldt dat inregeling van de binneninstallatie vaak belangrijker is dan het maken van bouwkundige aanpassingen. Dit is echter ook sterk afhankelijk van de gebruiksfunctie van het bedrijfspand.
Warmteoptie
Op bedrijventerreinen zullen individuele en kleinschalig collectieve warmteopties voorkomen. Het gaat daarbij om all-electric maar ook om WKO-netten die naast warmte ook koude kunnen leveren. De energie-infrastructuur op een bedrijventerrein is echter in hoge mate maatwerk, zeker als er procesindustrie op het terrein aanwezig is.
Tempo
Deze buurten volgen het tempo van de gebouweigenaren. Het tempo zal mede bepaald worden door de verplichtingen die bedrijven hebben onder de Wet milieubeheer om energie 5 te besparen, en de handhaving van de Omgevingsdienst hierop. Voor collectieve oplossingen is het belangrijk dat gebouweigenaren, zowel bedrijven als woningeigenaren, hun tempo afstemmen
5
https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/energie-besparen/informatieplicht-energiebesparing/bedrijven-en-instellingen
19
4.2 De transitiekaart van de Noordoostpolder Op basis van al het voorgaande kunnen we nu de transitiekaart van de Noordoostpolder weergeven.
4.2.1 Onderbouwing transitiepad per buurt Per buurt heeft de lokale werkgroep het transitiepad gekozen en onderbouwd. Hierbij is gekeken naar de lokale omstandigheden in de Noordoostpolder, het perspectief op duurzame bronnen, goede aansluiting op de uitgangspunten en aansluiting bij reeds lopende plannen en initiatieven van bijvoorbeeld de corporaties. Gezien de verscheidenheid aan transitiepaden voor Emmeloord, is de ingezoomde kaart voor Emmeloord onderaan de tabel toegevoegd. Buurt/dorp
Transitiepad
Emmeloord
Onderzoek warmtenet (starten vanaf 2031)
Onderbouwing/ toelichting
Voor een deel van Emmeloord zien we kansen om na 2030 mogelijk aan te sluiten op een warmtenet. Dit hangt af van de uitkomsten van een haalbaarheidsstudie naar een warmtenet op aquathermie dat voor een deel van Emmeloord wordt uitgevoerd. Het gebied waarbinnen deze haalbaarheidsstudie wordt uitgevoerd is aangemerkt als startkans
In de buurt Revelsant-Zuid, het linker gedeelte van het aquathermie verkenningsgebied, liggen de maatschappelijke kosten van een warmtenet en allelectric binnen een marge van 10% van elkaar. Met de werkgroep is besloten deze buurten ook aan te merken
Besparingsbuurt met aandacht voor herijking All-electric Bedrijventerrein
20
als kansrijke warmtenetbuurten als onderdeel van het mogelijke warmtenet op aquathermie. Uit de haalbaarheid van de aquathermiestudie moet blijken of deze buurten daadwerkelijk aangesloten kunnen worden.
Een deel van Emmeloord komt in het onderzoeksbeeld uit op onzeker: voor deze buurten komt uit de vergelijkende analyse geen duidelijke voorkeur voor een warmteoptie naar voren: de kosten van een warmtenet en all-electric liggen hier dicht bij elkaar vanwege de lage woningdichtheid. Daarom merken we deze buurten aan als besparingsbuurten, waar we extra aandacht aan schenken bij de periodieke herijking. Bij die herijking kan gekeken worden of we op basis van de nieuwste inzichten en ontwikkelingen, nieuwe conclusies kunnen trekken.
De Zuidert is een besparingsbuurt. Met de werkgroep is afgesproken de Zuidert aan te merken als startkans om hier met een gebiedsgerichte aanpak aan de slag te gaan met een collectief isolatieplan. Dit in samenwerking met woningcorporatie Mercatus.
Emmelhage-Boswonen is een relatief jonge buurt, allelectric heeft in het onderzoeksbeeld de laagste maatschappelijke kosten.
Een deel rondom Emmeloord bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties. Hier wordt maatwerk toegepast.
Rutten
Besparingsbuurt met aandacht voor herijking
Rutten komt in het onderzoeksbeeld uit op all-electric. Samen met de werkgroep is ervoor gekozen voor alle de dorpen één transitiepad te kiezen, ook al is er soms consensus uit het onderzoeksbeeld voor all-electric. De verschillen tussen de dorpen zijn namelijk subtiel, waardoor een paar nieuwbouwwoningen ertoe kunnen leiden dat de balans nu omslaat naar all-electric. Allelectric is kostbaar en ingewikkeld, zeker voor de oudere woningen, maar kan wel de eindoplossing zijn voor het einde van de transitie in 2050. Dit kan met meer zekerheid bepaald worden bij de herijking van de Transitievisie Warmte. Voor nu focussen we op de tussenstappen en is het handelingsperspectief daarom: besparen en overstappen op hybride oplossingen.
Creil
Besparingsbuurt met aandacht voor herijking
Creil komt in het onderzoeksbeeld uit op all-electric. Samen met de werkgroep is ervoor gekozen voor alle de dorpen één transitiepad te kiezen, ook al is er soms consensus uit het onderzoeksbeeld voor all-electric. Allelectric is kostbaar en ingewikkeld, zeker voor de oudere woningen, maar kan wel de eindoplossing zijn voor het einde van de transitie in 2050. Dit kan met meer
21
zekerheid bepaald worden bij de herijking van de Transitievisie Warmte. Voor nu focussen we op de tussenstappen en is het handelingsperspectief daarom: besparen en overstappen op hybride oplossingen. Espel
Besparingsbuurt met aandacht voor herijking
Komt in het onderzoeksbeeld op onzeker uit, doordat de kosten tussen de verschillende warmteopties dicht bij elkaar liggen. De keuze is dan tussen een individuele warmteoptie (all-electric) of collectieve opties (warmtenetten). Collectieve opties hangen af van de aanwezigheid van een startmotor zoals veel corporatiebezit en een warmtebron. Die zijn er voor de meeste dorpen niet, waarmee het individuele pad voor de hand liggend is. Daarbij is een snelle overstap naar allelectric kostbaar en ingewikkeld, dus hybride is een goede spijtvrije tussenstap. Vanuit hybride kan altijd nog overgestapt worden naar all-electric of naar een warmtenet. Bij aanwezigheid van voldoende duurzaam gas in de toekomst kan hybride voor Espel ook een eindoplossing zijn.