CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

14.1 Bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 (vastgesteld 22-4-2024).pdf

Gemeenteraad 22 april 2024, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 14: Bestemmingsplan Creil, Oost fase 323.065 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

34

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1

Bedrijven en milieuzonering

4.1.1 Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van (nieuwe) milieugevoelige functies zoals woningen:  

ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Tabel 4.10.1: milieucategorieën met bijbehorende richtafstand per omgevingstype (bron: VNG) Milieucategorie

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1

50 meter

30 meter

3.2

100 meter

50 meter

4.1

200 meter

100 meter

4.2

300 meter

200 meter

5.1

500 meter

300 meter

5.2

700 meter

500 meter

5.3

1.000 meter

700 meter

6

1.500 meter

1.000 meter

4.1.2 Toetsing Met de beoogde ontwikkeling worden maximaal 57 nieuwe woningen gerealiseerd. Woningen zijn milieugevoelig. In de omgeving van het plangebied is het woongebied van Creil aanwezig en agrarische gronden. Het gebied is dan ook aan te merken als omgevingstype woonwijk.

bestemmingsplan (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 In de omgeving van de woningen zijn geen bedrijven aanwezig. In het buitengebied zijn met name agrarische bedrijven aanwezig. Binnen een zone van 250 m van de kwetsbare/milieugevoelige gebieden worden de bestaande veehouderij bedrijven sterk beperkt in hun uitbreidingsmogelijkheden. Het dichtstbijzijnde bedrijf is het agrarische bedrijf ter plaatse van Noorderringweg 37-I op een afstand van circa 260 meter. Dit betreft een bloembollenbedrijf (milieucategorie 2) met een richtafstand van minimaal 30 meter. In de omgeving zijn geen andere bedrijven aanwezig die beperkt worden als gevolg van de beoogde woningbouw. Doordat voldaan wordt aan de richtafstand kan ter plaatse van de beoogde woningen een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.1.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.2

Spuitzones

4.2.1 Algemeen Ter plaatse van agrarische gronden kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Bij ruimtelijke plannen in de omgeving van agrarische gronden dienen deze mogelijke gezondheidsrisico’s te worden afgewogen. Er gelden geen wettelijke normen of afstandseisen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van woningen. Toch wordt er, in het kader van goede ruimtelijke ordening, gekeken hoe de woningen zich verhouden tot deze agrarische gronden. Hiervoor wordt veelal getoetst met een richtafstand van 50 meter tussen woningen en agrarische gronden. De 50 meter-contour is geen harde grens. Verkleinen van een spuitzone is in beginsel mogelijk maar dit dient wel goed te worden gemotiveerd. 4.2.2 Toetsing Op basis van het planontwerp is rekening gehouden met spuitzones. Ten oosten van het plangebied is een groenstrook ingepland waardoor een afstand van 50 meter wordt aangehouden tot aan de agrarische percelen. Aan de richtafstand van 50 meter wordt hier voldaan. Voor de agrarische percelen ten noorden van het plangebied zal een afstand van ten minste 30 meter gehouden worden tot de woningen en eventueel de tuin. Hiermee wordt afgeweken van de richtafstand van 50 meter.

Het aansluitende perceel wordt in de huidige situatie onder meer gebruikt voor bloembollenteelt. Voor de spuitzone moet uitgegaan worden van de planologische mogelijkheden. In de beheersverordening Landelijk gebied (2016-03-21) heeft het agrarisch perceel een bestemming 'Agrarisch gebied - (o) openheid van landschap'. Binnen deze bestemming is het behoud van de landschappelijke openheid een

36

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 belangrijke doelstelling. Hoogopgaande boomkwekerij of fruitteelt is daarbij dus niet toegestaan. Op het perceel is fruitteelt planologisch niet mogelijk. Vooral bij fruitteelt worden bomen op hoogte gespoten waardoor spuitnevel door de wind gedragen kan worden. Bij bloembollenteelt is sprake van lage spuitnevel. Het plangebied ligt daarnaast ten zuiden van het agrarische perceel. In Nederland is een dominante zuidwesten wind. Hiermee is de zuidelijke richting een gunstige ligging waarmee het gezondheidsrisico ter plaatse van het plangebied lager is. Een gezondheidsrisico is daarmee echter niet volledig uitgesloten. Daarom wordt langs het agrarische perceel een windhaag gerealiseerd. Het gaat daarbij om een windhaag met dichte opgaande beplanting die in stand gehouden wordt met een breedte van ten minste 2 meter en een hoogte van ten minste 3 meter. Met deze windhaag, in combinatie met dat er geen boomkwekerij of fruitteelt mogelijk is en daarmee sprake is van lage spuitnevel en de gunstige zuidelijke ligging van het plangebied, kan een gezondheidsrisico uitgesloten worden. De aanleg en instandhouding van de windhaag wordt planologisch geborgd in de planregels. De windhaag dient voor in gebruik name van de woningen volledig gerealiseerd zijn.

4.2.3 Conclusie Voor het agrarische perceel ten noorden van het plangebied wordt niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter die gehanteerd wordt voor spuitzones. Op het agrarische perceel is bloementeelt mogelijk op een afstand van circa 30 meter tot de woningen/tuinen. Door het realiseren van de windhaag kan gesteld worden dat een gezondheidsrisico ter plaatse van de beoogde woningen uitgesloten wordt.

4.3

Geluid

4.3.1 Algemeen Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. 4.3.2 Toetsing en conclusie Ten behoeve van het voorliggende plangebied wordt geconstateerd dat alle omliggende bestaande wegen in de woonwijk een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben. Zoals in voorgaand paragraaf is aangegeven, hebben wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur geen wettelijke geluidszone. Wel ligt de meest noordelijke hoekwoning als enige net binnen de afstand van de provinciale weg (200 meter grens) waar een maximumsnelheid van 80 km/uur gereden mag worden.

bestemmingsplan (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 Op basis van de Atlas Leefomgeving is gekeken naar het geluid van wegverkeer. Op basis van afbeelding 4.1 kan gesteld worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van minder dan 45 dB. Hiermee is het aannemelijk dat aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt voldaan. Daarnaast ligt de woonwijk in een 30 km uur gebied. Gelet hierop is nader onderzoek niet noodzakelijk. De Wet geluidhinder (Wgh) staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

Afbeelding 4.1: Uitsnede kaart wegverkeerslawaai (bron: Atlas Leefomgeving)

4.4

Ecologie

4.4.1 Algemeen Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten

38

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:   

alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:   

soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

bestemmingsplan (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 4.4.2 Toetsing 4.4.2.1

Gebiedsbescherming

In en rond het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het IJsselmeer op circa 4 kilometer. Het meest nabijgelegen gebied met vermesting- en/of verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Weerribben. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op 3,5 kilometer ten westen van het plangebied. Het plangebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen tevens effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Het enige mogelijk relevante ecologische effect betreft vermesting/verzuring als gevolg van stikstofdepositie. Om de toename van de depositie op de Natura 2000-gebieden te bepalen is met het programma AERIUS-Calculator een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, zie Op basis van de berekening, zie bijlage 2 zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en, gebruiksfase uitgesloten. De beoogde ontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. 4.4.2.2

Soortenbescherming

Voor de beoogde ontwikkeling is een quickscan ecologie uitgevoerd door Mateboer milieutechniek (2023), zie Bijlage 3. Uit de quickscan komen de volgende resultaten naar voren. Flora Op basis van de gegevens van Quickscanhulp zijn binnen een straal van één kilometer geen beschermde plantensoorten waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn eveneens geen beschermde plantensoorten waargenomen in het plangebied. Deze worden op basis van de aanwezige biotoop ook niet verwacht. Aangetroffen plantensoorten betreffen niet-beschermde soorten zoals paardenbloem, brandnetel, korenbloem en diverse grassoorten. Het nemen van vervolgstappen is voor flora niet aan de orde. Vleermuizen Op basis van de gegevens van de quickscan is binnen een straal van één kilometer de gewone dwergvleermuis waargenomen. Aangezien in het plangebied geen bomen of gebouwen staan die kunnen fungeren als verblijfplaats voor vleermuizen is er geen sprake van het verwijderen van mogelijke verblijfplaatsen. Tevens is er geen sprake van het onderbreken van een vliegroute. Mogelijk wordt het plangebied wel gebruikt als foerageergebied. In de omgeving zijn hiervoor genoeg uitwijkmogelijkheden. Wanneer de werkzaamheden in de schemer of nacht uitgevoerd worden, kan kunstlicht wel een verstorende factor zijn voor vleermuizen. Om deze reden dienen de werkzaamheden te allen tijde tijdens daglicht uitgevoerd te worden.

Wanneer dit niet mogelijk is, is het nodig maatregelen te nemen om verstoring door kunstlicht te voorkomen.

40

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 Grondgebonden zoogdieren Op basis van de gegevens van Quickscanhulp zijn binnen een straal van één kilometer de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten bunzing, egel, otter, woelrat en wolf waargenomen. De soorten egel en woelrat zijn in de Provincie Flevoland vrijgesteld. In het plangebied en de directe omgeving ervan zijn tijdens het veldbezoek geen waarnemingen (zoals sporen, uitwerpselen en verblijfplaatsen) gedaan die duiden op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de egel, otter, woelrat en wolf. De bunzing heeft een voorkeur voor kleinschalig landschap met greppels, overhangende vegetatie en houtwallen. Ook bewoonde gebieden kan als leefgebied van de bunzing fungeren. Hierbij worden onder andere schuurtjes en takkenhopen als dag rustplaats gebruikt. In het plangebied is geen geschikt habitat aangetroffen voor het verblijven van de bunzing. Het is mogelijk dat de bunzing het plangebied gebruikt als foerageergebied. In de omgeving zijn en blijven voldoende alternatieven aanwezig. Daarentegen kan het voor de wezel niet uitgesloten worden dat er verblijfplaatsen verloren gaan. De wezel maakt gebruikt van mollen- en muizengangen als verblijfplaats en foerageergebied. Om overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen dient een mitigatieplan en ontheffing te worden opgesteld.

De wolf heeft voorkeur voor uitgestrekte bossen en moerasgebieden. Tijdens het veldbezoek is geen geschikt habitat aangetoond voor de wolf. De otter heeft voorkeur voor oeverzones met voldoende dekking van stromende wateren. Tijdens het veldbezoek is geen geschikt habitat aangetoond voor het verblijven van de otter. Daarnaast vormt het plangebied geen essentieel leefgebied voor deze soort en zijn en blijven in de omgeving ruim voldoende alternatieven aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van andere beschermde (en niet vrijgestelde) zoogdieren. Vervolgstappen zijn in deze situatie niet noodzakelijk voor grondgebonden zoogdieren (Zoogdiervereniging, 2023). Broedvogels Broedvogels met een jaarrond beschermd nest Op basis van de gegevens van Quickscanhulp zijn binnen een straal van één kilometer diverse jaarrond beschermde soorten waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen waarnemingen gedaan van jaarrond beschermde nesten. In de omgeving zijn wel jaarrond beschermde nesten te verwachten. Zo zijn bij de huizen ten zuiden en westen van het plangebied huismussen te verwachten. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden zijn geen negatieve effecten te verwachten op broedvogels met een jaarrond beschermd nest. Zo worden geen nesten verwijderd en is geen sprake van verstorende werking door de werkzaamheden.

Overige broedvogels In en rondom het plangebied zijn diverse meer algemeen voorkomende vogelsoorten waargenomen, zoals merel en houtduif. Er is een mogelijkheid voor vogels zoals eenden om in de akkerrandvegetatie te broeden. Omdat de werkzaamheden (mogelijk) in het broedseizoen worden uitgevoerd, zijn mogelijk negatieve effecten te verwachten. Zo worden mogelijk nesten verwijderd van broedende vogels in de akkerrandvegetatie en is sprake van verstorende werking door de werkzaamheden.

bestemmingsplan (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 Om overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal van half maart tot en met half juli) uitgevoerd te worden of dient voorafgaand aan werkzaamheden (wanneer in het broedseizoen wordt gestart met de werkzaamheden) een broedvogelcheck worden uitgevoerd. Amfibieën Op basis van de gegevens van Quickscanhulp is binnen een straal van één kilometer de amfibie, de rugstreeppad waargenomen. Tijdens het veldbezoek is in het plangebied en de directe omgeving geschikt voortplantingsbiotoop vastgesteld voor deze soort. In de sloten in en rond het plangebied is voortplanting te verwachten van de beschermde amfibieënsoort de rugstreeppad. Aangezien aan de randen van het plangebied voldoende ondergroei en andere wegkruipmogelijkheden aanwezig zijn, is het tevens aannemelijk dat amfibieën overwinteren in het plangebied. Daarnaast gebruikt de rugstreeppad losgrondige zanderige bodems met snel opwarmende bodemplaatsen en ondiep (tijdelijk) water, die bij voorkeur vegetatieloos zijn. Het akkerland is daarmee geschikt leefgebied voor de rugstreeppad. Om overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen dient te worden vastgesteld of het akkerland en de sloten worden gebruikt als verblijfplaats en/of voorplantingsgebied door de rugstreeppad.

Het doen van nader onderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad is vereist. Reptielen Uit de gegevens van Quickscanhulp blijkt dat binnen een straal van één kilometer geen reptielen zijn waargenomen. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat in het plangebied geen geschikt habitat (zoals (heide)vegetatie) aanwezig is voor inheemse reptielen. Het nemen van vervolgstappen is deze soortgroep niet nodig. Vissen Binnen een straal van één kilometer blijkt dat op basis van de Quickscanhulp geen vissen zijn waargenomen. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat in het plangebied geen permanent oppervlaktewater aanwezig is. Hierdoor kan worden uitgesloten dat vissen aanwezig zijn in het plangebied. Het nemen van vervolgstappen is voor deze soortgroep niet nodig. Ongewervelden Op basis van de gegevens van Quickscanhulp blijkt dat binnen een straal van één kilometer geen beschermde ongewervelden zijn waargenomen. Geschikt leefgebied voor deze ongewervelden is eveneens niet binnen het plangebied aanwezig. Zowel negatieve effecten op als het nemen van vervolgstappen voor deze soortgroep is niet aan de orde. 4.4.3 Conclusie

Met in achtneming van de genoemde maatregelen leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Voor de rugstreeppad is nader onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek wordt verricht in de relevante onderzoeksperiode van mei tot en met juni 2024. Tevens is dit met een voorwaardelijke verplichting in de regels vastgelegd. Voor de wezel moet een mitigatieplan worden opgesteld en een omgevingsververgunning natuuractiviteit worden aangevraagd. Voor zowel de wezel als de rugstreeppad is de verwachting dat de eventueel benodigde omgevingsvergunning voor de natuuractiviteit wordt verleend. Beide diersoorten staan de uitvoering van het plan niet in de weg. Bovendien zal ten alle tijde de zorgplicht vanuit de Omgevingswet worden nageleefd. Gelet op het vorenstaande is het voorliggend plan uitvoerbaar.

42

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3

4.5

Cultuurhistorie

4.5.1 Algemeen Cultuurhistorische waarden omvatten alle structuren, elementen en gebieden die cultuurhistorisch van belang zijn. Deze zeggen meer over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is sprake van een sterke relatie tussen aardkundige elementen en cultuurhistorische elementen. De bescherming van deze laatste is vastgelegd in de Monumentenwet 1988, welke vooral gericht is op het behouden van historische elementen voor latere generaties. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat een ruimtelijk plan een beschrijving dient te bevatten van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden om is gegaan. De cultuurhistorisch landschappelijke waarde van de Noordoostpolder is van groots belang, maar tevens is heel duidelijk de behoefte om deze waarde te blijven verbeteren.

De gemeente wenst tegelijkertijd ruimte te bieden aan nieuwe ontwikkelingen, die zorgvuldig een plek moeten krijgen in het landschap. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Dit erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Dit maakt de bescherming van deze elementen van belang. Cultuurhistorie en beleid De cultuurhistorie van Noordoostpolder is vastgelegd en toegelicht in diverse beleidsdocumenten, zoals: 'Kwaliteitskaart Noordoostpolder Urk - Deel 1' (H+N+S landschapsarchitecten en Beek Kooiman Cultuurhistorie, 2004), 'Landschapsvisie Noordoostpolder, landschap van rust en regelmaat' (Feddes/Olthof Landschapsarchitecten, 2012), 'Structuurvisie Noordoostpolder 2025', (Kuiper compagnons/Gemeente Noordoostpolder, 2013) en de 'Erfgoednota', (Gemeente Noordoostpolder, 2013). Deze beleidsdocumenten nemen het bijzonder ontworpen landschap van de Noordoostpolder als vertrekpunt wanneer sprake is van vernieuwing en ontwikkeling. Het credo van eertijds de Nota Belvedère behoud door ontwikkeling, is nog altijd van kracht en klinkt tevens door in de aanwijzing van de Noordoostpolder als Nationaal Wederopbouwgebied in de beleidsnota 'Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter' van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE, 2016).

4.5.2 Toetsing Er bevinden zich binnen het plangebied op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland en het gemeentelijke beleidsstuk 'Erfgoed in de gemeente Noordoostpolder' geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. In de directe omgeving van het plangebied komen eveneens geen monumenten of cultuurhistorische waarden voor.

bestemmingsplan (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 De kavels en de directe omgeving waar het voorliggende plan betrekking op heeft, kent een aantal karakteristieken die kenmerkend zijn voor de Noordoostpolder. Door die kenmerken, en de zichtbaarheid daarvan, draagt het bij aan de herkenbaarheid van de Noordoostpolder en daarmee haar bijzondere identiteit. Van de dorpen in de Noordoostpolder zijn Marknesse, Ens, Luttelgeest, Bant, Creil, Espel en Tollebeek ontworpen als een 'nederzetting rond een centrale ruimte': meestal een min of meer langgerekte brink waarlangs winkels, woningen, openbare gebouwen en altijd drie kerken staan. Die brink is een ruim opgezet grasgazon omzoomd door bomen en met lage, aaneengesloten bebouwing. De nieuwe woonwijk is aangrenzend aan de bestaande woonwijk. Hierdoor sluit de woonwijk aan op de bestaande bebouwing en is er sprake van een compacte uitbreiding met aaneengesloten bebouwing. Daarnaast wordt de woonwijk ruim opgezet omzoomd door bomen. 4.5.3 Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat met het planvoornemen voldoende mate rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving.

4.6

Archeologie

4.6.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.6.2 Toetsing De gemeente Noordoostpolder heeft haar archeologische beleid vastgelegd in het rapport 'Erfgoed in de polder, Actualisatie van de archeologische waarden en verwachtingen kaart van de gemeente Noordoostpolder (2018)'. Op de archeologische beleidsadvieskaart hebben de gronden binnen het plangebied geen verwachtingswaarde. Archeologisch onderzoek kan achterwege blijven. 4.6.3 Conclusie Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van het voorliggende plan niet noodzakelijk.

44

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3

4.7

Water

4.7.1 Algemeen Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Zuiderzeeland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Het plan is op 21 september 2023 via de digitale watertoets voorgelegd aan het waterschap Zuiderzeeland. Zie hiervoor Bijlage 4. Op basis van inhoudelijke beoordeling van de ontwikkeling is de normale procedure van toepassing voor de watertoets. Dit bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg aan het waterschap voorgelegd voor een wateradvies. Dit advies is verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) De KRW is in 2000 ingevoerd.

Het heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakteen grondwater terug te dringen. De gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag de beschikbare grondwatervoorraad op lange termijn niet overschrijden. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw bracht in augustus 2000 advies uit over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw zijn twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  

• vasthouden, bergen en afvoeren; • schoonhouden, scheiden en zuiveren.

Waterwet De Waterwet (2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Eén van de voornaamste veranderingen, naast invoering van de watervergunning, is de verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein.

bestemmingsplan (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en het Beheer en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021. Het NWP komt voort uit de Waterwet en met het oog op de Omgevingswet zijn deze twee plannen samengevoegd tot één programma. In het NWP staan de internationale verplichtingen voortkomend uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR) en de Kaderrichtlijn Maritieme Strategie (KRM). Het Nationaal Waterprogramma geeft op hoofdlijnen het beleid aan van het Rijk in de periode 2022 – 2027. Door klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, het verlies aan biodiversiteit en ruimtedruk worden de wateropgaven steeds groter en complexer. De opgaven zijn complex door deze in samenhang met de opgaven voor energietransitie, de woningbouw, de transitie van het landelijk gebied en de verouderde infrastructuur aan te pakken. Bij de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn daarvoor water en bodem leidend. Het vraagt daarvoor in te zetten op klimaat- en landbouwtransitie en herstel voor natuur. Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland De Watervisie verbindt waterthema's en maatschappelijke opgaven.

Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater. Stedelijk waterplan Noordoostpolder De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (april 2006). Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewateren grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd.

De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Als aanvulling op het Stedelijk waterplan is in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke 'Maatwerkovereenkomst stedelijk water' ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daardoor beter verankerd. Verdere actualisatie met het oog op onder andere de klimaatadaptatie is verwerkt in het gezamenlijk door het Waterschap Zuiderzeeland en gemeente Noordoostpolder opgesteld Watertakenplan Noordoostpolder 2019-2024. Op grond van onder meer de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk

46

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 afvalwater, een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het 'gebiedseigen water' wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het Waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Klimaatadaptatie Ons klimaat verandert, onze winters worden zachter en natter en onze zomers warmer en droger.

Om te voorkomen dat we in de komende decennia te maken krijgen met (structurele) schade en een vergrote kans op gezondheidsrisico's door klimaatverandering, moeten we onze samenleving en woonomgeving daarop aanpassen. Nieuwbouwplannen maken we meteen klimaatbestendig en waterrobuust, omdat ons water- en bodemsysteem tegen grenzen aanloopt. Het vraagt van ons een samenhangende aanpak bij het omgaan met wateroverlast tijdens zware buien, langdurige droogte en extreme hitte. Het is belangrijk om water meer de ruimte te geven en in te zetten op stedelijk groen, de bodem zo weinig mogelijk af te dekken en te zorgen voor een goede bodemkwaliteit. De landelijk ontwikkelde “Maatlat klimaatadaptieve groene gebouwde omgeving” helpt ons daarbij en biedt ons houvast. De maatlat maakt voor ons duidelijk hoe “klimaatadaptief bouwen” eruit moet zien. Het beschrijft doelen en prestatie-eisen en het geeft ons richtlijnen voor de thema's wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit, bodemdaling en gevolgbeperking voor overstroming. 4.7.2 Toetsing Huidige situatie In de huidige situatie bestaat het plangebied uit agrarische gronden. Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit kalkhoudende vlakvaaggronden en kalkrijke drechtvaaggronden. Het oostelijke deel van het plangebied is sprake van grondwatertrap VIo.

Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen de 40 en de 80 cm onder maaiveld ligt en de gemiddelde laagste grondwaterstand tussen de 120 en 180 cm onder maaiveld ligt. Voor het westelijke deel is sprake van grondwatertrap IVu. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen de 40 en de 80 cm onder maaiveld en de gemiddelde laagste grondwaterstand tussen de 80 en 120 cm onder maaiveld ligt. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa 4,2 meter onder NAP. bestemmingsplan (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3

Waterkwantiteit In de huidige situatie bestaat het plangebied uit agrarische gronden en is volledig onverhard. Aan de randen van het plangebied zijn ten oosten, zuiden en westen sloten aanwezig zoals ook aangegeven op de Legger van het waterschap Zuiderzeeland. Waterkwaliteit Binnen het plangebied zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een slechte kwaliteit kwelwater. Het plangebied ligt in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Waterveiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een primaire waterkering, buitendijks en in een beschermingszone van een overige waterkering. Voor het thema Waterveiligheid zijn geen uitgangspunten van toepassing. Beoogde situatie In de beoogde situatie wordt ter plaatse van het plangebied een woonwijk van maximaal 57 woningen gerealiseerd. Ten oosten van de woonwijk komt een groen-/bosstrook en ten noorden van de woonwijk wordt een nieuwe sloot aangebracht. Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld wateroverlast Het watersysteem, zowel in landelijk als stedelijk gebied is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt en randvoorwaarde wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen.

De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013.

48

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal de hoeveelheid verharding toenemen. Op basis van het stedenbouwkundig plan is de hoeveelheid verharding bepaald. De woningpercelen (inclusief tuin) zijn in totaal 13.742 m2. Uitgaande van 80% verharding is dit afgerond 11.000 m2 verharding. Voor de weg, fietspad, voetpad, opritten in openbaar gebied, parkeerplaatsen en bospaden is uitgegaan van 100% verharding. Dit is in totaal 6.545 m2 verharding. Dit is totaal een gezamenlijke toename van 17.545 m2 verharding. De toename in verharding wordt gecompenseerd. Voor het gebied geldt een compensatieplicht van 5,5% van het verhard oppervlak. Dit is 965 m2 water. Met het plan wordt een nieuwe sloot aangelegd aan de noordrand bestaande uit 900 m2 water. Ook wordt een wadi gerealiseerd van circa 1.250 m2. Dit is voldoende om aan de compensatieplicht van 5,5% te voldoen.

Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste gronden oppervlaktewaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarden Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Voor de ontsluiting van het gebied zullen toegangswegen over de omringende sloten worden gerealiseerd.

bestemmingsplan (vastgesteld)

49

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aanof afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. De beoogde ontwikkeling realiseert een nieuwe watergang, overgang over twee watergangen en een toename aan verharding. Voor de beoogde ontwikkeling dient dan ook een vergunning op basis van de 'Keur' aangevraagd te worden. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor een goede doorstroming van het watersysteem worden duikers aangebracht. Het waterschap wordt betrokken bij de uitwerking van het definitieve ontwerp van het watersysteem.

Schoon water Goede structuurdiversiteit Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Uitgangspunt Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Ter plaatse is sprake van een slechte kwaliteit kwelwater. Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap wordt vroegtijdig betrokken voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met regulering of behandeling van afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) dat deze verontreinigingen op het ontvangend oppervlaktewater zoveel mogelijk worden voorkomen.

50

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3

Uitgangspunt Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar de centrale awzi wordt afgevoerd. Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:    

hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar rioolwaterzuiveringsinstallatie (AWZI).

Met de realisatie van maximaal 54 woningen zal de hoeveelheid afvalwater toenemen met circa 150 vervuilingseenheden (v.e.). Het bestaande riool heeft voldoende capaciteit voor de realisatie van de extra woningen. Er komt een gescheiden stelsel, waarbij voor de riolering (vuilwater) aangesloten wordt op de riolering van de naastliggende wijk. Het afvalwater wordt afgevoerd naar de AWZI te Tollebeek. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een primaire waterkering, buitendijks en in een beschermingszone van een overige waterkering. Voor het thema Waterveiligheid zijn geen uitgangspunten van toepassing. 4.7.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.8

Bodem

4.8.1 Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

bestemmingsplan (vastgesteld)

51

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 4.8.2 Toetsing Ten opzichte van de vigerende planologische situatie is sprake van een functiewijziging. Het plangebied verandert van agrarisch naar een woongebied met groen. Vanwege deze functiewijziging is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Mateboer (2023), zie Bijlage 5. De kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie Creil, Noordoost is met behulp van het verkennend bodemonderzoek voldoende vastgesteld. Er geen zware verontreinigen aangetoond. In de grond is ten hoogste een overschrijding van de achtergrondwaarde aan nikkel aangetoond. In het grondwater is een natuurlijk verhoogde concentratie aan barium ten opzichte van de streefwaarde aangetoond. Op basis van de Wet Bodembescherming zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. 4.8.3 Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect bodem de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1 Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de tabel 4.9.1 weergegeven. Tabel 4.9.1: grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Fijn stof (PM10)

Fijn stof (PM2,5)

52

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:  

een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg.

4.9.2 Toetsing Ter plaatse van het plangebied worden maximaal 57 woningen gebouwd. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het 'Besluit niet in betekenende mate' onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en nader onderzoek niet noodzakelijk is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022 (https://www.cimlk.nl/kaart ). De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de A6. Uit de kaart blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4.9.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.10

Externe veiligheid

4.10.1

Algemeen

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  

bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). 

Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn.

bestemmingsplan (vastgesteld)

53

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. 4.10.2

Toetsing

Ten zuidwesten van het plangebied ligt Profyto B.V. op een afstand van 300 meter. Dit is geen BEVI inrichting. Het plangebied valt buiten de PR 10-6 contour en invloedsgebied van deze inrichting. In de Noordoostpolder zijn veel agrarische bedrijven met propaantanks. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied en PR 10-6 contour van deze propaantanks. De dichtstbijzijnde propaantank (Noordringweg 37-I) ligt op circa 260 meter van het plangebied (en circa 300 meter van kwetsbare objecten in het plangebied). De dichtstbijzijnde transportroutes (basisnet) zijn Corridor Amsterdam Noord Nederland (IJsselmeer) en de A6. Beide routes liggen op meer dan 4 kilometer. Het plangebied valt dan ook buiten het invloedsgebied en de PR 10-6 contour van deze transportroutes gevaarlijke stoffen. Gelet hierop is een beknopte verantwoording van het groepsrisico niet nodig. 4.10.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.11

Kabels en leidingen

4.11.1

Algemeen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.11.2

Toetsing

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Voor de nieuwbouw moeten mogelijk nieuwe kabels en leidingen worden aangelegd. Hiermee moet in de uitvoeringsfase van het plan rekening worden gehouden.

54

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3

4.12

Vormvrije m.e.r.- beoordeling

4.12.1

Algemeen

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:   

de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.

Op grond van het Besluit m.e.r. moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. 4.12.2

Toetsing

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2) dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:   

en oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 57 woningen. De totale oppervlakte van het plangebied is circa 3 hectare. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. 4.12.3

Conclusie

Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. In bijlage 6 is de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen.

bestemmingsplan (vastgesteld)

55

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3

56

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1

Algemeen

In de voorgaande hoofdstukken zijn de in het plangebied voorkomende functies, de ontwikkelingen daarbinnen én de uitgangspunten ten aanzien daarvan aan de orde gesteld. Het beschreven beleid krijgt zijn juridische vertaling in bestemmingen. Deze bestemmingen regelen de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden binnen het plan. De bepalingen die betrekking hebben op de te onderscheiden bestemmingen, zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding van het plan. Het bestemmingsplan geeft dus aan voor welke doeleinden de gronden zijn bestemd en wat daarvoor (on)mogelijk is.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de bestemmingen die in dit plan voorkomen. Bij de bestemmingen wordt een toelichting gegeven op de inhoud van de daarbij horende regels. 5.2.1 Bos en Groen De groengebieden die structuurbepalend zijn voor het plangebied zijn bestemd tot Bos of Groen. Indien sprake is van (hoog)opgaande afschermende beplanting en bos, is gekozen voor de bestemming Bos. Binnen de bestemming zijn beplantingen, bos, watergangen, en ook voorzieningen voor de waterhuishouding, zoals poelen en waterretentie, toegestaan. Binnen de bestemming Groen zijn onder meer plantsoenen, speelweiden/velden en watergangen en ook voorzieningen voor de waterhuishouding, zoals wadi's, toegestaan. In de bestemming bos staat uitsluitend de bouw van andere-bouwwerken toe tot een hoogte van 2,50 m. In de bestemming groen betreft het 3 meter. Ten slotte is een specifieke gebruiksregel binnen de groenbestemming opgenomen waarmee een windhaag van tenminste 3 meter hoog en 2 meter breed is vastgelegd. 5.2.2 Tuin De gronden die zijn gelegen voor de woningen hebben de bestemming 'Tuin' gekregen. Op de gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Via een afwijking is het mogelijk om gebouwen ten dienste van de aangrenzende woonbestemming te bouwen en gebruiken.

5.2.3 Verkeer De wegen in het plangebied hebben de bestemming 'Verkeer' gekregen. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, watergangen en andere bouwwerken. Binnen de bestemming 'Verkeer' mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Ten slotte is een specifieke gebruiksregel binnen de verkeersbestemming opgenomen waarmee een windhaag van tenminste 3 meter hoog en 2 meter breed is vastgelegd.

bestemmingsplan (vastgesteld)

57

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3 5.2.4 Water Een strook grond gelegen aan de noordkant van het plangebied heeft de bestemming 'Water' gekregen. Deze gronden zijn bestemd voor water, waterhuishoudkundige voorzieningen, watergangen, oeverstroken, andere bouwwerken, waaronder begrepen, duikers, steigers, bruggen, aanlegplaatsen en beschoeiingen. 5.2.5 Wonen De woningen in het plangebied zijn bestemd als wonen. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in woningen met daarbijbehorende gebouwen en bijbehorende bouwwerken, bouwwerken geen gebouwen zijnde, andere werken, tuinen, erven en paden, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeervoorzieningen. Binnen deze bestemming mogen alleen bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Als hoofdgebouwen mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd. Een hoofdgebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd. Door middel van aanduidingen is op de verbeelding per bouwvlak aangegeven welk type woningen er zijn toegestaan. Daarnaast is door middel van aanduidingen de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. Bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan bij woonhuizen en dienen minimaal 1 meter achter de voorgevel van de woning te worden gebouwd. De maximale oppervlakte bedraagt 50% van het bij de woning behorende achtererfgebied met een maximum van 100 m2.

De oppervlakte van binnen het bouwvlak gebouwde bijbehorende bouwwerken telt niet mee in de bepaling van de gezamenlijke oppervlakte. Bij een woning mag onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit worden uitgevoerd. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de realisatie en ingebruikneming van de woningen uitsluitend is toegestaan indien en voor zover ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - windhaag' een windhaag met dichte opgaande beplanting gerealiseerd en in stand gehouden wordt met een breedte van ten minste 2 m en een hoogte van ten minste 3 m. Voor de windhaag dient een bladhoudende, in de winter groenblijvende, plantensoort toegepast te worden. In het bestemmingsplan is de mogelijkheid voor twee huishoudens in een vrijstaande woning opgenomen. Dit is geregeld met afwijkend gebruik, zodat nog een toets moment kan plaatsvinden. Tussen deze twee huishoudens moet sprake zijn van een familierelatie (of daaraan gelijk te stellen samenlevingsverband) in de eerste of tweede graad. Verder moet het gaan om een locatie waar een vrijstaande woning staat of mag worden gebouwd. Voor de meergeneratiewoning mag ook aangebouwd worden. De bouwregels voor één vrijstaande woning zijn hierop van toepassing. Bijvoorbeeld de bouwhoogte van de aanbouw moet 20% lager zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

De massa van de meergeneratiewoning moet ogen als één woning. Het parkeren voor het meergeneratie wonen moet op eigen terrein plaatsvinden.

58

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Creil, Oost - fase 3

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2141/documents/38196