10.2 Bestemmingsplan 'Emmeloord, Westzoom - zuid'-1.pdf
Tekst van het document
4.3.3.3 Randvoorwaarden De gemeente Noordoostpolder wil voor alle inwoners de kwaliteit van hun leefomgeving waarborgen, ook voor bewoners van tiny houses. Tegelijk wil de gemeente ruimte voor experiment laten en daarom wordt gezocht naar een mate van vrijheid binnen de gestelde kaders. De gemeente zet zich in om per scenario één locatie planologisch mogelijk te maken. Om de ruimtelijke kwaliteit en een veilige leefomgeving te borgen creëert de gemeente randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden zijn de voorwaarden waaronder de gemeente wil meewerken aan deze woonvormen en hebben betrekking op de ruimtelijke structuren en beeldkwaliteitseisen. Binnen deze randvoorwaarden maakt de gemeente verdere afspraken over de planologische afwikkeling, de bouwregels en de uitvoering. Hierin wil de gemeente niet al te voorschriftelijk zijn, maar vooral de bewoners stimuleren om zelf met voorstellen te komen hoe ze denken aan deze eisen te voldoen. Randvoorwaarden kwaliteit leefomgeving De Gemeente Noordoostpolder hecht waarde aan de ruimtelijke kwaliteit van de woonomgeving. Dit geldt ook voor Tiny Houses. Om te voorkomen dat deze experimentele woonvorm rommelig wordt, moet er aan bepaalde eisen voldaan worden. Bewoners moeten aantonen welke beeldkwaliteitseisen ze collectief gaan handhaven.
Om een onderscheid te maken tussen Tiny Houses en andere vormen van kleinschalig wonen worden extra eisen gesteld aan de omgeving waarin ze staan. Passend bij de filosofie van een klein ecologische voetafdruk, moeten initiatiefnemers aantonen wat ze gaan doen om ecologische diversiteit te bevorderen. Voorbeelden hiervan zijn: geen schuttingen te plaatsen maar aaneengeschakelde groene afhechting: inheems plantenmateriaal te gebruiken; een bloemrijk gazon te planten, op een insectvriendelijke gemaaid; eigen voedsel te verbouwen met de principes van een voedselbos (meerjarige polyculturen). Naast ecologische maatregelen moeten bewoners aantonen op welke maatregelen ze gaan toepassen voor toekomstbestendig bouwen. Voor circulair bouwen valt te denken aan hergebruik van materialen. Voor klimaat adaptieve maatregelen valt te denken aan regenwater opvang en tegengaan van hitte stress met beplanting. Planologie De gemeente zoekt naar de mogelijkheden binnen het huidige vigerend beleid om de kwaliteit planologisch te regelen. Een manier om dit te doen is bijvoorbeeld het bouwoppervlak te beperken tot 50 m2 om te voorkomend dat er allerlei bijgebouwen geplaatst worden. Fietsenstalling, een gezamenlijke schuur en werkplaats wordt dan op een gemeenschappelijk terrein geregeld.
4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de Ruimtelijke Visie Tiny Houses Voorliggend initiatief is opgesteld op basis van de uitgangspunten en voorwaarden uit de Ruimtelijke Visie Tiny Houses. Het initiatief sluit aan bij het uitvoeringsscenario 'Tiny House projectbouw', aangezien de woningen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
projectmatig worden gerealiseerd. Aangezien sprake is van koopwoningen betreft de doelgroep van de te realiseren tiny houses met name ouderen, starters en alleenstaanden die op zoek zijn naar een koopwoning, maar 'genoegen nemen met weinig'. De beoogde doelgroep wil in een duurzame tiny house wonen. Hierop wordt ingespeeld door tiny houses met een klein oppervlak (maximaal 50 m2) te realiseren, met een laag energieverbruik en kleine ecologische voetafdruk. Tevens worden de tiny houses gerealiseerd in een groene woonomgeving, waarbij sprake is van een combinatie van eigen tuinen en gemeenschappelijk groen, dat gezamenlijk onderhouden wordt. De overgangen tussen openbaar en privégroen zijn onzichtbaar en sluiten op elkaar aan. Daarom mogen op eigen terrein geen extra bijbehorende bouwwerken worden gebouwd of geplaatst. Er worden daarom geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij de tiny houses toegestaan: eventuele berging vindt in gemeenschappelijke bergingen of inpandig plaats. Ook gebouwde erfafscheidingen (schuttingen) zijn niet toegestaan. De toekomstige kavels worden op een natuurlijke wijze met groene beplanting ingepast. Op deze manier ontstaat een parkachtige en organische uitstraling, waarbij de tiny houses ondergeschikt zijn aan de groene uitstraling.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief aansluit bij de 'Ruimtelijke Visie Tiny Houses' van de gemeente Noordoostpolder.
4.3.4
Beleidsregel uiterlijk bouwwerken
4.3.4.1 Algemeen Per 1 januari 2024 wordt getoetst aan de beleidsregel 'uiterlijk bouwwerken'. De beeldkwaliteitseisen uit de bestemmingsplannen worden bij vaststelling onderdeel van deze beleidsregel. De beoordeling van de aanvraag wordt gedaan door de betrokken ambtenaar, stadsbouwmeester of de commissie omgevingskwaliteit. Zij toetsen op de volgende punten: ^ ^ ^ ^
toetst het bouwplan aan de eisen en bekijken hoe het pand eruit komt te zien en welke materialen worden gebruikt; bekijkt of het pand past in de omgeving en bij andere bouwplannen in de omgeving; adviseert het College van Burgemeester en Wethouders. Het college neemt het advies mee als het een besluit neemt over uw aanvraag voor een omgevingsvergunning; kunnen op verzoek het bouwplan in een omgevingsoverleg bekijken en adviseren over de haalbaarheid.
Het plangebied ligt in een gebied waar geen criteria gelden voor het uiterlijk van bouwwerken. Bij ruimtelijke ontwikkelingen die een grote impact hebben op de omgeving kan de gemeenteraad een beeldkwaliteitsplan vaststellen voor dat gebied. Nu de gemeente voor grote gebieden geen specifieke regels stelt, zoals in het buitengebied, ligt het voor de hand dat het voorschrijven van een beeldkwaliteitsplan terughoudend wordt ingezet. Een beeldkwaliteitsplan kan worden ingezet bij in- en uitbreidingslocaties en entreegebieden.
4.3.4.2 Beeldkwaliteitseisen Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling zijn beeldkwaliteitseisen opgesteld. Dit vanwege de impact op de omgeving. Deze worden door de gemeente Noordoostpolder vastgesteld als onderdeel van de Welstandsnota. Deze eisen zijn in paragraaf 3.3 opgenomen. Hier wordt naar verwezen.
4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota gemeente Noordoostpolder Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor de rijwoningen worden deze getoetst aan de bovenstaande beeldkwaliteitseisen die worden vastgesteld als onderdeel van de Welstandsnota.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
4.3.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend initiatief past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
Hoofdstuk 5
Milieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. De functie 'wonen' is aan te merken als een geluidsgevoelige functie.
5.1.2
Situatie plangebied
De geplande tiny houses worden op basis van de Wgh aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten industrielawaai, railverkeerslawaai en wegverkeerslawaai als bedoeld in de Wgh.
5.1.2.1 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen geluidsgezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).
5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand (circa 17 km) ten zuiden van het plangebied ligt.
5.1.2.3 Wegverkeerslawaai Ingevolge de Wgh hebben alle wegen een zone waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. De breedte van de zone, aan weerszijde van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (binnenstedelijk of buitenstedelijk). In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: ^ ^
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. In de Wgh worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige gebouwen die liggen binnen de geluidszone van een weg. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting vanwege wegverkeer bedraagt 48 dB. Plangebied Het plangebied ligt in de wettelijke geluidszone van de Pilotenweg en de Hannie Schaftweg. Deze wegen hebben een snelheidsregime van respectievelijk 50 km/uur en 80 km/uur. Om de geluidbelasting ter plaatse van de te realiseren tiny houses te onderzoeken, is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd in bijlage 2 bij deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten. Resultaten akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai De geluidbelasting ten gevolge van de Pilotenweg bedraagt, inclusief 5 dB reductie, hoogstens 35 dB. De geluidbelasting ten gevolge van de Hannie Schaftweg bedraagt, inclusief 2 dB reductie, hoogstens 47 dB. Met deze waarden wordt voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wgh.
Een hogere waarden procedure is in dit geval niet benodigd omdat voor beide wegen voldaan wordt aan de voorkeurswaarde. Gelet op vorenstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatste van de te realiseren tiny houses met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai.
5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is door Dumea Milieu een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740 en NEN 5707 ter plaatse van het plangebied. De volledige rapportage is bijgevoegd in bijlage 3 bij deze toelichting.
5.2.2
Resultaten verkennend bodemonderzoek
In het bovengrondmengmonster BM5 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM6 zijn lichte verhogingen nikkel en PAK 10 VROM aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM7 is een lichte verhoging drins aangetroffen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
In het ondergrondmengmonster OM3 is een lichte verhoging PCB (som 7) aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM4 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb24wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. In het grondwatermonster Pb25wm1 zijn lichte verhogingen dieldrin en endrin aangetroffen. Tevens is in het grondwatermonster Pb25wm1 de parameter DDT/DDE/DDD verhoogd aangetroffen ten opzichte van de interventiewaarde. Naar aanleiding van deze verhoging is de bestaande peilbuis opnieuw bemonsterd. Uit het analysecertificaat van het her-monster (Pb25wm2) blijkt dat er geen verhoging DDT/DDE/DDD meer is aangetroffen in het grondwater. Omdat in het grondwatermonster Pb25wm2 geen verhoging DDT/DDE/DDD meer is aangetroffen wordt een nader onderzoek naar DDT/DDE/DDD niet noodzakelijk geacht.
5.2.3
Conclusie
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: ^ ^
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreinigign van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: ^ ^ ^
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
5.3.2
Situatie plangebied
In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan luchtverontreiniging. Aangezien in voorliggend geval worden slechts 30 tiny houses gerealiseerd. Op basis hiervan is dit plan aan te merken als een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen.
5.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: ^ ^ ^ ^ ^
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: ^ ^ ^
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met de blauwe ster) en de omgeving weergegeven. idįdclplaai
Pilotenweg
Pilolenweg
Terreingrens locatie
Lľü Plaatsgebonden risico (10-6
Ui contour)
Transport gevaarlijke stoffen (wegen, spoor, water) Kwetsbare objecten ▼YYQQmerŭliif m Hotel/ pension
i Onderwijsinstelling 4» Zifihfifliĩuis X Tenuis
# Publieksgebouw
' ' ' :' ; .
•ét Andet oŭiect
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)
In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee risicovolle inrichtingen, namelijk een LPG tankstation en de N351, een weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Hieronder wordt nader ingegaan op deze risicobronnen. LPG tankstation Urkerweg 12 Op circa 650 meter ten zuidoosten van het plangebied, aan de Urkerweg 12, bevindt zich een LPG tankstation (Klaassens BV). Dergelijke inrichtingen vallen onder de werkingssfeer van het Bevi en kennen zowel een plaatsgebonden risico als een groepsrisico. De plaatsgebonden risicocontouren van het vulpunt (35 meter), het LPG-reservoir (25 meter) als de LPG-afleveringsinstallatie (15 meter) liggen ruim buiten het plangebied. Er geldt een invloedsgebied van 150 meter waarbinnen een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico noodzakelijk is. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze veiligheidsafstanden, waardoor het LPG tankstation geen belemmering vormt voor de gewenste ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
N351 Op circa 90 meter ten westen van het plangebied loopt de Hannie Schaftweg (N351), waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Vanwege de ligging binnen 200 meter van de N351 is inzicht in de externe veiligheidsrisico's nodig. Daarom is door Adviesgroep AVIV BV een notitie externe veiligheid opgesteld. Deze notitie is bijgevoegd in bijlage 4 bij deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies uit de notitie. Risicobeoordeling N351 De risico's van het transport van gevaarlijke stoffen worden bepaald door toepassing van de vuistregels transport zoals opgenomen in de handleiding risicoanalyse transport (Hart). Bepalend voor de hoogte van het groepsrisico is het transport van brandbare gassen zoals LPG (stofcategorie GF3). De vervoersstroom GF3 kan worden afgeleid uit de bevoorradingsfrequentie van de LPG-tankstations in de omgeving van het plangebied waarvan de ligging wordt getoond in figuur 2. Aangezien het vervoer van gevaarlijk stoffen conform de WVGS [8] zoveel mogelijk de bebouwde kom dient te mijden, ligt het voor de hand dat het LPGtankstation aan de Muntweg (nr 1 in figuur 2) bevoorraad wordt via de A6 ten oosten van Emmeloord en de LPG-tankstations aan de Randweg (nr 2) en de Urkerweg (nr 3) via de A6 ten zuiden van Emmeloord. De vervoersstroom GF3 die het plangebied passeert zal daarom naar verwachting zeer beperkt zijn.
Conservatief wordt verondersteld dat het tankstation aan de Urkerweg bevoorraad wordt via de Hannie Schaftweg en dat de LPG-tankauto na bevoorrading dezelfde weg terug neemt. Volgens de Signaleringskaart EV is de jaarlijkse doorzet aan LPG maximaal 1000 m3. Voor een doorzet van 1000 m3 per jaar wordt standaard uitgegaan van 70 lossingen. Het aantal passages komt daarmee op 140. Voor bepaling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is gebruik gemaakt van de vuistregels voor een weg buiten de bebouwde kom en enkelzijdige bebouwing zoals opgenomen in bijlage 1.2.3 van de Hart. Plaatsgebonden risico Vuistregel 1: Een weg buiten de bebouwde kom heeft geen 10"5-contour. Vuistregel 2: Wanneer het aantal GF3 transporten per jaar lager is dan 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-6-contour. Er zijn 140 transporten GF3 verondersteld. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Groepsrisico Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBMII toe. Er is geen informatie bekend over transport van stoffen uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (giftige vloeistoffen en -gassen) over de Hannie Schaftweg. Gelet op de bedrijven in de omgeving is het niet waarschijnlijk dat transport van deze stofcategorieën plaatsvindt.
Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden. In tabel 1-6 van de Hart valt af te lezen dat bij 400 personen/ha op 90 m van de weg, 150 GF3-transporten nodig zijn om 10% van de oriëntatiewaarde te overschrijden. Niet alleen is de aanname van 140 GF3-transporten al conservatief, een personendichtheid van 400 personen/ha wordt in Emmeloord bij lange na niet gehaald. Ter vergelijk, voor een drukke woonwijk wordt uitgegaan van een dichtheid van ca. 70 personen/ha, voor stadsbebouwing met hoogbouw is dat 120 personen/ha. Dit betekent dat het groepsrisico, ook na planrealisatie, onder 10% van de oriëntatiewaarde ligt. Conform art. 8 van het Bevt kan de verdere verantwoording van het groepsrisico daarom achterwege blijven. De ligging van het plangebied nabij de N351 vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Wel dient conform art. 7 van het Bevt het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Advies Veiligheidsregio Flevoland Het plan is voorgelegd aan de Veiligheidsregio Flevoland om advies te vragen op het gebied van externe veiligheid. Hieruit wordt het volgende geconcludeerd: De Pilotenweg 9 bevindt zich op circa 90 m afstand vanaf de N351, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (LPG). Het plangebied ligt hierdoor buiten de effectgebied van het scenario fakkelbrand op deze transportroute, maar binnen het effectgebied (160 m), voor het scenario van een warme Blevi (explosie). Echter zijn dit kleine hoeveelheden dit een zeer kleine kans, maar met een groot effect. Er bevinden zich verder geen inrichtingen in de omgeving, die van invloed kunnen zijn op de externe veiligheid van de nieuwe projectlocatie. De afstanden tot de risicobron is zodanig, dat deze geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het project. Wel kunnen er bij incidenten risico's ontstaan t.a.v. de hulpverlening. Om het risico te beheersen en/of het effect van een incident te beperken, zijn een aantal maatregelen mogelijk, namelijk: ^
^
Bestrijdbaarheid: o Bereikbaarheid: Om incidenten te bestrijden moeten de hulpdiensten eerst ter plaatse van het incident kunnen komen en eventueel weer snel wegkomen om gewonden naar het ziekenhuis te vervoeren. Dat wil zeggen dat het plangebied bereikbaar moet zijn voor minimaal het grootste en zwaarste voertuig: een brandweerauto. Bij de uitwerking van het plangebied dient een goede bereikbaarheid te zijn volgens de richtlijn: Handreiking Bereikbaarheid Hulpdiensten. Deze handreiking dient als voorwaarde te worden opgenomen; o Bluswater: Voor het bestrijden van een calamiteit, is het belangrijk dat er voldoende bluswater aanwezig is. Het plangebied dient bij de uitwerking voorzien te worden van voldoende bluswater De handreiking Bluswater Brandweer Flevoland dient hiervoor als voorwaarde te worden opgenomen. Zelfredzaamheid: o Bij een calamiteit met een warme Blevi moet een LPG tankwagen eerst door een warmtebron worden opgewarmd (bijvoorbeeld brand door vastzittende remmen) Hier gaat enig tijd overheen, en kunnen aanwezige van het plangebied voldoende voorbereiden om tijdig te vluchten of te schuilen, indien deze ook tijdig worden gewaarschuwd. Risicocommunicatie c.q. instructie is hier een effectieve maatregel, waarvoor aandacht moet worden gevraagd.
o Het advies is om aan de risicozijde (N351) het glasoppervlakte zo klein mogelijk te houden, zodat personen die binnen verblijven/schuilen, beschermd zijn tegen de drukgolf van een Blevi.
Maatregelen vanwege ligging nabij N351 Met het oog op het advies van Veiligheidsregio Flevoland wordt het volgende opgemerkt: ^
^
^ ^
Opkomsttijd: De brandweer dient binnen zes minuten ter plaatse te zijn. In voorliggend geval kan de brandweer in theorie binnen vier minuten ter plaatse zijn. De dichtstbijzijnde brandweerkazerne bevindt zich namelijk aan de Nijverheidsstraat 34 te Emmeloord, op een afstand van 2,2 km tot het plangebied; Dekking waarschuwingsinstallatie: De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. De aanwezige personen in bedreigd gebied worden gewaarschuwd middels de sirene. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval; Er zijn in en rondom het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig, zoals de sloot aan de oostzijde van het plangebied; Bereikbaarheid: Hulpdiensten dienen bij een calamiteit, een gebied/object goed te kunnen bereiken. Het plangebied is vanaf de zijweg van de Pilotenweg te bereiken. Er is daarnaast sprake van
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
^ ^
voldoende ruimte voor de hulpdiensten om de benodigde werkzaamheden uit te kunnen voeren en te kunnen keren. Ontvluchten van het gebied: Het terrein kan via de uitrit vanaf de Pilotenweg in diverse richtingen ontvlucht worden; (Zelf)redzaamheid: (Zelf)redzaamheid houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen, binnen een bepaald tijdsbestek, kunnen veiligstellen (bijv. schuilen of vluchten) bij dreigend gevraag. Hierbij wordt van de persoon zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverlenersdiensten. In het voorliggend geval betreft de gewenste ontwikkeling het realiseren van tiny houses. Van aanwezige bewoners kan over algemeen worden verwacht dat deze (zelf)redzaam zijn.
Resumé Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: » » » »
5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; wel ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen (N351), maar dat de ligging nabij de N351 geen belemmering vormt voor de ontwikkeling; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De VNG-uitgave gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van woningen worden gesitueerd.
5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
Het plangebied ligt in een gebied waar sprake is van een menging van functies, waaronder agrarische gronden, maatschappelijke functies en recreatieve functies (volkstuinen). Tevens ligt het plangebied nabij grote ontsluitingswegen, waaronder de N351 en de Pilotenweg. Hierdoor is de omgeving van het plangebied aan te merken als 'gemengd gebied'. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden voor zowel het omgevingstype rustige woonwijk als het gemengd gebied weergegeven.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Dit plan voorziet in de functiewijziging van agrarisch naar wonen. Wonen is een niet-milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Zoals aangegeven wordt de bestemming gewijzigd van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. De functie wonen is aan te merken als milieugevoelige functie. Hieronder wordt ingegaan op milieubelastende functies in de omgeving. Volkstuinen Emmeloord (West) Ten westen van het plangebied, op circa 6 meter afstand van het plangebied, bevinden zich de volkstuinen van de Volkstuinvereniging Emmeloord. Hier is op basis van het geldend bestemmingsplan uitsluitend nietbedrijfsmatige (hobby-)tuinbouw toegestaan. Dergelijke functies zijn niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. De volkstuin is niet bedrijfsmatig en daarmee niet vergunningplichtig. De volkstuinen worden dan ook niet aangemerkt als een milieubelastende functie. Een nadere toetsing aan de volkstuinen is niet noodzakelijk.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
Maatschappelijke functies Pilotenweg 7 en 9 Aan de Pilotenweg 7 en 9, op circa 140 meter ten noorden van het plangebied, bevinden zich twee percelen met een maatschappelijke bestemming. Hier zijn op basis van het geldend bestemmingsplan maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' hebben dergelijke voorzieningen een maximale milieucategorie 2, met een bijbehorende grootste richtafstand van 10 meter voor het aspect 'geluid' in het gemengd gebied. Er wordt ruimschoots voldaan aan deze richtafstand. Gezien de afstand tot omliggende milieubelastende functies mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende functies niet gehinderd in hun bedrijfsvoering.
5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ^ ^
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht.
5.6.2
Activiteitenbesluit
Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
5.6.3
Situatie plangebied
In de omgeving van het plangebied zijn een aantal agrarische bedrijven aanwezig. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf betreft het agrarisch bedrijf aan de Pilotenweg 11. Ter plaatse is als ondergeschikte nevenfunctie een intensieve veehouderij toegestaan. Deze functie is overig feitelijk niet aanwezig op dit adres. Het bedrijf bevindt zich op ten minste 480 meter afstand van het plangebied. Overige agrarische bedrijven bevinden zich op nog grotere afstand van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstand van 100 meter voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Daarnaast geldt dat dichterbij gelegen, bestaande woningen van derden reeds voor deze bedrijven bepalend zijn. Gelet op het vorenstaande ondervindt voorliggende ontwikkeling geen hinder van omliggende agrarische bedrijven. Omgekeerd worden agrarische bedrijven niet belemmerd als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.6.4
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Zwarte Meer' ligt op 13,2 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de ruime onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie van de gebruiksfase van het voornemen. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de resultaten. Resultaten AERIUS-berekening Uit de berekening wordt geconcludeerd dat de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden.
Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op minimaal 850 meter afstand van het plangebied. Gelet op de afstand tot het dichtstbijzijnde NNN aangewezen gebied en de aard en omvang van de ontwikkeling binnen het plangebied worden geen negatieve effecten verwacht. Een verdere toetsing aan het NNN is niet aan de orde.
5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In het voorliggend geval is door BJZ.nu een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting.
5.7.3.2 Resultaten Quickscan natuurwaardenonderzoek Vogels Van de verwachte vogelsoorten binnen het plangebied zijn de bezette nesten beschermd, niet de oude of verlaten nesten. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels dienen te worden uitgevoerd. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Grondgebonden zoogdieren Er wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en er wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen ingrepen. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Vleermuizen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats, foerageergebied en vliegroute verstoord of aangetast. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.
Amfibieën Door het ontbreken van de rust- en voortplantingsplaats worden er geen amfibieën (opzettelijk) gedood en worden verbodsbepalingen niet overschreden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Overige soorten Het is uitgesloten dat er negatieve effecten op beschermde reptielen en overige soorten optreden. Het uitvoeren van een nader onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing is niet aan de orde. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
5.7.4
Conclusie
Er worden geen negatieve effecten op het NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Wel dient rekening gehouden te worden met de voortplantingsperiode van vogels. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Noordoostpolder heeft in 2018 de Archeologische Basis- en Beleidsadvieskaart voor haar grondgebied geactualiseerd. Op de Basiskaart staan de archeologische waarden en verwachtingen weergegeven, terwijl op de Beleidsadvieskaart maatregelen staan aangegeven die nodig zijn om het archeologisch erfgoed te beschermen. In afbeelding 5.4 is een uitsnede van de Archeologische waarden en verwachtingskaart weergegeven, waarin het plangebied indicatief is aangegeven met de rode omlijning. Daarnaast is op afbeelding 5.5 een uitsnede van de Archeologische Beleidsadvieskaart weergegeven, waarin het plangebied tevens is aangegeven met een rode omlijning.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
Afbeelding 5.4
Archeologische waarden- en verwachtingskaart (Bron: Gemeente Noordoostpolder)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
Afbeelding 5.5
Archeologische Beleidsadvieskaart (Bron: Gemeente Noordoostpolder)
Op basis van de Archeologische beleidsadvieskaart kent het grootste gedeelte van het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde. Alleen het noordwestelijke hoekje van het plangebied heeft een middelhoge archeologische verwachting. Gebieden met een lage archeologische verwachting (dit zijn de 'witte' gebieden die op de beleidsadvieskaart die geen WA-# aanduiding hebben) zijn vrijgesteld van een archeologische onderzoeksverplichting. De gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde, in het noordwesten van het plangebied, heeft op de beleidsadvieskaart de aanduiding WA-8. In dergelijke gebieden geldt een vrijstelling van archeologisch onderzoek indien de bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of minder diep dan 50 cm zijn. In dit geval blijven de bodemingrepen ruim beneden de oppervlakte van 10.000 m2, waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. De archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde WA-8' is opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan 'een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden' dient te bevatten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich binnen het plangebied op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. In de directe omgeving van het plangebied komen eveneens geen monumenten of cultuurhistorische waarden voor.
5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van negatieve effecten op archeologische en cultuurhistorische waarden.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan of ruimtelijk plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: ^ ^
^
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Zwarte Meer' ligt op 13,2 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de ruime onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie van de gebruiksfase van het voornemen. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting. Uit de berekening wordt geconcludeerd dat de gebruiksfase geen sprake is van
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, niet vergunningsplichtig.
5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Dit project voorziet in een concrete woningbouwontwikkeling op gronden met een woonbestemming voor wat betreft de binnen het plangebied geplande ontwikkeling en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit ruimtelijke plan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De ontwikkeling in een bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat in geval van voorliggend project geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor deze ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. De conclusie van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting.
5.9.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
Hoofdstuk 6 6.1
Wateraspecten
Algemeen
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
6.2
Beleidskaders
6.2.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Vooral de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
6.2.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022 2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet.
6.2.3
Waterplan Flevoland
Flevoland is rijk aan water. Flevoland zet zich in voor schoon en aantrekkelijk water, voor veilige dijken en voor een watersysteem dat functioneert voor het dagelijks gebruik, wonen, landbouw en natuur. Klimaatverandering, bodemdaling en waterkwaliteit dwingen de provincie anders naar water te kijken. De grenzen aan het gebruik van het water komen in zicht: niet alles kan meer overal. Dit vraagt om nieuwe keuzes van de provincie, gemeenten en het waterschap waarbij duidelijk wordt hoever hun verantwoordelijkheid en inspanning gaan. Dit betekent vaker een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van burgers en (agrarische) ondernemers. Vorenstaande is verwerkt in een waterplan.
6.2.4
Beleid gemeente Noordoostpolder en waterschap Zuiderzeeland
De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (d.d. april 2006). Ten aanzien van het Stedelijk Waterplan is als aanvulling op dit plan, in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke 'Maatwerkovereenkomst stedelijk water' ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan Emmeloord, Westzoom-Zuid Vastgesteld
voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daarbij beter verankerd. Waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder hebben begin 2019 samen het Watertakenplan Noordoostpolder 2019-2024 vastgesteld. Op grond van de Waterwet is er voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het 'gebiedseigen water' wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Voor zover gemeentelijke maatregelen doelmatig zijn en het niet de verantwoordelijkheid van het Waterschap of de provincie is om maatregelen te nemen.
In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Keur vervangen door de waterschapsverordening. De Watervisie en het waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Zuiderzeeland verbindt waterthema's en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater."