CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

10.1 Bestemmingsplan Marknesse - Baarloseweg 4-1 (ON280421).PDF

Gemeenteraad 5 juli 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 10: Bestemmingsplan Landelijk gebied, Baarloseweg 4-1 te Marknesse18.997 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Soort(en)

Bescherming

Aanwezig

3.1

Mogelijk in woonhuis

Algemene broedvogels Diverse soorten

3.1

Mogelijk in broedseizoen

Vleermuizen

3.5

Mogelijk

Huismus en gierzwaluw

Diverse gebouwbewonende soorten

Tabel 4.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor het effect van de maatregel bepaald moet worden. 3.1 = vogelrichtlijn, 3.5 = habitatrichtlijn, 3.10 = nationaal beschermde soorten.

4.2

Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna Jaarrond beschermde nesten Het is mogelijk dat in het woonhuis huismus en gierzwaluw tot broeden komen. Aangezien deze soorten niet als verstoringsgevoelig aangemerkt worden en het woonhuis waarin ze mogelijk nestelen niet aangetast wordt zijn er geen negatieve effecten te verwachten op de huismus en de gierzwaluw. Algemene broedvogels In het plangebied en binnen de verstoringszone hiervan kunnen meerdere algemene broedvogels tot broeden komen. Wanneer werkzaamheden in de buurt van in gebruik zijnde nesten worden uitgevoerd, heeft dit mogelijk een verstorende werking op de broedende vogels. Dit is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.2 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen. Vleermuizen In het woonhuis grenzend aan de bedrijfspanden bevinden zich mogelijk kraam‐, zomer en paarverblijfplaatsen van één of meerdere soorten vleermuizen. De geplande werkzaamheden hebben tot gevolg dat eventueel aanwezige verblijfplaatsen mogelijk verstoord worden. Dit is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.3 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen.

Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3

blad 12 van 16

H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1

5

Mitigerende maatregelen In dit hoofdstuk worden de vervolgmaatregelen beschreven voor de soorten waarvan in hoofdstuk 4 is bepaald dat deze mogelijk een effect bemerken van de geplande ingreep. Deze vervolgmaatregel kan bestaan uit het uitvoeren van nader onderzoek om de aanwezigheid te bevestigen of uit te sluiten. Maar de vervolgmaatregel kan ook aangeven dat er een aanvraag voor een ontheffing op de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming benodigd is. Er kan ook een lijst met mitigerende maatregelen staan aangegeven, waarbij de ingreep uitgevoerd kan worden zonder een ontheffing. Indien de ingreep zonder enig nader onderzoek, mitigatie of ontheffingsaanvraag uitgevoerd kan worden, wordt dat in dit hoofdstuk vermeld. Soortgroep

Soort(en)

Bescherming

Aanwezig

Vervolgactie

Algemene broedvogels

Diverse soorten

3.1

Mogelijk in Mitigatie broedseizoen

Vleermuizen

Diverse gebouwbewonende soorten

3.5

Mogelijk in woonhuis

Mitigatie

Tabel 5.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor een vervolgactie benodigd is.

5.1

Algemene broedvogels; mitigatie Alle inheemse broedvogels zijn tijdens het broeden wettelijk beschermd volgens de Vogelrichtlijn. Als er ten tijde van de beoogde start van de werkzaamheden vogels in, of binnen de verstoringszone van het plangebied broeden, kunnen de werkzaamheden ter plaatse geen doorgang vinden totdat de jongen zijn uitgevlogen. Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verstoren en verjagen van broedende vogels. Het verdient daarom de aanbeveling om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Een wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen bestaat niet, bepalend is of broedgevallen aanwezig zijn. Indicatieve datumgrenzen zijn 15 maart tot 15 juli, maar er bestaan, afhankelijk van het weer en de vogelsoort, vele uitzonderingen op deze regel. Indien de werkzaamheden starten vóór het begin van het broedseizoen: Broedgevallen binnen het plan‐ en verstoringsgebied van de werkzaamheden moeten voorkomen worden. Het ongeschikt maken kan preventief gedaan worden door ruim voor het vogelbroedseizoen het gebied te ontdoen van geschikte nestgelegenheden. Dit kan op verschillende manieren.

 Door het plaatsen van (fluit)linten in het grasland kunnen weidevogels en andere grondbroeders buiten het plangebied gehouden worden;  Door het dichtmaken van holtes en kieren in het hele gebouw kunnen holtebroeders zoals kauw niet tot broeden komen;  Door het kort maaien en houden van oevervegetatie wordt voorkomen dat watervogels tot broeden komen.p Het functioneren van de preventieve maatregelen dient gecontroleerd te worden vanaf de plaatsing totdat de werkzaamheden zijn afgerond.

Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3

blad 13 van 16

H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1

Indien de werkzaamheden starten te midden van het broedseizoen:  Het plan‐ en verstoringsgebied dient eerst door een ter zake kundig ecoloog gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedvogels;  Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plan‐ of verstoringsgebied, worden door de ter zake kundige ecoloog specifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt (een deel van) het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot alle nesten, vanuit eigen beweging van de vogels, niet meer in gebruik zijn.

5.2

Vleermuizen; mitigatie Het woonhuis naast het plangebied dient mogelijk als kraam‐, zomer‐ of paarverblijfplaats voor vleermuizen. Het verstoren van verblijfplaatsen is een overtreding van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Er moet tijdens de werkzaamheden rekening gehouden worden met het vermijden van extra lichtoverlast op potentiële verblijfplaatsen. Indien er licht gevoerd wordt na zonsondergang en voor zonsopkomst, dan dienen onderstaande mitigerende maatregelen opgevolgd te worden. Mitigerende maatregelen:  Extra lichtoverlast tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen door het licht weg te draaien van het woonhuis;  Indien verlichting gevoerd moet worden dient er gekozen te worden voor amberkleurige verlichting.

Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3

blad 14 van 16

H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1

6

Conclusie De opdrachtgever, H. Meeuwse, is voornemens bedrijfspanden aan de Baarloseweg 4‐1 te Marknesse, gemeente Noordoostpolder, provincie Flevoland, te amoveren. Om eventuele strijdigheden van de beoogde werkzaamheden en de toekomstige situatie met de Wet natuurbescherming (Wnb) op te sporen, is door JM ecologie een QuickScan uitgevoerd op de locatie. Uit de QuickScan is gebleken dat de werkzaamheden niet zonder meer plaats kunnen vinden. Er dienen mitigerende maatregelen genomen te worden voor algemene broedvogels en vleermuizen. Er is geen belemmering meer vanuit de Wet natuurbescherming indien de mitigerende maatregelen ten aanzien van algemene broedvogels en vleermuisverblijven in acht worden genomen.

Gorredijk, januari 2021 JM ecologie

Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3

blad 15 van 16

H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1

Geraadpleegde bronnen        

BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming. Netwerk Groene Bureaus (NGB), 2017. Soortinventarisatieprotocollen Netwerk Groene Bureaus NDFF Nationale Databank Flora en Fauna. Geraadpleegd 12 januari 2021. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998‐2000. SOVON, Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS‐Nederland, Leiden. Vleermuisprotocol 2013, 2017 en 2021, Netwerk Groene Bureaus (NGB). Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (red), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, Raymond C.M. & Jeroen J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. RAVON, Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS‐Nederland, Leiden. FLORON 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse flora. Stichting FLORON, Nijmegen.

Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3

blad 16 van 16

44/86

Bijlage 2

45/86

Samenvatting watertoets Baarloseweg 4-1 Marknesse

datum 12-1-2021 dossiercode 20210112-37-25247

Samenvatting ingevulde gegevens watertoets De toets is uitgevoerd op een ruimtelijke ontwikkeling in het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland. Voor algemene informatie over de watertoets van waterschap Zuiderzeeland kunt u ook terecht op onze website www.zuiderzeeland.nlMocht u specifieke vragen hebben naar aanleiding van deze toets dan kunt u ons bereiken via telefoonnummer 0320-274911. U kunt ook een email sturen naar watertoets@zuiderzeeland.nl. Uit deze toets volgt de korte procedure. Hieronder vindt u een samenvatting van de door u ingevulde gegevens. _______________________________________________________________________________________________ Algemene gegevens Gegevens plangebied: Naam plangebied: Baarloseweg 4-1 Marknesse Omschrijving plangebied: Baarloseweg 4-1 Marknesse De agrarische bedrijfsgebouwen op het perceel aan de Baarloseweg 4-1 worden vervangen door één nieuw bedrijfsgebouw.

Adres plangebied: Baarloseweg 4-1 Plaats plangebied: Marknesse Kadastrale gegevens: 4270 Gegevens aanvrager: Naam aanvrager: Demi Rutte Naam organisatie: Rho Adviseurs Email aanvrager: demi.rutte@rho.nl Adres: Druifstreek 72 C 8911 LH Leeuwarden Telefoon: Gegevens gemeente: Gemeente Noordoostpolder Contactpersoon: Telefoon: Email contactpersoon: -_______________________________________________________________________________________________ Overzicht toetsing plangebied en beantwoording vragen Kaartlagen: Heeft u een beperkingsgebied geraakt? nee Welke gemeente omvat het grootste deel van het door u getekende plangebied? Noordoostpolder

Vragen: Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt? nee

Is er sprake van een nieuwe of uitbreiding van de lozing [huishoudelijk of bedrijfsmatig] in het landelijk gebied groter dan 9 vervuilingseenheden [ve] of in het stedelijk gebied groter dan 30 ve? nee Betreft het een nieuw verhard oppervlak in het landelijk gebied groter dan 2500 m2 of in het stedelijk gebied groter dan 750 m2? nee Worden in het plan maatregelen getroffen waardoor het waterpeil verandert met 10 cm of meer? nee Is er sprake van afstromend regenwater van een oppervlak van 50 of meer parkeerplaatsen en/of weg met meer dan 1000 voertuigbewegingen per dag? nee Aanvullende vragen ten behoeve van de korte procedure: Wordt er water gedempt? nee Worden kunstwerken aangebracht zoals bijvoorbeeld duikers of bruggen? nee Er is sprake van een opbarstrisico.

Wordt nieuw water aangelegd? nee Ligt het plangebied binnen tien meter van een bestaande watergang? nee Neemt het verhard oppervlak toe? nee, met 0 m2 m2 Wordt er water [bijvoorbeeld regenwater] geloosd op het oppervlaktewater? nee Wordt er gebruikt gemaakt van bodemenergie? nee Worden er parkeerplaatsen aangelegd? nee Voor het plan wordt verwacht dat een watervergunning nodig is: nee Welk soort ruimtelijk plan doorloopt in dit geval de watertoets? Bestemmingsplan ____________________________________________________________________________________________ Verklaring Dit document is een automatisch gegeneerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en u heeft verklaard alles naar waarheid te hebben ingevuld. Ingetekend plangebied

www.dewatertoets.nl

Regels

49/86

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Landelijk gebied, Baarloseweg 4-1 te Marknesse met identificatienummer NL.IMRO.0171.BP00683-ON01 van de gemeente Noordoostpolder; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlage; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5

aan huis verbonden bedrijf

de in Bijlage 1 genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; 1.6 aan huis verbonden beroep de uitoefening van een beroep (dan wel het verlenen van diensten) op administratief, maatschappelijk, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of een daarmee gelijk te stellen gebied, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend, waarbij in overwegende mate de woonfunctie blijft behouden en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.7 achtererfgebied erf achter de lijn die een woning doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder de woning opnieuw te doorkruisen of in het erf achter de woning te komen; 1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.9 bebouwingsgebied achtererfgebied alsmede de grond onder de woning, uitgezonderd de grond onder de oorspronkelijke woning;

50/86

1.10 bedrijf een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen; 1.11 bedrijfsgebouw een gebouw, geen kas zijnde, dat blijkens zijn indeling en inrichting kennelijk is bestemd om te worden gebruikt als bedrijfsruimte voor de uitoefening van een of meer bedrijfsactiviteiten, waaronder mede begrepen bedrijfskantines; 1.12 bedrijfsperceel gronden die worden gebruikt voor kantoren en/of bedrijfsdoeleinden door een individueel bedrijf; 1.13 bedrijfsvloeroppervlakte de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.14 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 1.15 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.16 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een

hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.18 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.19 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.20 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.21 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel;

51/86

1.22 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.23 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; 1.24 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.25 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen, geen brandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.26 energievoorzieningen stookinstallaties, ketels, warmtekrachtkoppelingen, bodemenergiesystemen.

Hieronder begrepen warmte/koude opslag (wko); 1.27 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbiedt; 1.28 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.29 grondgebonden agrarisch bedrijf een bedrijf geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen op de volle grond. Hieronder begrepen akkerbouw, tuinbouw en fruitteelt. Hieronder niet begrepen veehouderij, veeteelt en boomkwekerij; 1.30 hoofdgebouw gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.31 kleinschalig kamperen kortdurend recreatief nachtverblijf in niet meer dan 15 mobiele kampeermiddelen zoals tent, toercaravan of vouwwagen. Hieronder niet begrepen permanent verblijf en permanente bebouwing zoals stacaravan of yurt;

52/86

1.32 nok het snijpunt van twee hellende vlakken; 1.33 nutsvoorziening een voorziening ten dienste van een bedrijf, zoals een gas- en elektriciteitsbedrijf, dat opereert in een sector die beschouwd wordt van openbaar nut te zijn omdat het belangrijke producten of diensten ten nutte van het publiek levert; 1.34 ondergeschikte functie functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte als zodanig mag worden gebruikt; 1.35 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.36 seksinrichting een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.37 verkoopvloeroppervlakte de totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank; 1.38 waterhuishoudkundige voorzieningen watergangen, waterpartijen en waterbergingen en bijbehorende kunstwerken;.

1.39 watervoorzieningen warm wateropslag en -transport, gietwateropslag en -transport, waterbassins; 1.40 woning een gebouw of een gedeelte van een gebouw, krachtens aard en indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden; 1.41 woonhuis een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat;

Artikel 2

Wijze van meten

2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

53/86

2.2 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.3 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen; 2.7 peil a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg; b. voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf; b. waterhuishoudkundige voorzieningen; met daaraan ondergeschikt: c. bedrijfswoningen; d. parkeervoorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. tuinen en erven; g. nutsvoorzieningen; h. detailhandel in uitsluitend ter plaatse voortgebrachte producten en/of AGF (aardappelen, groenten en fruit) met een maximum verkoopvloeroppervlak van 100 m²; i. functies ten behoeve van op het bedrijf voort te brengen producten; en de daarbij behorende; j. gebouwen en bijbehorende bouwwerken; k. bouwwerken, geen gebouw zijnde;

54/86

l.

andere werken en werkzaamheden.

3.2 Bouwregels 3.2.1 Toegestane bouwwerken Op en in de gronden als bedoeld in 3.1 mogen uitsluitend gebouwd worden: a. bedrijfsgebouwen b. bedrijfswoningen; c. bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen; d. bouwwerken geen gebouw zijnde. 3.2.2 Bedrijfsgebouwen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf Voor bedrijfsgebouwen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf gelden de volgende regels: a. een bedrijfsgebouw mag uitsluitend gebouwd worden binnen een bouwvlak; b. het bebouwingspercentage van een bouwvlak mag niet meer bedragen dan 80% ; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 8,5 m; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 11 m. 3.2.3 Bedrijfswoningen Voor bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a. een bedrijfswoning mag uitsluitend gebouwd worden binnen een bouwvlak; b. het aantal bedrijfswoningen per bouwvlak mag niet meer bedragen dan 1; c. de dakhelling mag niet minder bedragen dan 30º en niet meer bedragen dan 60º; d. de inhoud mag niet meer bedragen dan 1.200 m³; e. de goothoogte van een niet-inpandige bedrijfswoning mag niet minder bedragen dan 4,5 m en niet meer bedragen dan 6 m; f. de bouwhoogte van een niet-inpandige bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 10 m; g. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder bedragen dan 6 m; h. de afstand tot de weg mag niet minder dan de bestaande afstand bedragen; i.

in afwijking van het bepaalde onder c., d., e., f. en g. gelden voor de herbouw van bestaande bedrijfswoningen de bestaande maten en afmetingen als uiterste. 3.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen Voor bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a. een bijbehorend bouwwerk mag uitsluitend gebouwd worden binnen een bouwvlak; b. een bijbehorend bouwwerk mag uitsluitend gebouwd worden 1 m achter het verlengde van de naar de weg gekeerde gevel van de betreffende bedrijfswoning; met dien verstande dat: c. de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken, per bedrijfswoning, niet meer bedraagt dan 150 m²; d. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 3,5 m; e. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 6 m; f. in afwijking van het bepaalde onder a., b., c., d. en e. gelden voor de herbouw van bestaande bijbehorende bouwwerken de bestaande maten, afmetingen en situering als uiterste. 3.2.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen uitsluitend gebouwd worden binnen een bouwvlak;

55/86

met dien verstande dat: b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen buiten het achtererfgebied niet meer bedraagt dan 1 m; c. de bouwhoogte van overige erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde niet meer bedraagt dan 10 m. 3.3 Specifieke gebruiksregels 3.3.1 Strijdig gebruik Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend: a. de bewoning van een bedrijfswoning door meer dan één huishouden. 3.3.2 Geoorloofd gebruik aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijfsactiviteit Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval niet gerekend een aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijfsactiviteit, mits: a. ten hoogste 30% van de oppervlakte van een bedrijfswoning wordt gebruikt, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 75 m²; b. de uitstraling van de bedrijfswoning intact blijft; c. het gebruik geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat; d. het gebruik geen onevenredig nadelige gevolgen heeft op de normale afwikkeling van het verkeer; e. het parkeren ten behoeve van het gebruik binnen het bestemmingsvlak op eigen terrein plaatsvindt; f. geen detailhandel wordt uitgeoefend; g. de activiteit in ieder geval door een bewoner van de bedrijfswoning wordt uitgeoefend; h.

in het geval van een aan huis verbonden bedrijfsactiviteit, het een activiteit betreft die genoemd is in Bijlage 1 3.4 Afwijken van de gebruiksregels 3.4.1 Afwijken ten behoeve van ondergeschikte nevenfunctie a. Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 ten behoeve van het gebruik van gronden en bestaande bedrijfsgebouwen, uitsluitend als ondergeschikte nevenfunctie, voor: 1. loonwerk- en veehandelbedrijven; 2. het bieden van overnachtingsmogelijkheden, met een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 100 m²; 3. horeca ten dienste van extensieve openluchtrecreatie, met een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 100 m²; 4. opslag en stalling van caravans, campers, boten en dergelijke; 5. kunstnijverheid, ateliers, musea en dergelijke; 6. (kinder)dagopvang, met een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 100 m²; 7. educatief centrum gericht op de landbouw en/of natuur; 8. detailhandel gerelateerd aan de nevenfunctie, tot een maximale verkoopvloeroppervlakte van 100 m². a. Bij het afwijken op grond van sub a. dienen de volgende regels in acht te worden genomen: 1. de nevenfunctie mag, tenzij hierboven anders is bepaald, op ten hoogste 20% van het bestemmingsvlak plaatsvinden met een maximum oppervlakte van 2.000 m²; 2. het gebruik mag geen onevenredig nadelige gevolgen hebben voor nabijgelegen percelen; 3.

het gebruik mag geen onevenredig nadelige gevolgen hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; 4. het parkeren ten behoeve van de nevenfunctie dient binnen het bouwvlak op eigen terrein plaats te vinden;

56/86

5. er mag geen opslag van goederen ten behoeve van de nevenfunctie in de open lucht plaatsvinden. 3.4.2 Afwijken ten behoeve van kamperen Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 ten behoeve van kleinschalig kamperen, met dien verstande dat: a. de daarbij behorende ondersteunende gebouwen, zoals sanitaire ruimten en andere bouwwerken: 1. uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; 2. een goothoogte hebben die niet meer bedraagt dan 3,5 m; 3. een bouwhoogte hebben die niet meer bedraagt dan 5 m; 4. een gezamenlijke inhoud hebben die niet meer bedraagt dan 50 m²; b. wordt voorzien in een goede inpassing in het landschap door middel van afschermende erfbeplanting, met daarbij behorende sloot, waarbij de breedte van de erfbeplanting en de soorten passend zijn bij de omgeving. Burgemeester en wethouders kunnen hiervoor nadere eisen stellen.

Hoofdstuk 3 Artikel 4

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 5

Algemene gebruiksregels

5.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming, wordt in ieder geval gerekend, het gebruiken of laten gebruiken van gronden: a. als seksinrichting; b. als standplaats voor onderkomens, tenzij anders bepaald; c. als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten; 5.2 Geoorloofd gebruik Onder een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval niet gerekend, het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van: a. Kabels en leidingen, niet zijnde hoofd(transport)leidingen.

Artikel 6

Algemene afwijkingsregels

6.1 Afwijking Met omgevingsvergunning kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de externe veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, worden afgeweken van: a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, met dien verstande dat dit niet geldt voor bijbehorende bouwwerken, bedrijfsgebouwen ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf en kassen ten behoeve van een

57/86

glastuinbouwbedrijf; b. de bestemmingsregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de afstand tussen een bebouwingsgrens en de weggrens niet wordt verkleind, de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan; c. de bestemmingsregels en toestaan dat de grenzen van het bouwvlak naar de buitenzijde worden overschreden door: 1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen; 2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken; 3. ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, mits de bouwvlakgrens met niet meer dan 1,5 m wordt overschreden, en erkers over maximaal de halve gevelbreedte, mits de bouwvlakgrens met niet meer dan 1 m wordt overschreden; d. het bepaalde over de afstand van uitbouwen tot aan de voorgevel en het verlengde daarvan voor het bouwen van (hoek)erkers, mits de diepte van de (hoek-)erker, gemeten uit de zijgevel, niet meer bedraagt dan 1 m.

Artikel 7

Overige regels

7.1 Parkeerregels 7.1.1 Voldoende parkeergelegenheid a. De in het plangebied aanwezige gronden mogen slechts worden bebouwd en/of in gebruik worden genomen en/of het gebruik van deze gronden mag enkel worden gewijzigd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid bij, op of onder het gebouw dan wel bij, op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort worden gerealiseerd. b. gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in sub a, dienen na realisering in stand te worden gehouden voor het gebruik waar de betreffende voorzieningen voor nodig zijn. 7.1.2 Voldoende laad- en losruimte Indien het beoogde gebruik van een bouwwerk aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen uitsluitend verleend indien aan of in dat bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein bij het bouwwerk wordt voorzien in die ruimte. Deze bepaling geldt niet: a. voor bestaand gebruik, waarbij de herbouw van een bouwwerk zonder functiewijziging wordt beschouwd als bestaand gebruik; b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- of losruimte wordt voorzien.

7.1.3 Beleidsregels Bij verlenen omgevingsvergunning voor de in 7.1.1 sub a genoemde gronden, past het bevoegd gezag de beleidsregels van de 'Nota Parkeernormen' (Bijlage 2) toe, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 7.1.4 Afwijken a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.1.1 sub a overeenkomstig de afwijkingsmogelijkheden die vastliggen in de beleidsregels als bedoeld in lid 7.1.3. b. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.1.2 en worden toegestaan dat in minder dan voldoende laad- en losgelegenheid wordt voorzien, indien het voldoen aan die bepalingen door

58/86

bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. 7.1.5 Nadere eis Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de situering van parkeergelegenheid en laad- en losruimte, als dit noodzakelijk is om een goede verkeersstructuur en/of bereikbaarheid voor een pand, perceel, straat (of deel daarvan) dan wel een andere ruimtelijke functionele structuur te waarborgen.

Hoofdstuk 4 Artikel 8

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

8.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met maximaal 10%. c. Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 8.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Sublid a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 9

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Landelijk gebied, Baarloseweg 4-1 te Marknesse van de gemeente Noordoostpolder

59/86

60/86

Bijlagen regels

61/86

62/86

Bijlage 1

63/86

Lijst van aan huis verbonden bedrijven

Bijlage - Lijst van 'aan huis verbonden bedrijf'

Bijlage 2

65/86

Nota Parkeernormen

Nota Parkeernormen Noordoostpolder 2016

Gemeente Noordoostpolder

Gemaakt Genop 12/17/2015 10:26:00 AM Januari 2016

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

Inleiding .................................................................................................................................................... 4 1.1

Achtergrond ........................................................................................................................................ 4

1.2

De aanleiding voor een nota parkeernormen ..................................................................................... 4

1.3

Opbouw Nota Parkeernormen ............................................................................................................ 5

Uitvoering parkeerverplichting ................................................................................................................. 6 2.1

Voldoen aan gemeentelijke parkeernormen....................................................................................... 6

2.2

Stappenplan bepalen parkeerplaatsverplichting ................................................................................ 6

2.3

Afwijkingsbevoegdheid college van B&W ........................................................................................ 11

2.4

Overgangsregeling ........................................................................................................................... 11

2.5

Slotbepaling ...................................................................................................................................... 12

2.6

Verankering parkeernormen in bestemmingsplannen ..................................................................... 12

Parkeernormen Noordoostpolder ........................................................................................................... 13 3.1

Hoofdfunctie wonen .......................................................................................................................... 13

3.2

Hoofdfunctie werken ......................................................................................................................... 13

3.3

Hoofdfunctie winkels en boodschappen ........................................................................................... 14

3.4

Hoofdfunctie sport, cultuur en ontspanning ...................................................................................... 14

3.5

Hoofdfunctie horeca en (verblijfs)recreatie....................................................................................... 15

3.6

Hoofdfunctie gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen .............................................................. 15

3.7

Hoofdfunctie onderwijs ..................................................................................................................... 16

3.8

Fietsparkeren .................................................................................................................................... 17

Pagina 2 van 18

Documentatiepagina

Citeertitel rapport

: Nota Parkeernormen Noordoostpolder 2016

Status

: Definitief

Datum inwerkingtreding

: na vaststelling door de gemeenteraad

Auteur(s)

: H. Zuiver (Mobycon) : W. Balster (Mobycon) : H. Cnossen (gemeente) : J. Bijlsma (gemeente) : M. Ribbink (gemeente)

Contact persoon

: Hans Cnossen : cluster Ruimtelijke Ontwikkeling

Gemeente Noordoostpolder Postbus 155 8300 AD Emmeloord T: +31 (0)527 63 34 12 E: info@noordoostpolder.nl W. www.noordoostpolder.nl

Pagina 3 van 18

1. Inleiding 1.1

Achtergrond

De Noordoostpolder is vanaf 1936 ingepolderd en vanaf 1942 ontwikkeld als tweede grote stap in de ontwikkeling van de IJsselmeerpolders. Het basismodel dat hieraan ten grondslag lag was het ‘Centrale Plaatsen Model’ van Christaller. Dit model gaat uit van een gelaagde ruimtelijke organisatie, waarbij een hoofdplaats omringd wordt door nevenplaatsen, terwijl de hoofdplaats zelf weer een nevenplaats van een grotere kern vormt. Het geheel van agrarische kavels, verbindingswegen, dorpen en hoofdkern is als zorgvuldige eenheid ontworpen. Dit is terug te zien in de organisatie van Emmeloord als hoofdkern, met daaromheen de dorpen. De fiets stond bij de aanleg centraal. In het vooroorlogse ruimtelijk model werd nog geen rekening gehouden met de brommer, laat staan de auto. Uiteraard heeft de tijd in de Noordoostpolder niet stilgestaan. Al snel na de Tweede Wereldoorlog werd de auto -net als in de rest van Nederland- gemeengoed. Op de relatief langere afstanden tussen de dorpen en Emmeloord verving deze in rap tempo de fiets. Tegenwoordig heeft de auto een zeer belangrijke plaats verworven in de dagelijkse mobiliteitsbehoefte. Het voorzieningenniveau in de dorpen is gering is en neemt verder af. Inwoners daarom steeds meer aangewezen op Emmeloord voor hun boodschappen en andere voorzieningen.

Vanwege de toegenomen automobiliteit zijn er op bepaalde plekken, op bepaalde momenten parkeerproblemen. Deze zijn de voorgaande jaren zo veel mogelijk opgepakt bij groot onderhoud, herinrichtingsplannen en via handhaving, zonder dat daar een duidelijk kader voor was. In het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) is daarom opgenomen dat er een parkeerbeleidsplan moet worden opgesteld, inclusief parkeernormen op maat. Voorliggende nota parkeernormen is een nadere uitwerking van het gemeentelijk parkeerbeleid.

1.2

De aanleiding voor een nota parkeernormen

Om bij ruimtelijke ontwikkeling een indicatie te krijgen van het aantal benodigde parkeerplaatsen werd voorheen gebruik gemaakt van de door het CROW opgestelde ervaringscijfers. Dit betreft een landelijke richtlijn en geen vastgesteld beleid. Parkeernormen kunnen op diverse manieren worden vastgelegd om stedenbouwkundige plannen te kunnen toetsen. Parkeernormen kunnen enerzijds worden vastgelegd in bestemmingsplannen, anderzijds in de bouwverordening (artikel 2.5.30) of in apart beleid. Door de vaststelling van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) staan veranderingen op stapel als het gaat om het vastleggen van de parkeernormen als onderdeel van de stedenbouwkundige bepalingen. Per 1 juli 2018 komen de stedenbouwkundige bepalingen te vervallen en kunnen parkeernormen alleen nog via het bestemmingplan van kracht zijn door een voorwaardelijke verplichting. Belangrijk is de nieuwe juridische verankering van de parkeernormen in bestemmingsplannen. Om die reden legt gemeente Noordoostpolder haar parkeernormen vast in een Nota Parkeernormen. De Nota Parkeernormen is een document waar vanuit bestemmingsplannen naar verwezen moet worden. Voorliggende nota omvat parkeernormen voor de ruimtelijke functies die het meest voorkomen.

Pagina 4 van 18

1.3

Opbouw Nota Parkeernormen

Voor de verkeersaspecten bij ruimtelijke ontwikkelingen is het berekenen van de parkeerplaatsverplichting essentieel. De parkeerplaatsverplichting is het aantal parkeerplaatsen dat een initiatiefnemer moet aanleggen bij een voorgenomen ruimtelijke functie. Deze systematiek staat beschreven in het volgende hoofdstuk. De parkeerplaatsverplichting wordt berekend aan de hand van vastgestelde parkeernormen. De parkeernormen die binnen de gemeente Noordoostpolder gelden zijn in hoofdstuk 3 ‘Parkeernormen voor auto’s en fietsen’ opgenomen.

Pagina 5 van 18

2. Uitvoering parkeerverplichting 2.1

Voldoen aan gemeentelijke parkeernormen

Aan het invullen van de parkeerplaatsverplichting stelt de gemeente een aantal eisen. Zo zijn er regels over hoe parkeren op eigen terrein wordt meegeteld, ook is er een minimale fysieke maatvoering van parkeren op eigen terrein.

Onderscheid bij verbouw, nieuwbouw of functiewijziging Er is onderscheid te maken tussen nieuwbouwplannen en verbouwplannen. Bij nieuwbouwplannen wordt de parkeerplaatsverplichting berekend aan de hand van de parkeernormentabel van hoofdstuk 3. Bij verbouwplannen, functiewijzigingen (zonder omgevingsvergunning) of uitbreidingsplannen wordt het aantal aantoonbaar toewijsbare parkeerplaatsen van de oude functie - met de bestaande bestemming - in mindering gebracht op de nieuwe parkeerplaatsverplichting (zoals berekend aan de hand van de parkeernormentabel van hoofdstuk 3). Dit is voldoende of levert een aanvullende parkeerplaatsverplichting of overschot op. De aanvrager dient ten behoeve van de berekening aan te leveren uit welke functies en bijbehorende oppervlakten het plan is opgebouwd. Bij een uitbreiding van een locatie wordt in eerste instantie alleen de uitbreiding getoetst. Wanneer de totale locatie, inclusief de uitbreiding, als geheel voldoende parkeerplaatsen heeft, voldoet het plan aan de parkeerplaatsverplichting conform deze Nota Parkeernormen.

2.2

Stappenplan bepalen parkeerplaatsverplichting

Het bepalen van de parkeerplaatsverplichting en de invulling van deze verplichting vindt plaats op basis van onderstaande vier stappen.

2.2.1

Stap 1: bepalen parkeerbehoefte

A. gebiedstypologie gemeente Noordoostpolder Welke parkeernormen er voor een gebied gelden is onder andere afhankelijk van de stedelijkheidsgraad. De stedelijkheidsgraad wordt bepaald op basis van de omgevingsadressendichtheid (aantal adressen per km²), kortweg OAD van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In een gebied met een hoge OAD is het aanbod - en de kwaliteit – van andere vervoerswijzen over het algemeen groter dan in een gebied met een lage OAD. Daarom worden in een gebied met een hoge stedelijkheidsgraad lagere parkeernormen toegepast. Daarnaast kan een onderscheid worden gemaakt naar de stedelijke zone (centrum, schil, rest bebouwde kom, buitengebied) van een gemeente. De Noordoostpolder valt qua stedelijkheidsgraad - in zijn geheel - in de categorie “matig stedelijk” Er is echter een duidelijk verschil tussen Emmeloord en de rest van de gemeente. De dorpen en het buitengebied hebben een veel lagere OAD dan Emmeloord. Daarom is onderstaande verdeling in stedelijkheidsgraad van toepassing, gebaseerd op de OAD.

Pagina 6 van 18

Gebiedstype

Stedelijkheidsgraad

Omgevingsadressendichtheid

Emmeloord (bebouwde kom)

Matig stedelijk

1.000 tot 1.500 adressen per km²

Rest gemeente

niet stedelijk

minder dan 500 adressen per km².

Tabel 2-1

Overzicht stedelijkheidsgraden Noordoostpolder

De hoogte van de parkeernorm wordt ook bepaald door te kijken naar de stedelijke zone (centrum, schil, overig, buitengebied) van een gebied. Hoe dichter bij het centrum, des te beter normaliter de kwaliteit en het aanbod van overige vervoerswijzen en des te lager dus de parkeernorm. Noordoostpolder kenmerkt zich door een aantal te onderscheiden stedelijke zones. Dit zijn gebieden die qua geografische ligging, ruimtelijke kenmerken en stedelijke dichtheid zorgen voor een bepaald mobiliteitspatroon en bijbehorende parkeervraag. In onderstaande tabel zijn bovenstaande afwegingen overzichtelijk op een rij gezet.

Gebiedsindeling

Stedelijkheidsgraad

Stedelijke zones

Matig stedelijk

Centrum

Emmeloord rest bebouwde kom

Matig stedelijk

Rest bebouwde kom

Overige kernen (bebouwde kom)

Niet stedelijk

Rest bebouwde kom

Buitengebied

Niet stedelijk

Buitengebied

Emmeloord centrum

Tabel 2-2

1

Overzicht gebiedsindeling naar stedelijkheidsgraad en stedelijke zones Noordoostpolder.

B. toepassing parkeernormen Op basis van publicatie 317 van het CROW (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie) is een lijst met parkeernormen voor de gemeente Noordoostpolder opgesteld. De gemeente werkt binnen de kaders van het verkeer en vervoerbeleid met ‘vaste parkeernormen’ (zonder bandbreedte). Dit biedt duidelijkheid voor alle betrokkenen. Bij de realisatie van nieuwe functies is het belangrijk om te voorzien in voldoende parkeerplaatsen (vraagvolgend). In deze nota parkeernormen wordt daarom uitgegaan van parkeernormen die gebaseerd zijn op de huidige situatie van functies (zie tabellen in hoofdstuk 3). Bij de toepassing van parkeernormen voor functies die niet in deze tabellen zijn op genomen dient gebruik te worden gemaakt van de gemiddelde kencijfers zoals beschreven in publicatie 317 van het CROW.

1

Emmeloord centrum omvat het gebied omgrensd door de volgende straat: Noordzijde, Kon. Julianastraat,

Espelerlaan, Onder de Toren, Korte Dreef, Lange Dreef en Smedingplein. Pagina 7 van 18

C. aanwezigheidspercentages bij dubbelgebruik parkeerplaatsen Bij de berekening van de parkeerplaatsverplichting wordt bij de ontwikkelingen van meerdere (verschillende) functies gebruik gemaakt van aanwezigheidspercentages. Bij meerdere functies kan er namelijk sprake zijn van een verschillend patroon van tijden waarop gebruikers (bewoners, bezoekers, werknemers) aanwezig zijn. Zo is de parkeerdruk bij woningen bijvoorbeeld vooral 's avonds / nachts groot. Overdag ligt de aanwezigheid lager omdat een deel van de bewoners met de auto naar het werk gaat. Dit biedt mogelijkheden om andere functies (bijvoorbeeld een kantoor) deze ruimte te laten benutten. Zo kan dubbelgebruik van parkeerplaatsen plaatsvinden.

Aanwezigheidspercentages (dubbelgebruik parkeervoorzieningen) Functies werkdagochtend werkdagmiddag werkdagavond koopavond werkdagnacht zaterdagmiddag zaterdagavond zondagmiddag 50% 50% 90% 80% 100% 60% 80% 70% woningen bewoners woningen bezoekers 10% 20% 80% 70% 0% 60% 100% 70% kantoor/bedrijven 100% 100% 5% 5% 0% 0% 0% 0% commerciële dienstverlening 100% 100% 5% 75% 0% 0% 0% 0% detailhandel 30% 60% 10% 75% 0% 100% 0% 0% grootschalige detailhandel 30% 60% 70% 80% 0% 100% 0% 0% supermarkt 30% 60% 40% 80% 0% 100% 40% 0% 50% 50% 100% 100% 0% 100% 100% 75% sportfuncties binnen 25% 25% 50% 50% 0% 100% 25% 100% sportfuncties buiten bioscoop/theater/podium 5% 25% 90% 90% 0% 40% 100% 40% sociaal medisch: arts/maatschap/therapeut/ consultatiebureau 100% 75% 10% 10% 0% 10% 10% 10% verpleeg- of verzorgingstehuis/aanleunwoning/verzorgingsflat 50% 50% 100% 100% 25% 100% 100% 100% ziekenhuispatiënten inclusief bezoekers 60% 100% 60% 60% 5% 60% 60% 60% ziekenhuis medewerkers 75% 100% 40% 40% 25% 40% 40% 40% dagonderwijs 100% 100% 0% 0% 0% 0% 0% 0% avondonderwijs 0% 0% 100% 100% 0% 0% 0% 0%

Tabel 2-3

Aanwezigheidspercentage Noordoostpolder (op basis van het CROW Publicatie 317)

D. reductiefactor parkeerplaatsen op bijbehorend terrein Een bouwplan dient in beginsel op eigen terrein aan de parkeerplaatsverplichting te voldoen. Met het begrip “parkeren op eigen terrein” wordt bedoeld: ruimte voor parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort, passend binnen het vigerende bestemmingsplan. Parkeerplaatsen op eigen terrein bij woningen worden niet altijd volledig meegerekend in de gerealiseerde parkeerplaatsen. Deze plaatsen worden immers vaak voor andere doeleinden gebruikt dan parkeren van auto’s (zie ook parkeerbeleidsplan). De mate waarin parkeren op eigen terrein wordt meegerekend (afhankelijk van de parkeervoorziening) is opgenomen in onderstaande tabel. Parkeervoorziening

Theoretisch aantal

Berekeningsaantal

Enkele oprit zonder garage

1

0,8

Lange oprit zonder garage of carport

2

1,0

Dubbele oprit zonder garage

2

1,7

Garage zonder oprit (bij woning)

1

0,4

Garagebox (niet bij woning)

1

0,5

Garage met enkele oprit

2

1,0

Garage met lange oprit

3

1,3

Garage met dubbele oprit

3

1,8

Tabel 2-4

Parkeren op eigen terrein

Pagina 8 van 18

Een parkeervoorziening op bijbehorend terrein bij een bouwplan moet voldoen aan de volgende fysieke maatvoering: •

een enkele oprit is minimaal 5m lang en 3,5m breed;

•

een lange oprit is minimaal 10m lang en 3,5m breed;

•

een dubbele oprit is minimaal 4,5 meter breed;

•

een garage is minimaal 5m lang en 2,5m breed (binnenwerks);

•

een dubbele garage is minimaal 5m lang en 4,5m breed (binnenwerks);

Ook moet de situering zodanig zijn dat het veilig in- en uitrijden is gewaarborgd. E. Afronding naar volledige parkeerplaatsen Het volgens deze parkeernormen berekende benodigde aantal parkeerplaatsen wordt naar boven afgerond tot een volledige parkeerplaats.

2.2.2 Een

Stap 2: aantonen parkeren op bijbehorend terrein aanvraag

omgevingsvergunning

dient

in

beginsel

op

het

bijbehorend

terrein

aan

de

parkeerplaatsverplichting te voldoen. Met het begrip “parkeren op bijbehorend terrein” wordt bedoeld: “ruimte voor parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort, passend binnen het vigerende bestemmingsplan en de vigerende bestemming.” Bij het niet kunnen voldoen aan de parkeerplaatsverplichting op bijbehorend terrein, dient de aanvrager dit bij de aanvraag van de omgevingsvergunning aan te tonen. Deze inspanningsverplichting betekent het aantonen dat het aanleggen van parkeerplaatsen op bijbehorend terrein fysiek in geen enkele vorm mogelijk is zonder dat dit het functioneren belemmert.

2.2.3

Stap 3: onderzoek gebruik bestaande parkeerplaatsen in de openbare ruimte

Een initiatief mag niet leiden tot een (toename van) parkeertekort in de openbare ruimte. Het kan echter voorkomen dat er in de openbare ruimte op loopafstand een restcapaciteit bestaat, waarvan gebruik gemaakt kan worden om de parkeervraag op te vangen. Een initiatiefnemer kan de gemeente verzoeken geen parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren, maar gebruik te maken van restcapaciteit in de openbare ruimte. In deze situatie krijgt de initiatiefnemer geen exclusief gebruiks- of eigendomsrecht. Als er bijvoorbeeld in de omgeving parkeerplaatsen voorhanden zijn die ooit zijn aangelegd voor een doel of functie die niet meer bestaat of als er sprake is van overcapaciteit aan parkeerruimte, is te onderzoeken of deze ruimte mag worden meegeteld bij de parkeerverplichting voor het initiatief. Dit is alleen mogelijk als de parkeerdruk in de openbare ruimte op het maatgevende moment, met toevoeging van de ontwikkeling, onder de 80% voor het centrum van Emmeloord en 90% voor de rest van de gemeente blijft (zie ook het Parkeerbeleidsplan Noordoostpolder 2015-2025). Of deze ruimte er is, dient te blijken uit een door de 2

initiatiefnemer aan te leveren representatief parkeeronderzoek. Als er binnen 5 jaar ontwikkelingen

2

Representatief onderzoek bestaat uit: een door een objectieve partij (bij voorkeur een verkeerskundig adviesbureau) uitgevoerde

parkeerdrukmeting op verschillende momenten, dagen en tijden (buiten vakantieperiode) en zeker tijdens periodes wanneer aanspraak gedaan gaat worden door de nieuwe ontwikkeling op de parkeercapaciteit.

Pagina 9 van 18

worden verwacht die de bezettingsgraad van het betreffende gebied beïnvloeden, moet ook hiermee rekening worden gehouden. De wijze van onderzoek moet vooraf met de gemeente gecommuniceerd zijn. De bezettingsgraad van de openbare parkeerplaatsen in de omgeving wordt door de gemeente getoetst bij het verzoek om afwijking van (een deel van) de parkeervraag. Wat een acceptabele loopafstand is, wordt beoordeeld bij de aanvraag omgevingsvergunning en is afhankelijk van de functie en haar gebruikers, het specifieke gebied waar het bouwplan gerealiseerd wordt en een aantal ruimtelijke aspecten aan een looproute zoals sociale veiligheid, aantrekkelijkheid et cetera. De richtlijnen van het CROW voor acceptabele loopafstanden worden hierbij als leidraad gebruikt en zijn weergegeven in onderstaande tabel. Hoofdfunctie

Acceptabele loopafstanden

Wonen

Ca. 100 meter (1,0 – 1,5 minuten)

Winkelen

Ca. 400 meter (5 minuten)

Werken

Ca. 500 meter (6 minuten)

Ontspanning

Ca. 100 meter (1,0 – 1,5 minuten)

Gezondheidszorg

Ca. 100 meter (1,0 – 1,5 minuten)

Onderwijs

Ca. 100 meter (1,0 – 1,5 minuten) Richtlijn acceptabele loopafstanden

Tabel 2-5

2.2.4

3

Stap 4: onderzoek realiseren nieuwe parkeerruimte in de openbare ruimte

De ingediende parkeerbehoefteberekening wordt door de gemeente gecontroleerd, zowel op de juiste toepasbaarheid van de parkeernormen en aanwezigheidspercentages als op de afwijkingsgronden van parkeren op eigen terrein. Wanneer de mogelijkheid niet aanwezig is om de parkeerdruk op te vangen met bestaande parkeerplaatsen, kan onderzocht worden of er mogelijkheden zijn om extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte aan te leggen. Bij het bepalen van een eventuele locatie moet rekening gehouden worden met: •

De loopafstanden zoals geformuleerd in bovenstaande tabel.

•

De kwaliteit van de omgeving. De aanleg van extra parkeerplaatsen mag niet ten koste gaan van de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van de omgeving. Er dient altijd een integrale afweging gemaakt te worden met bijvoorbeeld het ruimtelijk- en groenbeleid.

Het college gaat alleen akkoord met deze mogelijkheid op basis van de volgende voorwaarden: •

De parkeerplaats kan ruimtelijk en verkeerstechnisch worden aangelegd. Maatgevend hierbij is onder andere de verkeersveiligheid en eventuele hinder die dit op kan leveren voor andere weggebruikers.

•

De gemeente wil deze ruimte niet als reserve houden voor het opvangen van al bestaande parkeertekorten of andere doeleinden.

•

Er vindt een ruimtelijke afweging plaats ten aanzien van de plaats en de hoeveelheid te realiseren parkeerplaatsen in bijvoorbeeld een groenvoorziening.

3

Bij een gemiddelde loopsnelheid van 5 kilometer per uur.

Pagina 10 van 18

•

De kosten die gemoeid zijn met de aanleg van deze parkeerplaatsen worden in principe volledig gefinancierd door de initiatiefnemer. Dit zal door een (realisatie)overeenkomst tussen de gemeente en de aanvrager moeten worden geregeld.

2.2.5

Vervolg: parkeeradvies

Als een aanvraag omgevingsvergunning voorziet in voldoende parkeercapaciteit, dan wordt een positief advies afgegeven. Wanneer er geen fysieke mogelijkheden zijn om de parkeereis op bijbehorend terrein te realiseren of op acceptabele loopafstand in de openbare ruimte op te vangen of te realiseren conform de gestelde ontwerpeisen, dan wordt een negatief parkeeradvies voor de aanvraag omgevingsvergunning afgegeven op basis van het niet kunnen voldoen aan de parkeerplaatsverplichting voor het betreffende bouwplan. De aanvraag omgevingsvergunning wordt op deze grond afgewezen. Het college van B&W kan eventueel via de hardheidsclausule afwijken van het negatieve parkeeradvies (zie paragraaf 2.3).

2.3

Afwijkingsbevoegdheid college van B&W

Het college heeft de mogelijkheid af te wijken van de voorwaardelijke verplichting aangaande parkeren; “indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit”. Het verlenen van vrijstelling voor de aanleg van parkeerplaatsen is voorbehouden voor “zeer” bijzondere omstandigheden. Deze omstandigheden zullen voornamelijk maatschappelijk-economisch van aard zijn. De afwijkingsbevoegdheid kan alleen door het college worden toegepast. Terughoudend gebruik van deze bevoegdheid is geboden. Er dient een zorgvuldige motivatie te worden opgesteld waarin de aantoonbare bijzondere omstandigheden en overwegende bezwaren uiteen worden gezet en waarom

de

afwijkingsbevoegdheid dan wordt toegepast.

2.4

Overgangsregeling

De in deze nota opgenomen parkeernormen zijn niet van toepassing in de volgende gevallen: •

Initiatieven waarvoor het college vóór de datum van inwerkingtreding van deze nota heeft ingestemd met een parkeernorm welke is vastgelegd in een door het college geaccordeerd document, zoals een stedenbouwkundig plan c.q. programma van eisen / nota van uitgangspunten en/of in een intentie- of exploitatieovereenkomst. In deze gevallen gelden de parkeernormen zoals vastgelegd in het door het college geaccordeerde document.

•

Initiatieven die passen binnen een (ontwerp)bestemmingsplan waarvan het college vóór de datum van inwerkingtreding van deze nota heeft ingestemd met terinzagelegging. In deze gevallen gelden de parkeernormen zoals opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan.

•

Op een aanvraag om omgevingsvergunning, afwijking, ontheffing of toestemming anderszins, die is ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van deze nota en waarop op die datum nog niet is beschikt. In deze gevallen gelden de vóór de datum van inwerkintreding van deze nota geldende parkeernormen.

Pagina 11 van 18

2.5 Slotbepaling Daar waar deze Nota Parkeernormen niet in voorziet, is publicatie 317 van het CROW (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie) of het ASVV2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) van toepassing. Hierbij dienen de stedelijkheidsgraden en gebiedsindelingen te worden aangehouden zoals beschreven in dit hoofdstuk en dient uitgegaan te worden van de ‘gemiddelde parkeerkencijfers’. Afwijkingen op deze Nota Parkeernormen in bestemmingsplannen is mogelijk door gemotiveerd specifieke parkeerverplichtingen op te nemen.

2.6

Verankering parkeernormen in bestemmingsplannen

Bij het opstellen van bestemmingsplannen wordt in de regels (juridisch bindend) verankerd dat voldaan moet worden aan de parkeernormen van de gemeente. De juridische borging vindt bijvoorbeeld plaats door de volgende regeling op te nemen in de algemene gebruiksregels van een bestemmingsplan (voorwaardelijke verplichting): “Parkeernormen: Indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet volgens de gemeentelijke parkeernormen voldoende ruimte zijn aangebracht en in stand gehouden worden van parkeervoorzieningen in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.” In de toelichting en bijlage van het bestemmingsplan wordt vervolgens verwezen naar de specifieke parkeernormen en toepassingsmethodiek die de parkeereis bij ruimtelijke ontwikkelingen bepalen. Dit betreft de voorliggende Nota Parkeernormen Noordoostpolder. Voor 1 juli 2018 moeten alle bestemmingsplannen voorzien zijn van deze regeling. Dit gebeurt bijvoorbeeld door voor de op dat moment nog niet geactualiseerde bestemmingsplannen een overkoepelend ‘paraplu-bestemmingsplan’ op te stellen die deze juridische waarborging per 1 juli 2018 regelt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1831/documents/27285