10.1 Bestemmingsplan Marknesse - Baarloseweg 4-1 (ON280421).PDF
Tekst van het document
bestemmingsplan
Landelijk Gebied, Baarloseweg 4-1 Te Marknesse Noordoostpolder
DATUM IMRO IDN
NL.IMRO.0171.BP00683-ON01
PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20201898
AUTEUR STATUS
ontwerp
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging van het plangebied
6
1.3
Geldend bestemmingsplan
7
1.4
Leeswijzer
7
Beschrijving van het plan
8
2.1
De situatie
8
2.2
Ruimtelijke inpassing
9
Hoofdstuk 3
Beleidskader
9
3.1
Rijksbeleid
9
3.2
Provinciaal beleid
10
3.3
Gemeentelijk beleid
11
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
12
4.1
Archeologie en cultuurhistorie
12
4.2
Ecologie
12
4.3
Geluid
14
4.4
Luchtkwaliteit
14
4.5
Bodem
15
4.6
Water
15
4.7
Bedrijven- en milieuzonering
18
4.8
Kabels en leidingen
18
4.9
Externe veiligheid
18
4.10
Vormvrije mer-beoordeling
19
Juridische planopzet
19
5.1
Planopzet
19
5.2
Toelichting op de bestemmingen
19
Uitvoerbaarheid
20
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
20
6.2
Economische uitvoerbaarheid
20
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
3/86
Bijlagen toelichting
23
Bijlage 1
Ecologische quickscan
25
Bijlage 2
Samenvatting watertoets Baarloseweg 4-1 Marknesse
45
Regels Hoofdstuk 1
49 Inleidende regels
50
Artikel 1
Begrippen
50
Artikel 2
Wijze van meten
53
Bestemmingsregels
54
Agrarisch
54
Hoofdstuk 3
Algemene regels
57
Artikel 4
Anti-dubbeltelregel
57
Artikel 5
Algemene gebruiksregels
57
Artikel 6
Algemene afwijkingsregels
57
Artikel 7
Overige regels
58
Overgangs- en slotregels
59
Artikel 8
Overgangsrecht
59
Artikel 9
Slotregel
59
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Hoofdstuk 4
Bijlagen regels
61
Bijlage 1
Lijst van aan huis verbonden bedrijven
63
Bijlage 2
Nota Parkeernormen
65
Verbeelding
4/86
85
Toelichting
5/86
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een grondgebonden agrarisch bedrijf aan de Baarloseweg 4-1 te Marknesse. Dit perceel is gelegen in een glastuinbouwgebied, dat gedeeltelijk in ontwikkeling is. Bij het voorbereiden van een bestemmingsplan hiervoor is er vanuit gegaan dat de erven in beginsel een woonfunctie zouden krijgen. Daarom heeft het bedrijfsperceel abusievelijk een woonbestemming gekregen. De eigenaar van dit bedrijf wil nu een moderniseringsslag binnen het bedrijf doen door gebouwen op te waarderen en/of te vervangen. Echter, dat is op basis van woonbestemming niet mogelijk. Dit bestemmingsplan is opgesteld om deze situatie te corrigeren en het fruitteeltbedrijf opnieuw te bestemming als grondgebonden agrarisch bedrijf. Er wordt geen uitbreiding van het agrarische bouwperceel mogelijk gemaakt.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt aan de Baarloseweg 4-1 ten noorden van het dorp Marknesse in de Noordoostpolder. De Baarloseweg is een 60 km/u weg waar een aantal woningen en agrarische percelen aan liggen. Het gebied is bestemd voor de uitbreiding van het glastuinbouwgebied Luttelgeest/Marknesse. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Marknesse goed te zien.
Figuur 1.1: Ligging van het plangebied (bron: Google Maps)
6/86
1.3
Geldend bestemmingsplan
Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan Glastuinbouw Luttelgeest/Marknesse, vastgesteld op 18 februari 2010. Het perceel heeft hierin de bestemming 'Wonen'. Het gebruik van het perceel als agrarisch bedrijfsperceel is niet geregeld en valt daarmee onder het overgangsrecht. Echter, er kunnen geen nieuwe vergunningen voor het agrarisch bedrijf worden verleend. Hierdoor is de vervangende bouw van een een agrarisch bedrijfsgebouw in strijd met het bestemmingsplan. In figuur 1.3 is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan te zien
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan Glastuinbouw Luttelgeest / Marknesse
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van deze toelichting is aandacht besteed aan de functionele en ruimtelijke structuur in de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het voor dit bestemmingsplan relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt vervolgens ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 komen de juridische uitvoerbaarheid. aspecten aan bod, in hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke
7/86
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van het plan
De situatie
Het plangebied ligt aan de Baarloseweg 4-1. Op dit perceel zijn een woning en verschillende agrarische bijgebouwen aanwezig. In 2010 is hier abusievelijk een woonbestemming opgekomen. De eigenaar heeft sinds deze bestemmingswijziging nog steeds ononderbroken zijn agrarische bedrijfsactiviteiten uitgevoerd ten aanzien van biologische fruitteelt. De eigenaar wil het bedrijf moderniseren en onder andere de bestaande bedrijfsgebouwen vervangen door een nieuw bedrijfsgebouw. Dit bestemmingsplan is gericht op het correct bestemmen van het perceel, waarmee het feitelijk gebruik en het ontwikkelen van het agrarisch bedrijf mogelijk worden gemaakt. Hiermee blijft het een volwaardig agrarisch bedrijf in een toekomstig glastuinbouwgebied. Op basis van dit bestemmingsplan is de modernisering van het bedrijf mogelijk. Een aanzicht en een luchtfoto van het perceel zijn in de navolgende figuren weergegeven ter illustratie.
Figuur 2.1: Huidige situatie plangebied (bron: Google Streetview)
8/86
Figuur 2.2: Bebouwing Baarloseweg 4-1 (bron: Google Maps)
2.2
Ruimtelijke inpassing
Het bedrijfperceel is één van de 'oorspronkelijke' erven in de Noordoostpolder, die van oudsher zijn voorzien van een erfsingel. Een deel van deze singel is op het perceel nog aanwezig. In het glastuinbouwgebied en bij fruitteeltbedrijven is het principe van inpassen van erven in singels losgelaten. Het gebied is als geheel ingepast met een beukenhaag. Daarmee is de huidige inpassing van het perceel overeenkomstig de uitgangspunten. Hieraan worden geen wijzigingen voorgesteld. Verder is het van belang dat het perceel wordt ingebed in het glastuinbouwgebied. Op termijn worden achter het perceel grootschalige glastuinbouwbedrijven ontwikkelt, vergelijkbaar met de bedrijven aan de overzijde van de Baarloseweg. Daarbij zal mogelijk een deel van de boomgaard van het bedrijf vervallen. Het bedrijf houdt echter nog voldoende areaal grond over om een volwaardige agrarische bedrijfsvoering te waarborgen.
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) heeft het Rijk de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving geformuleerd. De NOVI is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en sorteert voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De NOVO ziet op de inrichting en de kwaliteiten van Nederland en heeft daardoor een hoog abstractieniveau. Het bevat geen concreet beleid voor dit plan.
9/86
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Een algemeen nationaal belang is het proces van duurzame verstedelijking, hiervoor is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), deze houdt in het kort in dat in geval van nieuwe verstedelijking eerst moet worden beoordeeld of hier regionale behoefte voor is en vervolgens of deze behoefte binnen stedelijk gebied opgevangen kan worden. Indien dit niet mogelijk is, moet een locatie worden gezocht die passend multimodaal ontsloten is. In dit geval is er geen sprake van nieuwe verstedelijking. Er wordt geen stedelijk gebied ontwikkeld. Bovendien is het plan gericht op de voortzetting van een bestaand bedrijf.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie FlevolandStraks De provincie Flevoland heeft op 8 november 2017 de Omgevingsvisie FlevolandStraks vastgesteld. Deze omgevingsvisie vormt een strategisch plan op hoofdlijnen voor de lange termijn. De omgevingsvisie FlevolandStraks komt in de plaats van het Omgevingsplan 2006. FlevolandStraks is een visie die nog niet is vertaald naar een beleidskader. Dit wordt nog uitgewerkt. Daarom vormt het Omgevingsplan uit 2006 nog het provinciaal beleidskader voor dit bestemmingsplan. Flevoland is van oorsprong een landbouwprovincie. Ontwikkelingen in deze sector vragen een groot aanpassingsvermogen. Om te blijven ontwikkelen heeft het perceel aan de Baarloseweg 4-1 een nieuw modern bedrijfsgebouw nodig. 3.2.2 Omgevingsplan Flevoland 2006 In het Omgevingsplan Flevoland (vastgesteld door Provinciale Staten op 2 november 2006) is het omgevingsbeleid van de provincie Flevoland voor de periode 2006-2015 neergelegd, met een doorkijk naar 2030. Het Omgevingsplan is een bundeling van de vier wettelijke plannen op provinciaal niveau: Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP). De provincie wil de vitaliteit van het landelijk gebied vergroten en de gebruiksmogelijkheden ervan meer afstemmen op de maatschappelijke behoeften. Door de schaalvergroting in de landbouw komen veel agrarische bouwpercelen vrij.
De provincie wil naast de landbouw ruimte bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied ter verbreding van het economisch draagvlak. 3.2.3 Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied De beleidsregel 'kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied' biedt het kader voor verschillende ontwikkelingen in het landelijk gebied. Als het beleidskader van het Omgevingsplan en deze beleidsregel te beperkend blijken voor ontwikkelingen die bijdragen aan de vitaliteit van het landelijk gebied, dan is de provincie bereid dat kader op experimentele basis te verruimen. Voorwaarde is dan wel dat hieraan een tussen gebiedspartners overeengekomen integraal plan voor dat gebied ten grondslag ligt, waarin een kwaliteitsimpuls voor het gebied wordt aangetoond. De provincie
10/86
kan aan de verruiming van het regime de voorwaarde stellen dat verevening plaatsvindt van kosten en opbrengsten van onderdelen van het plan of programma. Een gebiedsplan om het planologisch regime te verruimen moet inzicht bieden in: de ambities voor het versterken van de vitaliteit van het landelijk gebied; het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van het landelijk gebied (natuur, landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, extensieve vormen van recreatie), bijvoorbeeld door eisen van verevening en randvoorwaarden voor nieuwe functies te stellen; de wijze waarop met de bestaande situatie en functies in het gebied wordt omgegaan; de wijze waarop hierbij omgegaan wordt met natuurwaarden (saldobenadering); de wijze waarop het experiment past binnen de ontwikkelingsvisie 2030 en bijdraagt aan de provinciale opgaven voor de speerpunten. Met de sloop van de gedateerde bedrijfsgebouwen en de bouw van één nieuw modern gebouw worden de vitaliteit en de kwaliteit van het gebied verbeterd. Het plan sluit goed aan op zowel het Omgevingsplan Flevoland als de beleidsregel 'Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied'.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Noordoostpolder 2025 In de structuurvisie 2025, die is vastgesteld op 9 december 2013, wordt de visie van de gemeente Noordoostpolder op de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden van de Noordoostpolder geschetst. De structuurvisie is vooral bedoeld om te enthousiasmeren, te verleiden en te inspireren en andere partijen als het ware uit te nodigen om te komen met initiatieven en investeringen. De opgave ten aanzien van het landschap is het ontwikkelen van een stimulerend beleid voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de cultuurhistorische waarden van een gebied. De keuze óf ontwikkelingen mogelijk zijn is minder belangrijk dan wáár deze ontwikkeling een plek kan krijgen. Het plangebied ligt volgens de Structuurvisie kaart in de 'tussenzone'. In dit gebied is veel (glas)tuinbouw aanwezig, waardoor het landschap meer verdicht is dan andere deelgebieden. In de tussenzone wordt volop ruimte geboden voor de ontwikkeling van de tuinbouw. De bestemming 'agrarisch' past dus goed bij de kenmerken van het gebied.
11/86
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Archeologie en cultuurhistorie
4.1.1 Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden, zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. 4.1.2
Toetsing
Archeologie De (geactualiseerde) Archeologische beleidsadvieskaart die voor het grondgebied van Noordoostpolder is vastgesteld (1 oktober 2018) geeft inzicht in de te verwachten archeologische waarden binnen het plangebied. Voor het plangebied geldt volgens de Archeologische beleidsadvieskaart de verwachtingswaarde WA-7. Hiervoor geldt dat er verkennend archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij plannen vanaf 10.000 m2. Het oppervlakte van het perceel aan de Baarloseweg 4-1 ligt onder deze grens. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Binnen het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen.
4.2
Ecologie
4.2.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. 4.2.2 Toetsing Gebiedsbescherming
12/86
In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie. In het Programma Aanpak Stikstof (PAS) zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waar ten minste één stikstofgevoelig habitat voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Ook kleinschalige initiatieven kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie en moeten om die reden daarop worden beoordeeld. Voor kleine plannen waarvan op voorhand (en goed gemotiveerd) kan worden onderbouwd dat deze - vanwege bijvoorbeeld de grote afstand tot Natura 2000-gebieden - geen negatieve gevolgen kunnen hebben voor de relevante Natura 2000-gebieden, kan een passende beoordeling van de stikstofdepositie achterwege blijven. Hiermee geeft het ministerie ruimte voor een kwalitatieve onderbouwing voor kleine projecten waarvan op voorhand met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen (significant) negatief effect is op de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt op iets minder dan 6 km van de Natura 2000-gebieden De Wieden en Weerribben. Het gaat hier om het voortzetten van een bestaand bedrijf dat hier al aanwezig was toen het Natura 2000-gebied werd aangewezen. Een stikstofonderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Figuur 4.1: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000 (bron: atlasleefomgeving) Soortenbescherming Het voorzetten van een bestaand bedrijf heeft in beginsel geen negatieve effecten op potentiële soorten binnen het plangebied. Aangezien er enige ingrepen worden voorgesteld in bestaande bebouwing is een quicsan uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in Bijlage 1. Uit de quickscan blijkt dat het het perceel een mogelijk habitat is voor broedvogels en vleermuizen. Er kan echter worden uitgesloten dat de te slopen bedrijfsgebouwen achterop het perceel jaarrond beschermde nesten en/of verblijfplaatsen van vleermuizen bevatten. Wel moet bij de werkzaamheden rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid hiervan in en rondom de bedrijfswoning. Ingrepen nabij deze woning kunnen mogelijk
13/86
wel verstorend werken op de verblijfplaatsen. Overtredingen van de Wet natuurbescherming kunnen voorkomen worden door de werkzaamheden te starten vóór het broedseizoen en door tijdens de werkzaamheden geen extra verlichting toe te passen of speciale, vleermuisvriendelijke verlichting. Met inachtneming van de hiervoor benoemde mitigerende maatregelen is het bestemmingsplan uitvoerbaar binnen de kaders van de Wet natuurbescherming.
4.3
Geluid
4.3.1 Toetsingskader In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige gebouwen enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Het uitgangspunt is dat op de gevels van geluidsgevoelige functies voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Indien hier niet aan wordt voldaan, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Deze hogere waarde is te verlenen tot 63 dB in de bebouwde kom. Wegen waarvoor de zoneplicht niet geldt, zijn woonerven en wegen waarop een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. 4.3.2 Toetsing Het plangebied ligt in de wettelijke geluidszone van de Baarloseweg. De bedrijfswoning wordt niet richting de weg verplaatst, waardoor een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1 Toetsingskader In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd. Plannen die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan luchtverontreiniging zijn op grond van het besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Een plan voldoet hieraan als het een toename van minder dan 3% van de grenswaarden tot gevolg heeft. Bij woningbouwplannen van minder dan 1.500 woningen is dit het geval. 4.4.2 Toetsing Bij dit bestemmingsplan gaat het om het voortzetten van een bestaand bedrijf. De situatie verandert hiermee niet. Onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
14/86
4.5
Bodem
4.5.1 Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. 4.5.2 Toetisng Er is geen sprake van een verdachte locatie. Hier mee is een bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan niet nodig.
4.6
Water
4.6.1 Toetsingskader Een belangrijk onderdeel van de planvorming is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het projectgebied is gelegen in het beheergebied van Wterschap Zuiderzeeland. Het waterschap is verantwoordelijk voor het watersysteem en het zuiveren van het aangeboden stedelijk afvalwater. De ontwikkeling is op 11 januari 2021 aan het waterschap kenbaar gemaakt via de digitale watertoets. Uit deze digitale watertoets blijkt dat voor dit project de korte procedure gevolgd moet worden. 4.6.2 Toetsing Inleiding Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening.
Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. Thema Veiligheid Het plan ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde
15/86
gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Thema Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Conclusie Binnen het plan wordt een bedrijfsgebouw vervangen door een bedrijfsgbebouw van ongeveer gelijke omvang. Er is geen sprake van een relevante toename aan verharding. Het plan leidt zodoende ook niet tot wateroverlast. Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger.
Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen heeft voor het streefpeil van het oppervlakte water in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren. Het plangebied ligt in een wateraanvoergebied. Alleen in de Noordoostpolder zijn wateraanvoergebieden te vinden. Deze gebieden zijn afhankelijk van het water dat de polder ingelaten wordt. De zandgronden in het Noordoosten van de Noordoostpolder (NOP) zorgen ervoor dat het water relatief snel de bodem in zakt. In het westelijke deel van de NOP is wateraanvoer nodig om zout- en ijzerarm water in te laten. Het plan doet geen afbreuk aan dit systeem. Anticiperen op watertekort
16/86
Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Thema Schoon Water Goede structuurdiversiteit Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunt(en) Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt.
Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. Conclusie Het plan maakt de voortzetting van een bestaand bedrijf mogelijk. Er worden geen veranderingen van lozingen voorgestled. Wanneer dit aan de orde is, wordt door middel van een melding in het kader van het Activiteitenbesluit overleg gevoerd met het waterschap. Randvoorwaarde(n) Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een "zuiverend" gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon regenwater af te koppelen van het rioolstelsel. Onder schoon hemelwater wordt verstaan: Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1000 voertuigen per dag; Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen;
17/86
Hemelwater van daken/woningen waarbij geen voor het watersysteem; schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; Hemelwater van onverhard terrein; Hemelwater van centrumgebieden (met uitzondering van marktterreinen).
4.7
Bedrijven- en milieuzonering
4.7.1 Toetsingkader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor het bepalen van de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woonomgevingen en gemengde gebieden. 4.7.2 Toetsing Het fruitteelt bedrijf valt binnen categorie 2. Het gebied kan worden aangemerkt als gemengd gebied. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Binnen deze afstand zijn geen woningen gelegen. Er wordt hiermee voldaan aan de richtafstand van de VNG.
4.8
Kabels en leidingen
4.8.1 Toetsingkader Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een KLIC-melding in kaart gebracht. 4.8.2 Toetsing Er lopen geen relevante kabels en leidingen in of nabij het plangebied. Dit aspect vormt daarom geen belemmering voor het plan.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het toetsingskader wordt gevormd door verschillende besluiten en documenten (Bevi, Bevb, Bevt). Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden.
18/86
4.9.2 Toetsing Zowel het plaatsgebonden risico als het groepsrisico nemen met de komst van een nieuw bedrijfsgebouw niet toe. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering.
4.10 Vormvrije mer-beoordeling 4.10.1 Toetsingkader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. 4.10.2 Toetsing Het plan valt niet binnen één van de activiteiten zoals opgenomen in onderdeel C of D van het besluit m.e.r. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, daarom is er geen sprake van een m.e.r. (beoordelings-)plicht. Overigens blijkt uit de beoordeling in de voorgaande paragrafen dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden.
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planopzet
Planopzet
Het bestemmingsplan is opgezet overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening, daarbij hoort een juridische regeling die is opgezet overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Deze standaard geeft bindende standaarden voor de opbouw van de planregels en de verbeelding. Het bestemmingsplan is opgezet conform deze landelijke standaarden, daarnaast passen de opgestelde tijdsbepalende maatregelen binnen de toekomstige Omgevingswet en het bijhorende omgevingsplan.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
Het bestemmingsplan bestaat uit een set met bestemmingsregels, een digitale verbeelding en de plantoelichting. In deze paragraaf volgt een toelichting op de bestemmingsregels. Agrarisch Het gehele plangebied krijgt de enkelbestemming 'Agrarisch'. Hiermee wordt een actuele bestemming van toepassing, zoals deze gaat gelden voor het aansluitende gebied. Het plangebied krijgt een bouwvlak
19/86
waarbinnen één bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf zijn toegestaan. Omdat het perceel in de zone vóór de glastuinbouwbedrijf ligt, zijn de mogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven niet in de regels opgenomen.
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheidsaspecten van een bestemmingsplan en de grondexploitatie. Bij de uitvoerbaarheid wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. Overleg Het bestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de overleginstanties. Alleen van Waterschap Zuiderzeeland is per mail gereageerd op het plan. Het waterschap verzoekt om de waterparagraaf aan te vullen met een concrete toelichting van wat er wijzigt. De thema's 'wateroverlast' en 'afvalwater' in paragraaf 4.6zijn hierop aangevuld. De ingekomen reacties worden voorzien van een gemeentelijke reactie en kunnen leiden tot wijzigingen in het bestemmingsplan, deze worden verwoord in de beantwoording op de ingekomen reacties en weergegeven in deze toelichting. Het voorontwerp bestemmingsplan wordt niet voor inspraak ter inzage gelegd. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Eenieder wordt daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op het plan naar voren te brengen. Vaststellingsfase Zienswijzen worden beoordeeld en al dan niet verwerkt in het bestemmingsplan.
Het (al dan niet gewijzigde) bestemmingsplan wordt vervolgens door de gemeenteraad vastgesteld. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld. Tot slot is tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
20/86
Financiële haalbaarheid Dit plan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De kosten voor het realiseren van de ontwikkeling worden mede gedragen door de initiatiefnemer, aangenomen wordt dat deze over voldoende financiële middelen beschikt om het plan te kunnen realiseren. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht. Grondexploitatie Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Indien er sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente hiervoor in beginsel een exploitatieplan op te stellen. Van deze verplichting kan worden afgezien als het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Dit kan door middel van een anterieure overeenkomst. Voor vaststelling van het planologisch besluit dient duidelijk te zijn op welke wijze de kosten zullen worden verhaald. In dit geval wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten om het kostenverhaal te verzekeren. Hierin zijn onder de kosten met betrekking tot het begeleiden van de bestemmingsplanprocedure en daaraan verwante kosten opgenomen. Tevens is hierin het aspect planschade afgedekt.
21/86
22/86
Bijlagen toelichting
23/86
24/86
Bijlage 1
25/86
Ecologische quickscan
Marknesse Baarloseweg 4-1 QuickScan
JM ecologie, 2021
QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1 Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming Rapportnummer R21.005 Status 0.3 (concept) Datum 20‐01‐2021 Opdrachtgever H. Meeuwse Baarloseweg 4‐1 8316 SE Marknesse Auteur Willem Oevering Controle Henri Zomer Voorpagina Foto van het plangebied Te citeren als Oevering, W., 2021. QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4‐1; Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming. JME‐rapport R21.005 JM ecologie, Gorredijk.
JM ecologie Wetterwille 9 8401 GB Gorredijk
Copyright © 2021 JM ecologie
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.
Inhoud 1
Inleiding ........................................................................................................................................................... 2 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 2 1.2 Globale ligging .................................................................................................................................................... 2 1.3 Structuur natuurwetgeving in Nederland ........................................................................................................... 3 1.4 Scope van de QuickScan ..................................................................................................................................... 5 1.5 Werkwijze ........................................................................................................................................................... 5
2
Beschrijving locatie en ingreep ......................................................................................................................... 6 2.1 Locatie................................................................................................................................................................. 6 2.2 Ingreep ................................................................................................................................................................ 8
3
Resultaten veldbezoek en bureaustudie (soortenbescherming) ........................................................................ 9 3.1 Vogels ................................................................................................................................................................. 9 3.2 Vleermuizen ...................................................................................................................................................... 10 3.3 Overige zoogdieren ........................................................................................................................................... 11 3.4 Amfibieën.......................................................................................................................................................... 11 3.5 Overige fauna.................................................................................................................................................... 11 3.6 Vaatplanten ...................................................................................................................................................... 11
4
Effecten en gevolgen ...................................................................................................................................... 12 4.1 Overzicht beschermde soorten......................................................................................................................... 12 4.2 Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna ........................................................... 12
5
Mitigerende maatregelen ............................................................................................................................... 13 5.1 Algemene broedvogels; mitigatie ..................................................................................................................... 13 5.2 Vleermuizen; mitigatie...................................................................................................................................... 14
6
Conclusie ....................................................................................................................................................... 15
Geraadpleegde bronnen ........................................................................................................................................ 16
H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De opdrachtgever, H. Meeuwse, is voornemens bedrijfspanden aan de Baarloseweg 4‐1 te Marknesse, gemeente Noordoostpolder, provincie Flevoland, te amoveren. Om eventuele tegenstrijdigheden van de beoogde werkzaamheden en de toekomstige situatie met de Wet natuurbescherming (Wnb) op te sporen, is door JM ecologie een QuickScan uitgevoerd op de locatie.
1.2
Globale ligging Het plangebied is gelegen aan de Baarloseweg, een doorgaande weg in agrarisch gebied ten noorden van Marknesse. De omgeving van Marknesse bestaat uit intensief beheerd agrarisch gras‐ en akkerland en glastuinbouw. De globale ligging van het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.1.
Afbeelding 1.1. Globale ligging van het plangebied in Flevoland, aangegeven met een rode stip. (Bron achtergrond: Esri)
Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3
blad 2 van 16
H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1
1.3
Structuur natuurwetgeving in Nederland De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora‐ en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000‐gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wet natuurbescherming, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Dit betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Na de decentralisatie (2017) zijn enkele provincies andere namen gaan voeren voor de NNN. Provincie Friesland gebruikt de naam Ecologische Hoofdstructuren (EHS). Tevens kent de Provincie Friesland beschermde Ganzenfoerageergebieden. Decentralisatie Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de provincies. Het Rijk behoud echter het bevoegd gezag en de verantwoordelijkheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals bijvoorbeeld hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij en bijvoorbeeld activiteiten Koninklijk Huis.
Soortbescherming In de Wet natuurbescherming is soortbescherming opgedeeld in categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het gaat om de volgende categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel‐ en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat alle provincies en het Rijk de voorheen geldende “Lijst met jaarrond beschermde nesten 2012” aanhouden en blijven hanteren in de Wet natuurbescherming. Bij voorliggende toetsing is ervan uitgegaan dat de lijst gehanteerd blijft en dat de nesten een jaarrond beschermde status houden. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1t/m4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen.
Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal aangewezen vogelsoorten, indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt.
Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3
blad 3 van 16
H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1
Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings‐ of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden. Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel‐ en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wet natuurbescherming. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren en opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings‐ of rustplaatsen van dieren.
Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Met betrekking tot de ‘andere soorten’ zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. De grond waarop deze vrijstelling geldt verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Indien bij het projectvoornemen een of enkele gestelde verboden in artikel 3.1, 3,5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaats vindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie.
Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3
blad 4 van 16
H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1
1.4
Scope van de QuickScan Deze QuickScan is opgesteld om de ecologische waarden van het plangebied te bepalen, en de, ten gevolge van de geplande bestemmingswijziging, eventuele strijdigheden met de Wet natuurbescherming (Wnb) in kaart te brengen, waaruit een advies zal volgen over hoe te handelen volgens deze wet. In tegenstelling tot een Natuurtoets wordt bij een QuickScan niet ingegaan op raakvlakken met de gebiedsbescherming (Natura 2000, EHS en Ganzenfoerageergebied) en is de bureaustudie beperkt. Een initiatiefnemer is, vanuit de natuurwetgeving, bij ruimtelijke ingrepen (maar ook maatregelen en activiteiten) verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, zodat hiermee rekening kan worden gehouden. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn getoetst aan de bepalingen van de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb). De natuur is onvoorspelbaar. Het veldbezoek beschrijft een momentopname. Indien de periode tussen veldbezoek en de invoer van de geplande verandering in het bestemmingsbesluit meerdere jaren wordt, dient overwogen te worden een herhaald veldbezoek te laten uitvoeren, hetgeen mogelijk tot gevolg heeft dat de QuickScan wordt herzien.
1.5
Werkwijze Bureaustudie Voorafgaand aan het veldbezoek wordt de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten onderzocht door het raadplegen van online‐ en fysieke atlassen en databases, zoals bijvoorbeeld de NDFF. Het doel van de bureaustudie is het inschatten van de ligging van het projectgebied, de aanwezige habitattypes en de bekende beschermde soorten, alsmede het verkrijgen van inzicht in de kans dat beschermde soorten in een projectgebied aanwezig kunnen zijn. Veldbezoek Het veldbezoek is afgelegd door ecoloog Willem Oevering van JM ecologie op 13 januari 2021. Het bezoek is uitgevoerd van 10:30 tot 11:30 uur, bij 4⁰C en 1Bft, op een bewolkte dag. Het doel van het veldbezoek is het inschatten van de aanwezige habitattypes en het verkrijgen van inzicht in het plangebied. Maatregel(en) en effecten De derde stap is de beschrijving van de geplande maatregel en de omstandigheden (planning, methode) waarin deze uitgevoerd gaat worden. Tezamen met het veldbezoek en de bureaustudie kunnen hieruit eventuele strijdigheden van de plannen met de betreffende natuurwetgeving opgespoord worden, en kunnen eventuele kennishiaten benoemd worden. Hieraan worden conclusies verbonden en hieruit zal duidelijkheid ontstaan over de eventuele noodzaak tot het nemen van vervolgstappen, met als doel de wijziging conform de huidige Wet natuurbescherming te laten plaatvinden.
Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3
blad 5 van 16
H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1
2
Beschrijving locatie en ingreep
2.1
Locatie Het plangebied is buiten het dorp Marknesse gelegen aan de Baarloseweg (afbeelding 2.1). De omgeving van het plangebied is hoofdzakelijk agrarisch. De Baarloseweg is een doorgaande weg aan de noordzijde van Marknesse. Aan deze weg zijn hoofdzakelijk agrarische bedrijven gevestigd.
Afbeelding 2.1. Begrenzing van het plangebied (rode stip). (Bron achtergrond: Esri)
Op het plangebied staat aan de oostzijde van het perceel de drie te amoveren loodsen (afbeelding 2.2 t/m 2.4). De loodsen hebben allemaal een enkellaags dak, waarbij bij twee van de drie loodsen een isolatielaag onder de golfplaten zijn aangebracht. De wanden van de loodsen bevatten allemaal geen spouw. Op het perceel staat verder een woonhuis met een gronddam aan de voorzijde (afbeelding 2.5 t/m 2.6). Ten noorden van de schuren staat een biologische fruitboomgaard (afbeelding 2.7). Aan de zuidzijde van het perceel staat een werkterrein met ten zuiden van het werkterrein een boomsingel (afbeelding 2.8 t/m 2.9). Aan de oostzijde van het perceel ligt een groot braakliggend terrein waar glastuinbouw gerealiseerd wordt (afbeelding 2.10 t/m 2.11).
Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3
blad 6 van 16
H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1
Afbeelding 2.2. Voorzijde te amoveren bedrijfspanden.
Afbeelding 2.3. Achterzijde noordelijke panden.
Afbeelding 2.4. Zuidelijk pand.
Afbeelding 2.5. Op het perceel gelegen woonhuis.
Afbeelding 2.6. Gronddam met watergang.
Afbeelding 2.7. Biologische fruitboomgaard.
Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3
blad 7 van 16
H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1
2.2
Afbeelding 2.8. Werkterrein.
Afbeelding 2.9. Boomsingel ten zuiden van werkterrein.
Afbeelding 2.10. Braakliggend terrein achter het perceel.
Afbeelding 2.11. Braakliggend terrein achter perceel.
Ingreep Er wordt een bestemmingsplanwijziging aangevraagd voor het achterste gedeelte van het perceel. Na de wijziging worden de bedrijfspanden achterop het perceel geamoveerd, waarna er nieuwe bedrijfspanden op dezelfde locatie gerealiseerd worden. Er is nog niet bekend wanneer de werkzaamheden beginnen, dat hangt af van de termijnen van de bestemmingsplanwijziging en eventuele vergunningverlening.
Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3
blad 8 van 16
H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1
3
Resultaten veldbezoek en bureaustudie (soortenbescherming) Waargenomen soorten en verwachte soorten (op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreiding) worden samengenomen en hun gebruik van het plangebied wordt beschreven. Hierbij ligt de nadruk op beschermde soorten, maar er zullen ook algemene en lichter beschermde soorten betrokken worden indien waargenomen of van belang voor de ingreep.
3.1
Vogels Alle broedgevallen van vogels zijn beschermd. Van 16 vogelsoorten zijn ook de nesten, vaste rust‐ en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 1 t/m 4 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Daarnaast zijn van 34 vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd als hier een zwaarwegende ecologische reden voor is. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 5 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, draaihals, eidereend, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kleine vliegenvanger, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, ruigpootuil, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht. Indien sprake is van een ecologisch zwaar wegende reden voor één of meerdere van deze soorten, dan worden deze hieronder behandeld onder ‘Jaarrond beschermd’.
Zo niet, dan worden deze soorten net als overige broedvogels behandeld onder ‘Algemene broedvogels’. Jaarrond beschermd Tijdens het veldbezoek is gezocht naar jaarrond beschermde nesten in en binnen de verstoringszone van het plangebied. In de bomen binnen de verstoringszone werden geen nesten gevonden van jaarrond beschermde soorten, waardoor de aanwezigheid van broedvogels met jaarrond beschermde nesten die in bomen broeden kan worden uitgesloten. De schuren bieden geen gelegenheid tot broeden van steenuil of kerkuil. Daarnaast zijn er geen geschikte nestgelegenheden voor gierzwaluw, huiszwaluw en huismus in de schuren. Mogelijk broeden er wel huismussen of gierzwaluwen in de woning. Van boerenzwaluw zijn in de middelste schuur drie nesten gevonden. Omdat er diverse stallen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn met voldoende potentiële nestgelegenheid, worden deze drie nesten niet als significant onderdeel van de populatie gezien. Er zijn geen zwaarwegende ecologische redenen om deze nesten jaarrond te beschermen. Algemene broedvogels In en op de panden kunnen diverse algemene broedvogels als kauw en spreeuw, tot broeden komen tijdens het broedseizoen. Consequenties van de ingreep op algemene broedvogels staan beschreven in paragraaf 4.2.
Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3
blad 9 van 16
H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1
3.2
Vleermuizen Alle vleermuizen zijn zwaar beschermd (alle in Nederland voorkomende soorten staan vermeld in de Habitatrichtlijn). Vleermuizen kunnen een plangebied gebruiken als verblijfplaats, vaste vliegroute en/of foerageergebied. Verblijfplaatsen kunnen uitgesplitst worden in vier categorieën, te weten kraam‐, zomer‐, paar‐ en winterverblijven. Vleermuizen maken op verschillende manieren en in verschillende seizoenen gebruik van deze verblijfplaatsen. De eisen die vleermuizen stellen aan hun verblijfplaatsen zijn afhankelijk van de vleermuissoort en het gebruik van de verblijfplaats. Kraamverblijven worden in het voorjaar en de vroege zomer gebruikt door grote groepen drachtige vrouwtjes om hun jongen te baren en groot te brengen. Tegelijkertijd bevinden kleinere groepen mannetjes zich in de zomerverblijfplaatsen. Later in de zomer en in het najaar verplaatsen de mannetjes zich naar de paarverblijven, waaromheen ze een territorium bezetten en verdedigen tegen andere mannetjes. Binnen het territorium proberen de mannetjes langskomende vrouwtjes te lokken naar de paarverblijven, waar vervolgens de paring plaatsvindt. Het paarseizoen eindigt in de herfst, waarna de vleermuizen de winterverblijven opzoeken om te overwinteren. Sommige soorten migreren hiervoor over behoorlijke afstanden.
Vleermuizen gebruiken vliegroutes voor dagelijkse verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebieden en in het geval van migrerende soorten, voor de jaarlijkse trek van en naar de winterverblijven. Meestal maken vleermuizen langdurig gebruik van vaste routes die ze onthouden. Daarbij worden lijnvormige elementen zoals bomenrijen, dijken en watergangen gebruikt als vliegrouteondersteuning. Het onderbreken of verwijderen van deze elementen bij een (potentiële) vliegroute kan een negatief effect hebben op de mogelijkheid van vleermuizen om hun doel te bereiken. Ten slotte kunnen vleermuizen een plangebied gebruiken als foerageergebied. De vleermuizen komen via vaste routes naar het foerageergebied om daar in de buurt van bomen en water te jagen op vliegende insecten. Net zoals vaste vliegroutes die veelvuldig gebruikt worden, maken vleermuizen ook gebruik van vaste foerageergebieden. Het ongeschikt maken van een foerageergebied door bijvoorbeeld het kappen of verlichten van bomen of het dempen van waterpartijen, kan tot gevolg hebben dat vleermuizen geen toegang meer hebben tot voldoende voedsel. Verblijven De wanden van de gebouwen hebben geen spouw. De daken van de gebouwen zijn gemaakt van golfplaten met deels isolatiemateriaal er aan de onderkant tegenaan geplaatst.
De ruimtes onder de golfplaten daken warmen zo snel op, dat deze niet geschikt zijn als vleermuisverblijfplaats. Het huis dak van het huis biedt wel mogelijkheden tot verblijfplaatsen van vleermuizen. Consequenties van de ingreep op vleermuisverblijfplaatsen staan beschreven in paragraaf 4.2. Vliegroutes Er zijn geen duidelijke lijnvormige elementen aanwezig binnen het plangebied die dienst kunnen doen als essentiële vliegrouteondersteuning. Foerageergebied Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als foerageergebied. In de omgeving van het plangebied is voldoende minstens even geschikt foerageergebied aanwezig, waardoor het plangebied niet als essentieel foerageergebied wordt aangemerkt.
Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3
blad 10 van 16
H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1
3.3
Overige zoogdieren Er zijn in de omgeving van het plangebied diverse beschermde zoogdieren bekend, te weten otter en steenmarter. Daarnaast zijn enkele algemene en in Flevoland vrijgestelde soorten, als egel, veldmuis, haas, vos en ree bekend. Naast deze soorten worden, gezien het habitattype en de bekende verspreiding, geen andere beschermde zoogdiersoorten verwacht in de omgeving van het plangebied. Otter De otter is een sterk watergebonden zoogdier welke voornamelijk op vis foerageert. De soort heeft zijn verblijfplaatsen in sterk begroeide oevers, maar ook in kunstmatige holtes. Aangezien er geen geschikte watergangen aanwezig zijn in of rondom het plangebied is de aanwezigheid van de otter in het plangebied uitgesloten. Steenmarter De steenmarter is een typische cultuurvolger welke een sterke binding heeft met stedelijke gebieden. De schuren zijn niet toegankelijk voor steenmarters en er zijn geen sporen van steenmarters aangetroffen op het perceel. Aanwezigheid van de steenmarter in het plangebied is daardoor uitgesloten.
3.4
Amfibieën Er zijn in de omgeving van Marknesse diverse algemene amfibieën aanwezig, zoals kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker en meerkikker. Voor al deze soorten geldt in de provincie Flevoland echter een vrijstelling op de verbodsartikelen bij ruimtelijke ingrepen. Soorten met een beschermde status worden, gezien het habitattype en de bekende verspreiding van deze soorten, niet verwacht in de omgeving van het plangebied.
3.5
Overige fauna Overige beschermde diersoorten, zoals reptielen, vissen, insecten, kreeftachtigen en weekdieren zijn niet bekend in de wijde omgeving van Marknesse en worden ook niet verwacht op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreidingsgegevens.
3.6
Vaatplanten De in Nederland beschermde vaatplanten stellen specifieke eisen aan hun groeiplaats, of komen slechts beperkt voor in Nederland. De meeste soorten groeien op voedselarme bodems en zijn niet te verwachten op stikstofrijke of bemeste bodems zoals landbouwgronden en de meeste wegbermen. Andere beschermde soorten groeien slechts in een specifieke biogeografische regio in Nederland, zoals in het rivierengebied of in het heuvelland van Zuid Limburg. Gezien de aanwezige habitats binnen het plangebied in combinatie met de bekende huidige verspreiding van beschermde plantensoorten, kan uitgesloten worden dat deze soorten aanwezig zijn binnen het plangebied.
Datum: 20 januari 2021 rapport: R21.005, versie 0.3
blad 11 van 16
H. Meeuwse QuickScan Marknesse, Baarloseweg 4-1
4
Effecten en gevolgen
4.1
Overzicht beschermde soorten In dit hoofdstuk wordt de geplande ingreep getoetst aan de aanwezige of verwachte beschermde soorten (zie hoofdstuk 3) binnen het plangebied, en de te verwachten risico’s voor deze soorten, bij uitvoer van de geplande werkzaamheden. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die de vaste verblijfplaatsen in stand houdt. Voor soorten die niet genoemd worden vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Wnb artikel 3.10 geldt de algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Zelfs bij negatieve effecten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Ditzelfde geldt voor soorten van Wnb artikel 3.10, waarvoor een Provinciale vrijstelling is uitgegeven. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, maar ze worden hieronder, ondanks eventueel voorkomen en eventueel te verwachten negatieve effecten, niet meegenomen. Soortgroep Jaarrond beschermde nesten