CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie Warmte Noardeast-Fryslan 2021

It Beslút 2 december 2021, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Transitievisie Warmte36.981 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Kansrijke laagtemperatuur warmtebronnen Naast de hoogtemperatuur bronnen zijn er verschillende laagtemperatuurbronnen met een grote warmtepotentie in verhouding tot de gemeentelijke warmtevraag. Zo is de bodem geschikt om laagtemperatuur warmte op te slaan via warmtekoude-opslag (WKO). Warmte uit oppervlaktewater en warmte uit afvalwater kunnen als input dienen voor WKO-systemen. Naast het gebruik van warmte uit oppervlaktewater of afvalwater in combinatie met WKO, is er ook grote potentie voor laagtemperatuur warmte uit de bodem. Deze warmte wordt o.a. gewonnen met bodemlussen. De warmtepotentie van warmte uit oppervlaktewater en afvalwater in combinatie met WKO en de warmtepotentie van warmte uit de bodem zijn ruim voldoen de voor de gemeente. In werkelijkheid worden de potenties alleen gelimiteerd door de ruimtevraag bovengronds. Tot slot is er ook nog potentie voor laagtemperatuur warmte uit restwarmte, de lucht en de zon. Alle potenties van laagtemperatuurbronnen lichten we nu verder toe. We kunnen warmte winnen uit de bodem. Dit heet ook wel aardwarmte waarbij we onderscheid maken tussen ondiepe en diepe aardwarmte. Ondiepe aardwarmte levert laagtemperatuurwarmte en diepe aardwarmte (geothermie) levert mid- en hoogtemperatuurwarmte. Warmtekoude-opslag (WKO) is een vorm van ondiepe aardwarmte.

Er wordt warmte en koude onttrokken aan een specifiek bodempakket op een diepte van 50-400 meter. De techniek biedt tevens de mogelijkheid om warmte (of koude) uit andere bronnen op te slaan. Dit maakt dat seizoenale bronnen zoals thermische energie uit oppervlaktewater in het winterseizoen ingezet kunnen worden. De gewonnen warmte is echter wel laagtemperatuur en zal moeten worden gecombineerd met een (collectieve) warmtepomp. Een WKO-net met warmte regeneratie uit oppervlaktewater of afvalwater vraagt om een minimum van 200-300 woningen die op het net aansluiten om de financiële investering te rechtvaardigen. Voor utiliteitspanden (bedrijfspanden, kantoren, winkels, zorginstellingen) kan dit aantal veel lager liggen omdat zij een hogere warmte- of koudevraag hebben. Ook is

13

Transitievisie Warmte

warmte regeneratie voor utiliteitspanden niet altijd nodig omdat zij in vergelijking tot woningen soms een betere balans hebben in koude- en warmtevraag. WKO warmtenetten zonder TEO of TEA komen dan ook (bijna) niet voor bij woningen en zien we alleen bij utiliteitspanden zoals kantoren, zorginstellingen en bedrijfspanden. De bodemlus is een tweede techniek waarbij ondiepe bodemwarmte gewonnen wordt. Het zijn gesloten lussen die gemiddeld, voor individuele woningen, tot een diepte van 100 meter geplaatst worden. Bodemlussen kunnen zowel worden toegepast voor individuele gebouwen als voor kleine collectieven afhankelijk van het aantal lussen. Er zijn al snel 2 bodemlussen nodig per woning. Voor de collectieve variant worden de lussen dieper geplaatst, tot 450 meter. 15 tot 20 lussen is dan voldoende om een klein, laagtemperatuur warmtenet te maken. Om tot een sluitende businesscase te komen, moeten er minimaal 20 (grotere) woningen aansluiten. Voor utiliteitspanden zal dit anders zijn. Deze kleine warmtenetten maken het mogelijk om toch een collectieve techniek toe te passen in een gebied waar er onvoldoende panden of warmtebronnen zijn voor een groot warmtenet. Het voordeel hiervan is dat de bewoner of pandeigenaar geen warmtepomp of bodemlus op het eigen terrein hoeft te plaatsen. Ook kan het voordeliger zijn dan een individueel systeem.

Beide ondiepe bodemsystemen (WKO en bodemlus) hebben als bijkomend voordeel dat er passief gekoeld kan worden in de zomer. De bodem mag overal in de gemeente worden aangeboord, er zijn geen restrictiegebieden. Warmte uit oppervlaktewater (TEO) heeft een grote potentie in Noardeast-Fryslân. Er valt namelijk warmte te winnen uit het Lauwersmeer, de Dokkumer Grutdjip, Nije Swemmer en Sylster Ryd. Het is onduidelijk of het winnen van warmte uit de Waddenzee gewenst is. Om warmte uit de Waddenzee te winnen moet de primaire waterkering doorsluist worden. Dit is vergunning-technisch lastig. Verder stelt het zoute water specifieke eisen aan de installatie en is de Waddenzee een Natura 2000 gebied. Verder onderzoek moet plaatsvinden om te kijken of warmte uit de Waddenzee daadwerkelijk gebruikt kan worden. Voor de overige oppervlaktenwateren geldt dat TEO overwogen kan worden voor de kernen met een hogere bouwdichtheid en waar minimaal enkele honderden woningen of gebouwen op het net aangesloten kunnen worden. Daarnaast mag de afstand tussen bron en afzet niet groter zijn dan enkele kilometers, waarbij geldt, hoe korter de afstand, hoe gunstiger de businesscase. Deze voorwaarden hebben wij meegenomen bij het toewijzen van bronnen aan buurten in hoofdstuk 5. Dezelfde voorwaarden voor het gebruik van TEO gelden voor thermische energie uit afvalwater (TEA).

Met warmte uit het water van de grotere pompgemalen in Marrum en Kollum kunnen in theorie per locatie zo’n 300 woningen verwarmd worden in combinatie met een warmtepomp. De rioolwaterzuiveringsinstallaties in Burdaard en Dokkum kunnen respectievelijk 500 en 1.000 woningen of bedrijfspanden verwarmen. Een bijkomend voordeel van TEA is dat er ook warmte gewonnen kan worden zonder opslag in een WKO omdat het afvalwater ook in de winter voldoende warm is. Tot slot kan de restwarmte van de koekfabrieken Hallum mogelijk worden ingezet voor het verwarmen van de nabijgelegen woningen en bedrijfspanden. De openbare data geeft aan dat er voldoende restwarmte vrijkomt om circa 700 woningen te verwarmen. Het is nog niet vastgesteld of deze warmte werkelijk gewonnen kan worden, wat het temperatuurniveau is en of de ondernemers restwarmte af willen staan of het zelf al gebruiken. Om dit vast te stellen zal er parallel aan deze visie contact worden opgenomen met de betreffende ondernemers.

Overige en nieuwe ontwikkelingen in technieken Naast bovenstaande bronnen kan er ook warmte worden gewonnen uit de lucht (laagtemperatuur, via een lucht warmtepomp) en zonlicht (hoogtemperatuur, via bijvoorbeeld zonneboilers en PVT panelen). Deze twee soorten warmtebronnen zijn in principe ongelimiteerd en alleen afhankelijk van het beschikbare oppervlak. Zonneboilers worden nu met name ingezet voor tapwater omdat de warmte met name in de zomer gewonnen kan worden en er dan geen behoefte is aan pandverwarming.

14

Transitievisie Warmte

Er zijn nieuwe ontwikkelingen en technieken die nu nog betrekkelijk duur zijn maar waarschijnlijk voordeliger worden in de komende jaren. Voorbeelden zijn kleinschalige ondergrondse warmteopslag – bijvoorbeeld zonthermie - met een Hocosto, Triple Solar waarbij PVT panelen gecombineerd worden met een warmtepomp, de individuele hoogtemperatuurwarmtepomp en meer. In het handelingsperspectief leest u hoe de verduurzamingsstappen die u nu in uw woning maakt, nog steeds ruimte laten voor innovatie in warmtetechnieken.

4.6 Welke duurzame warmtebronnen hebben geen potentie? De geologische aardlagen onder Noardeast-Fryslân lenen zich voor het winnen van geothermie. Dit is warmte afkomstig uit de diepe aarde (>1,5 km) en levert hoogtemperatuurwarmte. Deze warmtebron heeft echter geen praktische potentie in de gemeente omdat er geen geschikt afzetgebied is. Een geothermie warmtenet vraagt om het aansluiten van gemiddeld 5.000 woningen. Alleen in Dokkum staan (net) voldoende panden maar de bouwdichtheid is (een factor 3) te laag om het warmtenet betaalbaar te maken. Tot slot is het onbekend of er in de gemeente Noardeast-Fryslân warmte kan worden gewonnen uit drinkwater. De potentie van deze bron wordt als laag ingeschat omdat er geen drinkwaterwinning in de gemeente aanwezig is.

15

Transitievisie Warmte

5 De route naar aardgasvrij In dit hoofdstuk zoomen we verder in op verschillende deelgebieden in de gemeente Noardeast-Fryslân. We maken een start met het matchen van de warmtebronnen en de warmtevraag op gebiedsniveau. Daarnaast maken we een doorkijk naar de (nabije) toekomst: hoe bepalen we nu waar de transitie gaat beginnen? En waar in de gemeente Noardeast-Fryslân gaan we (als eerste) in gesprek over een alternatief voor aardgas?

5.1 Mogelijke warmteoplossingen per gebied Het overkoepelende advies voor de gehele gemeente is om over te gaan op individuele warmtetechnieken zoals (hybride) warmtepompen aangevuld met groengas en kleine collectieven. De bouwdichtheid in de gemeente ligt te laag voor grootschalige warmtenetten. Er zijn echter wel enkele kansen voor middelgrote warmtenetten gevoed door warmte uit oppervlaktewater, afvalwater en restwarmte. In deze paragraaf gaan wij dieper in op welke individuele technieken er zijn en welke middelgrote warmtenetten nog onderzocht kunnen worden. Gezamenlijk met de woningcorporaties, netbeheerders, energiecoöperaties, dorpenvertegenwoordigers en enkele bedrijven is gekeken naar de specifieke bouwkenmerken van de gemeente om hier passende warmtebronnen en technieken aan toe te wijzen. Er is gelet op bouwjaar, isolatiestatus, bouwdichtheid, gebruik, bezit en technische- en sociale koppelkansen. Aan de hand van deze kenmerken is de gemeente ingedeeld in gebieden met een gelijksoortige bebouwing en dus een gelijksoortige aanpak van verduurzaming. In tabel 5.1 staan de verschillende gebieden en de technieken die hier toegepast kunnen worden. Middelgrote warmtenetten Er zijn mogelijk kansen voor middelgrote warmtenetten in Noardeast-Fryslân met restwarmte, warmte uit oppervlaktewater en warmte uit afvalwater.

Aan de rand van Hallum staan meerdere koekfabrieken waar mogelijk restwarmte gewonnen kan worden voor de panden in het dorp. Het is onduidelijk hoeveel warmte gewonnen kan worden en van welke temperatuur. De gemeente zal in gesprek moeten gaan met de ondernemers en dit verder onderzoeken. Als er een mid- of hoogtemperatuuwarmtenet gerealiseerd kan worden, is dit een gunstig scenario voor de bewoners in Hallum. Er staan veel panden in de kern uit de late 1800. Daaromheen veel jaren 70 en 80 bouw. De bouwdichtheid is echter laag, veel vrijstaande en 2-onder-1-kap woningen. Dit zal de benodigde investering in infrastructuur omhoogdrijven. Syntraal heeft een verkennende studie verricht naar de potentie van thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) en afvalwater (TEA) in de gemeente. Er kan op vele locaties in de gemeente warmte worden gewonnen uit TEO. De beperking is het vinden van een geschikte combinatie van oppervlaktewater met een nabijgelegen afzetgebied/dorp. Deze combinatie zien we in Kollum, Dokkum en Anjum (inclusief Oostmahorn en Esonstad) waar warmte kan worden gewonnen uit respectievelijk Sylster Ryd, de Dokkumer Grutdjip en Lauwersmeer. Deze kernen hebben ook clusters met panden gebouwd na 1990, wat een gunstigere businesscase geeft voor een laagtemperatuur TEO warmtenet. Een mogelijke vervolgstap voor de gemeente is om deze verder te onderzoeken.

De rioolwaterzuiveringsinstallaties en gemalen bij Burdaard, Dokkum, Kollum en Marrum bieden kansen voor TEA warmtenetten. Uit het effluent van de RWZI’s kan voldoende warmte gewonnen worden voor respectievelijk 500 en 1.000 woningen. De gemalen bij Kollum en Marrum kunnen beide in theorie warmte leveren voor 300 woningen. Door het Wetterskip is aangegeven dat de warmte benut kan worden. Er zijn ook enkele initiatieven voor warmtenetten vanuit de gemeenschap. In Oudwoude zijn er plannen voor een hoogtemperatuurwarmtenet gevoed door luchtwarmtepompen die draaien op zonnestroom. De capaciteit van het elektriciteitsnet in Oudwoude zit aan zijn limiet maar er is nog veel capaciteit voor zonnestroom van de daken van agrariërs. Het voorgestelde warmtenet kan terugleverpieken in het net opvangen. De warmte zal van de zomer tot de winter opgeslagen moeten worden. Ook in Anjum is er een initiatief voor een middelgroot warmtenet. Vanuit de energiecoöperatie Anjumer Eendragt zijn er plannen voor een laagtemperatuurwarmtenet op basis van een combinatie van WKO en TEO uit het Lauwersmeer (conform de hierboven genoemde potentie). Op termijn zijn er wellicht ook plannen voor waterstofproductie, waarbij de warmte die vrijkomt bij de elektrolyse ook benut kan worden in het warmtenet. Oostmahorn en Esonstad zouden ook kunnen aansluiten op het warmtenet. Om dit

16

Transitievisie Warmte

innovatieve initiatief een boost te geven wordt er momenteel gewerkt aan een aanvraag voor de subsidie Proeftuin Aardgasvrije Wijken (PAW). Individuele warmtetechnieken en kleine collectieven Los van de locaties waar een gunstige combinatie van bron en type bebouwing mogelijk kansen geeft voor een warmtenet, zal het overgrote deel van de gemeente overgaan op individuele warmtetechnieken. Dit is niet verassend gezien de lage bouwdichtheid van de gemeente. Rondom de oude kernen zien we clusters van jaren 60-70-80 bouw. Op de korte termijn biedt de hybride warmtepomp uitkomst voor dergelijke woningen. Technisch zijn deze woningen goed te isoleren naar schillabel A maar de investeringen zijn groot voor een bewoner om in één keer te maken. Bovendien zijn het vaak de laatste benodigde stappen die verhoudingsgewijs een grote investering vragen. Na slechts enkele isolatiemaatregelen te hebben getroffen kan een woning over op de hybride warmtepomp (warmtepomp aangevuld met cv-ketel of andere warmtetechniek) en wordt zo toch een groot deel aan aardgas bespaard. Op termijn kan de cv-ketel ook groengas stoken i.p.v. aardgas. Zo vormt de hybride warmtepomp ook een goede optie om woningen te verwarmen met groengas waarbij de benodigde hoeveelheid groengas beperkt is, en tegen een gunstig elektrisch rendement.

Met een technische levensduur van 15 jaar, biedt de hybride warmtepomp daarnaast de flexibiliteit om na deze periode alsnog over te stappen op een all-electric warmtepomp als de woning zich daar voor leent. Wat verder onderscheidend is voor deze bouwcategorie is dat de woningen vaak projectmatig gebouwd zijn oftewel soortgelijk in opmaak zijn. Daarnaast valt het grootste deel van het woningcorporatiebezit in Noardeast-Fryslân binnen deze categorie. Deze twee eigenschappen maakt dat er kansen liggen voor het organiseren van kleine collectieven met bodemlussen of het organiseren van collectieve inkoop van systemen zoals (hybride) warmtepompen, zonnepanelen of bodemlussen of het projectmatig laten isoleren van hele straten. Aan de randen van de dorpen zien we ook clusters met jongere bebouwing van ná 1992. Vanaf dit jaar zijn standaard isolatiewaarden voor nieuwbouwwoningen in het Bouwbesluit opgenomen. Dit geeft enige garantie over de isolatiewaarde van de panden. In Noardeast-Fryslân heeft het merendeel van de panden gebouwd in de jaren 90 energielabel B. In theorie kunnen dergelijke woningen zonder aanpassingen met laagtemperatuurwarmte worden verwarmd. Er zal alleen op sommige zeer koude winterdagen niet een binnentemperatuur van 21°C kunnen worden behaald. Er hoeft in principe geen na-isolatie plaats te vinden van gevel, dak en vloer (op een uitzondering nagelaten).

Kozijnen zullen op een natuurlijk moment moeten worden vervangen door geïsoleerde kozijnen en op datzelfde moment kan de overgang van dubbel glas naar HR++ of triple glas worden overwogen. Daarnaast zal het oppervlakte aan warmteafgifte in de woning vergroot moeten worden door grotere radiatoren of muur/vloerverwarming te nemen. Tot slot kan men van mechanische ventilatie over gaan op balansventilatie met warmteterugwinning. De bewoner of pandeigenaar zal zelf bepalen wanneer en met welke techniek hij/zij over zal gaan op een laagtemperatuurwarmtetechniek. Dit kunnen individuele warmtepompen (lucht- of bodemgekoppeld) zijn maar ook kleine collectieven met diepe bodemlussen. In het buitengebied zijn de bouwjaren en het type panden zeer gevarieerd. Een constante is de afstand tussen de panden. Hier zal per woning gekeken moeten worden welke individuele techniek het best passend is. Door de ruimte en grote daken liggen er wel extra kansen voor de combinatie van zonne-opwek en elektrische (hybride) warmtepompen. Ook zijn er zeer specifieke warmtebronnen zoals warmte uit melk, oppervlaktewater of mest die boeren zelf kunnen benutten. Utiliteitspanden zien we verspreid door de gehele gemeente en geconcentreerd in de bedrijventerreinen zoals in Dokkum en Kollum. Sommige utiliteitspanden vallen onder de categorie “oude kernen en stadsgezichten”. Dit zijn veelal winkels.

Voor alle utiliteitspanden geldt dat de warmteoplossing maatwerk is. Ondernemers beslissen graag zelf welke techniek passend is en zoals eerder beschreven hebben sommige ondernemers al een verduurzamingsopgave. Voor specifieke pandgebruiken zoals kantoorpanden, zorginstellingen of industrie liggen extra kansen voor het inzetten van WKO-systemen omdat er een betere balans is in warmte- en koudevraag. Groengas en waterstof De moeilijkste woningcategorie zijn de oude kernen van de dorpen inclusief de beschermde stads- en dorpsgezichten. Vrijstaande woningen uit de late jaren 1800 hebben veelal geen kruipruimte of spouwmuur. Dit type pand is ook terug te vinden in het buitengebied met het verschil dat de afstand tussen de panden groter is. Het verduurzamen van deze panden kan technisch uitdagend zijn en brengt hoge kosten met zich mee. Voor de stads- en dorpsgezichten kunnen er ook restricties zijn met de betrekking tot de esthetische

17

Transitievisie Warmte

karakteristieken van het pand. Voor zonnepanelen en (de buitenunits van) warmtepompen geldt dat deze niet zichtbaar mogen zijn vanaf het openbaar gebied. Ook gelden er geluidsrestricties voor warmtepompen. Ondanks de restricties ligt de warmtevraag bij dergelijk panden hoog en valt hier veel gasbesparing te realiseren. Ons advies is om voor deze woningen groengas in te zetten. Daar waar kan i.c.m. een hybride warmtepomp. Een andere optie is kleine collectieven met een hoogtemperatuur warmtepomp. Dit vraagt echter meer elektriciteit en het is daarom gunstig om dit te combineren met zonne-opwek. Isoleren zal een langdurig proces zijn waarbij het essentieel is om natuurlijke momenten te benutten. Voor zeer grote panden kan het een optie zijn om alleen het leefgedeelte te isoleren. Tabel 5.1: mogelijke warmteoplossingen per gebied in de gemeente Noardeast-Fryslân Verdeling gemeente naar cluster/bouwtype Utiliteitspanden inclusief bedrijventerreinen

Techniek

Waarom

Vervolgstappen

1. Individuele warmtetechnieken 2. Kleine collectieven met restwarmte of WKO

• Actief communiceren (ONOF)

Kleine dorpen, lintbebouwing

1. Individuele warmtetechnieken 2. Kleine collectieven met diepe bodemlussen e.a. 3. Mid/hoogtemperatuur warmtenet gevoed door restwarmte koekfabrieken in Hallum 4. TEA warmtenet Marrum, Kollum, Burdaard

Bedrijven kiezen graag zelf welke techniek passend is. Combinatie van bedrijven kan gunstig zijn voor WKO warmtenet door betere balans tussen warmte- en koudevraag. In de kleine dorpen en lintbebouwing zijn de bouwjaren zeer gemêleerd. Per woning moet bekeken worden welke individuele warmtetechniek het best passend is. De bouwdichtheid is voldoende voor kleine collectieven met diepe bodemlussen. De koekfabrieken in Hallum bieden mogelijk restwarmte.

• Onderzoeken mogelijkheid voor restwarmte van koekfabrieken Hallum • Onderzoeken technische en financiële haalbaarheid TEA warmtenetten • Bewoners informeren en verduurzaming faciliteren. Hierbij dorpen afzonderlijk benaderen.

In theorie kan er warmte gewonnen worden uit de gemalen bij Marrum en Kollum en de RWZI bij Burdaard. Uit onderzoek moet blijken of er een gunstig afzetgebied gevonden kan worden in deze dorpen. Buitengebied

Oude kernen, inclusief stads- of dorpsgezichten

1. Individuele warmtetechnieken 2. Groengas (i.c.m. hybride warmtepomp) 1. Groengas (i.c.m. hybride warmtepomp) 2. Kleine collectieven hoogtemperatuur

Lage bouwdichtheid, gemengde bouwjaren, sommige panden zeer oud.

Zeer oude woningen. Beperkte mogelijkheden voor isolatie.

• Onderzoeken mogelijkheden en potentie biogas • Bewoners informeren en verduurzaming faciliteren • Onderzoeken mogelijkheden en potentie biogas • Bewoners informeren en verduurzaming faciliteren • Aparte aanpak definiëren voor stads- en dorpsgezichten (i.s.m. Monumentenwacht)

18

Clusters (meer dan 200) panden gebouwd na 1992

Transitievisie Warmte • Actief communiceren met ondernemers van u-bouw in deze categorie • Onderzoeken technische en financiële haalbaarheid TEO/TEA warmtenet(ten) • Bewoners informeren en verduurzaming faciliteren

1. Individuele laagtemperatuur technieken 2. Kleine collectieven met diepe bodemlussen e.a 3. Laagtemperatuur warmtenet gevoed door TEO voor Kollum, Dokkum en Oostmahorn 4. Laagtemperatuur warmtenet gevoed door TEA RWZI Dokkum

Woningen gebouwd na 1992 zijn betrekkelijk gemakkelijk gereed te maken voor laagtemperatuur verwarming.

Seriematige bouw jaren 60/70 en jaren 80 bouw gemengd

1. Individuele warmtetechnieken (veelal hybride) 2. Kleine collectieven met diepe bodemlussen e.a.

• Bewoners informeren en verduurzaming faciliteren, verkennen mogelijkheden collectieve inkoop • Actief communiceren met woningcorporaties en kijken naar koppelkansen

Anjum (inclusief Oostmahorn en Esonstad)

1. Warmtenet gevoed door een combinatie van WKO en TEO uit Lauwersmeer, mogelijk in de toekomst aangevuld met restwarmte die vrijkomt bij waterstofproductie 2. Groengas 1. HT warmtenet gevoed door luchtwarmtepompen op zonnestroom

Meer ingrepen nodig om te kunnen verwarmen met laagtemperatuur maar technisch goed mogelijk. Hybride warmtepomp kan als tussenoplossing worden toegepast om isolatiemaatregelen te spreiden. Seriematige bouw en bezit van woningcorporaties biedt kansen collectieve inkoop of kleine warmtenetten met bodemlussen. Initiatief coöperatie De Anjumer Eendragt

Initiatief vanuit inwoners

• Inwoners ondersteunen waar kan

Oudwoude

Er is voldoende warmtepotentie uit de Sylster Ryd, Dokkumer Grutdjip en Lauwersmeer voor TEO warmtenetten in Dokkum, Kollum en Anjum (inclusief Oostmahorn en Esonstad). De RWZI bij Dokkum kan in theorie TEO/TEA warmtenetten zijn financieel makkelijker realiseerbaar met nieuwere woningen.

• Anjumer Eendragt ondersteunen waar kan

5.2 Vergelijking warmteoplossingen met de PBL Startanalyse Het planbureau voor de leefomgeving biedt iedere gemeente De Startanalyse. Dit is een kostenanalyse op buurtniveau berekend met het VestaMAIS model die de maatschappelijke kosten van verschillende duurzame warmtestrategieën berekent. Maatschappelijke kosten is de som aan kosten voor zowel de bewoner als energieleverancier, exploitant en netbeheerder. Hierbij worden alle kosten, zowel investeringskosten als jaarlijkse (energie)kosten en baten teruggebracht naar kosten per vermeden ton CO2

19

Transitievisie Warmte

uitstoot. Dit maakt het mogelijk om verschillende warmtetechnieken met elkaar te vergelijken vanuit een financieel oogpunt. Wanneer de gekozen technieken in een Transitievisie Warmte niet overeenkomen met het scenario met de laagste maatschappelijke kosten zoals volgende de Startanalyse, moet in de visie onderbouwd worden waarom deze techniek dan toch is opgenomen. Voor Noardeast-Fryslân komt uit de Startanalyse dat voor iedere buurt in de gemeente de hybride warmtepomp met groengas de goedkoopste techniek is (voor de maatschappij), gevolgd door de all-electric warmtepomp. Dit komt grotendeels overeen met de gekozen technieken in deze visie. Zo luidt het advies in 5.1 voor het merendeel van de gemeente individuele technieken: all-electric waar kan, hybride voor oudere woningen en als tussenoplossing. Voor woningen die relatief goed te isoleren zijn, is het advies om gelijk naar een all-electric warmtepomp over te stappen. Zo kan een woning direct aardgasvrij gemaakt worden en is men niet afhankelijk van de ontwikkeling van duurzame gassen zoals groengas en waterstof. Voor woningen die niet goed te isoleren zijn, is het advies om de hybride warmtepomp te nemen, in eerste instantie als tussenoplossing. De hybride warmtepomp kan op de lange termijn wellicht ook als eindoplossing dienen, maar dan dient de gasvraag wel te worden verduurzaamd, bijvoorbeeld door middel van groengas.

Hiervoor is het echter wel nodig dat de productie van groengas sterk gaat toenemen. Dit vergt nader onderzoek. Hier komen we op terug in hoofdstuk 9. Dit onderscheid in all-electric waar kan, en anders hybride binnen één buurt maakt de Startanalyse niet omdat het maatschappelijke kosten op buurtniveau berekent en dus een gemiddelde neemt. In de gekozen warmteoplossingen zijn meer afwegingen meegenomen naast maatschappelijke kosten. Zo is er ook nog de variant kleine collectieven toegevoegd. Dit is geen strategie binnen de Startanalyse maar zal lokaal afgewogen worden door bewoners. De voordelen hiervan kunnen financieel van aard zijn maar een klein collectief kan ook ontzorging brengen, buren bij elkaar brengen, en de ruimtelijk impact voor de bewoner verkleinen. In paragraaf 5.1 is er naast de individuele technieken ook de mogelijkheid van een TEO of TEA warmtenet voor Anjum, Marrum, Kollum, Dokkum, Birdaard en Oostmahorn. Deze opties zullen moeten worden doorgerekend voor specifieke clusters woningen voordat de werkelijke haalbaarheid vastgesteld kan worden. Volgens de Startanalyse zijn de maatschappelijke kosten voor een 70°C warmtenet gevoed door een laagtemperatuurbron (TEO/TEA) in al deze buurten zo’n 1.7 maal duurder dan de hybride warmtepomp. Het kostenverschil met het goedkoopste gasloze scenario, een all-electric luchtwarmtepomp, is echter zeer klein.

De businesscase voor een TEA of TEO net is sterk afhankelijk van de gekozen omvang van het net, de specifieke woningen die aan zullen sluiten, de temperatuur van het net, en de afstand tot de bron. Dit zal nader vastgesteld moeten worden. Het is onwaarschijnlijk dat de kosten lager uit zullen vallen dan bij het gebruik van de hybride warmtepomp maar er kunnen andere overwegingen zijn om te kiezen voor een collectieve techniek. Denk hierbij aan de mogelijkheid tot koelen, geen ventilator of bodemlus in eigen tuin, ontzorgen van bewoners met een collectieve techniek of de mogelijkheid tot het aansluiten van andere (kleinere) warmtebronnen op een warmtenet op de lange termijn. De technieken geopperd voor Hallum en Oudwoude kunnen niet worden vergeleken met de Startanalyse. Dit is omdat respectievelijk de koekfabrieken niet als warmtebron herkend worden door het model en een warmtenet gevoed met collectieve hoogtemperatuur-luchtwarmtepompen geen strategieën zijn binnen het model. Deze cases zullen los van het model doorgerekend moeten worden. Kijk voor een meer uitgebreide beschrijving van de uitkomst van de Startanalyse in bijlage 8.

5.3 Waar te beginnen? Nu aan de verschillende bouwtypen en gebieden in de gemeente aannemelijke warmtetechnieken toegewezen zijn, resteert nog de vraag: Waar wil de gemeente beginnen met de transitie? In 2050 moet de hele gemeente, evenals alle andere gemeenten in Nederland, aardgasvrij zijn. Voor 2030 stelt de gemeente geen concrete doelen voor wat betreft het aantal woningen dat aardgasvrij moet zijn, maar we nemen de landelijke ambitie om 20% van de woningvoorraad te verduurzamen in 2030 wel mee als ijkpunt. Onder verduurzamen verstaan wij ook de hybride warmtepomp (in combinatie met isolatie), ook als de gasvraag nog niet volledig verduurzaamd is. Een groot deel van de gebouwen in onze gemeente zal namelijk overgaan op individuele warmtetechnieken. Dit impliceert dat de snelheid van de verduurzaming grotendeels bepaald wordt door de inwoners zelf. Daarnaast betekent deze individuele aanpak dat specifieke wijken niet in één keer collectief van het aardgas afgaan, maar dat er over de hele gemeente stapsgewijs en op natuurlijke momenten zal worden overgestapt op duurzame warmtetechnieken. Een laatste reden voor het

20

Transitievisie Warmte

niet opnemen van een concrete ambitie is dat het tempo van verduurzaming voor een groot deel afhankelijk is van de instrumenten (subsidies en leningen) die aangeboden worden door het Rijk. Mocht hier meer duidelijkheid over komen, dan kan in een volgende herijking van de Transitievisie Warmte onze ambitie concreter gemaakt worden. Voor een aantal wijken in de gemeente gaat dit ijkpunt niet op omdat deze volledig aardgasvrij moeten zijn voor 2030. Het monitoren van deze verduurzaming van 20% van de woningen is lastig te monitoren omdat de getroffen maatregelen en de daarbij behorende besparing zal variëren van woning tot woning. Naar verwachting zal deze verduurzaming echter resulteren in een minimaal 10% afname van de aardgasvraag in de gemeente voor de gebouwde omgeving. Hoewel het tempo van de gemeentelijke warmtetransitie afhangt van het Rijk en van inwoners zelf, wil de gemeente wel proactief werken aan het versnellen van verduurzaming. Dit doen we met name door in een startbuurt diepgaander onderzoek te doen naar de mogelijkheden, actief te communiceren met inwoners en woningcorporaties en hun wensen en ideeën vast te stellen. Daarnaast kan de gemeente gerichte acties organiseren zoals collectieve inkoop, leningen aanbieden, energiecoaches aanbieden of in de startbuurt beginnen met het verduurzamen van het gemeentelijke vastgoed.

Dergelijke acties kunnen gericht zijn op één of meer specifieke wijken/gebieden waar er meer aanknopingspunten zijn om te starten met de warmtetransitie. De inzichten die worden opgedaan in de startwijken kunnen ook weer relevant zijn voor andere delen van de gemeente. 5.3.1 De uitganspunten om ergens te starten Om vast te stellen in welke buurt de gemeente het beste kan starten, hebben wij een aantal van de uitgangspunten uit hoofdstuk 2 gekwantificeerd. Dit zijn de uitgangspunten: A. Haalbaar en betaalbaar B. We benutten de energie vanuit de Mienskip C. Werken samen met de woningcorporaties D. Extra aandacht voor minima E. Robuustheid van modellen en voorspelde techniek F. We haken aan op natuurlijke momenten De weging die aan deze uitgangspunten gegeven is, is het zwaarst voor A en neemt af naar F toe. Deze weging is tot stand gekomen op basis van een sessie met de gemeenteraad, aangevuld met informatie uit sessies met andere stakeholders. Haalbaar en betaalbaar Om het uitgangspunt haalbaar en betaalbaar te kwantificeren hebben wij zowel naar de maatschappelijke kosten als naar de voorspelde kosten voor de bewoner (eindgebruikerskosten) gekeken. De maatschappelijke kosten zijn per buurt vastgesteld waarbij voor iedere buurt het scenario hybride warmtepompen met groengas (het goedkoopste scenario voor alle buurten volgens De Startanalyse) is aangehouden.

In realiteit zal dit een mix zijn van individuele technieken en lokale kleine collectieven. Daarnaast zijn de isolatiekosten voor de bewoner meegewogen door een negatieve weging te geven aan buurten die verhoudingsgewijs een hoog percentage woningen hebben met een (voorlopig) energielabel F of G en een hoog percentage vrijstaande of 2-onder-1-kap woningen. Uitgangspunt 3 en 5 zijn gerelateerd aan het haalbaar en betaalbaar houden van de warmtetransitie maar zijn apart opgenomen om hier een andere weging aan te kunnen geven. In hoofdstuk 2 is ook nog uitgangspunt 5 - We streven naar een zo optimaal mogelijke CO2-reductie opgenomen. Dit uitgangspunt is meegenomen bij de keuze voor technieken omdat iedere overwogen techniek in deze visie in een significante reductie van CO2 uitstoot resulteert t.o.v. een aardgasketel (zelfs bij gebruik grijze stroom). Ook de berekening van de maatschappelijke kosten kijkt naar de laagste kosten per vermeden ton CO2 uitstoot. Oftewel, hoe lager de maatschappelijke kosten, hoe optimaler de CO2 reductie. Wat echter niet als uitgangspunt voor een startbuurt is meegenomen, is maximale CO2 reductie. Dit zou namelijk betekenen dat begonnen wordt met het (versneld) isoleren van buurten waar de warmtevraag het grootst is, oftewel waar veel grote, oude panden staan. Dit is in strijd met de haalbaarheid en betaalbaarheid.

21

Transitievisie Warmte

We benutten de energie vanuit de Mienskip De energie vanuit de gemeenschap is gemeten door te kijken in welke dorpen bewoners actief zijn, een sterke gemeenschapszin hebben of er een energiecoöperatie opgericht is. Voor Noardeast-Fryslân zijn dit verschillende dorpen maar is deze het grootst in Anjum en Oudwoude waar er lopende initiatieven zijn op het gebied van verduurzaming. Extra aandacht voor minima We willen niet beginnen in buurten waar bewoners verhoudingsgewijs minder te besteden hebben, omdat we verwachten dat de kosten van aardgasvrij wonen de komende jaren nog zullen dalen. Daarom is op dit moment een negatieve weging gegeven aan buurten met relatief veel bewoners met een inkomen onder en rond het sociaal minimum. In een herijking van de Transitievisie Warmte zal deze negatieve weging worden omgezet in een positieve. We willen namelijk niet dat minima pas na 2040 aan de beurt zijn, omdat mensen met een smalle beurs niet met de stijgende kosten van aardgas opgezadeld moeten zitten. In de eerstvolgende herijking over 5 jaar zal hier verder aandacht aan worden besteed. Werken samen met de woningcorporaties De aanwezigheid van corporatiebezit in een startbuurt biedt meerdere voordelen (zie hoofdstuk 2). Er is een positieve weging gegeven aan buurten die een hoger percentage aan corporatiebezit hebben.

Robuustheid van modellen en voorspelde techniek Het VestaMAIS model biedt een benadering van de werkelijkheid maar is sterk afhankelijk van aannames (bijvoorbeeld over prijsontwikkelingen) en randvoorwaarden. Voor De Startanalyse is de uitkomst voor de strategie met de laagste maatschappelijke kosten dan ook robuuster wanneer de afstand tussen de goedkoopste strategie en andere strategieën groter is. Dit maakt het aannemelijker dat deze strategie de voordeligste keuze blijft ook bij veranderingen in aannames en voorwaarden of bij de ontwikkeling van nieuwe technieken. Andersom geldt dat wanneer de kostenafstand zeer klein is, de keuze voor één techniek gebaseerd op enkele euro’s niet gegrond is. Er is daarom een positieve weging gegeven aan buurten waarbij de kostenafstand tussen de goedkoopste en de op-één-na-goedkoopste strategie groter is dan de gemiddelde kostenafstand. We haken aan op natuurlijke momenten (koppelkansen) We hebben gekeken of er koppelkansen zijn in de gemeente die het aantrekkelijker maken om in een buurt te starten. Hierbij zijn met name plannen over enkele (5) jaren interessant: Het is niet mogelijk om de transitie te koppelen aan plannen die op zeer korte termijn plaatsvinden.

Wij hebben gekeken naar de plannen van de woningcorporatie Thùs Wonen, Wonen Noordwest Friesland en Woonfriesland, wegwerkzaamheden vanuit de gemeente, de plannen voor aanpassing van de netinfrastructuur van Stedin en Liander, opgaven vanuit het domein klimaatadaptatie, renovaties van gemeentelijk vastgoed, nieuwbouw, en plannen vanuit de energiecoöperaties. Uit de inventarisatie komen weinig mogelijke koppelkansen naar voren. Thús Wonen heeft al een groot deel van hun bezit geïsoleerd tot label B en zal hetzelfde doen met hun overige bezit in de komende paar jaar. Wonen Noordwest Friesland heeft de doelstelling om in 2030 haar woningvoorraad naar gemiddeld label A te isoleren. Hier zitten echter geen grootschalige projecten bij. Vanuit de gemeente moeten de nieuwbouwplannen nog worden vastgesteld. Wel zijn er lange-termijn plannen voor het onderhoud aan wegen. Er is een positieve weging gegeven aan buurten waar er plannen staan voor wegonderhoud in 2025 en later. De meeste straten gaan open in Dokkum Noord, Dokkum Binnen de Bolwerken, Dokkum Jantjeszeepolder, Anjum, Wierum, en het buitengebied van Marrum Westernijkerk. 5.3.2 Startbuurten Wanneer we de scores gegeven aan de verschillende uitgangspunten per buurt optellen, ontvangen Anjum en verschillende buurten in Dokkum de hoogste scores, zie bijlage 9 voor een overzicht van de hoogst scorende buurten.

Dit lijken dus de meest logische buurten om te starten met de warmtetransitie. Anjum scoort hoog op het uitgangspunt ‘energie vanuit de Mienskip’ dankzij het initiatief van de energiecoöperatie. Ook de koppeling met wegwerkzaamheden is sterk omdat er in deze buurt meerdere wegen zullen worden aangepakt na 2025. Op de uitgangspunten ‘haalbaar en betaalbaar’, ‘extra aandacht voor minima’ en ‘samenwerking met de woningcorporaties’ heeft Anjum een gemiddelde score. Dit betekent dat het aantal bijzonder oude of grote panden niet groter is dan in andere delen van de gemeente en dat het percentage woningcorporatiebezit (26% van de panden) ook vergelijkbaar is met andere buurten.

22

Transitievisie Warmte

Meerdere buurten in Dokkum scoren bijzonder hoog op het uitgangspunt ‘haalbaar en betaalbaar’. De reden is dat hier gemiddeld een lager percentage aan vrijstaande- en 2-onder-1-kap woningen is evenals een lager percentage woningen met energielabel F of G (beide onder 20%). Dit betekent dat de isolatiekosten die gemaakt moeten worden voor de gemiddelde bewoner in deze buurten lager zijn. Ook de maatschappelijke kosten zijn lager dan gemiddeld. De score voor ‘haalbaar en betaalbaar’ weegt zwaar mee, dus dit beïnvloedt de keuze voor de startbuurt sterk. Er is verhoudingsgewijs ook veel corporatiebezit, in sommige buurten meer dan de helft van de woningen. Daar staat tegenover dat het uitgangspunt ‘extra aandacht voor minima’ bijzonder laag scoort. Dit is niet geheel verassend omdat dit criterium in zekere mate tegenstrijdig is aan de aanwezigheid van corporatiebezit. Er zal dus (in samenwerking met de corporaties) onderzocht moeten worden hoe te voorkomen dat de verduurzaming van de woningen in deze buurten resulteert in hoge investeringen of hogere maandlasten voor de bewoners. Tot slot zijn er in de buurt Jantjeszeepolder wegwerkzaamheden gepland.

In de twee startbuurten Anjum en Dokkum (met uitzondering van de binnenstad en het bedrijventerrein) zal de gemeente aanvangen met het in uitvoering brengen van de Transitievisie Warmte door het maken van een wijkuitvoeringsplan (WUP). Dit houdt in dat de gemeente hier verder onderzoek zal doen naar de technische mogelijkheden, samen zal werken met relevante stakeholders zoals de woningcorporaties en It Wetterskip en in gesprek zal gaan met de bewoners om hun wensen, behoeften en uitdagingen in deze transitie mee te nemen. De technieken die nader bekeken zullen worden, zijn TEO en TEA voor Dokkum. En in Anjum zal het initiatief van de energiecoöperatie voor een laag temperatuurwarmtenet op basis van een combinatie van WKO en TEO uit het Lauwersmeer verder worden ondersteund. In de toekomst kan het warmtenet wellicht aangevuld worden met restwarmte die vrijkomt bij waterstofproductie. Dit traject zal grotendeels afhangen van het wel of niet toegekend krijgen van de subsidie Proeftuin Aardgasvrije Wijken (PAW). Daarnaast is het aannemelijk dat in beide kernen individuele warmtesystemen zoals de hybride- en all-electric warmtepomp (i.c.m. bodemlussen of PVT panelen) worden toegepast evenals kleine collectieven met diepe bodemlussen en collectieve warmtepompen.

In de wijkuitvoeringsplannen zal samen met inwoners en andere stakeholders worden bekeken welke technieken technisch en financieel haalbaar zijn, wat de voorkeur draagt van bewoners en hoe zij ondersteund en gestimuleerd kunnen worden. In hoofdstuk 9.4 wordt verder uitgelegd wat een uitvoeringsplan is.

23

Transitievisie Warmte

6 Communicatie en participatie De warmtetransitie raakt ons allemaal. De gemeente vindt het belangrijk om de inwoners, ondernemers en alle andere partijen in de gemeente Noardeast-Fryslân te betrekken bij de warmtetransitie. Een goede samenwerking, open staan voor elkaars ideeën en vragen, meepraten en mee kunnen doen zijn cruciaal voor het laten slagen van de warmtetransitie. In dit hoofdstuk komt de rol van de gemeente in deze samenwerking aan bod en beschrijven we de wijze waarop we inwoners en ondernemer betrekken en informeren.

6.1 De rol van de gemeente Noardeast-Fryslân Zoals eerder benoemd heeft de gemeente een regierol in de warmtetransitie, en dus ook bij het opstellen van de TVW. Maar wat betekent die regierol? Er zijn meerdere regierollen mogelijk:  De afwachtende regisseur  De procesregisseur  De sturende regisseur  De integrale regisseur Deze vier verschillende rollen kunnen gemeenten helpen in het bepalen van haar koers. Welke rol het beste bij onze gemeente past is afhankelijk van vele factoren, bijvoorbeeld in welk tempo we de wijken van het aardgas af willen brengen, of we koppelkansen met andere beleidsvelden willen benutten en in welke mate we willen inzetten op burgerparticipatie. Belangrijk om te vermelden is dat we ook elementen van verschillende regierollen kunnen overnemen. Daarnaast kan de regierol ook veranderen in de verschillende fases van de warmtetransitie. Bij de Wijkuitvoeringsplannen (WUP) is een andere rol denkbaar, en kan de regierol ook verschillen per wijk. In eerste instantie zal de gemeente zich bij de TVW opstellen als procesregisseur. Dit houdt in dat de TVW een co-creatie wordt, een samenwerking met een brede vertegenwoordiging van stakeholders. Hierbij staat draagvlak voorop. De ideeën en animo die bij burgers leven bepalen voor een groot deel het tempo van de transitie. Inwoners zijn daarmee medeverantwoordelijk voor de transitie.

De gemeente focust zich met name op het organiseren van het gesprek. Naast de rol procesregisseur zullen we in onze rol ook elementen van de integrale regisseur meenemen. Dit houdt in dat we koppelkansen met andere beleidsterreinen proberen te benutten. Reeds bij het ontwikkelen van deze TVW hebben we intern de samenwerking opgezocht. Op die manier pakken we meerdere opgaven tegelijk op en besparen we tijd en moeite. Wanneer bijvoorbeeld werkzaamheden verricht worden aan openbare wegen, dan is dit een natuurlijk moment om ook de warmtetransitie hier aan te koppelen. Daarmee wordt het tempo van de transitie mede-afhankelijk van het tempo van andere opgaven. Kortom, de gemeente ziet haar rol in de warmtetransitie met name als het faciliteren van de gesprekken met stakeholders. Deze stakeholders bevinden zich niet alleen extern, bijvoorbeeld inwoners en andere professionals, maar zeker ook intern wanneer er koppelkansen met andere werkzaamheden te benutten zijn. Door het proces zo optimaal mogelijk in te richten, poogt de gemeente het gewenste eindresultaat te behalen. Dat het tempo van de warmtetransitie grotendeels afhankelijk is van de wensen van stakeholders, betekent echter niet dat de opgave vrijblijvend is. Gemeenten moeten borgen dat alle wijken in 2050 van het aardgas af zijn.

Als het tempo dus te laag is, dan zal de gemeente wellicht in een later stadium een meer sturende regierol oppakken.

6.2 Communicatie- en participatiestrategie In het proces om te komen tot deze Transitievisie Warmte is er op verschillende manieren gecommuniceerd met inwoners en andere betrokken. We zetten uiteen welke stappen we tot nu toe genomen hebben, en welke stappen we in de toekomst zetten. Inwoners zijn op verschillende manier geïnformeerd en geconsulteerd. Voorafgaand aan het proces rondom de Transitievisie Warmte heeft de Provincie Fryslân voor de RES Fryslân vragen uitgezet onder alle inwoners in Fryslân. De vragen focusten zich op de brede energietransitie, waar de warmtetransitie onderdeel van is. Uit de enquête kwam naar voren dat 49% van de inwoners in Friesland zich verantwoordelijk voelt voor de energietransitie. Als belangrijkste redenen om aan de slag te gaan, geven inwoners aan dat ze een bijdrage willen leveren aan het tegengaan van de opwarming van de aarde en een lagere energierekening willen. Het grootste deel van de inwoners geeft aan op één of andere manier geïnformeerd en/of geraadpleegd te willen worden. Een groot deel geeft ook aan te willen adviseren, samenwerken, beleid bepalen of besluiten te nemen. Ze geven aan vooral betrokken te willen worden via

24

Transitievisie Warmte

vragenlijsten/enquêtes, digitale vormen (zoals apps of online platforms) en bijeenkomsten. De enquête is door inwoners van Noardeast-Fryslân 241 keer ingevuld. Kanttekening is dat het type personen die de enquête hebben ingevuld niet representatief is. We nemen de resultaten daarom vooral mee om richting te geven, maar niet als vaststaande feiten. Naast de enquête vanuit de RES Fryslân, is er binnen gemeente ook een enquête uitgezet voor de Woonvisie. In deze enquête zijn ook vragen over verduurzaming opgenomen. Hieruit kwam naar voren dat inwoners qua ondersteuning vooral behoefte hebben aan financiële prikkels en ondersteuning. Op de tweede plek stond de behoefte aan energiebesparende maatregelen. Op de derde plek stond de behoefte aan onafhankelijk advies. Uit de enquête kwam naar voren dat inwoners uit de stad Dokkum relatief weinig maatregelen hebben genomen en inwoners relatief vaak om financiële ondersteuning vragen. Anjum komt als dorp naar voren waar veel wensen zijn, maar hier worden ook al veel maatregelen genomen. De overige stakeholders zijn betrokken geweest bij een tweetal routekaartsessies waarin de bouwstenen voor de Transitievisie Warmte zijn besproken en gevormd. In de routekaartsessies zijn samen met de gemeente Dantumadiel koppelkansen uiteen gezet. Na de routekaartsessies is er nog een terugkoppeling geweest.

De stakeholders hebben daarna een review gegeven op het concept van de Transitievisie Warmte. In het opstellen van de Transitievisie Warmte zijn de relevante stakeholders op hoofdlijnen betrokken geweest. Inwoners zijn, los van de verschillende enquêtes, vooral extensief via vertegenwoordigers betrokken. Dit komt doordat de Transitievisie Warmte nog vrij abstract is en voor inwoners nog ver van hen af staat. Wel is er een live-uitzending en een bewonersavond georganiseerd om de warmtetransitie onder aandacht te brengen bij onze inwoners. In de vervolgstappen en de wijkuitvoeringsplannen worden inwoners en de andere stakeholders intensiever betrokken.

6.3 Communicatieplan Om richting te geven aan de rol van de gemeente en haar doelstellingen op communicatie en participatie heeft de gemeente Noardeast-Fryslân een communicatieplan opgesteld. In deze paragraaf lichten wij kort de doelstellingen en uitgangspunten uit het plan toe. Het volledige plan is opgenomen in bijlage 7. Doelstellingen en uitgangspunten Door inwoners vanaf het begin mee te nemen in de warmtetransitie wil de gemeente Noardeast-Fryslân inwoners allereerst informeren over de veranderingen als gevolg van de transitie naar aardgasvrij wonen. Ten tweede beoogt de gemeente door middel van goede communicatie draagvlak te creëren. Dit is van belang aangezien de warmtetransitie zich achter de voordeuren van inwoners afspeelt. Dit vraagt van inwoners om ook zelf aan de slag te gaan. Bewustwording en het veranderen van gedrag speelt daarin een belangrijke rol en vormt een derde element wat de gemeente met goede communicatie hoopt te bereiken. Om bewoners op weg te helpen wil de gemeente daarnaast concrete handvatten aanbieden. De gemeente verstrekt informatie over subsidies en duurzaamheidsleningen, stelt energieadviseurs beschikbaar en toont praktijkvoorbeelden via het Duurzaam Bouwloket. Daarnaast biedt ook het handelingsperspectief (opgenomen in hoofdstuk 8) concrete handvatten voor inwoners.

Om bovenstaande doelstellingen te behalen hanteert de gemeente Noardeast-Fryslân voor de communicatie naar inwoners de volgende uitgangspunten:  We werken samen aan communicatie: waar mogelijk trekt de gemeente samen op met andere gemeenten, bijvoorbeeld met omliggende gemeenten in ANNO-verband of met alle Friese gemeenten in het kader van de Regionale Energiestrategie (RES).  We communiceren eenduidig: de gemeente brengt een eenduidige, kernachtige boodschap over naar haar inwoners.  We communiceren op maat: de gemeente communiceert op maat om elke doelgroep op een passende wijze te bereiken en te betrekken.  We communiceren tijdig: de gemeente communiceert tijdig, zodat inwoners voldoende tijd hebben om de boodschap te begrijpen.  We staan open voor meedenkers: de gemeente betrekt inwoners actief bij de warmtetransitie, hiermee geeft de gemeente inwoners invloed en maakt zij hen mede-eigenaar.  We staan open voor zorgen en kritiek: de gemeente biedt ruimte voor zorgen en kritiek, zowel op inhoudelijk als communicatief vlak. Zij handelt daarnaar wanneer de kritiek of zorgen terecht zijn.

25

Transitievisie Warmte

Communicatiecampagne Als gemeente zien we het als onze taak om onze inwoners van de juiste informatie te voorzien. Dat begint bij weten dat we in de komende jaren allemaal van het aardgas af moeten. We willen onze inwoners wijzen op het nut en noodzaak van de warmtetransitie. Als inwoners goed weten wat ze te wachten staat, dan kunnen ze op natuurlijke momenten, zoals bij verhuizing of verbouwing, zelf maatregelen treffen. Zo worden kosten en moeite bespaard. Om zoveel mogelijk inwoners met deze boodschap te bereiken, starten we vanaf 2022 een communicatiecampagne. Deze campagne is niet alleen gericht op de inwoners van de startbuurten, maar op alle inwoners van onze gemeente. Op dit moment wordt gewerkt aan het opzetten van de campagne.

26

Transitievisie Warmte

7 Financiering en betaalbaarheid We vinden het belangrijk dat iedereen mee kan doen in de warmtetransitie. Ook inwoners met een kleinere beurs. De betaalbaarheid van de warmtetransitie is daarom een belangrijk uitgangspunt. In dit hoofdstuk bespreken we welke financieringsmogelijkheden er zijn en wat de kosten van een duurzaam warmte alternatief bepaalt.

7.1 Financieringsmogelijkheden De betaalbaarheid van de warmtetransitie is een belangrijk punt van aandacht. In het Klimaatakkoord staat dat ‘de verduurzaming voor iedereen betaalbaar moet zijn, maar ook gefinancierd (moet) kunnen worden. Ook voor degenen die daar nu geen toegang toe hebben’. Door te werken aan verschillende financieringsconstructies werkt de overheid toe naar een situatie waarin de woonlasten zoveel mogelijk gelijk blijven. Of in het geval van energiearmoede mogelijk zelfs omlaag gaan. Hoe dit er precies uit komt te zien is nog onduidelijk. Een belangrijke rol hierbij ligt bij het Rijk. Het Rijk is bezig om een breed palet aan aantrekkelijke, toegankelijke en verantwoorde financieringsmogelijkheden te realiseren. Zo kan iedereen een vorm vinden die in de eigen situatie past. In de transitie naar nieuwe bronnen worden investeringen gedaan. Die kunnen een besparing in energielasten opleveren en zorgen vaak voor meer comfort. Om de transitie mogelijk te maken zijn er subsidies en financieringsregelingen (duurzaamheidsleningen) beschikbaar. Deze hebben we hiernaast weergegeven. Uit verder onderzoek in de startwijken moet blijken welke financieringsinstrumenten nodig zijn en hoe deze eventueel gecombineerd worden.

Subsidies Subsidies zijn er met name om de ‘onrendabele top’ af te dekken. Een nieuwe maatregel levert vaak besparing of meerwaarde voor de woning op. Soms is dit niet genoeg om de maatregel terug te betalen, of is het goed om deze maatregel extra te stimuleren. Er zijn verschillende subsidies:  Subsidies voor particulieren bij het doen van maatregelen of aanschaf van installaties (ISDE)  Proeftuin aardgasvrije wijken voor gemeenten (PAW) Zie de website van het Duurzaam Bouwloket voor alle geldende subsidies en leningen.

Duurzaamheidsleningen Duurzaamheidsleningen helpen duurzame maatregelen te treffen, zonder dat iemand veel eigen geld hoeft te gebruiken. Een maatregel kan namelijk een voordelige keus zijn, maar niet direct te financieren. Een duurzaamheidslening moet worden terugbetaald, maar kent in de regel een lage rente. Er zijn verschillende duurzaamheidsleningen, waaronder:  Energiebespaarlening voor particulieren en vve’s van het Nationaal Warmtefonds. Zie ook: Het Nationaal Warmtefonds- Energiebespaarlening  Financiering van projecten voor die zich richten op energiebesparing en/of op een duurzame energieproductie via Fûns Skjinne Fryske Enerzjy. Zie ook: https://www.fsfe.frl  Energiebespaarhypotheek voor inwoners met een kleine beurs (beschikbaar vanaf 2021 via het Nationaal Warmtefonds)  Verschillende leningen voor particulieren en ondernemers vanuit de gemeente, zoals de Starterslening, de Stimuleringlening (particulier en Zakelijk) en de verzilverlening. Zie ook: Duurzaamheidsleningen woningen en zakelijk vastgoed | Gemeente Noardeast-Fryslan Zie de website van het Duurzaam Bouwloket voor alle geldende subsidies en leningen.

7.2 Betaalbaarheid van de warmtetransitie Alhoewel de uiteindelijke kosten nog onduidelijk zijn, weten we wel dat ze gaan verschillen per gebouw en gebied. Dit komt doordat de kosten voor elke techniek en elk type gebouw anders zijn. In het bepalen van de kosten maken we onderscheid tussen maatschappelijke kosten en eindgebruikerskosten. Deze kosten zijn bij voorkeur in balans en zo laag mogelijk. In de kaders op de volgende pagina staat beschreven wat deze kosten precies zijn. De combinatie tussen technische mogelijkheden en de kosten bepaalt uiteindelijk welke techniek het meest geschikt is. De kosten van een techniek zijn afhankelijk van veel verschillende factoren, waaronder:  Het type gebouw: de oppervlakte en het aantal buitenmuren van een gebouw zijn van invloed op de investeringskosten en de maandlasten.  De huidige staat van het gebouw: afhankelijk van de leeftijd van een gebouw en de mate van onderhoud en renovatie (inclusief de mate van isolatie).  De techniek: het ene alternatief is duurder dan het andere. Ook de kostenopbouw verschilt: in de ene optie gaat het vooral om kosten in het gebouw (zoals isolatie of installatie), in de andere optie gaat het vooral om kosten buiten het gebouw (zoals voor de infrastructuur). Daarmee komen de

27

Transitievisie Warmte

investeringen bij verschillende partijen terecht (eigenaren, netbeheerders, bewoners, energieleveranciers). Externe factoren: factoren zoals marktwerking en de prijs van aardgas zijn van invloed op alle soorten kosten. De TVW wordt om de 5 jaar herzien. Gedurende die periode veranderen er ook dingen op de markt waar we rekening mee houden.

Er is ook een verschil tussen de investeringskosten en de jaarlijkse kosten. De investeringskosten zijn de kosten die iemand van te voren of bij aanschaf van de nieuwe techniek moet maken. De jaarlijkse kosten zijn de vaste lasten van meestal de bewoner of gebouweigenaar. De jaarlijkse kosten zijn afhankelijk van de leefstijl van de inwoners, de exploitatiekosten en de onderhoudskosten aan het systeem. Wat de kosten voor het aardgasvrij ook worden, ze verschillen per situatie. Voor een reeds goed geïsoleerd gebouw waar al vloerverwarming aanwezig is kan de overstap op een warmtepomp met de huidige subsidies zonder al te grote investering plaatsvinden. Zeker wanneer dit gebeurt op het moment dat de huidige CV ketel aan vervanging toe is. Voor gebouwen waarin nog veel stappen genomen dienen te worden lopen de kosten al snel op. Het is daarom goed om de natuurlijke momenten te benutten (verhuizing, vervangen keuken, nieuwe ketel, nieuwe vloer) om de kosten zo laag mogelijk te houden. Wat de daadwerkelijke kosten worden en hoe dit gefinancierd gaat worden werken we de komende jaren verder uit. Maatschappelijke kosten Dit zijn de totale financiële kosten in Nederland van alle maatregelen die nodig zijn om in een wijk of dorp van het aardgas af te gaan, ongeacht wie die kosten betaalt.

Dit is inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Het gaat hier onder andere om de aanleg van een warmtenet, de verzwaring van het elektriciteitsnet, verwijderen van het gasnet en onderhoud van infrastructuur. Ook de investeringen van de bewoners zitten hierin. Maatschappelijke kosten worden ook wel nationale kosten genoemd.

Eindgebruikerskosten Eindgebruikerskosten zijn de kosten voor de bewoners en andere gebouweigenaren en kunnen worden onderverdeeld in investeringskosten en jaarlijkse kosten. Deze kosten geven weer welk deel van de kosten op de schouders van de bewoner valt. De investeringskosten zijn de eenmalige kosten voor de transitie naar een duurzame warmtetechniek. De jaarlasten zijn de kosten die de bewoner jaarlijks moet betalen. Voor meer informatie over mogelijke kosten, zie www.verbeterjehuis.nl.

7.3 Eindgebruikerskosten Om inzicht te krijgen in de financiële impact voor bewoners van het verduurzamen van hun woning hebben wij voor twee referentiewoningen in Noardeast-Fryslân de eindgebruikerskosten uiteengezet. De cijfers zijn gebaseerd op het Eindgebruikerskosten model van TNO maar aangepast om de woningen in NoardeastFryslân beter te representeren. De gekozen referentiewoningen zijn 1. een vooroorlogse, grote, vrijstaande woning of boerderij en 2. een tussenwoning van gemiddelde grootte uit de jaren 60-70. Beide woningtypen komen veel voor in de gemeente. De eerste hoofdzakelijk in het buitengebied. De tussenwoning veelal in de dorpen. Voor beide woningtypen is gekozen om over te gaan op de hybride warmtepomp aangevuld met groengas omdat dit een zeer waarschijnlijk scenario is voor deze woningen. Dit wordt ook bevestigd door de routekaart en de Startanalyse. De vrijstaande woning heeft een start energielabel G en zal naar label D moeten worden geïsoleerd om verwarmd te kunnen worden met een hybride warmtepomp. De tussenwoning heeft een start energielabel D en zal geïsoleerd worden naar label B. Type woning Woonoppervlak Start energielabel Verduurzamingsscenario Uiteindelijk energielabel Start aardgasverbruik

Vooroorlogse, grote vrijstaande woning 200 m2 G Hybride warmtepomp D 2500 m3

Jaren 60-70 tussenwoning 110 m2 D Hybride warmtepomp B 1300m3

De kosten zijn uiteengezet voor het jaar 2030 omdat de aanname is gemaakt dat bewoners enkele jaren nodig hebben om stapsgewijs de woning te isoleren. Trends in prijsontwikkelingen zijn meegenomen. Het Klimaatakkoord voorspelt kostendalingen in investeringskosten ten gevolge van verdere ontwikkeling en

28

Transitievisie Warmte

grootschaligere productie van technieken en energie. Om een voorzichtige houding aan te nemen zijn wij in onderstaande cijfers uitgegaan van de helft van deze voorspelde kostendaling om zo in het midden van de huidige kosten en mogelijk toekomstige kosten uit te komen. De eindgebruikerskosten kunnen worden opgedeeld in eenmalige investeringen en jaarlijkse lasten. Voor beide woningtypen zijn deze kosten uiteengezet tegenover het referentie scenario; de woning met het start energielabel op een aardgasgestookte hr-ketel. Investeringskosten Investeringskosten zijn de kosten die de bewoner slechts éénmaal per lange periode hoeft te maken. Dit zijn de kosten voor het isoleren van de woning, het aanschaffen van de nieuwe warmtetechniek, het aanpassen van het ventilatiesysteem en de teruggave van de ISDE-subsidie. Hierbij is de aanname gemaakt dat bewoners zich houden aan de voorwaarden van de ISDE zoals het treffen van twee isolatiemaatregelen in één keer. Omdat beide voorbeeldwoningen aangesloten blijven op het gasnet (voor groengas) zijn er geen kosten berekend voor een nieuw kooktoestel en pannen evenals de afsluitbijdrage (tijdelijk gratis). We raden het echter wel aan om over te stappen op elektrisch koken als de keuken aan vervanging toe is. De vooroorlogse vrijstaande woning wordt geïsoleerd tot label D.

Bij deze isolatiewaarde is het niet nodig om van passieve ventilatie over te stappen op actieve ventilatie. Voor de jaren 60-70 tussenwoning die naar label B gaat, is dat wel nodig. Sommige investeringskosten moeten na een verstreken periode opnieuw worden gemaakt bijvoorbeeld de aanschaf van een warmtepomp of hr-ketel. Bij het vergelijken van deze terugkerende investeringskosten is het van belang om te weten of de ene techniek langer meegaat dan de ander. In dit geval komen de technische levensduur van een hybride-warmtepomp en een hr-ketel overeen en zullen zij bij normaal en goed gebruik (juiste vermogen, goed afgesteld) beide gemiddeld 15 jaar meegaan. Dit betekent dat we deze kosten eerlijk met elkaar kunnen vergelijken. Vooroorlogse vrijstaande woning Hybride warmtepomp HR-ketel Isolatie Btw ISDE Totaal afgerond

HR-aardgas €0 € 1.600 €0 € 336 €0 € 2.000

Hybride met groengas € 4.500 tot € 7.700

Jaren 60-70 tussenwoning Hybride warmtepomp HR-ketel Isolatie Ventilatiesysteem aanpassen Btw ISDE Totaal afgerond

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=4637f694-4dd9-4595-bd16-f743b7cef12a