CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie Warmte Noardeast-Fryslan 2021

It Beslút 2 december 2021, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Transitievisie Warmte36.981 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Signed By: Dijkstra, Sytze <s.dijkstra@noardeast-fryslan.nl> 03/12/2021 13:12:44 CET ID: 998dd463-be6e-4326-b047-0419e520f5ae Auth: Scribble

Transitievisie Warmte Noardeast-Fryslân: Samen aan de slag voor een aardgasvrij Noardeast-Fryslân 30 september 2021

Colofon Opdrachtgever:

Gemeente Noardeast-Fryslân

Rapport gegevens: Rapport: Opsteller: Versie: Datum:

Transitievisie Warmte Noardeast-Fryslân TAUW 1.3 30 september 2021

Vastgesteld: Door Datum Paraaf:

Gemeente Noardeast-Fryslân Postbus 13 9290 AA Kollum Tel. (0519) 29 88 88 info@noardeast-fryslan.nl www.noardeast-fryslan.nl

1

Transitievisie Warmte

Voorwoord Het nut en noodzaak van de energietransitie Het besef dat het klimaat verandert begint steeds meer in te dalen. Om te zorgen dat de aarde niet nog meer opwarmt moeten we de CO2-uitstoot flink terugdringen. Uiterlijk in 2050 gebruiken we geen fossiele brandstoffen meer om in onze energiebehoefte te voorzien. Deze energietransitie is een hele opgave. Het vergt dat we onze manier van leven aanpassen. Belangrijk onderdeel van deze transitie is dat we onze woningen en andere gebouwen niet meer verwarmen met aardgas, maar met duurzame vormen van warmte. Door af te stappen van aardgas voorkomen we niet alleen verdere klimaatverandering. Ook zorgen we ervoor dat het boren naar aardgas en de daarmee gepaarde aardbevingen straks niet meer nodig zijn. Aan de slag met verduurzaming Afstappen van aardgas betekent dat onze inwoners de komende jaren aan de slag gaan met het verduurzamen van hun woning. Dat hoeft niet van vandaag op morgen. We doen dat stap voor stap. Toch kunnen inwoners nu al stappen zetten, bijvoorbeeld door te isoleren of door zonnepanelen te plaatsen. Op termijn kan dan ook de HR-ketel vervangen worden door bijvoorbeeld een warmtepomp. Dat klinkt simpel, maar in de praktijk is het dat zeker niet. Deze transitie kan ingewikkeld zijn en zal bij onze inwoners veel vragen oproepen.

Want welke verduurzamingsmaatregelen passen het beste bij mijn woning? Hoe betaal ik dat? Wanneer moet ik aan de slag? En waar kan ik terecht voor de juiste informatie? Voorzien van de juiste informatie Vanuit mijn persoonlijke ervaring weet ik dat het lastig kan zijn om aan de juiste informatie te komen. Zo is mijn dochter net verhuisd. Dat zijn mooie, natuurlijke momenten om te kijken naar de verduurzamingsopties. Maar ondanks de goede bedoelingen wist ze niet waar ze terecht kon voor informatie over de te treffen maatregelen en beschikbare subsidies. Hierdoor realiseer ik me dat we als overheden nog flinke stappen hebben te zetten in het ondersteunen van onze inwoners. Hier zien wij een belangrijke rol voor ons als gemeente weggelegd: om onze informatie van de juiste informatie te voorzien. Wat we als gemeente voor u gaan betekenen In deze Transitievisie Warmte geven we als gemeente een eerste aanzet voor een aardgasvrij NoardeastFryslân. We brengen in kaart welke verduurzamingsmaatregelen mogelijk zijn in onze gemeente en met welke kernen we als eerste actief het gesprek aangaan. We streven daarbij naar een haalbare, betaalbare en duurzame transitie. We bieden onze inwoners een handelingsperspectief en ondersteunen initiatieven vanuit de Mienskip. Want deze transitie is niet alleen van de gemeente. Het is van ons allemaal.

Alleen samen met onze Mienskip en samen met woningcorporaties, netbeheerders en andere overheden kunnen we deze transitie doormaken. Als gemeente faciliteren we deze samenwerking en bieden we eenieder de kans om mee te denken in onze plannen. Gezamenlijk en stap voor stap naar een aardgasvrij Noardeast-Fryslân!

Esther Hanemaaijer Wethouder energietransitie

Samenvatting

2

Transitievisie Warmte

Gemeente Noardeast-Fryslân wordt in de toekomst aardgasvrij. Dat betekent dat woningen en andere gebouwen niet meer met aardgas worden verwarmd, maar op een duurzame manier. Dit past in het landelijk beleid (onder andere het Klimaatakkoord) om te zorgen voor minder uitstoot van het broeikasgas CO2 en klimaatverandering tegen te gaan. Daarnaast stopt de aardgasproductie in Groningen om aardbevingen tegen te gaan. Ook wil de Nederlandse overheid minder afhankelijk zijn van aardgas vanuit het buitenland. Deze overstap naar een aardgasvrije manier van verwarmen noemen we de warmtetransitie. Elke gemeente in Nederland maakt hiervoor uiterlijk in 2021 een plan: de Transitievisie Warmte. Voor u ligt de Transitievisie Warmte van de gemeente Noardeast-Fryslân. In deze visie beschrijven we wat de warmtetransitie inhoudt, wat de alternatieven voor aardgas zijn en hoe de warmtevraag en het warmteaanbod het beste op elkaar afgestemd kunnen worden in onze gemeente.

De opgave: een aardgasvrije gebouwde omgeving De Transitievisie Warmte gaat over de ‘gebouwde omgeving’. Dat zijn alle woningen, winkels, kantoren, scholen en andere gebouwen. In de gemeente Noardeast-Fryslân staan ongeveer 20.600 woningen en 3.300 andere gebouwen. Bij elkaar verbruiken we in de gemeente ruim 49 miljoen kubieke meter aardgas per jaar. Alle bestaande gebouwen in NoardeastFryslân moeten uiterlijk in 2050 aardgasvrij zijn.

Onze uitgangspunten Deze uitgangspunten staan voorop bij de warmtetransitie in Noardeast-Fryslân: 

De eerste stappen: isoleren, ventileren en elektrisch koken Wat je niet gebruikt, hoef je ook niet op te wekken. Daarom is de eerste stap isoleren. Bovendien is isoleren vaak nodig om een woning of gebouw comfortabel zonder aardgas te verwarmen. In een geïsoleerd huis is goede ventilatie belangrijk voor een prettig klimaat. Tot slot is het ook nodig om over te stappen van koken op gas naar elektrisch koken om een woning aardgasvrij te maken. Op de volgende pagina staan voorbeelden van isolatiemaatregelen.

We streven naar een haalbare en betaalbare transitie: de gemeente streeft er naar de woonlasten neutraal te houden en geeft extra aandacht aan inwoners met een smalle beurs. We benutten de energie vanuit de Mienskip: eigen initiatieven worden vanuit de gemeente gestimuleerd en (financieel) ondersteund. Goede voorbeelden inspireren en helpen ons verder op weg. We haken aan op natuurlijke momenten: door aan te haken op natuurlijke momenten zoals een verhuizing of een verbouwing verminderen we de kosten en overlast van de overstap op een duurzame warmtebron. We werken samen met woningcorporaties: woningcorporaties zijn een belangrijke partner in de warmtetransitie. Doordat zij veel vergelijkbare woningen in hun bezit hebben kunnen we sneller een grotere stap zetten. Ook inspireren we hiermee andere woningeigenaren. We streven naar een zo optimaal mogelijke CO₂reductie: we streven naar oplossingen met de laagste kosten voor het besparen van een ton CO₂. We pakken de warmtetransitie stap voor stap aan: de eerste stap zijn ‘no-regret’ maatregelen*. Vervolgens bekijken we per stap welke technieken haalbaar en bewezen zijn om toe te passen. (*maatregelen die iedere inwoner kan zetten, zonder dat bekend is op welk duurzaam warmtealternatief de woning over gaat.) We werken samen met andere gemeenten en leren van elkaar: door samen te werken met andere gemeenten, o.a.

in het opstellen van de Transitievisiewarmte en in ANNO- en RESverband, besparen we kosten en leren we van elkaar.

Duurzame warmte: de opties Als de isolatie op orde is, kunnen we aan de slag met een alternatief voor verwarmen op aardgas. Er zijn verschillende oplossingen mogelijk, waarbij we onderscheid maken in drie soorten: ‘all-electric’ oplossingen, warmtenetten en duurzame gassen. Allelectric houdt in dat een woning of gebouw volledig elektrisch wordt verwarmd, bijvoorbeeld met een warmtepomp. Bij een warmtenet stroomt er warm water door buizen in de grond naar de woningen. Dit kan van een fabriek zijn (hoge temperatuur warmte), maar ook van bijvoorbeeld warmte uit het Lauwersmeer (lage temperatuur; in combinatie met een warmtepomp). Duurzaam of hernieuwbaar gas vraagt de minste aanpassingen in woningen, maar is in de vorm van groen gas of waterstofgas beperkt beschikbaar. Ook is een hybride oplossing mogelijk, waarbij een woning verwarmd wordt door een combinatie van een warmtepomp met een cv-ketel voor de koude winterdagen. De gemeente houdt in de gaten welke nieuwe technieken in de toekomst beschikbaar komen.

Welke mogelijkheden zien we in NoardeastFryslân? De bouwjaren van de woningen, de bouwdichtheid van een dorp of stad en de aanwezigheid van warmtebronnen bepalen welke oplossingen voor duurzame warmte in Noardeast Fryslân het meest voor de hand liggen. Aangezien de gemeente een relatief lage bouwdichtheid heeft, verwachten we dat veel woningen en andere gebouwen overgaan op individuele (‘all electric’ of hybride) technieken op lage temperatuur. Daarnaast zien we in Hallum, Kollum, Dokkum, Burdaard, Marrum en Anjum (inclusief Oostmahorn en Esonstad) verschillende kansen voor een laagtemperatuur warmtenet uit oppervlaktewater, afvalwater of restwarmte. In Oudwoude zijn kansen voor een hoogtemperatuurwarmtenet. Tot slot zien we kansen voor groengas en kleinschalige collectieve oplossingen zoals warmtekoudeopslag (WKO) of bodemlussen.

Hoe en waar willen we starten? De warmtetransitie vindt niet van de één op de andere dag plaats. We doen dit gezamenlijk en op een zorgvuldige manier. Stap voor stap. Communiceren, informeren en samenwerken met inwoners en ondernemers staan hierin centraal. Daarnaast zetten we vol in op het isoleren van gebouwen. In Anjum en Dokkum liggen concrete kansen en aanknopingspunten om te starten met een (wijk)uitvoeringsplan (WUP).

daar energie zit in de 3 In Anjum willen we starten omdat Transitievisie Warmte Mienskip, hier is al een energiecoöperatie actief. Meerdere buurten in Dokkum zijn geschikt om te starten omdat de warmtetransitie hier relatief goed scoort op haalbaarheid en betaalbaarheid van de transitie. Daarom wijzen we deze twee gebieden aan als zogenoemde startbuurten. Dit betekent dat de gemeente samen met de inwoners en de belangrijkste partners, zoals de woningcorporaties, de communicatie en samenwerking (intensief) oppakt en onderzoekt wat de mogelijkheden zijn voor de verschillende duurzame warmtealternatieven. In de uitvoering van deze Transitievisie Warmte volgen wij drie sporen: Communicatie met inwoners en ondernemers, creëren bewustwording en activeren om zelf aan de slag te gaan Starten met een intensief communicatie- en participatieproces, onderzoeken en het opstellen van een WUP in Anjum en Dokkum Samenwerking tussen de partners: gemeente, netbeheerders, woningcorporaties, energiecoöperaties en belangenvertegenwoordigers

Wat als mijn wijk nog niet aan de beurt is? Wilt u zelf aan de slag met de voorbereidingen op een aardgasvrije woning? Isoleren en elektrisch koken zijn altijd goede stappen om te zetten. Maak daarbij gebruik van logische momenten. Kies bijvoorbeeld voor een inductie kookplaat als u toch uw keuken vervangt. En ga voor HR++/+++ glas als u toch kozijnen gaat schilderen of vervangen. Het Duurzaam Bouwloket informeert u over de mogelijkheden voor verduurzaming, de financiering hiervan en welke initiatieven er binnen de gemeente lopen. Ook kunt u via het Duurzaam Bouwloket gratis energieadvies aan huis aanvragen.

Verder werken aan een aardgasvrij Noardeast-Fryslân Deze Transitievisie Warmte is een eerste versie. Hiermee gaan we aan de slag om zoveel mogelijk woningen voldoende te isoleren. Daarbij benutten we ook instrumenten die landelijk ontwikkeld worden, zoals subsidies en financieringen. In de startbuurten gaan we in gesprek met inwoners en ondernemers en voeren we onderzoeken uit, zodat we samen een keuze kunnen maken welk alternatief voor aardgasvrij het beste is. Rond 2025 gaan we de Transitievisie actualiseren. Dan nemen we de geleerde lessen en nieuwe ontwikkelingen mee en maken we opnieuw de balans op.

Inhoudsopgave VOORWOORD 1

INLEIDING

1

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

De aanleiding: klimaatverandering De warmetransitie Positie en doel van de Transitievisie Warmte Samenwerking Leeswijzer

1 1 2 3 3

2

UITGANGSPUNTEN

4

3

ALTERNATIEVEN VOOR AARDGAS

6

3.1 3.2

Van aardgas over op hernieuwbare energiebronnen Hoe kom je tot de meest geschikte techniek en warmtebron?

6 8

4

DE TRANSITIEOPGAVE IN NOARDEAST-FRYSLÂN

9

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

De warmtevraag Kenmerken en aardgasgebruik woningen Noardeast-Fryslân Utiliteit Beschikbare bronnen in Noardeast-Fryslân Welke duurzame warmtebronnen zijn kansrijk in Noardeast-Fryslân? Welke duurzame warmtebronnen hebben geen potentie?

9 9 10 11 11 14

5

DE ROUTE NAAR AARDGASVRIJ

15

5.1 5.2 5.3

Mogelijke warmteoplossingen per gebied Vergelijking warmteoplossingen met de PBL Startanalyse Waar te beginnen?

15 18 19

6

COMMUNICATIE EN PARTICIPATIE

23

6.1 6.2 6.3

De rol van de gemeente Noardeast-Fryslân Communicatie- en participatiestrategie Communicatieplan

23 23 24

7

FINANCIERING EN BETAALBAARHEID

26

7.1 7.2 7.3

Financieringsmogelijkheden Betaalbaarheid van de warmtetransitie Eindgebruikerskosten

26 26 27

8

HANDELINGSPERSPECTIEF

30

8.1 8.2 8.3

Verduurzamen in stappen Verduurzamen van referentiewoningen Waar kunt u terecht voor ondersteuning/informatie?

30 32 36

9

UITVOERINGSSTRATEGIE

37

9.1 9.2 9.3 9.4 9.5

Samenwerking met partners Inwoners en ondernemers meenemen in de transitie De uitvoering uitgesplitst in sporen (Wijk)uitvoeringsplannen Doorontwikkeling van de Transitievisie Warmte

37 38 39 44 44

BIJLAGEN

45

1

Transitievisie Warmte

1 Inleiding 1.1 De aanleiding: klimaatverandering De aarde warmte op. De gemiddelde temperatuur van de aarde is nu al zo’n 1,1 graden Celsius hoger dan het was in 18501. In Nederland stijgt de temperatuur zelfs nog sneller: 2 graden opwarming ten opzichte van het jaar 19002. Deze opwarming resulteert o.a. in zeespiegelstijging, meer frequente en hevigere overstromingen en langere perioden van extreme hitte en droogte. Klimaatverandering is daarmee een opgave waar we vroeg of laat allemaal mee te maken krijgen. Hoewel de temperatuur op aarde miljoenen jaren geschommeld heeft van warme perioden tot zelfs ijstijden, is de huidige snelheid van stijging ongeëvenaard. Bovendien kan de huidige opwarming niet verklaard worden door natuurlijke factoren. Ditmaal is er een andere reden: de mens. Er bestaat een direct verband tussen de opwarming van de aarde en de door de mens veroorzaakte uitstoot van broeikasgassen zoals CO2 en methaan1. Om verdere opwarming te voorkomen en om deze aarde bewoonbaar te houden is het dus absoluut noodzakelijk dat we de uitstoot van broeikasgassen terugdringen. Om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan, ondertekende Nederland in 2015 het Klimaatakkoord van Parijs. Het hoofddoel van deze afspraken is om de opwarming van de aarde in elk geval te beperken tot 2 graden Celsius en idealiter zelfs tot 1,5 graden Celsius.

Om dit bereiken zijn er doelen gesteld voor het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Concreet gaat het in Nederland om 55% CO2-reductie in 2030 en bijna CO2-neutraal in 2050 ten opzichte van het referentiejaar 1990. Deze doelen zijn wettelijk verankerd in de Klimaatwet uit 20193. Hoe we als land gaan komen tot deze CO2-reductie is uitgewerkt in het Nationaal Klimaatakkoord. Eén van de afspraken is dat we grootschalig en planmatig aan de slag gaan met de verduurzaming en het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Het gebruik van aardgas voor het verwarmen van woningen en gebouwen is namelijk goed voor 13 % van de totale Nederlandse CO2-uitstoot. Naast het primaire doel om klimaatverandering tegen te gaan, heeft het aardgasvrij maken van onze woningen en gebouwen ook andere voordelen. Het helpt ook om onze afhankelijkheid van andere landen te verminderen en de gaswinning en daarmee gepaarde aardbevingen in Groningen te stoppen.

1.2 De warmtetransitie Het overstappen van aardgas naar duurzame vormen van warmte noemen we de warmtetransitie. Gemeenten hebben een belangrijke taak in het terugdringen van het aardgasverbruik. Gemeenten hebben zelfs een regierol. Dit betekent dat we primair verantwoordelijk zijn voor de voortgang van de transitie. Met deze regierol werkt de gemeente Noardeast-Fryslân proactief aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. De warmtetransitie trappen we af met het document dat nu voor u ligt: de Transitievisie Warmte. Hierin brengen we in kaart welke duurzame vormen van warmte mogelijk zijn in onze gemeente en met welke dorpen of wijken we als eerste aan de slag gaan. Onze regierol betekent echter niet dat we als enige verantwoordelijk zijn voor de warmtetransitie; het is een gezamenlijke

Figuur 1.1: de route naar een aardgasvrij Nederland

Bron: IPCC: ‘Climate Change: The Physical Science Basis, Summary for Policymakers’ Bron: KNMI 3 In december 2020 is de CO -reductie vanuit het Klimaatakkoord van Parijs verhoogd van 49% naar 55%. Op het moment van 2 schrijven moet deze verandering nog doorgevoerd worden in het nationale Klimaatakkoord en de Klimaatwet. 1 2

2

Transitievisie Warmte

verantwoordelijkheid. Om die reden is dit document tot stand gekomen met een brede vertegenwoordiging van stakeholders. In de gemeente Noardeast-Fryslân staan 20.600 woningen en ongeveer 3.300 andere gebouwen. Bij elkaar verbruiken we in de gemeente ruim 49 miljoen kubieke meter aardgas per jaar. Voor alle bestaande gebouwen in Noardeast-Fryslân moeten we uiterlijk in 2050 een alternatief voor aardgas vinden. 2050 lijkt nog ver weg, maar het aardgasvrij maken van het genoemde aantal woningen en andere gebouwen is een grote opgave. We hebben de tijd hard nodig om de warmtetransitie gefaseerd uit te voeren en ervoor te zorgen dat iedereen op een geschikt moment mee kan doen. Concreet betekent de warmtetransitie voor onze inwoners dat er de komende jaren aanpassingen nodig zijn in hun woning. De eerste en misschien wel belangrijkste stap is het terugdringen van de warmtevraag: isoleren, isoleren, isoleren. Zo kan er nu al flink CO2 worden bespaard, ook als er nog aardgas wordt gebruikt. Bovendien zorgt isoleren voor een lagere energierekening en een verhoogd comfortniveau. Naast isoleren zal een inwoner op termijn ook de HR-ketel moeten vervangen, bijvoorbeeld door een warmtepomp. Dit vergt nogal wat van onze inwoners.

Als gemeente zien we een belangrijke taak voor onszelf weggelegd, namelijk om onze inwoners zo optimaal mogelijk te ondersteunen in het aardgasvrij maken van hun woning. In figuur 1.1 op de vorige pagina laten we de route naar een aardgasvrij Nederland zien. Het schrijven van een Transitievisie Warmte (TVW) per gemeente vormt hierin een belangrijke eerste stap. In de TVW beschrijven we de manieren waarop inwoners en ondernemers in de gemeente Noardeast-Fryslân overstappen op andere, duurzame bronnen van warmte. De gemeenteraad stelt de TVW vast. Het Klimaatakkoord stelt dat wij daarna elke 5 jaar, of zoveel eerder als nodig, de visie herzien. Op deze manier is het goed mogelijk om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. Goede ideeën van inwoners, bedrijven, stakeholders en de gemeente NoardeastFryslân scherpen de TVW de komende jaren verder aan.

1.3 Positie en doel van de Transitievisie Warmte Deze visie maakt onderdeel uit van drie documenten die we in het kader van het nationale Klimaatakkoord opstellen, namelijk de Regionale Energiestrategie (RES), de Transitievisie Warmte (TVW) en de Wijkuitvoeringsplannen (WUP). Deze documenten hangen nauw met elkaar samen. De wettelijke grondslag komt in de nieuwe Omgevingswet te staan. De Omgevingswet treedt op 1 juli 2022 in werking. We streven ernaar waar mogelijk het instrumentarium in de Omgevingswet toe te passen zodat na inwerkingtreding van de Omgevingswet de borging van de Transitievisie Warmte en uitvoeringsplannen daarin soepel verloopt. In de kaders hieronder lichten we de Regionale Energiestrategie, Transitievisie Warme en Wijkuitvoeringsplannen verder toe. Regionale Energiestrategie (RES) Er zijn in het Klimaatakkoord dertig regio’s aangewezen, die een Regionale Energiestrategie (RES) opstellen. De gemeente Noardeast-Fryslân maakt onderdeel uit van de RES Fryslân. De RES 1.0 is in 2021 opgesteld. In de RES komt de bovenregionale afstemming over warmtebronnen aan bod. Daarnaast geeft de RES aan hoe gemeenten kunnen samenwerken bij de opwekking van duurzame elektriciteit. Ook bevat het inzicht in hoe de regio de energieproductie-capaciteit kan realiseren. Onderdeel van de RES 1.0 is de Regionale Structuur Warmte (RSW).

De RSW schetst regionale kansen en knelpunten om de regio Fryslân duurzaam te verwarmen. Uit de RSW blijkt dat er in Fryslân geen grote warmtebronnen aanwezig zijn die gemeente overschrijdend ingezet kunnen worden. Daarom liggen voor Fryslân vooral individuele oplossingen voor de hand. Het is belangrijk dat er wordt ingezet op zo effectief en efficiënt mogelijk benutten van de aanwezige bronnen. Het besparen op de vraag naar warmte en energie is daarin een eerste stap.

Transitievisie Warmte (TVW) Uiterlijk in 2021 moet elke gemeente in Nederland een Transitievisie Warmte hebben vastgesteld. Daarin staat het tijdspad waarop de verschillende gebieden van het aardgas gaan. Dit tijdspad noemen wij de routekaart. Voor gebieden waarvan de transitie voor 2030 is gepland, staan in de TVW ook de potentiële alternatieve warmtebronnen en geven we een visie op de uitvoeringsstrategie in de komende jaren.

3

Transitievisie Warmte

Wijkuitvoeringsplannen (WUP) De concrete uitwerking van het duurzame warmte alternatief op wijk/buurt/gebied niveau vindt plaats in het wijkuitvoeringsplan (WUP). In het WUP betrekt de gemeente bewoners, vastgoedeigenaren en andere stakeholders nauw bij de keuze voor de warmtebron en -techniek voor de wijk en op welk moment de wijk van het aardgas gaat. Samen maken we de keuze hoe de wijk wordt verduurzaamd op basis van wat technisch, financieel en maatschappelijk haalbaar is. Hierin trekt de gemeente samen op met actieve bewoners en partijen in de wijk, zoals een bewonersinitiatief, een energiecoöperatie of de woningbouwcorporatie.

1.4 Samenwerking De energietransitie, en als onderdeel daarvan de warmtetransitie, is een opgave waarvoor intensieve samenwerking belangrijk en noodzakelijk is. Bij het opstellen van de Transitievisie Warmte werkte de gemeente daarom intensief samen met een groot aantal stakeholders, waaronder netbeheerders Liander en Stedin, woningcorporaties, energiecoöperaties en dorpsbelangenorganisaties. Vanuit de gemeente zelf zijn medewerkers van de beleidsvelden economie, gebouwenbeheer, duurzaamheid, communicatie en sociaal domein, evenals de dorpencoördinatoren, betrokken geweest. In meerdere bijeenkomsten bespraken we met verschillende deelnemers het proces en de inhoud voor de Transitievisie Warmte. Daarin werd samen opgetrokken met de gemeente Dantumadiel. Door samen te werken met onze buurgemeente besparen we kosten en leren we van elkaar. We hebben samen met de gemeente Dantumadiel, interne stakeholders en externe stakeholders meekoppelkansen verkend en afgewogen welke technieken geschikt zijn voor woningen en gebouwen in onze gemeentes. De routekaartsessies waarin kennis over de warmtetransitie werd gedeeld en samen de routekaart voor de gemeentes werd ingevuld vormen daarin een belangrijk onderdeel. Het ging daarbij om het verkennen van kansen, uitgangspunten en potentiële oplossingen, niet om definitieve beslissingen.

Daarnaast hebben we besproken hoe we de communicatie en participatie rondom de transitie naar aardgasvrij willen vormgeven.

1.5 Leeswijzer Deze Transitievisie Warmte is opgebouwd in een aantal hoofdstukken. In hoofdstuk 2 gaan we dieper in op de uitgangspunten die van belang zijn voor de warmtetransitie in de gemeente Noardeast-Fryslân en die samen met de samenwerkingspartners tot stand zijn gekomen. In hoofdstuk 3 starten we met de basis van het verduurzamen van woningen en gaan we in op het belang van isolatie en ventilatie. Hoofdstuk 4 bespreekt welke alternatieven er voor aardgas zijn. We gaan in op wat de verschillende alternatieven onderscheidt, welke kenmerken de verschillende alternatieven hebben en hoe we een keuze maken tussen de verschillende alternatieven. In hoofdstuk 5 gaan we aan de slag met de routekaart. We geven een eerste opzet voor wanneer welke wijk van aardgas af kan. In hoofdstuk 6 zetten we uiteen hoe we gaan communiceren over de transitie en hoe inwoners kunnen participeren. Hoofdstuk 7 bespreekt de financiering en betaalbaarheid van de transitie. Vervolgens schetsen we in hoofdstuk 8 het handelingsperspectief voor de situatie in Noardeast-Fryslân. Hoofdstuk 9 sluit af met de uitvoeringsstrategie en vervolgstappen na de Transitievisie Warmte.

4

Transitievisie Warmte

2 Uitgangspunten Samen met de betrokken partners hebben we zeven uitgangspunten opgesteld die wij belangrijk en passend vinden bij onze gemeente voor de Transitievisie Warmte. Met deze uitgangspunten gaan we in de gemeente Noardeast-Fryslân samen aan de slag met de transitie naar aardgasvrij. De eerste vijf uitgangspunten geven ons daarbij ook richting in de route naar een aardgasvrije gemeente: waar in de gemeente willen we starten en waarom? Dit doen wij door de uitgangspunten een plek te geven in het afwegingskader. In hoofdstuk 5 komt dit aan bod. Uitgangspunt 1: We streven naar een haalbare en zo betaalbaar mogelijke transitie We willen niet dat de kosten van de energierekening stijgen. Toch vraagt de overgang naar duurzame warmte investeringen van de maatschappij én van de inwoners, netbeheerders en energiebedrijven (de zogenaamde maatschappelijke kosten). De gemeente streeft ernaar om de kosten voor de transitie woonlastenneutraal te houden. Vanuit de Tweede Kamer is recent een motie aangenomen waarin staat dat woonlastenneutraliteit een vereiste is. Dit betekent dat de energielasten van duurzame warmte niet hoger mogen zijn dan de energielasten van stoken met aardgas. Daarom is betaalbaarheid van de mogelijke nieuwe technieken een belangrijke factor in het bepalen van de richting.

Iedereen moet de gevolgen voor zijn of haar situatie kunnen dragen en niet met onnodig hoge kosten blijven zitten. Het betaalbaar houden van de warmtetransitie is voor sommige inwoners extra belangrijk. Inwoners met een smalle beurs zijn niet altijd in staat om de kosten te dragen voor het verduurzamen van hun woning. Daarbij komt ook nog dat inwoners met een smalle beurs vaak in oudere huizen wonen, die juist veel verduurzaming vergen. In Noardeast-Fryslân hebben we relatief veel inwoners met een smalle beurs. Dit brengt extra uitdagingen met zich mee. Ons streven is om energiearmoede te voorkomen. Energiearmoede ontstaat als inwoners meer dan 10% van hun inkomen moeten besteden aan de energierekening. We willen dat iedereen mee kan doen met de warmtetransitie en hebben daarom specifiek aandacht voor inwoners met een smalle beurs. Dit doen we door het moment dat deze inkomensgroepen van het aardgas afgaan zorgvuldig te kiezen. We gaan niet starten in de wijken waar veel inwoners met een smalle beurs wonen. We zorgen er ook voor dat zij niet als laatste van het aardgas afgaan. Dat voorkomt dat zij extra komen te lijden onder toenemende vaste lasten, bijvoorbeeld een stijgende aardgasprijs. Bij de herijking van de Transitievisie Warmte die elke 5 jaar plaatsvindt onderzoeken we wat het juiste moment is. Uitgangspunt 2: We benutten de energie vanuit de Mienskip.

Op de weg naar verduurzaming zijn er al veel inwoners en ondernemers die stappen hebben gezet. Voorbeelden hiervan zijn inwoners die hun woning al hebben geïsoleerd, al stappen maken richting aardgasvrij of samen met buurtbewoners een energiecoöperatie opzetten. Deze positieve energie van onze Mienskip willen wij behouden en uitbreiden. Dit doen we door de mensen die zelf aan de slag willen met stappen richting aardgasvrij niet in de weg te zitten maar te ondersteunen en stimuleren. Door hen bijvoorbeeld de informatie te bieden die zij nodig hebben en waar mogelijk financieel te ondersteunen. We geloven dat goede voorbeelden in de gemeente andere inwoners en ondernemers inspireren en verder op weg helpen. Door uit te gaan van onze eigen krachten in onze gemeente gaan we samen voortvarend verder richting een duurzame toekomst. De energie die in de dorpen aanwezig is om te verduurzamen en waar men al actief verenigd is willen we benutten. Daarom beginnen we met de warmtetransitie in de energieke dorpen. Uitgangspunt 3: We haken aan op natuurlijke momenten Aanpassingen doen aan woningen of gebouwen is niet nieuw. Mensen zijn al eeuwen bezig hun woningen, gebouwen en leefomgeving te verbeteren en doen dat nog steeds. Door aan te haken op natuurlijke momenten van overgang verminderen we de kosten en overlast van de transitie.

We stimuleren inwoners om bijvoorbeeld bij de aankoop of verbouwing van een woning of gebouw gelijk duurzaamheidsmaatregelen te nemen. Als gemeente zoeken we ontwikkelingen in de openbare ruimte of maatschappelijke gebouwen op om daarop aan te haken. Voorbeelden hiervan zijn de vervanging van de riolering of de herinrichting van een gebied. Zo houden we de transitie betaalbaar en kunnen we de transitie op een goede manier doorlopen. We nemen daarom de planning van onderhoud aan de overige infrastructuur mee in de afweging waar we willen starten met stappen richting aardgasvrij. Uitgangspunt 4: We werken samen met de woningcorporaties In Noardeast-Fryslân bestaat een relatief groot deel van de woningvoorraad uit particuliere woningen. Deze eigenaren moeten allemaal op individuele basis worden betrokken bij de warmtetransitie. Bij huizen die in bezit zijn van een woningcorporatie is er maar één partij die betrokken hoeft te worden. In

5

Transitievisie Warmte

buurten met een beperkt aantal partijen wordt het contracteren van de warmtevraag dus eenvoudiger, omdat de gemeente maar met een beperkt aantal partijen afspraken hoeft te maken. Ook kunnen er grote stappen tegelijk worden gezet als al het bezit van een woningcorporatie in een wijk in één keer wordt verduurzaamd. Een woningcorporatie kan daarmee als vliegwiel dienen voor de verduurzaming van een wijk. Wanneer woningcorporaties aan de slag gaan met renovatiewerkzaamheden om de kwaliteit van de woningen te verhogen en de woningen duurzamer te maken, gaan we op zoek naar koppelkansen. Op deze manier willen we de duurzaamheidsplannen tussen de corporaties en gemeente op elkaar afstemmen. Het bundelen van werkzaamheden kan zowel kostenvoordelen opleveren als een vermindering van hinder voor buurtbewoners. Ons uitgangspunt is daarom om te starten in de wijken en dorpen waar een relatief beperkt aantal gebouweigenaren zijn gevestigd. Uitgangspunt 5: We streven naar een zo optimaal mogelijke CO2-reductie Naast dat de betaalbaarheid van de verschillende technieken een belangrijk uitgangspunt vormt, is ook het duurzaam rendement van de verschillende oplossingen een aandachtspunt. Dit houdt in dat we ook streven naar oplossingen waarbij de kosten voor het besparen van een ton CO2 het laagst zijn.

Het warmtealternatief met de laagste eindgebruikerskosten heeft niet altijd het hoogste duurzame rendement. De verschillende alternatieven zijn namelijk niet allemaal volledig zonder uitstoot. Hoewel er in de woningen misschien geen uitstoot plaatsvindt, kan er elders in de keten alsnog uitstoot plaatsvinden. Niet elk warmtealternatief is daarmee even duurzaam. Hierdoor heeft de goedkoopste oplossing niet altijd het hoogste duurzame rendement. De richting die we geven aan de warmtetransitie in de gemeente wordt daarom naast betaalbaarheid (financieel rendement) ook bepaald op basis van duurzaam rendement. Uitgangspunt 6: We pakken de warmtetransitie stap voor stap aan De transitie naar aardgasvrij is niet van vandaag op morgen gedaan. We gaan stap voor stap aan de slag. Dat doen we op verschillende manieren. Zo gaan we eerst aan de slag met no-regret maatregelen. No-regret maatregelen zijn maatregelen die iedereen kan zetten om het aardgasverbruik te verminderen, zonder dat al bekend is op welk duurzaam warmte alternatief een woning of gebouw over gaat. Een voorbeeld hiervan is isoleren. Ook al is Innovaties in de warmtetransitie de warmtebron nog onzeker, woning- en gebouweigenaren kunnen nu al stappen zetten. Door stap voor stap aan de slag De warmtetransitie is sterk in te gaan met no-regret maatregelen verminderen we onze CO2ontwikkeling.

Dat maakt dat sommige uitstoot en maken we onze woningen en gebouwen klaar voor technieken nog in de kinderschoenen duurzame warmte. staan of de beschikbaarheid van bewezen technieken in de toekomst De warmtetransitie is bij uitstek een transitie die tijd kost en nog onzeker is. We blijven de waarbij er nog veel in ontwikkeling is. We bekijken daarom per ontwikkelingen van nieuwe technieken stap welke technieken haalbaar en bewezen zijn om toe te volgen. Als we keuzes maken voor passen. Niet alle alternatieven voor aardgas zijn even bepaalde technieken, toetsen we de beschikbaar. Groengas is bijvoorbeeld nog beperkt technieken op haalbaarheid en beschikbaar en bij waterstof is het nog onzeker of het, los van betaalbaarheid. enkele pilots in Nederland, überhaupt wordt ingezet voor het verwarmen van woningen en gebouwen. Aan de andere kant zijn oplossingen die elektriciteit vragen in principe beter beschikbaar, zolang er voldoende duurzame elektriciteit wordt opgewekt via zon en wind. De Transitievisie Warmte is daarbij geen vaststaand document. De visie wordt minimaal eens in de vijf jaar, of zoveel eerder als nodig herzien. Zo houden we de deur open voor innovaties in de toekomst. Uitgangspunt 7: We werken samen met andere gemeenten en leren van en met elkaar Wij als gemeente doorlopen de warmtetransitie niet als enige in Nederland.

Samen met alle andere gemeenten hebben we een regierol gekregen. We willen de warmtetransitie daarom samen met andere gemeenten oppakken. Dat doen we nu al door de Transitievisie Warmte samen met de gemeente Dantumadiel op te stellen. Daarnaast werken we in ANNO-verband (Agenda Netwerk NoordOost) samen met de gemeenten Dantumadiel, Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen op het gebied van uitvoering en communicatie. In de Regionale Energiestrategie (RES) werken we met alle andere Friese gemeenten, de provincie, Wetterskip en maatschappelijke partijen aan de warmtetransitie, door kennis en praktijkvoorbeelden te delen en de Transitievisies Warmte van heel Friesland met elkaar te vergelijken. Zo leren we van elkaar, besparen we kosten en hoeven we niet elke keer het wiel opnieuw uit te vinden.

6

Transitievisie Warmte

3 Alternatieven voor aardgas In de transitie naar duurzame warmte zijn veel verschillende technieken beschikbaar. Sommige technieken passen we toe op individueel niveau, andere zijn geschikt voor collectief gebruik. De ene techniek is al in gebruik, de ander nog in ontwikkeling. De verschillende technieken lichten we in dit hoofdstuk toe. We zetten uiteen hoe ze verschillen en hoe we een keuze maken voor de meest geschikte techniek.

3.1 Van aardgas over op hernieuwbare energiebronnen Technisch gezien zijn er veel verschillende mogelijkheden om van het aardgas af te gaan. We maken daarbij over het algemeen onderscheid in collectieve oplossingen (bijvoorbeeld warmtenetten), waarbij meer dan één gebouw op een bepaalde technologie overstapt, en individuele oplossingen, die voor ieder gebouw los worden toegepast (bijvoorbeeld een warmtepomp). Daarnaast onderscheiden warmtebronnen zich door hun temperatuur. Zo zit er verschil tussen hoge temperatuur (HT) en lage temperatuur (LT) warmtebronnen. De temperatuur van de warmtebron bepaalt welke mate van isolatie en afgiftesysteem (radiatoren of muur- en vloerverwarming) het gebouw moet hebben. Het huidige aardgas is een hoge temperatuur warmtebron, in de toekomst gaan veel woningen over op warmtebronnen met lagere temperaturen.

Wat is het verschil tussen lage temperatuur (LT), midden temperatuur (MT) en hoge temperatuur (HT) warmtebronnen? 

 

HT-warmtebronnen hebben doorgaans een temperatuur van 70-90 ◦C. Voorbeelden zijn diepe geothermie, restwarmte, biomassa of hernieuwbare gassen. MT-warmtebronnen hebben doorgaans een temperatuur van 40-70 ◦C. Voorbeelden zijn ondiepe geothermie of restwarmte. LT-warmtebronnen hebben doorgaans een temperatuur van 10-40 ◦C. Voorbeelden zijn grondwater, lucht, afvalwater en oppervlaktewater.

Figuur 3.1: temperatuurniveau van diverse warmtebronnen van LT (links) naar HT (rechts)

Voor HT-warmtebronnen zijn vaak geen tot weinig aanpassingen in het gebouw nodig. Bij LTwarmtebronnen moet het gebouw vaak wel worden aangepast (andere radiatoren, vloerverwarming etc.) en moet het gebouw goed geïsoleerd zijn. HT-warmtebronnen zijn echter schaars en willen we daarom alleen inzetten bij woningen en gebouwen waarbij het echt nodig is, bijvoorbeeld bij gebouwen die niet te isoleren zijn of waar isolatie erg duur is, zoals bij monumenten. LT-warmtebronnen zijn daarentegen vrijwel overal beschik- en inzetbaar, maar vereisen wel dat een gebouw goed geïsoleerd is. LT-warmtebronnen zijn daarom in beginsel met name voor nieuwere gebouwen geschikt, die al goed geïsoleerd zijn. Error! Reference source not found. 3.1 geeft het temperatuurniveau van diverse warmtebronnen weer op een schaal van LT (links) naar HT (rechts). In deze Transitievisie Warmte maken wij onderscheid in drie typen technieken, gebaseerd op basis van hun infrastructuur: individuele technieken, duurzame gassen en warmtenetten.

7

Transitievisie Warmte

Individueel: individuele oplossingen zijn oplossingen waarbij een techniek één woning of gebouw verwarmd. De meest voorkomende individuele oplossing is de warmtepomp. De warmtepomp zet warmte uit de lucht, bodem of water door middel van elektriciteit om in LTwarmte. Warmtepompen zijn er in twee soorten: hybride warmtepompen en all-electric warmtepompen. Hybride warmtepompen combineren de warmtepomp met de bestaande HR-ketel of andere warmtetechniek. Op hele koude dagen en piekmomenten wanneer de warmtepomp onvoldoende warmte leveren kan, wordt er bijgestookt. Een hybride warmtepomp bespaart al veel CO2 en biedt zo een oplossing voor woningen die anders nu nog niet over kunnen op een all-electric warmtepomp. Zo draagt het bij aan een gefaseerde overgang van aardgas naar duurzame warmte. De technische levensduur van de warmtepomp is 15 jaar, een periode waarin de woning mogelijk weer verder geïsoleerd is. Wanneer verder isoleren niet mogelijk is in een woning, dan kan op den duur het aardgas ook vervangen worden door duurzame gassen, waardoor de hybride warmtepomp een volledig fossielvrije techniek wordt. Om een gebouw met een all-electric warmtepomp te verwarmen is voldoende isolatie nodig voor het bereiken van een voldoende comfortniveau. Om een heel gebied geschikt te maken voor all-electric warmtepompen, moet vaak het elektriciteitsnet verzwaard worden.

Warmtepompen vragen namelijk substantieel meer elektriciteit. Er zijn meer individuele oplossingen dan de warmtepomp die in specifieke gevallen kunnen worden ingezet of nog in ontwikkeling zijn. Denk bijvoorbeeld aan Triple Solar (PVT panelen met een warmtepomp), infraroodverwarming, warmte uit melk of pelletketels. Duurzame gassen: (bestaande) gasnetten kunnen met enkele aanpassingen duurzame gassen als biogas, groengas en waterstofgas naar gebouwen vervoeren. De toekomstige beschikbaarheid van deze duurzame gassen staat echter nog ter discussie. Enerzijds hebben duurzame gassen veel voordelen. Bij het gebruik van groengas of waterstofgas kan namelijk het bestaande gasnet gebruikt worden en HT-warmte worden geleverd. Groengas en waterstofgas hebben daardoor het voordeel dat ze geen grote ingrepen in de openbare ruimte en relatief beperkte ingrepen in het gebouw vragen. Anderzijds zien we ook uitdagingen rondom het gebruik van duurzame gassen. Het huidige aanbod van duurzame gassen is beperkt. Groengas is nog niet breed beschikbaar voor het verwarmen van woningen. Echter, momenteel wordt slechts 3% van alle dierlijke mest in Nederland vergist tot groengas. Dit laat zien dat er nog voldoende potentie is om de productie van groengas te vergroten. Daarnaast is waterstofgas nog niet geschikt om op grote schaal gebouwen te verwarmen (marktrijp).

Om waterstof te maken gebruiken we tot nu toe meestal aardgas dat onder hoge temperaturen wordt omgezet in waterstof (grijze waterstof). Groene waterstof, gemaakt uit water en groene stroom, is nog te kostbaar om op grote schaal te produceren en waarschijnlijk blijft dat voorlopig nog zo. Tot slot is er nog veel onduidelijkheid over de nationale verdeling van duurzame gassen. Momenteel worden de industrie en zwaar transport als sectoren gezien waar duurzame gassen het meest bijdragen aan verduurzaming. Daar zijn geen namelijk geen duurzame alternatieven voorhanden die de benodigde hoge temperatuur kunnen produceren. Het gebruik van duurzame gassen voor het verwarmen van de gebouwde omgeving heeft mindere prioriteit, omdat daarvoor ook andere goed betaalbare alternatieven beschikbaar zijn. Warmtenetten: dit zijn collectieve netwerken van warm water waarmee gebouwen worden verwarmd. Warmtenetten transporteren warmte van verschillende temperaturen. In het geval van HT kan een gebouw direct verwarmd worden, maar in het geval van MT of LT is in sommige gevallen een warmtepomp nodig om de warmte op te waarderen naar de benodigde temperatuur. Bij warmtenetten zonder warmtepompen is er vaak een tweede techniek (zoals het gebruik van duurzaam gas) nodig die de piekvragen aan warmte opvangt.

Die tweede techniek is nodig, omdat warmtenetten soms bij een hoge vraag (bijvoorbeeld op koude dagen) niet genoeg warmte genereren. HT-warmtenetten transporteren water met een temperatuur van rond de 90°C. Hiermee kunnen we bestaande bouw zonder aanpassingen verwarmen. De impact voor de inwoner is erg klein. Alleen de ketel wordt vervangen door een warmte-afleverset die in de meterkast past. De benodigde geïsoleerde leidingen voor een HT-warmtenet zijn duur om te plaatsen. Ook is het warmteverlies groot bij een toenemend aantal meters. Het is dus noodzakelijk voor de financiële haalbaarheid en duurzaamheid van een HT-warmtenet dat de warmte binnen een korte afstand kan worden geleverd en bij een groot aantal huishoudens. De

8

Transitievisie Warmte

bebouwingsdichtheid (het aantal gebouwen per km2) moet hoog zijn. Uiteindelijk is de haalbaarheid afhankelijk van de kosten voor de bronwarmte en de kosten van andere warmtealternatieven. Voorbeelden van bronnen van warmtenetten zijn:  Restwarmte is warmte die over is en die een bedrijf niet meer zelf gebruikt. Denk hierbij aan industriële restwarmte, restwarmte van koelcellen, datacentra of verbrandingscentrales. Restwarmte kan van verschillende temperatuurniveaus zijn. De grootte van het net wordt bepaald door de broncapaciteit.  Aquathermie is een overkoepelende term voor warmte uit oppervlakte- (Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO)), afval- (Thermische Energie uit Afvalwater (TEA)) en drinkwater (Thermische Energie uit Drinkwater ((TED)). Aquathermie levert LT-warmte. De LT-warmte kan collectief worden opgewaardeerd naar een hogere temperatuur indien nodig. Er moeten minstens 200-300 woningen aansluiten op een aquathermie warmtenet.  Geothermie heet ook wel diepe aardwarmte en is warmte afkomstig uit de aarde (hoe dieper in de aarde, hoe hoger de temperatuur). Er moeten minstens 4.000-5.000 woningen aansluiten op een diepe geothermie net.  WKO is een vorm van ondiepe bodemwarmte waarbij op een gemiddelde diepte tussen de 50 en 150 meter warmte en koude wordt opgeslagen in een ondergrondse aardlaag (aquifer).

WKO systemen zijn tevens een vorm van warmte of koude opslag. Nu worden WKO systemen met name ingezet voor utiliteitsbouw. Voor toepassing van WKO bij woningen zullen rond de 100 panden aan moeten sluiten, afhankelijk van de grootte van het WKO systeem. Afhankelijk van de bron en de mate van isolatie van een gebouw kan het gaan om een HT-, MT- of LTwarmtenet. Hierbij geldt dat hoe lager de temperatuur van de warmte is, hoe beter het gebouw geïsoleerd moet zijn.

3.2 Hoe kom je tot de meest geschikte techniek en warmtebron? We weten nu welke duurzame warmte alternatieven er zijn. In de volgende stap bepalen we welke warmteoplossing het beste past bij een gebouw of gebied. We kijken daarvoor naar de match tussen de mogelijke warmtebron en het te verwarmen gebouw of gebied. In de praktijk leidt dit in Nederland ertoe dat we een mix aan warmteoplossingen gaan gebruiken. Dit in tegenstelling tot de huidige situatie waarbij we bijna elk gebouw met aardgas verwarmen. Aardgas is een HT warmtebron. De toekomstige mix aan warmteoplossingen betekent dat er veel gebouwen met een lagere temperatuur (MT of LT) verwarmd gaan worden. Dit vraagt vaak aanpassingen aan de gebouwen. In de basis geldt dat hoge temperatuurbronnen schaars zijn en we deze alleen inzetten waar gebouwen niet zonder deze bronnen kunnen. In NoardeastFryslân zijn er geen grote HT-bronnen beschikbaar, zoals restwarmte. Daar waar gebouwen goed geïsoleerd zijn focussen we ons op LT-bronnen, die zo goed als overal beschikbaar zijn. In het bepalen welke warmteoplossing geschikt is voor het verwarmen van een gebouw of gebied zijn een aantal aspecten van belang, namelijk:  Type gebouw of gebied – eigenschappen van een gebouw of gebied zoals de aanwezigheid van hoog- of juist laagbouw en de bebouwingsdichtheid bepalen of we kunnen kiezen voor een individuele of collectieve oplossing.

 Bouwjaar en isolatiegraad – het bouwjaar van een gebouw geeft vaak inzicht in de mate van isolatie. Het bepaalt daarmee de geschiktheid voor HT-, MT- of LT-oplossingen. De verdeling van bouwjaren voor de gebouwen in de gemeente Noardeast-Fryslân zijn weergegeven in figuur 4.2. In bijlage 5 vindt u een kaart met bouwjaren per pand. Energielabels geven ook weer hoe goed een gebouw geïsoleerd is, maar nog niet van alle gebouwen in Nederland is het energielabel bekend. Daarom werken we in deze Transitievisie Warmte vooral vanuit de bouwjaren.  Beschikbare bronnen – er moet gekeken worden welke bronnen er in de omgeving beschikbaar zijn. Zo is bijvoorbeeld de potentie voor restwarmte afhankelijk van de aanwezigheid van bedrijven of industrie in de buurt die warmte over hebben.  Marktrijpheid en techniek - nog niet elke techniek is marktrijp, omdat deze bijvoorbeeld nog in ontwikkeling is, financieel niet aantrekkelijk is of onvoldoende beschikbaar is. In bijlage 3 is per techniek weergegeven of de techniek als marktrijp wordt gezien. Zo is bijvoorbeeld te zien dat groene waterstofgas nog niet marktrijp is voor de gebouwde omgeving. Dit komt doordat groene waterstofgas nog erg duur is om te maken en om heel veel duurzame elektriciteit vraagt.

9

Transitievisie Warmte

4 De transitieopgave in Noardeast-Fryslân We gebruiken aardgas voor het verwarmen van ons huis, voor het warme water uit de kraan of douche en ook vaak om te koken. In 2050 willen we dat al deze warmte komt van duurzame, alternatieve warmtebronnen. Om te weten wat deze opgave voor de gemeente Noardeast-Fryslân inhoudt is het belangrijk om de warmtevraag in de gemeente inzichtelijk te maken. En welke duurzame bronnen hebben we om deze vraag mee in te vullen?

4.1 De warmtevraag In Noardeast-Fryslân gaan we aan de slag om in 2050 aardgasvrij te zijn. Dit ligt in lijn met de landelijke doelstelling. In dit hoofdstuk bespreken we wat deze transitieopgave inhoudt voor Noardeast-Fryslân en welke bronnen er binnen de gemeente aanwezig zijn om in de benodigde warmte te voorzien. De totale vraag naar aardgas in de gemeente bedraagt 1.560 TJ (49 miljoen m3). Het grootste deel hiervan wordt gebruikt voor de verwarming van woningen en utiliteitsgebouwen (79%, 1.230 TJ). Daarnaast wordt een deel van het aardgas gebruikt voor de industrie en landbouw. Figuur 4.1 geeft hiervan het overzicht.

Figuur 4.1: verdeling gasvraag Noardeast-Fryslân

In de Transitievisie Warmte kijken we alleen naar aardgas dat wordt gebruikt in de gebouwde omgeving voor het verwarmen van woningen en gebouwen, het bereiden van warm tapwater en koken. Het gaat daarbij om het verwarmen van alle woningen en gebouwen. Dit is dus exclusief proceswarmte (warmte die benodigd is voor industriële processen). Ook de aardgasvraag vanuit de industrie, landbouw, en andere sectoren zal op den duur duurzaam moeten worden ingevuld. Dit loopt echter via een ander spoor binnen het Klimaatakkoord.

4.2 Kenmerken en aardgasgebruik woningen Noardeast-Fryslân Noardeast-Fryslân bestaat uit de twee grotere kernen Dokkum (ca. 12.700 inwoners) en Kollum (ca. 5.500 inwoners), diverse kleine kernen en kent een buitengebied met veel verspreide individuele bebouwing. In totaal heeft Noardeast-Fryslân ongeveer 45.000 inwoners (2019). Een aantal van deze kernen hebben woningen en gebouwen die onderdeel uitmaken van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Er staan in Noardeast-Fryslân ongeveer 20.600 woningen en ongeveer 3.300 andere gebouwen. Zo’n 25% van de woningen in Noardeast-Fryslân is in het bezit van een woningcorporatie. In figuur 4.2 is weergegeven hoe de woningen verdeeld zijn naar bouwjaar. Ongeveer 3.800 (18%) woningen zijn gebouwd vanaf 1992 tot nu. Dit betekent dat ze relatief goed geïsoleerd zijn. Bij woningen die sinds 1992 zijn opgeleverd is op basis van het Bouwbesluit al geregeld dat de isolatiewaarde goed is. Dit soort woningen zijn of kunnen in principe geschikt worden gemaakt voor een lage temperatuur (LT) warmtebron. Rond de 4.000 (20%) woningen komen uit de periode 1975-1991. Deze zijn vaak goed te isoleren tot een hoger energielabel (B), waardoor overstappen naar midden temperatuur (MT) of lage temperatuur (LT) warmte mogelijk wordt. Daarnaast zijn ongeveer 12.500 (62%) woningen gebouwd voor 1975.

Bij deze woningen moet gekeken worden tot welk energielabel er geïsoleerd kan worden en welke warmtetechniek hiervoor geschikt is. Het gemiddelde aardgasverbruik per huishouden in Noardeast-Fryslân is 1.620 m3. Het verbruik ligt daarmee hoger dan het landelijk gemiddelde van 1.310 m3. Het aardgasverbruik is afhankelijk van onder meer de samenstelling van het huishouden, het woningtype (de grootte) en de ouderdom van de woning. De grootte

10

Transitievisie Warmte

van een woning en het aantal gedeelde muren hebben ook impact op het aardgasgebruik. Zo is het aardgasgebruik van een vrijstaande woning vaak hoger dan dat van een appartement. Naast het aardgasgebruik hebben de woningen in de gemeente NoardeastFryslân ook een elektriciteitsgebruik. Dat is op dit moment circa een kwart van de hoeveelheid energie in vergelijking met het aardgasgebruik. De verwachting is dat dit toeneemt bij het overgaan op andere warmtebronnen dan aardgas. Dit komt doordat elektriciteit vaak een rol speelt in duurzame warmte, zoals bij het gebruik Figuur 2.2: woningen verdeeld naar bouwjaar in Noardeast-Fryslân van warmtepompen. Om te voldoen aan de gemeentelijke ambitie om in 2030 minimaal 70% van de benodigde elektriciteit op een duurzame wijze op te wekken, willen we deze toenemende elektriciteitsvraag zoveel mogelijk met duurzame bronnen invullen.

4.3 Utiliteit De TVW gaat over ons warmtegebruik in de gebouwde omgeving. We denken daarbij vooral aan woningen en daarmee de impact op inwoners. De gebouwde omgeving gaat echter ook over kantoren, instellingen en bedrijven. Deze gebouwen, die geen woonbestemming hebben, noemen we utiliteitsbouw. Bij bedrijven gaat het alleen over ruimteverwarming en warm tapwater. Proceswarmte valt niet onder de sector gebouwde omgeving, maar is onderdeel van de sectortafel Industrie in het Klimaatakkoord. Net als alle woningen in de gemeente, moeten we bedrijfsgebouwen (en kantoren en instellingen) in 2050 zonder aardgas verwarmen. Daarom moeten ook bedrijventerreinen een wijkuitvoeringsplan opstellen. De aanpak hiervoor zal deels afwijken, omdat de rol van ondernemers verschilt van die van inwoners. Zo hebben zij vaker een groot vastgoedbezit en hebben ze mogelijk zelf opties om in warmte te voorzien. De warmtevraag en het -aanbod verschillen dus van woongebieden. Sommige bedrijven hebben restwarmte van hun bedrijfsprocessen. Dat biedt mogelijkheden voor een warmtenet op bijvoorbeeld een bedrijventerrein. Daarnaast bestaan er soms collectieven van bedrijven, die samen aan de slag kunnen met de verduurzaming van hun gebouw en omgeving. Een belangrijk aandachtspunt bij utiliteit en bedrijventerreinen is om ook goed naar de koudevraag te kijken.

In tegenstelling tot woningen is er vaak een hogere koudevraag, waardoor de aanleg van een WKO systeem en het gebruik van bodemwarmte interessant kan zijn. In de gemeente Noardeast-Fryslân gaat 22% van de totale gasvraag naar utiliteitsbouw. Ongeveer 11% van de totale gasvraag is voor de ruimteverwarming en warm tapwater van gebouwen in de publieke dienstverlening (zorghuizen, scholen, gemeentelijk vastgoed, sportscholen) en 11% voor de commerciële dienstverlening (horeca, winkels). De Klimaatmonitor geeft inzicht in de sectoren die de grootste gasvraag hebben in de gemeente. Wat betreft commerciële dienstverlening gaat het in dat geval om handel (zoals winkels, supermarkten en showrooms) en de horeca. Bij publieke dienstverlening is te zien dat het grootste deel van de gasvraag is bestemd voor de gezondheids- en welzijnszorg, onderwijs (scholen) en openbaar bestuur en overheidsdiensten (zoals het gemeentehuis). Bedrijven hebben naast de warmtetransitie ook de bredere opgave om energie te besparen, duurzame energie op te wekken en hun bedrijfsvoering te verduurzamen. Zo zijn kantoren wettelijk verplicht om vanaf 2023 minimaal een energielabel C te hebben.

Daarnaast is het voor bedrijven met een jaarlijks elektriciteitsgebruik van meer dan 50.000 KWh of een aardgasgebruik van meer dan 25.000 m3 verplicht om zelf energiebesparende maatregelen te nemen, de Energiebesparingsplicht. Dit is verplicht vanuit de Wet Milieubeheer.

11

Transitievisie Warmte

4.4 Beschikbare bronnen in Noardeast-Fryslân Niet elke gemeente heeft de beschikking over dezelfde duurzame warmtebronnen. Sommige bronnen zijn locatie specifiek en afhankelijk van de aanwezigheid van bijvoorbeeld oppervlaktewater of industrie. In deze paragraaf beschrijven we op hoofdlijnen de specifieke potentie van de aanwezige warmtebronnen in de gemeente Noardeast-Fryslân. Deze potenties bepalen in het volgende hoofdstuk welke warmtealternatieven er kunnen worden toegepast in de routekaart. Een beschrijving van de bronnen is te vinden in bijlage 2. De potentie die bronnen in de gemeente Noardeast-Fryslân hebben, wordt gebaseerd op data. Deze data komt uit openbare databronnen (waaronder RvO, STOWA en de provinciale studie naar groengas uit 2021) en geven de theoretische potentie weer. Welke duurzame warmtebronnen werkelijk kunnen en zullen worden ingezet in de gemeente, is afhankelijk van organisatorische- en financiële factoren. Waar mogelijk, zijn deze factoren meegenomen in de volgende uiteenzetting van kansrijke en niet-kansrijke warmtebronnen in Noardeast-Fryslân.

4.5 Welke duurzame warmtebronnen zijn kansrijk in Noardeast-Fryslân? In hoofdstuk 3 is te lezen dat (duurzame) warmtebronnen worden onderscheiden in hoogtemperatuur en laagtemperatuur bronnen. Van de verschillende hoogtemperatuur (en mid-temperatuur) bronnen hebben alleen biogas en (vaste) biomassa werkelijke potentie in de gemeente waarbij de potentie van vaste biomassa erg klein is.

Kansrijke hoog- en middentemperatuur warmtebronnen Met de theoretische potentie van biogas uit mest, restromen van de voedingsmiddelen- en genotsmiddelenindustrie, en gewasresten kan in theorie ruim driekwart van de gemeentelijke warmtevraag voor gebouwen worden ingevuld. Deze potentie komt uit de provinciale studie van New Energy Coalition (2021) waarbij alleen het aandeel van deze stromen die niet hoogwaardiger ingezet kan worden, zoals bijvoorbeeld voor diervoeding, is meegerekend. Het groente-, tuin- en fruitafval (GFT) van de gemeente wordt nu gecomposteerd door afvalverwerkingsbedrijf Omrin in Leeuwarden en is daarom niet meegenomen als biomassastroom voor vergisting. Ditzelfde geldt voor biogas uit rioolslib van de rioolwaterzuiveringsinstallaties; Het Wetterskip wil op termijn het slib van alle Friese gemeenten gaan verzamelen en centraal vergisten. Biogas kan worden opgewaardeerd naar groengas om deze in te mengen in het bestaande aardgasnet. Dit maakt het financieel en technisch een zeer aantrekkelijk bron omdat er geen nieuwe infrastructuur of nieuw warmtesysteem nodig is. Daarnaast maakt de hoge temperatuur, de bron geschikt voor gebouwen die niet op korte termijn vergaand geïsoleerd kunnen worden. Momenteel wordt groengas al toegevoegd aan het gasnet.

De kans bestaat dat er in de toekomst een verplichting komt om biogas of groengas bij te mengen in het aardgasnetwerk, de zogenaamde bijmengverplichting. Het grootste aandeel van de potentie van biogas is afkomstig uit mest (75%). In werkelijkheid zal het organisatorisch en financieel niet haalbaar zijn om alle mest - ook van kleinere veebedrijven - te verzamelen en te vergisten. In een studie voor de Provincie Drenthe werd uitgegaan van boerenbedrijven met meer dan 120 runderen. Dit resulteerde in een werkelijke gaspotentie uit mest die een drievoud kleiner was dan de theoretische potentie. In de overleggen met de projectgroep over mestvergisting in Noardeast-Fryslân kwam naar voren dat maar weinig boeren gebruik maken van digestaat - het nutriëntrijke residu van mestvergisting - omdat dit zich anders ‘gedraagt’ dan mest op land. Dit betekent dat mestvergisting en landbemesting niet per definitie altijd samen kunnen gaan. Dit is extra relevant gezien het landelijke doel vanuit het Klimaatakkoord om over te gaan op kringlooplandbouw in Nederland. Boeren zullen er mogelijk dus voor kiezen om een (groot) deel van hun mest op eigen land te verspreiden. Het gebruik van biogas of groengas heeft nog een aantal aandachtspunten. Ten eerste is stank- en geluidsoverlast een aandachtspunt dat voorkomen moet worden.

Dit aandachtspunt wordt meegenomen en we proberen deze overlast zoveel mogelijk te voorkomen. Een tweede randvoorwaarde vanuit de gemeente is dat inwoners mee kunnen profiteren van het gebruik van groengas. Zo combineren we lokaal de lusten en de lasten. Naast de locatie-specifieke vraagstukken rondom groengas, zijn de trends op landelijk niveau ook nog onzeker. Zo zal er naar waarschijnlijkheid een grotere vraag komen naar fossielvrije gassen vanuit de

12

Transitievisie Warmte

industrie en/of zwaar transport. Welke invloed dit zal hebben op de beschikbaarheid en kostprijs van groengas is onduidelijk. Naar verwachting komt hier in de komende jaren door onderzoek meer duidelijkheid in. Gezien de grote potentie aan groengas in de gemeente is deze opgenomen als potentiële duurzame warmtebron voor gebouwen waarbij bovenstaande afwegingen zijn meegenomen. Daarbij geldt dat groengas alleen voor pandverwarming wordt ingezet, daar waar andere bronnen zeer kostbaar of niet technisch haalbaar zijn. Ook wordt geadviseerd groengas altijd te combineren met een hybride warmtepomp, tenzij dit geen optie is, zoals bij monumenten. De potentie aan biogas kan vergroot worden door de vergassing van vaste biomassastromen. Meer hierover in de volgende alinea. De potentie van houtachtige biomassa voor houtkachels of biomassacentrales is gering maar voldoende om circa 1.000 woningen te verwarmen. De restroom komt hoofdzakelijk uit snoeiafval. Op dit moment is het nog onduidelijk wat er nu met deze reststroom gebeurt. De inzet van biomassa is discutabel omdat de inzet van niet-lokale biomassa of gerichte kap kan resulteren in een toename van CO2 in de lucht. Daarnaast komt er fijnstof vrij bij het verbranden van hout in houtkachels en biomassacentrales.

Momenteel wordt een substantieel deel van de van de huidige warmtevraag in Noardeast-Fryslân ingevuld met individuele houtstook. Dit is vanwege het voorgenoemde vrijkomen van fijnstof en CO2 minder wenselijk. Het juist inzetten van vaste, lokale biomassa reststromen die geen ander gebruik kennen is echter nog steeds een duurzame optie omdat het een korte CO2 kringloop betreft. Hierbij wordt geadviseerd om het in te zetten voor warmtevragen die moeilijk met een andere bron in te vullen zijn, zoals het opvangen van de piekvragen van warmtenetten. Daarnaast wordt geadviseerd biomassa het liefst in grootschalige systemen te verwerken waarbij het vrijkomen van fijnstof beter gereguleerd kan worden dan bij particulier/individueel gebruik. Een tweede optie voor het inzetten van vaste biomassa is vergassing. Bij vergassing wordt biomassa onder hoge temperatuur omgezet in syngas. Dit kan net als biogas na bewerking worden ingezet in het aardgasnet. Vergassing wordt nog veel minder toegepast voor biomassa stromen dan vergisting en is in ontwikkeling. Het proces is sneller dan vergisting en kan veel meer vormen van biomassa omzetten in gas. Daar staat tegenover dat de netto energiewinst lager is ten gevolge van het energieverbruik in het vergassingsproces.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=4637f694-4dd9-4595-bd16-f743b7cef12a