CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport 'Zeven gezichten van mienskip'

It Petear 24 oktober 2024, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Presentatie 'Afgehaakt Nederland'17.025 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

19

5 Mienskip is moeders die een dorp runnen In het kantoor van het werk-/leerbedrijf Noardeast-Fryslân spreken we met de moeders van Aldwâld (Oudwoude). Energiek en druk pratend komen ze aanfietsen. Hun dorp ligt ongeveer 11 kilometer ten zuidoosten van Dokkum, tussen Kollum en Westergeest. Bij de voorstelronde imponeren de moeders ons met het aantal vrijwilligerstaken dat ze uitvoeren. Onmiskenbaar vormen ze de harde actieve kern van hun dorp. Een hecht woondorp De moeders zijn niet allemaal geboren en getogen in Aldwâld. Een aantal van hen is import vanuit naburige dorpen. Ze zijn getrouwd met iemand uit het dorp. De moeders zijn de drijvende krachten van het dorpshuis, de basisschool, de voetbalclub, de timmerdorp-activiteit voor kinderen en voorheen de speeltuin. In de ogen van de moeders is Aldwâld een klein, hecht dorp waar iedereen elkaar kent. Oudwoude is een woondorp, met enkele kleine ondernemingen (nagelstudio, aannemer, garage, boerderijen), maar geen winkels en nauwelijks voorzieningen. De slagers en een bakker zijn allang uit het dorp verdwenen. Eens per week komt de SRV-wagen langs, waar vooral ouderen uit het dorp gebruik van maken. Het voormalige café is gesloten en is nu een rommelige camperplek. We zagen de plek toen we een toer door het dorp maakten op weg naar de interviewlocatie. Vanzelfsprekend met de auto, want zonder auto red je het hier niet.

Vrijwel iedereen in het dorp heeft twee auto’s. De actieradius van de bewoners van Aldwâld is aanzienlijk. Voor werk, studie, boodschappen en sport moeten ze het dorp uit. Van die afhankelijkheid van de auto in regio’s zonder voorzieningen bij de deur heeft men in de Randstad vaak onvoldoende besef. Aldwâld bezit nog wel een christelijke basisschool, maar de kerkelijkheid is laag. Geen van de moeders gaat naar de kerk. De dorpscoördinator wél. De kerk, vertelt ze, organiseert tal van activiteiten en is vooral een belangrijke steun en toeverlaat voor de ouderen in het dorp. Voor de inwoners van Aldwâld is de kerk een dierbaar bezit als vertrouwd beeldbepalend gebouw. Dorpsbeeld In 2023 telde het dorp 815 inwoners. Tot 2019 viel het onder de gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland waarna het is opgegaan in Noardeast-Fryslân. Het dorpsbeeld wordt gekenmerkt door 18eeeuwse en 19e-eeuwse boerderijen langs de Foarwei en de Jan Binneswei. Het betreft veelal kophals-rompboerderijen of boerderijen met een dwars voorhuis met schilddak. Ze zijn belangrijke identiteitsdragers van het dorp. Als bezoeker zoek je tevergeefs naar de kern van het dorp. Een duidelijk centrum ontbreekt of het zou rondom het moderne dorpshuis en de basisschool moeten zijn.

Het dorp manifesteert zich als een rij aaneengeschakelde boerderijen en huizen aan een doorgaande weg, waar maar geen einde aan lijkt te komen. Dat komt ook omdat de kerk van Oudwoude, een 15e-eeuwse laatgotische kerk, zich helemaal aan de rand van het dorp bevindt op het westelijke uiteinde van de dorpsbebouwing. Alles gebeurt in het dorpshuis Er wordt in het dorp veel georganiseerd. Bijna elk weekend is er wel wat te doen. Zo was er onlangs nog een pubquiz met een grote opkomst. Vooral voor de jeugd onder de vijftien jaar wordt veel ondernomen (jeugdsoos, Timmerdorp). Het dorp kent ook een voetbalclub, lang geleden opgericht met de naburige dorpen Westergeest en Triemen. Dat heeft de clubnaam Westergeest Triemen Oudwoude Combinatie (WTOC) opgeleverd. Het gemeenschapsleven van Aldwâld speelt zich grotendeels af in en rondom het dorpshuis annex multifunctionele centrum Hústerwâld. Het dorp kent meerdere verenigingen, waaronder de vereniging Dorpsbelangen Oudwoude. De moeders die we spraken hebben, naast de zorg voor de kinderen, een baan, en zijn daarnaast zeer actief in het vrijwilligerswerk. Dat geldt voor de mannen in het dorp wat minder. Die werken meer uren, en hun werk bevindt zich ook vaker dan dat van de vrouwen verder weg van het dorp. De mannen doen mee als vrijwilliger op

20

de piekmomenten, als er iets gebouwd of veel gesjouwd moet worden. Het dorpshuis krijgt minimale subsidie. Men moet het zelf runnen. Alles valt of staat met vrijwilligers. Dat vrijwilligerswerk zelfs in een dorp als Aldwâld ook geen gegarandeerde vanzelfsprekendheid meer is, blijkt uit een aankondiging over vrijwilligerstaken op de website van voetbalclub WTOC. Daar heet het: ‘Door het maatschappelijk gegeven dat mensen steeds minder tijd hebben, zijn wij net als vele andere verenigingen genoodzaakt tot een taakplicht voor ieder aangesloten lid (trainende en spelende leden). Leden dienen minimaal één vrijwilligerstaak te vervullen bij v.v. WTOC. Leden die geen vrijwilligerstaak willen vervullen, kunnen het afkopen voor € 50,- per jaar.’ Dorp in verandering Volgens de moeders is het in Aldwâld veilig wonen. Niemand heeft bij wijze van spreken de deur op slot. Het dorp is wel aan het veranderen. Er komen steeds meer andere mensen wonen, en dat is niet altijd positief. Probleemgezinnen nemen hun problemen mee naar het dorp, en de nieuwe import doet niet altijd mee met de bezigheden van het dorp. Terwijl er een dorps-app is, waarop iedereen kan zien wat er te doen is. Jongeren voelen zich gedwongen om weg te gaan bij gebrek aan geschikte woningen. Het liefst zouden ze blijven of terugkomen na hun studie, maar daarvoor zijn betaalbare starterswoningen nodig.

De spaarzame nieuwe woningen die beschikbaar komen, zijn voor hen niet te betalen. De wet van de mienskip De moeders maken duidelijk dat mienskip - de wederzijdse sociale verbondenheid - voor hen vooral een gevoel is. Het is iets dat vanzelfsprekend bij het dorp hoort. Iets wat er gewoon is. Maar het is niet iets waar men het zelf veel over heeft of over nadenkt. Mienskip wordt simpelweg omschreven als: ’gewoon meedoen, en de cultuur, de manier van doen en gebruiken van het dorp respecteren’. Dan kan iedereen meegaan in de mienskip, ook nieuwkomers. Nieuwe bewoners wordt vaak actief gewezen op de vrijwilligerstaken in het dorp. Zij die meedoen en (passief) Fries leren, horen bij het dorp. Import die vrijwilligerstaken op zich neemt en de regels van het dorp respecteert: die voldoen bij wijze van spreken aan de wet van de mienskip. Mienskip draait op vrijwilligers. Maar mienskip wordt wel steeds meer dwars gezeten door regeltjes, vergunningen, controle, bureaucratie. Er zijn, volgens de moeders, dorpen waar geen dorpsfeesten meer worden gehouden, omdat niemand meer in staat is de veel te ingewikkelde vergunningen aan te vragen. Ook staan dierbare Friese tradities onder druk, zoals het ringsteken met paarden. Daarvoor worden door ambtenaren, zogenaamd voor de veiligheid, onwerkbare afzettingen bedacht, waarvan paarden juist eerder in paniek raken.

Er worden onwerkbare regels en vergunningen opgesteld voor tradities die al honderd jaar zonder veel problemen verlopen. Er is zo sprake van een clash tussen tradities/vrijwilligerswerk en bureaucratische eisen van professionalisering en risicobeheersing. De gemeente is verder weg Gevraagd naar hun contact met de gemeente of andere instanties, zeggen de moeders een grotere afstand tot de nieuwe gemeente te voelen na de herindeling. Aldwâld hoorde vroeger bij de kleinere gemeente Kollumerland c.a., met hoofdplaats en gemeentehuis in Kollum. Nu is alles gecentraliseerd in Dokkum. Men mist het gemeentehuis nabij in Kollum. De moeders van Aldwâld ervaren het contact met de gemeente als onpersoonlijker. Alles gaat via de mail sinds het gemeentehuis in Kollum is verdwenen. Na de herindeling is het ook moeilijker geworden om budget te krijgen voor evenementen in het dorp. In dit verband was ook interessant te horen hoe de moeders spraken over de grote speeltuin in het dorp. Voorheen was die speeltuin in het beheer van het dorp zelf. Sinds enige tijd is dat beheer overgenomen door de gemeente, maar daar is men allesbehalve tevreden over. De moeders klagen over afval, kapotte toestellen, et cetera. Mogelijk moeten ze de zorg voor de speeltuin maar weer in eigen hand nemen.

21

Traditie en eigenheid tegenover moderniteit en transitie De moeders van Aldwâld hechten sterk aan de Friese eigenheid. Die staat onder druk van de grotere toestroom van nieuwkomers en import, mensen die soms niet in het dorp meedoen en de Friese gebruiken niet respecteren. Gevraagd naar de achtergronden van de omvangrijke PVV-stem in deze gemeente bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen in 2023 (voor het eerst een grote doorbraak van de PVV in Friesland), zeggen sommige moeders dat dat te maken heeft met de angst dat Nederland vol raakt. Zie het grote woningtekort, ook in deze regio, en zelfs in het eigen dorp voor de eigen kinderen. Verder wil men vasthouden aan traditie en tegengas geven. De moeders zeggen dat het wantrouwen tegen de gevestigde politiek ook komt doordat men hier sterk meeleeft met de agrarische sector. ‘We kennen genoeg boeren. We willen de boeren in het dorp houden, zoals het is. Anders verliezen we leefbaarheid in het dorp. Boeren zijn ook belangrijk voor het landschap. Kunnen de zonen nog de boerderij overnemen? Of staan de mensen uit de Randstad dat in de weg?

22

6 Mienskip is de onmisbare hand van professionals Wat hebben een wijkagent, een welzijnswerker, een woonconsulent, een jeugdwerker en een leefstijl-adviseur met elkaar gemeen? Antwoord: het zijn allemaal frontlinie-professionals die dicht op de huid van de bewoners van de gemeente Noardeast-Fryslân werken. Ze zijn de ogen en oren van de Noordoost-Friese samenleving. We spreken met hen bij het kringloop-en-demontagecentrum Raderwerk in Kollum. Een intensief gesprek over wat er op sociaal gebied goed en minder goed gaat in de gemeente. Gedeelde analyse: de professionele bemensing in de frontlinie is onderbezet. Dat heeft gevolgen voor de kracht van de mienskip. Kwetsbaar in complexe wereld Het gesprek begint met het benoemen van een aantal zorgen. Volgens de professionals lijkt alles goud wat er blinkt, als je door het fraaie, rustige landschap van de gemeente rijdt, met zijn vaak idyllische historische dorpen, de mooie Waddendijk, het fraai opgeknapte stadscentrum van Dokkum. Maar achter die schone buitenkant zijn er ook andere verhalen op te tekenen. Professionals in het welzijnswerk stuiten dagelijks op laaggeletterdheid, armoede, huiselijk geweld en alcohol- en drugsverslaving. In het laatste geval gaat het vaak om jeugdige personen. Het zijn de problemen van een grote stad, die je ook op de schaal van Noardeast-Fryslân tegenkomt.

De aanwezige professionals wijzen eensluidend op een aantal verslechteringen als we ze vragen naar maatschappelijke veranderingen. Ze signaleren toenemende kwetsbaarheid. Veel mensen redden het niet in de complexe wereld van vandaag met zijn nadruk op zelfredzaamheid. Als voorbeeld noemen ze het ‘formulierenteam’. Dat heeft bijna duizend mensen geholpen met het invullen van formulieren. Heel veel formulieren zijn uiterst ingewikkeld, bijvoorbeeld voor het aanvragen van bijstandsuitkering. Vaak worden hoge digitale vaardigheden verondersteld. Als fouten worden gemaakt bij de aanvraag, duurt het tijden voordat mensen geld krijgen. Of men krijgt een toeslag en later blijkt dat men veel geld moet terugbetalen. Ofwel: ook hier zorgen bijstandspraktijken en toeslagen, net als elders in Nederland, voor heel veel problemen. De professionals wijzen op nog een ontwikkeling. Naar hun zeggen heeft de beleidsingreep rond 2015/2016 het welzijnswerk geen goed gedaan. Met de komst van ‘welzijn nieuwe stijl’ zijn veel sociale activiteiten en voorzieningen, vooral voor ouderen en jongeren, opgedoekt of wegbezuinigd. Ook de framing van Noardeast-Fryslân als ‘krimpregio’ was een misser. Voor veel jongeren en ondernemers was het een signaal om te vertrekken. Nieuw imago Maar de wind is anders gaan waaien, vertellen ze. Het imago van de regio is verbeterd nu het stempel krimpregio eraf is.

Mensen willen, horen we, hier weer meer dan voorheen blijven wonen en ondernemen, óók jongeren. Al blijft deze regio een lastige, benadrukken de professionals, door armoede en bestaansonzekerheid. Er zijn veel werkende armen. De wijkagent zegt het meest met jeugdoverlast te maken te hebben. Dat is zijn ‘prio 1’. Dan gaat het om delicten richting strafrecht, zoals drugsgebruik op heel jonge leeftijd. De jeugd zoekt vertier na het avondeten, maar er zijn weinig avondactiviteiten, sportscholen lukt het zeker niet altijd om de groep jongeren boven de zestien jaar te binden. Dat wordt vaak hangen en drinken, soms met vernielingen. De wijkagent zegt te betreuren dat hij maar dertig tot veertig procent werk in de wijk kan doen en in de praktijk vooral noodhulp moet leveren, dat wil zeggen assisteren bij zwaardere politietaken. Terwijl een wijkagent eigenlijk tachtig procent van de tijd in de wijk zou moeten zijn. De politie heeft ook nog veel administratieve taken en vaak veel tijd nodig om afstanden te overbruggen. Ook die zaken staan het preventieve wijkpolitiewerk in de weg. Heel veel vlieguren maken in de wijk is daardoor niet mogelijk. Overschat de mienskip niet De wijkagent beaamt dat mienskip een realiteit is. Voorbeeld: een zeer lastige jeugdgroep uit een problematische familie terroriseert een buurt, ergens in de regio Kollum. De wijkagent moet het hier

23

hebben van informatie van inwoners om de overlastgroep uit de anonimiteit te kunnen halen. Dat lukte. De buurt is bij elkaar gekomen en heeft een buurtwacht ingesteld, die zelf ronden door de wijk is gaan lopen in de avond. Sterke burgerinzet en de wijkagent samen: dat is de ideale combinatie. Maar overschat de mienskip niet, zeggen de professionals. Als je deel uitmaakt van een gemeenschap heb je geluk, maar wijken zijn niet één grote gemeenschap, integendeel. Mienskip staat voorts onder druk door bezuinigingen op voorzieningen en sociale activiteiten, maar ook door ontwrichte familiestructuren. Het was vroeger ‘ons kent ons’, met pake en beppe (opa en oma) in de buurt. Die netwerken zijn er in veel mindere mate. Nu zien de professionals veel gezinnen uit elkaar vallen door echtscheidingen en verhuizingen. Daar ligt vaak de basis van sociale problemen. Veel kinderen vallen uit op school. Niet zelden heeft dat ook te maken met alleenstaande moeders, die de opvoeding en ondersteuning alleen moeilijk rooien. Professionals zijn ‘de gemeente’ geworden Gevraagd naar het contact tussen bewoners en instanties/organisaties en de gemeente, wijzen de professionals op groeiend wantrouwen en groeiende frustratie. Bewoners vertrouwen de professionals minder dan voorheen.

‘Wij zijn iemand van de gemeente geworden, niet meer van het wijkteam, het gebiedsteam of de woningcorporatie.’ Voor burgers zijn al deze organisaties, maken de professionals duidelijk, allemaal één pot nat. Burgers wijzen professionals vaker de deur. Het wantrouwen is toegenomen. Sommige mensen durven niet naar de voedselbank te gaan omdat gemeenteambtenaren in hetzelfde gebouw zitten. Dan denken ze dat ambtenaren van ‘Werk en Inkomen’ registeren dat ze naar de voedselbank gaan. Maar daartegenover staat dat zich zomaar vele nieuwe vrijwilligers hebben aangemeld bij de welzijnsstichting. Het laat zien dat er nog altijd een grote bereidheid is om iets voor elkaar te betekenen. De welzijnsstichting biedt burenhulpdienst aan in de verschillende dorpen. Bij sommige dorpen is dat niet nodig, daar is het eigen probleemoplossend vermogen heel groot, maar in weer andere dorpen juist niet. Meer menskracht met voeten in de klei Een analyse die alle professionals delen is dat er sprake is van onderbemensing. De uitvoeringscapaciteit schiet tekort. Dat speelt bij de wijkagent, de woningbouwcorporatie én het jeugd- en welzijnswerk. De opdracht die men moet uitvoeren wordt complexer en zwaarder in de tegenwoordige samenleving, maar op professionele menskracht wordt beknibbeld. Met minder mensen moet er meer en ingewikkelder werk verricht worden.

Het bezorgt de professionals een knagend gevoel van onmacht. Temeer omdat alles veelal kortdurend en projectmatig georganiseerd wordt, vaak middels pilots, terwijl de aanpak van maatschappelijke vraagstukken om structurele langjarige programma’s vraagt. Wat moet er idealiter gebeuren? De Noordoost-Friese professionals zijn eensluidend in hun antwoord. Er zijn meer eerstelijnsprofessionals nodig. Ze illustreren dit aan de hand van een schrijnend voorbeeld. Een jongen van achttien moest een half jaar wachten op hulp voor zijn dementerende moeder, in een gezin waar de vader al overleden was. Ze geven aan: hier is professionele ondersteuning nodig, maar de caseload van de professionals maakt langdurige inzet nauwelijks mogelijk. Daarnaast is het belangrijk, benadrukken ze, dat je als professional fysiek goed bereikbaar en benaderbaar bent voor mensen met armoede. Dat burgers geen drempel ervaren, want die is al hoog door schaamte. Alleen: daar moet je dan wel de tijd voor hebben om naar hen te kunnen luisteren, juist ook om bij hen het wantrouwen tegen instanties weg te nemen. Maar ook hiervoor schiet de huidige capaciteit tekort. Andersom geldt ook: vertrouwt de overheid zijn burgers? De professionals geven een voorbeeld: als bijstandsgezinnen iets verdienen via Marktplaats, dan wordt een deel van hun uitkering stopgezet. Kijk hier mee uit, is hun boodschap.

Wees aan de andere kant ook weer niet te zachtzinnig met mensen die boven op een uitkering er juist fors zwart bijverdienen - dat zorgt in de dorpen voor scheve gezichten. Zeker als men op die illegale manier veel meer verdient dan iemand die elke dag van negen tot vijf werkt. Dat vraagt om een ragfijn maatschappelijk gevoel. De professionals rondom Kollum zien

24

ook veel wantrouwen richting Dokkum. Dokkum is mooi opgeknapt, dat vinden mensen in andere delen van de gemeente scheef. Het gevoel blijft dat ze een ondergeschoven kindje zijn. Zo missen inwoners van Kollum nog altijd hun eigen gemeentehuis. Die vinden dat met het verdwijnen ervan de gemeente voor hun minder bereikbaar is geworden. Ofwel, er is nog veel te doen om vertrouwen in de lokale politiek én nationale politiek terug te winnen. Eerst zien dan geloven - dat is de houding van de meeste mensen. Meer bemensing met voeten in de klei - liefst mensen uit de eigen regio - en niet de laag erboven. Minder regels, minder bureaucratie, minder papier. Dat is wat de professionals aanbevelen om het vertrouwen in de gemeente en in henzelf te herstellen. Den Haag ziet ons niet Gevraagd naar hoe de professionals aankijken tegen de komst van de Lelylijn, het symbool van de snelle ontsluitende verbinding van Friesland met de Randstad, zeggen de meesten dat ze daar weinig van moeten hebben. Veel mensen in Friesland hebben er geen vertrouwen in dat hun situatie door de Lelylijn echt beter wordt. Wie komen er dan allemaal naar Friesland toe? Als je zelf in armoede leeft en er gaat geld naar de ander, dan kan dat als onrecht voelen. Een actuele brandende kwestie in de gemeente is de vestiging van asielzoekers.

De gemeente heeft drie locaties aangewezen waar de bevolking uit kan kiezen, maar uit een enquête onder de bevolking bleek dat het merendeel een asielzoekerscentrum afwijst. Er blijkt toekomstangst te bestaan. En frustratie dat er geld wordt gepompt in dingen waar geen vraag naar is. Dat is waar de proteststem van de PVV bij de laatste verkiezingen vandaan komt, aldus de lezing van de professionals. Ze wijzen er voorts op dat het calimerogevoel diep is geworteld: wij zijn het ondergeschoven kindje, politiek Den Haag ziet ons niet. Dat is het PVV-gevoel van de laatste verkiezingen, dat hier in Noardeast-Fryslân naar buiten is gekomen.

25

7 Mienskip is meedoen Het laatste gesprek voeren we op het gemeentehuis. De burgemeester is aangeschoven, de wethouder die onder andere mienskip in haar portefeuille heeft, enkele beleidsadviseurs en de dorpenen wijkencoördinatoren waarmee we opgetrokken zijn. We leggen onze indrukken voor. De spanning tussen eigenheid en vernieuwing was de rode draad in alle gesprekken. We waren verrast door het ondernemerschap dat we aantroffen, juist bij jonge mensen. Tegelijkertijd werden we door een verstild museaal Noardeast-Fryslân rondgeleid. Waar waren de innovatieve bedrijven van de toekomst? Maar hoeveel economische dynamiek kan Noardeast-Fryslân hebben zonder dat haar eigenheid verloren gaat? Noardeast-Fryslân is zeker geen sociale idylle werd ons duidelijk, de gemeente kent serieuze sociale problematiek. Het vertrouwen in de overheid is niet overal even groot, dit geldt zeker voor ‘Den Haag’ en in mindere mate voor ‘Dokkum’. Over mienskip werden relativerende opmerkingen gemaakt, maar pas op met te veel relativering. Het begrip dekt wel degelijk de lading van veel inspirerende praktijken en het is een niet te onderschatten troefkaart bij het mobiliseren van gemeenschapsinzet. Bourgondisering en armoede-enclaves We leerden dat Noardeast-Fryslân nooit een geïsoleerd gebied is geweest en van oudsher altijd redelijk welvarend. Gewezen werd op de grote kerken in het gebied.

De laatste decennia, gaf de burgemeester aan, heeft er een welvaartsexplosie plaatsgevonden die tot ‘een bourgondisering’ van het leven heeft geleid. ‘Tot de jaren negentig was op zondag alleen de kerk in Dokkum open. Dat is volledig veranderd. Het leven mag genoten worden.’ De gemeente kent verschillende gezichten. In grote delen van de gemeente gaat het goed, maar er zijn ook armoede-enclaves die sociaaleconomisch achterblijven. Daar speelden zich rond de jaarwisseling ook rellen af, in die mate dat de ME zich moest laten zien. Er zijn groepen inwoners voor wie de bestaansonzekerheid onder druk staat, een deel van hen onttrekt zich ook aan de waarneming van de gemeente. De woningmarkt kent ook grote contrasten. In delen van de gemeente zijn de huizen zeer gewild, maar sommige dorpjes hebben juist huizen in slecht onderhouden staat. Waar het sociaal-maatschappelijke problematiek betreft is de tegenstelling tussen grote stad en landelijk gebied volledig verdwenen, bijvoorbeeld in het geval van drugsproblematiek. ‘Ook hier krijg je na acht uur ’s avonds uur gemakkelijker een snuif cocaïne dan een bosje bloemen.’ Streekmusea als rouwverwerking We vertellen over de musea, historische waterwerken en oude dorpskernen waar we langs geleid zijn.

Ligt de blik in Noardeast-Fryslân niet te veel op het verleden? De burgemeester zegt dat je de vele streekmusea ook als een vorm van rouwverwerking zou kunnen zien. Inwoners die daar nog een actieve herinnering aan hebben, vinden daar hun voorbije wereld terug. Nieuwe generaties zegt het minder. Hijzelf was als kind altijd buiten, kent alle weidevogels. Zijn kinderen hebben niet die emotionele binding met de natuur, tóch voelen zij zich zeer verbonden met Friesland. Alleen: met een ander Friesland. Hetzelfde geldt ook voor steden, zegt de burgemeester. Ook een stad als Den Haag verandert en er ontstaat een nieuw gehechtheid aan het Den Haag van nu. Over vijftig jaar zullen mensen nostalgisch denken aan het Den Haag van 2024. Ofwel: dorpen en steden veranderen en pas op om ze te fixeren in een bepaalde periode. Meer dan nostalgie Van verschillende kanten werd benadrukt dat de Friese liefde en gehechtheid aan het landschap én aan het samenleven in relatief kleinschalige verbanden meer is dan nostalgie. Het is de kern van hun identiteit. Verwezen wordt naar de Friese paradox. De provincie blijft achter in besteedbaar inkomen, maar het geluksgevoel en de tevredenheid met het bestaan van de inwoners van NoardeastFryslân zijn groter dan elders. Ook de Friese taal en cultuur zijn belangrijke bronnen van creativiteit en verbinding.

Inwoners van Noardeast-Fryslân zijn bang deze waardevolle zaken te verliezen. In het

26

bijzonder inwoners met een lager opleidingsniveau zien invloeden van buiten (economisch, sociaal, cultureel) als bedreigingen, terwijl hoger opgeleiden er vaak beter hun voordeel mee weten en denken te kunnen doen. Toch staan ook hoger opgeleiden ambivalent tegenover de komst van bijvoorbeeld de Lelylijn. Zo heeft de Rijksbouwmeester zich recent kritisch uitgelaten over de Lelylijn. De huidige relatieve onbereikbaarheid van delen van Friesland biedt ook bescherming tegen verlies van landschap (rust en ruimte) en het verlies van taal en tradities. Chagrijn In Noardeast-Fryslân hebben veel inwoners bij de laatste verkiezingen op buitenstaanderspartijen en protestpartijen gestemd. De burgemeester onderkent dat er bij groepen bewoners en agrariërs - zoals ook elders in het land - ’veel chagrijn is tegenover de overheid’. Hij wijst op de asielmigratie. Op dit dossier faalt de overheid. Bewoners krijgen dagelijks het aanmodderen in buurtprovincie Groningen te zien (aanmeldcentrum Ter Apel). ‘Daardoor zeggen heel veel mensen: ik ben het zat.’ Ook het aardgasdossier hebben ze van zeer nabij kunnen volgen. En ook in Noardeast-Fryslân zijn veel inwoners getroffen door de toeslagenaffaire. De burgemeester zelf maakt zich zorgen over de stemmen op Forum voor Democratie.

‘Dat zijn complotdenkers, mensen die zich afkeren van de overheid.’ Hij relativeert gevoelens van bewoners die zeggen zich een vreemde te voelen in eigen land. Hij vindt dat zwaar aangezet. ‘Hier in de omtrek is nergens een moskee te vinden.’ Hij vertelt dat NoardeastFryslân een asielzoekerscentrum (AZC) had en deze vestiging verrassend gemakkelijk geaccepteerd is door de omliggende omgeving. Mensen zijn toen geïnterviewd en verklaarden tegen asielzoekers te zijn, maar bij doorvragen (‘Kent u ze ook?’) bleken ze de statushouder die ze kennen of de eigen schoonzoon met een migratieachtergrond een ‘prima jongen’ te vinden. Hij kent ook het verwijt dat statushouders bij voorrang een woning krijgen en jongeren daar vergeefs op moeten wachten. ‘Maar daar valt veel op af te dingen.’ Hij vertelt dat er momenteel opnieuw een discussie speelt over het realiseren van een asielzoekerscentrum. [De mogelijk nieuwe vestiging zal een splijtzwam worden in het college. In de zomer van 2024 stapt Sociaal in Noardeast-Fryslân (S!N) uit het college omdat ze het niet eens is met de opstelling van de andere twee collegepartijen om af te zien van een nieuw AZC]. Mienskip is beleidsfries We vertellen dat we merkten dat mienskip voor veel bewoners geen vanzelfsprekend begrip is. Niet alle bewoners, zeker jongeren, kennen of gebruiken het woord. Het lijkt eerder gevoeld dan geformuleerd te worden.

In het gesprek zegt de burgemeester dat mienskip ‘beleidsfries’ is geworden. De term bestond al heel lang, maar kreeg pas een krachtige impuls toen Leeuwarden in 2018 culturele hoofdstad werd. ‘Daar is het zo gelanceerd en is in het hoofd gaan zitten van al die beleidsfriezen die het gebruiken.’ Het is, zegt hij, echt iets ander dan naboarschap. In het geval van naboarschap heb je de plicht om te helpen als er bijvoorbeeld echt iets is met je buurman, mienskip is minder verplichtend. Overal waar mensen zijn, zegt de burgemeester, is mienskip, dat wil zeggen zijn er gemeenschappen waarbinnen men elkaar helpt. Het is overal, alleen heeft Friesland daar een eigen woord voor. In het gesprek wordt opgemerkt dat mienskip vroeger een invulling had die dicht tegen naboarschap aan lag. Mienskip Kwam voort uit een soort van innerlijke dwang (zo hoort het). Dat is minder sterk geworden. Het omzien naar elkaar is er nog wel, maar heeft niet meer de intensiteit van vroeger. Dat heeft ook voordelen. Vroeger waren bewoners gedwongen mee te lopen in het stramien van het dorp, anders lag je eruit, nu is mienskip minder conformistisch en afgedwongen. Bovendien: sinds de jaren zestig zijn buurt- en dorpsverbanden losser geworden door individualisering, schaalvergroting, digitalisering, migratiestromen, polarisatie et cetera.

Tegelijkertijd zijn er verschillende maatschappelijke ontwikkelingen die de zorg onbetaalbaar maken en niet meer toegankelijk voor iedereen.

27

Niet alles kan meer op het bordje van de overheid gelegd worden. Ofwel: inzet op mienskip is bittere noodzaak geworden. Om die reden kent de gemeente een ‘cluster Mienskip’. Deze beleidsafdeling houdt zich bezig met een breed scala aan beleidsthema’s binnen het sociaal maatschappelijk domein. Denk aan kunst en cultuur, welzijn, inclusie, zorg en ondersteuning, gezondheid en preventie, sport en bewegen, leefbaarheid, dorpshuizen, laaggeletterdheid, onderwijs en onderwijshuisvesting, subsidieverstrekking aan samenlevingsinitiatieven et cetera. Het overkoepelende gedachtegoed en doel is: een hechte en veerkrachtige mienskip in de dorpen en kernen. Cluster Mienskip In kleine dorpen wonen door de vergrijzing steeds meer ouderen, terwijl de zorg daar voor hen onder druk staat. Veel ouderen willen oud worden in het eigen dorp en niet naar een verpleeghuis. Dat betekent dat een en ander binnen het dorp geregeld moet worden met vrijwillige krachten. In sommige dorpen is dat gemakkelijker te organiseren dan in andere, bijvoorbeeld in dorpen waar hele generaties bij elkaar wonen. In dorpen waar veel ouderen wonen die er nog maar net zijn gearriveerd of waar de kinderen zijn vertrokken, is dat ingewikkelder, zij missen een sociaal netwerk.

Het cluster Mienskip heeft onder andere met het welzijnswerk afspraken gemaakt over de inzet van mantelzorgsteunpunten, burenhulp-diensten en buurtkamers. Daarnaast worden dorpsbelangen en verenigingen gesubsidieerd en gefaciliteerd bij het organiseren van initiatieven, gericht op ontmoeting en welzijn, het versterken van de sociale cohesie, om uiteindelijk de leefbaarheid in dorpen en kernen te vergroten. Ook worden in de dorpen vrijwillige ‘meitinkers’ (meedenkers) bij de steunpunten en burenhulp-diensten betrokken. Voorts stimuleert het cluster Mienskip ouderbetrokkenheid bij de verloskundige zorg. Controles en informatie worden niet meer individueel, maar groepsgewijs georganiseerd. Daardoor blijken moeders elkaar na de zwangerschap op te blijven zoeken en helpen. Ofwel: niet meer het individu is de norm, maar het collectief. Zo proberen ze in Noardeast-Fryslân de norm te verschuiven, te beginnen bij ouders en kinderen die nu geboren worden. Wanneer dat normaal wordt, zeggen ze, krijg je een andere cultuur, een minder individualistische samenleving, waarin mienskip kan gedijen. Mienskip is meedoen De wethouder die mienskip in haar portefeuille heeft (naast onder andere Frysk en cultuur) benadrukt dat in het geval van mienskip meedoen het belangrijkste is. Wie meedoet, dat geldt in het bijzonder voor import-bewoners, wordt voor honderd procent geaccepteerd.

Maar meedoen betekent ook aanpassen aan de omgeving en de cultuur. De wethouder vertelt zelf in Hegebeintum, een dorp met minder dan honderd inwoners te wonen. Ze zegt zich te herkennen in de moeders van Aldwâld (‘Ik ben net als die moeders’). Haar kinderen willen ook in het dorp blijven wonen en dat betekent ook tradities van samenleven doorgeven: elkaar helpen, in verschillende besturen zitten. Ook in haar dorp hebben bewoners met z’n allen het café gekocht, zoals nu ook de bewoners van Paesens Moddergat proberen. Nieuwkomers zijn van harte welkom, maar van hen wordt wel gevraagd mee te doen. De wethouder vertelt dat ze onlangs nieuwe buren had gekregen. Ze waren naar haar dorp verhuisd voor de rust. Ze had ze verwelkomd met Friese lekkernijen. Willen jullie meedoen?, had ze gevraagd over een paar weken is er een dorpsfeest met een traditionele optocht. Ja was het antwoord. Zo gemakkelijk kan het gaan, geeft ze aan. ‘De mensen waren heel blij dat ik dat had gedaan. Want je komt er niet snel tussen als je in het café een biertje gaat drinken.’ Je moet mensen erin meenemen is de boodschap. Ook het dorp moet zich openstellen voor de nieuwkomers. De liefde moet van twee kanten komen. ‘Als iedereen de rug naar je toedraait als je het café binnenstapt, schiet het ook niet op.’

28

8 Wat hebben we geleerd? Tien gezichten van een betrouwbare overheid Wat hebben we geleerd in alle gevoerde gesprekken? Welke inzichten zijn er te destilleren uit de gesprekken? Als eerste herhalen we onze woorden uit de inleiding dat we ze met grote bescheidenheid presenteren, omdat we maar kort de thermometer in de gemeente Noardeast-Fryslân hebben kunnen steken. Toch denken we dat de volgende conclusies en handvaten relevant zijn. We hebben onze bevindingen in de vorm gegoten van ‘gezichten van een betrouwbare overheid’. Daarmee hebben we de verhalen, ervaringen, ergernissen en adviezen die de bewoners ons hebben meegegeven direct toegepast op wat deze voor de overheid (van gemeente tot Rijk) en voor andere instanties zouden moeten betekenen. 1 Een betrouwbare overheid begrijpt het Friese DNA Noardeast-Fryslân is geen eiland, ook nooit geweest, leerden we. In Nederland zijn stad en platteland naar elkaar toegegroeid. Ook in Noardeast-Fryslân komt men dus de problemen van de grote stad tegen, weliswaar op de schaal van Noardeast-Fryslân. We kunnen hier wijzen op armoede en bestaansonzekerheid, het hoge gebruik van sociaal-domeinvoorzieningen (Wmo, Jeugdwet en Participatiewet), integratieproblematiek van nieuwkomers, verslavingsproblematiek, eenzaamheid en de grote moeite van velen om een betaalbaar huis te bemachtigen.

In de gesprekken zijn deze sociale problemen door verschillende gesprekspartners naar voren gebracht. Maar ergens houdt die stedelijkheid ook op. In Friesland is er iets wat op veel plaatsen schaars of zelfs zeldzaam is geworden: rust en ruimte. En nog iets: een eigen levende taal en cultuur. Inwoners van Noardeast-Fryslân verwachten van overheden en instanties dat ze deze kwaliteiten zien, waarderen en bewaken. Zo kweek je bij hen vertrouwen. Een politicus die onverschillig staat tegenover dit erfgoed, verspeelt hun vertrouwen. Dat betekent niet dat inwoners willen dat Noardeast-Fryslân een gesloten samenleving wordt. NoardeastFryslân is een open regio, maar het vinden van de juiste balans tussen traditie en vernieuwing vraagt politieke en bestuurlijke stuurmanskunst. Die stuurmanskunst vinden ze momenteel eerder bij lokale/provinciale partijen en bij anti-establishmentpartijen en protestpartijen dan bij traditionele landelijke middenpartijen. Zie hun stemgedrag bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2022 en Tweede Kamerverkiezingen van november 2023. Hun electorale keuzes laten zich deels verklaren aan de hand van onderstaand kadertje waarin de stereotiepe karakteriseringen van steden en dorpen onder elkaar zijn gezet. Stereotiep omdat ze een kern van waarheid hebben, maar nuancering missen.

Immers, ook heel veel stadsbewoners streven naar gemeenschapsvorming en sociale controle en hebben een meer nationalistische, traditionele oriëntatie. En zo heb je ook in dorpen veel inwoners met een globalistische oriëntatie die zeer individualistisch zijn ingesteld en anonimiteit omarmen. Kader Stereotiepe karakteriseringen stad en dorp Stad Dorp Open Gesloten Individu Gemeenschap Anoniem Gekend Vrijheid en privacy Sociale controle Overalmensen Ergensmensen Globalisten Nationalisten Universalisten Traditionelen Nu is Noardeast-Fryslân een plattelandsgemeente met licht stedelijke trekken. Veel inwoners van Noardeast-Fryslân waarderen bovenstaande termen, rechts in het kadertje, maar - let wel - het is een kwestie van accent! Tot voor kort hoorde bij bovenstaande tegenstellingen de opvatting dat stadslucht vrij maakt en dat dorpen een sociaal verstikkend klimaat kennen.

29

Maar veel inwoners uit Noardeast-Fryslân hebben juist het tegenovergestelde gevoel: dorpslucht maakt vrij! Ze ervaren het Randstedelijke leven als hectisch, onvrij, afleidend, duur, opdringerig en ongeschikt voor opgroeiende kinderen. Zij waarderen juist de rust en ruimte in hun kleinschalige woonmilieus. Voor hen is wonen in Noardeast-Fryslân juist aantrekkelijk omdat ze niet hoeven te kiezen uit bovenstaande posities, maar hun eigen mix kunnen samenstellen. Ze voelen zich geworteld in Paesens-Moddergat, maar werken toch voor een werkgever in de Randstad. Ze zitten in het bestuur van een dorpsvereniging, maar zijn wel gesteld op privacy, ze doen van harte mee met de tradities van het dorp, maar met hun onderneming zijn ze in het hele land actief. Ofwel: men waardeert de beslotenheid van een kleinschalig woonmilieu, maar tegelijkertijd de openheid van de bredere samenleving. Lokale/provinciale Friese partijen, anti-establishmentpartijen en protestpartijen lijken deze keuze beter te begrijpen. Dit fenomeen wordt, met een lelijk woord, ook wel glokalisering genoemd, een samentrekking van globalisering en lokaal. Wie het vertrouwen van inwoners van Noardeast-Fryslân wil winnen, dient het fenomeen van glokalisering te begrijpen. Het belang dat burgers hechten aan een geprofileerd ‘lokaal wij’ en aan rust en ruimte.

Een belangrijke waarschuwing is in dit licht de volgende: ‘Laat provincies landschap niet offeren aan economie. Het streven naar een sterkere provinciale economie mag niet ten koste gaan van het landschap’. 15 2 Een betrouwbare overheid heeft een realistische kijk op mienskip De gesprekken die we voerden maakten duidelijk dat dorpen zijn veranderd. Bewoners verhuizen, jonge mensen vertrekken voor werk en studie, nieuwkomers arriveren. ‘Import’ worden de nieuwkomers genoemd. En ze zijn er in allerlei soorten en maten. Er is import uit naburige dorpen, maar ook import van buiten de provincie, bijvoorbeeld pensioenmigranten die voor de rust en de ruimte naar Noardeast-Fryslân zijn verhuisd of asielzoekers. Het vertrek van dorpelingen en de komst van nieuwkomers heeft het samenleven in dorpen veranderd, ook de vanzelfsprekende kracht van de mienskip. Mienskip, de onderlinge zorg voor elkaar, is minder een heilige plicht dan vroeger. Het is er nog wel, maar vrijblijvender geworden in een meer welvarende, geseculariseerde, geïndividualiseerde samenleving. In de zin dat het een eigen keuze is om daaraan een eigen bijdrage te leveren. Het betreft niet meer de intensieve vorm van burenhulp die betrekking had op zaken als oogst, terpenbouw, geboorte, huwelijk, ziekte en dood.16 Maar al is mienskip meer vrijblijvend geworden, hij is er nog wel, maakten de gesprekken duidelijk.

Bewoners zetten zich in voor hun woon- en leefomgeving, zitten in besturen, zijn actief in het verenigingsleven, in Dorpsbelangen, houden voorzieningen overeind of realiseren ze zelf (kroeg, voetbalkantine) en kijken naar elkaar om. Ofwel: mienskip is nog steeds een belangrijke bron van sociaal kapitaal. In de gesprekken zijn we onder de indruk geraakt van de maatschappelijke inzet van inwoners en ondernemers. Mienskip is een kostbare schat voor Friesland. Tegelijkertijd maakten de gesprekken duidelijk dat in dorpen de neuzen niet altijd dezelfde kant op staan. Dorpen zijn ook plekken waar geschillen worden uitgevochten. Zo zijn er regelmatig fricties tussen nieuwkomers en gevestigden. We hoorden vaak dat nieuwkomers conservatief zijn en alles bij het oude willen laten of zich heel dwingend en assertief opstellen dan wel onverschillig zijn ten aanzien van gemeenschapstaken. Maar we hoorden ook verhalen over nieuwkomers die mee willen denken over de toekomst van een dorp en graag meedoen met de lokale tradities. Ofwel: het sociaal kapitaal verschilt van dorp tot dorp. Daarom is de aanwezigheid van dorpen- en wijkencoördinatoren zo belangrijk. Zij zien de kracht en zwakte van dorpen. De overheid (landelijk en lokaal) probeert meer 15 Radboud Engbersen en Koos van Dijken, ‘Laat provincies landschap niet offeren aan economie. Het streven naar een ster-

kere provinciale economie mag niet ten koste gaan van het landschap’’, de Volkskrant, 10 juli 2015 16 Müller, Thaddeus (2012), Actief burgerschap in Drentse dorpen. Evaluatie project 5 sterrendorpen. In opdracht van de vereniging Brede Overleggroep Kleine Dorpen in Drenthe (BOKD). Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV), Rotterdam.

30

dan voorheen te kijken of ze taken op het terrein van zorg en welzijn meer bij de samenleving kan leggen. Maar hier is wel een realistische kijk op de gemeenschapskracht van dorpen nodig. Wat kunnen inwoners zelf en waar is professionele inzet noodzakelijk? De eerstelijnsprofessionals wezen in de gesprekken op onder bemensing, op gebrek aan capaciteit en op bureaucratische regeldruk. Maar zonder de hulp van frontliniewerkers verschraalt de mienskip in de meer kwetsbare wijken en dorpen van Noardeast-Fryslân. 3 Een betrouwbare overheid investeert in gemeenschappen Hier sluiten we aan bij de analyse van Elke regio telt! (2023) die aandacht vraagt voor het versterken van de brede welvaart in meer perifeer gelegen regio’s. De drie adviesraden die auteur zijn van dit rapport schrijven dat de rijksoverheid momenteel vooral naar kwaliteit, efficiëntie en doelmatigheid kijkt en onvoldoende rekening houdt met de specifieke regionale context. Alles wordt langs de lat van doelmatigheid gelegd, volgens algemene landelijke normen. Zorg wordt geconcentreerd, scholen met te weinig leerlingen moeten sluiten, huisartsen worden ergens in een gezondheidscentrum bij elkaar gezet, openbaar vervoer wordt opgeheven, want niet rendabel, et cetera. Maar al deze keuzes leiden tot een verschraling van het maatschappelijk leven. Vanuit een gemeenschapsperspectief zijn nabije voorzieningen essentieel.

Juist nu de overheid taken op het gebied van zorg en welzijn steeds meer bij burgers legt, is het cruciaal om beleid te hebben dat het gemeenschapsperspectief versterkt. In die zin vervult Friesland met zijn aandacht voor mienskip een voortrekkersrol. 4 Een betrouwbare overheid maakt woningbouw in dorpen mogelijk Ook nieuwe woningbouw zou vanuit dit gemeenschapsperspectief ingevuld moeten worden. Dorpen waar niet met visie en beleid woningen aan toegevoegd kunnen worden voor jongeren en gezinnen sterven uit. Heel veel gesprekspartners wezen op het tekort aan geschikte woningen voor in het bijzonder starters en finishers (ouderen). Onder veel jongeren in de dorpen is daar belangstelling voor. Jonge aanwas is nodig om dorpen sociaal vitaal te laten blijven. De komst van jonge gezinnen maakt voorzieningen als een dorpsschool weer mogelijk. Het woningbestand in de landelijke gebieden bestaat vooral uit oudere, vaak vooroorlogse koopwoningen. Alleen in de grotere hoofddorpen zijn er huurwoningen te vinden. In de buitendorpen beperkt de huursector zich vaak tot een enkele straat met rijtjeswoningen uit de jaren zestig en zeventig. De voorraad leegstaande winkelpanden, door herindelingen overbodig geworden gemeentehuizen, aan de landbouw onttrokken boerderijen, historische panden en slooprijpe loonwerkershuisjes zijn allemaal wel gerestaureerd, gerenoveerd en opgepoetst.

We hebben ze gezien tijdens onze rondgang door Noardeast-Fryslân, maar als deze woningen te koop worden aangeboden hebben jeugdige inwoners van Noardeast-Fryslân het nakijken. Ze kunnen financieel niet opbieden tegen veelal koopkrachtige stedelingen van buiten. Dat irriteert. De boodschap moet zijn: maak betaalbare woningbouw voor hen mogelijk - via inbreiding, landschappelijk ingepast bouwen, via uitbreiding (‘een straatje erbij’) - en stimuleer de doorstroom van ouderen naar een aangepaste woning voor hun laatste levensfase. 5 Een betrouwbare overheid stimuleert lokale trots Bewoners haken af als (overheids)instanties voortdurend wijzen op de kwetsbaarheden en achterstanden in hun regio, wijk, buurt of dorp.17 Begrippen als ‘probleemwijk’, ‘probleemdorp’ of ‘krimpregio’ doen voor de mensen die er wonen geen recht aan hun leefomgeving. Ze zijn vaak trots op hun wijk of dorp. Op de geschiedenis, op het unieke karakter ervan, op specifieke gebouwen, ondernemers, plekken of tradities, op het landschap en hun buurt- of dorpsgenoten. Ze houden buitenstaanders voor dat ze oppervlakkig kijken, dat ze van veraf vanachter hun beeldscherm met behulp van statistiek en beleidsindicatoren oordelen vellen, maar blind zijn voor de aanwezige solidariteit, talenten en hulpbronnen. Etiketten als ‘probleemdorp’ of ‘krimpregio’ kunnen bovendien werken als selffulfilling prophecy.

Noem het een probleemdorp en het wordt een probleemdorp, noem het een krimpregio en het wordt een krimpregio. Het is een lastig op te lossen beleidsdilemma. Je wilt als bestuurder 1717

Wacquant, L. (2007), Terriorial stigmatization in the age of advanced marginality. Thesis Eleven 91 (1): 66-77.

31

iets doen aan achterstanden, maar je wilt ook niet dat negatieve stigmatisering tot reputatieverlies leidt met alle gevolgen van dien. Maar wij hebben in de gesprekken gemerkt hoezeer trots op het eigen dorp vliegwiel kan zijn van nieuwe sociale en economische dynamiek. Zie het (maatschappelijk) ondernemerschap in Kollum. Goed voorbeeld doet volgen. 6 Een betrouwbare overheid pakt problemen aan Veel mensen die op achterstand staan, hebben niet het gevoel dat de overheid er voor hen is, zich voor hen inzet om hun leven beter te maken. Vandaar hun gebrek aan vertrouwen, ook in eerstelijnsprofessionals, want die worden ook als ‘de overheid’ gezien. De kerntaak van de overheid is om problemen en zorgen van Nederlanders aan te pakken. Dit gebeurt niet of te weinig doortastend en effectief. Wat ‘de afhakers’ verbindt, is de teleurstelling over het probleemoplossend vermogen van de overheid en de traditionele middenpartijen. Inwoners van Noardeast-Fryslân hebben van dichtbij het falen van de overheid op het aardgasdossier en het migratiedossier (Ter Apel) in het naburige Groningen gezien. De mogelijke komst van een AZC naar Dokkum heeft zelf voor een breuk in het college gezorgd. Ook het woningtekort en de vastgelopen woningmarkt, de toeslagenaffaire, de bestaansonzekere positie van veel inwoners zijn geen zaken die het vertrouwen in de landelijke overheid hebben verhoogd.

Ook het verharden van ongelijkheid in de samenleving heeft voor minder vertrouwen richting de overheid gezorgd.18 Effectieve achterstandsbestrijding versterkt niet alleen de vertrouwensband met publieke instanties en de politiek, maar geeft ook impulsen aan gemeenschapsvorming. Burgers die niet meer de dagelijkse strijd om het bestaan hoeven te voeren, hebben eindelijk de tijd om zich te richten op meer collectieve zaken. In onze eerste halteplaats Arnhem van het Karavaan-traject zei burgemeester Marcouch: ‘Gemeenschapsvorming is het resultaat van inzet op achterstandsbestrijding.’ 7 Een betrouwbare overheid houdt het simpel, is toegankelijk en voorspelbaar19 De gesprekken met vooral de eerstelijnsprofessionals maken duidelijk dat de gebureaucratiseerde systemen van de overheid piepen en kraken. Het systeem is te complex geworden om kwetsbare bewoners bestaanszekerheid te geven. Te veel regelingen, te veel loketten, te veel afstand. Een formulierenbrigade is nodig om hen daarbij te helpen. ‘Dokkum’ is voor velen ook te ver weg. Mogelijk oplossingsrichting: help de burger ongeacht het loket waar hij aanklopt. Dat kan door professionals achter elk loket de toegang te geven tot alle regelingen - er is geen verkeerd loket. Informeer burgers goed waar ze moeten zijn. Door burgers goed te helpen, winnen professionals aan vertrouwen terug.

8 Een betrouwbare overheid heeft ambtenaren die nabij en benaderbaar zijn Eerstelijnsprofessionals en ambtenaren zijn het gezicht van de overheid. Zij moeten laten zien dat ze daadwerkelijk luisteren en relaties kunnen opbouwen. Vertrouwen win je door als overheid te luisteren naar bewoners, en door te laten zien dat je er ook iets mee doet, ook al boek je met al je inspanningen niet altijd het gewenste resultaat. Over de wethouder die mee op voetbalkamp ging, wordt nu nog gepraat. Publieke instanties zijn te ver van burgers af komen te staan, vaak digitaal afgeschermd. Het type nabije professional die face to face samen met een gezin of een cliënt problemen oplost, is te veel weggevallen; evenals de opbouwwerker die de tijd krijgt om te investeren in de sociale netwerken van dorpen. De dorpen- en wijken-coördinatoren zijn een mooi voorbeeld van zulke nabije professionals. We hebben kunnen zien hoezeer dat door inwoners wordt gewaardeerd. 9 Een betrouwbare overheid heeft professionals die werken volgens een nieuwe standaardmethode gebaseerd op vertrouwen Dit is een cruciaal punt: professionals gaan burgers en cliënten bejegenen vanuit een grondhouding van vertrouwen. We sluiten hier aan bij het onderzoek van Kenniscentrum 18 Zie de recente SCP-studies Eigentijdse ongelijkheid (2023) en Somber over de samenleving? (2023). 19

Amagir, A. en M. Kremer (red.) (2024), Bestaanszekerheid begint bij een betrouwbare overheid. Kenniscentrum Ongelijkheid. Zie in het bijzonder: ‘Handreikingen voor het beleid. Drie actielijnen voor meer bestaanszekerheid’, p. 70-73.

32

Ongelijkheid in Amsterdam. Amagir en Kremer (red.) (2024) spreken van een nieuwe standaardmethode die maar om één vraag draait: ‘Wat heeft u nodig om goed te leven?’ Voor het uitzoeken wat daarvoor nodig is, hebben burger en professional een gedeelde verantwoordelijkheid. Professionals gaan volgens deze methode samen met burgers (de mienskip) en met hun collega’s – ook die van andere instanties – op zoek naar oplossingen op maat die burgers uit moeilijke situaties kunnen helpen. Daarvoor is professioneel vakmanschap nodig, dat wil zeggen zicht en inzicht in de complexe regels en hoe ze daar samen met burgers de weg in kunnen vinden. Vakmanschap betekent óók goed zicht hebben op alle levensdomeinen van mensen. Kwaliteit van leven en bestaanszekerheid – leert Noardeast-Fryslân - kan niet gereduceerd worden tot stabiliteit in werk en inkomen, al legt dat wel een basis in het bestaan. Ook opgenomen zijn in een gemeenschap, het bezit van een onderscheidende identiteit en wonen in een omgeving gekenmerkt door rust, ruimte zijn belangrijke aspecten van deze kwaliteit van leven. 10 Een betrouwbare overheid trekt lessen uit de Friese paradox: gelukkige burgers zijn belangrijker dan welvarende burgers. Een betrouwbare overheid stuurt op brede welvaart en welzijn, en niet louter op kosten en economische efficiency.

Er zijn aanwijzingen dat juist in die regio’s van Nederland waar nabuurschap en gemeenschapskracht (mienskip) in het DNA zit, mensen zich meer gekend en erkend weten, wat een aantoonbaar effect heeft op het fysiek en mentaal welbevinden. In de Atlas van Afgehaakt Nederland wordt deze correlatie getoond, juist ook voor grote delen van Oost- en Noord-Nederland. Dit alles vergt nog meer onderzoek, maar ons Karavaan-bezoek aan de gemeente Noardeast-Fryslân heeft eerder meer positieve indicaties voor deze samenhang opgeleverd, dan negatieve.

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=886eb174-878d-4f0e-9452-c541666356e1