CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Blije - De Terp 22_ontwerp_1

It Beslút 12 januari 2023, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Blije-De Terp 22’20.139 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Van soorten uit categorie 1 tot en met 4 zijn de nesten jaarrond beschermd, van vogelsoorten uit categorie 5 hebben de nesten uitsluitend een jaarrond beschermde status indien er sprake is van ‘zwaarwegende ecologische redenen’. Dit laatste is zelden het geval2.

2.2.3 Houtopstanden Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van houtopstanden (voorheen geregeld via de Boswet). Uitgangspunt van de bescherming van houtopstanden in de Wet natuurbescherming vormt het behoud van het in Nederland aanwezige areaal bos. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In het geval van het vellen van houtopstanden die vallen buiten de bepalingen van §4.1 van de Wet natuurbescherming (hieronder vallen onder meer houtopstanden binnen de bebouwde kom, op erven, opstanden van populieren of wilgen langs wegen of waterwegen) geldt een meldingsplicht bij de provincie en mogelijk hieruit voortvloeiend een kapverbod dan wel herplantplicht.

1

Onder voorwaarden - waaronder activiteiten in het kader van RO - zijn de volgende soorten zoogdieren vrijgesteld: aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Daarnaast betreft het de volgende soorten amfibieën: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker/bastaardkikker. 2

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten vallend onder categorie 1 tot en met 4 in Fryslân zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw.

8

2.2.4 Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een algemene zorgplicht opgenomen (§1.3 artikel 1.11). In de wettekst wordt met betrekking tot deze zorgplicht het volgende gesteld: Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Bovengenoemde zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd - de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen of - voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen - deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

De zorgplicht houdt met andere woorden in dat planten en dieren niet onnodig vernield dan wel gedood of verstoord mogen worden en dat de uitvoerder doet wat redelijkerwijs mogelijk is om schade aan wilde planten en dieren zoveel mogelijk te voorkomen. De zorgplicht geldt voor iedere soort en individu in Nederland.

2.3 Natuurnetwerk Nederland De Verordening Romte Fryslân 2014 is opgesteld om ervoor te zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In de verordening staan regels over de thema’s bundeling, ruimtelijke kwaliteit, wonen, werken, recreatie en toerisme, landbouw, natuur, kustverdediging en duurzame energie. In 2018 is een geconsolideerde versie van de verordening vastgesteld. Hierin is onder meer de bescherming van gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland en andere (natuur)gebieden geregeld. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk kan beschouwd worden als de ruggengraat van de Nederlandse natuur en moet natuurgebieden beter met elkaar verbinden om te voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en natuurgebieden hun waarde verliezen. Naast de Natura 2000-gebieden bevat het Natuurnetwerk Nederland ook overige leefgebieden van soorten en (agrarische) gebieden die een verbinding vormen tussen natuurgebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de provincies zijn verantwoordelijk voor het vormgeven en ontwikkelen van dit netwerk. De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland en de functies die deze gebieden 9

hebben, zijn planologisch beschermd via provinciaal beleid (Verordening Romte Fryslân 2014, geconsolideerde versie 2018). Doorwerking van het NNN beleid vindt plaats bij toetsing van gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan de provinciale verordening. Het beleid ten aanzien van de bescherming van NNN-gebieden kent een ‘nee, tenzij’- principe. Dit houdt samengevat in dat er geen nieuwe ontwikkelingen zijn toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN.

10

3 RESULTATEN EN EFFECTBEPALING 3.1 Gebiedsbescherming en bescherming van houtopstanden

3.1.1 Natura 2000 Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied (afb. 3). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Waddenzee, ligt circa 1,6 km ten noorden van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op een afstand van 12,5 km ten zuiden van het plangebied (Groote Wielen bij Leeuwarden) en op bijna 19 km naar het oosten (het Lauwersmeer). Het uitgangspunt ten aanzien van de bescherming van Natura 2000-gebieden is dat een activiteit of ruimtelijke ontwikkeling niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen. Voor de Waddenzee zijn deze doelstellingen zowel vanuit de Habitatrichtlijn als de Vogelrichtlijn geformuleerd.

Afb. 3. Natura 2000-gebieden (paars) en Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) in de omgeving van het plangebied (rode kader). Bron: Planologische Ecologische Hoofdstructuur kaart Provincie Fryslân (https://www.fryslan.frl/home/kaarten_3208/item/). Veel Nederlandse Natura 2000-gebieden, waaronder de Waddenzee, kampen met een stikstofoverschot. Het is daarom van belang om bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij stikstof vrijkomt, vooraf vast te stellen of ten gevolge hiervan vastgestelde grenswaarden met betrekking tot de emissie van stikstof (kunnen) worden overschreden. Voorheen werd hiervoor het Programma Aanpak Stikstof (PAS) gebruikt. Deze aanpak werd op 29 mei 2019 11

door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ongeldig verklaard. De overheid werkt aan een nieuwe aanpak stikstof. In afwachting hierop zijn op dit moment ingrepen die de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in de omgeving verhogen in principe niet toegestaan. Met het oog hierop wordt momenteel de drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jaar gehanteerd. Of bij de sloop van de gymzaal en de nieuwbouw van woningen in het plangebied sprake zal zijn van een overschrijding van genoemde grenswaarden, is onder meer afhankelijk van het in te zetten materieel en de duur van de werkzaamheden. Om een negatief effect ten gevolge van stikstofemissie van het project op genoemde Natura 2000-gebieden uit te kunnen sluiten, wordt geadviseerd om een stikstofberekening met behulp van AERIUS uit te laten voeren. Hierbij wordt per emissiebron en per fase van het planvoornemen bepaald wat de totale uitstoot is. Voor wat betreft andere storingsfactoren, waaronder oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, geluid, licht, trilling en optische verstoring, kan op voorhand worden uitgesloten dat de realisatie van het planvoornemen zal leiden tot negatieve effecten, zowel direct als indirect, op de soorten, habitats van soorten of habitattypen van Natura 2000gebied Waddenzee. Dit op grond van de afstand en de afschermde werking van de tussenliggende infrastructuur.

Omdat er geen sprake is van effecten op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is er geen aanleiding om te verwachten dat er wel sprake zijn van effecten op genoemde Natura 2000-gebieden op grotere afstanden van het plangebied. Een nader onderzoek hiernaar wordt niet nodig geacht.

3.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), noch bevinden zich gebieden die tot het NNN behoren in de directe omgeving (afb. 3). Dit met uitzondering van de Natura 2000-gebieden die automatisch ook deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (zie §3.1.1). Er is geen sprake van directe dan wel indirecte aantasting van het NNN, een vervolgonderzoek is niet nodig.

3.1.3 Houtopstanden Er is geen sprake van het vellen van houtopstanden met een oppervlakte van tien are of meer dan wel een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Wel is bij de kap van op het terrein aanwezige bomen mogelijk een omgevingsvergunning (voorheen kapvergunning) van de eigen organisatie (gemeente Noardeast-Fryslân) benodigd.

12

3.2 Soortbescherming

3.2.1 Afbakening soortgroepen Op grond van de geografische ligging van het plangebied in het noordelijk zeekleigebied, de ligging in de bebouwde kom van Blije, de aanwezige biotoop en de bekende verspreiding van beschermde soorten (NDFF en literatuur) kan worden gesteld dat het plangebied niet van belang is voor beschermde soorten van andere soortgroepen dan vogels en zoogdieren. De geschiktheid van het plangebied voor deze soortgroepen wordt hieronder in detail uitgewerkt. Tevens kunnen binnen het plangebied enkele soorten amfibieën met een provinciale vrijstelling voorkomen. Voor deze vrijgestelde soorten geldt wel onverminderd de zorgplicht (§2.2.4).

3.2.2

Vogels

3.2.2.1 Nesten met een jaarrond beschermde status Gezien de ligging van het plangebied in een sterk versteende buurt binnen de bebouwde kom, is dit slechts geschikt voor een beperkt aantal vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Alle bomen in en rondom het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van boomnesten met een (mogelijke) jaarrond beschermde status. Deze zijn niet aangetroffen. Daarnaast is de bebouwing in en rondom het plangebied beoordeeld op geschiktheid voor (jaarrond beschermde) verblijfplaatsen van huismus en gierzwaluw. De huismus is een standvogel die in (los) kolonieverband broedt. Meestal bevinden nesten van de soort zich onder dakpannen, maar ook wel in gaten en kieren, achter regenpijpen en in nestkasten. Binnen het plangebied worden geen nesten van huismus verwacht vanwege het ontbreken van een pannendak en andere voor de soort geschikte nestruimtes. Tijdens het veldbezoek waren territoriale mannetjes huismus aanwezig op de dakgoot van het blok woningen aan De Terp 14-20. Tevens waren diverse foeragerende huismussen aanwezig bij een voederplaats in de tuin van De Terp 7. Het is op grond van deze waarnemingen zeer aannemelijk dat er in de woningen rondom het plangebied nesten van huismus aanwezig zijn.

Effecten op het functioneel leefgebied van deze vogels ten gevolge van de voorgenomen plannen ter plaatse van de gymzaal kunnen worden uitgesloten: er is op genoemde locaties en elders in de buurt ruim voldoende en meer geschikt leefgebied aanwezig. Ook de gierzwaluw is een (semi-) koloniebroeder van gebouwen, waarvan de nesten zich onder dakpannen, in kieren en gaten in muren en in nestkasten bevinden. De aanwezigheid van nesten van gierzwaluw in het plangebied worden uitgesloten vanwege het ontbreken van een pannendak en overige geschikte ruimtes voor nestlocaties. Effecten op jaarrond beschermde vogelnesten in en rondom het plangebied worden uitgesloten, een nader onderzoek is niet aan de orde.

13

3.2.2.2 Overige broedvogels In het plangebied kunnen diverse algemene soorten vogels tot broeden komen. Met name de struiken en bomen langs de noord(west)zijde van het plangebied en de haag rondom het terrein vormen een geschikte broedlocatie voor diverse algemene soorten (zang)vogels. In de groenstrook langs de noordgrens van het plangebied is een oud merelnest aanwezig (afb. 4). De nesten van alle in Nederland in het wild levende vogels zijn wettelijk beschermd (§2.2.2). In het geval de werkzaamheden worden uitgevoerd tijdens het broedseizoen, leidt dit mogelijk tot het vernietigen van in gebruik zijnde nesten en de verstoring en/of verlating van direct buiten het plangebied gesitueerde nesten. Om een overtreding van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming uit te sluiten moet het vernietigen of verstoren van vogelnesten worden voorkomen. Dit kan in het algemeen relatief eenvoudig worden gerealiseerd door de voorgenomen werkzaamheden uit te voeren buiten de broedtijd en/of indien er geen broedgevallen aanwezig zijn.

Afb. 4. Oud merelnest in groenstrook langs noordzijde van het plangebied.

3.2.3 Zoogdieren

3.2.3.1 Vleermuizen Van de in Nederland voorkomende vleermuizen zijn alle onderdelen van het leefgebied beschermd, die een belangrijke rol bekleden in het voortbestaan van (lokale) vleermuispopulaties. Dit betreft dus niet alleen de dieren zelf en hun vaste rust- en 14

voortplantingslocaties in bomen en/of gebouwen, maar eveneens de onderdelen van hun functionele leefomgeving, waaronder jachtgebieden en vaste vliegroutes tussen de verblijven en de jachtgebieden. Vleermuizen gebruiken in de loop van een jaar verschillende (typen) verblijfplaatsen in bomen en/of gebouwen: kraam- en zomerverblijven, paarverblijven en winterverblijven. Het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld op de aanwezigheid van al deze onderdelen. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van potentieel geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen in de vorm van (spechten)gaten, inrottingsholtes en loszittende schors. Deze zijn niet aanwezig. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Er is ruim voldoende geschikt biotoop aanwezig in tuinen en groenstroken in de directe omgeving. Ook maakt het plangebied geen deel uit van een essentiële vliegroute: ononderbroken, lijnvormige landschapselementen, waarlangs vleermuizen zich van hun verblijfplaatsen naar hun jachtgebieden verplaatsen, zijn niet aanwezig. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen gymzaal kan daarentegen niet uitgesloten worden. Het gebouw beschikt over een via talloze open stootvoegen toegankelijke luchtspouw.

In het geval er vleermuizen in de gymzaal verblijven, zal de voorgenomen sloop leiden tot het vernietigen van verblijfplaatsen en het eventueel doden van dieren. Dit betreft een overtreding van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming. Geadviseerd wordt om de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen aan te tonen, dan wel uit te sluiten door middel van een nader onderzoek. Doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van de functie van de gymzaal voor vleermuizen (zowel type verblijfplaatsen als vleermuissoorten).

3.2.3.2 Overige soorten Het plangebied valt weliswaar binnen het verspreidingsgebied van de waterspitsmuis, maar is hiervoor vanwege het ontbreken van geschikt biotoop ongeschikt. De steenmarter is een soort die zowel binnen als buiten de bebouwde kom kan worden aangetroffen. Verblijven van de soort kunnen zich bevinden in bijvoorbeeld boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders of kruipruimtes, in spouwmuren en ruimten onder dakbedekkingen. De soort markeert zijn territorium bij intensief gebruik op duidelijk zichtbare locaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van steenmarter aangetroffen. Op grond van het veldonderzoek en het ontbreken van bekende waarnemingen van de soort in en rond de bebouwde kom van Blije (NDFF) wordt geconcludeerd dat het plangebied niet van betekenis is voor de soort. Bovendien geldt voor steenmarter en enkele andere soorten (kleine) marterachtigen in de provincie Fryslân een provinciale vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (§2.2.2). Ook is het plangebied geschikt voor enkele andere zoogdiersoorten met een provinciale vrijstelling, waaronder enkele soorten muizen en spitsmuizen. Voor deze vrijgestelde soorten en niet beschermde soorten (waaronder bijvoorbeeld de mol) geldt wel onverminderd de zorgplicht (§2.2.4). 15

4 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 4.1 Gebiedsbescherming en houtopstanden Ten aanzien van de bescherming van natuurgebieden en houtopstanden wordt het volgende geadviseerd: 

Natura 2000: Om te kunnen beoordelen of stikstofdepositie bij de uitvoer van het planvoornemen kan leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied Waddenzee, wordt geadviseerd om een stikstofberekening te laten uitvoeren (AERIUS). Natuurnetwerk Nederland (NNN of EHS): Er is geen sprake van directe, dan wel indirecte negatieve effecten op het NNN. Vervolgstappen ten aanzien van het NNN zijn niet aan de orde. Houtopstanden: Er is geen sprake van het vellen van houtopstanden of een rijbeplanting. Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing. Wel is bij de kap van bomen mogelijk een omgevingsvergunning (voorheen kapvergunning) van de eigen organisatie (gemeente Noardeast-Fryslân) benodigd.

4.2 Soortbescherming Ten aanzien van de bescherming van de in de tabel genoemde soorten wordt het volgende geadviseerd: 

Algemene broedvogels Het plangebied vormt een geschikt broedgebied voor diverse algemene soorten broedvogels. Voor deze soorten geldt, dat er geen overtreding van de Wet natuurbescherming aan de orde is in het geval de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd en/of indien er geen sprake is van de aanwezigheid van broedende vogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode voor het broedseizoen gedefinieerd. In de praktijk wordt hiervoor over het algemeen globaal de periode medio maart tot en met medio juli aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van de werkzaamheden. Wanneer het niet mogelijk is om (volledig) buiten het broedseizoen te werken, wordt geadviseerd om het plangebied ruim voor de werkzaamheden ongeschikt te maken (en houden) voor broedvogels. In dat geval moet kort voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied door een ter zake kundige worden beoordeeld op de aanwezigheid van broedende vogels. Indien sprake blijkt van broedgevallen kan er worden gekeken of locatiespecifieke maatregelen mogelijk zijn, dan wel moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot er geen sprake meer is van broedgevallen. 16

Vleermuizen: De gymzaal is geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Geadviseerd wordt om de aanwezigheid hiervan aan te tonen, dan wel uit te sluiten door middel van een nader onderzoek. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de methodiek van het Vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus 2020) en bestaat uit een jaarrond onderzoek bestaand uit (ten minste) vijf veldbezoeken: drie tijdens het kraamseizoen (periode 15 mei-15 juli) en twee bezoeken tijdens het paarseizoen (15 augustus-1 oktober). Zorgplicht: Voor alle soorten, maar in het bijzonder de in het plangebied te verwachten soorten amfibieën en zoogdieren met een provinciale vrijstelling, geldt de algemene zorgplicht (§2.2.4). Deze schrijft voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen.

4.3 Natuurinclusieve nieuwbouw De biodiversiteit in Nederland en de rest van de wereld staat onder druk. Los van de uitkomsten van het nader onderzoek naar vleermuizen verdient het vanuit het oogpunt van biodiversiteit sterk de aanbeveling om de locatie in de toekomstige situatie duurzaam geschikt(er) te maken voor diverse groepen soorten. Hierbij kan gedacht worden aan in de gevels ingebouwde nestkasten voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Andere maatregelen voor meer biodiversiteit rondom huis zijn het realiseren van groene daken en het laten begroeien van een deel van de gevel. Zelfs bij geringe oppervlaktes trekken dergelijke maatregelen al snel meer insecten (waaronder dagvlinders, bijen en zweefvliegen) aan, die op hun beurt weer voedsel vormen voor onder meer vogels en vleermuizen. Een groene(re) omgeving vormt bovendien een meer leefbare omgeving voor mensen. Voor meer informatie en praktische voorbeelden van natuurinclusief bouwen, zie onder meer: https://bouwnatuurinclusief.nl/gemeente en https://www.checklistgroenbouwen.nl/.

17

5 GERAADPLEEGDE BRONNEN Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten. Versie 1.0, juli 2017. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (red), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Natuur van Nederland 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Korsten, E. en Regelink, J.R. (2010). Cursus herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en ander ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen.

Internet Wettekst Wet natuurbescherming: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01 Gebiedendatabase Natura 2000-gebieden: https://www.natura2000.nl/gebieden/friesland Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) uitvoerportaal, geraadpleegd op 1 maart 2021: https://ndffecogrid.nl/ Natuurinclusief bouwen: https://bouwnatuurinclusief.nl/gemeente en https://www.checklistgroenbouwen.nl/ Netwerk Groene Bureaus, 2020. Vleermuisprotocol 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl Planologische Ecologische Hoofdstructuur/Natuurnetwerk Nederland provincie Fryslân: https://www.fryslan.frl/home/kaarten_3208/item/planologische-ecologische-hoofdstructuurkaart-planologische-ehs_736.html Verordening Romte Fryslân 2014, geconsolideerde versie 2018: https://www.fryslan.frl/beleidsthemas/ruimtelijke-plannen_43673/ Verspreiding van soorten: www.verspreidingsatlas.nl

18

BIJLAGE I

FOTOBIJLAGE

19

Zuidzijde gymzaal met aan westzijde aanbouw en sirene. Foto richting noorden.

Gymzaal vanaf kruising De Terp en Johannes Doornbosstrjitte. Foto richting noordwesten. 20

Tegelpad en groenstrook langs noordzijde plangebied. Foto richting westen.

Tegelpad met groenstrook langs westzijde plangebied. Foto richting zuiden. 21

Aanbouw, sirene, schoorsteen en groenstrook langs westzijde. Foto richting noorden.

Open stootvoegen in bovenzijde zuidgevel gymzaal. Foto richting noorden. 22

60/166

Bijlage 2

61/166

Aanvullend onderzoek ecologie

SLOOP DE TERP 22 BLIJE AANVULLEND ONDERZOEK NATUURWETGEVING

Mulder Ecologie Van Goghstraat 75 9718 MT Groningen www.mulder-ecologie.nl info@mulder-ecologie.nl

SLOOP DE TERP 22 BLIJE AANVULLEND ONDERZOEK NATUURWETGEVING

Datum

01-10-2021

Rapportkenmerk

2021007-02

Opdrachtgever

Gemeente Noardeast-Fryslân

Contactpersoon

Dhr. M. Feenstra

Auteur

Mevr. S.A. Mulder

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

INLEIDING ................................................................................................................................. 6 1.1

Aanleiding ......................................................................................................................... 6

1.2

Huidige situatie................................................................................................................. 6

1.3

Planvoornemen ................................................................................................................ 7

TOETSINGSKADER .................................................................................................................... 9 2.1

Inleiding ............................................................................................................................ 9

2.2

Vogelrichtlijn..................................................................................................................... 9

2.3

Habitatrichtlijn ................................................................................................................ 10

2.4

Andere soorten .............................................................................................................. 10

2.5

Zorgplicht ........................................................................................................................ 10

RESULTATEN ........................................................................................................................... 12 3.1

3.1.1

Methodiek ............................................................................................................... 12

3.1.2

Resultaten ............................................................................................................... 12

3.1.3

Effectbepaling ......................................................................................................... 14

3.2

5

Ransuil ............................................................................................................................. 14

3.2.1

Methodiek ............................................................................................................... 14

3.2.2

Resultaten ............................................................................................................... 15

3.2.3

Effectbepaling ......................................................................................................... 16

3.3

4

Vleermuizen .................................................................................................................... 12

Steenmarter.................................................................................................................... 16

3.3.1

Methodiek ............................................................................................................... 16

3.3.2

Resultaten ............................................................................................................... 17

3.3.3

Effectbepaling ......................................................................................................... 17

Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................ 19 4.1

Inleiding .......................................................................................................................... 19

4.2

Vleermuizen .................................................................................................................... 19

4.3

Ransuil ............................................................................................................................. 19

4.4

Steenmarter.................................................................................................................... 20

4.5

Aanbevelingen ................................................................................................................ 20

GERAADPLEEGDE BRONNEN ................................................................................................. 21

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De gemeente Noardeast-Fryslân is voornemens om aan De Terp 22 in Blije (afb. 1) drie bouwkavels met vrijstaande woningen te realiseren. In het kader van dit voornemen worden de op de kavel aanwezige gymzaal gesloopt en wordt mogelijk de aanwezige begroeiing verwijderd. De haalbaarheid van dit planvoornemen is door middel van een quickscan beoordeeld in relatie tot de natuurwetgeving (Mulder Ecologie, rapport 2021007). Uit dit onderzoek is gebleken dat negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen in de gymzaal niet op voorhand uit te sluiten zijn. Geadviseerd is, om hiernaar een nader onderzoek uit te voeren. Ook is het plangebied tijdens dit onderzoek aanvullend beoordeeld op functionaliteit voor ransuil en steenmarter. Onderstaande rapportage gaat in op het uitgevoerde onderzoek en geeft antwoord op de vraag of met het slopen van de gymzaal sprake kan zijn van een overtreding van de Wet natuurbescherming en zo ja, wat in dat geval de te nemen vervolgstappen zijn.

Afbeelding 1. Ligging van het plangebied (rode kader). Bron: www.opentopo.nl.

1.2 Huidige situatie Het plangebied wordt gevormd door een gymzaal aan De Terp 22 in Blije in de gemeente Noardeast-Fryslân (afb. 2). De gymzaal is gelegen in het zuiden van het dorp, ter hoogte van de 6

kruising van De Terp met de Johannes Doornbosstrjitte (afb. 3). Het plangebied bestaat uit een hoge gymzaal met aparte schoorsteen langs de noordwestzijde. Aan de noord- en westzijde van de gymzaal bevinden zich lagere aanbouwen met kleed-, douche- en toiletruimtes. De gymzaal en aanbouwen beschikken over een via open stootvoegen toegankelijke luchtspouw en een plat dak met bitumen dakbedekking. Ten westen van de gymzaal staat een WAS-sirene op paal. Langs de oost- en zuid(west)zijde van de gymzaal bevinden zich respectievelijk een gazon en een haag ter afscheiding van het trottoir. Langs de noord(west)zijde loopt een tegelpad met daarlangs een smalle groenstrook met enkele bomen (meest es en zwarte els) en heesters (afb. 2). De gymzaal is al geruime tijd buiten gebruik. Diverse ramen zijn ingegooid en de toegangen tot de gymzaal zijn dichtgespijkerd.

Afbeelding 2. De te slopen voormalige gymzaal aan De Terp 22 in Blije.

1.3 Planvoornemen Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van drie vrijstaande woningen en de sloop van de gymzaal en het (mogelijk) verwijderen van de op het terrein aanwezige vegetatie in het kader hiervan. Deze werkzaamheden zijn voorzien voor eind 2021.

7

Afbeelding 3. Kadastrale kaart van het plangebied. Bron: Gemeente Noardeast-Fryslân.

8

2 TOETSINGSKADER 2.1 Inleiding Onderstaande toetsing is uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb), onderdeel soorten. Voor toetsing van het planvoornemen aan andere kaders dan de soortbescherming (waaronder Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden) wordt verwezen naar de quickscan rapportage. Voor de bescherming van flora en fauna worden in de Wnb de volgende categorieën onderscheiden:   

Soorten van de Vogelrichtlijn (§3.1 Wnb); Soorten van de Habitatrichtlijn en enkele bijlagen uit het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (§3.2 Wnb); Nationaal beschermde soorten (§3.3 Wnb).

Voor een overzicht van de verbodsbepalingen voor de soorten vallend onder bovengenoemde categorieën wordt verwezen naar tabel 1. De verbodsbepalingen van bescherming van de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, de derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. In gevallen waarbij sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen in tabel 1, en een provinciale vrijstelling niet aan de orde is (§2.4), dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (in dit geval de provincie Fryslân).

2.2 Vogelrichtlijn In de Wnb genieten vogelnesten in principe alleen bescherming in de periode dat ze in gebruik zijn. De ecologische functionaliteit van de nesten moet hierbij gewaarborgd zijn. Buiten deze periode vallen de nesten niet onder de verbodsbepalingen van de Wnb. Om aan een aantal vogelsoorten extra bescherming te bieden is vanuit de provincies een overzicht opgesteld van vogelsoorten waarvan nesten en de directe functionele omgeving van de nestplaats jaarrond bescherming genieten (de zogenaamde ‘RVO-lijst’). Onder functionele omgeving worden alle essentiële onderdelen van de omgeving van een nest verstaan, die nodig zijn om een nest als zodanig te laten functioneren (waaronder foerageergebieden, vliegroutes naar het nest, rustplaatsen, uitzichtpunten en locaties die van belang zijn voor balts en voortplanting). Deze lijst en bijbehorende beschermingsstatus is als zodanig dus niet opgenomen in de Wnb, maar opgenomen in provinciale beleidsregels. Binnen de lijst met jaarrond beschermde nesten wordt onderscheid gemaakt in vijf categorieën. Van soorten uit categorie 1 tot en met 4 zijn de nesten jaarrond beschermd, van vogelsoorten uit categorie 5 hebben de nesten uitsluitend een jaarrond beschermde status indien er sprake is van ‘zwaarwegende ecologische redenen’.

De nesten en bijbehorende functionele leefomgeving van ransuil vallen in categorie 4: vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 9

2.3 Habitatrichtlijn De vaste rust- en verblijfplaatsen van alle in Nederland voorkomende soorten vleermuizen zijn jaarrond beschermd via de Habitatrichtlijn. Ook de functionele leefomgeving van vleermuizen is beschermd in het geval deze van essentieel belang is voor het functioneren van verblijfplaatsen.

2.4 Andere soorten Met de inwerkingtreding van de Wnb op 1 januari 2017 is de wettelijke bevoegdheid in veel gevallen gedecentraliseerd van het Rijk naar de provincies. Vanuit deze positie hebben de provincies de bevoegdheid om voor soorten uit de derde categorie, de nationaal beschermde soorten, onder voorwaarden een vrijstelling van de ontheffingsplicht in de Wnb te verlenen. Voor de provincie Fryslân worden deze soorten, alsmede de aan de vrijstelling gestelde voorwaarden, benoemd in de Verordening natuurbescherming Fryslân. In artikel 5.1, lid 1 van deze verordening wordt gesteld dat de in §3.3 artikel 3.10, lid 1 van de Wnb opgenomen verboden (zie tabel 1) niet gelden voor de in bijlage I van de verordening genoemde soorten, waaronder de steenmarter.

2.5 Zorgplicht In de Wnb is een algemene zorgplicht opgenomen (§1.3 artikel 1.11). In de wettekst wordt met betrekking tot deze zorgplicht het volgende gesteld: Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Bovengenoemde zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel - indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd - de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen of - voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen - deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

De zorgplicht houdt met andere woorden in dat planten en dieren niet onnodig vernield dan wel gedood of verstoord mogen worden en dat de uitvoerder doet wat redelijkerwijs mogelijk is om schade aan wilde planten en dieren zoveel mogelijk te voorkomen. De zorgplicht geldt voor iedere soort en individu in Nederland.

10

Doden en vangen

Voortplantings- en rustplaatsen

Rapen eieren

Verstoring

Vernielen of verwijderen planten

§ 3.1. Vogelrichtlijn

§ 3.2. Habitatrichtlijn

§ 3.3. Andere soorten

Artikel 3.1 lid 1 Het is verboden opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen.

Artikel 3.5 lid 1 Het is verboden in het wild levende dieren van soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.10 lid 1a Het is verboden in het wild levende dieren opzettelijk te doden of te vangen.

Artikel 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Artikel 3.1 lid 3 Het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben. Artikel 3.1 lid 4 en 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen (lid 4), tenzij aangetoond kan worden dat de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (lid 5).

Artikel 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

N.v.t.

Artikel 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Artikel 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Artikel 3.5 lid 5 Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

N.v.t.

N.v.t.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Tabel 1. Verbodsbepalingen met betrekking tot soortbescherming Wet natuurbescherming.

11

3 RESULTATEN 3.1 Vleermuizen

3.1.1 Methodiek Het aanvullende onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in de gymzaal is uitgevoerd conform de richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2021. Het onderzoek heeft bestaan uit vijf veldbezoeken van twee uur, drie in de kraamperiode en twee tijdens de paarperiode. Ten behoeve van het opsporen van zomerverblijfplaatsen van gewone en/of ruige dwergvleermuis heeft een van de bezoeken in de kraamtijd plaatsgevonden voorafgaand aan zonsopkomst, de andere twee bezoeken in de kraamtijd zijn met het oog op laatvlieger uitgevoerd na zonsondergang. In de kraamperiode is met name gelet op in- en/of uitvliegende dieren bij de gymzaal (indicatief voor kraam- en/of zomerverblijfplaatsen), in de paartijd heeft het onderzoek zich geconcentreerd op waarnemingen van territoriale mannetjes (indicatief voor paarverblijfplaatsen). Ten behoeve van het opsporen van paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis is een van de bezoeken in de paartijd rond middernacht uitgevoerd. Tijdens het onderzoek zijn zowel visuele waarnemingen als geluidswaarnemingen gedaan. Voor de determinatie van vleermuizen aan de hand van hun ultrasone geluiden is gebruikgemaakt van een batdetector van het type Petterson D240X met hieraan gekoppelde opnameapparatuur. Indien nodig zijn de geluiden na afloop van het veldbezoek geanalyseerd met gespecialiseerde software (Batsound).

Alle bezoeken zijn uitgevoerd onder gunstige weersomstandigheden. Tabel 2 geeft hiervan een overzicht. Ronde

Datum

Tijd

Zon

Weer

1

17 mei

21:30-23:30

21:34 Droog, half bewolkt, W 2 Bft, 10°C

2

10 juni

22:00-00:00

22:03 Droog, onbewolkt, ZW 1 Bft, 16°C

3

28 juni

03:10-05:10

05:11 Droog, onbewolkt- bewolkt, NO 4 Bft, 16°C

4

17 augustus

22:00-00:45

21:00

Droog, onbewolkt, NW 2 Bft, 16°C

5 13 september 21:30-00:00 19:57 Droog, onbewolkt, O 2 Bft, 15°C Tabel 2. Overzicht uitgevoerde onderzoeken naar verblijfplaatsen van vleermuizen.

3.1.2 Resultaten Tijdens het onderzoek is in de gymzaal één vaste rustplaats van een gewone dwergvleermuis geconstateerd. Dit betreft een zomerverblijfplaats van een individueel dier, die op 10 juni vastgesteld werd: rond drie kwartier na zonsondergang vloog een dier uit een open stootvoeg aan de oostzijde van de aanbouw ten noordwesten van de gymzaal (afb. 4). Afgezien hiervan 12

zijn er tijdens de avondrondes geen uitvliegende dieren waargenomen, noch is er sprake geweest van zwermende en/of invliegende dieren bij het ochtendbezoek.

Afbeelding 4. Locatie verblijfplaats gewone dwergvleermuis 10 juni (rode kader). In de paarperiode zijn geen territoria van mannetjes in het plangebied geconstateerd. Mannetjes van de gewone dwergvleermuis geven in deze periode blijk van hun aanwezigheid door veelvuldig al roepend in het territorium rond te vliegen, veelal in vaste trajecten. Mannetjes van de ruige dwergvleermuis lokken vrouwtjes veelal vanaf een vaste locatie. Van deze soort zijn de locaties van paarverblijven doorgaans gemakkelijker exact te lokaliseren. Bij de bezoeken aan het plangebied in augustus en september waren er geen baltsende mannetjes dwergvleermuis in het plangebied aanwezig. Wel werden baltsende mannetjes gewone dwergvleermuis waargenomen in de Hendrik Kroesstrjitte en aan de Stationsweg. Beide mannetjes vlogen incidenteel tot aan de rand van het plangebied, maar waren hierbinnen zelden aanwezig. Van ruige dwergvleermuis was een roepend mannetje aanwezig in de bebouwing aan De Terp ten noorden van het plangebied. Paarverblijfplaatsen van beide soorten in het plangebied zijn echter uitgesloten. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Tijdens het onderzoek zijn waarnemingen gedaan van overvliegende gewone dwergvleermuis, laatvlieger (op 17 mei minimaal 16 individuen), ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis.

Met name in de periode kort na het uitvliegen maakten enkele gewone dwergvleermuizen en laatvliegers kortstondig gebruik van het plangebied als foerageergebied. Het ging hierbij telkens om een of enkele individuen. Afgezien hiervan hadden de dieren geen binding met het plangebied. Tijdens het overgrote deel van de bezoeken werd er in het plangebied niet gefoerageerd door 13

vleermuizen. Ook maakt het plangebied geen deel uit van een essentiële vliegroute: ononderbroken, lijnvormige landschapselementen, waarlangs vleermuizen zich van hun verblijfplaatsen naar hun jachtgebieden verplaatsen, zijn niet aanwezig.

3.1.3 Effectbepaling Tijdens het onderzoek is één zomerverblijf van één gewone dwergvleermuis geconstateerd in de aanbouw ten noordwesten van de gymzaal. Locaties die door losse individuen van gewone dwergvleermuis in gebruik zijn, kunnen ook als winterverblijf gebruikt worden. Andere typen verblijfplaatsen (kraamverblijfplaats, paarverblijven) van gewone dwergvleermuis en/of andere vleermuissoorten zijn in het plangebied en/of binnen de directe invloedssfeer van de werkzaamheden niet geconstateerd. De herontwikkeling van het terrein leidt tot het verstoren en vernietigen van een verblijfplaats van gewone dwergvleermuis. Dit betreft een overtreding van de verbodsbepalingen in de Wnb (artikel 3.5, lid 2 en 4). Hiervoor is een ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Wnb noodzakelijk. Een ontheffingsaanvraag wordt getoetst op diverse criteria. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing van een overtreding van verbodsbepalingen in de Wnb is het doorgaans nodig om mitigerende en compenserende maatregelen te nemen. Voorbeelden van mitigatie, waarbij negatieve effecten op soorten afgezwakt worden, zijn het werken buiten kwetsbare periodes voor soorten en het tijdig ongeschikt maken van verblijfplaatsen.

Daarnaast moeten de natuurwaarden die verloren gaan tijdig (rekening houdend met een gewenningstijd) en ruimschoots gecompenseerd worden, bijvoorbeeld door het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen van zowel tijdelijke als permanente aard. Deze maatregelen moeten in een activiteitenplan worden vastgelegd en ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag, de provincie Fryslân.

3.2 Ransuil

3.2.1 Methodiek De ransuil bouwt zelf geen nest, maar maakt (vaak jaar in jaar uit) gebruik van (oude) nesten van kraaiachtigen (ekster, zwarte kraai), roofvogels (o.a. buizerd, sperwer), blauwe reiger, houtduif of eekhoorn. Nesten van de ransuil zijn op twee manieren vast te stellen: door territorium-indicerende waarnemingen van man en/of vrouw tijdens het (vroege) voorjaar, dan wel door roepende jonge vogels. De ransuil legt eieren tussen eind februari en juni, met een piek in april en mei. Jonge ransuilen, ook wel ‘takkelingen’ genoemd, verlaten het nest voordat ze kunnen vliegen en klimmen dan in de nestboom of omringende bomen. Na ongeveer 35 dagen zijn ze vliegvlug, maar ook daarna worden ze nog enige tijd gevoerd door de ouders. Jonge ransuilen hebben in deze periode een luide bedelroep die vaak over aanzienlijke afstanden te horen is en soms lange tijd onafgebroken aanhoudt. De laatste jongen vliegen in 14

juli uit. Uitgevlogen jongen verplaatsen zich soms over aanzienlijke afstanden van het nest (soms honderden meters). Tijdens de quickscan op 26 februari zijn geen (potentieel) geschikte nestlocaties voor ransuil in de bomen langs de west- en noordzijde van het plangebied geconstateerd. Omdat bij de eerste twee bezoeken naar verblijfplaatsen van vleermuizen (zie 3.1.1) enkele waarnemingen van ransuil in en direct rondom het plangebied werden gedaan, is aanvullend onderzoek verricht naar de specifieke functie van het plangebied voor deze soort. In aanvulling op de waarnemingen tijdens de bezoeken in juni, is (mede vanwege het langdurig koude voorjaar en hierdoor een mogelijk laat broedseizoen) op 28 juli een aanvullend bezoek aan het plangebied en omgeving gebracht om een volledig beeld van de situatie te verkrijgen.

3.2.2 Resultaten Op 17 mei zijn geen waarnemingen van ransuil in en rondom het plangebied gedaan. Op 10 juni waren in de groenstrook ten noorden van de gymzaal alarmerende zangvogels (merel, koolmees) aanwezig. Tussen 22:30 en 22:45 vloog is in het plangebied een ransuil heen en weer tussen de bomen rondom de gymzaal en de parkeerplaats aan De Terp ten oosten van het plangebied. Vermoedelijke was de vogel verstoord door de aanwezigheid van onderzoekers rondom de gymzaal. De vogel vloog om 22:50 weg in noordelijke richting. Op 28 juni werd rond een uur voor zonsopkomst tweemaal een invliegende vogel waargenomen in de groenstrook ten noorden van de gymzaal. Vermoedelijk ging het beide keren om dezelfde (verstoorde) vogel. Op 28 juli vloog rond 22:10 een vogel uit de groenstrook naar het dak van De Terp 5. Het dier vloog enkele minuten later over de gymzaal weg in zuidwestelijke richting. Bij geen van beide onderzoeken in de nazomer (17 augustus en 13 september) zijn waarnemingen van ransuil in het plangebied gedaan. Wel zijn op 17 augustus waarnemingen van bedelende jongen gedaan in de omgeving van de bosschages rond CBS De Ikker en/of de sportvelden en de St. Nicolaaskerk. Bovenstaande waarnemingen leiden tot de conclusie dat de groenstrook ten noorden van de gymzaal een rustplaats (slaapplaats) voor ransuil vormt.

De aanwezigheid van een nestlocatie op deze locatie wordt op grond van de volgende waarnemingen uitgesloten:  

Tijdens het veldbezoek in het kader van de quickscan op 26 februari zijn geen potentieel voor ransuil geschikte (oude) nesten in het plangebied geconstateerd; Alle waarnemingen van ransuil in het plangebied hadden betrekking op in- of uitvliegende dieren in de avond- of ochtendschemer. Bij geen van de bezoeken vertoonde de aanwezige vogel territoriaal gedrag (alarm), is eerder/later in de nacht nestbezoek/voedseltransport waargenomen en/of waren er bedelende jongen aanwezig.

15

De waarnemingen van bedelende jongen op 17 augustus wijzen erop dat elders in de bebouwde kom van Blije sprake is geweest van een succesvol broedgeval (eventueel broedgevallen) van ransuil. Van ransuil is bekend dat volwassen vogels (en jongen na uitvliegen) in de buurt van de nestplaats overnachten. In dit geval kan op grond van zichtwaarnemingen op de genoemde data (10 juni, 28 juni en 28 juli) worden gesteld dat het om een adulte vogel gaat. Een alternatieve verklaring is, dat het een slaapplaats van een ongepaarde vogel, of een vogel met een mislukte broedpoging betreft.

3.2.3 Effectbepaling De aanwezigheid van een nestlocatie van ransuil in het plangebied wordt uitgesloten. Wel vormt de in het plangebied aanwezige groenstrook ten noorden van de gymzaal in de zomer een rustplaats (slaapplaats) voor een ransuil. De aanwezigheid van een winterroestplaats in het plangebied kan vanwege het ontbreken van voldoende dekking in deze periode worden uitgesloten. Van ransuil zijn de nestlocaties en de bijbehorende functionele leefomgeving, die van essentieel belang is voor het functioneren van de nesten (waaronder mogelijk rustplaatsen, zie §2.2), jaarrond beschermd. De groenstrook in het plangebied is tijdens het broedseizoen meermalen als slaapplaats gebruikt door (naar alle waarschijnlijkheid) één adulte vogel. Op grond van het uitgevoerde onderzoek wordt uitgesloten dat de aanwezige rustplaats van essentieel belang is voor het laten functioneren van de in Blije aanwezige nestlocatie(s) van ransuil: op diverse locaties in het dorp zijn groenstructuren van (minimaal) vergelijkbare aard en omvang aanwezig die als alternatief voor de geconstateerde slaapplaats kunnen dienen, waaronder locaties rond CBS De Ikker, rondom de sportvelden, rond de St. Nicolaaskerk en de groenstrook ten zuiden daarvan (westzijde percelen Stationsweg), rondom enkele woningen aan de Voorstraat en rond het volkstuinencomplex aan de Witteweg.

Gezien de ligging van het plangebied te midden van huizenblokken, is er geen reden om te veronderstellen dat bovengenoemde locaties, gelegen op minder verstoringsgevoelige locaties, niet of minder geschikt zijn als rustplaats. Negatieve effecten op het functioneren van een jaarrond beschermde nestlocatie van ransuil in Blije worden, in het geval van verwijderen van de groenstrook, uitgesloten.

3.3 Steenmarter

3.3.1 Methodiek Omdat steenmarter in de provincie Fryslân een (onder voorwaarden) van de ontheffingsplicht vrijgestelde nationaal beschermde soort is (§2.4), is geen gericht nader onderzoek naar de soort uitgevoerd. De hieronder besproken waarnemingen zijn gedaan tijdens het onderzoek naar vleermuizen. 16

3.3.2 Resultaten Op 28 juni is een verblijfplaats van een steenmarter in de gymzaal geconstateerd. Bij de start van het onderzoek was een alert dier aanwezig op de dakrand in de zuidoostelijke hoek van het gebouw. Kort daarop verdween het dier hier via een ruimte bij de regenpijp naar binnen. Een klein uur later verscheen een steenmarter op de noordwestelijke hoek van het dak van de gymzaal. Het dier verplaatste zich naar de noordoostelijke hoek en rende toen over het dak naar dezelfde locatie als eerder op de ochtend en verdween weer via de regenpijp naar binnen. Aan het einde van het bezoek werd gestommel en geluiden (schreeuwen) van steenmarter gehoord nabij de deuren in de lage aanbouw langs de westzijde van het gebouw. Gezien de datum van deze waarnemingen, gecombineerd met het feit dat er binnen het tijdsbestek van een uur twee zichtwaarnemingen van de soort gedaan zijn en de waargenomen dieren zich hierbij langs dezelfde weg een toegang tot de gymzaal verschaften, behoort de aanwezigheid van een kraamplaats in de gymzaal tot de mogelijkheden.

3.3.3 Effectbepaling In de te slopen gymzaal is een verblijfplaats van steenmarter aanwezig, mogelijk een kraamplaats. De steenmarter is een nationaal beschermde soort (§3.3 Wnb), het vernietigen van een verblijfplaats van deze soort betreft een overtreding van de verbodsbepalingen in de Wnb (artikel 3.10, lid 1b). De Wnb verschaft provincies echter de bevoegdheid om voor deze soorten een vrijstelling van de ontheffingsplicht te verlenen. In de provincie Fryslân geldt voor het beschadigen of vernielen van vaste rust- of voortplantingsplaatsen van steenmarter een vrijstelling van de ontheffingsplicht, op voorwaarde dat: 

De werkzaamheden plaatsvinden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (a), het bestendig (natuur)beheer, of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen (b), het bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw (c) of bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten (d); De werkzaamheden worden uitgevoerd op basis van een door de Minister van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode, als bedoeld in artikel 3.31 van de Wnb.

De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De gedragscode die het meest op de situatie van toepassing is, is de ‘Gedragscode soortbescherming gemeenten’. In deze gedragscode worden ten aanzien van verblijfplaatsen van steenmarter de volgende voorwaarden gesteld:  

Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode (maart tot en met augustus); De aanwezigheid van steenmarter bij uitvoering van de werkzaamheden dient te worden voorkomen. Buiten de kwetsbare voortplantingsperiode kunnen toegangen tot 17

een rust- en voortplantingsplaats worden afgesloten en/of de rust- en voortplantingsplaats ongeschikt worden gemaakt. Voorafgaand aan het afsluiten van de toegangen of ongeschikt maken, dient de afwezigheid door een ecologisch deskundige te worden bevestigd; Als er sprake is van een kraamlocatie dient een alternatief verblijf te worden aangeboden in het functionele leefgebied, dit bijvoorbeeld in de vorm van een grote takkenhoop van snoeihout op een rustige plek, eventueel in combinatie met een steenmarterkast.

18

4 Conclusies en aanbevelingen 4.1 Inleiding In opdracht van de gemeente Noardeast-Fryslân heeft Mulder Ecologie een onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de gymzaal aan de Terp 22 in Blije. Tijdens dit onderzoek is ook gekeken naar de functie van het gebied voor ransuil en steenmarter. Aanleiding voor dit onderzoek vormt het voornemen van de gemeente om op de kavel drie vrijstaande woningen te realiseren. In het kader van dit voornemen wordt de gymzaal gesloopt en de op het terrein aanwezige vegetatie (mogelijk) verwijderd.

4.2 Vleermuizen Bij het aanvullende onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is in de te slopen gymzaal één zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis geconstateerd. De voorgenomen sloop leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb (artikel 3.5 lid 2 en 4). Hiervoor moet een ontheffing worden aangevraagd. Om voor een ontheffing in aanmerking te komen, moet aantoonbaar sprake zijn van een in de wet opgenomen belang, er geen alternatief zijn voor de voorgenomen activiteiten en de gunstige staat van instandhouding van gewone dwergveermuis gewaarborgd zijn, onder meer door het (tijdig) nemen van mitigerende en compenserende maatregelen. Deze maatregelen moeten in een activiteitenplan worden vastgelegd en ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag, de provincie Fryslân. De provincie hanteert voor de ontheffingsverlening een proceduretijd van ongeveer 13 weken, die eenmalig verlengd kan worden met 7 weken (doorlooptijd maximaal 20 weken).

4.3 Ransuil De groenstrook ten noorden van de gymzaal vormt een rustplaats (slaapplaats) van ransuil. Het is uitgesloten dat in deze groenstrook een nest aanwezig is, dan wel dat de aanwezige rustplaats een essentieel deel uitmaakt van een bij een nestlocatie van ransuil horende functionele leefomgeving. Op diverse locaties in het dorp zijn groenstructuren van (minimaal) vergelijkbare aard en omvang aanwezig, die als alternatief voor de geconstateerde slaapplaats kunnen dienen. Negatieve effecten op een nestlocatie van ransuil zijn uitgesloten, vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn, bij het verwijderen van de groenstrook, niet aan de orde. Dit neemt niet weg dat de aanwezige groenstructuur deel uitmaakt van het leefgebied van een ransuil, een soort die landelijk sterk onder druk staat. Vanuit dit perspectief, maar zeker ook vanwege het belang van deze groenstrook voor andere (niet wettelijk beschermde) fauna in een dorp met een beperkt aanbod aan groenstructuren, verdient het sterk de aanbeveling om de aanwezige groenstrook in de nieuwe situatie te handhaven.

19

4.4 Steenmarter In de gymzaal is een verblijfplaats van steenmarter geconstateerd, mogelijk een kraamplaats. In de provincie Fryslân geldt voor het beschadigen of vernielen van vaste rust- of voortplantingsplaatsen van steenmarter een vrijstelling van de ontheffingsplicht in de Wnb, op voorwaarde dat wordt gewerkt conform de ‘Gedragscode soortbescherming gemeenten’:  

De sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode (maart tot en met augustus); De aanwezigheid van steenmarter bij uitvoering van de werkzaamheden dient te worden voorkomen. Buiten de kwetsbare voortplantingsperiode kunnen toegangen tot een rust- en voortplantingsplaats worden afgesloten en/of de rust- en voortplantingsplaats ongeschikt worden gemaakt. Voorafgaand aan het afsluiten van de toegangen of ongeschikt maken, dient de afwezigheid door een ecologisch deskundige te worden bevestigd; Er wordt een alternatief verblijf aangeboden in het functionele leefgebied, bijvoorbeeld in de vorm van een grote takkenhoop van snoeihout op een rustige plek, eventueel in combinatie met een steenmarterkast.

Indien aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, is er geen sprake van een overtreding van de Wnb en behoeft geen ontheffing voor de soort te worden aangevraagd.

4.5 Aanbevelingen

Aanvragen ontheffing voor een zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis op basis van een activiteitenplan bij de provincie Fryslân.

Werkzaamheden uitvoeren conform de in de ‘Gedragscode soortbescherming gemeenten’ genoemde voorwaarden ten aanzien van steenmarter.

Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen en/of indien er geen sprake is van de aanwezigheid van broedende vogels (rapport 2021007).

Tijdens de werkzaamheden de algemene zorgplicht in acht nemen. Deze schrijft voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen.

20

5 GERAADPLEEGDE BRONNEN Gedragscode soortbescherming gemeenten: https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/04/STADSWERK-Gedragscode-soortbescherminggemeenten.pdf Jaarrond beschermde nesten Fryslân: https://www.sovon.nl/sites/default/files/doc/rap_2021-06_advies-nesten-verblijfplaatsenfriesland.pdf Kennisdocumenten Gewone dwergvleermuis: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf Sovon Ransuil: https://stats.sovon.nl/stats/soort/7670 Verordening van de Provinciale Staten van de provincie Fryslân houdende regels omtrent natuurbescherming (Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR600476#d10648802e1291 Vleermuisprotocol 2021: https://www.netwerkgroenebureaus.nl/downloads/category/20?download=812 Wettekst Wet natuurbescherming: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01

21

84/166

Bijlage 3

85/166

Ontheffing

Ö

provinsje fryslan provincie fryslan ^ postbus 20120 8900 hm leeuwarden tweebaksmarkt 52 telefoon: (058) 292 59 25 telefax: (058) 292 51 25 www.fryslan.frl provincie @ fryslan. frl www.twitter.com/provfryslan

Gemeente Noardeast-Fryslên Koningstraat 13 9101 LP DOKKUM

<rö cH (ü 1/2

Ö

• fH

O

Leeuwarden, 3 december 2021 Verzonden, Q 3 DEC. 2021 Ons kenmerk Afd./Opgave Behandeld door Uw kenmerk Bijlage(n)

01937693 Groene regelgeving Team Groene Regelgeving / (058) 292 89 95 of wnb@fryslan.frl

Onderwerp

: PF-2021/235626: Ontheffing Wet natuurbescherming De Terp 22 Blije (gewone dwergvleermuis)

3

Geachte heer, mevrouw, Op 16 november 2021 heb ik uw verzoek ontvangen voor een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) ten behoeve van de sloop van De Terp 22 te Blije. U vraagt ontheffing voor overtreding van de verbodsbepaling genoemd in paragraaf 3.2 van de Wnb, voor de gewone dwergvleermuis {Pipistrellus pipistrellus). Overeenkomstig uw aanvraag en de daarbij behorende stukken heb ik besloten de gevraagde ontheffing te verlenen. De bijbehorende stukken maken een onlosmakelijk onderdeel uit van dit besluit. Voorschriften en beperkingen 1. De ontheffing staat op naam van Gemeente Noardeast-Fryslên (hierna: ontheffinghouder). Ontheffinghouder is verantwoordelijk voor de naleving van de ontheffingsvoorwaarden en is hierop aanspreekbaar. 2. De ontheffing is alleen van toepassing op de activiteiten en verbodsbepalingen, zoals deze zijn aangevraagd en in dit besluit zijn benoemd in bijlage Al. 1. onder ‘Beschrijving van het project of andere handeling’. 3. De activiteit dient te worden uitgevoerd conform aanvraag, met de daarbij behorende stukken. Afwijkingen en wijzigingen behoeven schriftelijke toestemming van het bevoegd gezag.

-1/9-

Ons kenmerk:

01937693

ö provinsje fryslän provincie fryslän ^

Ifï 4.

De onder A1.1. aangegeven maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Het protocol dient te worden opgesteld door een ecologisch ter zake kundige. Deze dient op de locatie aanwezig te zijn en de inhoud van het werkprotocol moet bij de betrokken werknemers bekend zijn. De activiteiten moeten aantoonbaar volgens dit protocol worden uitgevoerd.

Specifieke voorschriften 5. In de nieuwbouwwoningen dienen op tenminste vier locaties permanente vervangende verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis te worden gerealiseerd. Deze permanente verblijfplaatsen dienen inwendig en conform de voorwaarden in het Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis^ te worden gerealiseerd. 6. De tijdelijke vleermuiskasten dienen tenminste drie maanden (waarbij alleen de maanden april tot en met oktober meetellen), en indien mogelijk permanent, beschikbaar te blijven voor de gewone dwergvleermuis na oplevering van de permanente verblijfplaatsen in de nieuwbouw. 7. Aanbevolen wordt om de groenstrook langs de noordzijde van het plangebied te behouden en in te passen in de plannen voor de nieuwbouw. 8. Indien onverhoopt tijdens de werkzaamheden toch vleermuizen (of andere beschermde soorten) worden aangetroffen, dienen de werkzaamheden onmiddellijk stilgelegd te worden en dient een ecologisch ter zake kundige ingeschakeld te worden. De ontheffing is geldig vanaf 1 december 2021 tot en met 31 december 2025. Voor de motivering van mijn besluit verwijs ik u naar bijlage 1. Meldingsclausule Wanneer met de voorgenomen werkzaamheden gestart wordt, dient dit gemeld te worden via het bijgevoegde meldingsformulier (zie bijlage 3) via e-mail aan wnb@frvslan.frl, of per post naar Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslän, t.a.v.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=12bf7cc1-c47d-4734-b0f4-65cc3614b0cc