CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage I Paraplubestemmingsplan kleine windmolens

It Beslút 27 januari 2022, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Vaststellen paraplubestemmingsplan kleine windmolens Noardeast-Fryslân17.415 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

gestelde voorwaarden. Een windturbine dient te worden geplaatst op een manier die past bij de landschappelijke structuren rondom het erf. Voor elk initiatief dient daarom een landschappelijk inpassingsplan te worden opgesteld. Terinzagelegging voorontwerp Op 17 augustus 2021 heeft het college besloten het voorontwerp van dit paraplubestemmingsplan ter inzage te leggen. Het bestemmingsplan wordt 8 september 2021 gepubliceerd en ligt vanaf 9 september tot en met 20 oktober 2021 digitaal ter inzage voor inspraak en het wettelijk vooroverleg met de overleginstanties. Het bestemmingsplan is in te zien via www.ruimtelijkeplannen.nl, identificatienummer NL.IMRO.1970.BpKleinewindmolens-VO01. Plannaam: Paraplubestemmingsplan kleine windmolens gemeente Noardeast-Fryslan. Graag zien wij uw reactie binnen zes weken tegemoet. Met vriendelijke groet, Kitty Bakema Beleidsmedewerker ruimtelijke ontwikkeling Team Romte k.bakema@noardeast-fryslan.nl

DISCLAIMER Veiligheidsregio Fryslân: Een per e-mail verzonden mededeling is uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). Indien u niet de geadresseerde bent, wordt u verzocht de afzender te informeren. Aan de inhoud van deze e-mail en eventuele bijlagen kunnen geen rechten worden ontleend, tenzij schriftelijk uitdrukkelijk anders is overeengekomen. Binnen Veiligheidsregio Fryslân werken Brandweer Fryslân en GGD Fryslân aan de brandweerzorg, publieke gezondheidszorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing. Meer informatie over onze organisatie vindt u op www.veiligheidsregiofryslan.nl, www.ggdfryslan.nl en op www.brandweerfryslan.nl.

2

BIJLAGE 3

REGELS

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 het plan: het Paraplubestemmingsplan kleine windmolens gemeente Noardeast-Fryslan met identificatienummer NL.IMRO.1970.BpKleinewindmolens-VA01 van de gemeente Noardeast-Fryslân; 1.2 het bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 kleinschalige duurzame energiewinning: energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, biomassa, aard- en omgevingswarmte; 1.4 maaiveld: hoogte aansluitend afgewerkt terrein; 1.5 risicovolle inrichting: een inrichting, die ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zoals deze luidt op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten; 1.6 windturbine: een installatie c.q. bouwwerk voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind.

15/26

Artikel 2

Wijze van meten

2.1 ashoogte van een windturbine: hoogte gemeten vanaf het maaiveld tot aan de (wieken)as van de windturbine;

2.2 tiphoogte van een windturbine: a. turbines met een horizontale as: 1. de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel; b. turbines met een verticale as: 1. de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt;

16/26

2.3 rotordiameter van een windturbine: deze wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as.

17/26

Artikel 3

Van toepassing verklaring

Dit bestemmingsplan is van toepassing op de bestemmingsplannen en de daarin aangehaalde artikelen, zoals opgenomen in bijlage 1.

18/26

Hoofdstuk 2 Artikel 4

Regels windturbines

Algemene bouwregels

4.1 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de bouwregels van de in bijlage 1 genoemde bestemmingen in die zin dat ten hoogste 3 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf worden gebouwd, mits: a. de ashoogte ten hoogste 15 m bedraagt; b. de energieproductie niet is bestemd voor commerciële doeleinden. Het op te stellen vermogen is uitsluitend gericht op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf; c. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing. De turbines moeten zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals beschreven in paragraaf 3.5 Landschap en cultuurhistorie van de toelichting en zijn opgenomen in bijlage 2 en 3 van de regels; d. de afstand van de te bouwen windturbines tot: 1. gasinfrastructuur ten minste 25 m bedraagt (hart leiding), tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand; 2. hoogspanningsinfrastructuur ten minste de maximale werpafstand bij twee keer het nominaal toerental van de windturbine, tenzij de netbeheerder instemt met een kortere afstand; e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; f. de aanvraag door de gemeente tevens aan de provincie Fryslân wordt voorgelegd; g.

binnen een jaar nadat een windturbine definitief buiten gebruik is gesteld, deze constructie met de bijbehorende voorzieningen moet worden verwijderd.

19/26

Artikel 5

Algemene gebruiksregels

5.1 Afwijken van de gebruiksregels Voor zover krachtens de bestemmingen, zoals genoemd in bijlage 1 het gebruik van gronden voor kleinschalige duurzame energiewinning niet is toegestaan, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken voor het gebruik van de gronden voor kleinschalige duurzame energiewinning in de vorm van zonne- en windenergie, met dien verstande dat kleinschalige duurzame energiewinning in de vorm van zonne-energie uitsluitend binnen het bouwperceel mag plaatsvinden.

20/26

Hoofdstuk 3 Artikel 6

Algemene regels

Anti-dubbeltelregeling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

21/26

Hoofdstuk 4 Artikel 7

Overgangs-en slotregels

Overgangsrecht

7.1 Overgangsrecht bouwen a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 7.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de beheersverordening strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c.

Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan

22/26

Artikel 8

Slotregel

De regels worden aangehaald als: Regels van het Paraplubestemmingsplan kleine windmolens gemeente Noardeast-Fryslan.

23/26

24/26

BIJLAGEN BIJ DE REGELS

BIJLAGE 1

typePlan naam bestemmingsplan Partiële herziening afwijkingsmogelijkheid 2e agrarische bedrijfswoning bestemmingsplan Verbeelding Methardusstraat 2 en Zijlstraat 2 te Munnekezijl bestemmingsplan Bestemmingsplan Doarpen gemeentelijk plan; bestemmingsplan artikel 10 Bestemmingsplan Grote dorpen bestemmingsplan Dokkum Regiostad bestemmingsplan Dokkum Regiostad bestemmingsplan Bestemmingsplan Westergeest wijzigingsplan De Triemen 6 Triemen

plangebied NL.IMRO.1970.Bp2ebedrijfswoning-VA01 NL.IMRO.0079.BP01491-VA01 NL.IMRO.0058.BPDRP2009-OH01 NL.IMRO.1722051605VA01NL.IMRO.0058.BPDKRS2017-VG01 NL.IMRO.1970.BPDKRS2017-GC01 NL.IMRO.0079.BpWgDorp10-Vg01 NL.IMRO.0079.WpTrDeTriemen618-Vg01

planstatus vastgesteld vastgesteld onherroepelijk vastgesteld vastgesteld geconsolideerd vastgesteld vastgesteld

datum 2020-06-24 2018-02-22 2010-06-25 2009-11-19 2018-06-28 2020-06-24 2012-05-03 2018-12-11

bestemmingsplan

Bestemmingsplan Bûtengebiet Dongeradeel

NL.IMRO.0058.BPBG2012-VA01

vastgesteld

2013-06-27

bestemmingsplan

Bestemmingsplan Buitengebied 2012

NL.IMRO.0079.BpBg10-Vg02

vastgesteld

2014-11-12

bestemmingsplan bestemmingsplan bestemmingsplan

Partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 Buitengebied Horneweg 20 Blije

NL.IMRO.0079.PChBg15-Vg02 NL.IMRO.1722.1211606-0003 NL.IMRO.1970.WpBlHorneweg20-VO01

vastgesteld vastgesteld voorontwerp

2017-09-28 2014-02-13 2019-08-28

bestemmingsplan bestemmingsplan wijzigingsplan wijzigingsplan bestemmingsplan

Veenklooster Kollum Dorp Hantum - Ternaarderwei 1 Wijzigingsplan Ternaard- Nesserwei 5 Bestemmingsplan Miedwei 6 Brantgum

NL.IMRO.0079.BpVeenklooster13-Vg01 NL.IMRO.0079.KollumDorp-Vg01 NL.IMRO.0058.WPBG2018P3-VG01 NL.IMRO.1970.WPTnNesserwei5-VA01 NL.IMRO.1970.BpBgMiedwei6-ON01

vastgesteld vastgesteld vastgesteld vastgesteld ontwerp

2015-03-26 2015-06-18 2018-09-18 2021-03-16 2020-10-29

bestemmingsplan bestemmingsplan bestemmingsplan wijzigingsplan bestemmingsplan wijzigingsplan bestemmingsplan wijzigingsplan wijzigingsplan bestemmingsplan wijzigingsplan

Bûtengebiet Dongeradeel, herziening 2015 Bestemmingsplan Oudwoude Bestemmingsplan Kollumerzwaag dorp Nylân 2 te Engwierum Bûtengebiet - Reparatieplan 2014 Lytse Wei 8 te Ternaard Bestemmingsplan Burum Burdaard - Wiereweg 15 Ee - Tibsterwei 17 Botniaweg 2 te Marrum en Nieuwe weg 1 te Ferwert Hantumerhuizen - Wierumerwei 7

NL.IMRO.0058.141003-VG01 NL.IMRO.0079.BpOwDorp11-Vg01 NL.IMRO.0079.BpKollumerzwaag-Oh01 NL.IMRO.0058.WPBG2017P2-VG01 NL.IMRO.0058.BPLN141002-VG01 NL.IMRO.1970.WPBG2016P2-VA01 NL.IMRO.0079.BpBurum-0501 NL.IMRO.1722.20150419-VA01 NL.IMRO.0058.WPBG2016P1-VA01 NL.IMRO.1970.161A01-VA01 NL.IMRO.1970.WpHhWierumerwei17_VA01

vastgesteld vastgesteld onherroepelijk vastgesteld vastgesteld vastgesteld onherroepelijk vastgesteld vastgesteld vastgesteld vastgesteld

2016-03-31 2013-07-04 2009-09-16 2017-09-26 2014-12-18 2019-04-16 2009-05-21 2016-05-17 2016-09-06 2019-05-09 17-8-2021

Agrarische bestemming herziening agrarische bestemmingen (hoofdgroep overig) Agrarisch Agrarisch - Bedrijf en Agararisch- Cultuurgrond Agrarisch - Bedrijf en Agararisch- Cultuurgrond Agrarisch- Bedrijf, Agrarisch - Cutluurgrond Agrarisch- Bedrijf en Agrarisch - Cultuurgrond Agrarisch en Agrarisch met waarden Agrarisch en Agrarisch met waarden- Besloten gebied Agarisch, Agrarisch - Glastuinbouw en Agrarisch Paardenhouderij Agrarisch, Agrarisch- Kleinbedrijf, Agrarisch- Recreatie, Agrarisch met waarden - Besloten gebied en Agrarisch met waarden - open gebied Agrarisch, Agrarisch- Kleinbedrijf, Agrarisch- Recreatie, Agrarisch met waarden - Besloten gebied en Agrarisch met waarden - open gebied Agrarisch en Agrarisch - Paardenhouderijbedrijf Agrarisch Agrarisch, Agrarisch- Kleinbedrijf, Agrarisch met waarden Besloten gebied Agrarisch met waarden - Open gebied Agrarisch Agrarisch Agrarisch Agrarisch, Agrarisch-Glastuinbouw en Agrarisch paardenhouderij Agrarisch Agrarisch Agrarisch Agrarisch Agrarisch Agrarisch Agarisch Agrarisch Agrarisch Agrarisch

BIJLAGE 2

LANDSCHAPSBIOGRAFIE VAN NOARDEAST-FRYSLÂN It Ferhaal van it Lânskip

Landschapsbiografie van Noardeast-Fryslân Publicatie:

januari 2021

Auteurs: Tweede lezers: Opmaak en beeld:

Dennis Worst & Susanne Coppens (Cultuurland Advies) prof. dr. Hans Mol, prof. dr. Gilles de Langen Peter Hermens (Werkend Landschap)

Landschapsbiografie van Noardeast-Fryslân It Ferhaal van it Lânskip

Voorwoord ‘In stikje Fryslân dêrt ’t wy grutsk op binne’. Een passender ondertitel kan ik niet bedenken. Van de levendigheid van de stad, de stilte in het buitengebied tot het ruisen van de Waddenzee en de eeuwenoude historie van de terpen en kerktorens. Ik kom er tot rust en geniet van de vergezichten en de ruimte om mij heen. Het is een stukje Fryslân waar ik graag tijd doorbreng. In Noardeast-Fryslân vind je een landschap om regelmatig bij stil te staan. Letterlijk en figuurlijk. Met je voeten in de klei en de kop in de wind kun je je mee laten voeren naar de vele, oeroude verhalen die het landschap ons te vertellen heeft. Ver weg van de beslommeringen die ons dagelijks in beslag kunnen nemen. Dat is precies wat we beogen met deze landschapsbiografie. De biografie vertelt in geuren en kleuren over het ontstaan van dit prachtige landschap. En leert ons wat bijzonder en belangrijk is. Het is nog maar een aanzet om de verhalen van het landschap in beeld te brengen. Want er valt nog zoveel meer te vertellen. En daarvoor hebben we ook onze inwoners nodig. Want wie kent de eigen omgeving beter dan de mensen die hier opgroeien, wonen, leven, werken?

4

De uitdaging is om voorzichtig én verstandig met dit landschap om te gaan. We moeten er zuinig op zijn. Want we willen dit stukje van onze schepping doorgeven aan onze kinderen. Zij mogen er opgroeien, naar school gaan, werk vinden en er wonen. Dit boek neemt u mee op een boeiende reis langs stad, land, water, kwelder, dijk en terp. Als u het uit heeft, wilt u maar één ding: uw zintuigen de kost geven in Noardeast-Fryslân. Wolkom! Namens het college van b&w van Noardeast-Fryslân

Esther Hanemaaijer Wethouder Ruimtelijke Ordening

5

Inhoudsopgave

Inleiding

p.10

Leeswijzer

p.12

DEEL I Vorming van het Landschap

p.14

Hoofdstuk 1 Het pleistocene landschap

p.17

1.1 1.2

p.18 p.22

IJstijden vormen het landschap Stuivend zand bedekt het landschap

Hoofdstuk 2 holocene landschappen 2.1 2.2

6

Zeespiegelstijging, oerbossen en veenvor ming Het holoceen: kweldervorming en veenerosie

p.29 p.30 p.38

DEEL II Het Waddengebied

Hoofdstuk 5 p.50

Hoofdstuk 3 Leven met zee

p.53

3.1 3.2 3.3

p.54 p.59

3.4 3.5

De landschapsontwikkeling Wonen op kwelderwallen: de terpen Wonen op wallen aan de rand van het veen langs de Peazens Wonen op wallen aan de rand van het veen langs de Ie Economische activiteiten op de kwelders: zoutwinning

p.68 p.71 p.72

Hoofdstuk 4 Het Kleigebied

p.79

4.1 4.2

p.80

4.3 4.4 4.5 4.6

Kerstening, kerkstichting en klooster Landschappelijke zones, landschapstypen en landschapseenheden Het Waddengebied – akkers op de kwelderwallen langs de kust De Peazens – De Mieden en opgeslibde kwelders Het Lauwerszeegebied – opgeslibde zeepolders Stad, platteland en samenleving

Het Kustgebied

p.125

5.1 5.2 5.3 5.4

p.126 p.133 p.138 p.149

Handel, scheepvaart en visserij Leven langs de kust Van Waddenzand tot vruchtbaar land Natuur en recreatie

Hoofdstuk 6 Agrarische en economische ontwikkelingen p.125 in de 19de en 20ste eeuw 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

Ontwikkelingen in de landbouw Waterstaat Infrastructuur De ruilverkavelingen Stad en dorpsuitbreiding

p.156 p.164 p.168 p.171 p.177

p.88 p.92 p.98 p.110 p.119

7

DEEL III Het Veenlandschap

p.186

Hoofdstuk 7 Veenontginningen in Noardeast-Fryslân p.189 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6

Het hoogveenmilieu Bewoningsactiviteiten in de veenrandzone Het veenontginningsprincipe De veenontginning van ‘De Wouden’ (Dantumadiel) De veenontginningen in Noardeast-Fryslân De esgehuchten Westergeest en Wijgeest

p.190 p.194 p.196 p.198 p.200 p.206

Hoofdstuk 8

8

De Friese Wouden

p.211

8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

p.212 p.219 p.226 p.229 p.237

Het veenweidegebied Elzensingels en dykswâlen Landgoederen, states en buitenplaats Dorpen en infrastructuur Ruilverkavelingen en natuurontwikkeling

Bijlage I Relatie met de Provinciale landschapstypenkaart

p.248

Bijlage II

Lijst met afbeeldingen

p.250

Bijlage III

Literatuurlijst

p.256

Colofon

p.262

9

Inleiding Voor u ligt de landschapsbiografie van Noardeast-Fryslân. Hierin is de ontwikkeling beschreven die het landschap heeft doorgemaakt sinds de laatste ijstijden tot en met het heden. De bijzondere patronen en elementen die tot stand zijn gekomen door een eeuwenlange wisselwerking tussen mens en natuur maken het tot een landschap dat prachtig is om te aanschouwen. Door verschil in ondergrond, hoogte, het gebruik of bijvoorbeeld de ligging ten opzichte van de zee heeft ieder gebied of regio zijn eigen ontwikkeling doorgemaakt. Op deze wijze is in NoardeastFryslân een bijzonder rijk en gevarieerd landschap ontstaan. Het is een landschap waar mensen wonen en werken, waar veel mensen herinneringen aan hebben en waar mensen waarde aan hechten. Zo heeft ieder landschap en landschapselement, van eendenkooi tot boerensloot, van houtsingel tot waddenkust een eigen betekenis en verhaal. Verhalen die het verdienen om verteld te worden. In deze landschapsbiografie worden de verhalen en daarmee de ontstaansgeschiedenis van landschappen en landschapselementen door de tijd heen inzichtelijk gemaakt. Het geeft antwoord op vragen zoals waarom specifieke landschappen van elkaar verschillen, het geeft inzicht in de gelaagdheid van het landschap en draagt bij aan bewustwording van de soms oeroude elementen en patronen die in ons landschap zijn terug te vinden.

Het landschap dat we vandaag de dag om ons heen zien bestaat uit allemaal op elkaar gestapelde stukjes geschiedenis. Er wordt wel gezegd dat je het landschap kunt lezen als een boek. Als u straks buiten staat, kunt u - met de landschapsbiografie in de hand – zelf het landschap lezen.

10

Aanleiding en doel De gemeente Noardeast-Fryslân is een jonge gemeente die in 2019 is gevormd uit Ferwerderadiel, Dongeradeel en Kollumerland c.a. Deze voormalige gemeenten kennen ieder hun eigen geschiedenis, karakter en gezicht. Het verdwijnen van de oude gemeentegrenzen en het ontstaan van nieuwe levert een ander verhaal van het gebied op. Noardeast-Fryslân is een grote en landschappelijk een veelzijdige gemeente. Het landschap staat meer en meer onder druk. Claims op het landschap volgen elkaar in hoog tempo op. Hoogwaardige voedselproductie, energie, klimaat, waterveiligheid en recentelijk de kringlooplandbouw. Ze strijden om voorrang. Dan is het belangrijk om de kwaliteiten van het landschap goed in beeld te hebben. Een landschapsbiografie geeft dat beeld en is daarmee een belangrijk instrument voor inwoners, bestuurders en beleidmakers. Kennis over je eigen landschap biedt herkenning en houvast en nodigt uit tot participatie en samenwerking. Pas als goed in beeld is welke kwaliteiten er zijn en vervolgens gewaardeerd wordt wat bijzonder is, kunnen er goede plannen voor de toekomst gemaakt worden. Plannen die goed passen bij de inwoner, gebruiker én het landschap. De landschapsbiografie als kennisdocument biedt daarmee een degelijke basis voor omgevingsvisie en omgevingsplan.

Leeswijzer De landschapsbiografie is chronologisch opgebouwd en vertelt het verhaal van ongeveer een half miljoen jaar geleden tot nu. Omdat het verhaal van het landschap zo lang is en ook verschilt per plek, is in elk hoofdstuk dezelfde structuur aangebracht om het overzicht

te behouden. Een kaart aan het begin van ieder hoofdstuk geeft aan om welk gebied het gaat en welke landschapstypen en -eenheden daar zijn ontstaan. Op de tijdsbalk is te zien om welke periode het gaat. In elk hoofdstuk wordt het verhaal van het landschap verteld, rijk geïllustreerd met foto’s en afbeeldingen. Ieder deel sluit af met een overzicht van alle kernkwaliteiten die vandaag nog in het landschap te zien zijn.

Landschapstype een landschapstype is een gebied waar de fysische gesteldheid (reliëf, bodem en water), de ontginningsgeschiedenis en/of de kenmerkende ruimtelijke rangschikking van landschapselementen gelijk is binnen een bepaald tijdvak in de geschiedenis. Landschapseenheid Een landschapseenheid is een deelgebied binnen een landschapstype waar is voortgebouwd op een bestaande structuur (landschapstype) of het is een kleinschalig gebied binnen een landschapstype met een afwijkende fysische gesteldheid en/of ontginningsgeschiedenis. Kernkwaliteit Een kernkwaliteit is een voor het landschap essentieel en karakteristiek element of een essentiële en karakteristieke structuur.

Omdat specifiek op het landschap van Noardeast-Fryslân is ingezoomd, wijken de landschapstypen en landschapseenheden die in deze landschapsbiografie zijn gehanteerd op een aantal plekken af van de Provinciale landschapstypenkaart. In bijlage 1 is een tabel opgenomen die de overeenkomstem en verschillen laat zien.

11

De landschapsbiografie is opgebouwd uit drie delen: Deel I: van de laatste ijstijden tot ongeveer het jaar 100 na Chr. Deel I vertelt het verhaal van de laatste ijstijden en de warmere periode erna tot ongeveer het jaar 100 na Chr. Het gaat vooral over natuurlijke processen, want de invloed van de mens was toen nog minimaal. Denk daarbij aan het ontstaan van de ondergrond, het reliëf en de restanten zoals pingoruïnes die vandaag nog zichtbaar zijn in het landschap of invloed hebben op de inrichting ervan.

Deel III: het veenlandschap Deel III behandelt het veenlandschap, dat in het meest zuidelijke gedeelte van de gemeente ligt. Door een dik veenpakket lag het landschap hier in het verleden tot wel 6 meter hoger dan vandaag de dag. Vanaf veenriviertjes zijn mensen dit landschap gaan ontwateren en ontginnen, waardoor het veen verdween. Alle rechte slootjes met de typerende opstrekkende verkaveling zijn resten van hoe onze voorouders het landschap hebben bewerkt.

Deel II: het ontstaan van het Waddenlandschap Deel II gaat over het ontstaan van het Waddenlandschap waartoe een groot deel van Noardeast-Fryslan behoort. Het vertelt het verhaal van de stijging van de zeespiegel, de vorming van het veen die daarop volgde en de overstromingen die het land teisterden. In dit deel gaat het ook over de eerste bewoners van het gebied, die terpen opwierpen, het land gingen bewerken en zeedijken aanlegden. Hoe de mens steeds meer invloed kreeg in het gebied, wat onze voorouders allemaal in het landschap hebben veranderd en hoe het grootste deel van het landschap van Noardeast-Fryslân verworden is tot wat het nu is, leest u in dit deel.

Landschapsbiografie als boek en digitale atlas De voorliggende landschapsbiografie is het resultaat van een samenwerking tussen Cultuurland Advies, Werkend Landschap, de gemeente Noardeast-Fryslân en de provincie Fryslân. Ter controle en voor advies hebben prof. Dr. H. Mol en prof. Dr. G. de Langen meegelezen. Naast de landschapsbiografie is er ook een Digitale Landschapsatlas gemaakt. Hierin worden de landschapstypen en kernkwaliteiten beschreven en op een digitale kaart weergegeven. Daarnaast is de Digitale Landschapsatlas een uitgebreide inventarisatie van de landschapsstructuren en -elementen: u kunt zien waar wat ligt. Bijvoorbeeld oude dijken, eendenkooien of kronkelige sloten die een relict vormen van eeuwenoude geulen of prielen.

Veel ontdek- en leesplezier!

12

13

Deel I

VORMING VAN HET LANDSCHAP Wie met een schep een diep gat zou graven, treft in de omgeving van Kollum een heel andere gelaagdheid van de ondergrond dan in de omgeving van Paesens of Hallum. Dat heeft alles te maken met de ontstaansgeschiedenis van het gebied. In dit eerste deel van de landschapsbiografie wordt de ontstaansgeschiedenis van het landschap nader toegelicht. Bij Kollum vind je in de bovenste meters van de ondergrond bijvoorbeeld zand en keileem. Deze aardlagen zijn gevormd tijdens drie ijstijden die in het eerste hoofdstuk worden beschreven. In Paesens of Hallum liggen in de ondergrond kleiafzettingen of zandige lagen die door de zee zijn afgezet. De grondlagen wisselen hier elkaar snel af. Dat betekent dat het landschap er op verschillende momenten er totaal anders uitzag. Het is typerend voor het dynamische kustlandschap tijdens het holoceen. Dat is het tijdvak dat zo’n 11.700 jaar geleden begon en voortduurt tot het heden. Dit tijdvak en het dynamische en steeds wisselende landschap zal centraal staan in het tweede hoofdstuk. Afb.1.01 Het Actueel Hoogtebestand Nederland geeft een prachtige impressie van de huidige maaiveldhoogte in Noardeast-Fryslân. De hoge delen van het landschap zijn rood/geel gekleurd en de lagere delen zijn blauw.

Afb.1.02 Luchtfoto van de recente kwelders op de Boschplaat van Terschelling.

16

Hoofdstuk 1 Het pleistocene landschap

475.000 v.Chr.

410.000 v.Chr.

368.000 v.Chr.

128.000 v.Chr.

113.000 v.Chr.

9.700 v.Chr.

8.800 v.Chr.

Landschapstypen:

5.300 v.Chr.

2.000 v.Chr.

700 v.Chr.

100 n.Chr. 450 n.Chr.

900

1100

1500

1945

2020

Landschapseenheden:

pleistocene landschap

Smeltwaterdal Keileemeiland

Wierum

Wierum

Anjum

Holwerd

Anjum

Holwerd

Dokkum

Dokkum Munnekezijl

Hallum Burdaard

Munnekezijl

Hallum Burdaard

Kollum

Kollum

17

1.1 IJstijden vormen het landschap e contouren van Noord-Nederland hebben vorm gekregen in de laatste drie ijstijden die Nederland heeft gekend. In deze periode is de ondiepe ondergrond, tot grofweg 20 meter diepte, gevormd. Toen de zeespiegel tijdens de laatste ijstijd veel lager stond dan tegenwoordig, lag het pleistocene landschap in geheel Noardeast-Fryslân nog aan de oppervlakte. Via de droog liggende pleistocene bodem van de Noordzee was het soms mogelijk om vanuit Noardeast-Fryslân naar Engeland toe te lopen. Doordat de zeespiegel later weer is gestegen, is het pleistocene landschap bedolven geraakt onder kleien en zanden die door de Waddenzee zijn aangevoerd. Alleen in de omgeving van Westergeest, Kollum en Kollumerzwaag ligt het pleistocene landschap tegenwoordig nog aan het oppervlak. In dit hoofdstuk zal beschreven worden hoe het pleistocene landschap tijdens deze ijstijden vorm heeft gekregen en waar karakteristieke elementen uit deze periode nog in het landschap zijn te aanschouwen.

D

De Elster-ijstijd Voor het ontstaan van aardlagen rekenen geologen met tienduizenden jaren. Alleen al voor de vormingsgeschiedenis van de toplaag van het NoordNederlandse landschap dienen we bijna een half miljoen jaar terug te gaan in de tijd. In deze periode heerste er in het gebied waarin nu Nederland ligt een ijstijd: de Elster-ijstijd (475.000 – 410.000 jaar geleden). Door het ijzige klimaat vormden zich gletsjers in Scandinavië die zich gestaag uitbreidden tot in Noord-Nederland. De gletsjers waren soms honderden meters hoog. Onder deze gigantische ijskappen werd soms onder druk nog vloeibaar water afgevoerd. In de ondergrond werden zo diep ingesneden tunneldalen uitgesleten. Ze komen in diepe bodemlagen op diverse plekken in NoordNederland en onder de Waddenzee voor (Afb.1.03). Een van deze tunneldalen loopt van Blije, Lichtaard richting Feanwâlden (Dantumadiel) en was maar liefst zo’n 300 meter diep. Bij het afsmelten van de ijskappen kwam een overvloed aan smeltwater vrij die de tunneldalen opvulden. De uitgesleten smeltwaterdalen raakten opgevuld door slib en zand. De zandige afzettingen worden genoemd als smeltwaterzanden en de slibrijke afzettingen staan bekend als potklei (Afb.1.04). Potklei is een donkergrijze of zwartachtige klei die zeer slecht waterdoorlatend is.

In de Noardlike Fryske Wâlden is de potklei ondiep in de ondergrond aanwezig in de zone tussen het Burgumer Mar, Jistrum, Twijzelerheide, De Westereen, Kollumerzwaag en Westergeest. De klei komt hier voor op een diepte variërend van 0 tot 15 meter onder NAP. Doordat jongere afzettingen de potklei op veel plaatsen afdekken is het voorkomen ervan niet af te lezen aan de hoogte van het huidige maaiveld. Toch is het

18

Afb.1.03 Verspreiding van de tunneldalen in Noord-Nederland en de Noordzee. Met kleuren is aangegeven hoe ver het landijs reikte tijdens de Elster-ijstijd, de Saale-ijstijd en de Weichsel-ijstijd. 19

voorkomen van de afzettingen van belang in het huidige landschap. Vanwege de slecht waterdoorlaatbaarheid oefenen ze grote invloed uit op de lokale en regionale grondwaterstromingen. Het water kan niet diep in de bodem weglopen, waardoor er plaatselijk vernatting kan optreden. De Saale-ijstijd De volgende periode die zichtbare sporen heeft achtergelaten in het landschap is het Saalien. Dit tijdvak beslaat de periode tussen 370.000 – 130.000 jaar geleden. De laatste 70.000 jaar (200.000 - 130.000 jaar geleden) worden gerekend tot de Saale-ijstijd. Opnieuw werd het extreem koud en vormden zich gletsjers die vanuit Scandinavië in zuidwestelijke richting bewogen. Wanneer de ijsstroom stopte werd aan de rand van het ijsfront een stuwwal gevormd. Voorbeelden daarvan zijn de stuwwallen in Noordoost-Groningen (Schildwolde/Winschoten) en die op de lijn van Texel, Gaasterland, Steenwijk en Hoogeveen. Doordat het ijs vervolgens weer ging stromen zijn deze stuwwallen ‘overreden’. Uiteindelijk werd de maximale grens van de ijsuitbreiding bereikt in de omgeving van Haarlem – Utrecht – Nijmegen. In Noardeast-Fryslân zijn geen stuwwallen gevormd, wel ligt hier een slecht waterdoorlaatbare grijsachtige keileemlaag.

Keileem is een mengsel van uit Scandinavië aangevoerde stenen, grind en reeds aan de oppervlakte liggende sedimenten die onder het gewicht van de ijskap sterk zijn vermalen, vermengd en samengeperst. Oorspronkelijk is onder de ijskap het keileem vrijwel vlakdekkend in Noardeast-Fryslân afgezet. Het toenmalige landschap helde destijds flink af richting het noorden. Dat is prachtig te zien op een pleistocene dieptekaart

20

(Afb.1.05). Ten noorden van het Dokkumer Grutdjip en de Dokkumer Ie ligt de keileemlaag op zo’n -3 m. NAP, verder naar de huidige kustlijn zelfs rond -9 m. NAP. Later is deze keileemlaag door getijdengeulen van het toenmalige waddengebied op veel plaatsen weggespoeld door de zee. Ook tegenwoordig nog zijn er diepe geulen op het wad die deze keileemlagen aansnijden. Daarbij komen er keileembrokjes vrij die langs deze geulen worden aangetroffen. In het zuidelijke deel van Noardeast-Fryslân is de keileemlaag in de ondiepe ondergrond aanwezig. De laag maakt onderdeel uit van een groot keileemplateau dat zich ook verder zuidwaarts buiten de gemeentegrens uitstrekt. Tijdens het afsmelten van de ijskappen na de Saale-ijstijd heeft het vrijkomende smeltwater zeer diepe en brede geulen uitgesleten in dit plateau. Het keileemplateau verbrokkelende tot een reeks van keileemeilanden die werden doorsneden door diepe geulen. Op de hoogtekaart

Afb.1.04 Opvulling van een tunneldal met smeltwaterzanden (lichtbruin) en potklei. Helemaal bovenin de afbeelding zijn de grondlagen aangegeven met keileem en dekzand. Dit zijn grondlagen die gevormd zijn tijdens de Saale-ijstijd (keileem) en de Weichsel-ijstijd (dekzand).

Engelsmanplaat

Lauwersmeer

Holwerd

Dokkum Hallum Burdaard Kollum

Afb.1.05 Een reconstructie van de pleistocene hoogte van Noardeast-Fryslân aan het begin van het holoceen. Het blauwgroen (noorden) weerspiegelt diepten tot zo’n -20 m NAP en het mintgroen (zuiden) diepten tussen de 0 – 10 m + NAP. Zie daarvoor ook de legenda. 21

1.2 Stuivend zand bedekt het landschap

Munnekezijl

is het keileemeiland (Kollumerzwaag, Veenklooster, Oudwoude en Kollum) met het noordelijk gelegen smeltwaterdal (tussen Westergeest en Triemen) nog prachtig te zien (Afb.1.06).

ld

Westergeest Westergeest

Oudwoude

Kollumerzwaag

Na de Saale-ijstijd volgde de relatief kortstondige warme periode die wordt aangeduid als het Eemien (130.000 – 115.000 jaar geleden). De ijskappen smolten af en er kwamen grote hoeveelheden water vrij, waardoor de eerder genoemde smeltwaterdalen in het keileemplateau ontstonden. Met het warmere klimaat steeg de zeespiegel tot aan het huidige niveau of zelfs iets hoger. Langs diep ingesneden dalen aan de kust liet de zee in deze periode zand en klei achter (dit wordt ook wel het afzetten van sediment genoemd). Vooral langs het laaggelegen Hunzedal dat aan de oostkant van het huidige Lauwersmeer lag. In Noardeast-Fryslân liggen op een diepte van zo’n -8 m. NAP nog afzettingen uit het Eemien in de buurt van Nes en Oosternijkerk. Naast de erosiegeulen in het keileemplateau heeft dit tijdvak echter weinig noemenswaardige invloed gehad op het uiterlijk van het huidige landschap.

Kollum

De Weichsel-ijstijd Na het Eemien volgde de laatste ijstijd tot dusver: de Weichsel-ijstijd (115.000 – 11.700 jaar geleden). Dit keer bereikte het landijs Nederland niet en bleef het steken in Midden-Denemarken. Doordat veel water was opgeslagen in grote ijskappen lag de zeespiegel veel lager dan tegenwoordig. Net als in eerdere ijstijden was het opnieuw mogelijk om te voet Engeland te bereiken. Het landschap zelf was vergelijkbaar met een huidige toendra en in de koudste perioden zelfs met een poolwoestijn. Begroeiing in het landschap was spaarzaam, alleen in perioden waarin het relatief gezien iets warmer was zullen er boomsoorten als dennen en dwergberken hebben gegroeid. De laatste periode van de Weichsel-ijstijd, ongeveer vanaf 26.000 jaar geleden, was zeer koud. Het bodemoppervlak was constant bevroren (permafrost),

Buitenpost

Afb.1.06 Op de hoogtekaart van Nederland is het keileemplateau met de keileemeilanden (rood/oranje/geel) en de pingoruïnes (gele en groene rondvormige laagten) zichtbaar. Voor uitleg pingoruïnes, zie Afb.1.09. 22

waardoor het water bij hevige regenval of het afsmelten van sneeuw niet de bodem in kon dringen. Er ontstonden lokale, brede modderstromen die het water via de smeltwaterdalen in noordwaartse richting afvoerden (Afb. 1.05). Tegelijkertijd zorgden modderstromen ervoor dat de smeltwaterdalen raakten opgevuld met sedimenten zoals leem (keileem), zand en fijn grind. Zodoende spoelden de kleinste gronddeeltjes, het leem, uit de keileemlagen die toen nog aan de oppervlakte lagen. Wat achterbleef was een mengsel van zand, kleine grindjes en stenen. Vooral in droge perioden werd het vrijgekomen zand uit het keileem door de wind meegevoerd en elders opnieuw afgezet. Op deze wijze werden grote delen van Nederland bedekt met een laag zand van soms enkele meters dik: het dekzand (Afb.1.07).Vanwege de beschutte ligging werd het dekzand vooral in de lagere delen van het landschap afgezet. Ook werd er veel dekzand ‘ingevangen’ in natte landschappelijke zones zoals de smeltwaterdalen. In de

hogere delen van het landschap is de dekzandlaag over het algemeen dunner. Behalve daar waar lokale struiken en boompjes het waaiende zand vastlegden. Hier konden dekzandruggen ontstaan. Dat zijn ‘ruggen’ van opgestoven zand die enkele meters hoog konden worden. Door het stuivende dekzand werden bestaande hoogteverschillen van het keileemoppervlak enigszins afgevlakt. Laagtes werden opgevuld en slechts hier en daar ontstond in de vorm van dekzandruggen nieuw hoogteverschil in het landschap. De dekzandafzettingen liggen grofweg ten zuiden van de lijn Damwâld, Westergeest, Kollum aan de oppervlakte, zo ongeveer één tot drie meter boven NAP. Vaak is de dekzandlaag niet dikker dan 0,5 tot 1 meter. Behalve op de keileemeilanden van Westergeest, Wijgeest en Kollum, waar bovenop het keileem een dikkere dekzandrug tot ontwikkeling is gekomen. Het pleistocene reliëf, de keileemeilanden met het daarop afgezette dekzand en de smeltwaterdalen, mogen beschouwd worden als aardkundige kernkwaliteiten (Afb. 1.10). De dekzandafzettingen hellen in noordwaartse richting af. Langs de huidige kustlijn komen de zanden voor tussen de -8 en -10 m. NAP, bijvoorbeeld ter hoogte van de zeedijk bij Marrum. Plaatselijk zijn er langs de kust ook dekzandhoogten in de ondergrond, bijvoorbeeld bij Hegebeintum. Hier komt het pleistocene zand tot zo’n -3 m. NAP.

Aangezien de afzettingen uit het pleistoceen (keileem en dekzand) vrijwel vlakdekkend in NoardeastFryslân voorkomen – zowel in de ondergrond als aan de oppervlakte – is het grondgebied van de gehele gemeente aangeduid als het pleistocene landschap (landschapstype, zie afbeeldig op het titelblad van dit hoofdstuk).

Afb.1.07 Een referentiebeeld van een poolwoestijn met een constant bevroren bodem waar de wind door het transporteren van zand een belangrijke rol speelt.

Wanneer in het vervolg kernkwaliteiten in de tekst worden beschreven, zijn ze herkenbaar aan een blokje in corresponderende kleur en witte tekst. De begrenzing van landschapstypen en landschapseenheden is bij ieder hoofdstuk op het titelblad weergegeven. Zodra er sprake is van landschapstypen of –eenheden worden deze in de tekst dikgedrukt en in de hoofdkleur van het voorliggende hoofdstuk weergegeven.

23

Pingoruïnes Een nieuw verschijnsel uit deze periode zijn de pingo’s. De naam ‘pingo’ betekend in de taal van de Inuit ‘heuvel die groeit’. In feite is het een heuvel met een kern van ijs. Pingo’s ontstonden in Noord-Nederland doordat op verschillende plaatsen onder de constant bevroren bodem (permafrost) kwelwater omhoog werd gestuwd. Doordat het water bevroor werd de bodem als het ware omhoog geperst. Zodoende ontstonden ‘ijsheuvels’ van wel tientallen meters hoog. Toen het klimaat verbeterde, smolt de ijskern. Wat resteerde was een diepe krater met daaromheen een randwal van aarde die al eerder langs de ijskern naar beneden was gegleden (Afb.1.09). Deze ronde of ovale meertjes met een wal eromheen heten pingoruïnes. In de Noardlike Fryske Wâlden liggen veel pingoruïnes doordat hier in de laatste ijstijd veel smeltwatergeulen lagen waar vanuit de ondergrond kwelwater omhoog kwam. De talloze rondvormige laagtes rond Kollumerzwaag en Veenklooster zijn vrijwel allemaal pingoruïnes. Het zijn typische aardkundige kernkwaliteiten voor de Noardlike Fryske Walden (kernkwaliteit, Afb.1.11).

Zevenhuisterweg te Augsbuurt (Afb.1.08). Als aardkundige kernkwaliteit zijn alle zichtbare pingoruïnes op basis van bodem-, geologische kaarten en de hoogtekaart in beeld gebracht. Daarbij is het verschil tussen een pingoruïne en dobbe niet altijd goed te maken. Een uitgeveende pingoruïne kan gefungeerd hebben als een drinkdobbe voor het vee. Soms heeft de mens echter in bestaande laagten ook drinkpoelen voor het vee gegraven. Beide worden in de volksmond aangeduid als dobbe.

Esri Nederland, Jan Willem van Aalst - www.imergis.nl

Na de laatste ijstijd zijn de pingoruïnes opgevuld met organisch materiaal en plantenresten (veen). Veel van deze veenkernen zijn verdwenen doordat er turf uit is gewonnen. Wat achterbleef waren kleine meertjes die in de volksmond dobben werden genoemd. De kans is groot dat er noordelijk van Westergeest, Wijgeest en Kollum ook nog pingoruïnes in de ondergrond aanwezig zijn. Deze pingoruïnes zijn in latere perioden afgedekt met een kleilaag en daardoor niet meer zichtbaar, maar wel zeer goed geconserveerd. Een gedetailleerde bodemkartering die vanwege de ruilverkaveling van Kollumerland is gemaakt toont zo’n dobbe onder een kleilaag even ten westen van de boerderij Steenharst aan de

24

Afb.1.08 Dobbe (D) aangetroffen tijdens grondboringen in het kader van de ruilverkaveling Kollumerland in 1977. De dobbe zelf en de omgeving is afgedekt door kleiafzettingen (codes Mn en Mv) op de kaart.

onstaan van een pingo-ruine in stappen

Afb.1.09 De vorming van een pingo tot aan het afsmelten van de ijskern waarna een kratervormig meer overbleef met een randwal eromheen: een pingoruïne (afbeelding: Bosch Slabbers Landschapsarchitecten, 2009).

25

Kernkwaliteit: pleistoceen reliëf De smeltwaterdalen zijn gekarteerd als een aparte aardkundige landschapseenheid, zie daarvoor ook de afbeelding op het titelblad van dit hoofdstuk. Samen met de keileemeilanden of –plateau’s vormen ze de kernkwaliteit pleistoceen reliëf. In het geval van smeltwaterdalen uit zich dat in hoogteverschil tussen Kollumerzwaag en Westergeest (groenblauwe tint) en het hoger gelegen keileemplateau (oranjebruine tint).

Het keileemplateau of –eiland is een aardkundige landschapseenheid die in het landschap nog zichtbaar is in het zuidelijke deel van Noardeast-Fryslân. De keileemlagen zijn hier herkenbaar als verhogingen in het landschap. Het landschap is nadien ingericht op deze hoogteverschillen van slechts enkele meters. Op het titelblad van dit hoofdstuk is de landschapseenheid ook weergegeven. Afb.1.10 In het zuidoostelijke deel van Noardeast-Fryslân liggen de pleistocene afzettingen aan het oppervlak. Door de vormingsgeschiedenis van het landschap is verschil in hoogte (reliëf) gecreëerd tussen de smeltwaterdalen en keileemeilanden. Samen met de pingoruïnes vormt dit verschil in reliëf de belangrijkste aardkundige kernkwaliteit. Op de afbeelding zijn de contouren van de smeltwaterdalen (blauwgroen), keileemeilanden (oranje) en pingoruïnes (donkergroen) aangegeven. Daaronder zijn de hoogteverschillen zichtbaar op de hoogtekaart (waarbij rood hoog is, en blauw laag). 26

Kernkwaliteit: pingoruïnes

Pingoruïnes vormen een belangrijke aardkundige kernkwaliteit. Ze komen veelvuldig voor op de keileemplateau’s van de Noardlike Fryske Wâlden en zijn daarmee karakteristieke landschappelijke elementen. Indien de veenvulling aanwezig is, zijn de pingoruïnes ook van belang als ‘landschappelijk archief’. Aan de hand van de veenlagen kan niet alleen het voormalige landschap worden gereconstrueerd. Ook het ingrijpen van de mens in dit landschap is vaak terug te zien. De beïnvloeding van het landschap door de mens gaat namelijk gepaard met het voorkomen van specifieke plantensoorten (cultuurindicatoren). Ook zonder veenkern zijn pingoruïnes van belang: als karakteristiek cultuurhistorische en landschappelijk element (drinkdobbe) in de Noardlike Fryske Wâlden en vanwege de aanwezige natuurwaarden. Afb.1.11 Pingoruïne in de Friese Wouden tussen het spoor en Kollumerzwaag. De randwal rond de pingoruïne is aan de noord- en noordoostkant nog prachtig zichtbaar in het landschap (met een stippellijn aangezet op de foto). Waarschijnlijk is de natte laagte op de voorgrond ook een restant van een pingoruïne. Het is goed mogelijk dat deze pingoruïne nog gevuld is met een dikke veenlaag. Om duidelijk te verkrijgen of het hier een pingoruïne of een dobbe betreft dienen er grondboringen verricht te worden. 27

Afb.2.01 Luchtfoto van het kwelderlandschap op Schiermonnikoog (Ooster kwelder).

28

Hoofdstuk 2 holocene landschappen: het waddengebied en grootschalige veenmoerassen 475.000 v.Chr.

410.000 v.Chr.

368.000 v.Chr.

128.000 v.Chr.

113.000 v.Chr.

9.700 v.Chr.

8.800 v.Chr.

Landschapstypen:

5.300 v.Chr.

2.000 v.Chr.

700 v.Chr.

100 n.Chr. 450 n.Chr.

900

1100

1500

1945

2020

Landschapseenheden:

Waddenlandschap Veenlandschap

Getijdengeulen Kwelderwallen

Wierum

Wierum

Anjum

Holwerd

Anjum

Holwerd

Dokkum

Dokkum Munnekezijl

Hallum Burdaard

Munnekezijl

Hallum Burdaard

Kollum

Kollum

29

2.1 Zeespiegelstijging, oerbossen en veenvorming a de Weichsel-ijstijd volgt een nieuwe periode: het holoceen (11.700 jaar geleden tot nu). Dit warme tijdvak duurt voort tot de dag van vandaag. Met de zeespiegelstijging als motor veranderde het landschap snel van gedaante. De stijging van het zeewater heeft twee belangrijke processen geactiveerd in het landschap van Noardeast-Fryslân: 1. Het ontstaan van grote veenkussens langs de kust en op het pleistocene achterland; 2. De vorming van een zeer dynamisch waddensysteem. Gedurende het eerste deel van het holoceen raakte het landschap bebost om daarna plaats te maken voor uitgestrekte veenmoerassen (11.700 jaar geleden tot 1.500 v. Chr.). Deze ontwikkelingen worden uitgelegd in het eerste deel van dit hoofdstuk. In het tweede deel wordt er voornamelijk ingegaan op de dynamische uitbouw van het Waddengebied tussen 1.500 v. Chr. en 100 n. Chr. Daarbij staat vooral het aardkundige landschap centraal. Pas in het volgende hoofdstuk wordt ingezoomd op de relatie tussen de mens en het landschap in het Waddengebied.

N

30

Zeespiegelstijging Met het opwarmen van het klimaat smolten de noordelijke ijskappen en steeg de zeespiegel. Aan het begin van het holoceen lag de zeespiegel nog zo’n 40 tot 50 meter onder het huidige niveau. Grote delen van de Noordzee lagen op dat moment nog droog. De zeespiegel steeg razendsnel en zo’n 8.000 jaar geleden werd in de grootste en diepst ingesneden rivierdalen in Noord-Nederland - zoals de Oerboorne, Hunze, Fivel en Eems - de invloed van het getij merkbaar. Aanvankelijk steeg de zeespiegel met bijna één meter per eeuw, maar in de laatste 6000 jaar is de stijging afgevlakt van 30 centimeter naar gemiddeld 5 tot 10 centimeter per eeuw (Afb.2.02). De hoofdoorzaak van de zeespiegelstijging was niet langer alleen het stijgen van de zeespiegel, maar ook het dalende Noord-Nederlandse aardoppervlak ten gevolge van bewegingen in de aardkorst. Om deze reden wordt er ook wel gesproken van een relatieve zeespiegelstijging. De zee rukte steeds verder op in zuidelijke richting en daarbij werd een enorme hoeveelheid sediment (zand en kleinere kleideeltjes) aangevoerd vanuit de Noordzee. Hierdoor ontstonden in West-Nederland en ten noorden van de huidige Waddeneilanden grote zandbanken of strandwallen. Doordat de zeespiegel bleef stijgen verplaatsten deze strandwallen zich verder landinwaarts.

Een belangrijk verschil met West-Nederland is dat in Noord-Nederland de gesloten strandwallengordel doorbroken werd door getijdengeulen. Achter de strandwallen (eilanden) ontstond in Noord-Nederland daardoor een sterk dynamisch waddengebied waar wadplaten en geulen zich constant verlegden. pleistocene rivierdalen zoals de Oerboorne, Oerhunze en later die van de Middelzee, Peazens en Lauwers veranderden

in belangrijke getijdenbekkens (Afb.2.05 en Afb.2.10). Een getijdenbekken wordt gevormd door het zeegat of getijdengeul die de strandwal doorbreekt (de geul tussen de eilanden) en alle landinwaarts vertakkingen die met de getijdengeul in verbinding staan. Nog steeds rukte de zee verder in zuidwaartse richting op. Dat proces ging door tot ongeveer 7.000 jaar geleden. Vanaf dat moment steeg de zeespiegel minder snel (tussen de 25 en 35 cm per eeuw). Het sedimentaanbod in de zee werd echter vergroot door de erosie van pleistocene hoogtes langs de kust. De stromingen in de getijdenbekkens voerden nu zoveel zand en kleideeltjes aan dat de kustvlakte achter de strandwallen ermee werd opgevuld. Zo vormden zich zandplaten die tijdens vloed niet meer onder water kwamen te staan. Vanaf dit moment waren de rollen omgedraaid: de nieuwe kustlijn breidde zich uit ten koste van de zee. Het was de geboorte van de Wadden. Oerbossen Gedurende de eerste millennia van het holoceen was de invloed van de zee echter nauwelijks te merken in de regio die nu bekend staat als Noardeast-Fryslân. Het pleistocene landschap, zoals te zien op de eerder vertoonde kaart (Afb.1.05), met smeltwaterdalen, uitgestoven laagten, dekzandruggen en keileemeilanden lag toen nog overal aan de oppervlakte. Zelfs langs de huidige kustlijn lagen in deze periode de dekzanden nog aan het oppervlak.

Lange tijd was dit pleistocene landschap bedekt met omvangrijke bossen. Er is onderzoek gedaan naar stuifmeel (pollen) dat is verspreid door bomen in de omgeving van Buitenpost die daar tijdens het begin van het holoceen groeiden (9.000 v. Chr.). Daaruit bleek dat het landschap nog relatief open was. De bomen die er stonden waren dwergbekken en dennen. Na verloop van tijd ontwikkelde zich een

Afb.2.02 De holocene zeespiegelstijgingscurve die voor vier verschillende gebieden in Duitsland, Nederland en België is gereconstrueerd.

31

steeds dichter wordend berken-dennenbos dat zelfs ter hoogte van de huidige kustlijn heeft gestaan. Vanaf het Atlanticum (7.000 v. Chr. - 3.500 v. Chr.), ontwikkelde zich op de Noord-Nederlandse en NoordDuitse zandgronden een zeer dichte loofbosvegetatie: het Atlantische woud. Op de drogere zandgronden was de eik dominant, gevolgd door de linde, berk, iep en es. Daar waar keileem of keizand voorkwam in de ondiepe ondergrond overheerste de linde. In deze iets rijkere bossen groeiden ook meer iepen en essen, en ook de hulst kwam in dergelijke bossen voor. Afhankelijk van de lokale grondwaterstand en voedselrijkdom zullen in NoardeastFryslân zowel het Atlantische Eiken-Lindewoud en het Atlantische Linden-Eiken-Iepenbos hebben gegroeid (Afb.2.03). Restanten van deze oerbossen worden soms teruggevonden in de Waddenzee als verspoelde stobben. Ook bij het Eeltsjemar bij Rinsumageast (Dantumadiel) zijn grote stobben gevonden als restant van de Atlantische bossen. Bedolven onder het veen De steeds verder stijgende zeespiegel zorgde ervoor dat de grondwaterstand in het achterland, de pleistocene gronden, ook steeds hoger kwam te staan. De zee drong via de getijdenbekkens steeds verder landinwaarts door, en in laaggelegen zones (bekkens) werd sediment (zand en klei) afgezet. De stijgende zeespiegel had ook als gevolg dat het water minder goed kon wegstromen naar de zee.

Samen met de hogere grondwaterstand leidde dit tot vernatting van het landschap. In combinatie met het warmer wordende klimaat waren dit de ideale omstandigheden voor de vorming van dikke veenpakketten.

32

Deze veenontwikkeling vond plaats in twee landschappelijke zones: 1. Achter de strandwallengordel langs de kust; 2. Op de hogere pleistocene gronden. Zo omstreeks 6.000 v. Chr. vormde zich een strandwallengordel in het Waddengebied. Achter de strandwallen ontstond een bekken of wadvlakte waar grootschalige (riet)veenmoerassen tot ontwikkeling kwamen, ook wel kustvenen genoemd. Het was een dynamisch gebied waar soms de veenontwikkeling de overhand had, terwijl bij stormvloeden het veen overspoeld raakte en de veenontwikkeling tijdelijk stagneerde (Afb.2.08). De veenontwikkeling op de hoger gelegen pleistocene gronden verliep geheel anders. In dit landschap trad ook vernatting en veenvorming op door de stijgende zeeen grondwaterspiegel. De eerste venen ontwikkelden zich op de lagere plekken in het pleistocene landschap (smeltwaterdalen, dobben, pingoruïnes). Naar verloop van tijd werden vanuit deze kernen grote delen van het landschap overdekt met veen.

Afb.2.03 Referentiefoto van het oerbos Bialowieza in Polen. Hier staan nog zeer hoge en dikke linden en eiken, en het bos kent een zeer rijke ondergroei, in dit geval met daslook.

Veenvorming Door de stijgende grondwaterstanden in het holoceen vernatte het landschap. Al snel ontwikkelden zich waterminnende plantvegetaties en boomsoorten zoals riet, zegge-achtigen, wilgen of elzen. Jaarlijks hoopte zich organisch materiaal op dat bestond uit afgestorven planten, takjes en bladeren. Het materiaal verging niet of nauwelijks doordat het onder water lag en daardoor werd afgesloten van zuurstof. Zodoende stapelde het organische materiaal zich op tot een aaneengesloten laag, ook wel een veenpakket genoemd. De hierboven beschreven plantensoorten groeien voornamelijk onder invloed van rijker grond- of oppervlaktewater. Hier zijn de veentypes ook naar vernoemd. Soms wordt het veentype benoemd naar de voedselrijkdom: voedselrijke of matig voedselrijke venen dus. In andere gevallen is de naamgeving van het veentype naar de dominante plantensoorten: rietveen, zeggeveen, zeggerietveen of broekbos (vnl. naar de els en wilg). Met de stijgende grondwaterstand werden ook de veenlagen steeds dikker. Doordat de veenlaag steeds meer aan hoogte won werd na verloop van tijd een punt bereikt waarbij de bovenkant van het veenpakket steeds meer onder invloed kwam te staan van regenwater. Het regenwater is voedselarm en relatief zuur. Dit zuurdere en voedselarmere milieu leende zich uitstekend voor de vestiging van veenmossen.

Een eigenschap van veenmos is dat het als een spons water vast kan houden. Daardoor konden de veenpakketten verticaal en horizontaal uitgroeien tot gewelfde veenmosveenkoepels. Deze voedselarme venen of oligotrofe venen worden vaak benoemd als hoogveen. Naast veenmosvenen vinden we in deze milieus planten als wollegras, eenarig veenpluis, kleine veenbes, dopheide en struikheide.

Afb.2.04 Veenvorming in vijf stappen, van voedselrijke venen naar een voedselarm hoogveen.

33

Met het stijgen van de zeespiegel verplaatste de gordel van kustvenen zich tussen 6.000 v. Chr. en 2.750 v. Chr. steeds verder landinwaarts (Afb.2.05). Rond 2.375 v. Chr. begon ook veen te groeien in het pleistocene landschap bij Dokkum. Restanten daarvan zijn aangetroffen onder terprestanten ‘De Trije Terpen’ bij het Geastmer Mar. Uit onderzoek naar deze veenlagen blijkt dat hier voorafgaand aan de veenontwikkeling waarschijnlijk een elzenbroekbos heeft gegroeid. In de pleistocene gebieden nog verder landinwaarts (omgeving van Kollum) was de vernatting van het landschap ook duidelijk te merken. Via de getijdenbekken van de Hunze, dat is de ver landinwaarts reikende getijdengeul aan de oostkant van NoardeastFryslân (Afb.2.05), werd sediment aangevoerd waardoor de daaraan grenzende smeltwaterdalen opgevuld raakten met sediment. Ook begon zich in deze dalen veen te vormen. Deze veenvorming hield min of meer gelijke tred met de stijging van de lokale waterstanden. Door toedoen van de vernatting ontwikkelden zich veenvegetaties op het vlakkere dekzandplateau, in de uitgestoven laagten, in de smeltwaterdalen, op de keileemplateau’s en in de pingoruïnes. In de volgende periode, ongeveer tussen 2.750 en 1.500 v. Chr., ging het erg snel met de veenontwikkeling. Doordat de zeespiegelstijging afnam, steeg ook de grondwaterspiegel in het achterland minder snel.

De vele geïsoleerd gelegen veenkernen kwamen meer en meer onder invloed te staan van regenwater. Door het zuurder wordende milieu raakten de venen in rap tempo begroeid door veenmossen. Al snel ontstonden de eerste gewelfde veenkoepels (Afb.2.04). Dat gebeurde vrijwel in alle landschappelijke zones: in de kustvenen, langs de flanken van oude smeltwaterdalen en getijdenbekkens en in

34

afvoerloze laagten of pingoruïnes op de keileemeilanden. Uit het onderzoek in Dokkum (Geastmer Mar) bleek zelfs dat na de fase met elzenbroekbossen zich direct hoogveen ontwikkelde. Vanuit deze en vele andere brongebieden vormden zich kleine veenkoepels die zich na verloop van tijd in hoogte en breedte konden uitbreiden. Diverse hoogveenkoepels groeiden aaneen waardoor ook hoger gelegen pleistocene gebieden bedekt raakten onder een hoogveenpakket. Deze landschapstransformatie zette zich gestaag door totdat rond 1.500 v. Chr. vrijwel het gehele grondgebied van de gemeente, ook het kustgebied, bedekt was met hoogveen. Vooral in de zuidelijke delen van de gemeente Noardeast-Fryslân heeft dit hoogveenpakket nog lang het landschapsbeeld bepaald. Door de doorgaande zeespiegelstijging en de eroderende werking van getijden- en kweldergeulen verdween het veen langs de kust vervolgens als sneeuw voor de zon. Zodoende kan vanaf ruwweg 1.500 v. Chr. gesproken worden van twee aardkundige landschapstypen die zich bovenop het pleistocene landschap ontwikkelden: het waddenlandschap en het veenlandschap (Afb.2.01). Zoals verderop wordt omschreven zijn de grenzen van beide landschappen diffuus door de sterk dynamische omstandigheden..

9000 v. Chr. Oerboorne

Oerhunze

5500 v. Chr. Oerboorne

Oerhunze

Wierum

Oerhunze

Wierum Anjum

Holwerd

Dokkum

Holwerd

Dokkum

Hallum Kollum

Dokkum

Kollum

Kollum

2750 v. Chr. Oerboorne

Oerhunze

Anjum

Hallum

Hallum

1500 v. Chr. Oerboorne

Oerhunze

Wierum Holwerd

Oerboorne

Wierum Anjum

Holwerd

3850 v. Chr.

Wierum Anjum

Holwerd

Dokkum

Anjum

Dokkum

Hallum

Hallum Kollum

Kollum

Afb.2.05 Noardeast-Fryslân en wijde omgeving op de paleogeografische reconstructiekaarten van Vos vanaf 9000 v. Chr. tot 1500 v. Chr. Via paleogeografische kaarten wordt op hoofdlijnen inzichtelijk gemaakt hoe de verdeling tussen land, zee en rivieren zich in het verre verleden heeft ontwikkeld. 35

Jagers & verzamelaars en de eerste boeren Op de hoger gelegen pleistocene gronden zijn veel vindplaatsen bekend van werktuigen van vuursteen die daar door de mens zijn achtergelaten. Een aantal van deze werktuigen zijn te dateren in het laat paleolithicum zo aan het einde van de Weichsel-ijstijd (Afb.2.07). Er trokken toen rendierjagers door Nederland en waar nu de Waddenzee ligt. Het was een toendra-achtig landschap. De meeste vuursteenvindplaatsen zijn echter jonger en dateren uit het mesolithicum. In deze periode zwierven jagers en verzamelaars door een landschap dat meer en meer bebost raakte. Ten zuiden van de lijn Westergeest – Kollum ligt de pleistocene ondergrond nu aan het maaiveld. Hier liggen de werktuigen aan of vlak onder het oppervlak. Logischerwijs worden in deze regio dus de meeste vondsten gedaan. De jagers en verzamelaars zullen ook hun kampen verder noordelijk in de gemeente hebben opgeslagen. Hetgeen zij daar hebben achtergelaten aan sporen en werktuigen is achter afgedekt door dikke pakketten zand en klei. In het neolithicum vestigden de eerste boeren zich in Nederland. Het grootste verschil is dat de boeren voor een langere tijd op een specifieke plaats bleven wonen. Het jagen, vissen en verzamelen bleef desondanks een belangrijke bezigheid. Vanaf deze periode werd er voor het eerst aardewerk vervaardigd (kommen, potten en bekers).

In Noardeast-Fryslân zijn in de omgeving van Burum, Augsbuurt en Kollumerzwaag stenen bijlen uit deze periode gevonden (afb. 2.06). Ook het verder noordelijk gelegen zandgebied, het huidige kleilandschap, werd in het neolithicum bewoond. Zo zijn er vindplaatsen bekend in Oostrum, Bornwird en Burdaard. De vuurstenen bijlen zijn te dateren in het midden en laat neolithicum. Ze behoren tot de Trechterbekercultuur of de Enkelgrafcultuur. De

36

Trechterbekercultuur, met karakteristieke trechtervormige aardewerken bekers, staat bekend vanwege de hunebedden. Overigens is het niet uitgesloten dat de Neolithische mensen zich ook verder noordelijk hebben gevestigd.

Boven - Afb.2.06 In het zuiden van de gemeente zijn verschillende vindplaatsen van neolithische geslepen bijlen bekend. Dergelijke bijlen werden bijvoorbeeld gebruikt voor het kappen van bomen en het bewerken van hout. Rechts - Afb.2.07 Tijdbalk met daarop alle aardkundige, archeologische en historische tijdsperioden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=3e42a429-09d7-43c9-b7fb-a488696a5b49