bijlage 3 - Welstandsnota Noardeast Fryslan 2022
Tekst van het document
Dit neemt niet weg dat bij (ver)nieuwbouw nieuwe invullingen eveneens mogelijk zijn, maar deze dienen zich te voegen in het bestaande straat- en bebouwingsbeeld. Grote veranderingen worden in deze gebieden niet voorgestaan. Welstandsambitieniveau De welstandsambitie voor deze gebieden is gericht op het behoud en waar mogelijk het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. De klemtoon ligt op het handhaven en respecteren. Aan deze gebieden is dan ook een bijzonder ambitieniveau toegekend.
34
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – 5. WOONWIJKEN VOOR 1950 (BIJZONDER) Referentiefoto’s NO–Fryslân
Gebiedskenmerken en criteria Plaatsing Hoofdgebouwen staan in een duidelijke rooilijn
Hh
Iv
Vrijstaande bebouwing, dan wel dubbel of in rijen gebouwd, afgestemd op het bestaande Gebouwen staan haaks op of evenwijdig aan de weg; de gebouwen zijn met de voorgevel georiënteerd op de openbare ruimte
Re
Hoofdvorm
Hoeksituaties als stedenbouwkundig accent benut
Eén tot twee bouwlagen met een duidelijke kap
De massa-opbouw is enkelvoudig tot samengesteld; de hoofdgebouwen kennen een duidelijke verwantschap
De gebouwen zijn hoofdzakelijk kantig tot vloeiend opgezet
Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur Aanzichten Er is sprake van een duidelijke gerichtheid op de openbare ruimte
Duidelijk evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten (zoals plinten en daklijsten e.d.)
Bestaande hoofdopzet is uitgangspunt bij verbouw, evenals een blijvende onderlinge verwantschap
Opmaak Grote dakoverstekken, mee-ontworpen erkers, zorgvuldig gedetailleerde gootlijsten
Gevels hebben in hoofdzaak een stenig karakter (waarbij donkerrode aardkleuren overheersen); daken zijn voorzien van (gebakken, rode of zwarte) pannen of riet; bij verbouw dient een zorgvuldige afstemming op het bestaande plaats te vinden Traditionele kleurstellingen overheersen (afgestemd op het bestaande)
Sobere, maar zorgvuldige details (bijvoorbeeld de gootlijsten en de ruime overstekken en de maatverhoudingen van kozijnen en daklijsten); nieuwe moderne invullingen zijn mogelijk, mits goed ingepast in het huidige bebouwingsbeeld Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt
Overige Voor reclame-uitingen geldt ingetogenheid en integratie in straat- en gevelbeeld
Nieuwe invulling, ingepast in bestaande bebouwingsbeeld Beleidsintentie: Hh – Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
35
6.
WOONWIJKEN NA 1950
Gebiedsbeschrijving In de naoorlogse periode is een enorme bouwactiviteit op gang gebracht. Vooral in de stad als ook in de grotere dorpen zijn wijken, straten en straatwanden gerealiseerd met een repeterende bebouwing. Het bebouwingsbeeld wordt gedomineerd door rijenbouw (vooral ook in de zogenaamde wederopbouw-periode) in één of twee bouwlagen met een kap, waarbij de nokrichting evenwijdig aan de weg is. Op sommige plaatsen zijn ook dubbele woningen gerealiseerd; meestal in onderlinge samenhang per straatzijde of cluster. De detaillering is over het algemeen sober. Naast duidelijk herkenbare straten en wijken met repeterende bouw zijn er ook op veel plekken straten en wijken ontstaan met een meer individuele uitstraling van de woningen. Op sommige plekken worden daarbij hoekkavels benut als stedenbouwkundig accent. Ook zitten in deze gebieden clusters van projectmatige bouw. In de meeste gevallen is daarbij gestreefd naar een sterke architectonische uitstraling. Het materiaal- en kleurgebruik varieert van traditioneel tot modern. In clusters en per straatzijde is overwegend sprake van samenhang in massa-opbouw en kleur- en materiaalgebruik. De detaillering van de woningen is zorgvuldig. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn veelal in een afgeleide architectuur. In de gebieden zijn in veel gevallen ook bijzondere functies gerealiseerd.
Te denken valt aan scholen, supermarkten, garagebedrijven en appartementen voor ouderen. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is gericht op het beheer van de bestaande situatie. Bijzondere ontwikkelingen worden voor deze gebieden niet verwacht. Wel zullen enkele (delen van) wijken op termijn voor herstructurering in aanmerking komen. Voor de nieuwe invulling van deze gebieden zullen te zijner tijd afzonderlijke welstandseisen geformuleerd worden of zullen beeldkwaliteitseisen worden opgesteld. Welstandsambitieniveau
36
Voor de gebieden is een regulier ambitieniveau van kracht. De nadruk ligt op het respecteren van de bestaande basiskwaliteit. Incidentele veranderingen worden mogelijk geacht, mits deze respect tonen voor het reeds aanwezige bebouwingsbeeld.
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – 8. WOONWIJKEN NA 1950 Referentiefoto’s NO–Fryslân
Gebiedskenmerken en criteria Plaatsing Hoofdgebouwen staan per deelgebied of in een duidelijke rooilijn of meer vrij; Bijzondere functies kunnen hiervan afwijken
Hh
Re
Iv
Seriematig: overwegend in rijen of 2 onder 1 kap gebouwd. Individueel: overwegend vrijstaand.
Gebouwen staan haaks op of evenwijdig aan de weg; de gebouwen zijn met de voorgevel georiënteerd op de openbare ruimte; bijzondere functies (zoals een school of appartementencomplex) kunnen hiervan afwijken
Hoofdvorm
Repeterende bebouwing
Clusters van één tot twee bouwlagen met een duidelijke kap; incidenteel en per cluster ook plat afgedekte bebouwing in één of twee bouwlagen De massa-opbouw is per deelgebied overwegend enkelvoudig tot samengesteld; bijzondere functies kunnen hiervan afwijken
De gebouwen zijn in seriematige gebieden kantig en bij meer individuele gebieden kantig tot vloeiend
Aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur of kennen een bijzondere vormgeving, maar kennen wel samenhang per cluster/straatzijde; dakkapellen, erkers en dergelijke bij voorkeur volgens het principe van een trendsetter
Aanzichten
Enkelvoudige en samengestelde massa-opbouw
Nieuwe, moderne invulling
Er is sprake van een duidelijke gerichtheid op de openbare ruimte
Hoofdopzet per rij of cluster verwant. Bestaande hoofdopzet is uitgangspunt bij verbouw.
De geleding en compositie van gevels is per cluster sterk individueel (individuele bouw) of in onderlinge samenhang (serie matige bouw)
Traditionele hoofdopzet is uitgangspunt bij verbouw
Opmaak Per cluster zijn gevels qua stenig karakter of (deels) hout dan wel moderne materialen kenmerk; daken zijn voorzien van (gebakken) pannen; platte of bijzondere kapvormen ook wel met afwijkende dakbedekking. Bij verbouw afstemming op hoofdkenmerken van het bestaande Kleurstelling is traditioneel tot modern, maar is in samenhang per cluster/straatzijde, in dorpsranden terughoudend kleurgebruik
De geleding en compositie van gevels is per deelgebied sterk individueel of juist in onderlinge samenhang
Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt
Overige Voor reclame-uitingen geldt ingetogenheid en integratie in straat- en gevelbeeld
Beleidsintentie: Hh – Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
37
7.
SPORT- EN GROENVOORZIENINGEN
Gebiedsbeschrijving De grotere sport- en groenvoorzieningen zijn als afzonderlijk welstandsgebied op de welstandsbeleidskaart aangegeven. Deze gebieden kenmerken zich door de zeer lage bebouwingsdichtheid. Veelal is alleen een sportkantine aanwezig, die min of meer in een paviljoenachtige setting is gerealiseerd in de groene ruimte. De bebouwing is in één of twee bouwlagen, afhankelijk van de mogelijkheden in het bestemmingsplan. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is gericht op het beheer van de bestaande situatie. Bijzondere ontwikkelingen worden voor deze gebieden niet verwacht. Welstandsambitieniveau Voor de gebieden is een regulier ambitieniveau van kracht. De nadruk ligt op het respecteren van de bestaande basiskwaliteit. Incidentele veranderingen worden mogelijk geacht, mits deze respect tonen voor het reeds aanwezige bebouwingsbeeld.
38
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – 7. SPORT- EN GROENVOORZIENINGEN Referentiefoto’s NO–Fryslân
Gebiedskenmerken en criteria Plaatsing Hoofdgebouwen staan verspreid in de overwegend groene ruimte
Hh
Overwegend vrijstaande bebouwing
Re
Iv
Hoofdvorm
Overwegend één of twee bouwlagen waarvan de hoogte is vastgelegd in het bestemmingsplan, wel/niet met kap per situatie afhankelijk
De massa-opbouw is enkelvoudig tot samengesteld en kent individuele uitstraling
Gebouwen verspreid in de groene ruimte
De gebouwen zijn hoofdzakelijk kantig opgezet; gebouwen met een publieks- of verblijfsfunctie (kantines e.d.) tonen zich als paviljoen; gebouwen zoals kleedkamers, materiaalhokken e.d. hebben een eenvoudige hoofdvorm Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt
Aanzichten Er is sprake van een duidelijke gerichtheid op de openbare ruimte
De naar het openbare gebied gekeerde gevels kennen een duidelijke geleding (bijvoorbeeld door gevelopeningen en/of materiaaltoepassingen
Opmaak
Gevels hebben veelal een stenig en/of houten karakter, al dan niet in combinatie met moderne materialen Samengestelde bebouwing
Traditionele tot moderne kleurstellingen (afgestemd op het bestaande en ingepast in de omgeving)
Detaillering is eenvoudig Overige Voor reclame-uitingen geldt bescheidenheid; zie objectgerichte criteria reclame-uitingen Buitengebied.
Gerichtheid op de openbare ruimte Beleidsintentie: Hh – Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
39
8.
RECREATIETERREINEN
Gebiedsbeschrijving Binnen het gemeentelijk grondgebied liggen enkele recreatieterreinen. In Oudwoude (Parc de l’eau) is een kleinschalig recreatieterrein ontwikkeld, met een beperkt aantal recreatiewoningen. Hetzelfde geldt voor de campings in Westergeest. Ook ligt er in de Kollumerwaard een terrein voor recreatiewoningen. Nabij Oostmahorn zijn grootschalige recreatieterreinen ontwikkeld met een groot aantal recreatiewoningen. Het noordelijke deel bestaat uit een gedeelte dat in de jaren ’70 en ’80 geleidelijk is volgebouwd met overwegend hetzelfde type woningen en een gedeelte dat eind en begin 20e eeuw projectmatig is gerealiseerd met een sterke architectonische uitstraling en een bijzonder situering. De woningen in het eerste gedeelte zijn vrij dicht op elkaar gesitueerd. De woningen zijn gebouwd in één bouwlaag met kap, waarbij de kap bijna tot aan de grond doorloopt. Het materiaal en kleurgebruik is vrij traditioneel. Direct achter de dijk, aan de rand van het Lauwersmeer, zijn woningen op palen gebouwd. De woningen zijn duidelijk georiënteerd op het meer, lichtblauw van kleur en in moderne materialen uitgevoerd. Verder is het recreatiepark Esonstad van belang. De bebouwing in dit park is aaneengesloten gebouwd en historiserend van karakter met een traditionele hoofdopzet en verfijnde detaillering.
De panden zijn in meerderheid in twee dan wel één bouwlagen met een kap gebouwd. Aan de oostzijde van Dokkum, nabij Oostrum, ligt een kleinschalig recreatieterrein. Verspreid over de gemeente liggen nog diverse kleinschalige recreatieterreinen. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is gericht op het beheer van de bestaande situatie. Bijzondere ontwikkelingen worden voor deze gebieden niet verwacht. Welstandsambitieniveau Voor de gebieden is een regulier ambitieniveau van kracht. De nadruk ligt op het respecteren van de bestaande basiskwaliteit.
40
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – 8. RECREATIETERREINEN Referentiefoto’s NO–Fryslân
Gebiedskenmerken en criteria Plaatsing Hoofdgebouwen staan verspreid in het recreatiegebied; langs het Lauwersmeer in duidelijke lijnen gegroepeerd in het water
Hh
Re
Iv
Overwegend vrijstaande bebouwing maar in Esonstad ook aaneengesloten
De gebouwen zijn met de voorgevel georiënteerd op de openbare ruimte tenzij er een heldere reden is voor een andere oplossing
Aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen liggen in hoofdzaak achter de voorgevel van het hoofdgebouw
Hoofdvorm
Vrijstaande bebouwing
Overwegend één bouwlaag met een duidelijke kap
De massa-opbouw is enkelvoudig en kent per cluster een duidelijke verwantschap
De gebouwen zijn hoofdzakelijk kantig tot vloeiend opgezet
Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur of kennen een bijzondere vormgeving en volgen het principe van een trendsetter
Aanzichten Er is sprake van een duidelijke gerichtheid op de openbare ruimte
De vormgeving van de gevels toont helderheid en eenvoud, passend bij de hoofdvorm
Bestaande hoofdopzet is uitgangspunt bij verbouw
Woningen in het Lauwersmeer Opmaak
Per cluster zijn gevels stenig of van hout; bij verbouw dient een zorgvuldige afstemming op het bestaande plaats te vinden; de woningen langs het Lauwersmeer zijn in moderne materialen Traditionele kleurstellingen overheersen (afgestemd op het bestaande); soms, zoals bij de buitendijkse woningen bij Oostmahorn, geldt een specifieke eigen kleur Sobere, en soms zorgvuldige details; nieuwe moderne invullingen zijn mogelijk, mits goed ingepast in het huidige bebouwingsbeeld Overige Eén bouwlaag met duidelijke kap Voor reclame-uitingen geldt bescheidenheid. Zie objectcriteria reclame-uitingen Buitengebied.
Aanbeveling: hoogglanzende dakpannen bij voorkeur niet gebruiken Beleidsintentie: Hh – Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
41
9.
BEDRIJVENTERREINEN
Gebiedsbeschrijving De bedrijventerreinen in de gemeente zijn zeer divers. Dit komt tot uitdrukking in de omvang, de aard van de bedrijvigheid, het al dan niet aanwezig zijn van de combinatie wonen/werken en de kwaliteit en representativiteit van de bebouwing. Op de bedrijventerreinen in Dokkum zijn de zichtlocaties en de locaties langs de openbare weg in de meeste gevallen benut voor representatieve delen van bedrijfsgebouwen. Op deze bedrijventerreinen wordt niet of nauwelijks gewoond. De bedrijfsbebouwing staat grotendeels in een duidelijke rooilijn, zeker langs de belangrijkste doorgaande wegen. Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel tot modern. De overige bedrijventerreinen zijn vaak combinaties van wonen en werken, of bedrijvigheid die qua aard en schaal passend is bij kleinere kernen. Dit komt uiteraard ook tot uitdrukking in de maat en schaal van de bedrijfsbebouwing. Veelal zijn de bedrijfswoningen (indien aanwezig) voor de bedrijfsloodsen geplaatst. Op een aantal plekken komen ook inpandige bedrijfswoningen voor (zoals op Jumaheerd bij Kollum). Ook wanneer geen bedrijfswoningen aanwezig zijn, zijn de naar de weg gekeerde gevels van de bedrijfsloodsen duidelijk geleed door middel van gevelopeningen en/of (kleur/materiaal) accenten in de gevel. Hierdoor kennen deze gevels een duidelijke oriëntatie op het openbare gebied.
Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is gericht op het beheer van de bestaande situatie. Bijzondere ontwikkelingen worden voor deze gebieden niet verwacht. Welstandsambitieniveau Voor de gebieden is een regulier ambitieniveau van kracht. De nadruk ligt op het respecteren van de bestaande basiskwaliteit.
42
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – 9. BEDRIJVENTERREINEN Referentiefoto’s NO–Fryslân
Gebiedskenmerken en criteria
Hh
Re
Iv
Plaatsing Representatieve bedrijfsfuncties langs belangrijke ontsluitingswegen
Bedrijfswoning (voor zover aanwezig) is voor het bedrijfsgebouw gesitueerd dan wel geïntegreerd in de hoofdmassa
Opslag van goederen en materieel zoveel mogelijk inpandig of “achter” de bedrijfsbebouwing Hoofdvorm
De massa-opbouw is enkelvoudig en kent individuele uitstraling Representatief op zichtlocatie
De gebouwen zijn hoofdzakelijk kantig opgezet
Vrijstaande bedrijfswoningen zijn in één tot twee bouwlagen al of niet met kap
Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt
Aanzichten Er is sprake van een duidelijke gerichtheid op de openbare ruimte, met een duidelijke representativiteit op zichtlocaties
Er is sprake van een duidelijke geleding van de naar de openbare ruimte gerichte gevels (bijvoorbeeld door gevelopeningen en/of materiaaltoepassingen); zichtlocaties vertonen meer expressie
Traditionele hoofdopzet is uitgangspunt voor de bedrijfswoningen Eenvoud en toch representatief Opmaak
Moderne materialen zijn mogelijk; gevels van vrijstaande bedrijfswoningen hebben hoofdzakelijk een stenig karakter en schuine daken zijn voorzien van (gebakken) pannen Streven naar zorgvuldig materiaalgebruik in aansluiting op de omgeving
Moderne kleurstellingen zijn mogelijk met een voorkeur voor grijstinten; opvallend kleurgebruik dient te worden voorkomen
Detaillering is eenvoudig en bij representatieve onderdelen van de bedrijfsbebouwing en de bedrijfswoningen eenvoudig tot sterk
Bedrijfswoning staat voor de bedrijfsbebouwing
Overige Reclame-uitingen gerelateerd aan type bedrijf, zie objectgerichte criteria ‘reclamecriteria Bedrijventerreinen en bedrijven en Economisch
gebied Zuiderpoort’. Beleidsintentie: Hh – Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
43
10. REPRESENTATIEVE BEDRIJVEN en/of INSTELLINGEN Gebiedsbeschrijving Er zijn enkele gebieden waar een menging van bedrijven en instellingen plaats heeft gevonden. Meestal ook omdat de locaties aan belangrijke toegangswegen of doorgaanswegen liggen. Deze gebieden kenmerken zich door een bijzondere uitstraling waarbij de sterke vormgeving van de architectuur en de situering van de bebouwing bepalend is. De meeste bebouwing is grotendeels vrij recent gerealiseerd en kent een duidelijke individuele uitstraling. De gebouwen staan over het algemeen in een royale groene ruimte en krijgen daarmee een paviljoenachtig karakter. De detaillering van de gebouwen is zorgvuldig en het kleur- en materiaalgebruik traditioneel tot modern. Opvallende accentkleuren komen niet voor. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid in gebieden is gericht op het behoud van de aanwezige ruimtelijke karakteristiek. Verbouw of uitbouw van gebouwen in deze gebieden dient met respect voor het bestaande plaats te vinden. Grootschalige veranderingen worden in deze gebieden niet voorgestaan. Welstandsambitieniveau De welstandsambitie voor deze gebieden is gericht op het behoud en waar mogelijk het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. De klemtoon ligt op het handhaven en respecteren. Aan deze gebieden is dan ook een bijzonder ambitieniveau toegekend.
44
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – 10. REPRESENTATIEVE BEDRIJVEN en/of INSTELLINGEN Referentiefoto’s NO–Fryslân
Gebiedskenmerken en criteria Plaatsing De bebouwing (met name het representatieve deel) heeft ruimte om zich heen zodat het zich goed kan tonen (in een groene setting)
Hh
Re
Iv
Publieksgerichte of representatieve delen vormen een blikvanger Hoofdvorm De massa-opbouw is enkelvoudig tot samengesteld en kent een sterke individuele uitstraling
groene setting
De gebouwen zijn hoofdzakelijk kantig tot vloeiend opgezet
Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt
Aanzichten Er is sprake van een duidelijke gerichtheid op de openbare ruimte, met een representatieve uitstraling
Er is sprake van een duidelijke geleding van de naar de openbare ruimte gerichte gevels (bijvoorbeeld door gevelopeningen en/of accenten in de gevelcompositie)
Opmaak
representatief bouwdeel (hier woning) op de zichtzijde
Vooral het representatieve deel: zeer zorgvuldig samengestelde compositie van materialen
Materiaalgebruik in aansluiting op de omgeving
Kleurkeuze is evenwichtige verhouding en compositie van aardkleuren en lichtere tinten (hi-tech); geen felle en opvallende kleuren
Moderne kleurstellingen zijn mogelijk; opvallend kleurgebruik dient te worden vermeden Detaillering is eenvoudig tot sterk, maar zorgvuldig
Overige Voor reclame-uitingen geldt bescheidenheid, zie objectgerichte criteria ‘reclamecriteria Bedrijventerreinen en bedrijven en Economisch gebied Zuiderpoort’.
samengestelde bebouwing Beleidsintentie: Hh – Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
45
11. BUITENGEBIED (TERPENGEBIED) Gebiedsbeschrijving Het terpengebied wordt gekenmerkt door de overweldigende openheid van het landschap, met daarin verspreid liggende bebouwingsconcentraties en solitaire boerderijen. Deze bebouwingsconcentraties en solitaire boerderijen zijn veelal omzoomd met hoog opgaande beplanting. Hierdoor ontstaat vooral in de zomer het beeld van groene eilanden in het weidse landschap. De bebouwingsconcentraties variëren van enkele woningen tot kleine dorpjes en gehuchten. Deze concentraties komen in de gemeente veel voor. Enkele hiervan zijn kleine terpdorpjes, met midden op de terp de kerk en daaromheen enkele woningen en boerderijen. Een mooi voorbeeld is Waaxens, waar naast de kerk een tweetal zeer karakteristieke boerderijen, een pastoriewoning en een karakteristiek rijtje woningen het bebouwingsbeeld bepalen. Het bebouwingsbeeld is daarmee zeer divers en rijk aan architectonische kwaliteiten. Hetzelfde geldt voor een dorpje als Wetsens. Andere bebouwingsconcentraties manifesteren zich als linten met een lage bebouwingsdichtheid, zoals Hantumerhoeke en Hiaure. Ook in deze lintjes gaat het om zeer diverse bebouwing. Voor de beschrijving van de boerderijen en de daarbij behorende welstandscriteria wordt naar de objectgerichte criteria verwezen.
Naast de authentieke boerderijen is er op het boerenerf vaak bebouwing gerealiseerd die ten dienste staat van het akkerbouwbedrijf, dan wel het veehouderijbedrijf. De maatvoering van deze bebouwing is fors en opvallend, waarbij met name de aardappelschuren opvallen door een hoge gootlijn. Het gebruik van moderne en licht gekleurde plaatmaterialen zorgt voor sterk in het oog springende effecten. Ondanks de forse nieuwe agrarische bebouwing is de historische boerderij in de meeste gevallen nog beeldbepalend voor het erf. De nieuwe bebouwing is veelal op het achtererf geplaatst.
46
In het buitengebied komen verspreid andere functies voor zoals woonhuizen, enkele bedrijfslocaties, eendenkooien, aardgaslocaties en bouwwerken met een bijzondere civieltechnische functie zoals gemalen, waterkeringen, molens en sluizen. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is gericht op het beheer van de bestaande situatie. Ingrijpende ontwikkelingen worden niet verwacht voor het buitengebied. Wel zullen in de toekomst als gevolg van de schaalvergroting in de landbouw, sommige boerderijen willen groeien en andere zullen hun agrarische functie verliezen. Ook is denkbaar dat de in het buitengebied voorkomende kenmerkende kleine woningen zullen veranderen. Voor deze thematiek heeft de gemeente bijzondere aandacht en wordt verwezen naar het ‘Ontwerpboek bûtengebiet Noardeast-Fryslân’. Indien een bouwplan complex van aard is, bijvoorbeeld vanwege bepaalde ruimtelijke eisen, of landschappelijke inpassing, of schaalvergroting, kan worden gewerkt volgens de aanpak van ‘de Nije Pleats’. Als hiervan gebruik gemaakt wordt, zullen de hier gestelde gebiedsgerichte criteria ter inspiratie dienen maar niet langer gelden als toetsingskader. De welstandsbeoordeling wordt dan gerelateerd aan de uitkomsten van de Nije Pleatssessies. Tijdens de Nije Pleatssessie kan wel afgesproken worden dat de welstandsnota als toetsingskader wordt gebruikt.
Voor meer uitleg over de Nije Pleats zie: www.nijepleats.nl Het beleid van de gemeenten is erop gericht om nieuwe functies (onder voorwaarden) mogelijk te maken, mits dit geen afbreuk zal doen aan de verschijningsvorm van het boerenerf. Welstandsambitieniveau Voor het buitengebied is een bijzonder ambitieniveau van kracht. De nadruk ligt hierbij op het behoud en waar mogelijk het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. De klemtoon ligt daarbij op handhaven en respecteren.
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – 11. BUITENGEBIED (TERPENGEBIED) Referentiefoto’s NO–Fryslân
Gebiedskenmerken en criteria Plaatsing Hoofdgebouwen staan in een historisch gegroeid patroon
Hh
Iv
Bijzondere functies (zoals gemalen en sluizen) nemen een opvallende plaats in Agrarische bedrijfsgebouwen liggen achter of naast het hoofdgebouw en vormen een cluster op het achtererf
Re
Agrarische bedrijfsgebouwen kennen overwegend dezelfde nokrichting als het hoofdgebouw Hoofdvorm
In principe één bouwlaag met een duidelijke kap; bijzondere functies kunnen hiervan afwijken
De massa-opbouw is enkelvoudig tot samengesteld en kent individuele uitstraling Moderne vormgeving
De gebouwen zijn hoofdzakelijk kantig opgezet en refereren aan of reageren op de traditionele architectuur
Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt of kennen een bijzondere vormgeving
Aanzichten Hoofdgebouwen kennen een duidelijke gerichtheid op de openbare ruimte
Traditionele hoofdopzet is uitgangspunt bij verbouw Duidelijk evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten (zoals plint en daklijsten e.d.)
Nieuwe invullingen kunnen modern maar zijn ingetogen Bedrijfsgebouwen achter en naast het hoofdgebouw
Opmaak Gevels van hoofdgebouwen hebben een stenig karakter; daken zijn voorzien van (gebakken en hooguit matglanzende) pannen of riet; bij verbouw dient een zorgvuldige afstemming op het bestaande plaats te vinden Aandacht voor onderlinge verschillen in traditionele details; detaillering van gevelopeningen en/of daklijsten zijn zorgvuldig vormgegeven
Agrarische bedrijfsgebouwen kunnen hiervan afwijken
Bebouwingscluster in het buitengebied
Traditionele kleurstellingen overheersen (afgestemd op bestaande)
Agrarische bedrijfsgebouwen zijn in gedekte kleuren; dakbedekking van agrarische bedrijfsgebouwen mag geen reflectie van licht veroorzaken
Overige Voor reclame-uitingen: zie objectgerichte criteria reclame criteria Buitengebied.
Voor (voormalige) boerderijen wordt verwezen naar de objectgerichte criteria Beleidsintentie: Hh – Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
47
12. BUITENGEBIED (WOUDENGEBIED) Gebiedsbeschrijving De beslotenheid van het landschap door de vele elzensingels en houtwallen typeert dit gebied. Het gebied wordt gekenmerkt door veel verspreid liggende bebouwing; zowel boerderijen als woonhuizen en zogenaamde “wâldspultsjes”. Hier en daar is dit fijnmazige net van huizen en boerderijen verder verdicht tot kleine bebouwingsconcentraties, zoals bijvoorbeeld het gebied ten zuidoosten van Triemen. Het bebouwingsbeeld is in deze concentraties even divers als in het buitengebied als geheel. De diversiteit komt onder andere tot uitdrukking in de samengesteldheid van de bebouwingsmassa’s. In de loop van de tijd hebben (mede door de van oorsprong kleinschalige bebouwing en de daarmee conflicterende tendens naar groter wonen en de schaalvergroting in de landbouw) vele verbouwingen plaatsgevonden, waarbij vaak nieuwe bouwmassa’s aan de reeds aanwezige bebouwing zijn toegevoegd. Voor de beschrijving van de boerderijen en de daarbij behorende welstandscriteria wordt naar de objectgerichte criteria verwezen. Naast de authentieke boerderijen is er op het boerenerf vaak bebouwing gerealiseerd die ten dienste staat van het akkerbouwbedrijf, dan wel het veehouderijbedrijf. De maatvoering van deze bebouwing is fors en opvallend, waarbij met name de aardappelschuren opvallen door een hoge gootlijn.
Het gebruik van moderne en licht gekleurde plaatmaterialen zorgt voor sterk in het oog springende effecten. Ondanks de forse nieuwe agrarische bebouwing is de historische boerderij in de meeste gevallen nog beeldbepalend voor het erf. De nieuwe bebouwing is veelal op het achtererf geplaatst. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is gericht op het beheer van de bestaande situatie. Ingrijpende ontwikkelingen worden niet verwacht voor het buitengebied. Wel zullen in de toekomst als gevolg van de schaalvergroting in de landbouw, steeds meer boerderijen hun agrarische functie verliezen. Het beleid van de gemeenten is erop gericht om nieuwe functies (onder voorwaarden) mogelijk te maken, mits dit geen afbreuk zal doen aan de verschijningsvorm van het boerenerf.
48
Gezien de schaal en maat van sommige woningen in het woudengebied ligt het voor de hand dat een aantal hiervan nog zal worden uitgebreid. Deze uitbreidingen dienen dan wel met respect voor en in de juiste verhoudingen ten aanzien van het bestaande gebouw te worden uitgevoerd Welstandsambitieniveau Voor dit gebied is een regulier ambitieniveau van kracht. De nadruk ligt op het respecteren van de bestaande basiskwaliteit.
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – 12. BUITENGEBIED (WOUDENGEBIED) Referentiefoto’s NO–Fryslân
Gebiedskenmerken en criteria Plaatsing Hoofdgebouwen staan in een historisch gegroeid patroon
Hh
Iv
Bijzondere functies (zoals gemalen en sluizen) nemen een opvallende plaats in Agrarische bedrijfsgebouwen liggen achter of naast het hoofdgebouw en vormen een cluster op het achtererf
Re
Agrarische bedrijfsgebouwen kennen overwegend dezelfde nokrichting als het hoofdgebouw Hoofdvorm
Overwegend één bouwlaag met een duidelijke kap; bijzondere functies kunnen hiervan afwijken
De massa-opbouw is enkelvoudig tot samengesteld en kent individuele uitstraling De gebouwen zijn hoofdzakelijk kantig opgezet en refereren aan of reageren op de ambachtelijk traditionele architectuur Rietgedekte boerderij
Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt of kennen een bijzondere vormgeving Aanzichten Hoofdgebouwen kennen een duidelijke gerichtheid op de openbare ruimte
Bijzondere functie in het buitengebied
Traditionele hoofdopzet is uitgangspunt bij verbouw
Duidelijk evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten (zoals plint en daklijsten e.d.)
Nieuwe invullingen kunnen modern maar zijn ingetogen
Opmaak
Gevels van hoofdgebouwen hebben in hoofdzaak een stenig karakter; daken zijn voorzien van (gebakken en hooguit matglanzende) pannen of riet; Bij verbouw dient een zorgvuldige afstemming op het bestaande plaats te vinden Aandacht voor onderlinge verschillen in traditionele details; detaillering van gevelopeningen en/of daklijsten zijn zorgvuldig vormgegeven
Agrarische bedrijfsgebouwen kunnen hiervan afwijken
Traditionele kleurstellingen overheersen
Traditionele kleurstellingen overheersen (afgestemd op het bestaande)
Agrarische bedrijfsgebouwen zijn in gedekte kleuren; dakbedekking van agrarische bedrijfsgebouwen mag geen reflectie van licht veroorzaken
Overige Voor reclame-uitingen geldt bescheidenheid (zie ook objectcriteria reclame Buitengebied)
Aanbeveling: hoogglanzende dakpannen bij voorkeur niet gebruiken Voor (voormalige) boerderijen wordt verwezen naar de objectgerichte criteria Beleidsintentie: Hh – Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
49
50
5. Objectgerichte welstandscriteria 5.1 Toelichting In dit hoofdstuk worden de objectgerichte welstandscriteria genoemd voor bouwwerken die zo specifiek zijn dat ze, ongeacht het gebied waarin ze worden geplaatst, een eigen welstandscriteria vergen. De opzet van deze objectgerichte criteria is vergelijkbaar met de gebiedsgerichte criteria. Ook hierbij gaat het steeds om ‘relatieve’ welstandscriteria. De criteria zijn aanvullend op de gebiedsgerichte criteria. De bouwplannen worden altijd aan de welstandscommissie voorgelegd, die bij de beoordeling de criteria interpreteert in het licht van het concrete bouwplan. 5.2 Objectindeling In Noardeast-Fryslân zijn diverse objecttypen onderscheiden waarvoor extra aandacht is gewenst. OT1 OT2 OT3 OT4 OT5 OT6 OT7 OT8 OT9
Boerderijen. Mestvergistingsinstallaties. . Kleine windturbines t/m ashoogte 15m. Solitaire windturbines vanaf 15m. Karakteristieke panden. Zonnepanelen en collectoren in beschermde stads- en dorpsgezichten. Antennemasten bij particulieren. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen: - in het buitengebied; - in beschermde stads- en dorpsgezichten; - op het bedrijventerrein en bij ‘losse’ bedrijven; - in het economisch gebied Zuiderpoort; - grote, solitaire reclamemasten. OT10 Woonschepen/woonarken.
51
OT1. BOERDERIJEN Objectbeschrijving Verspreid over het gemeentelijk grondgebied komen, zowel binnen als buiten de bebouwde kom, diverse historische boerderijen voor. Dat is niet verwonderlijk gezien het feit dat de agrarische functie binnen de gemeenten vanouds dominant is. Boerderijen zijn in sterke mate bepalend voor het ruimtelijk aanzien van de gemeente. Tegelijkertijd is het merkbaar dat de boerderijbebouwing steeds meer onder druk komt te staan. Zo blijkt dat de boerderijen die nog agrarisch in gebruik zijn, niet meer voldoen aan de eisen van deze tijd; nieuwe bedrijfsgebouwen worden bijgeplaatst en het oude bedrijfspand heeft dan vaak een ondergeschikte functie. Sommige boerderijen raken daardoor geleidelijk aan in verval. Daarnaast blijkt dat veel agrarische bedrijven zijn beëindigd. Deze panden lopen eveneens risico voor verval tenzij een gepaste herbestemming wordt gevonden. Door een set van aparte criteria te formuleren voor de boerderijen wordt getracht om eigenaren van boerderijen te helpen om respectvol met het gebouw om te gaan. Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door een overwegend traditioneel ambachtelijke architectuur uit de 19e en begin 20e eeuw. Op enkele plekken zijn ook oudere boerderijen aanwezig. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is gericht op beheer en versterking van de bestaande situatie.
Het bebouwingsbeeld is cultuurhistorisch waardevol en in hoofdlijnen nog redelijk gaaf. Ingrijpende ontwikkelingen worden niet direct verwacht, maar wel zullen in de toekomst als gevolg van de schaalvergroting in de landbouw, sommige boerderijen willen groeien en andere zullen hun agrarische functie verliezen. Gaat het om ferme veranderingen zoals schaalvergroting, dan kan ook worden gewerkt volgens de aanpak van ‘de Nije Pleats’. Als hiervan gebruik gemaakt wordt, zullen de hier gestelde gebiedsgerichte criteria ter inspiratie dienen maar niet langer gelden als toetsingskader. De welstandsbeoordeling wordt dan gerelateerd aan de uitkomsten van ‘de Nije Pleats-sessies’.
52
Welstandsambitie De boerderijen komen vanwege hun bijzondere betekenis voor de gemeenten in aanmerking voor een extra aandacht bij de planbeoordeling (bijzonder ambitie niveau). De algemene lijn is gericht op het handhaven van de bestaande kwaliteiten. Bij nieuwe boerderijbouw ligt het accent op zorgvuldige inpassing in het landschap.
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – OT1. BOERDERIJEN Referentiefoto’s algemeen
Gebiedskenmerken en criteria
Hh
Re
Plaatsing Hoofdgebouwen staan overwegend in het historisch gegroeide patroon
Solitair woon-/werkgebied binnen samenhangende functionele clusters
Duidelijk onderscheid tussen woon- en bedrijfsgedeelte. Bedrijfsgedeelte representatief (ook tuin)
Richting (doorgaans) loodrecht op de openbare (water-)weg, evenwijdig met verkavelingstructuur of vrij in het veld
Hoofdvorm
Kop-hals-romp
Kop-hals-romp: kop met steil zadeldak en hoge goot, hals en romp lage goot; romp met hoog en steil schilddak opgebouwd uit samenstel van enkelvoudige bouwmassa’s vanuit rechthoekige symmetrische grondvormen Stelpboerderij: woonhuis met hogere gevel(s) en goot, overige lage gootlijnen hoogopgaand schilddak enkelvoudige bouwmassa vanuit een rechthoekig grondplan Nieuwe boerderij en bedrijfsgebouwen: woning rijzig ten opzichte van bedrijfsgebouwen, dakhelling >25°, enkelvoudige hoofdvorm, of (indien bestaand) samengesteld vanuit rechthoekige symmetrische grondvormen. Boogvormige kap voor bedrijfsgebouwen mogelijk Terughoudend met agrarische (bij)gebouwen voorzien met boogvormige kap
Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt of kennen een bijzondere vormgeving Aanzichten Het voorhuis kent een duidelijke gerichtheid op de publieke ruimte
Nieuwe boerderij
Met name de historische boerderijen tonen een duidelijk evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten (zoals plint, gevelopbouw, daklijsten e.d.)
Hoofdgebouw met traditionele gevelcompositie; nieuwbouw toont evenwichtige gevelcompositie
Dakkapellen beperken zich tot het woongedeelte
Opmaak Historische boerderij: gevels hebben een stenig karakter; daken zijn voorzien van veelal antraciet (gebakken en hooguit mat geglazuurde) pannen en/of riet. Indien het de karakteristiek van het gebouw en/of het erf niet aantast eventueel golfplaten of dakpanplaten alleen op schuurgedeelte (zie ook bijlage met aandachtspunten voor ‘stalen dakplaten op het boerenerf’) Nieuwe boerderijen en bedrijfsgebouwen: woonhuis in baksteen; bedrijfsgedeelte baksteen, hout, geprofileerde beplating, daken met gebakken pannen en geprofileerde beplating (zie ook bijlage met aandachtspunten voor ‘stalen dakplaten op het boerenerf’)
Voor bedrijfsgebouwen: geen glanzende en/of licht doorstralende (dak-) bedekking, bij boogvormige kap goede verhouding in kopse gevels.
Traditionele kleurstellingen overheersen (afgestemd op bestaande); bij nieuwbouw gedekte tinten
De uitstraling van toegepaste materialen en de detaillering neemt af van voorzijde naar achterzijde
Diversen Stelp met gave hoofdvorm
Zie ook criteria voor reclame Buitengebied Aandacht voor inrichting en beplanting van het erf
Beleidsintentie: Hh - Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
53
Iv
OT2. MESTVERGISTINGSINSTALLATIES Objectbeschrijving (Mest-) vergistinginstallaties maken deel uit van de schaalvergroting en uitbreiding van nevenactiviteiten van agrarische bedrijven. Deze relatief omvangrijke installaties hebben een eigen verschijningsvorm. De meest voorkomende installaties bestaan doorgaans uit twee silo’s (vergister en navergister) en een aantal secundaire elementen. Installaties kunnen echter ook bestaan uit een groter aantal kleinere maar hogere silo’s. De vergister is een betonnen silo met veelal een diameter van 15 à 16 meter en een hoogte boven maaiveld van ca. 5 meter. Deze silo is geïsoleerd; de buitenkant is bekleed met groene stalen beplating in verticaal damwandprofiel. Het dak is een kunststof, gasdicht membraan dat door de druk een bolle vorm aanneemt. De navergister is een grotere silo met een diameter van 23 tot 35 meter en een hoogte boven maaiveld van eveneens circa 5 meter. De betonnen silo is niet geïsoleerd zodat de wanden een lichtgrijze kleur hebben. Het dak is een gespannen kap van PVC en heeft een afgeplatte kegelvorm. Van de secundaire elementen is de gasmotor de belangrijkste. Deze motor zet het biogas om in energie en is doorgaans ondergebracht in een zeecontainer. Installaties kunnen echter ook bestaan uit een groter aantal kleinere maar hogere silo’s.
Beleid, waardebepaling en ontwikkeling De boerderijen zijn vanwege hun afmetingen en verschijningsvorm sterk bepalend voor het ruimtelijke beeld van het buitengebied. De intrede van de mestvergistinginstallaties maakt deel uit van de ontwikkeling van schaalvergroting en uitbreiding van nevenactiviteiten van boerenbedrijven. Hoewel de ontwikkelingen in het buitengebied hoofdzakelijk in het bestemmingsplan worden geregeld, is het welstandsbeleid met name gericht op een evenwichtige afstemming van de installaties op de bestaande bebouwing en een goede inpassing op het erf. Een compacte opstelling van de bebouwing moet voorkomen dat het open gebied te zeer wordt versnipperd, terwijl een goede hiërarchie van de woon- en bedrijfsbebouwing moet zorgen voor een blijvende herkenbaarheid van de verschijningsvorm van het boerenbedrijf.
54
Het beleid is gericht op het handhaven en respecteren van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Welstandsambitie Voor deze objecten geldt een regulier welstandsregime.
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – OT2. MESTVERGISTINGSINSTALLATIES Referentiefoto’s algemeen
Gebiedskenmerken en criteria
Hh
Plaatsing In agrarisch gebied en op boerenerf
Iv
Ondergeschikt, d.w.z. doorgaans achter op het erf, zo min mogelijk zichtbaar vanaf het openbaar domein
Binnen al dan niet uit te breiden erfbeplanting
Compacte opstelling, maakt deel uit van een evenwichtige compositie Passend kleurgebruik
Re
Hoofdvorm Beperkt aantal primaire elementen (2 à 3). Dit om een te groot serie-effect en versnippering te vermijden Vormt onderdeel van een evenwichtige compositie van bedrijfsgebouwen
Opmaak Zowel de wanden als de kap in een gedekte kleur, per cluster in dezelfde donkere (groen, grijs) kleur Compacte en samenhangende plaatsing (in samenhang met bestaande bebouwing)
Geen hoogglanzende materialen
Beleidsintentie: Hh - Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
55
OT3. KLEINE WINDTURBINES (T/M 15 M ASHOOGTE) Objectbeschrijving Windturbines zijn omgevingsvergunningsplichtige objecten met een eigen verschijningsvorm die vanuit welstand moeilijk beoordeelbaar zijn aan de hand van de criteria zoals die voor de overige bebouwing gehanteerd worden. Tegelijk zijn ook de kleine windturbines door hun omvang en het draaien hun wieken in de regel zeer nadrukkelijk aanwezig en daarmee sterk bepalend voor de ervaring van het directe omgevingsbeeld. De verschijningsvorm van mini windturbines varieert van zogenaamde ‘wokkelvormige’ turbines (roteren rond een doorgaande horizontaal gelegen, dan wel verticaal geplaatste as) tot de meer traditionele vorm van mast, rotor en mogelijk een gondel. Doel van een windturbine is het omzetten van windenergie in elektrische energie. Een mini windturbine heeft een maximale ashoogte van 15 meter. De maatvoering is in vrijwel alle gevallen zodanig dat er sprake is van een passende schaalverwantschap met de omringende bebouwing. Locatiekeuze Op dit moment zijn de kleine windmolens alleen toegestaan bij agrarische bebouwing. Plaatsing binnen de bebouwingscontour draagt bij tot enige ondergeschiktheid en houdt als zodanig de verandering van het omgevingsbeeld beperkt. Bij plaatsing van mini turbines in onderlinge visuele nabijheid is afstemming op elkaar (plaats, hoogte, vorm) gewenst.
Opstellingen in het landschap Een kleine windturbine zal opvallen in het omgevingsbeeld. Door plaatsing bij bebouwing (bijvoorbeeld een boerderij met forse stal) of een markant punt in het landschap voegt de kleine turbine zich veelal binnen het omgevingsbeeld. Plaatsing van meerdere kleine turbines dicht bij elkaar kan snel leiden tot een rommeligheid binnen de bestaande ruimtelijke kwaliteiten van een bebouwingscluster. Om dit te voorkomen is een onderlinge afstemming en afstemming op de bestaande bebouwing vereist.
56
Hoofdvorm, aanzichten en opmaak In hoofdvorm, aanzichten en opmaak dienen de onderdelen van de kleine turbine ook in visueel opzicht op elkaar afgestemd te zijn. Daarnaast is vereist dat door vormgeving en materiaal- en kleurbepaling de turbine het bestaande (kleinschalige) omgevingsbeeld nadelig beïnvloedt, noch domineert. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling De energietransitie is noodzakelijk. Daarmee is het ook noodzakelijk om hiervoor ruimte te bieden. De kleine windturbines zijn door hun schaal en maat redelijk goed in te passen bij een agrarisch bedrijf door middel van een landschappelijk inpassingsplan voor het bedrijf én windturbines. Hierbij wordt ook rekening gehouden met landschappelijke en cultuurhistorische elementen en structuren.
Welstandsambitie Voor deze objecten geldt een regulier welstandsregime.
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – OT3. KLEINE WINDTURBINES (T/M 15 M ASHOOGTE) Referentiefoto’s algemeen
Gebiedskenmerken en criteria
Hh
Plaatsing Maximaal 3 windmolens (niet meer dan situatie toelaat; in lijnopstelling indien meer dan 1).
Op of direct grenzend aan het bebouwde erf (binnen of nabij de visuele erfbegrenzing).
Re
In goede relatie met de overige bebouwing.
Op een ondergeschikte positie (bijvoorbeeld t.o.v. typologische voorzijde van de boerderij, of ten opzichte van de openbare weg).
Wiekslag niet boven openbaar en/of vrij toegankelijk gebied
Iv
Cultuurhistorische en landschappelijk waardevolle elementen en structuren behouden (niet aantasten) en op voldoende afstand hiertoe.
Hoofdvorm
Kleine windturbine
Zelfstandige, eenduidige hoofdvorm.
Mast in hoogte afgestemd op bebouwing (niet hoger dan 15 meter).
Evenwichtige verhouding tussen masthoogte/wiekdiameter (maximaal 8/15 e).
Rotorhuis ondergeschikt van omvang.
Overwegend rank.
Bijbehorende elementen sterk ondergeschikt in maat en kleurstelling (transformator e.a.).
Opmaak Materiaal: metaal, kunststof, hout.
Kleine windturbine met windvaan
Kleur: onopvallend, mat, passend bij overige bouwwerken (bijbehorende elementen: onopvallende en gedekte kleurstelling).
Toevoegingen zoals naamaanduidingen etc. zijn ondergeschikt en onopvallend.
Diversen Geen reclame op of bij de molens.
Horizontale windmolen Beleidsintentie: Hh - Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
57
OT4. SOLITAIRE WINDTURBINES (vanaf 15m) Algemeen Windturbines zijn bouwvergunningplichtige objecten met een eigen verschijningsvorm die als zodanig vanuit welstand moeilijk beoordeelbaar is aan de hand van de criteria zoals die voor de overige bebouwing gehanteerd worden. Tegelijk zijn windturbines door hun omvang en het draaien van in het bijzonder hun wieken in de regel zeer nadrukkelijk aanwezig en daarmee sterk bepalend voor de ervaring van het omgevingsbeeld. Voor windturbineclusters geldt voorstaande in verhevigde mate. Objectbeschrijving Een windturbinecluster is een samenhangende, complexgewijze opstelling van twee of meer windturbines met toebehoren. De windturbines bestaat uit een rotor, een gondel en een mast. Doel van een windturbine is het omzetten van windenergie in elektrische energie.
Stelselmatige opstellingen Anders dan bij gerelateerde opstellingen, richten stelselmatige opstellingen zich niet op bepaalde landschapselementen, maar op het landschapsbeeld als groter geheel. De als coulissen werkende turbine opstellingen accentueren of vernieuwen het landschapsbeeld. Zelfstandige opstellingen De windturbines zijn onafhankelijk van het landschap geconfigureerd en vormen dus een losstaand, contrasterend element. Deze vorm kan alleen landschappelijk aantrekkelijk zijn in een landschap dat een geïsoleerd en verlaten karakter heeft. Onregelmatige opstellingen Deze vorm van groepsopstelling is beter te verwoorden als meervoudige solitaire plaatsing. Op korte afstand van elkaar zijn windturbines geplaatst van verschillend model, hoogte en kleur en met uiteenlopende tussenafstanden.
Opstellingen in het landschap Verweven opstellingen De windturbines maken tezamen met andere grote structuren en vormelementen deel uit van een geïntegreerde landschapsconfiguratie. Een goed voorbeeld hiervan is de windturbineopstelling bij de Flevocentrale. De turbines maken deel uit van een landschap met een elektriciteitscentrale, langgerekte bomenrijen, de zeedijk, hoogspanningsleidingen en wegen en dan op zo’n manier dat er ondanks het contrast tussen landschap en windturbines, een samenhangende ruimtelijke compositie is ontstaan. Gerelateerde opstellingen Windturbines worden gebonden aan reeds duidelijk waarneembare landschapselementen en kunnen bijdragen aan de versterking van het landschapsbeeld. Aangezien grootschalige landschapselementen vaak een kunstmatig karakter hebben, lenen zij zich in de regel goed voor accentuering door middel van windturbines. Een uitzondering hierop vormen sloten, vaarten en kanalen, die door hun verdiepte ligging onvoldoende houvast bieden voor plaatsing van windturbines.
58
Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Op provinciaal niveau geeft “Windstreek 2000” mogelijkheden voor en begrenzingen met betrekking tot plaatsing van windturbineclusters aan. Deze notitie geeft de gemeente een instrument c.q. beoordelingskader om in voorkomende gevallen een welstandstoets aan de hand van toegespitste criteria te plegen. Daarmee geeft de gemeente aan hoe zij het gebied waarin plaatsing wordt voorgesteld waardeert en welke te handhaven en te respecteren waarden daarin aanwezig zijn. Beleidsintentie Vanwege de grote invloed op het omgevingsbeeld in ruimere zin, is een zorgvuldige inbedding in de gebiedskarakteristiek en een zorgvuldige situering en vormgeving van windturbineclusters vereist.
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – OT4. SOLITAIRE WINDTURBINES (vanaf 15m) Foto’s
Kenmerken en criteria Plaatsing Grootschalige omgeving
Algemene intentie:
Bij voorkeur op grootschalig bedrijfsterrein
Hh
Iv
Gekoppeld aan bebouwing of gekoppeld aan goed zichtbare landschapselementen Wiekslag niet boven openbaar en/of vrij toegankelijk gebied
Re
Afgestemd op de landschapsstructuur Hoofdvorm
Zelfstandige vloeiende hoofdvorm
Mast beduidend hoger dan overige bebouwing Eén mast en drie wieken Rotorhuis relatief beperkt van omvang
Overwegend rank
Evenwichtige verhouding tussen masthoogte/wiekdiameter (in de regel wieklengte niet meer dan 2/3 van de masthoogte)
Toevoegingen, aan- en uitbouwen alsmede kleine bijgebouwen zijn sterk ondergeschikt (o.a. de trafokasten, trap en ladder, wiindvaan, entree, zendinstallaties, reclame)
Aanzichten
Wieken draaien langzaam Mast en wieken zijn in maatvoering op elkaar afgestemd Toevoegingen zoals deuren, naamsaanduidingen etc. zijn ondergeschikt en onopvallend Opmaak
Materiaal: metaal, beton, kunststof Kleur: onopvallend (bij voorkeur mat-grijswit voor mast, rotorhuis en wieken) Diversen
Aandacht voor de inrichting en beplanting van het erf Beleidsintentie: Hh - Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
59
OT5. KARAKTERISTIEKE PANDEN Objectbeschrijving Binnen de gemeente liggen diverse monumenten die op grond van de Monumentenwet zijn beschermd en daarmee extra aandacht krijgen zodra er sprake is van een bouwplan. Naast deze beschermde monumenten beschikt de gemeente ook over veel panden die karakteristiek zijn voor de cultuurhistorische ontwikkeling van het gemeentelijk grondgebied. Het gaat hier om panden die eerder in de gemeente Dongeradeel waren opgenomen (lijst karakteristieke panden Dokkum en MIP-lijst, zie bijlage 3). Voor de gemeente Kollumerland is wel een inventarisatie gemaakt maar deze is niet vastgesteld. Voor het grondgebied van de gemeente Ferwerderadiel was een dergelijke lijst niet aanwezig en daarover zal nog nadere afweging plaatsvinden. Eventueel te verwerken bij een eerstvolgende actualisering. Op grond van het bovenstaande betekent dit dat deze objecten een specifieke welstandsbeoordeling vragen omdat ze karakteristiek zijn voor het gebied en in hoge mate mede bepalend zijn voor het aanzien van de gemeente. Beleid, waardebepaling en ontwikkelingen Het welstandstoezicht wordt gericht op het voorkomen van aantasting van de karakteristieken en het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Het kwaliteitsniveau van ingrepen aan deze bouwwerken moet hoog zijn.
60
GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – OT5. KARAKTERISTIEKE PANDEN Foto’s
Kenmerken en criteria Plaatsing
Algemene intentie:
De bebouwing is beeldbepalend op het erf. Wijzigingen en/of nieuwe toevoegingen zijn ondergeschikt qua situering en uitstraling Nieuwe bijgebouwen (schuren e.d.) op het oorspronkelijke erf en indien verruiming nodig is, dan met respect voor de bestaande kenmerken van het erf en de omliggende verkavelingsstructuur
Hh
Re
Iv
Hoofdvorm Bestaande hoofdvorm is uitgangspunt. Wijzigingen alleen zorgvuldig ontworpen en afgestemd of reagerend op bestaande kenmerken
Met name bij een boerderij blijft het onderscheid tussen bedrijfs- en woongedeelte gerespecteerd Aanzicht Plaats, afmetingen en verhoudingen van raam- en deuropeningen worden zorgvuldig afgestemd op het bestaande. Daarbij mag ook gekozen worden voor een zorgvuldig ontworpen contrast Opmaak Bij toevoeging of wijzigingen aan karakteristieke gebouwen is het kleur- en materiaalgebruik gelijk of zorgvuldig afgestemd op het bestaande. Een zorgvuldig gekozen contrast is mogelijk In beginsel gelden gedekte kleuren en niet-reflecterende materialen
Diversen Verstorende bebouwing indien mogelijk verwijderen
De inrichting van erven en/of tuinen is meest gebaseerd op inheemse beplantingssoorten Beleidsintentie: Hh - Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar
61
OT6. ZONNEPANELEN EN COLLECTOREN IN BESCHERMDE STADS - EN DORPSGEZICHTEN Objectbeschrijving Bij het opstellen van deze welstandscriteria is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: Zonnepanelen dragen bij aan een duurzame energievoorzieningen. Wij willen het gebruik van zonnepanelen dan ook stimuleren. De binnenstad van Dokkum en de beschermde dorpsgezichten hebben een waardevol monumentaal karakter. Dit karakter willen wij graag behouden.
-
Welstandscriteria Algemeen
Vormgeving
-
Een zonnepaneel of -collector is een ondergeschikte toevoeging aan een hoofdgebouw, een aan- of uitbouw of een bijgebouw. Een zonnepaneel of -collector is niet zichtbaar vanaf het openbaar gebied.
-
-
-
62
De plaatsing van een zonnepaneel of –collector op een aanbouw of bijgebouw heeft de voorkeur boven de plaatsing op een hoofdgebouw. Op een schuin dakvlak is het zonnepaneel- of collector ondergeschikt binnen dit vlak.
Een zonnepaneel of –collector vormt een geheel met de installatie voor het opslaan van water of voor de opwekking van elektriciteit.
Materiaal en kleur -
Plaatsing en aantal
Bij meerdere panelen/collectoren regelmatige rangschikking op horizontale of verticale lijn en met een duidelijke ordening. Op schuine daken: geheel binnen het dakvlak en de hellingshoek gelijk aan de hellingshoek van het dakvlak. Op platte daken: de hellingshoek mag maximaal 35° zijn en de afstand tot de dakrand moet tenminste gelijk zijn aan de hoogte van het zonnepaneel of de -collector.
De kleur komt overeen met het achterliggende dakvlak of anders zwart, antraciet of donkergrijs.
OT7. ANTENNEMASTEN BIJ P ARTICULIEREN Straat- en bebouwingsbeeld Plaatsing van de antennemast mag niet leiden tot een onevenredig nadelige invloed op het straat- en bebouwingsbeeld. Om dit te beoordelen wordt aan het welstandsadvies een grote waarde toegekend. Daarbij gelden de volgende richtlijnen: Plaatsing Plaatsing van een antennemast in het beschermde stads- of dorpsgezicht is niet toegestaan. Plaatsing in natuurgebieden en EHS-gebieden1 is niet toegestaan.
-
Plaatsing van een antennemast op of aan een monument is niet toegestaan.
-
Bij voorkeur plaatsing aan de achtergevel van de woning of op het achtererf.
1
Ecologische Hoofd Structuur: De EHS betreft een netwerk van zowel grote als kleine gebieden in Nederland waar de natuur (flora en fauna) in feite voorrang heeft. De EHS is bedoeld om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden.
Antennemasten dienen ten minste 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd.
-
Bij voorkeur concentreren bij andere (hoge) bebouwing op het erf. Bij voorkeur plaatsing achter hoog opgaande begroeiing.
Vormgeving Antennemast en bijbehorende voorzieningen (mast, bedrading, tuidraden) worden als één geheel vormgegeven. De antennemast wordt zo onzichtbaar mogelijk vormgegeven. Een minimum aan dwarssprieten kan hieraan bijdragen, evenals een zo klein mogelijke diameter van de mast en een onopvallende kleurstelling. Dat wil zeggen, geen felle, contrasterende kleuren, maar antraciet of donkergrijs. De bevestiging/fundering valt zo onopvallend mogelijk in het maaiveld weg.
63
OT8. ERFAFSCHEIDINGEN Objectbeschrijving Een erf- of perceelafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Wilt u geen inkijk en graag vrij zitten in uw tuin of vindt u dat uw terrein duidelijk moet worden afgebakend? Dan heeft u de mogelijkheid om uw erf af te sluiten, bijvoorbeeld met een haag, een schutting of tuinmuur. Daarmee maakt u duidelijk zichtbaar waar de grens van uw perceel ligt. Als u een erfafscheiding plaatst in de vorm van een bouwwerk, zoals een schutting of een tuinmuur, dan krijgt u te maken met de bouwregelgeving. In veel gevallen is het plaatsen van een erfafscheiding vergunningvrij. Als de erfafscheiding voor de voorgevelrooilijn(en) is geplaatst en hoger is dan één meter, is dat niet het geval. Ook als de erfafscheiding op een afstand van minder dan een meter van openbaar toegankelijk gebied is geplaatst en hoger is dan een meter is dat niet vergunningsvrij. Plaatsing is dan alleen toegestaan als er een omgevingsvergunning is verleend.
Algemeen 1. Erfafscheidingen moeten passen bij het karakter van de omgeving. 2. Erfafscheidingen moeten op een zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst. Plaatsing op het achter- en zijerf Erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of in het verlengde daarvan op het achter- en zijerf moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: a. Hoogte: maximaal 1,5 meter of 1,8 meter (afhankelijk van type – zie tekening). b. Vormgeving van de erfafscheiding: - Een open karakter. Dit houdt in dat de erfafscheiding voor minimaal 50% open is of voorzien van beplanting aan elke naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijde van het perceel. Voorbeeld: erfafscheidingen in de vorm van houten palen met daartussen betongaas, waartegen klimplanten opgroeien. - De open delen mogen worden voorzien van beplanting. Deze planten staan op eigen grond (niet op gemeentegrond!). Als er andere planten dan klimplanten voor een erfafscheiding met betongaas worden geplant, dan worden deze aan de kant van de openbare ruimte geplant (dus niet alleen aan de tuinzijde). - De dichte vlakken van de erfafscheiding mogen een lengte hebben van maximaal 3 meter.
64
Links: voorbeelden van niet toegestane en toegestane erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of in het verlengde daarvan. Boven: voorbeelden van welke locaties bedoeld worden in deze welstandscriteria.
65
OT9. RECLAME-UITINGEN Wat is het belang van reclame? Reclame is het in het openbaar aanprijzen van of aandacht vestigen op diensten, goederen, activiteiten of namen met het kennelijk doel een commercieel/ ideëel belang te dienen. Reclames vragen vanuit hun doelstelling aandacht van voorbijgangers en vormen hiermee een beeldbepalend element van de openbare ruimte en het straatbeeld.
Welke criteria zijn van toepassing? Er zijn specifieke welstandscriteria opgesteld voor: Reclame in het buitengebied. Reclame in de beschermde stads- en dorpsgezichten. Reclame voor bedrijventerreinen en bedrijven. Reclame voor het Economisch gebied Zuiderpoort.
Reclame moet bijdragen aan de verlevendiging van de gemeente en niet leiden tot visuele chaos. Te veel reclame leidt er toe dat individuele reclame onopvallend wordt. Reclame moet daarom een passende plaats krijgen, zonder dat er inbreuk wordt gedaan op de zichtbaarheid van andere bedrijven en de beleving van de openbare ruimte.
Welstandsambitie Het welstandsregime waaronder deze criteria worden toegepast is afhankelijk van het gebiedstype waarin de reclame-uiting wordt toegepast.
Wat is de juridische basis voor het reclamebeleid? Voor het realiseren van reclame-uitingen is in de meeste gevallen een omgevingsvergunning vereist voor de activiteit handelsreclame en in sommige gevallen ook voor de activiteit bouwen. De gemeente kan u informeren over de noodzaak en aard van een vergunningsaanvraag. Wanneer voor het aanbrengen van een reclame-uiting een vergunning moet worden aangevraagd, moet deze voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Om dit te beoordelen zijn de criteria in dit hoofdstuk opgesteld.
Kan worden afgeweken van de reclamecriteria? Het kan voorkomen dat de reclamecriteria ontoereikend zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een aanvraag plaatsvindt in een bijzonder gebied, of wanneer een plan afwijkt van de criteria, of wanneer sprake is van een nieuw type reclame-uiting. Burgemeester en wethouders kunnen dan, na schriftelijk en gemotiveerd advies van de welstandscommissie, afwijken van deze welstandscriteria. Dit wordt aangeduid als zogenaamde hardheidsclausule (zie 1.6). Daarbij geldt de stelregel dat de gemeente hogere eisen stelt aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt.
66
Enkele begrippen a.