CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan Kollum - Uitbreiding bedrijventerrein Dwarsryd (vaststelling)

It Beslút 5 maart 2026, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Vaststelling omgevingsplanwijziging 'Kollum - Uitbreiding bedrijventerrein Dwarsryd’ en bijbehorende grondexploitatie23.614 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

3.9

Trillingen ................................................................................................................................................................. 18

3.10

Geur......................................................................................................................................................................... 18

3.11

Schaduw- en windhinder ........................................................................................................................................ 18

3.12

Aanlegwerkzaamheden........................................................................................................................................... 18

4

4/18

Conclusie .......................................................................................................................................................................... 18

1. Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Noardeast-Fryslân wil vanwege de groeiende vraag naar nieuwe bedrijfskavels, de capaciteit van bedrijventerreinen in de gemeente vergroten. Hiertoe zijn middels een beknopte locatiestudie verschillende locaties in kaart gebracht en beoordeeld. Aan de hand van deze locatiestudie is de voorkeurslocatie voor uitbreiding vastgesteld, waarbij de keuze is gevallen op een uitbreiding van het bedrijventerrein 'Dwarsryd' in het noordoosten van Kollum. De beoogde uitbreiding zal plaatsvinden op twee aangrenzende percelen, tussen de Willem Loréweg en de Torpsteryd. Het voornemen is om ruimte te bieden aan bedrijfsactiviteiten die vergelijkbaar zijn met activiteiten op het bestaande bedrijventerrein, ten westen van het projectgebied. Er wordt geen ruimte geboden aan bedrijfswoningen. De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken zal het planologische kader worden gewijzigd via een wijziging van het omgevingsplan. In het omgevingsbesluit is in kolom 3 opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein merbeoordelingsplichtig is (Omgevingsbesluit, Bijlage V, categorie J10). De beoogde ontwikkeling valt onder deze categorie.

Dit betekent dat voor de wijziging van het omgevingsplan een mer-beoordeling noodzakelijk is op basis waarvan het bevoegd gezag een mer-beoordelingsbesluit neemt. Deze aanmeldnotitie bevat deze beoordeling.

1.2 Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in? In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 van deze bijlage zijn mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3 bij besluiten genoemd in kolom 4. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn mer). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. Dit geldt ook wanneer de gemeente zelf initiatiefnemer is. In die mededeling (meestal een aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project en de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt de motivatie van dit besluit op in de motivering van het wijzigingsbesluit/omgevingsplan/de vergunning. Wanneer uit de mer-beoordeling blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, is een volledige mer-procedure noodzakelijk.

De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bedrijventerrein. Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie J10 ‘Industrieterrein’. Hiervoor is bij wijziging van het omgevingsplan een mer-beoordeling noodzakelijk. Deze aanmeldnotitie bevat deze mer-beoordeling.

1.3 Leeswijzer Deze mer-beoordelingsnotitie is aan de hand van de beoordelingscriteria uit bijlage III bij de Europese richtlijn als volgt opgebouwd: ● hoofdstuk 2 beschrijft de plaats en kenmerken het project; ● hoofdstuk 3 geeft voor alle relevante omgevingsaspecten inzicht in de te verwachten milieueffecten; ● hoofdstuk 4 bevat de voorlopige conclusie van de mer-beoordeling. Bij de analyse in hoofdstuk 3 is gebruik gemaakt van informatie uit de onderzoeken welke te vinden zijn in de bijlagen bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan.

5/18

2. Plaats en kenmerken van het project 2.1 Plaats van het project Het projectgebied ligt in het noordoosten van Kollum en ten westen van het bestaande bedrijventerrein Dwarsryd. Figuur 2.1 geeft ligging van het projectgebied weer ten opzichte van de omgeving.

Figuur 2.1 Ligging projectgebied (rood omlijnd) nabij kern Kollum (Bron: PDOK viewer)

Bijzondere gebieden en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu Het projectgebied is niet gelegen in een gebied met een beschermde status, zoals een grondwaterbeschermingsgebied of stiltegebied (zie figuur 2.2). Ook vormt het projectgebied geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is het Lauwersmeer en ligt op ruim 3 km afstand van het projectgebied. De Waddenzee op circa 12,5 km afstand is het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 gebied (zie figuur 2.3). Op circa 300 m afstand van het projectgebied ligt het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het NNN (zie figuur 2.4). Daarnaast maakt het projectgebied wel onderdeel uit van een gebied dat is aanwezen als leefgebied voor weidevogels (zie figuur 2.5). In paragraaf 3.7 wordt hier nader op ingegaan.

6/18

Figuur 2.2 Grondwaterbeschermings- en stiltegebieden nabij projectgebied (rode cirkel) (Bron: Provincie Friesland)

Figuur 2.3 Natura 2000 gebieden nabij het projectgebied (rode stip) (Bron: AERIUS Calculator)

7/18

Figuur 2.4 Natuurnetwerk Nederland nabij het projectgebied (ster) (Bron: Provincie Friesland)

Figuur 2.5 Leefgebied weidevogels met ligging van het projectgebied (rood omcirkeld) (Bron: Atlas Leefomgeving)

8/18

2.2 Kenmerken van het project 2.2.1 Huidige situatie Het projectgebied ligt in het noordoosten van Kollum. Aan de zuid- en westzijde wordt de projectlocatie begrensd door de Torpsterryd en aangrenzend het bestaande bedrijventerrein Dwarsryd. Aan de noordzijde wordt de grens gevormd door een watergang en aan de oostzijde ligt de Willem Loréweg met daarachter landerijen en een paardenhouderij. Het noordelijke gedeelte van het projectgebied is momenteel in gebruik als grasland. Ter hoogte van de Willem Loréweg doorsnijdt een watergang het gebied van oost naar west. Aan de randen van het projectgebied ten zuiden van de watergang staan bomen aan de oost-, west- en zuidzijde. Binnen het projectgebied zelf zijn geen gebouwen aanwezig. In het projectgebied staat ter hoogte van de kruising van de aftakking van Torpsterryd een transformatorhuisje. In figuur 2.6 is een luchtfoto van de bestaande situatie weergegeven.

Figuur 2.6 Luchtfoto projectgebied (rood omlijnd) huidige situatie (Bron: Google luchtfoto)

2.2.2 Beoogde ontwikkeling Het projectgebied wordt ontwikkeld tot een kleinschalig bedrijventerrein, aansluitend op het bestaande bedrijventerrein. Voor de inrichting van het projectgebied wordt ook aangesloten bij de planologische mogelijkheden van het bestaande bedrijventerrein ten westen van het projectgebied. Dit betekent dat bedrijven als genoemd in de milieucategorieën 1 tot en met 3.1 worden toegestaan, zoals opgenomen in de 'staat van bedrijfsactiviteiten' (zie bijlage bij de wijziging van het omgevingsplan). De voor bedrijven bestemde gronden hebben een gezamenlijk oppervlak van circa 20.600 m2. Binnen het projectgebied zal een maximaal bebouwingspercentage van 75% per bouwperceel gelden, waardoor er maximaal circa 15.500 m2 bebouwing mogelijk is. Op het bedrijventerrein worden bedrijfsgebouwen toegestaan met een goothoogte van maximaal 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 10 meter (2 bouwlagen met kap).

9/18

Het projectgebied wordt ontsloten door middel van een nieuwe ontsluitingsweg die uitkomt op de westelijke weg de Dwarssyd. Kavel 8 wordt ontsloten via de bestaande zuidelijke weg de Sylsterryd. Beide wegen komen uit op de 60 km/u weg de Willem Loréweg ten westen van het projectgebied. Aan de oostkant van het terrein wordt een calamiteitenontsluiting gemaakt die aantakt op de hoofdontsluiting. Ten behoeve daarvan wordt de bestaande duiker richting de Willem Loréweg verhard. Figuur 2.7 geeft een weergave van de toekomstige kavelindeling van het projectgebied. De huidige watergang in het projectgebied die van west naar oost loopt wordt gedempt. De demping van deze watergang wordt ruimschoots gecompenseerd door de aanleg van nieuwe watergang in het noorden. Paragraaf 3.6 gaat hier nader op in. Ten noorden van deze nieuwe watergang worden de gronden ingericht als groengebied met houtsingel. Hierdoor wordt qua inrichting aangesloten op de bestaande groenstructuur ten noordwesten van het projectgebied. De randen van het projectgebied worden ingevuld met groenstructuren.

1 2

5

3

6

4

7

8

Figuur 2.7 Globale inrichting uitbreiding bedrijventerrein (Bron: Gemeente Noardeast Fryslân)

2.3 Cumulatie In een mer-beoordeling dient rekening te worden gehouden met mogelijke cumulatie van milieugevolgen. Van cumulatie kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer verschillende ontwikkelingen via dezelfde wegen worden ontsloten waardoor het extra verkeer kan leiden tot cumulatie van geluid. In de omgeving van het projectgebied zijn geen toekomstige ontwikkelingen bekend. Er is dan ook geen sprake van cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten.

10/18

3. Kenmerken van de milieueffecten In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op de diverse onderzoeksrapporten en de informatie uit de motivering voor de wijziging van het omgevingsplan die voor de beoogde ontwikkeling is opgesteld en beschikbare basisgegevens over de milieusituatie in en rond het projectgebied.

3.1 Verkeer en parkeren Verkeersgeneratie De beoogde ontwikkeling valt op basis van CROW kencijfers onder een gemengd terrein. Hiervoor geldt per weekdag een verkeersgeneratie van 128 personenauto's en 30 vrachtauto's per ha. Voor het projectgebied van circa 2 hectare betekent dit een verkeersgeneratie van 316 mvt/etmaal voor een weekdag. Voor een werkdag is dit 421 mvt/etmaal. Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid De nieuw te realiseren bedrijven zullen worden ontsloten door een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg (zie figuur 2.6). Deze ontsluitingsweg sluit aan op de Dwarsryd die verbonden is met de Willem Loréweg via de Sylsterryd. Hier gaan de verkeersbewegingen op in het heersend verkeersbeeld. Kavel 8 wordt ontsloten via de bestaande zuidelijke weg (Sylsterryd). De verkeerstoename ten behoeve van de ontwikkeling is dermate klein dat het niet tot knelpunten zal leiden op het omliggende wegennet. Parkeren Aan de hand van gemeentelijke parkeernormen is beoordeeld hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Voor 'werken, bedrijf arbeidsextensief' wordt een parkeernorm gehanteerd van 0,013 parkeerplaatsen per m2 BVO. Uitgaande van maximaal 16.201 m2 aan BVO geldt een parkeerbehoefte van 211 (210,6). De benodigde parkeerplaatsen worden voorzien op het eigen terrein van de toekomstige bedrijfspercelen binnen het projectgebied.

Er wordt verwacht dat er op die manier voldoende invulling wordt gegeven aan de ontstane parkeerbehoefte. Conclusie Het extra verkeer kan veilig worden afgewikkeld. Tevens is er is voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte. Er is vanuit het aspect verkeer en parkeren geen sprake van belangrijke negatieve effecten.

3.2 Geluid Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Effectbeoordeling Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Het projectgebied ligt niet in een geluidsaandachtsgebied voor wegen, spoorwegen of industrieterreinen. Daarbij voorziet de beoogde ontwikkeling niet in het realiseren van nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Hierdoor kunnen belangrijke negatieve milieugevolgen worden uitgesloten. Geluid door activiteiten De beoogde ontwikkeling voorziet niet in nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Wel worden bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 mogelijk gemaakt (zie staat van bedrijfsactiviteiten bij de bijlage van het omgevingsplan). Daarmee worden activiteiten mogelijk gemaakt die mogelijk geluid veroorzaken in de omgeving. Het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw is de bedrijfswoning aan de Willem Loréweg 18. Gelet op de afstand (meer dan 50 m) tussen het projectgebied en de gevel van de woning wordt verwacht dat geen sprake is van hinder en het geluid ter plaatse van de woning aanvaardbaar is.

11/18

Geluideffect beoogde ontwikkeling op de omgeving De beoogde ontwikkeling zelf leidt tot een verkeersgeneratie van 421 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Dit kan effect hebben op de omgeving doordat de geluidbelasting op bestaande woningen langs de ontsluitingsroutes toeneemt. Aangezien het extra verkeer beperkt is en opgaat in het heersende verkeersbeeld wordt verwacht dat dit geen negatief effect heeft op de bestaande woningen in de omgeving. Conclusie Ten aanzien van het aspect geluid worden geen aanzienlijke nadelige milieugevolgen verwacht.

3.3 Luchtkwaliteit Huidige situatie De gemeente Noardeast-Fryslân is niet gelegen in een aandachtsgebied voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof. Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit ter plaatse is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in 2025 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het projectgebied ruimschoots onder de omgevingswaarden liggen (artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl). Effectbeoordeling De beoogde ontwikkeling omvat het mogelijk maken van een kleinschalig bedrijventerrein. Om inzichtelijk te maken of de extra verkeerstoename leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ingevuld (zie figuur 3.1). Hieruit blijkt dat de activiteiten ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarnaast liggen de concentraties nabij het projectgebied ruim onder de omgevingswaarden.

Figuur 3.1 NIBM-berekening beoogde ontwikkeling Conclusie Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit worden geen aanzienlijke milieugevolgen verwacht.

3.4 Omgevingsveiligheid Met de beoogde ontwikkeling worden bedrijfsruimten mogelijk gemaakt waaronder ook kantoren. Deze worden over het algemeen gezien als beperkt kwetsbare objecten. Kantoorgebouwen met een bvo van > 1.500 worden gezien als kwetsbare objecten. Aan de hand van de veiligheidskaarten van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie uitgevoerd van risicobronnen in en rond het projectgebied, zie ook figuur 3.2. Met de beoogde ontwikkeling worden geen risicovolle inrichtingen gerealiseerd. Uit de risicoinventarisatie blijkt dat het projectgebied zich niet bevindt:

12/18

 

binnen de plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle activiteit; binnen een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied van nabijgelegen water, spoor, wegen, buisleidingen waar gevaarlijke stoffen worden vervoerd of van een risicovolle inrichting. De dichtstbijzijnde risicobron ligt op meer dan 500 m ten zuiden van het projectgebied en dit leidt niet tot negetieve effecten.

Figuur 3.2 Risicobronnen nabij het projectgebied (rood omlijnd) (Bron: Register Externe Veiligheid, 2023) Voor zowel dagelijkse incidenten (zoals brand of wateroverlast) als calamiteiten op het gebied van externe veiligheid is een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten essentieel. Aan de oostkant van het terrein wordt een calamiteitenontsluiting gemaakt die aansluit op de hoofdontsluiting. Ten behoeve daarvan wordt de bestaande duiker richting de Willem Loréweg verhard. De brandweerkazerne van Kollum ligt op enkele minuten rijden van het projectgebied, hierdoor is er een snelle aanrijtijd. Daarnaast is er voldoende bluswater beschikbaar in en rond het gebied. Het grootste deel van de aanwezigen in het projectgebied zal zelfredzaam zijn. Conclusie Er worden geen aanzienlijke milieueffecten verwacht ten aanzien van het aspect omgevingsveiligheid.

13/18

3.5 Bodem en grondwater Huidige situatie Het projectgebied is momenteel in gebruik als grasland en uit historische kaarten blijkt dat de locatie niet eerder bebouwd is geweest. Vermoedelijk is het terrein in het verleden in gebruik geweest voor agrarische doeleinden. In het kader van de wijziging van het omgevingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage bij het omgevingsplan). Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse sprake is van verhoogde gehalte aan molybdeen in het grondwater. De concentratie is echter dusdanig beperkt dat dit niet leidt tot negatieve effecten en geen sprake is van een saneringsnoodzaak. Effectbeoordeling Met de beoogde ontwikkeling worden geen bodemvervuilende activiteiten mogelijk gemaakt. Bij grondverzet dient rekening te worden gehouden met eventuele gebruiksbeperkingen bij hergebruik van de vrijkomende grond op een andere locatie. Conclusie Vanuit het aspect bodem worden geen belangrijke negatieve effecten voor het milieu verwacht.

3.6 Water Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van water zijn de volgende criteria van belang: ● Effecten op de waterhuishouding: waterkwantiteit, waterkwaliteit; ● Effecten op de waterkeringen en waterveiligheid; ● Effecten op waterketen; Huidige situatie Uit figuur 2.3, zoals eerder in H2 opgenomen, blijkt dat het projectgebied niet is gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Het projectgebied bestaat momenteel uit grasland en is volledig onverhard. Aan de noordzijde wordt de grens van het projectgebied gevormd door een primaire watergang (zie figuur 3.3). Ook wordt het projectgebied doorsneden door een secundaire watergang.

Figuur 3.3 Uitsnede legger wateren met primaire (blauw) en secundaire (paars) watergangen (Bron: Wetterskip Fryslân))

14/18

Effectbeoordeling Waterveiligheid In het kader van de wijziging van het omgevingsplan is digitale watertoets uitgevoerd. Hieruit blijkt er geen negatieve effecten verwacht worden met betrekking tot de volgende aspecten: hoofdwater, vrij voor de boezem, rioolwaterpersleidingen, primaire waterkeringen, regionale en/of lokale waterkeringen, grondwaterbeschermingsgebied en waterzuiveringsobject. De gronden binnen het projectgebied worden voldoende hoog aangelegd om de waterveiligheid te borgen. Waterkwantiteit Door de realisatie van het bedrijventerrein neemt het aandeel verhard oppervlak toe. Verhardingstoename door uitbreiding van een bebouwing en/of bestrating zorgt ervoor dat hemelwater versneld afvoert. Dit kan ervoor zorgen dat het oppervlaktewatersysteem zwaarder belast wordt, waardoor overlast kan ontstaan. Om dit te voorkomen is het nodig om compenserende waterberging en/of vertraagde afvoer van hemelwater te realiseren. In het projectgebied wordt extra oppervlaktewater gegraven ter compensatie van het dempen van de watergang in het projectgebied en voor het aanbrengen van extra verharding. Ook wordt een deel van een dam verwijderd. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de te compenseren oppervlaktes en het te realiseren oppervlaktewater. Hieruit blijkt dat er voldoende watercompensatie plaatsvindt in het projectgebied.

Tabel 3.1 Overzicht watercompensatie Te compenseren Bedrijventerrein Wegen Totale oppervlakte

Oppervlakte m2 15520,0 785

Percentage %

Totaal m2 15520,0 785 16305,0

Te compenseren t.g.v. saldo afwaterend oppervlakte

16305

5%

815,25

Dempingen Compensatie op nieuwe watergang Aanbrengen dammen Aanbrengen dammen Totaal te compenseren

Lengte watergang 93 30 16

Breedte waterlijn demping 3 4,0 2,5

Oppervlakte 279 120 40 439

Te graven watergangen Verbreden watergang Watergang (1) Verwijderen dammen

Lengte watergang 84 130 11

Breedte waterlijn 4 7 2,5

Oppervlakte 336 910 27,5

Compensatie

1273,5

Saldo (voldoet)

19,3

Waterkwaliteit Vervuiling van het oppervlaktewater moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen worden. Alleen schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de waterbergingsvoorziening(en). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen voor in het te infiltreren water.

15/18

Klimaat Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Hiervoor is de Friese Klimaatatlas geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het projectgebied geen kwetsbaar gebied is voor hittestress en droogte. Wel dient er rekening te worden gehouden met hoogwater in de Friese Boezem. Dit wordt gedaan door de nieuwe bebouwing/infrastructuur voldoende hoog aan te leggen. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

3.7 Natuur Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van natuur zijn de volgende criteria van belang: ● Gebiedsbescherming: aantasting of verstoring van Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland; ● Soortenbescherming: aantasting of verstoring van bestaande natuurwaarden. Gebiedsbescherming Het projectgebied is gelegen aan de rand van Kollum en maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden (zie ook figuur 2.3 en 2.4). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van circa 300 m van het projectgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is het Lauwersmeer en ligt op ruim 3 km afstand van het projectgebied. De Waddenzee op circa 12,5 km afstand van het projectgebied is het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 gebied. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering zijn hierdoor uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het projectgebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage bij het omgevingsplan).

Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jaar voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. De kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten verslechterd niet. Het project heeft daarmee geen significant verstorend effect. Daarnaast is het projectgebied onderdeel van een weidevogelkansgebied. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling verliest een deel van dit gebied haar functie. Hiervoor zal een financiële compensatie gegeven worden aan een weidevogelfonds. Soortenbescherming In het kader van het wijzigen van het omgevingsplan is een ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlage bij de wijziging van het omgevingsplan). Met inachtneming van onderstaande adviezen kunnen negatieve effecten worden voorkomen.  Algemene broedvogels: In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels dient buiten het broedseizoen te worden gewerkt of onder begeleiding van een ecoloog.  Vleermuissoorten: Vanwege de mogelijke aanwezigheid van essentiële vliegroutes van vleermuizen dient extra lichtuitstraling op de Dwarsryd te worden vermeden. Indien dit niet mogelijk is, dan dient er nader onderzoek te worden uitgevoerd om vast te stellen of uit te sluiten dat de Dwarsryd als essentiële vliegroute dient voor vleermuissoorten.

 Hermelijn, wezel en bunzing: De aanwezigheid van (leefgebied van) de hermelijn, wezel en bunzing kan binnen het projectgebied niet op voorhand worden uitgesloten. Om negatieve effecten te voorkomen dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd of direct een vergunning te worden aangevraagd.  Overige zoogdieren: Voor soorten die in het projectgebied kunnen voorkomen waarvoor een vrijstelling geldt, dient te worden voldaan aan de specifieke zorgplicht.

16/18

Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn er geen negatieve effecten te verwachten op beschermde gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en het NNN. Met inachtneming van de voorgestelde adviezen en maatregelen worden geen aanzienlijke milieueffecten verwacht op beschermde soorten.

3.8 Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie Volgens de Cultuurhistorische kaart Fryslân is er geen sprake van cultuurhistorische waarden binnen het projectgebied (zie figuur 3.4). Op basis hiervan zijn geen negatieve effecten te verwachten.

Figuur 3.4 Cultuurhistorische kaart Fryslân met ligging projectgebied (rode cirkel) (Bron: Cultuurhistorische kaart Fryslân) Archeologie Binnen het projectgebied gelden geen dubbelbestemmingen met archeologische verwachtingswaarde. Op basis van de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) geldt voor het noordelijke deel van het projectgebied wel aanleiding tot archeologisch onderzoek. Het zuidelijke deel is reeds eerder onderzocht in het kader van de ontwikkeling van het bestaande bedrijventerrein Dwarsryd. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn daarmee twee afzonderlijke archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage bij de wijziging van het omgevingsplan):  Het eerste onderzoek (2002) betreft het zuidelijke deel. Hieruit volgt dat er ter plaatse geen archeologische waarden zijn aangetroffen.  Het tweede onderzoek (d.d. 6 december 2024) heeft betrekking op het noordelijke deel. Hieruit blijkt dat de kans op verstoring van archeologische waarden zeer klein is en dat het perceel archeologisch vrijgegeven kan worden. Op basis hiervan worden geen belangrijke negatieve effecten verwacht. In het geval er bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden aangetroffen in het projectgebied geldt er een meldingsplicht bij de archeologische dienst van de gemeente of provincie.

Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie is geen sprake van belangrijke negatieve effecten op het milieu.

17/18

3.9 Trillingen Effectbeoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling voorzien niet in het mogelijk maken van nieuwe trillingsgevoelige gebouwen zoals woningen. Daarmee is er geen sprake van een relevant milieueffect op het aspect trillingen. Vanuit het aspect trillingen zijn er geen belangrijke negatieve effecten te verwachten.

3.10 Geur Effectbeoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling voorziet niet in activiteiten die geurhinder veroorzaken. Ook worden er geen geurgevoelige functies (zoals wonen, zorginstellingen of onderwijsvoorzieningen) gerealiseerd. Bedrijfsgebouwen vallen in principe niet onder de categorie geurgevoelige objecten, tenzij er ook sprake is van functies waar mensen langdurig verblijven, zoals een kantoorgebouw waar mensen de hele dag werken. Echter vinden er in de omgeving geen activiteiten plaats die geurhinder veroorzaken. De paardenhouderij aan de Willem Loréweg 18 bevindt zich op voldoende afstand van het projectgebied om eventuele geurhinder te voorkomen. Vanuit het aspect geur is er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen sprake van belangrijke negatieve effecten op de omgeving.

3.11 Schaduw- en windhinder Effectbeoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van hoogbouw. De gebouwen in het projectgebied hebben een maximale bouwhoogte van 10 meter. Gezien de bouwhoogte en de afstand tot de omliggende bebouwing worden er ten aanzien van windhinder en schaduw/bezonning geen negatieve effecten in de omgeving verwacht. Vanuit de aspecten schaduw- en windhinder is er als gevolg van de ontwikkeling geen sprake van belangrijke negatieve effecten op de omgeving.

3.12 Aanlegwerkzaamheden Effectbeoordeling en conclusie Tijdens de werkzaamheden voor de aanleg-/bouwwerkzaamheden van de beoogde ontwikkeling kunnen milieueffecten optreden. Daarbij gaat het met name om geluidhinder, trillingen en verkeer gerelateerde effecten. Zo nodig worden maatregelen getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Dit dient bij het uitwerken van de aanpak en fasering van de uitvoeringswerkzaamheden nader te worden geconcretiseerd. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden op de locatie, aard en omvang van het plan kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.

4 Conclusie Uit de informatie in deze notitie blijkt dat de kenmerken van het project, de plaats en de kenmerken van de milieueffecten geen aanleiding vormen voor het doorlopen van een volledige mer-procedure. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht worden.

18/18

Bijlage 3 Quickscan Flora en Fauna

2025 1

Quickscan Flora en Fauna Uitbreiding Bedrijventerrein te Kollum

++

COLOFON BUREAU FAUNAX B.V. Tijnjedijk 89 8936 AC Leeuwarden 0683772548 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus

Quickscan Flora en Fauna Uitbreiding Bedrijventerrein te Kollum Leeuwarden, maart 2025 In opdracht van: Rho Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX B.V. Veldwerk en rapportage: Dhr. R. Fokker Mevr. A. Reitsema Autorisatie: Dhr. E.P. de Boer Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied. © Bureau FaunaX B.V.. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX B.V. (2025). Quickscan Flora en Fauna/ Uitbreiding Bedrijventerrein te Kollum. Rapport 25032. Bureau FaunaX B.V., Leeuwarden. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Bureau Faunax B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX B.V. heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend.

Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX B.V., verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Gegevens die afkomstig zijn uit de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) mogen niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.

INHOUDSOPGAVE 1.

2

INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1

Aanleiding ..................................................................................................................... 1

1.2

Doel ...............................................................................................................................2

1.3

Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2

1.4

Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................. 3

RESULTATEN QUICKSCAN ........................................................................................... 5 2.1

Flora ...............................................................................................................................5

2.2

Vogels ............................................................................................................................5 Jaarrond beschermde vogelnesten ...............................................................................5

2.3

Zoogdieren ................................................................................................................... 6 Vleermuizen ................................................................................................................. 6 Overige zoogdieren .......................................................................................................7

2.4

Reptielen....................................................................................................................... 8

2.5

Amfibieën ..................................................................................................................... 9

2.6

Vissen ........................................................................................................................... 9

2.7

Ongewervelden ............................................................................................................ 9

2.8

Gebiedsbescherming ................................................................................................... 10 Stikstofgevoeligheid .................................................................................................... 10

2.9 3

4

Houtopstanden ............................................................................................................ 11

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................. 12 3.1

Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 12

3.2

Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................ 12

3.3

Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 14

LITERATUUR EN BRONNEN ........................................................................................15

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Ow Soortbescherming ........................................................................................................- 1 Ow Gebiedsbescherming ................................................................................................... - 4 Ow Houtopstanden ........................................................................................................... - 5 -

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens een uitbreiding van het bedrijventerrein te realiseren te Kollum. Ruimtelijke plannen zoals deze dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving van de Omgevingswet. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000, NatuurNetwerk Nederland, weidevogelgebieden en/of ganzengedooggebieden), alsook in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen wordt in eerste instantie een ecologische Quickscan uitgevoerd. Bij dit onderzoek wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden. Voor meer informatie over de Omgevingswet (hierna Ow) en de handelswijze wordt verwezen naar Bijlage I.

Figuur 1. Het plangebied (rood omlijnd) te Kollum.

1

1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.

Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Omgevingswet beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden en/of houtopstanden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?

Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.

1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van Rho Adviseurs heeft Bureau FaunaX B.V. het planvoornemen door middel van een ecologische Quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze Quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische Quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze Quickscan is uitgevoerd op donderdag 20 februari 2025 met een temperatuur van 7°C, matige zuidenwind en bewolking. Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.

Houtopstanden Onder de Omgevingswet worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Omgevingswet zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent het Natuurnetwerk Nederland, ganzenfoerageergebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.

2

1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied bestaat uit twee percelen, waarvan één een agrarische invulling heeft. Het andere, meest zuidelijk gelegen perceel kan op het moment van schrijven het beste worden omschreven als braakliggende grond, waar de vegetatie wat hoger staat. Beide percelen in het plangebied worden vrijwel volledig omringd door sloten. Langs de randen van het meest zuidelijke gelegen perceel staan relatief jonge bomen. Ook bevindt zich op de scheiding tussen beide percelen een relatief oude wilg. Op het braakliggende perceel ligt een bult grond opgeslagen. Het plangebied grenst aan de Dwarsryd. Deze watergang is verbonden met het Lauwersmeer. De omgeving van het plangebied wordt verder gekenmerkt door de bebouwde kom van Kollum en zowel intensief als extensief beheerd agrarisch gebied, Het planvoornemen (figuur 2) bestaat uit het realiseren van een nieuw bedrijventerrein binnen het plangebied met circa acht nieuwe bedrijfspanden. De meest centraal gelegen sloot die de twee percelen van elkaar scheidt wordt gedempt. De overige sloten blijven gehandhaafd. Verder wordt uitgaande van figuur 2 een enkele boom gekapt. Dit betreft de hierboven beschreven wilg. Los hiervan worden er vooral langs de noordkant van het plangebied bomen aangeplant en de zuidelijke bomenrij wordt aangevuld met nieuwe bomen.

Ook wordt langs de noordkant een nieuwe sloot gerealiseerd.

Figuur 1: Impressie van het plangebied

3

Figuur 2: Planvoornemen uitbreiding bedrijventerrein te Kollum. Bron: Rho Adviseurs.

4

2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora De vegetatiestructuur binnen het plangebied wordt grotendeels gedomineerd door grassen, met name Engels raaigras. Hiertussen werden soorten aangetroffen als gewone braam, pitrus en smalle weegbree. Tijdens het veldbezoek werden geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte (voedselarme) biotoop hiervoor aanwezig. De onder de Ow beschermde plantensoorten stellen veelal kritische eisen aan hun standplaatsen. Aan deze eisen wordt binnen het plangebied niet voldaan. De omstandigheden zijn te voedselrijk. •

De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan uitgesloten worden op basis van habitateigenschappen.

2.2 Vogels Jaarrond beschermde vogelnesten Roofvogels en uilen Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten en horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. Bomen binnen en vlak buiten het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van boomnesten. Deze werden niet aangetroffen. Daarbij zijn de bomen binnen het plangebied jonge, lage bomen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde boomnesten binnen het plangebied kan naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. Gebouwbroeders Het plangebied is tevens gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten van vogelsoorten die over het algemeen in bebouwing tot broeden komen, zoals huismus, ringmus, gierzwaluw, huiszwaluw en kerkuil. Binnen het plangebied staan geen kunstmatige bouwwerken waar dergelijke soorten in tot broeden kunnen komen. Direct grenzend aan het plangebied ontbreken bedrijfspanden of andere gebouwen met platte daken. Iets verder van het plangebied staan enkele bedrijfspanden met platte daken. Soorten als scholekster en visdief komen geregeld tot broeden op dergelijke daken. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet vanaf 1 januari 2024 zijn deze soorten binnen de provincie Fryslân aangewezen als zogenaamde ‘categorie 5’ soorten.

Dit houdt in dat de nesten van deze soorten alleen jaarronde bescherming genieten wanneer er sprake is van zwaarwegende ecologische redenen, zoals de afwezigheid van alternatieve nestgelegenheid of indien de gunstige staat van instandhouding (GSvI) op lokaal niveau van deze soorten in het geding komt als gevolg van het planvoornemen. In dit geval zit er voldoende afstand tussen het plangebied en de platte daken om significante negatieve effecten uit te sluiten. Hoewel eventuele nesten van scholeksters en visdieven in dit geval derhalve geen jaarronde bescherming genieten, zijn deze wel beschermd op het moment dat er sprake is van een actief broedgeval. Overige jaarrond beschermde nesten Diverse weidevogels zijn sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet vanaf 1 januari 2024 aangewezen als ‘categorie 5’ soorten. De grutto is recent (<5 jaar) waargenomen in de directe omgeving van het plangebied (bron: NDFF).

5

De grutto is voornamelijk waargenomen ten oosten van het gebied waar de weilanden zeer nat zijn en ten noorden van het plangebied rondom een plas. Het plangebied is minder nat, maar biedt niettemin geschikte nestgelegenheid. Echter, gezien de ligging van het plangebied in een omgeving die wordt gekenmerkt door meer geschikte agrarische percelen is naar ons inzicht in dit geval geen sprake van zwaarwegende ecologische redenen voor de jaarronde bescherming van nesten van deze soorten. Eventuele nesten hiervan genieten wel bescherming wanneer er sprake is van een actief broedgeval. • •

De aanwezigheid van jaarrond beschermde (boom)nesten binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kan op voorhand worden uitgesloten. Eventuele nesten van scholekster, visdief en grutto binnen de invloedsfeer van het planvoornemen genieten geen jaarronde bescherming, maar zijn wel beschermd wanneer er sprake is van een actief broedgeval.

Overige (broed)vogelsoorten Naast op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Het plangebied en de omgeving daarvan biedt broedmogelijkheden voor deze vogelsoorten. Zoals hierboven besproken kunnen soorten als scholekster en visdief tot broeden komen op de platte daken van bedrijfspanden op enige afstand van het plangebied en biedt het plangebied tevens geschikte broedgelegenheid voor de grutto. Daarnaast kunnen soorten als houtduif en meerkoet tot broeden komen in de bomen of sloten binnen het plangebied. De nesten van deze soorten genieten in het geval van dit plangebied geen jaarronde bescherming, maar zijn wel beschermd wanneer er sprake is van een actief broedgeval. Dit broedproces vindt over het algemeen plaats in de broedperiode, welke grofweg loopt van 15 maart tot 15 juli. Deze periode kan echter eerder beginnen of later eindigen, afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden. Wat van belang is, is of er sprake is van een actief broedgeval. Zo ja, dan is deze beschermd. •

Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen andere vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces (grofweg 15 maart - 15 juli).

2.3 Zoogdieren Vleermuizen Verblijfplaatsen Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, in gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken. In bomen verblijven vleermuizen vaak in oude spechtengaten of gaten die binnenin een boom zijn doorgerot als het gevolg van bijvoorbeeld het afbreken van takken. De bomen binnen en vlak buiten het plangebied werden gecontroleerd op aanwezigheid van voor vleermuizen geschikte boomholten. Hierbij werden geen boomholten aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholten binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Ook de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in kunstmatige bouwwerken kan op voorhand worden uitgesloten. Binnen het plangebied staan geen kunstmatige bouwwerken waarin vleermuizen kunnen verblijven. Daarnaast is in de directe omgeving van het plangebied geen sprake van gebouwen of bomen waarin zich verblijfplaatsen kunnen bevinden die negatieve effecten als gevolg van het planvoornemen kunnen ondervinden. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten.

6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=6d6a9560-4e2d-4878-8d22-6f0db08380c8