Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan Kollum - Uitbreiding bedrijventerrein Dwarsryd (vaststelling)
Tekst van het document
omgevingsplan
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Kollum - Uitbreiding bedrijventerrein Dwarsryd Noardeast-Fryslân
DATUM IMRO IDN
04-12-2025 NL.IMRO.1970.TAMopKoDwarsryd-VA01
PROJECT PROJECTLEIDER
Geke van Halteren
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20240582
AUTEUR STATUS
vastgesteld
Inhoudsopgave Motivering Hoofdstuk 1
Inleiding
11
1.1
Aanleiding
11
1.2
Ligging plangebied
11
1.3
Planologische regeling
12
1.4
Leeswijzer
13
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
15
2.1
Bestaande situatie
15
2.2
Voorgenomen situatie
16
Beleidskader
19
3.1
Rijksbeleid
19
3.2
Provinciaal beleid
20
3.3
Gemeentelijk beleid
23
Milieu- en omgevingsaspecten
27
4.1
Algemeen
27
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
29
4.3
Welstand
30
4.4
Mer-beoordeling
31
4.5
Geur
32
4.6
Ecologie
33
4.7
Bodem
36
4.8
Geluid door activiteiten
37
4.9
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
37
4.10
Water
38
4.11
Luchtkwaliteit
42
4.12
Cultuurhistorie
43
4.13
Externe veiligheid
44
4.14
Kabels en leidingen
46
4.15
Verkeer en parkeren
46
4.16
Duurzaamheid
47
4.17
Gezondheid
48
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Juridische vormgeving
49
5.1
Toepassingsbereik
49
5.2
Begrippen
49
5.3
Algemeen verbod
49
5.4
Functies en activiteiten
50
5.5
Algemene regels
51
5.6
Overgangsregels
51
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
53
6.1
Participatie
53
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
55
6.3
Economische uitvoerbaarheid
56
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
57
Hoofdstuk 7 Bijlagen motivering Bijlage 1
Onderbouwing ladder voor duurzame verstedelijking
Bijlage 2
Aanmeldnotitie mer
Bijlage 3
Quickscan Flora en Fauna
Bijlage 4
Stikstofonderzoek
Bijlage 5
Bodem(water)onderzoek
Bijlage 6
Watervergunning
Bijlage 7
Archeologische onderzoeken
Bijlage 8
Resultaat watertoets
Bijlage 9
Participatieverslag digitale bijeenkomst met Provincie
Bijlage 10
Vooroverlegreacties
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
85
Artikel 1
Begripsbepalingen
85
Artikel 2
Toepassingsbereik
87
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
88
Artikel 4
Algemeen verbod
89
Hoofdstuk 2
Functies en activiteiten
91
Artikel 5
Bedrijventerrein
91
Artikel 6
Groen
93
Artikel 7
Verkeer
94
Artikel 8
Water
95
Artikel 9
Leiding - Riool
96
Artikel 10
Waterstaat - Waterlopen
98
Hoofdstuk 3
Algemene regels
99
Artikel 11
Anti-dubbeltelregel
99
Artikel 12
Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Artikel 13
Beperkingengebied
101
Artikel 14
Algemene bouwregels
102
Overgangsregels
103
Overgangsrecht
103
Hoofdstuk 4 Artikel 15
Bijlagen regels Bijlage 1 Verbeelding
Staat van bedrijfsactiviteiten
MOTIVERING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De gemeente Noardeast-Fryslân wil vanwege de groeiende vraag naar nieuwe bedrijfskavels, de capaciteit van bedrijventerreinen in de gemeente vergroten. Hiertoe zijn middels een beknopte locatiestudie verschillende locaties in kaart gebracht en beoordeeld op beschikbaar aantal m2, grondeigendom, ontsluiting, landschappelijke inpassing en bestemming. Aan de hand van deze locatiestudie is een voorkeurslocatie voor uitbreiding vastgesteld. De keuze is gevallen op een uitbreiding van het bedrijventerrein 'Dwarsryd' in het noordoosten van het dorp Kollum. De beoogde uitbreiding zal plaatsvinden op twee aangrenzende percelen, tussen de Willem Loréweg en de Torpsteryd. Het voornemen is om ruimte te bieden aan bedrijfsactiviteiten die vergelijkbaar zijn met activiteiten op het naastgelegen bedrijventerrein. Binnen het nieuwe beoogde bedrijventerrein wordt geen ruimte geboden aan bedrijfswoningen.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in het noordoosten van Kollum. Het plangebied ligt zowel binnen als buiten het stedelijk gebied van de kern Kollum. Figuur 1.1 geeft ligging van het plangebied weer ten opzichte van de omgeving. Het plangebied ligt ten westen van het bestaande bedrijventerrein Dwarsryd.
Figuur 1.1 Ligging plangebied ten opzichte van de omgeving (bron: PDOK Viewer)
11
1.3
Planologische regeling
De planologische mogelijkheden van het perceel zijn geregeld in het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân. Figuur 2 bevat een uitsnede van de vigerende planologische regeling. De regels uit het voormalige bestemmingsplan 'Kollum Dorp', vastgesteld op 17 juni 2015 zijn binnen het omgevingsplan van toepassing. Voor het perceel gelden de bestemmingen 'Agrarisch met waarden – Open gebied' en 'Groen'. De gronden ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch met waarden – Open gebied' zijn bedoeld voor onder andere agrarische cultuurgrond en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. De gronden ter plaatse van de bestemming 'Groen' zijn bedoeld voor onder andere groen- en speelvoorzieningen en dagrecreatief medegebruik. Binnen deze bestemmingen is het realiseren van een bedrijventerrein niet toegestaan. Ten oosten ligt een dubbelbestemming 'Leiding - Riool'. Er mogen alleen bouwwerken worden gerealiseerd ten behoeve van deze bestemming. Voor de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen' op de noordelijke grens van het plangebied geldt hetzelfde uitgangspunt. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar grondstation Burum'. Deze aanduiding regelt dat nieuwe bouwwerken vanaf 22 meter eerst moeten worden getoetst voor mogelijke verstoring van het nabije grondstation in Burum.
In het plan worden geen bouwwerken toegestaan die hoger zijn. Op het noordelijke gedeelte van het plangebied is de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 2'. Deze aanwijzing regelde onder de Wro dat er een wijzigingsbevoegdheid gold om de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding te wijzigen in de bestemming 'Natuur'. Met deze ontwikkeling van het bedrijventerrein is deze wijzigingsbevoegdheid niet meer relevant.
Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingplan 'Kollum Dorp', plangebied aangegeven met oranje omlijning (bron: regelsopdekaart.nl)
12
De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân, omdat de beoogde inrichting als bedrijventerrein niet is toegestaan op basis van gebruik. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken moet voor het plangebied het planologische kader worden gewijzigd via een wijziging van het omgevingsplan. Om het omgevingsplan te wijzigen is een wijzigingsbesluit nodig. Onderdeel van het wijzigingsbesluit is een goede onderbouwing van de wijziging van het omgevingsplan. Voorliggende motivering voorziet hierin.
1.4
Leeswijzer
Deze ruimtelijke motivering is onderdeel van het wijzigingsbesluit voor de wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân en dient te voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De opbouw van deze motivering is als volgt: Hoofdstuk 2: In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van de bestaande functies en de activiteiten in het plangebied. De toekomstige situatie beschrijft het planvoornemen voor het plangebied. Hoofdstuk 3: In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan de relevante beleidskaders. Hoofdstuk 4: In dit hoofdstuk worden de aspecten van de fysieke leefomgeving getoetst en wordt ingegaan op de mer-beoordeling. Hoofdstuk 5: In dit hoofdstuk is de juridisch toelichting op het wijzigingsbesluit opgenomen. Hoofdstuk 6: In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe uitvoerbaarheid is vormgegeven. Dit betreft participatie, maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 7: In dit hoofdstuk wordt de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de borging in het omgevingsplan besproken.
13
14
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Het plangebied voor de voorgenomen ontwikkeling ligt in het noordoosten van Kollum. Figuur 2.1 geeft de huidige situatie samen met de plangrens weer op een luchtfoto. Het plangebied wordt aan de zuid- en westzijde begrensd door de Torpsterryd en aangrenzend het bedrijventerrein, aan de noordzijde door de watergang Dwarsryd. Aan de oostzijde ligt de Willem Loréweg met daarachter landerijen en een paardenhouderij. Het noordelijke gedeelte van het plangebied is momenteel in gebruik als grasland. Ter hoogte van de Willem Loréweg doorsnijdt een watergang het gebied van oost naar west. Op de randen van het plangebied ten zuiden van de watergang staan bomen aan de oost-, west- en zuidzijde.
Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied met begrenzing (bron: PDOK viewer) De west-, oost- en noordkant van het plangebied worden begrensd door sloten. Ten noorden van het plangebied ligt het water Dwarsryd. Ten westen ligt het bestaande bedrijventerrein. Ten oosten van het plangebied (Willem Loréweg 18) ligt een paardenhouderij. Binnen het plangebied zelf zijn geen gebouwen aanwezig. In het plangebied staat ter hoogte van de kruising van de aftakking van Torpsterryd een transformatorhuisje.
15
2.2
Voorgenomen situatie
Het plangebied wordt omgevormd tot kleinschalig bedrijventerrein. Figuur 2.2 geeft de verkaveling van het beoogde bedrijventerrein weer. Er wordt aangesloten bij de planologische mogelijkheden van het bestaande bedrijventerrein ten westen van het plangebied. Dit betekent dat bedrijven als genoemd in de milieucategorieën 1 tot en met 3.1 worden toegestaan binnen het plangebied, zoals opgenomen in de 'staat van bedrijfsactiviteiten' in bijlage 1 van de regels (zie ook paragraaf 4.8). Het plangebied wordt ontsloten door middel van een nieuwe ontsluitingsweg die uitkomt op de westelijk gelegen weg Dwarsryd. De zuidelijkste kavel (Kavelnummer 8) wordt ontsloten via de bestaande zuidelijke weg de Sylsterryd. Beide wegen komen uit op de 60 km/u weg de Willem Loréweg ten westen van het plangebied. Aan de oostkant van het terrein wordt een calamiteitenontsluiting gemaakt die aansluit op de Willem Loréweg. Ten behoeve daarvan worden twee dammen verwijderd en één dam aangelegd. Figuur 2.2 geeft de verkaveling van het plangebied weer. De huidige watergang in het plangebied die van west naar oost loopt wordt gedempt. De demping van deze watergang wordt ruimschoots gecompenseerd door de aanleg van nieuwe watergang in het noorden van het plangebied (zie ook figuur 2.2). Paragraaf 4.10 gaat verder in op de voorgenomen watercompensatie.
Ten noorden van deze nieuwe watergang worden de gronden ingericht als groengebied met houtsingel. Hierdoor wordt qua inrichting aangesloten op de bestaande groenstructuur ten noordwesten van het plangebied (zie ook figuur 2.2). De randen van het plangebied worden ingevuld met groenstructuren. Er worden geen bomen gekapt ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling.
Figuur 2.2: Verkaveling plangebied (bron: Gemeente Noardeast Fryslân)
16
De voor bedrijven bestemde gronden hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 20.600 m2. Binnen het plangebied zal een maximaal bebouwingspercentage van 75% per bouwperceel gelden, waardoor er maximaal circa 15.500 m2 aan bebouwing mogelijk is. Op het bedrijventerrein worden bedrijfsgebouwen toegestaan met een goothoogte van maximaal 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 10 meter (2 bouwlagen met kap).
17
18
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle projecten met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vijf opgaven: De bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen; Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Realiseren opgaven In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: De Omgevingsagenda Momenteel wordt voor Noord-Nederland gewerkt aan een omgevingsagenda. Als voorloper is er gewerkt aan een Contour Omgevingsagenda waarin acht omgevingsopgaven zijn benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
19
Druk op de ruimte in het landelijk gebied vraagt om gezamenlijke keuzes; Benutten van de brede effecten van de energietransitie; Economisch perspectief ten aanzien van kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw; Toekomstgerichte bereikbaarheid van Noord-Nederland; Versterken Stedelijk Netwerk Noord-Nederland; Toekomstkracht voor gebieden met bevolkingsdaling en sociaaleconomische achterstand;
7. Water als verbindende schakel in klimaatadaptieve maatregelen; 8. Waarborgen van de omgevingskwaliteit. De NOVI-gebieden Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regiodeal en/of een verstedelijkingsstrategie. De regio waarvan de gemeente Noardeast-Fryslân deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. Het beleid uit de NOVI is derhalve niet van toepassing op de ontwikkeling van het bedrijventerrein in Kollum. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI en draagt bij aan de opgave om steden en regio's sterker en leefbaarder te maken.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie De Romte Diele Fryslân 2020 Op 23 september 2020 is de 'Omgevingsvisie Fryslân - De Romte Diele Fryslân 2020' vastgesteld waarin de ambitie voor de provincie voor 2030-2050 is uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met 9 principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het 'ja-mits principe', aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud. Als uitgangspunt geldt dat veranderingen niet tegen moeten worden gehouden, maar dat ambities worden gerealiseerd door gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten. De beoogde ontwikkeling wordt zowel binnen als aan de rand van het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling wordt ingepast in de bestaande ruimtelijke context qua groen en water, waarbij de omgevingskwaliteiten als basis voor het ontwerp wordt toegepast. Hiermee is het planvoornemen in overeenstemming met de omgevingsvisie van de provincie Fryslân. 3.2.2 Provinciale omgevingsverordening Op 8 februari 2024 is de Omgevingsverordening in werking getreden.
In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het plangebied ligt conform de geometrische begrenzingen in de omgevingsverordening in de volgende relevante gebiedsaanwijzingen: Buiten Bestaand Stedelijk Gebied Bestaand Stedelijk Gebied Weidevogelkansgebied of parel
20
Voor het plangebied zijn de volgende instructieregels uit de Omgevingsverordening relevant: Afdeling 2.2 Stedelijke functies Artikel 2.1 Omgevingskwaliteiten als basis 1. In een omgevingsplan wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden, waarbij gebruik wordt gemaakt van de Friese archeologische monumentenkaart extra of van een met de provincie afgestemde gemeentelijke verdiepingsslag. 2. In een omgevingsplan dat een regeling bevat voor gronden buiten het bestaand stedelijk gebied bevat wordt gemotiveerd op welke wijze het plan rekening houdt met de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals omschreven in Grutsk op ‘e Romte, en het bevat regels die nodig zijn om deze kernkwaliteiten zo veel mogelijk te behouden en te versterken. 3. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied bevat voor die functies een onderbouwing van de wijze waarop het plan de omgevingskwaliteiten benut als ontwerpbasis, en het borgt het zorgvuldig situeren en inrichten van nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies op basis van de omgevingskwaliteiten.
Paragraaf 4.12 gaat in op de archeologische verwachtingswaarden op basis van de Friese archeologische monumentenkaart extra (FAMKE) en gaat ook in op de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Paragraaf 2.2 gaat in op de manier waarop de omgevingskwaliteiten als ontwerpbasis zijn gebruikt en hoe de nieuwe functies worden ingericht op basis van omgevingskwaliteiten. Uit deze paragrafen volgt dat er kan worden voldaan aan de instructieregels uit artikel 2.1 van de Omgevingsverordening. Artikel 2.3 Zuinig en meervoudig ruimtegebruik 1. Een omgevingsplan, dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat voor die functies een onderbouwing van het principe van zuinig- en meervoudig ruimtegebruik, waaruit tenminste blijkt: a. dat de nieuwe functie voorziet in een behoefte; b. dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van een bestaand bouwperceel, en; c. dat de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en indien mogelijk worden benut. 2. In het geval in een omgevingsplan een nieuwe stedelijke functie wordt toegedeeld buiten het bestaand stedelijk gebied, moet worden onderbouwd waarom die functie redelijkerwijs niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de behoefte van de vraag naar nieuwe bedrijfskavels in de gemeente Noardeast-Fryslân. Dit volgt uit een uitvoerige locatiestudie door de gemeente. Uit de locatiestudie bleek dat de locatie van het plangebied de best geschikte locatie is en dat het niet mogelijk is om gebruik te maken van een bestaand bouwperceel in de gemeente. De mogelijkheid voor meervoudig ruimtegebruik is in de locatiestudie afgewogen. Uit voorgaande blijkt dat kan worden voldaan aan de instructieregel(s) uit artikel 2.3 van de provinciale omgevingsverordening.
21
Artikel 2.5 Gezond en veilig 1. Een omgevingsplan, dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies, bevat een onderbouwing van de wijze waarop effecten op de gezondheid en veiligheid zijn meegewogen in het plan. 2. Een omgevingsplan bevat, zo nodig, een onderbouwing van de wijze waarop het plan rekening houdt met het risico op wateroverlast of op overstroming vanuit de Friese boezem, ook gezien vanuit de mogelijkheid van falen van regionale waterkeringen. 3. Een omgevingsplan stelt regels met het oog op het borgen van water-robuust bouwen indien door de lage ligging van gronden een risico bestaat op overstroming of wateroverlast. Paragraaf 4.13 bevat een onderbouwing voor (omgevings)veiligheid. Paragraaf 4.10 gaat in op wateroverlast of op overstroming vanuit de Friese boezem. Daarnaast gaat deze paragraaf ook in op het borgen van water-robuust bouwen. Uit het laatste volgt dat er geen risico bestaat op overstroming of wateroverlast vanuit de Friese boezem. Artikel 2.6 Bundeling stedelijke functies In een omgevingsplan mogen op gronden buiten het bestaand stedelijk gebied nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies, indien deze aansluiten op het bestaand stedelijk gebied en wat betreft aard en schaal passen bij de stad of het dorp.
De voorgenomen ontwikkeling van het bedrijventerrein in Kollum sluit aan bij het bestaand stedelijk gebied. Daarnaast past de uitbreiding van het bedrijventerrein qua aard en schaal bij het dorp Kollum. De voorgenomen ontwikkeling betreft namelijk een afsluiting van het bestaand stedelijk gebied binnen de begrenzing van de Willem Loréweg. Er worden geen bedrijven toegestaan met een hoge milieucategorie, waardoor de gewenste bedrijven aansluiten bij de bestaande situatie op het naastgelegen bedrijventerrein. Uit bovenstaande blijkt dat er kan worden voldaan aan de instructieregel uit artikel 2.6 van de provinciale omgevingsverordening. Afdeling 2.13 Weidevogelkansgebieden en weidevogelparels Artikel 2.52 Beschermingsregime Een omgevingsplan of projectbesluit voor gronden die gelegen zijn in of op korte afstand van de gebieden als bedoeld in artikel 2.51 (weidevogelkansgebieden en - parels), bevat regels waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, waarbij de agrarische productiefunctie en de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan. Het noordelijk deel van het plangebied ligt binnen een gebiedsaanwijzing voor 'weidevogelkansgebied of -parel'. De openheid en rust binnen moet binnen de gebiedsaanwijzing behouden worden, eventueel in combinatie met de agrarische productiefunctie.
Provincie Fryslân heeft gereageerd dat het plangebied in een weidevogelkansengebied is gelegen, maar dat dit gebied echter al is verstoord, waardoor de ontwikkeling van die gebied geen consequenties heeft voor weidevogels. Er is dus ook geen sprake van een financiële compensatie ten behoeve van het weidevogelfonds.
22
Artikel 2.53 Afwijken in geval van noodzakelijke ruimtelijke ingrepen van openbaar belang Van de regels in artikel 2.52 kan worden afgeweken voor een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep, en; b. de mogelijkheden om met mitigerende maatregelen de schade te beperken worden zo veel mogelijk benut, en; c. wanneer sprake is van het verloren gaan van gebied groter dan een halve hectare, dat vanwege rust en openheid voor weidevogels geschikt is als bedoeld in artikel 2.52, wordt dit door het bevoegd gezag financieel gecompenseerd door storting van een bedrag in een weidevogelfonds voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. De voorgenomen ontwikkeling maakt een bedrijventerrein mogelijk ter plaatse van de gebiedsaanwijzing 'weidevogelkansgebied parels'. Provincie Fryslân heeft gereageerd dat het plangebied in een weidevogelkansengebied is gelegen, maar dat dit gebied echter al is verstoord, waardoor de ontwikkeling van die gebied geen consequenties heeft voor weidevogels. Er is dus ook geen sprake van een financiële compensatie ten behoeve van het weidevogelfonds. Conclusie omgevingsverordening Fryslân Uit deze paragraaf blijkt dat er kan worden voldaan aan de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Noardeast-Fryslân De omgevingsvisie van de gemeente Noardeast-Fryslân, vastgesteld op 11 juli 2024, beschrijft de plannen en ambities voor de fysieke leefomgeving tot 2030. Het behandelt thema's zoals wonen, voorzieningen, landschap, natuur, veiligheid, verkeer, monumenten, duurzame energie, klimaatadaptatie en economie. Kernkwaliteiten zoals het gevarieerde landschap en de rijke cultuurhistorie, unieke natuurgebieden, rust en ruimte, een sterke regiostad Dokkum, stuwende sectoren zoals landbouw, recreatie en toerisme en de sterke sociale samenhang worden gekoesterd. Er is veel aandacht voor trends en ontwikkelingen zoals demografische veranderingen, klimaatverandering, het behoud van de omgevingskwaliteit en een gezonde veilige leefomgeving. Het doel is om op hoofdlijnen aan te geven hoe de gemeente zich wil ontwikkelen en welke kwaliteiten behouden moeten blijven. In de omgevingsvisie wordt Kollum beschreven als een belangrijke voorzieningenkern met een bedrijventerrein. In de omgevingsvisie wordt onder de 'kernopgaven Kollum' beschreven hoe er kan worden voldaan aan de ambitie 'Economisch gezond en toeristisch recreatief aantrekkelijk'. In deze ambitie wordt ingezet op uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein van Kollum.
Meer specifiek wordt in de omgevingsvisie beschreven dat het bedrijventerrein in het noordoosten van Kollum (het plangebied) ruimte krijgt voor uitbreiding richting de Dwarsryd. De uitbreiding is aangemerkt als één van de kernopgaven voor Kollum. Voorliggend plan is hiervan de concrete uitwerking. Toetsing De gemeente streeft naar voortzetting van de verzorgingsfunctie van Kollum door het bevorderen van detailhandel en bedrijvigheid. De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied in het noordoosten van Kollum sluit direct aan bij de
23
kernopgaven voor het dorp Kollum. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de omgevingsvisie van de gemeente Noardeast-Fryslân. 3.3.2
Mobiliteitsprogramma gemeente Noardeast-Fryslân
In het mobiliteitsprogramma van de gemeente Noardeast-Fryslân wordt het hoofddoel van het gemeentelijke verkeers- en vervoersbeleid van Noardeast-Fryslân aangekaart. Dit hoofddoel is het realiseren van een veilig, betrouwbaar en duurzaam verkeers- en vervoerssysteem voor iedereen en voor alle vervoersmiddelen. Noardeast-Fryslân heeft een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. De gemeente zet volop in op behoud daarvan, door in te zetten op duurzame mobiliteit. Het hoofddoel van het gemeentelijke verkeers- en vervoersbeleid is op hoofdlijnen vertaald in strategische opgaven op het gebied van verkeersveiligheid, bereikbaarheid, leefbaarheid en duurzaamheid. Daarbij speelt ook gezondheid van de inwoners een belangrijke rol. Een van de doelen is om ervoor te zorgen dat de knelpunten voor geluid en trillingen niet groter worden en waar mogelijk worden verminderd in combinatie met beoogde reconstructies of gepland onderhoud. Daarnaast dient de gemeente de geluidssituatie langs drukke wegen in het kader van de Omgevingswet in de toekomst te monitoren zodat de geluidssituatie naar de toekomst toe voor inwoners niet waarneembaar verslechtert. Toetsing Paragraaf 4.15 gaat verder in op mobiliteit en parkeren. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het aspect trillingen is niet aan de orde en vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit voorgaande blijkt dat er overeenstemming is met het Mobiliteitsprogramma van de gemeente Noardeast-Fryslân. 3.3.3
Groenstructuurplan gemeente Noardeast-Fryslân
De gemeente Noardeast-Fryslân heeft een groenstructuurplan vastgesteld. Met dit plan wil de gemeente de groenstructuur in de gemeente behouden en versterken door meer gevarieerd en toekomstbestendig groen, wat aansluit op het omringende landschap en waarmee de biodiversiteit wordt vergroot. Deze ambitie wil de gemeente bereiken door ervoor te zorgen dat het bestaande en nieuwe groen volwassen en onze bomen tot wasdom kunnen komen, door meer groen aan te leggen waarmee de dorpen en het landschap worden versterkt en door te kiezen voor gevarieerd en toekomstbestendig groen. De visie voor de plaatselijke groenstructuur is om Kollum zo sterk mogelijk met het omliggende landschap te verbinden. Daarbij is gekozen om het landschappelijke karakter zo ver mogelijk door te laten lopen. De groenstructuur bestaat hier uit gras met bomen. Toetsing De gewenste ontwikkeling van het bedrijventerrein in het noordoosten van Kollum wordt zorgvuldig ingepast binnen de bestaande groenstructuren. Zo blijven de al aangeplante bomen behouden en wordt er in het noorden van het plangebied een aanzienlijk gedeelte beplant met bomen. Dit zorg ervoor dat de bestaande groenstructuur ten noordwesten wordt verlengd richting het oosten. De omliggende groenstroken worden ingericht met gras.
Uit voorgaande volgt dat er wordt aangesloten bij de visie voor Kollum uit het groenstructuurplan van de gemeente Noardeast-Fryslân.
24
3.3.4
Biodiversiteitsplan Gemeente Noardeast-Fryslân
De gemeente Noardeast-Fryslân hecht veel belang aan het versterken van de biodiversiteit, en heeft de ambitie om daar actief werk van te maken. Daarom heeft de gemeente een biodiversiteitsplan opgesteld. In het plan wordt concreet gemaakt hoe en waar de biodiversiteit in de gemeente verhoogd kan worden en wat de rol van de gemeente daarin kan zijn. Het vormt de onderbouwing voor keuzes van de gemeente om gestructureerd aan herstel van biodiversiteit te werken. Toetsing De gewenste ontwikkeling van het bedrijventerrein in het noordoosten van Kollum wordt zorgvuldig ingepast binnen de bestaande groenstructuren. Zo blijven de al aangeplante bomen behouden en wordt er in het noorden van het plangebied een aanzienlijk gedeelte beplant met bomen, wat de biodiversiteit ten goede komt. De omliggende groenstroken en de bermen rondom het plangebied kunnen worden ingericht als kruidenrijk grasland, zoals voorgesteld in de maatregelen uit het plan. Uit voorgaande volgt dat er kan worden aangesloten bij het biodiversiteitsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân.
25
26
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Algemeen
Voor het beoordelen van de motivering bij een wijziging van het omgevingsplan gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden hier beoordeeld. Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan alleen worden vergund met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL). Daarnaast zijn in het Bkl beoordelingsregels opgenomen. De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Deze gelden voor omgevingsplannen en zijn van overeenkomstige toepassing op de bopa. Hieronder wordt de toetsing van het planvoornemen aan het beoordelingskader beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan en is verwezen naar desbetreffende paragraaf. 4.1.1
Afweging instructieregels Bkl
Voor de volgende thema's wordt in tabel 5.1 voor de ontwikkeling aangegeven of zij relevant zijn of niet: Tabel 5.1: Instructieregels Bkl Thema
Afdelingen en paragrafen Bkl
Relevant voor de ontwikkeling
Dienstenrichtlijn
§ 5.1.1. Algemene bepalingen artikel 5.1a.
Nee, de herontwikkeling betreft het planologisch mogelijk maken van een bedrijventerrein. Bedrijfsactiviteiten zijn geen dienstactiviteit.
Omgevingsveiligheid
§ 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid Ja, zie paragraaf 4.13
Water
§ 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen
Luchtkwaliteit
§ 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht Ja, zie paragraaf 4.11
Geluid door activiteiten
§ 5.1.4.2. Geluid door activiteiten
Ja, zie paragraaf 4.8
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen
§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Ja, zie paragraaf 4.9
Geluid rond luchthavens
§ 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens
Nee, de projectlocatie ligt niet binnen de geluidcontour van een luchthaven.
Trillingen
§ 5.1.4.4. Trillingen
Nee, de projectlocatie ligt niet in de nabijheid van activiteiten waarbij structureel trillingen vrijkomen en voorziet hier in beginsel zelf ook niet in.
Ja, zie paragraaf 4.10
Slagschaduw van windturbines § 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines
Nee, in de omgeving van de projectlocatie komen geen windturbines voor.
Bodemkwaliteit
§ 5.1.4.5. Bodemkwaliteit
Ja, zie paragraaf 4.7
Geur
§ 5.1.4.6. Geur
Ja, zie paragraaf 4.5
Cultureel erfgoed (aardkunde, § 5.1.5. Beschermen van
27
Ja, zie paragraaf 4.12
archeologie en cultuurhistorie) landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Landschappelijke kwaliteiten Kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied
§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
Nee, de projectlocatie ligt niet binnen of nabij de kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied
Ladder voor duurzame verstedelijking
§ 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking
Ja, zie paragraaf 4.2.
Nationale belangen binnen de § 5.1.6. Behoud van ruimte voor Nee, n.v.t. fysieke leefomgeving toekomstige functies; § 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten Aanwijzing woningbouwcategorieën
§ 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken
Nee, voor dit project is het niet nodig om regels te stellen over te realiseren categorieën woningen, omdat er geen woningen mogelijk worden gemaakt.
De provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels. In paragraaf 3.2.2 is de Omgevingsverordening van de provincie Fryslân behandeld en zijn de relevante instructieregels benoemd. Voor zover deze instructieregels betrekking hebben op een thema van de fysieke leefomgeving, wordt in hoofdstuk 5 aan deze instructieregels getoetst. Daarnaast zijn er thema's die vanuit het oogpunt van ETFAL relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Deze thema's komen terug in tabel 5.2. Tabel 5.2: Thema's in het kader van ETFAL Thema
Wettelijk kader
Gezondheid
§ 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's Ja, paragraaf 4.17. in het kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig.
Gezondheidsrisico's vanwege veehouderijen
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.
Nee, het projectgebied ligt niet nabij veehouderijen met een invloed op de gezondheidssituatie ter plaatse.
Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.
Nee, de projectlocatie ligt niet in de nabijheid van gronden waar (mogelijk) sprake is van een spuitzone
28
Relevant voor de ontwikkeling
Mobiliteit en parkeren
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.
Ja, zie paragraaf 4.15
Natuurbescherming NNN
Afdeling 7.3 van het Bal.
Nee, de projectlocatie ligt niet binnen Natuur Netwerk Nederland, zie paragraaf 4.6.3
Ecologie: gebiedsbescherming
Afdeling 11.1 van het Bal.
Ja, zie paragraaf 4.6.3
Ecologie: soortenbescherming
Afdeling 11.2 van het Bal.
Ja, zie paragraaf 4.6.2
Ecologie: houtopstanden
Afdeling 11.3 van het Bal.
Nee, er worden geen houtopstanden geveld.
Bezonning/ schaduwhinder (niet zijnde slagschaduw windturbines)
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.
Nee, de gebouwen die juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt betreffen geen hoogbouw.
Windhinder
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.
Nee, gezien de aard en omvang van het project is windhinder of windgevaar niet te verwachten
Lichthinder
In het kader van ETFAL wel in de belangenafweging betrokken.
Nee, binnen de projectlocatie worden geen activiteiten of bouwwerken mogelijk gemaakt met enige vorm van lichtuitstraling, anders dan reguliere straaten erfverlichting. Hinder van dergelijke activiteiten is niet te verwachten omdat deze niet in de omgeving voorkomen.
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.
Ja, paragraaf 4.16.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.2.1
Wettelijk kader
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
29
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan (het vigerende voormalig bestemmingsplan) is vertrekpunt in de beoordeling of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 4.2.2
Toetsing
Het plangebied sluit aan op het bestaande bedrijventerrein en heeft een oppervlakte van circa 2,1 hectare. De locatie is in het tijdelijk deel van het omgevingsplan onderdeel van het bestemmingsplan 'Kollum Dorp' en heeft daarin de bestemming 'Groen' op het zuidelijke deel en de bestemming 'Agrarisch met waarden – Open gebied' op het noordelijke deel. Locaties met een agrarische bestemming maken geen deel uit van het bestaand stedelijk gebied. Stedelijk groen maakt wel onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. In dit geval is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die deels buiten bestaand stedelijk gebied ligt. Daarom is er een onderbouwing van de behoefte beschreven en bijgevoegd in bijlage 1. Uit deze onderbouwing volgt dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein in Kollum voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en regionaal is afgestemd. 4.2.3
Conclusie
De ontwikkeling van het bedrijventerrein in Kollum voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en regionaal is afgestemd. Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect ladder voor duurzame verstedelijking.
4.3
Welstand
4.3.1
Wettelijk kader
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Hierbij kan gedacht worden aan de vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Heeft de gemeente geen welstandsnota en ook geen beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken? Dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De regel geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen. 4.3.2
Toetsing
In de 'Welstandsnota Noardeast-Fryslân' heeft de gemeente criteria opgesteld voor bouwplannen. De doelstelling van het welstandsbeleid is het veilig stellen van een basiskwaliteit van de gebouwde omgeving. Daar waar dit gewenst en mogelijk is, zal een verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving het doel zijn. In de welstandsnota zijn algemene criteria voor bouwplannen opgesteld. Het plangebied ligt binnen het welstandsgebied 9. Bedrijventerrein (regulier).
30
Met de gewenste ontwikkeling wordt het bedrijventerrein juridisch-planologisch geregeld door de wijziging van het omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân. Nadat de wijziging van het omgevingsplan vastgesteld is, zal elke bouwaanvraag binnen het plangebied te zijner tijd worden getoetst aan de locatiegebonden criteria uit de welstandsnota van de gemeente Noardeast-Fryslân. Verdere toetsing op welstand is derhalve niet nodig. 4.3.3 Conclusie Verdere toetsing op welstand is niet nodig. Na de wijziging van het omgevingsplan zal elke bouwaanvraag worden getoetst aan de criteria uit de 'Welstandsnota Noardeast-Fryslân'.
4.4
Mer-beoordeling
4.4.1 Wettelijk kader Onder de Omgevingswet geldt een plan-mer-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een mer-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn mer). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob). 4.4.2
Toetsing
De beoogde ontwikkeling bestaat uit het planologisch mogelijk maken van een bedrijventerrein voor bedrijven in de milieucategorieën 1 tot en met 3.1. De uitbreiding van een bedrijventerrein is in het Omgevingsbesluit, bijlage V onder categorie J10 opgenomen als industrieterrein. In het Omgevingsbesluit geldt voor de aanleg van industrieterrein geen directe mer-plicht bij het besluit wijziging omgevingsplan, maar wel een mer-beoordelingsplicht.
31
Op basis van het maximale planvoornemen, beschikbare milieugegevens en onderzoeken is een notitie opgesteld. Deze notitie is opgenomen in bijlage 2. Hieruit blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats en de kenmerken van de milieueffecten er geen aanleiding is voor het doorlopen van een volledige mer-procedure. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht worden. 4.4.3 Conclusie Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht worden. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een volledige mer-procedure.
4.5
Geur
4.5.1 Wettelijk kader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De algemene regels met betrekking tot geur zijn van toepassing op het toelaten: op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw; van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een (bestaande) activiteit, anders dan het wonen. In het Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. 4.5.2
Toetsing
Er worden geen nieuwe geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. De paardenhouderij aan de Willem Loréweg 18 bevindt zich op voldoende afstand van het plangebied om eventuele geurhinder te voorkomen. Het aspect geur vormt zodoende geen belemmering voor het project. 4.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
32
4.6
Ecologie
4.6.1 Algemeen De Wet natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat in een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en een aantal strikte verboden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten (soortenbescherming). Daarnaast bevat het Bal specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels (gebiedsbescherming). Ook bevat het Bal enkele bepalingen over de jacht en houtopstanden. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora en fauna- activiteit te verrichten (art. 5.1, lid 2, onder g Ow). Op grond van paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Bal moet worden beoordeeld of een bouwplan van invloed is op de in het gebied aanwezige flora en fauna.
4.6.2 Ecologie: soortenbescherming 4.6.2.1 Wettelijk kader Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. In de Omgevingswet is geregeld dat in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk zijn. 4.6.2.2 Toetsing In het kader van het wijzigen van het omgevingsplan is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het volledige onderzoek is te raadplegen in bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat het planvoornemen zonder bezwaren doorgang kan vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: Broedvogels: werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli). Vleermuizen: vermijd extra uitstraling van kunstlicht tussen zonsondergang en zonsopkomst in de richting van de Dwarsryd tijdens en na de werkzaamheden Hermelijn, wezel & bunzing: nader onderzoek of vergunningaanvraag. Zorgplicht: naleven van de specifieke zorgplicht(en). Weidevogelkansgebied: informeren bij provincie Fryslân.
(zie ook 3.2.2) AERIUS-berekening: zie paragraaf 4.6.3
33
Vervolgstappen Voor wat betreft de Hermelijn, wezel en bunzing zijn wel vervolgstappen benodigd voor de voortgang van het planvoornemen. Voor wat betreft deze soorten kan worden gekozen voor een tweetal vervolgtrajecten. Enerzijds het uitvoeren van nader onderzoek, anderzijds het aanvragen van een vergunning voor een flora en fauna-activiteit. Het plangebied is daarnaast onderdeel van een weidevogelkansgebied, zoals eerder gesignaleerd in 1.3 en uitgewerkt in 3.2.2. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt, is het niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van effecten op beschermde planten- en diersoorten. Het aspect ecologie soortenbescherming vormt, mits bovenstaande in acht wordt genomen, geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.6.2.3 Conclusie Het planvoornemen is onderzocht op het aspect ecologie vanuit soortenbescherming. Mits bovenstaande vervolgstappen in acht worden genomen zijn er vanuit dit aspect geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.6.3
Ecologie: gebiedsbescherming
4.6.3.1 Wettelijk kader De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. 4.6.3.2 Toetsing Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt zowel binnen als buiten bestaand stedelijk gebied en maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden. Figuur 5.1 toont het plangebied en de omliggende NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op een afstand van circa 300 meter van het plangebied. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied bevat ook een oostelijke uitbreiding van de bestaande groenstructuur ten noordwesten van het plangebied. Hierdoor wordt er extra natuur toegevoegd aan het plangebied.
Vanuit NNN zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijventerrein in Kollum.
34
Figuur 5.1
Overzicht Natuurnetwerk Nederland(bron: Provincie Fryslân)
Stikstof De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten betreft 'Waddenzee', gelegen op circa 12,5 kilometer. Voor de ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Met het rekenmodel Aerius (versie 2024.1.3) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatiefase en gebruiksfase beschouwd. Het stikstofonderzoek, inclusief AERIUS-berekening, is opgenomen in bijlage 4. Uit de berekeningen met Aerius Calculator (versie 2024.1.3) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten (inclusief op de ‘hexagonen met hersteldoelen’). De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet. Er zijn qua stikstof geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.6.3.3 Weidevogels Het plangebied ligt in het door de provincie aangewezen weidevogelkansengebied dat bedoeld is ter bescherming van weidevogels. Provincie Fryslân geeft aan dat dit gebied echter al is verstoord, waardoor de ontwikkeling van die gebied geen consequenties heeft voor weidevogels.
Er is dus ook geen sprake van een financiële compensatie ten behoeve van het weidevogelfonds. 4.6.3.4 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is getoetst op het aspect ecologie: gebiedsbescherming. Voor zowel Natuurnetwerk Nederland als voor stikstof zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Hieruit volgt dat er ook geen belemmeringen zijn vanuit het aspect ecologie: soortenbescherming.
35
4.6.4
Conclusie
Er is aangetoond dat er geen significante negatieve effecten op Natura-2000 optreden door de ontwikkeling van het voorgenomen plan. Ook is er geen sprake van versnippering van bestaande NNN-gebieden. Er zijn vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijventerrein in Kollum.
4.7
Bodem
4.7.1 Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Een bodemgevoelig gebouw is: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. een woonschip of woonwagen. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten opgenomen in het Bal, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico 4.7.2
Toetsing
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Bedrijven worden als bodemgevoelig gebouw aangemerkt. Er is een bodem(water)onderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat de bodem van voldoende kwaliteit is om de toekomstige bodemgevoelige gebouwen toe te staan. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 5. Op basis van de onderzoeksresultaten kan bepaald worden of de milieuhygiënische bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de voorgenomen plannen. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2023 (Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek) en NEN 5740:2023 (Bodem - Landbodem Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond). Op basis van het onderzoek is uit één van de boormonsters een verhoogd gehalte molybdeen aantroffen in het grondwater. De concentratie is echter dusdanig laag dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Voor het gehele onderzoek geldt dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt er geen belemmeringen zijn voor de ontwikkelingsplannen van het bedrijventerrein. 4.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Nader onderzoek of het opstellen van extra regel is niet nodig.
36
4.8
Geluid door activiteiten
4.8.1
Wettelijk kader
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. De instructieregels in het Bkl (en de bruidsschat) bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. In praktijk gaat het hier om milieubelastende activiteiten. Daarbij kan zowel het geluid van een (nieuwe) milieubelastende activiteit op z'n omgeving van belang zijn, als het geluid van (bestaande) milieubelastende activiteiten op een (nieuw) geluidgevoelig gebouw. Het geluid van activiteiten vanuit het plangebied op nieuwe geluidgevoelige gebouwen moet worden beoordeeld in het kader van een evenwichtige toedeling en mogelijke belemmeringen voor die activiteiten. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. 4.8.2 Toetsing Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Binnen het plangebied worden bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 mogelijk gemaakt zoals benoemd in de bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
De instructieregels voor geluid door activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 Bkl) zijn van toepassing, omdat er met de wijziging van het omgevingsplan activiteiten worden toegestaan die geluid veroorzaken op bestaande geluidgevoelige gebouwen, in concreto gaat het daarbij om de bedrijfswoning aan de Willem Loréweg 18. Beoordeeld moet worden of het geluid op deze bedrijfswoning, veroorzaakt door de toekomstige activiteiten op het voorgenomen nieuwe bedrijventerrein, aanvaardbaar zijn. Op basis van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit bijlage 1 van de regels volgt dat er een afstand moet gelden van minimaal 50 meter tussen geluidgevoelige woningen en bedrijven tot en met de milieucategorie 3.1. De afstand van de grens van het plangebied tot de gevel van het geluidgevoelige gebouw op de Willem Loréweg 18 bedraagt ten alle tijden meer dan 50 meter. Er kan dus worden voldaan aan de minimumafstand. Hieruit volgt dat het geluidgevoelige gebouw de toekomstige bedrijven niet inperkt in hun gebruiksruimte qua geluid. Vanuit het aspect geluid door activiteiten worden derhalve geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan. 4.8.3
Conclusie
Vanuit het aspect geluid door activiteiten worden er geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan.
4.9
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
4.9.1 Wettelijk kader Bij de realisatie van een geluidgevoelig gebouw moet worden getoetst of het geluid van wegverkeer aanvaardbaar is. Het geluid is in ieder geval aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens artikel 5.78t van het Bkl. Hierin is aangegeven dat de standaardwaarde voor een geluidgevoelig gebouw Lden = 53 Lden is bij gemeentewegen (zie ook figuur 5.2).
37
Figuur 5.2: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort (bron: Rho Adviseurs) 4.9.2
Toetsing
Door de voorgenomen ontwikkeling worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt niet in een geluidsaandachtsgebied voor wegen, spoorwegen of industrieterreinen. Bovendien wordt op voorhand verwacht dat de extra verkeersgeneratie niet leidt tot een te hoge geluidsbelasting op de omliggende geluidgevoelige gebouwen (bedrijfswoning Willem Loréweg 18). Derhalve hoeft er niet getoetst te worden aan geluid door wegen, spoorwegen of industrieterreinen en worden er voor dit aspect geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9.3
Conclusie
Er worden geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Voor het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen worden geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10 Water 4.10.1 Wettelijk kader Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij moet het verantwoordelijke Waterschap Wetterskip Fryslân worden betrokken. Het waterschap is verantwoordelijk voor waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij ontwikkelingen moet 'weging van het waterbelang' plaatsvinden. De 'weging van het waterbelang' heeft met ingang van de Omgevingswet de watertoets vervangen. De digitale watertoets wordt nog wel gebruikt. De 'weging van het waterbelang' zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke projecten in een vroeg stadium aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit en kwantiteit van het water. Gezien het belang van het water wordt het wateraspect ook sturender bij ontwikkelingen.
38
4.10.2 Toetsing Voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein is een digitale watertoets uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 8. Daaruit blijkt dat de normale procedure moet worden gevolgd. Dit houdt in dat de aanwezige wateraspecten van invloed zijn op het plan. Voor de normale procedure verstrekt het waterschap standaard een wateradvies. Dit wateradvies geeft handvatten om de uitkomsten en aandachtspunten van de watertoetsaanvraag mee te nemen in het opstellen van het ruimtelijke plan of besluit. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan 'veiligheid', 'kwaliteit' én 'kwantiteit' van water. Daarnaast wordt voor enkele specifieke onderdelen een advies gegeven namelijk: Advies aanbrengen toename verharding Advies hoofdwater Advies Europese Kaderrichtlijn Water (krw) Advies dempen en graven van oppervlaktewater Advies rioolwaterpersleiding Advies Vrij voor boezem Er is op 25 april 2025 een aanvraag gedaan voor bovenstaande onderdelen bij het waterschap na het ontvangen van de watertoets. Daarnaast is een aanvraag gedaan voor een watervergunning, welk op 8 december 2025 is verleend. De watervergunning is volledigheidshalve opgenomen in bijlage 6.