Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan Hantum - Titus Conradistrjitte-Smidstrjitte (vaststelling)
Tekst van het document
bestemmingsplan
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Hantum - Titus ConradistrjitteSmidstrjitte Noardeast-Fryslân
DATUM IMRO IDN
05-03-2026 NL.IMRO.1970.TAMopHtSmidstrj-VA01
PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20241132
AUTEUR STATUS
vastgesteld
Inhoudsopgave
Motivering
6
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Planologische regeling
8
1.4
Leeswijzer
9
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
10
2.1
Huidige situatie
10
2.2
Toekomstige situatie
10
Participatie, vooroverleg en inspraak
13
3.1
Participatie
13
3.2
Vooroverleg
13
3.3
Inspraak
14
Hoofdstuk 4
Beleidskader
15
4.1
Rijksbeleid
15
4.2
Provinciaal beleid
16
4.3
Waterschapsbeleid
18
4.4
Gemeentelijk beleid
20
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
23
5.1
Inleiding
23
5.2
M.e.r. verantwoording
23
5.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
24
5.4
Omgevingskwaliteit
25
5.5
Mobiliteit en parkeren
26
5.6
Natuur: soortenbescherming
27
5.7
Natuur: gebiedsbescherming
28
5.8
Luchtkwaliteit
29
5.9
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
30
5.10
Geluid door activiteiten
31
5.11
Geur
32
5.12
Omgevingsveiligheid
33
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 5
3/286
5.13
Trillingen
34
5.14
Schaduwhinder en windhinder
35
5.15
Cultureel erfgoed
35
5.16
Bodem
36
5.17
Water
38
5.18
Duurzaamheid
40
5.19
Gezondheid
41
Juridische vormgeving
42
6.1
Toepassingsbereik
42
6.2
Begrippen
42
6.3
Algemeen verbod
42
6.4
Functies en activiteiten
42
6.5
Algemene regels
43
6.6
Overgangsregels
44
Hoofdstuk 7
Financiële haalbaarheid
45
7.1
Financiële uitvoerbaarheid
45
7.2
Kostenverhaal
45
7.3
Nadeelcompensatie
45
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
46
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 8 Bijlagen motivering
47
Bijlage 1
Stedenbouwkundig ontwerp
49
Bijlage 2
Beeldkwaliteitsplan
51
Bijlage 3
Inpassing groen
55
Bijlage 4
Verslag inloopbijeenkomst 15-4 2025
57
Bijlage 5
Vooroverlegreacties
61
Bijlage 6
Ecologische quick scan
73
Bijlage 7
Stikstofonderzoek
97
Bijlage 8
Bodemonderzoek
115
Bijlage 9
Aanvraag digitale watertoets
209
Bijlage 10
Berekening watercompensatie
219
Bijlage 11
Archeologisch onderzoek
223
4/286
Bijlage 12
Vooroverlegreactie Wetterskip Fryslân
Regels Hoofdstuk 1
260 Inleidende regels
261
Artikel 1
Begrippen
261
Artikel 2
Meet- en rekenbepalingen
264
Artikel 3
Toepassingsbereik
265
Artikel 4
Algemeen verbod
266
Regels voor functies en activiteiten
267
Artikel 5
Agrarisch - Cultuurgrond
267
Artikel 6
Groen
268
Artikel 7
Verkeer
269
Artikel 8
Water
270
Artikel 9
Wonen
271
Algemene regels
273
Anti-dubbeltelregel
273
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3 Artikel 10
Artikel 11 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
274
Artikel 12
Algemene bouwregels
275
Artikel 13
Overige regels
277
Overgangsregels
278
Overgangsrecht
278
Hoofdstuk 4 Artikel 14
Bijlagen regels Bijlage 1 Verbeelding
5/286
253
279 Lijst met kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
281 285
Motivering
6/286
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het voornemen bestaat om aan de noordzijde van Hantum (gemeente Noardeast-Fryslân) , op een perceel ten noorden van de Smidstrjitte, negen tot 12 woningen te ontwikkelen. Het perceel is momenteel in gebruik als grasland. Het westelijk deel van het perceel zal worden ingevuld met woningbouw. Het plan kent enige flexibiliteit qua uiteindelijke invulling: er kunnen zowel rijenwoningen als twee- onder een kap en vrijstaande woningen worden gebouwd. De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de bestaande juridisch-planologische kaders. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Onderhavig plan voorziet hierin. Voor de wijziging van het omgevingsplan wordt gebruik maken van de techniek TAM-IMRO. Dit betekent dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wro tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. De techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Om het omgevingsplan volgens TAM-IMRO te kunnen opstellen, moet het ontwerp-omgevingsplan voor 1 januari 2026 door de gemeente ter inzage worden gelegd. Na deze datum vervalt de mogelijkheid om een TAM-IMRO omgevingsplan in procedure te brengen.
1.2
Ligging plangebied
De locatie is gelegen ten noorden van de Smidstrjitte in Hantum, aan de noordzijde van het dorp. Het betreft het kadastraal perceel 722 F. Bijgaande figuur geeft de ligging van het plangebied weer. In de bestaande situatie bestaat het plangebied uit een agrarisch stuk grond dat grenst aan bebouwing van de kern Hantum. Het plangebied is momenteel volledig onbebouwd. Begrenzing plangebied De uitbreiding vindt plaats op een grasland aan de rand van het dorp. Een enkele straat met parkeerplaatsen ontsluit de woningen en sluit aan op de Smidstrjitte. De uitbreiding loopt tot aan een dwarssloot van de Ternaarder Feart en blijft op afstand van deze vaart. Vooralsnog zal de oostzijde landschappelijk worden 'afgehecht' waardoor er een landschappelijke rand tussen dorp en het open agrarische land ontstaat. De noordzijde ligt aan water en bestaat uit een oever met bomen en eventueel steigers. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Smidstrjitte, aan de oostzijde door de Ternaarder Feart, aan de noordzijde door een sloot die is verbonden met de Ternaarder Feart en aan de westzijde door woningbouwpercelen aan de Titus Conradistrjitte en de Smidstrjitte.
7/286
figuur: ligging plangebied
1.3
Planologische regeling
De planologische mogelijkheden van het perceel zijn geregeld in het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân. De regels uit het bestemmingsplan ‘Doarpen’, onherroepelijk geworden op 25 juni 2010, zijn van toepassing. Het perceel heeft de bestemming 'Agrarisch-Cultuurgrond'. De gronden zijn bestemd voor cultuurgrond en er is geen bouwvlak opgenomen. In het westelijk deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol en/ of cultuurhistorisch waardevol gebied’. In bijgaand figuur is een uitsnede uit het bestemmingsplan ‘Doarpen’ opgenomen. Strijdigheid met het omgevingsplan Woningbouw is op grond van het omgevingsplan niet mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met het vigerende omgevingsplan omdat de functie wonen niet is toegestaan en er op het perceel geen bouwmogelijkheden zijn. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, moet voor het plangebied het planologisch kader worden gewijzigd via een wijziging van het omgevingsplan.
8/286
Figuur: Uitsnede bestemmingsplan Doarpen (bron: Regels op de Kaart)
1.4
Leeswijzer
De opbouw van de motivering is als volgt: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op hoe participatie en het vooroverleg hebben plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen bij het ontwerp van de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt de ontwikkeling getoetst aan het relevante beleid. In hoofdstuk 5 wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 wordt de juridische vormgeving van dit TAM omgevingsplan toegelicht. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 beoordeeld of er bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
9/286
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
In de bestaande situatie bestaat het plangebied uit een agrarisch stuk grond dat grenst aan bebouwing van de kern Hantum. Het plangebied is momenteel volledig onbebouwd en in gebruik als grasland. In bijgaande figuur is een luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied en de directe omgeving weergegeven.
Figuur : Luchtfoto huidige situatie projectgebied (bron: basisviewer Rho)
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1 Ontwikkeling De uitbreiding vindt plaats op een perceel grasland aan de rand van het dorp. Een enkele straat met parkeerplaatsen ontsluit de woningen en sluit aan op de Smidstrjitte. De uitbreiding loopt tot aan een dwarssloot van de Ternaarder Feart en blijft op afstand van deze vaart. Vooralsnog zal de oostzijde landschappelijk worden afgehecht waardoor er een landschappelijke rand tussen dorp en het open agrarische land ontstaat. De noordzijde ligt aan water en bestaat uit een oever met bomen en eventueel steigers. Het ontwerp voor de woningbouwlocatie is opgenomen in onderstaand figuur en als bijlage 1.
10/286
De wens bestaat om het plangebied wat flexibel in te richten qua hoeveelheid en type woningen. Het stedenbouwkundig ontwerp is met het oog op deze gewenste flexibiliteit als volgt vertaald in regels en kaart: Ter plaatse van kavel 1 t/m 4 is één bouwvlak opgenomen waarbinnen maximaal 6 woningen kunnen worden gebouwd. Hier kunnen vrijstaande woningen, twee-onder-eenkapwoningen en/of rijwoningen worden gebouwd. Ter plaatse van kavel 7 t/m 9 is eveneens één bouwvlak opgenomen. Hier kunnen maximaal 4 woningen (vrijstaand en/of twee-onder-een kap) worden gebouwd. Op kavel 5 en 6 komen twee vrijstaande woningen. Daarvoor is één bouwvlak opgenomen. Op deze wijze kunnen er binnen het plangebied zowel rijwonigen als twee- onder een kap en vrijstaande woningen worden gebouwd.
Figuur: uitbreidingsplan Hantum , concept d.d. 07-05 2025 2.2.2 Ruimtelijke kwaliteit Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 2). Het beeldkwaliteitsplan beschrijft de gewenste beeldkwaliteit van de bebouwing en de buitenruimte en bevat toetsbare criteria. Het is een verbindend element tussen landschap, architectuur en stedenbouw. Het plan geeft aanbevelingen en richtlijnen voor de vormgeving van bebouwing en de inrichting van de ruimte. In het plan worden concrete regels gegeven waar de inrichting van de openbare ruimte en bouwwerken zichtbaar vanuit de openbare ruimte aan moeten voldoen. Het doel is om de nieuwbouw goed te laten aansluiten bij het dorpse karakter en de kwaliteiten van Hantum. De architectuur van de woningen en de inrichting van de openbare ruimte sluit aan op het voorkomen van de meer noordelijk gelegen Conradistrjitte. Aan de westzijde van de ontsluitingsweg liggen geschakelde woningen, de noord- en oostzijde bestaat uit vrijstaande woningen. Het betreft een redelijke traditionele bouwwijze van één laag met kap. Kapvormen zijn beperkt tot zadel- schild of mansardekap, eventueel afgeknot of met wolfseinden. Nokrichting van de vrijstaande huizen zijn haaks of gelijk aan de openbare weg. De geschakelde
11/286
woningen hebben nokken gelijk aan de openbare weg, i.e. parallel. Er is geen vaste voorgevelrooilijn maar minstens 60% van de voorgevel dient parallel te zijn aan de straat. Het plan kent enige flexibiliteit qua uiteindelijke invulling: er kunnen zowel rijwoningen als twee- onder een kap en vrijstaande woningen worden gebouwd. De woningen zijn gericht op de openbare weg en kennen een kantige opzet, refererend naar traditionele bouw. Aan- en bijgebouwen zijn duidelijk op afstand van de voorgevel. Erkers zijn mogelijk maar ondergeschikt. Woningen zijn hoofdzakelijk opgetrokken uit baksteen in metselwerkverband. Minstens 60% van de voorgevel is parallel aan de straat. De woonhuizen liggen achter een groen ingerichte voortuin. Erfscheidingen voor de voorgevel bestaan hoofdzakelijk uit plantgoed en zijn lager dan één meter. Door de openheid van het aangrenzende open landschap te respecteren zijn de erfafscheidingen aan de oostzijde van het plangebied niet hoger dan 1 meter. 2.2.3 Landschappelijke inpassing Vanwege de ligging buiten bestaand stedelijk gebied en aan de rand van het dorp Hantum, is het belangrijk dat de woningbouwontwikkeling goed landschappelijk wordt ingepast. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 3) dat aansluit op het stedenbouwkundig ontwerp en het beeldkwaliteitsplan.
De groenstrook aan de noord- en oostzijde is beeldbepalend voor het aangrenzende landschap. Deze groenstrook bestaat uit bomen die op de uit te geven gronden worden geplant. Borging van de groenstrook is gelegen in de bestemming 'Groen' ter plaatse van deze strook, de voorwaardelijke verplichting welke is opgenomen in artikel13.2 van de regels en de overeenkomst met de eigenaren van de nieuw te bouwen woningen.
12/286
Hoofdstuk 3 3.1
Participatie, vooroverleg en inspraak
Participatie
Algemeen Bij het maken van plannen is het betrekken van de omgeving van groot belang. Zo komt de initiatiefnemer er achter wat anderen van de plannen vinden. De plannen kunnen ook nog worden aangepast als dat nodig is. Het geeft draagvlak en begrip bij anderen en het voorkomt vaak dat later bezwaar wordt gemaakt. In artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit is bepaald dat de gemeente in het vaststellingsbesluit van het omgevingsplan moet motiveren hoe er participatie heeft plaatsgevonden. Inloopbijeenkomst Op 15 april heeft een inloopbijeenkomst plaatsgevonden. Het verslag van de inloopbijeenkomst is opgenomen als bijlage 4. Verder hebben er drie gesprekken plaatsgevonden met omwonenden. Aan de hand van deze gesprekken en de input die is aangeleverd tijdens de inloopbijeenkomst is het plan nog aangepast. De verwachting is dat het voorliggende plan goed aansluit bij de verwachtingen van het dorp en dat de omwonenden zich er ook in kunnen vinden ondanks de bezwaren in verband met uitzicht en privacy.
3.2
Vooroverleg
Onder de Omgevingswet is informeel vooroverleg over plannen mogelijk. Het vooroverleg voor BOPA's en wijzigingen van het omgevingsplan is in de Omgevingswet juridisch niet geregeld. Het vooroverleg is vormvrij. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium met elkaar op te trekken kunnen knelpunten in een vroeg stadium worden gesignaleerd. De gemeente Noardeast-Fryslân zal haar vaste overlegpartners in het kader van het vooroverleg op de hoogte brengen van de beoogde ontwikkeling. De gemeente zal de ketenpartners verzoeken aan te geven of er specifieke aandachtspunten aan de orde zijn waarmee rekening dient te worden gehouden bij de planontwikkeling. Met het Wetterskip is al uitgebreid vooroverleg geweest. De resultaten hiervan zijn verwerkt in paragraaf 5.17. Het ontwerpplan heeft van 24 juli t/m 3 september 2025 ter inzage gelegen voor de overlegpartners. Van de ketenpartners Brandweer, Provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân zijn overlegreacties ontvangen, welke in bijlage 5 zijn opgenomen. De overlegreacties van Provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân zijn verwerkt in de motivering. Met het advies van Brandweer Fryslân wordt als volgt omgegaan: Brandweer Fryslân adviseert om te borgen dat de nieuwe weg voldoet aan de eisen genoemd in paragraaf 3.3 in de bijlage met de toelichting op het advies van Brandweer Fryslân.
In het plangebied wordt een weg aangelegd die voldoet aan de eisen van de Brandweer. De weg heeft minimaal 4,5 meter vrije breedte, heeft minimaal 4,2 meter vrije ruimte in de hoogte en is in de breedte minimaal 3,25 meter verhard. De weg is berekend op een totaalgewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton. De weg is ontworpen voor twee richtingsverkeer met een breedte van 5 meter. Bij de dimensionering van de constructie is rekening gehouden met de maximaal toelaatbare as-lasten. Daarmee voldoet de weg aan de door de brandweer
13/286
gestelde eisen. Brandweer Fryslân adviseert om een keermogelijkheid te borgen welke voldoet aan de eisen genoemd in paragraaf 3.3 in de bijlage met de toelichting op het advies van Brandweer Fryslân. Indien er geen keermogelijkheid is dient de weg voor minimaal 5 meter verhard te zijn. De weg wordt voldoende breed. Bij de T-splitsing is een keermogelijkheid. De vuilnisauto moet hier ook keren. Brandweer Fryslân adviseert om een brandkraan aan te leggen met een minimale capaciteit van 500 l/min op een maximale afstand van 100 meter van elke woning. Tussen kavel 2 en 3 wordt een brandkraan aangelegd. Hierover is contact gezocht met Vitens. Vitens neemt dit mee.
3.3
Inspraak
Het ontwerpplan heeft van 24 juli t/m 3 september 2025 ter inzage gelegen voor inspraak. Er zijn geen inspraakreacties ontvangen. Het ontwerpbesluit om het omgevingsplan te wijzigen heeft van 11 december 2025 tot en met 21 januari 2026 ter inzage gelegen. Provincie Fryslân heeft een zienswijze ingediend vanwege het ontbreken van een nadere uitwerking en borging van de inrichting van de openbare ruimte, de groenzone langs het water als ook de beplantingsrand aan de oostzijde. Op basis hiervan is paragraaf 2.2.3 opgenomen waarin de landschappelijke inpassing wordt toegelicht. De landschappelijke inpassing is in de regels geborgd.
14/286
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we ‘nationale belangen’. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voorbeelden van nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. Zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. Verbeteren en beschermen van biodiversiteit.
Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Beoordeling Met voorliggend plan wordt een bijdrage geleverd aan de grote woningbehoefte die bestaat. Binnen Bestaand stedelijk gebied (BSG) zijn er geen gronden beschikbaar die de voorliggende ontwikkeling kunnen faciliteren. De realisatie aansluitend aan BSG wordt vormgegeven op een wijze dat het aangrenzende landschap beleefbaar blijft. Er zijn bovendien geen bijzondere landschappelijke kwaliteiten aanwezig waaraan afbreuk wordt gedaan met voorliggend initiatief. Geconcludeerd wordt dat het plan in lijn is met de doelen en ambities uit de NOVI. Conclusie rijksbeleid De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI.
De ontwikkeling draagt bij aan de opgave om steden en regio's sterker en leefbaarder te maken. De ontwikkeling is niet in strijd met het gestelde in het rijksbeleid.
15/286
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Omgevingsprogramma Erf-Goed 2025-2028 Het omgevingsprogramma richt zich op de uitwerking en uitvoering van het erfgoedbeleid dat voor de provincie Fryslân is vastgelegd in de nu geldende omgevingsvisie De Romte diele. In de omgevingsvisie is aangegeven dat de onderwerpen van het Friese erfgoed de volgende zijn: a. gebouwd erfgoed, zoals rijksmonumenten, karakteristieke bouwwerken, stads- en dorpsgezichten; b. archeologisch erfgoed; c. cultuurlandschappelijk en groen erfgoed. 4.2.2 Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân - De romte diele vastgesteld waarin de ambitie voor de provincie voor 2030-2050 is uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met 9 principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het ja, mits principe, aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud. Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken: 1. Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; 2. Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; 3. Fryslân wordt klimaat-adaptief ingericht; 4. Fryslân versterkt de biodiversiteit.
Als uitgangspunt geldt dat veranderingen niet tegen moeten worden gehouden, maar dat ambities worden gerealiseerd door gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten. Beoordeling Het plangebied vormt een overgang tussen het landelijk gebied en de bestaande bebouwing van het dorp. Met de inrichting van het plangebied wordt hierop ingespeeld. Hierdoor past de planontwikkeling binnen het principe van omgevingskwaliteit als ontwerpbasis. Conclusie De mogelijkheden die in deze wijziging van het omgevingsplan worden geboden passen binnen het beleid van de provinciale omgevingsvisie. 4.2.3 Omgevingsverordening Provincie Fryslân Op 8 februari 2024 is de Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De denklijn van het principe van ‘ja, mits’ en ‘decentraal wat kan’ zijn in de verordening verder doorgetrokken. Minder dan voorheen worden vooraf harde grenzen vastgelegd. Vanuit meer kwalitatieve kaders worden
16/286
mogelijkheden gegeven voor ontwikkeling, met waarborgen voor andere belangen en waarden. Van belang daarbij is het volgende: de ruimtelijke inrichting en ordening van de fysieke leefomgeving kent twee kanten: bescherming (van waarden) enerzijds en ontwikkeling anderzijds. Die twee moeten in een evenwichtige verhouding staan. Ook is het van belang om te onderkennen dat er verschil in belangen kan bestaan. De initiatiefnemer heeft altijd een ‘buurman’ of omgeving die te maken krijgt met de effecten van een ontwikkeling. De Omgevingswet vraagt expliciet om betrokkenheid van die omgeving. De ‘mits’ van ’ja, mits’ dient ook invulling te worden gegeven met behulp van participatie. Beoordeling De volgende artikelen zijn van toepassing op de woningbouwontwikkeling in Hantum: Artikel 2.2 Dit artikel stelt dat een ruimtelijk inrichtingsplan moet worden opgesteld met behulp van een omgevingstafel wanneer een nieuwe activiteit buiten BSG aanzienlijke effecten op de omgevingskwaliteiten heeft. In voorliggend geval is er geen sprake van aanzienlijke effecten op omgevingskwaliteiten. Evenwel zijn een beeldkwaliteitsplan en een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarin de bestaande kwaliteit van het plangebied en de directe omgeving als uitgangspunt zijn genomen.
Artikel 2.3 Een omgevingsvergunning, die voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat voor die functies een onderbouwing van het principe van zuinig en meervoudig ruimtegebruik, waaruit tenminste blijkt: a. dat de nieuwe functie voorziet in een behoefte; b. dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van een bestaand bouwperceel, en c. dat de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en indien mogelijk worden benut. In het geval een nieuwe stedelijke functie wordt toegedeeld buiten het bestaand stedelijk gebied, moet worden onderbouwd waarom die functie redelijkerwijs niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. De ontwikkeling wordt gerealiseerd buiten bestaand stedelijk gebied. Binnen de grenzen van het dorp Hantum bevinden zich geen geschikte locaties om aan de gewenste woningbouwbehoefte te voldoen. In paragraaf 5.3 wordt dieper ingegaan op de behoefte die bestaat (toets aan de Ladder van duurzame verstedelijking).
Artikel 2.4 Een afwijking van het omgevingsplan dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat voor die functies een onderbouwing van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen. Het voorliggende initiatief sluit aan op de noord-oostelijke bebouwingsrand van het dorp Hantum en vormt daarmee een logische locatie voor een uitbreiding met woningbouw. De leefbaarheid van het dorp wordt door het
17/286
toevoegen van de woningen vergroot. Door het ontwerp van de uitbreiding blijft de impact op het landschap beperkt. De woningen worden duurzaam gebouwd. Artikel 2.6 Bij een afwijking van een omgevingsplan mogen op gronden buiten het bestaand stedelijk gebied nieuwe bouwen gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies, indien deze aansluiten op het bestaand stedelijk gebied en wat betreft aard en schaal passen bij de stad of het dorp. In voorliggend geval is hiervan sprake. De uitbreiding voorziet in de bouw van 9 tot 12 woningen. Dit sluit qua omvang aan op de schaal van het dorp Hantum. Ook de aard van de voorgenomen bebouwing (twee onder één kap, vrijstaand dan wel rijenwoningen) is passend voor een dorp als Hantum. De uitbreiding sluit qua omvang en typologie aan op de bestaande woningbouw aangrenzend aan het plangebied. Bovendien wordt de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd door middel van een beeldkwaliteitsplan en een landschappelijk inpassingsplan, zodat een zorgvuldige landschappelijke afronding ontstaat. In het beeldkwaliteitsplan is de bestaande kwaliteit van het plangebied en de directe omgeving als uitgangspunt genomen. Het landschappelijk inpassingsplan is met dit plan juridisch geborgd. De motivering van dit omgevingsplan beschrijft de gewenste situatie en gaat in op de milieu- en omgevingsaspecten.
Hieruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit van de dorpsuitbreiding is gewaarborgd. Artikel 2.7 Programmering woningbouw In dit artikel is aangegeven dat een ruimtelijk plan nieuwe woningen kan bevatten, wanneer deze passen binnen de regionale woningbouwafspraken. In afwijking hiervan kan een omgevingsplan woningen bevatten overeenkomstig bilaterale woningbouwafspraken, vooruitlopend op de eerstvolgende herijking van de regionale woningbouwafspraken. In de meest recente woondeal is het totaal aantal te realiseren woningen gesteld op minimaal 1425 woningen. Het voorliggende plan van Hantum is hierin meegenomen, daarnaast is het als sleutelproject opgenomen omdat er een WBI-subsidie uit het rijk op het plan is toegekend. Ook blijkt uit het meest recente woonbehoefteonderzoek dat er een vraag is van de toevoeging van 15 woningen, in verschillende prijsklassen en voor verschillende doelgroepen (jongeren, gezinnen, ouderen zonder zorgvraag). Voor al deze groepen, buiten de sociale huur, is voorzien in het voorliggende plan. Naast de cijfermatige onderbouwing en de regionale afspraken, is het plan ook opgesteld in samenspraak met het dorp. Conclusie De mogelijkheden die in deze wijziging van het omgevingsplan worden geboden passen binnen de regels van de omgevingsverordening Provincie Fryslân.
4.3
Waterschapsbeleid
Wetterskip Fryslân is verantwoordelijk voor de veiligheid (sterke dijken), het bewaken van de waterkwaliteit, een goed waterpeil, voldoende water en het zuiveren van afvalwater. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatverandering. Het beheersgebied is de provincie Fryslân en een deel van het Groninger Westerkwartier. In 2023 heeft het Wetterskip de toekomstvisie vastgesteld. De visie geeft inhoud voor het Fries Programma
18/286
Landelijk Gebied en de Provinciale Omgevingsvisie. Voor het ontwikkelen van beleid en plannen over water, bodem en ruimte is de visie de basis. Wetterskip Fryslân gebruikt de visie ook om bestaande plannen, zoals het Waterbeheerprogramma 2022-2027, te herzien. Dit Waterbeheerprogramma 2022-2027 is nu nog het geldende plan en geeft inzicht in de maatregelen en ruimtelijke keuzes om onder meer klimaatverandering op te kunnen vangen. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 geeft Wetterskip Fryslân aan hoe zij het watersysteem inricht om te zorgen voor schoon en voldoende water en veiligheid achter de dijken. Het waterbeheerprogramma is een doorvertaling van de provinciale omgevingsvisie en het bijbehorend regionaal waterprogramma (RWP). Het waterbeheerprogramma bestaat enerzijds uit het regulier beheer op basis van de drie kernthema's 'waterveiligheid', 'voldoende water' en 'schoon water' en anderzijds uit de uitdagingen met de daar bijbehorende opgaven zoals de verandering van het klimaat, de verstoring van de ecologie en de veranderende relatie tussen overheid en samenleving. Dit programma is in samenwerking met de Provincie Fryslân opgesteld. De provincie is verantwoordelijk voor het Regionaal Waterprogramma 2022/2027 dat het kader is voor het waterbeheerprogramma. Het Regionaal Waterprogramma 2022/2027 is op 30 november 2022 vastgesteld door Provinciale Staten.
In dit programma legt de provincie het beleid voor waterbeheer vast voor de planperiode. In de omgevingsverordening Fryslân zijn regels opgenomen die gaan over veiligheid en water. Het hoofddoel is dat de provincie Fryslân in 2050 zoveel mogelijk waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. In het Waterprogramma zijn de doelen in programmalijnen opgenomen voor klimaatadaptatie, waterveiligheid, voldoende water en waterkwaliteit. De uitwerking vindt plaats door de waterschappen. De waterschapsverordening Wetterskip Fryslân bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het Wetterskip stelt binnen haar beheersgebied. Wetterskip Fryslân heeft ervoor gekozen om met de inwerkingtreding van de Omgevingswet beleidsluw over te gaan. Dit houdt in dat de waterschapsverordening qua vorm en opzet volledig voldoet aan de uitgangspunten van de Omgevingswet. In de Omgevingsverordening provincie Fryslân zijn in hoofdstuk 3 de instructieregels met betrekking tot water opgenomen. In paragraaf 5.17 wordt ingegaan op het wateraspect met betrekking tot de beoogde ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief).
Hierna wordt een overzicht gegeven van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Water Programma (NWP) 2022 – 2027 Provinciaal: Regionaal Water Programma 2022 - 2027.
19/286
4.4
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Noardeast-Fryslân De Omgevingsvisie geeft de gewenste ontwikkeling weer van de fysieke leefomgeving. Dat is de omgeving waarin ons dagelijkse leven plaatsvindt, waarin we met elkaar wonen, werken, leren, voor elkaar zorgen, ontspannen en ons verplaatsen. De Omgevingsvisie gaat over de natuurlijke én de door de mens gevormde omgeving. Fitaal, sûn, ûndernimmend, duorsum en oantreklik zijn de doelen waar de gemeente nu en de komende jaren aan werkt. Om het takomstperspektyf in 2030 te bereiken ziet de gemeente vier integrale kernopgaven voor zich. We werken aan het behouden en versterken van: 5. levendige dorpen en stad waar het prettig wonen en leven is 6. gezonde en vitale mensen in een gezonde en veilige leefomgeving 7. een gezonde economische structuur en toeristisch-recreatieve aantrekkelijkheid 8. een energieneutrale, klimaatbestendige en biodiverse gemeente Om een aantrekkelijke woongemeente te blijven streven we naar voldoende en een passend aanbod van woningen van goede kwaliteit. We willen ervoor zorgen dat starters en jonge gezinnen in onze gemeente betaalbare woningen kunnen kopen of huren. Er zijn ook meer woningen nodig voor ouderen omdat het aantal ouderen nog verder toeneemt. Bij het toevoegen van woningen voor ouderen sluiten we zoveel mogelijk aan bij de aanwezigheid van (zorg)voorzieningen.
We beslissen zorgvuldig welke nieuwe woningen we bouwen, rekening houdend met verschillende eigenschappen en soorten woningen voor verschillende doelgroepen. Een goede balans op de woningmarkt vinden we belangrijk. Elk jaar kijken we hoe het gaat op de woningmarkt. Het is belangrijk om goed in te spelen op wat mensen op dat moment willen. Om snel te kunnen reageren op veranderingen en trends, moeten we flexibel zijn in onze aanpak. We werken aan het versnellen van de bouw van huizen en zorgen ervoor dat ze betaalbaar zijn. We doen dat in lijn met de ambities van de rijksoverheid en provincie en werken samen met de regio om de bouwopgave te realiseren, zoals beschreven in de regionale woondeal. In 2023 is deze ondertekend. Hiermee committeren Rijk, Provinsje en de gemeente zich om zich in te spannen om tot 2030 in Noardeast-Fryslân 1175 woningen te realiseren. Deze woningen zijn verdeeld over verschillende segmenten en locaties, waarbij zowel de projecten in Dokkum als in de kleinere kernen sleutelprojecten zijn. De afspraken kunnen jaarlijks worden herijkt. De komende jaren richten we ons in samenhang met benodigde nieuwbouw vooral op het verbeteren van bestaande huizen, het transformeren van leegstaande gebouwen naar woningen en het vernieuwen van woonwijken. We zetten ons zoveel mogelijk in om de bestaande woningen aantrekkelijk te houden voor verschillende doelgroepen.
En ze aan te passen aan wat mensen willen en ze duurzamer te maken. We geven naast aanvullende nieuwbouw prioriteit aan het verbeteren van bestaande woningen. We stimuleren het verduurzamen van woningen door subsidies en leningen aan te bieden. Duurzame woningen zijn niet alleen comfortabeler maar behouden ook hun waarde en zijn makkelijker te verkopen. Dit is gunstig voor de doorstroming. We kijken ook naar mogelijkheden om leegstaande gebouwen te veranderen, maar we zijn selectief en letten goed op de locatie en kwaliteit.
20/286
Woonvisie 2020-2025 De Woonvisie van de gemeente Noardeast-Fryslân legt op hoofdlijnen vast wat de basis is voor verder uitgewerkte woonplannen en -afspraken in de komende vijf jaar. Op basis van de woonvisie wordt de uitvoeringsagenda vastgesteld. De woonvisie bevat de volgende speerpunten: 1. Toekomst geven aan bestaande woningen en buurten; 2. Nieuwbouw in stad, dorpen en wijken, omgang met groei en krimp; 3. Ontwikkeling van de sociale huurvoorraad: betaalbaar, beschikbaar en met kwaliteit; 4. Wonen en zorg in dorpen en wijken; 5. Energietransitie en verduurzaming; 6. Leefbare stad en dorpen: sociaal en veilig, met bereikbare voorzieningen; 7. Samenwerking gemeente, belanghebbenden en bewoners. De woonvisie is een dynamisch document waarbij aan de hand van het woonprogramma, de woningbouwprogrammering, de prestatieafspraken en overleg met de stakeholders jaarlijks zal worden bepaald of en op welke onderdelen een actualisatie nodig is. Mede gezien de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt is deze actualisatie extra urgent en noodzakelijk. Op basis van de nieuwe Woonvisie zal het college ook de woningbouwprogrammering heroverwegen en bijstellen. Deze programmering moet aansluiten op de doelen in de eigen woonvisie en op de regionale woningbouwafspraken die de regiogemeenten en de provincie Fryslân hebben gemaakt.
Daarbij worden het reeds aanwezige Afwegingskader voor bouwplannen en de woningmarktmonitor gebruikt als hulpmiddelen. De gemeente Noardeast-Fryslân heeft samen met de gemeenten Achtkarspelen, Dantumadiel en Tytsjerksteradiel zowel op bestuurlijk als ambtelijk niveau structureel afstemming over het woningbouwprogramma. De uitwerking krijgt een plek in de Woonagenda. Voor de ontwikkeling in Hantum zijn vooral speerpunt 2 en 4 van de woonvisie van toepassing. In speerpunt 2 wordt aangegeven dat in de woonkernen altijd ruimte is voor nieuwbouw. Dit moet wel op maat, passend bij de schaal en de behoefte in het dorp zijn. De ontwikkeling betreft de bouw van 9 tot 12 woningen in het dorp Hantum. De woningen sluiten aan op de bestaande bebouwing. In Hantum worden weinig woningen gebouwd, terwijl er wel behoefte aan woningen is. In speerpunt 2 is aangegeven dat nieuwe woningen zoveel mogelijk levensloopgeschikt moeten zijn. Afwegingskader Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningbouwinitiatieven aansluiten bij de actuele, kwalitatieve woningbehoefte en de volkshuisvestelijke ambities van de gemeente, willen de regio Noordoost-Friesland en de provincie de komende jaren sturen op basis van een gezamenlijke set van criteria. Hiervoor is in regionaal verband als werkdocument een Afwegingskader opgesteld waarmee nieuwe woningbouwinitiatieven op kwaliteit worden getoetst.
Aan de hand van dit Afwegingskader wordt gekeken in hoeverre nieuwe plannen aantoonbaar inspelen op de kwalitatieve woningbehoefte en of zij bijdragen aan andere kwalitatieve ambities, zoals langer zelfstandig wonen, verduurzamen of het oplossen van een ruimtelijk knelpunt. In het afwegingskader wordt aangegeven dat in het gebied tussen Holwerd en Dokkum, waar Hantum is gelegen, maatwerk mogelijk is. De woningbouwontwikkeling in Hantum is getoetst op behoefte en kwaliteit en voldoet aan het Afwegingskader.
21/286
Woonprogramma Het woonprogramma is niet als zodanig vastgesteld, omdat regionaal de afspraak met de provincie is dat achteraf mag worden gemotiveerd wat gerealiseerd is. Het woningbouwprogramma is samen met het dorp afgestemd en opgenomen in de gemeentelijke woningbouwprogrammering. De vaststelling van woonprojecten gebeurt per project. Woningmarktanalyse Noordoost-Fryslân en Woningmarktmonitor In 2020 is een woningmarktanalyse opgesteld om op regionaal niveau inzicht te krijgen in de woningbouwbehoefte. Samenwerking binnen de regio, zowel tussen gemeenten als tussen dorpen, is van belang bij het vaststellen van de woonprogrammering. De woningmarktanalyse biedt een kwalitatief afwegingskader waar gemeenten gebruik van kunnen maken bij het ontwikkelen van woningbouwplannen. De provincie Fryslân vraagt de regio om een offensieve regionale visie te maken. Dat betekent dat er geen dorp op slot wordt gezet en dat er ruimte is voor toekomstbestendig en zorgvuldig toevoegen van woningen. Daarbij houdt de provincie vast aan de lijn "binnendorps vrij, buitendorps beperkt". In de woningmarktanalyse is per dorp inzichtelijk gemaakt hoe de woningmarkt er nu voor staat en welke ontwikkelingen er te verwachten zijn. Op deze manier kan snel worden ingespeeld op ontwikkelingen. Het dorp Hantum is bij de analyse meegenomen bij het gebied Holwerd-Dokkum.
De behoefte in deze regio is groter dan het aantal plannen dat hier wordt ontwikkeld. In dit gebied zijn de woondorpen Brantgum, Foudgum, Hantum, Hantumhuizen, Hiaure en Raard gelegen. Er is echter geen splitsing gemaakt tussen de verschillende dorpen die bij de behoefteraming zijn meegenomen. In vergelijking met andere woondorpen is er weinig aanbod aan levensloopgeschikte woningen in het gebied Holwerd-Dokkum (in totaal 17). Alle woningen zijn gebouwd tussen 1945 en 1975; vernieuwing is gewenst. Er zijn geen voorzieningen voor dagelijkse boodschappen en zorg, maar de meeste dorpen hebben wel een dorpshuis. Dat is ook het geval in Hantum. Mensen met een zorgvraag zijn afhankelijk van dienstverlening op afstand en hulp vanuit de mienskip. In de woningmarktanalyse wordt aangegeven dat zachte plannen ook van meerwaarde kunnen zijn voor dorpen. Er wordt ook aangegeven dat in veel kleinere kernen meer plannen voor vrijstaande koopwoningen zijn opgenomen dan waaraan behoefte is. Hierbij wordt wel aangegeven dat goed moet worden gekeken naar de reële vraag en af te stemmen op het aanbod in de omliggende dorpen. Conclusie Gemeentelijk beleid Uit het bovenstaande blijkt dat de ontwikkeling van 9 tot 12 woningen in het dorp Hantum past binnen het gemeentelijk woonbeleid.
Het plan kent enige flexibiliteit qua uiteindelijke invulling: er kunnen zowel rijwoningen als twee- onder een kap en vrijstaande woningen worden gebouwd. Door deze flexibiliteit kan er goed worden ingespeeld op de actuele behoefte en reële vraag naar woningen. De ruimtelijke kwaliteit van de uitbreidingslocatie wordt getoetst aan de welstandscriteria (zie paragraaf 5.17).
22/286
Hoofdstuk 5 5.1
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
Inleiding
De beoogde ontwikkeling is van invloed op de fysieke leefomgeving. De aard, omvang en locatie van de ontwikkeling zijn de reden dat het omgevingsplan moet worden gewijzigd. Dit betekent dat de omgevingsaspecten en andere thema's onderzocht moeten worden om te beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) als de gewenste ontwikkeling is uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling wordt in dit hoofdstuk getoetst aan onder meer de instructieregels uit het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving). In het Bkl is namelijk aangegeven dat daar waar een nieuwe activiteit milieuruimte inneemt, aandacht nodig is voor de gevolgen van deze activiteit op de omgeving maar ook voor de gevolgen die de omgeving heeft op deze nieuwe activiteit.
5.2
M.e.r. verantwoording
Toetsingskader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een wijziging van het omgevingsplan project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer(beoordelings)-plicht geldt. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. Bij het bevoegd gezag, (het college van B&W) moet een mededeling (de aanmeldnotitie) worden gedaan waarin een beschrijving van het plan, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Toetsing In bijlage V bij het Omgevingsbesluit is aangegeven voor welke projecten en daarvoor benodigde besluiten een mer-(beoordelings) plicht geldt. Voor het realiseren van woningen gelden de uitgangspunten uit categorie J11 Stedelijk ontwikkelingsproject.
Hiervoor geldt geen mer-plicht, maar bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject geldt wel een mer-beoordelingsplicht. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling is afhankelijk van de aard, omvang en milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling. Omdat de ontwikkeling in Hantum kleinschalig is, kan op basis van de nu bekende jurisprudentie er van uit worden gegaan dat deze ontwikkeling in het kader van het Omgevingsbesluit niet hoeft te worden beoordeeld als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het is derhalve niet nodig om een mer-beoordelingsnotitie op te stellen. De beoordeling van de milieu- en omgevingsaspecten in de ruimtelijke motivering is afdoende.
23/286
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Volgens de toetsing van de omgevingsaspecten in hoofdstuk 5 zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning.
5.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking (vaak kortweg aangeduid als Ladder) is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of de behoefte aanwezig is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. In het Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Toetsing Uit jurisprudentie blijkt dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wanneer sprake is van de realisatie van meer dan 11 woningen.
In voorliggend geval worden er maximaal 12 woningen gerealiseerd en daarom is de instructieregel van toepassing. De behoefte aan nieuwe woningen vloeit voort uit het beleid op regionaal en gemeentelijk niveau. De afspraak is om tot 2030 in Noardeast-Fryslân 1175 woningen te realiseren. Deze woningen zijn verdeeld over verschillende segmenten en locaties, waarbij zowel de projecten in Dokkum als in de kleinere kernen sleutelprojecten zijn. De afspraken kunnen jaarlijks worden herijkt. De locatie aan de Titus Conradistrjitte-Smidstrjitte is een buitenstedelijke locatie (locatie 1) en is één van de locaties van de woningbouwplanontwikkeling (naar aanleiding van de Verkenning uitbreiding Hantum) in het dorp Hantum. Van de potentiële woningbouwlocaties wordt de binnenstedelijke locatie op de hoek Hearewei-Smidstrjitte ook in ontwikkeling gebracht. Hier worden in plaats van 1 grote, 2 kleinere betaalbare woningen gerealiseerd. De andere woningbouwlocaties (uit de Verkenning) lagen buiten het stedelijk gebied. Een ontwikkeling met en omvang van maximaal 12 woningen is niet te realiseren binnen de kern van Hantum. De gekozen locatie is - van de buitenstedelijke locaties - de minst ingrijpende. Locatie 1 van de woningbouwverkenning is nog enigszins een
24/286
open plek en een inham in de bebouwingscontour. Verder wordt er voldoende afstand gehouden tot de Ternaarder Feart. Hantum is nu al een dichtbebouwd dorp waar weliswaar op de langere termijn naar verwachting mogelijkheden zijn voor inbreiding. Deze is bestudeerd en afgewogen maar de conclusie is dat het op dit moment geen reële optie is om in de huidige en prangende woningbehoefte te voorzien. Door de aansluiting van de nieuwe bebouwing op de bestaande bebouwing ontstaat aan de noordoostzijde van het dorp een logische afronding van de dorpsrand van Hantum. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.
5.4
Omgevingskwaliteit
Toetsingskader Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving. De regels voor een welstandstoets zijn opgenomen in de bruidsschat. Daarmee maken deze regels deel uit van het omgevingsplan. Met de welstandstoets beoordeelt de gemeente of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De bestaande welstandsnota van de gemeente Noardeast-Fryslân blijft onder het overgangsrecht gelden als beleidsregels op grond van artikel 4.19 onder Omgevingswet voor zover het gaat om het uiterlijk van bouwwerken. Voor het overige maakt de welstandstoets via de bruidsschat (bijvoorbeeld voor plaatsing) onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân. Er mag op grond hiervan geen sprake zijn van strijd met redelijke eisen van welstand. Toetsing De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de gemeentelijke welstandsnota Noardeast-Fryslân (16 december 2022). Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, is de welstandsnota een beleidsregel die de gemeente toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken voldoen aan de eisen van welstand. De (welstands)regels voor het uiterlijk van bouwwerken hierbij zijn afgestemd op de bestaande situatie en niet toereikend voor de beoogde situatie in het plangebied.
De welstandsnota kan op zichzelf niet meer worden gewijzigd of aangevuld. Regels over het uiterlijk van bouwwerken, zoals die voorheen in de Welstandsnota werden opgenomen, worden nu voor nieuwe ontwikkelingen -als onderdeel van de fysieke leefomgeving- in het omgevingsplan opgenomen. Dat kan door concrete regels over het uiterlijk van bouwwerken in het plan op te nemen, of door het opnemen van een 'open norm' met een verwijzing naar beleidsregels. Gemeente Noardeast-Fryslân heeft ten aanzien van het voorliggende TAM-omgevingsplan voor die laatste optie gekozen. Er worden in de Welstandsnota Noardeast-Fryslân 12 welstandsgebieden onderscheiden. Het plangebied is deels gelegen in welstandsgebied 6 - Woonwijken na 1950 (regulier) en deels in welstandsgebied 11 Buitengebied terpengebied (bijzonder). Voor de gewenste ontwikkeling is het noodzakelijk om een nieuw welstandskader vast te stellen. Dit omdat het bestaande welstandsbeleid voor het gebied (buitengebied; terpengebied) niet toereikend is om de ontwikkeling aan te toetsen. Er is daarom een beeldkwaliteitsplan (bkp) opgesteld, met daarin opgenomen
25/286
nieuwe regels voor het uiterlijk van bouwwerken. Het bkp wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage 2. Niet alle onderdelen uit het bkp gaan specifiek over het uiterlijk van bouwwerken. Alleen díe aspecten die specifiek gaan over het uiterlijk van bouwwerken zijn gekoppeld aan de regels van het TAM-omgevingsplan en worden vastgesteld door de gemeenteraad als beleidsregel in de zin van artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dit gebeurt gelijktijdig met de vaststelling van het TAM-omgevingsplan (als wijziging van het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân ). Door middel van bovenstaande afstemmingsconstructie wordt bij vergunningsaanvragen voor het bouwen van een bouwwerk getoetst aan die beleidsregel over het uiterlijk van bouwwerken. De Adviescommissie Omgevingskwaliteit baseert haar advisering aan het college van B&W over bouwplannen ook op deze beleidsregel. Deze nieuwe regels over het uiterlijk van bouwwerken vervangen alleen de betreffende regels uit de Welstandsnota voor deze specifieke locatie (de locatie van dit TAM-omgevingsplan). Voor het overige blijft de huidige Welstandsnota van de gemeente Noardeast-Fryslân van toepassing.
5.5
Mobiliteit en parkeren
Toetsingskader Het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond moeten worden wat het effect is op de bereikbaarheid, verkeersafwikkeling en parkeerdruk. In het mobiliteitsprogramma van de gemeente Noardeast-Fryslân staat dat bij het toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en functiewijzigingen wordt aangesloten bij de meest recente parkeernormen van het CROW. Het gaat hierbij om zowel om het autoparkeren als het fietsparkeren. Het CROW hanteert daarbij een bandbreedte met een minimum en maximum waarde. Daarbij wordt voor de gemeente Noardeast-Fryslân uitgegaan van de gemiddelde waarde. Daarbij wordt uitgegaan van een 'niet stedelijke' gemeente. Om deze reden wordt de toegevoegde verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 744) en ook de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling. Toetsing Verkeer Uitgaande van een maximale invulling met 12 woningen (2 vrijstaande, 2 twee-onder-een kap en 6 rijenwoningen) kan de verkeersgeneratie volgens kencijfers van het CROW als volgt berekend worden: Een vrijstaande woning heeft een verkeersgeneratie van maximaal 8,2 verkeersbewegingen per etmaal.
Als wordt uitgegaan van 2 vrijstaande woningen, levert dit een verkeersgeneratie op van 17 tot 19 verkeersbewegingen per etmaal. Een twee-onder -een kap woning heeft een verkeersgeneratie van 7,8 verkeersbewegingen per etmaal. Als wordt uitgegaan van 2 twee-onder -een kap woningen levert dit een verkeersgeneratie op van 16 tot 18 verkeersbewegingen per etmaal.
26/286
Een huurhuis in de vrije sector heeft een verkeersgeneratie van 6,4 verkeersbewegingen per etmaal. Uitgaande van 6 woningen levert dit een verkeersgeneratie van 39 tot 43 verkeersbewegingen per etmaal op. In geval van huurwoningen in de sociale sector (kencijfer 4,8) bedraagt de verkeersgeneratie 29 tot 32 verkeersbewegingen per etmaal. De maximale verkeersgeneratie bedraagt op grond van bovenstaande dus (19+ 18+ 43 =) 80 verkeersbewegingen per etmaal. De uitbreidingslocatie wordt ontsloten via een enkele straat welke aansluit op de Smidstrjitte. De Smidstrjitte is een van oost naar west lopende doorgaande weg door Hantum. Dit is een weg die voldoende is ingericht om dit aantal te kunnen verwerken. De verkeersintensiteit ligt hier op 500 motorvoertuigen per dag. De verkeersbewegingen als gevolg van de bouw van maximaal 12 woningen gaan op in het heersend verkeersbeeld. De verkeersgeneratie zal als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet significant toenemen en is passend bij het dorp. Parkeren De nieuwbouw van de 9 tot 12 woningen betekent ook dat er parkeerbehoefte ontstaat. Het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen terrein moet worden geregeld. In het projectgebied zijn voldoende mogelijkheden om het parkeren op eigen terrein op te lossen. Daarnaast zijn er parkeermogelijkheden aangrenzen aan de nieuwe ontsluitingsweg voor de woningen.
Conclusie De verkeersgeneratie is goed afwikkelbaar op de omliggende wegen. Het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen terrein moet worden geregeld. In het projectgebied zijn voldoende mogelijkheden om het parkeren op eigen terrein op te lossen. Bij de verdere uitwerking moet worden voldaan aan de meest recente parkeernormen van het CROW. In de regels is hiervoor (in artikel 13.1) een regeling opgenomen die dit waarborgt. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
5.6
Natuur: soortenbescherming
Toetsingskader Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. In de Omgevingswet is geregeld dat in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk zijn. Om een effect op beschermde soorten uit te sluiten, dient in het kader van de Omgevingswet een ecologisch veldonderzoek uitgevoerd te worden. Toetsing In het projectgebied worden 9 tot 12 woningen gebouwd. De grond waarop de woningen worden gebouwd is momenteel in gebruik als grasland. Om in beeld te brengen of er beschermde soorten in het projectgebied aanwezig zijn en dus mogelijk sprake is van flora- en fauna-activiteiten, is een ecologische quickscan uitgevoerd waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 6.
27/286
In de quick scan (maart 2025) wordt het volgende geconcludeerd: Algemene broedvogels: Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces. Geadviseerd wordt om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Vleermuizen (vliegroute): De Ternaarder Feart, waar het plangebied aan grenst is mogelijk essentieel als vliegroute voor watergebonden vleermuissoorten, zoals de meervleermuis. Geadviseerd wordt de hoeveelheid lichtuitstraling boven het wateroppervlak van deze vaart tussen zonsondergang en zonsopkomst niet te verhogen in vergelijking met de huidige situatie. Indien hieraan kan worden voldaan, kunnen negatieve effecten op essentiële vliegroutes van vleermuizen als gevolg van het planvoornemen op voorhand worden uitgesloten. Als dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd nader gericht onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van een essentiële vliegroute van vleermuizen vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Specifieke zorgplicht: Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze en andere soorten geldt een specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal).
Deze specifieke zorgplicht schrijft voor dat men bijvoorbeeld verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. (extra)Stikstofuitstoot: Voor de voortgang van de voorgenomen werkzaamheden is mogelijk een AERIUS-berekening benodigd. Er is een stikstofberekening uitgevoerd. Zie hiervoor paragraaf 5.7. Conclusie Met inachtneming van de aanbevelingen die voortvloeien uit de quickscan vormt het aspect 'ecologie, soortenbescherming' geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7
Natuur: gebiedsbescherming
Toetsingskader Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hiermee moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Het is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van: aanwezige dier- en plantensoorten
28/286
typen natuurlijke habitats leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie heeft in de omgevingsverordening de NNN-gebieden opgenomen. Bijzondere natuurgebieden en landschappen Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen. Ten zuiden van het dorp ligt een perceel met Natuur buiten Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit perceel ligt op circa 120 meter van het projectgebied. Bovendien is tussen het perceel met natuur buiten NNN en het projectgebied een woongebied gelegen. Gezien de afstand en de woningen tussen het projectgebied en het perceel met natuur is de beoogde ontwikkeling niet van invloed op het perceel met natuur buiten NNN. Toetsing Het projectgebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als Natura 2000-gebied en Natuur Netwerk Nederland en ligt niet in de nabijheid daarvan. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Waddenzee die op 3,3 kilometer van het projectgebied is gelegen. Directe significante effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten.
Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het projectgebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De ontwikkeling in het projectgebied zou wel kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden in de omgeving. De ontwikkeling betreft nieuwbouw van woningen. De woningen worden gasloos gebouwd. Door de verkeersbewegingen is het mogelijk dat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden toeneemt. Om de stikstofdepositie inzichtelijk te maken is voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase een stikstofonderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in bijlage 7. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn om die reden niet aan de orde.