CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - bestemmingsplan 'Ljussens - Doarpsstrjitte perceel F1065' (NL.IMRO.1970.BpLsperceelF1065

It Beslút 21 september 2023, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Ljussens - Doarpsstrjitte perceel F1065'17.931 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het maaiveld binnen het plangebied loopt af van +1,2 meter NAP in het westen tot +0,4 meter NAP in het oosten (zie Figuur 4). De top van het pleistocene zand ligt tussen -6 en -8 meter NAP dus op ruim zeven meter beneden maaiveld (Vos & De Vries 2013). Op een paleogeografische reconstructie van 500 vC van Vos et al. (2018) wordt ter plaatse van Lioessens een kwelder weergegeven (zie Figuur 5). Op een daaropvolgende reconstructie van 250 vC is een zee-inbraak opgetreden waardoor het kweldergebied is teruggedrongen en ter plaatse van Lioessens opnieuw intergetijdengebied ligt. Op een reconstructie van 800 nC heeft zich ter plaatse van het dorp een kwelderwal gevormd. Het plangebied ligt op het oostelijke uiteinde van deze kwelderwal op de overgang naar een achtergelegen kleine inham van de zee. Deze situatie lijkt nu nog herkenbaar op de hoogtekaart van Figuur 4. 4

Op de geomorfologische kaart (niet afgebeeld) maakt het plangebied deel uit van een terp. Op de bodemkaart (niet afgebeeld) maakt alleen de noordelijke punt deel uit van deze terp en staat de rest van het plangebied als kalkrijke poldervaaggrond in lichte zavel.

Figuur 6: Lioessens, Doarpstrjitte: paleogeografische reconstructies van het noordoosten van Friesland. Het plangebied is de stip in het midden van de cirkel. Blauw = zee, lichtblauw = intergetijdengebied, groen = kwelder, donkergroen = kwelderwal, bruin = veenmoeras. Bron: Vos et al. 2018.

2.3 Archeologie (KNA 4.1: LS04) Het plangebied grenst aan AMK-terrein 9800, de historische dorpskern van Lioessens die tevens een laat-middeleeuwse terp bevat (zie Figuur 7). Ook archeologische waarden uit de omgeving betreffen vooral laat-middeleeuwse terpen (zie Tabel 2). Eenduidig oudere archeologische resten zijn binnen vijfhonderd meter niet bekend. Alleen bij AMK-terrein 9803 vermeldt ARCHIS expliciet als vroegste datering vroege middeleeuwen. 5

Figuur 6: Lioessens, Doarpstrjitte naast 67: archeologische waarden rondom het plangebied. Groene stippen zijn vondstlocaties, paarse terreinen staan op de Archeologische MonumentenKaart, gele terreinen zijn in ARCHIS aangemeld als onderzoeksgebied. Het plangebied is rood omlijnd. Bron: Archis3. Tabel 2: Lioessens, Doarpstrjitte naast 67: AMK-terreinen, vondsten en onderzoeksmeldingen zoals weergegeven in Figuur 6 zaaknummer

omschrijving

datering

406

terp

late middeleeuwen

430

terp

late middeleeuwen

9731

huisterp

late middeleeuwen – nieuwe tijd

9790

terp

late ijzertijd – middeleeuwen

9696

huisterp

late middeleeuwen

9798

huisterp

late middeleeuwen

9800

terp en historische dorpskern Lioessens

middeleeuwen – nieuwe tijd

9803

terp

middeleeuwen

15060

huisterp

late middeleeuwen

15069

huisterp

late middeleeuwen

3026073100

keramieken spinklos en netverzwaarder, houten lepel

neolithicum – nieuwe tijd

dobbelsteen van dierlijk bot

romeinse tijd – middeleeuwen

2 scherven kogelpotaardewerk

middeleeuwen

3211011100

terp en scherven kogelpotaardewerk

late middeleeuwen

3281945100

zilveren munt

late middeleeuwen B

6

2.4 Historische geografie (KNA 4.1: LS03) Op een kaart uit de Atlas van Schotanus uit 1718 ligt het plangebied ook al op de zuidoostelijke rand van het dorp (zie Figuur 7). Op de kadastrale kaart van 1811-1832 maakt het plangebied deel uit van een perceel dat in gebruik was als weiland (zie Figuur 8). Op topografische kaarten uit 1929 en 1961 is de situatie nog sterk vergelijkbaar, maar was het gebied in gebruik als akker (zie Figuur 9). In het plangebied lijkt geen bebouwing te zijn geweest tijdens de laatste tweehonderd jaar.

Figuur 7: Lioessens, Doarpstrjitte naast 67: uitsnedes uit de Atlas van Schotanus van 1718. Het plangebied is zwart omlijnd. Bron: www.frieslandopdekaart.nl

7

Figuur 8: Lioessens, Doarpstrjitte naast 67: uitsnede van de kadasterkaart van 1811-1832 ingekleurd door www.hisgis.nl. Het plangebied is rood omlijnd.

Figuur 9: Lioessens, Doarpstrjitte naast 67: uitsnede van topografische kaarten uit 1929 en 1961. Het plangebied is rood en zwart omlijnd. Het was in gebruik als akker.

8

2.5 Archeologisch verwachtingsmodel (KNA 4.1: LS05) Het plangebied naast Doarpstrjitte 67 kan archeologische resten bevatten die dateren vanaf de middeleeuwen. De kans op vroegere resten is klein, doordat het gebied omstreeks de late ijzertijd door een zee-inbraak was veranderd in een intergetijdengebied met dagelijkse overstromingen door de zee. Mogelijk loopt de laat-middeleeuwse dorpsterp door tot in het noordwesten van het plangebied of verder. In dat geval zal een terplaag aanwezig zijn met hierin bewoningsafval zoals scherven aardewerk en bot. Eventuele archeologische resten zullen door de ondiepe ligging zijn aangetast door gebruik als akker. Tabel 3: Lioessens, Doarpstrjitte naast 67: specificatie archeologische verwachting. datering:

middeleeuwen

diepteligging:

vanaf het maaiveld

locatie:

toenemende kans in noordwestelijke richting

complextype:

terp, nederzetting

omvang:

kan hele plangebied beslaan

gaafheid en conservering:

kans op organische conservering

mogelijke uiterlijke kenmerken:

terplaag / bewoningslaag met scherven aardewerk, bot, puin, spikkels gebakken klei en houtskool

mogelijke verstoringen:

gebruik als akker

9

3. Veldonderzoek (KNA 4.1: VS05) 3.1 Methoden en technieken (KNA 4.1: VS01) Het veldwerk is uitgevoerd op 20 september 2022. Er zijn zes boringen gedaan op onderlinge afstanden van twaalf of vijftien meter (zie Figuur 10). De gemiddelde boordichtheid is ruim zestig boringen per hectare. De boringen zijn uitgevoerd met een edelmanboor met een diameter van zeven centimeter tot een diepte van 1,2 meter. Vanaf die diepte zijn ze vervolgd met een guts met een diameter van drie centimeter tot een einddiepte van twee meter. De opgeboorde grond is onderzocht door het laagsgewijs af te snijden in de boorkop en de guts. De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB). De locaties en hoogtes zijn ingemeten met een RTK-GPS met een maximale onnauwkeurigheid van enkele centimeters. De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de Appendix in de vorm van boorstaten en laagbeschrijvingen. Ter plaatse van enkele molshopen is aan het maaiveld gezocht naar archeologische materialen. In het algemeen was de vondstzichtbaarheid slecht door de dichte grasbegroeiing (zie Figuur 3).

Figuur 10: Lioessens, Doarpstrjitte naast 67: boorpuntenkaart met als achtergrond een plankaart zoals aangeleverd door de opdrachtgever (links) en een hoogtekaart gemaakt met het AHN4 (rechts). De genummerde punten zijn de locaties van de boringen.

10

3.2 Resultaten veldwerk (KNA 4.1: VS02, VS03) De ondergrond van het plangebied naast Doarpstrjitte 67 bestaat uit zandige klei die is afgezet toen zich hier nog een open getijdengebied bevond waar golven vanuit de Waddenzee makkelijk konden doordringen. Op deze ongeroerde, natuurlijke klei ligt een pakket geroerde grond dat bij de zes boringen diktes heeft van respectievelijk 60, 110, 165, 110, 145 en 85 centimeter. Bij boringen 1 en 6 waar het pakket geroerde grond het minst dik is, ligt de top van de natuurlijke klei op respectievelijk +4 en +27 centimeter NAP (60 en 85 centimeter beneden maaiveld). De bodemopbouw bestaat bij beide boringen uit een dubbele akkerlaag met daaronder een rommelige laag. Bij boringen 3 en 5 is ook een dubbele akkerlaag vastgesteld en bij boring 4 zelfs een driedubbele. De akkerlagen bestaan uit zandige klei waarbij de onderste het lichtst van kleur is en de bovenste het donkerst en het meest humeus. Het voorkomen van meerdere akkerlagen op elkaar wijst op ophoging. Dit kan gebeurd zijn door grondaanvoer van elders, maar een waarschijnlijker verklaring is dat het perceel langdurig naar het midden geploegd is waardoor de grond van de ophoging afkomstig is van de randen van het perceel.

De rommelige laag onder de akkerlagen van boringen 1 en 6 is mogelijk ook verstoord geraakt door het ploegen, maar doordat gelijktijdig enige ophoging optrad raakte de laag al snel buiten bereik van de ploeg waardoor hij niet veranderd is in een homogene akkerlaag. Bij boringen 2, 3, 4 en 5 zijn bodemverstoringen vastgesteld die aanmerkelijk dieper reiken dan bij boringen 1 en 6 en waarvoor ploegen niet de oorzaak zal zijn. De verstoringen reiken tot dieptes ten opzichte van NAP van respectievelijk -73, -105, -35 en -63 centimeter. De aanwezigheid van goed ontwikkelde akkerlagen wijst erop dat de bodemverstoringen niet recent zijn. Evenmin zijn in de geroerde lagen eenduidig twintigsteeeuwse materialen zoals steenkool of plastic gevonden. Van een slootdemping lijkt geen sprake aangezien geen 'vieze', humeuze laag onderin de verstoring is aangetroffen. Op oude kaarten zijn ook geen voormalige sloten te zien. De geroerde grond bestaat vooral uit brokken klei met daarin spikkels baksteen en cement. Een mogelijke verklaring kan zijn dat hier stenen funderingen van bijvoorbeeld een boerderij zijn uitgegraven voor hergebruik. In dat geval kunnen deze diepe verstoringen beter worden geduid als archeologische grondsporen. Bij boringen 2 en 3 zijn in de klei verhoogde concentraties van fosfaten waargenomen die doorgaans ontstaan onder stallen.

Ook zijn bij boringen 2 en 3 onderin de geroerde laag scherven middeleeuws kogelpotaardewerk gevonden (zie Paragraaf 3.3). Bij boringen 1, 5 en 6 zijn scherven kogelpotaardewerk opgeboord van geringere dieptes en in de oostelijke hoek van het plangebied lag een scherf kogelpotaardewerk in een molshoop. Bij boring 5 zat in de geroerde laag op 110 centimeter een stuk dierlijk bot dat niet meegenomen is. De enige verzamelde vondst die eenduidig uit de nieuwe tijd is, is een scherf vensterglas van 70 centimeter diepte bij boring 4. Bij boring 2 zijn in de geroerde laag stukken gele baksteen vastgesteld die voorkomt vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw. Maar andere vondsten uit de nieuwe tijd zoals scherven roodbakkend aardewerk, witbakkend aardewerk of pijpfragmenten heeft het onderzoek niet opgeleverd waardoor aanwijzingen voor bewoning in de nieuwe tijd geringer zijn dan aanwijzingen voor middeleeuwse bewoning. Als de scherven kogelpotaardewerk inderdaad afkomstig zijn van bewoning in het plangebied zelf dan zullen ondiepe archeologische resten door langdurig gebruik als akker in de nieuwe tijd verloren zijn gegaan. Wel kunnen diepere delen bewaard gebleven zijn van grondsporen zoals van greppels, paalgaten of putten.

11

3.3 Vondsten (KNA 4.1: VS02, VS03) Tabel 4 laat de vondsten zien die in het veld verzameld zijn. Het selectievoorstel van J.B. Veenstra MA (senior KNA-archeoloog en -materiaalspecialist, actorregistratienummer 41859613) is om de scherven aardewerk te deponeren bij het Noordelijk Archeologisch Depot te Nuis en de andere twee vondsten te deselecteren. Dit voorstel is voorgelegd aan de eigenaar van de vondsten, de provincie Fryslân. Namense deze liet provinciaal archeoloog dhr. R. Kruisman op 27 oktober 2022 per e-mail weten dit voorstel goed te keuren. Tabel 4: Lioessens, Doarpstrjitte naast 67: vondsten. nr herkomst

betreft

datering

1

boring 1, 0-60 cm scherf kogelpotaardewerk 201,833 / 599,198

middeleeuwen

2

boring 2, 90 cm stuk huttenleem 201,833 / 599,510

onbekend

3

boring 2, 105 cm twee scherven kogelpotaardewerk 201,833 / 599,510

middeleeuwen

4

boring 3, 140 cm scherf kogelpotaardewerk 201,819 / 599,516

middeleeuwen

5

boring 4, 70 cm vensterglas 201,819 / 599,504

17e – 19e eeuw

6

boring 5, 47 cm scherf kogelpotaardewerk 201,819 / 599,492

middeleeuwen

7

boring 6, 65 cm scherf kogelpotaardewerk 201,805 / 599,498

middeleeuwen

8

maaiveld scherf kogelpotaardewerk 201,840 / 599,510

middeleeuwen

Figuur 11: Lioessens, Doarpstrjitte naast 67: vondsten. Voor beschrijving zie Tabel 4.

12

4. Conclusies en advies (KNA 4.1: VS07) belangrijkste resultaten Omstreeks de romeinse tijd ontwikkelde zich ter plaatse van het tegenwoordige Lioessens een kwelderwal. Het plangebied naast Doarpstrjitte 67 ligt op het oostelijke uiteinde van deze wal. Het grenst aan de historische dorpskern van Lioessens. Archeologische waarden in de omgeving betreffen vooral laat-middeleeuwse terpen. Op oude kaarten staat geen bebouwing in het plangebied aangegeven. Het terrein wordt hierop afwisselend weergegeven als akker en als weiland. In het gebied is een pakket geroerde klei vastgesteld met diktes van 60 tot 165 centimeter. Mogelijk is er geboord in een spoor van bijvoorbeeld een fundering van een boerderij van lang geleden. Verspreid in het gebied zijn scherven middeleeuws kogelpotaardewerk gevonden. Plaatselijk zijn verhoogde concentraties fosfaten aanwezig die doorgaans ontstaan onder stallen. Bij het onderzoek zijn vrijwel geen materialen gevonden die eenduidig dateren uit de nieuwe tijd. archeologisch verwachtingsmodel Door langdurig gebruik als akker zullen ondiepe sporen van een eventuele vindplaats verloren zijn gegaan. Diepe delen van sporen kunnen wel bewaard gebleven zijn. De scherven kogelpotaardewerk vormen een aanwijzing voor de aanwezigheid van een vindplaats uit de middeleeuwen. Daarom blijft de archeologische verwachting zoals opgesteld in Paragraaf 2.5 van kracht.

selectie-advies door senior KNA-prospector drs. J.M.G. Bongers Aangezien het onderzoek aanwijzingen heeft opgeleverd voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats uit de middeleeuwen en aangezien eventuele diepere delen van archeologische resten bewaard gebleven zijn, adviseren wij om geen graafwerk uit te voeren dat dieper reikt dan +0,2 meter NAP. Concreet betekent dit dat als het peil van de te bouwen woning bijvoorbeeld op +1,0 meter NAP komt te liggen, dat voor de funderingssleuven niet dieper gegraven mag worden dan 0,8 meter beneden peil. De woning is gepland op de plek van boring 4 waar de maaiveldhoogte +0,75 meter NAP bedraagt en dus tot maximaal 55 centimeter beneden maaiveld gegraven mag worden. Als vooraf het maaiveld iets wordt opgehoogd, dan kan iets dieper gegraven worden. Bodemingrepen boven +0,2 meter NAP zullen gezien de resultaten van het booronderzoek niet of nauwelijks leiden tot verstoring van archeologische resten. Als graafwerk nodig is dat dieper reikt dan +0,2 meter NAP dan adviseren wij nader archeologisch onderzoek in de vorm van proefsleuven. Een dergelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd door een daartoe gecertificeerd bureau volgens een vooraf door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

selectiebesluit bevoegde overheid Dit rapport is ter toetsing voorgelegd aan de bevoegde overheid, de gemeente NoardeastFryslân. Namens deze liet liet dhr. P. Braam op 12 december 2022 weten bovenstaand selectie-advies over te nemen. Tenslotte geldt voor al het graafwerk dat als archeologische waarden worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, dat daarvan direct melding dient te worden gemaakt conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Noardeast-Fryslân. 13

Gebruikte bronnen

AHN-Viewer. www.AHN.nl. Actueel Hoogtebestand Nederland. Rijkswaterstaat, Adviesdienst Geo-informatie en ICT. ARCHIS 3. www.test.zoeken.cultureelerfgoed.nl Bosch, J.H.A. 2008. Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1. Deltares-rapport 2008-UR0881/A. Hisgis, Historisch Geografisch Informatiesysteem. www.hisgis.nl Fryske Akademy Kadata via kadaster.nl, 2019. Topografische Kaart 1:25.000 van Topografische Dienst Kadaster, Emmen. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1. www.SIKB.nl. 2018. Centraal College van Deskundigen Archeologie. www.ruimtelijkeplannen.nl Schotanus 1664. Beschrijvinge van de Heerlyckheydt van Frieslandt www.topotijdreis.nl Vos, P. & S. de Vries 2013. Tweede generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Deltares, Utrecht. Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans 2018: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam (Prometheus).

Lijst van figuren en tabellen Figuren 1 Topografische kaart 2 FAMKE ijzertijd - middeleeuwen 3 Foto plangebied 4 Hoogtekaart 5 Paleogeografische reconstructies 6 Archeologische waarden in de omgeving 7 Atlas Schotanus 1718 8 Kadastrale kaart 1811-1832 9 Topografische kaarten uit de twintigste eeuw 10 Boorpuntenkaart 11 Vondsten

Tabellen 1 Administratieve gegevens 2 Archeologische waarden in de omgeving 3 Specificatie archeologische verwachting 4 Vondsten

Archeologische periodes

paleolithicum: paleolithicum vroeg: paleolithicum midden: paleolithicum laat: paleolithicum laat A: paleolithicum laat B:

ijzertijd: tot 300.000 BP 300.000 - 35.000 BP 35.000 BP - 8.800 vC 35.000 - 18.000 BP 18.000 BP - 8.800 vC

mesolithicum: mesolithicum vroeg: mesolithicum midden: mesolithicum laat:

8.800 - 7.100 vC 7.100 - 6.450 vC 6.450 - 4.900 vC

neolithicum: neolithicum vroeg: neolithicum vroeg A: neolithicum vroeg B: neolithicum midden: neolithicum midden A: neolithicum midden B: neolithicum laat: neolithicum laat A: neolithicum laat B:

5.300 - 4.200 vC 5.300 - 4.900 vC 4.900 - 4.200 vC 4.200 - 2.850 vC 4.200 - 3.400 vC 3.400 - 2.850 vC 2.850 - 2.000 vC 2.850 - 2.450 vC 2.450 - 2.000 vC

bronstijd: bronstijd vroeg: bronstijd midden: bronstijd midden A: bronstijd midden B: bronstijd laat:

2.000 - 1.800 vC 1.800 - 1.100 vC 1.800 - 1.500 vC 1.500 - 1.100 vC 1.100 - 800 vC

pleistoceen: elsterien saalien weichselien holoceen:

2,5 miljoen - 10.000 BP 475.000 - 410.000 BP 200.000 - 130.000 BP 116.000 - 10.000 BP 10.000 - heden

vC nC BP

= = =

voor Christus na Christus before present; present = 1950

ijzertijd vroeg: ijzertijd midden: ijzertijd laat:

800 - 500 vC 500 - 250 vC 250 - 12 vC

romeinse tijd: romeinse tijd vroeg: romeinse tijd vroeg A: romeinse tijd vroeg B: romeinse tijd midden: romeinse tijd midden A: romeinse tijd midden B: romeinse tijd laat: romeinse tijd laat A: romeinse tijd laat B:

12 vC - 70 nC 12 vC - 25 nC 25 - 70 nC 70 - 270 nC 70 - 150 nC 150 - 270 nC 270 - 450 nC 270 - 350 nC 350 - 450 nC

middeleeuwen: middeleeuwen vroeg: middeleeuwen vroeg A: middeleeuwen vroeg B: middeleeuwen vroeg C: middeleeuwen vroeg D: middeleeuwen laat: middeleeuwen laat A: middeleeuwen laat B:

450 - 1.050 nC 450 - 525 nC 525 - 725 nC 725 - 900 nC 900 - 1.050 nC 1.050 - 1.500 nC 1.050 - 1.250 nC 1.250 - 1.500 nC

nieuwe tijd: nieuwe tijd vroeg: nieuwe tijd midden: nieuwe tijd laat:

1.500 - 1.650 nC 1.650 - 1.850 nC 1.850 – heden

Algemeen Steentijd (tot 2000 vC) De steentijd is opgedeeld in het paleolithicum, mesolithicum en neolithicum. Het paleolithicum (oude steentijd) wordt vooral gekenmerkt door de ijstijden. Na het laatpaleolithicum verbetert het klimaat. Vindplaatsen uit het late paleolithicum zijn vooral te herkennen aan concentraties vondstmateriaal (bewerkt en/of verbrand vuursteen, houtskool) met weinig en moeilijk te herkennen grondsporen zoals kuilen, paalgaten en houtskoolconcentraties die mogelijk wijzen op haardplaatsen. Vondsten uit het mesolithicum of midden steentijd, gekenmerkt door sporen en vondsten van rondtrekkende jagers en verzamelaars, bestaan voornamelijk uit bewerkt vuursteen, verbrande hazelnootdoppen en houtskoolfragmenten. Mesolithische grondsporen zijn vooral oppervlaktehaarden en haardkuilen. In een natte omgeving kunnen ook werktuigen van gewei of hout bewaard zijn gebleven. Voorbeelden hiervan zijn geweibijlen, bogen, visfuiken, etc. In het neolithicum (nieuwe steentijd) werden dieren gehouden en in het neolithicum werd eveneens akkerbouw bedreven. Grondsporen uit deze periode kunnen bestaan uit paalgaten van bijvoorbeeld boerderijen, resten van beschoeiingen, greppels, (afval)kuilen en haardplaatsen. Aardewerk komt in deze tijd voor, evenals bewerkt (vuur)steen en geslepen bijlen.

Metaaltijden (2000-12 vC) In de bronstijd en ijzertijd kwam bemesting en wisselbouw binnen de akkerbouw voor. Sporen uit de bronstijd en ijzertijd kunnen bestaan uit kuilen, paalgaten van boerderijplattegronden, bijgebouwen of spiekers, waterkuilen of -putten, erf- ofakkerafscheidingen en sporen van akkerbewerking zoals de kruiselings getrokken voren van een eergetouw. Houtskool kan duiden op de aanwezigheid van haarden voor voedselbereiding of het bakken van aardewerk. Ook kunnen er restanten gevonden worden die duiden op metaalbewerking, zoals stukken ovenwand, brons- of ijzerslakken, sintels, mallen, smeltkroezen, metaal bedoeld voor omsmelten, etc. Vondsten kunnen verder bestaan uit bijvoorbeeld metalen voorwerpen of voorwerpen van aardewerk zoals vaatwerk, maar ook slingerkogels, rammelaars, spinklosjes en weefgewichten. Romeinse tijd (12 vC-450 nC) In de romeinse tijd vormde de Rijn de noordelijke grens van het romeinse rijk. Langs deze grens, de limes, werden grensposten, nederzettingen en wegen gebouwd. In het noorden van Nederland zijn ook romeinse vondsten gedaan, maar dit zijn voornamelijk losse vondsten als romeinse munten, mantelspelden en scherven romeins aardewerk. Middeleeuwen en nieuwe tijd (450 nC-heden) Na een afname in de bevolkingsdichtheid aan het einde van de romeinse tijd en de periode erna, steeg deze weer in het begin van de middeleeuwen.

Vondsten uit de middeleeuwen en later bestaan voornamelijk uit scherven aardewerk, waaronder importaardewerk, munten en metalen voorwerpen (zoals mantelspelden, spijkers), resten van aardewerkproductie, metaalbewerking, wolbewerking etc. Belangrijke gebouwen (bijvoorbeeld kerken en borgen) werden van baksteen / kloostermoppen gebouwd.

Appendix Lioessens, Doarpstrjitte naast 67: Boorstaten

(cm)

(cm)

6

akkerlaag 100

100

5 4

akkerlaag

1

3

akkerlaag

akkerlaag akkerlaag

50

2

akkerlaag KGP

akkerlaag

akkerlaag akkerlaag

akkerlaag akkerlaag

KGP

50

KGP

akkerlaag

0

0

BOT

-50

-50

FFC KGP

FFC KGP

-100

-150

-100

basis geroerde bovengrond KGP = scherf kogelpotaardewerk FFC = fosfaatconcreties BOT = stuk dierlijk bot

-150

Appendix Lioessens, Doarpstrjitte naast 67: Laagbeschrijvingen 1 X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 201833 : 599498 : 64

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 20 klei zwak zandig, 10yr3/2, bouwvoor 20 - 40 klei zwak zandig, 2,5y4/2, bouwvoor 40 - 60 klei zwak zandig, mix, vergraven, Opm.: Rommelig 60 - 130 klei matig zandig, 5y6/3, Opm.: Lagen zware klei 130 - 200 klei matig zandig, 10y4/1 2

X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 201833 : 599510 : 37

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 20 klei zwak zandig, zwak grindig, 10yr3/2, bouwvoor 20 - 90 klei zwak zandig, zwak grindig, 2,5y4/2, Opm.: Matige hoeveelheid oranje en gele baksteen en cement 90 - 110 klei sterk siltig, 2,5y4/1, spoor fosfaatconcreties, basis scherp, Opm.: Vlekkerig 110 - 200 klei sterk zandig, 10y5/1, Schelpen: spoor schelpmateriaal 3

X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 201819 : 599516 : 60

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 20 klei zwak zandig, 10yr3/2, bouwvoor 20 - 75 klei zwak zandig, zwak grindig, 2,5y4/1, basis scherp, bouwvoor, Opm.: Enige resten baksteen en cement 75 - 165 klei zwak zandig, mix, Schelpen: weinig schelpmateriaal, weinig fosfaatconcreties, vergraven, Opm.: Rommelig, brokken zware klei en zandige klei 165 - 200 klei sterk zandig, 10y5/1, Schelpen: spoor schelpmateriaal 4

X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 201819 : 599504 : 75

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 30 klei zwak zandig, 10yr3/2, bouwvoor 30 - 45 klei zwak zandig, 2,5y4/2, basis scherp, bouwvoor 45 - 90 klei zwak zandig, 2,5y5/3, basis scherp, bouwvoor 90 - 110 klei matig zandig, 5y5/2, basis scherp, Opm.: Overgangslaag, rommelig, geen indicatoren 110 - 200 klei sterk zandig, 5y6/2 5

X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 201819 : 599492 : 82

1/2

Appendix Lioessens, Doarpstrjitte naast 67: Laagbeschrijvingen Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 20 klei zwak zandig, 10yr3/2, basis scherp, bouwvoor

20 - 50 klei zwak zandig, 2,5y5/2, bouwvoor 50 - 145 klei zwak zandig, mix, basis scherp, vergraven, Opm.: Enige resten baksteen en cement,Brokken 145 - 200 klei sterk zandig, 5y6/2 6 X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 201805 : 599498 : 112

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 20 klei zwak zandig, 10yr3/2, bouwvoor 20 - 55 klei zwak zandig, 2,5y4/2, bouwvoor 55 - 85 klei zwak zandig, mix, basis scherp, vergraven, Opm.: Brokken 85 - 200 klei sterk zandig, 5y6/2, Opm.: Onderin enige gelaagdheid

2/2

DOARPSSTRJITTE LIOESSENS QUICKSCAN NATUURWETGEVING

Rapport 2020005V01

Mulder Ecologie Van Goghstraat 75 9718 MT Groningen www.mulder-ecologie.nl info@mulder-ecologie.nl

DOARPSSTRJITTE LIOESSENS QUICKSCAN NATUURWETGEVING

Datum

15-08-2022

Rapportkenmerk

2022021V01

Opdrachtgever

Dantuma Advies

Contactpersoon Auteur Versie

Definitief

INHOUDSOPGAVE 1

Inleiding ........................................................................................................................................... 3 Aanleiding ................................................................................................................................ 3 Plangebied ............................................................................................................................... 3 Planvoornemen........................................................................................................................ 4 Werkwijze ................................................................................................................................ 4

2

Resultaten en effectbepaling ........................................................................................................... 6 Inleiding ................................................................................................................................... 6 Gebiedsbescherming en bescherming van houtopstanden ..................................................... 6 2.2.1

Natura 2000 ..................................................................................................................... 6

2.2.2

Houtopstanden ................................................................................................................ 7

2.2.3

Verordening Romte Fryslân ............................................................................................. 7

Soortenbescherming................................................................................................................ 8

3

2.3.1

Afbakening soortgroepen ................................................................................................ 8

2.3.2

Amfibieën......................................................................................................................... 8

2.3.3

Vogels .............................................................................................................................. 9

2.3.4

Zoogdieren ....................................................................................................................... 9

Conclusies en aanbevelingen ......................................................................................................... 11 Gebiedsbescherming en houtopstanden ............................................................................... 11 3.1.1

Natura 2000 ................................................................................................................... 11

3.1.2

Houtopstanden .............................................................................................................. 11

3.1.3

Verordening Romte Fryslân ........................................................................................... 11

Soortenbescherming.............................................................................................................. 11 3.2.1

Vogels ............................................................................................................................ 11

3.2.2

Overige soorten en zorgplicht........................................................................................ 12

Vrijblijvend advies stimuleren biodiversiteit .......................................................................... 12 4

Bronnen ......................................................................................................................................... 13

Bijlage I

Fotobijlage ........................................................................................................................ 14

Bijlage II

Toetsingskader ................................................................................................................... 18

1 Inleiding Aanleiding Men is voornemens een woning te realiseren op een agrarisch perceel aan de Doarpsstrjitte in Lioessens (afb. 1). Met het oog op deze plannen is een bestemmingsplanwijziging nodig. In het kader hiervan moet de haalbaarheid van het voornemen onder meer worden beoordeeld in relatie tot de natuurwetgeving. Om inzicht te verkrijgen in de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden in (de omgeving van) het plangebied en te kunnen bepalen of het uitvoeren van het planvoornemen kan leiden tot negatieve effecten op deze waarden, is een ecologische toetsing uitgevoerd. Deze toetsing heeft in eerste instantie bestaan uit een verkennend onderzoek, een quickscan.

Afbeelding 1. Ligging van het plangebied (rode kader) aan de Doarpsstrjitte in Lioessens. Inzet: regionale ligging plangebied in Noardeast-Fryslân. Bron topografische kaartondergrond: Nationaal Georegister (PDOK).

Plangebied Het plangebied bestaat uit een graslandperceel aan de Doarpsstrjitte in het zuidoosten van Lioessens in de gemeente Noardeast-Fryslân, provincie Fryslân (afb. 1). De woning aan de Doarpsstrjitte 67 grenst aan de westzijde aan het perceel, de Doarpsstrjitte met een woning op nummer 54 en een woonboerderij op nummer 56 grenzen aan de noordzijde. Langs de zuid(oost)zijde van het perceel bevindt zich een rietsloot, het graslandperceel ten oosten hiervan had ten tijde van het veldbezoek een hoge begroeiing met veel klaver. Er zijn geen bomen aanwezig op of langs het perceel. Het plangebied wordt in de huidige situatie niet verlicht, wel is straatverlichting aanwezig langs de Doarpsstrjitte. Het 3

plangebied is gesitueerd in het open zeekleigebied van noordoostelijk Fryslân. Bijlage I geeft een impressie van het plangebied.

Planvoornemen Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van een woning aan de Doarpsstrjitte te Lioessens (afb. 2). De woning wordt gerealiseerd op een perceel dat op dit moment in gebruik is als grasland. De werkzaamheden worden overdag uitgevoerd en het plangebied wordt tijdens de werkzaamheden ’s nachts niet (aanvullend) verlicht. In de nieuwe situatie is alleen sprake van het gebruik van reguliere buitenverlichting van een woning. In het kader van het planvoornemen worden geen bomen gekapt. Ook vinden er geen werkzaamheden plaats ter plaatse van de watergangen ten (zuid)oosten van het plangebied. Een concrete planning voor de uitvoering van de werkzaamheden is nog niet beschikbaar; deze is afhankelijk van de doorlooptijd(en) van de procedure(s), waaronder mogelijk de uitkomsten van onderhavige toetsing.

Afbeelding 2. Weergave van de locatie van de nieuwe woning aan de Doarpsstrjitte in Lioessens.

Werkwijze Deze quickscan heeft bestaan uit een bronnenonderzoek en een eenmalig veldbezoek. Voor het verkrijgen van een actueel overzicht van de uit de omgeving van het plangebied bekende beschermde soorten is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. De NDFF is een uitgebreide natuurdatabank met daarin uitsluitend gevalideerde informatie aangaande het voorkomen en de verspreiding van Nederlandse flora en fauna. Voor deze quickscan is gebruik gemaakt van 4

waarnemingen uit de NDFF binnen een afstand van ongeveer 3 km van het plangebied over de afgelopen 10 jaar. Het veldbezoek is onder overwegend bewolkte omstandigheden uitgevoerd op maandag 25 juli 2022, bij een temperatuur van circa 22°C en een matige wind uit het westen (4 Bft). Bij dit veldbezoek is het plangebied beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en/of de (mogelijke) geschiktheid van het plangebied voor deze soorten.

5

2 Resultaten en effectbepaling Inleiding Het voornaamste kader waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd, vormt de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Deze wet voorziet in de bescherming van gebieden (uitsluitend Natura 2000), soorten en houtopstanden. De bescherming van andere (natuur)gebieden, waaronder het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur of EHS), loopt via het ruimtelijke ordeningsrecht en is vastgelegd in de provinciale Verordening Romte Fryslân 2014 (geconsolideerde versie maart 2021). Via deze verordening werken de provinciale ruimtelijke belangen door in gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In bijlage II worden beide toetsingskaders kort nader toegelicht. In onderstaand hoofdstuk worden de voorgenomen activiteiten getoetst aan de Wet natuurbescherming en de provinciale verordening.

Gebiedsbescherming en bescherming van houtopstanden

2.2.1 Natura 2000 Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied (afb. 3). De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden vormen de Waddenzee bij Paesens (Peazemerlannen) op een afstand van ongeveer 2,3 km ten noorden van het plangebied en het Lauwersmeer bij Oostmahorn ruim 4 kilometer ten oosten van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden ten noorden van het plangebied (Duinen Schiermonnikoog, Duinen Ameland, Noordzeekustzone) bevinden zich op een afstand van meer dan 10 km van het plangebied, die op het Friese vasteland op meer dan 20 km. Uitgangspunt ten aanzien van de bescherming van Natura 2000-gebieden is dat een activiteit of ruimtelijke ontwikkeling niet mag leiden tot negatieve effecten op de voor deze gebieden geformuleerde instandhoudingsdoelen. Deze negatieve effecten kunnen bijvoorbeeld het gevolg zijn van de depositie van stikstof samenhangend met de voorgenomen activiteiten en/of andere storingsfactoren, waaronder bijvoorbeeld de uitstraling van licht en geluid (zowel tijdens uitvoering van werkzaamheden als in de nieuwe situatie). Veel Nederlandse Natura 2000-gebieden hebben te maken met een stikstofoverschot. In 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden en is door middel van het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (BSN) de Wnb aangepast.

In dit besluit is voor de bouw een partiële vrijstelling van een vergunning voor stikstofdepositie opgenomen, die per 1 juli 2021 van kracht is. Deze vrijstelling geldt voor de sloop en bouw van woningen, utiliteitsgebouwen en andere bouwwerken, maar ook voor aanlegactiviteiten en grond-, weg- en waterbouw. Ook is deze van toepassing op met deze werkzaamheden samenhangende vervoersbewegingen. De vrijstelling geldt voor de sloop-, bouw- en aanlegfase, maar is niet van toepassing op structurele stikstofemissies als gevolg van een (veranderende) gebruiksfase of voor het delven van grondstoffen en de productie van bouwmaterialen1.

1

Het is in het kader van de huidige stikstofproblematiek wel de vraag hoelang deze partiële bouwvrijstelling nog van toepassing is. Zie hiervoor bijvoorbeeld https://nos.nl/artikel/2436935-juristen-voorzien-bouwstop-na-dezomer-door-verwachte-stikstofuitspraak.

6

In het geval van voorliggend plan kan gesteld worden dat de voorgenomen werkzaamheden de bouw van een woning behelzen. Deze woning zal naar hedendaagse maatstaven gasloos worden gerealiseerd. Van een structurele en significante toename van stikstofemissie vanwege een veranderende gebruiksfase is geen sprake. De in de voorgaande paragraaf besproken vrijstelling is daarom van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Een aanvullende toetsing in het kader van stikstofdepositie (AERIUS-berekening) is niet aan de orde. Ook negatieve effecten van andere storingsfactoren op (habitat van) soorten en/of habitattypen van in de omgeving van het plangebied aanwezig Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten, gezien de genoemde afstanden tot deze gebieden en de bufferende werking van tussengelegen infrastructuur en/of groenstructuren.

Afbeelding 3. Ligging van het plangebied (rode kader) ten opzichte van Natura 2000-gebieden in blauw. Bron topografische kaartondergrond: Nationaal Georegister (PDOK).

2.2.2 Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt (§1.3). Het onderdeel houtopstanden van de Wnb is niet van toepassing.

2.2.3 Verordening Romte Fryslân Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Conform de provinciale verordening zijn ontwikkelingen buiten het NNN toegestaan, mits deze geen significante negatieve effecten op het NNN tot gevolg hebben (het ‘ja, mits’ principe). Dit kan gezien de afstand tot deze gebieden op voorhand uitgesloten worden. Ook ligt het plangebied niet in, dan wel in de nabijheid van andere in de provinciale Verordening Romte Fryslân beschermde natuurgebieden buiten het NNN (afb. 4 en bijlage II) en worden effecten op deze gebieden uitgesloten. Vervolgstappen in het kader van de Verordening Romte Fryslân zijn niet aan de orde. 7

Afbeelding 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Bron: Natuur overzichtskaart provincie Fryslân (https://fryslan.maps.arcgis.com/home/index.html).

Soortenbescherming

2.3.1 Afbakening soortgroepen Gezien de geografische ligging van het plangebied in het open noordelijke zeekleigebied van noordoostelijk Fryslân, de aanwezige biotoop (regulier gebruikt agrarisch grasland) en de bekende (landelijke) verspreiding van wettelijk beschermde soorten op basis van de NDFF (§1.4) en literatuur, kan de aanwezigheid van beschermde soorten van diverse soortgroepen op voorhand worden uitgesloten. Dit geldt voor de aanwezigheid van beschermde soorten van de soortgroepen insecten, kreeftachtigen, planten, reptielen, weekdieren en vissen. De potenties van het plangebied voor soort(groep)en waarvoor dit niet geldt, amfibieën, vogels en zoogdieren, worden hieronder besproken.

2.3.2 Amfibieën Gezien de aanwezige biotoop en de ligging van het plangebied, worden in en rondom het plangebied uitsluitend nationaal beschermde soorten amfibieën verwacht (§3.3 Wnb, zie bijlage II). Voor deze soorten (bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker), geldt een provinciale vrijstelling in het kader van ruimtelijke ordening. In het geval van negatieve effecten op deze soorten is geen ontheffing Wnb soorten nodig. Wel geldt voor deze soorten te allen tijde de zorgplicht.

8

2.3.3

Vogels

Vogels met jaarrond beschermde nesten Binnen het plangebied ontbreken potenties voor de aanwezigheid van nesten met een jaarrond beschermde status (zie bijlage II). Bomen en/of bouwwerken2 zijn niet aanwezig. Directe effecten op verblijfplaatsen van deze soorten zijn niet aan de orde. Hiernaast zijn in de enige boom van enige omvang in de directe omgeving van het plangebied (zie fotobijlage I) geen (potenties voor) nesten met een jaarrond beschermde status vastgesteld. Ook wordt de aan het plangebied grenzende woning aan de Doarpsstrjitte 67 ongeschikt geacht voor de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten vanwege het ontbreken van geschikte invliegopeningen (gierzwaluw) en de combinatie van voldoende dekking en tijdens het veldbezoek ontbrekende vogels (huismus). Op grond hiervan, gecombineerd met de beperkte omvang van het plangebied en de voorgenomen werkzaamheden, worden ook eventuele indirecte effecten op jaarrond beschermde nesten in de directe omgeving van het plangebied uitgesloten. Een aanvullend onderzoek hiernaar is niet aan de orde. Overige broedvogels Ter plaatse van de te realiseren woning en directe omgeving kunnen wel enkele niet jaarrond beschermde vogelsoorten tot broeden komen. Het graslandperceel zelf is, afhankelijk van het gevoerde beheer, in potentie geschikt als broedlocatie voor grondbroeders als graspieper, scholekster en veldleeuwerik.

De sloot langs de (zuid)oostzijde van het plangebied is geschikt voor een aantal soorten rietvogels, waaronder kleine karekiet en rietgors. Daarnaast kunnen hierin soorten als meerkoet, waterhoen en wilde eend worden verwacht. De tuinen van de aan het plangebied grenzende woningen zijn geschikt voor enkele soorten zangvogels. Nesten van alle in Nederland in het wild levende vogels zijn wettelijk beschermd gedurende het broedseizoen. Het vernietigen en/of verstoren van vogelnesten gedurende het broedseizoen betreft een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het optreden van negatieve effecten op deze broedvogels kan eenvoudig worden voorkomen door de voorgenomen werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. In de wet wordt geen vaste periode voor het broedseizoen gedefinieerd. In de praktijk wordt hiervoor globaal de periode 1 maart tot 1 augustus aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van de werkzaamheden. Wanneer het niet mogelijk is om (volledig) buiten het broedseizoen te werken, kan het gebied waar de werkzaamheden plaatsvinden ruim voor het broedseizoen ongeschikt worden gemaakt (en gehouden) voor broedvogels door de vegetatie zeer kort te maaien en eventueel aanvullend vogelwerende maatregelen te treffen.

Het plangebied moet dan wel direct voorafgaand aan de uitvoer van de werkzaamheden door een ter zake kundige worden gecontroleerd op de aanwezigheid van broedvogels.

2.3.4

Zoogdieren

Vleermuizen Alle in Nederland levende vleermuizen genieten bescherming. Niet alleen de dieren zelf zijn beschermd, maar ook hun vaste rust- en voortplantingslocaties en de onderdelen die deel uitmaken van hun 2

Hieronder vallen naast woningen (gierzwaluw, huismus) en schuren/boerderijen (kerkuil, steenuil) bijvoorbeeld ook andere bouwwerken die door vogels met jaarrond beschermde nesten worden gebruikt, waaronder hoogspanningsmasten (boomvalk), hoge gebouwen (slechtvalk) en paalnesten (ooievaar).

9

functionele leefomgeving, waaronder jachtgebieden en vaste vliegroutes tussen de verblijven en de jachtgebieden. In het zomerseizoen bevinden verblijfplaatsen van vleermuizen zich overwegend in bebouwing (veelal in spouwmuren en ruimtes onder daken) en ruimtes in bomen. In de winter komen daar koele en vochtige locaties zoals forten, (mergel)groeves, kelders en bunkers bij. Afhankelijk van de tijd van het jaar en de functie worden zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen onderscheiden. Er is geen sprake van de aanwezigheid van bebouwing en/of bomen binnen het plangebied. Omdat de werkzaamheden overdag worden uitgevoerd en het plangebied ’s nachts niet (aanvullend) verlicht wordt, zijn ook effecten op eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen in de aangrenzende woningen en/of bomen niet aan de orde. Vleermuizen maken tussen hun verblijfplaatsen en hun jacht- of foerageergebied gebruik van vaste vliegroutes, overwegend lijnvormige landschapselementen als bijvoorbeeld lanen, boomsingels en (beschutte) waterpartijen. Deze zijn in en rondom het plangebied niet aanwezig. Van een aantasting van essentieel leefgebied van vleermuizen is eveneens geen sprake, een aanvullend onderzoek van de functie(s) van het plangebied voor vleermuizen is niet noodzakelijk.

Overige soorten Gezien de in het plangebied aanwezige biotoop (§1.3) worden uitsluitend nationaal beschermde soorten zoogdieren met een provinciale vrijstelling van de ontheffingsplicht verwacht (§ 3.3. Wet natuurbescherming, artikel 3.10 - zie bijlage II). Hieronder vallen onder meer enkele soorten ware muizen, woelmuizen en/of spitsmuizen, enkele soorten marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel3) en soorten als haas en vos. Ondanks de provinciale vrijstelling voor alle bovengenoemde zoogdieren geldt voor alle genoemde soorten wel onverminderd de zorgplicht. Van zwaarder beschermde soorten zoogdieren als otter (Habitatrichtlijn) zijn weliswaar waarnemingen bekend uit de omgeving van het plangebied, maar vormen het plangebied en directe omgeving geen geschikt leefgebied. Negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten, een nader onderzoek is niet nodig.

3

Voor de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel geldt op dit moment in de provincie Fryslân nog een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen, maar deze komt met de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening in 2023 te vervallen. Overigens worden gezien de aard van het plangebied (agrarisch graslandperceel) en het ontbreken van locaties met voldoende dekking, verblijfplaatsen van deze soorten binnen het plangebied niet verwacht.

10

3 Conclusies en aanbevelingen Gebiedsbescherming en houtopstanden

3.1.1 Natura 2000 De bouwvrijstelling van het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (BSN) is op de werkzaamheden van toepassing. Een aanvullend onderzoek in het kader van stikstofdepositie is hierom niet aan de orde. Ook andere effecten op de in de omgeving van het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden worden op grond van de afstand tot deze gebieden en de en de beperkte duur, omvang en uitstraling van de voorgenomen activiteiten uitgesloten. Vervolgstappen in het kader van Natura 2000 zijn niet aan de orde.

3.1.2 Houtopstanden In het kader van het planvoornemen worden geen bomen gekapt. Het onderdeel houtopstanden van de Wnb is niet van toepassing.

3.1.3 Verordening Romte Fryslân Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten, zowel tijdelijk als permanent, op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN in de omgeving worden uitgesloten op grond van de afstand tot deze gebieden en de beperkte omvang en uitstraling van de voorgenomen activiteiten. Ook ligt het plangebied niet in, noch in de nabijheid van, andere via de Verordening Romte beschermde (natuur)gebieden. Vervolgstappen in het kader van de provinciale omgevingsverordening zijn niet nodig.

Soortenbescherming

3.2.1 Vogels Het plangebied en directe omgeving is geschikt als broedlocatie voor enkele algemene vogelsoorten. Het vernietigen en/of verstoren van vogelnesten gedurende het broedseizoen betreft een overtreding van de Wnb, waarvoor geen ontheffing kan worden verkregen. Een overtreding van de Wnb ten aanzien van vogels kan in het geval van het planvoornemen worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In de wet wordt geen vaste periode voor het broedseizoen gedefinieerd, maar in de praktijk wordt hiervoor globaal de periode 1 maart tot 1 augustus aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van de werkzaamheden. Indien de werkzaamheden ruim) voor het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt (en gehouden) voor broedvogels. Het plangebied moet dan wel direct voorafgaand aan de uitvoer van de werkzaamheden door een ter zake kundige worden gecontroleerd op de aanwezigheid van broedvogels.

11

3.2.2 Overige soorten en zorgplicht Het optreden van negatieve effecten op beschermde soorten van andere soortgroepen is uitgesloten. Wel geldt voor alle soorten, in het bijzonder de in het plangebied te verwachten soorten amfibieën en zoogdieren met een provinciale vrijstelling, te allen tijde de algemene zorgplicht. Deze schrijft voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen.

Vrijblijvend advies stimuleren biodiversiteit De biodiversiteit staat wereldwijd sterk onder druk, zeker in het sterk verstedelijkte en intensief agrarisch gebruikte Nederland. Oorzaken voor dit biodiversiteitsverlies vormen onder meer het verlies en versnippering van leefgebied door bijvoorbeeld verstedelijking en de aanleg van wegen en andere infrastructuur, een steeds verdere intensivering van de landbouw, verzuring en vermesting van grond door een overvloedige stikstofdepositie en klimaatverandering (verdroging). In de bebouwde omgeving maken oude(re) woningen en andere (bedrijfs)panden door sloop en renovatie bovendien steeds vaker ruimte voor goed geïsoleerde nieuwbouw zonder geschikte plekken voor verblijfplaatsen van bijvoorbeeld vogels en vleermuizen. Vanuit dit oogpunt bezien, maar óók omdat een groene leefomgeving een aantoonbaar positieve bijdrage levert aan het welzijn en de gezondheid van de mensen die erin wonen en werken, is het van groot belang om waar mogelijk biodiversiteit in (duurzaamheids)plannen en projecten mee te nemen. Bij dit zogenaamde natuurinclusief bouwen worden bij de (her)inrichting van een gebied waar mogelijk maatregelen meegenomen die bijdragen aan een meer groene en biodiverse leefomgeving. Ook bij de bouw van de woning aan de Doarpsstrjitte kan met kleine maatregelen al een plus gerealiseerd worden ten aanzien van de biodiversiteit.

Voorbeelden van maatregelen voor meer biodiversiteit rondom huis zijn het aanbieden van zoveel en gevarieerd mogelijk groen, bijvoorbeeld door het aanplanten van bloeiende bloemen, heesters en/of bomen op het erf, het laten begroeien van (een deel van) de gevel van de woning. Daarnaast kan de woning geschikt worden gemaakt voor vogels en/of vleermuizen door inbouw- of opbouwkasten aan te bieden, dan wel het toepassen van een voor vleermuizen geschikte en toegankelijke spouwmuurconstructie. Ook kunnen voorzieningen voor insecten worden gemaakt. Hiertoe bestaan talloze mogelijkheden, waaronder bijenbakstenen, bijenhotels, vlinderkasten of (van grotere omvang) een insectenmuur. Zeker indien gecombineerd met een boom- en bloemrijke omgeving kan een (over)hoek van het plangebied dat met het oog hierop ingericht van groot belang zijn voor de lokale biodiversiteit. Op internet is een grote hoeveelheid informatie over natuurinclusief bouwen beschikbaar. In hoofdstuk 4 worden enkele websites met praktische voorbeelden aangedragen.

12

4 Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten. Versie 1.0, juli 2017. https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soorten-ontheffingenwet-natuurbescherming/ Gebiedendatabase Natura 2000-gebieden: https://www.natura2000.nl/gebieden/friesland Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) uitvoerportaal, geraadpleegd op 8 augustus 2022: https://ndffecogrid.nl/

Natuurbeheerplan Fryslân 2022: https://www.fryslan.frl/natuurbeheerplan2022 Natuurinclusief bouwen:   

https://www.checklistgroenbouwen.nl/maatregelen/ https://bouwnatuurinclusief.nl/gemeente https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/technieken-beheer-eninnovatie/natuurinclusief-bouwen

Planologische Ecologische Hoofdstructuur/Natuurnetwerk Nederland provincie Fryslân: https://www.fryslan.frl/planologische-ecologische-hoofdstructuur-kaart-planologische-ehs/ Verordening Romte Fryslân 2014, geconsolideerde versie maart 2021: https://www.fryslan.frl/_flysystem/media/geconsolideerde-versie-verordening-romte-fryslan-2014versie-maart-2021.pdf Verspreiding van soorten: www.verspreidingsatlas.nl Wettekst Wet natuurbescherming: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-07-01

13

Bijlage I

Fotobijlage

Perceel geplande woning links van het hek tegenover woonboerderij aan de Doarpsstrjitte 56. Links op de voorgrond perceel met hoge begroeiing van klaver, rechts haventje Hoek en Wâd. Foto richting noordwesten.

Perceel geplande woning met op de achtergrond woningen aan De Kamp. Foto richting zuidwesten.

Perceel geplande woning ten zuiden van de Doarpsstrjitte 56. Foto richting noordoosten.

Perceel geplande woning met rechts de woning aan de Doarpsstrjitte 67. Foto richting zuiden.

Rietsloot langs perceelscheiding (zuid)oosten. Foto richting zuidoosten.

Perceel ten oosten van rietsloot met hoge begroeiing met veel klaver. Op de achtergrond de boerderij aan de Garewei 1. Foto richting zuidoosten.

Bijlage II

Toetsingskader

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming voorziet uitsluitend in de bescherming van Natura 2000-gebieden. Natura 2000 vormt een Europees netwerk van belangrijke natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Vanuit de Europese Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) zijn Natura 2000-gebieden aangewezen. In Nederland betreft dit ruim 160 gebieden op land en in zee. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd ten aanzien van de soorten en/of habitattypen waarvoor ze zijn aangewezen. Uitgangspunt ten aanzien van deze gebieden is dat een activiteit of ruimtelijke ontwikkeling niet mag leiden tot negatieve effecten op deze instandhoudingsdoelen.

Soortbescherming Met betrekking tot de bescherming van soorten flora en fauna worden in de Wet natuurbescherming de volgende drie categorieën onderscheiden:   

Soorten van de Vogelrichtlijn (§3.1 Wet natuurbescherming); Soorten van de Habitatrichtlijn en enkele bijlagen uit het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (§3.2 Wet natuurbescherming); Nationaal beschermde soorten (§3.3 Wet natuurbescherming).

Voor een overzicht van de verbodsbepalingen voor de soorten vallend onder bovengenoemde categorieën wordt verwezen naar tabel 1. De verbodsbepalingen van bescherming van de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, de derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming op 1 januari 2017 is de wettelijke bevoegdheid in veel gevallen gedecentraliseerd van het Rijk naar de provincies. Vanuit deze positie hebben de provincies de bevoegdheid om voor soorten uit de derde categorie (nationaal beschermde soorten) onder voorwaarden een vrijstelling van ontheffingsplicht te verlenen. Voor de provincie Fryslân worden deze soorten, alsmede de aan de vrijstelling gestelde voorwaarden, benoemd in de provinciale Verordening Romte Fryslân 2014 (geconsolideerde versie maart 2021)4. In gevallen waarbij sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen in tabel 1 en geen sprake is van een vrijstelling, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie.

4

Onder voorwaarden - waaronder activiteiten in het kader van ruimtelijke ordening - zijn de volgende soorten zoogdieren vrijgesteld: aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Daarnaast betreft het de volgende soorten amfibieën: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker/bastaardkikker. De vrijstelling van de kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) komt met de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening in 2023 te vervallen.

Doden en vangen

Voortplantings- en rustplaatsen

Rapen eieren

Verstoring

Vernielen of verwijderen planten

§ 3.1. Vogelrichtlijn

§ 3.2. Habitatrichtlijn

§ 3.3. Andere soorten

Artikel 3.1 lid 1 Het is verboden opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen.

Artikel 3.5 lid 1 Het is verboden in het wild levende dieren van soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Artikel 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1a Het is verboden in het wild levende dieren opzettelijk te doden of te vangen.

Artikel 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Artikel 3.1 lid 3 Het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben. Artikel 3.1 lid 4 en 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen (lid 4), tenzij aangetoond kan worden dat de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (lid 5). -

Artikel 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Artikel 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Artikel 3.5 lid 5 Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. N.v.t.

N.v.t.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Tabel 1. Verbodsbepalingen met betrekking tot soortbescherming Wet natuurbescherming.

De bescherming van vogelnesten verdient een speciale vermelding. In de Wet natuurbescherming genieten vogelnesten in principe alleen bescherming in de periode dat ze in gebruik zijn. De ecologische functionaliteit van de nesten moet hierbij gewaarborgd zijn. Buiten deze periode vallen de nesten niet onder de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Om aan een aantal vogelsoorten die daarvoor speciaal gevoelig zijn benodigde extra bescherming te bieden is vanuit de

provincies een overzicht opgesteld van vogelsoorten waarvan nesten en de directe ‘functionele’ omgeving van de nestplaats jaarrond bescherming genieten. Deze lijst en bijbehorende beschermingsstatus is als zodanig dus niet opgenomen in de Wet natuurbescherming, maar betreft een bovenwettelijke provinciale ‘beleidsregel’. Binnen de lijst met jaarrond beschermde nesten wordt onderscheid gemaakt in vijf categorieën. Van soorten uit categorie 1 tot en met 4 zijn de nesten jaarrond beschermd, van vogelsoorten uit categorie 5 hebben de nesten uitsluitend een jaarrond beschermde status indien er sprake is van ‘zwaarwegende ecologische redenen’. Dit laatste is zelden het geval5. Bescherming van houtopstanden Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van houtopstanden (voorheen geregeld via de Boswet). Uitgangspunt van de bescherming van houtopstanden in de Wet natuurbescherming vormt het behoud van het in Nederland aanwezige areaal bos. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat.

In het geval van het vellen van houtopstanden die vallen buiten de bepalingen van §4.1 van de Wet natuurbescherming (hieronder vallen onder meer houtopstanden binnen de bebouwde kom, op erven, opstanden van populieren of wilgen langs wegen of waterwegen) geldt een meldingsplicht bij de provincie en mogelijk hieruit voortvloeiend een kapverbod dan wel herplantplicht. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een algemene zorgplicht opgenomen (§1.3 artikel 1.11). In de wettekst wordt met betrekking tot deze zorgplicht het volgende gesteld:

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Bovengenoemde zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd - de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen of - voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen - deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

De zorgplicht houdt met andere woorden in dat planten en dieren niet onnodig vernield dan wel gedood of verstoord mogen worden en dat de uitvoerder doet wat redelijkerwijs mogelijk is om schade aan wilde planten en dieren zoveel mogelijk te voorkomen. De zorgplicht geldt voor iedere soort en individu in Nederland.

5

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten vallend onder categorie 1 tot en met 4 in Fryslân zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. De provincie Fryslân hanteert met het ingaan van de nieuwe Omgevingswet in 2023 een aangepaste lijst van vogels met jaarrond beschermde nesten.

Verordening Romte Fryslân De provinciale Verordening Romte Fryslân 2014 is opgesteld om ervoor te zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In de verordening staan regels over de thema’s bundeling, ruimtelijke kwaliteit, wonen, werken, recreatie en toerisme, landbouw, natuur, kustverdediging en duurzame energie. In maart 2021 is een geconsolideerde versie van de verordening vastgesteld. Hierin is onder meer de bescherming van gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland en andere (natuur)gebieden geregeld. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk kan beschouwd worden als de ruggengraat van de Nederlandse natuur en moet natuurgebieden beter met elkaar verbinden om te voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en natuurgebieden hun waarde verliezen. Naast de Natura 2000gebieden bevat het Natuurnetwerk Nederland ook overige leefgebieden van soorten en (agrarische) gebieden die een verbinding vormen tussen natuurgebieden. Het beleid ten aanzien van de bescherming van NNN-gebieden kent een ‘nee, tenzij’- principe. Dit houdt samengevat in dat er geen nieuwe ontwikkelingen zijn toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=4e8cc049-bb8a-4da7-a3f4-4386a8645df9