2. Definitief_Openbaar_Eindrapport_Regioanalyse_ANNO-Regio_V2
Tekst van het document
opwek) in te kopen voor gebruik of bij hoge prijzen (bij weinig opwek) te verkopen. Impact van batterijen is afhankelijk van netvlak én type inzet Batterijen achter de meter hebben (nagenoeg) geen extra impact op de infrastructuur omdat piekvermogens beperkt blijven tot het vermogen van de aansluiting. Losstaande batterijen kunnen wel een additionele vermogensvraag opleveren. Hierbij hangt het af van de inzet en het netvlak waarop ze zijn aangesloten. Inzet vanuit financieel oogpunt (handel op de elektriciteitsmarkt) is inmiddels rendabel. Omdat de elektriciteitsmarkten landelijk zijn ingericht, kan zich de situatie voordoen waarin de marktprijs hoog is (en de batterij dus elektriciteit gaat leveren), terwijl er juist lokaal een
opening in de bewolking is waardoor er ook zonne-energie wordt geproduceerd. Op een lokaal elektriciteitsnet kan hierdoor de situatie verergeren. Regionale netbeheerders moeten rekening houden met deze situatie en hiervoor ruimte reserveren. Op hoogspanning (met landelijke of regionale dekking) is het effect van lokale weersomstandigheden kleiner en daarmee ook de impact op de infrastructuur. TenneT gaat daarom uit van netneutraliteit voor batterijen op hun net. Mogelijk 100 – 500 MW aan grootschalige batterijen op hoogspanning in ANNO-regio In de ANNO-regio is er vanuit marktpartijen belangstelling om grootschalige batterijopslag te ontwikkelen op hoogspanning. Logischerwijs en volgens
de voorkeuren bij TenneT1 zullen deze plaatsvinden nabij hoogspanningsstations als OS Louwsmeer en/of OS Burgum.2 TenneT verwacht een grotere behoefte aan batterijen in provincies met een relatief groot overschot aan duurzame opwek. Gezien deze batterijen op het 220 en/of 110 kVhoogspanningsnet zullen worden aangesloten, is de impact op de het regionale energiesysteem beperkt. Wel zal er fysieke ruimte in beslag worden genomen. Openbaar
1) https://www.tennet.eu/nl/battery-energy-storage-systems-bess 2) Zie Bijlage B voor meer informatie over OS Burgum en OS Louwsmeer.
42
Bijlage A4. (Groen)gasvraag
Openbaar
BIJLAGE A.3: GASVRAAG IN DE GEBOUWDE OMGEVING
Het gasverbruik in de gebouwde omgeving neemt in de ANNO-regio met ca. 60 miljoen m3 af in 2035 De gasvraag neemt af door de energietransitie
Gasvraagreductie niet uniform over het jaar heen
In de gebouwde omgeving wordt er verduurzaamd door te isoleren en andere
De opname van hybride warmtepompen heeft vooral effect op de
verwarmingstechnieken toe te passen, zoals warmtepompen. Ook in de
gasvraag in de winter, aangezien er alleen bij lagere temperaturen
industrie wordt er gezocht naar alternatieven voor aardgas, zoals e-boilers en
extra moet worden bijgestookt via gas. Het overige gedeelte van het
industriële warmtepompen.
jaar lukt het vaak om alleen elektrisch te verwarmen. Daartegenover
Gasverbruik gebouwde omgeving voornamelijk op regionaal gasnet
staat dat hybride woningen vaak wel nog een gasaansluiting hebben
Om een eerste inschatting te maken van de gasvraagreductie op het regionale
en warm water en/of koken nog op gas gaat. Hierdoor hebben
net, kijken we naar de gasvraagreductie vanuit de gebouwde omgeving.
hybride woningen in de zomer nog wel een gasvraag.
Gasverbruiksdata van de industrie is op moment van schrijven nog niet
Aantal woningen met een (hybride) warmtepomp loopt op tot circa 37.000 in 2035
beschikbaar en ook verduurzamingsroutes zijn onzeker. Daarnaast heeft de net.
Gasverbruik op regionaal gasnet daalt met ca. 45% tot 2035, als gevolg van verduurzaming van de gebouwde omgeving Op basis van de elektrificatiemodellen1 en de huidige gasvraag2 van kleinverbruikers is bepaald hoeveel de gasvraag naar verwachting zal reduceren. Het aantal panden met een (hybride) warmtepomp in de ANNOregio loopt volgens de inschatting van Liander in 2035 op tot circa 37.000.3
Andere duurzaamheidsmaatregelen die aardgas kunnen besparen (zoals isoleren) zijn hierbij niet meegenomen. De totale besparing door elektrificatie van de gebouwde omgeving in de ANNO-regio komt neer zo’n 60,4 miljoen m3.
Openbaar
Aantal woningen met warmtepomp
gebouwde omgeving het grootste aandeel van het gasverbruik op het regionale
25000 20000 15000
10000 5000 0 2023
2025
2027
All-electric warmtepomp (lucht)
2029 Jaar
2031
2033
2035
All-electric warmtepomp (bodem)
Hybride warmtepomp
1) Het warmtemodel van Liander is gebruikt om het aantal woningen met hybride/all-electric oplossingen te bepalen, hier is het middenscenario gebruikt. Zie ook Bijlage A1. 2) Gegevens Stedin: de totale gasvraag vanaf het regionale gasnet door klein- en grootverbruikers in de ANNO-regio in 2021 was 127 mln. m3/jaar. 3) In 2050 is dit opgelopen tot ruim 50.000 woningen. Zie ook Bijlage A1.
44
BIJLAGE A.3: GASVRAAG IN DE GEBOUWDE OMGEVING
Warmtepompen in de gebouwde omgeving zorgen voor 45-50% aardgasreductie in 2035 Gasvraagreductie vindt (logischerwijs) met name in dichter bevolkte gebieden plaats De totale gasvraag vanaf het regionale gasnet door klein- en grootverbruikers was in 2021 127 mln. m3/jaar. Dit is exclusief gasverbruik op het HTL en RTL van de Gasunie. Deze gasvraag is het grootst in de dichtbevolkte gebieden, met name in Dokkum en Burgum. Logischerwijs is hier de gasvraagreductie door verduurzaming van de gebouwde omgeving het grootst. Gasvraag per PC4-gebied (KV en GV) in 2021 (mln. m3/jaar)
Mln. m3/jaar
Openbaar
Gasvraagreductie door verduurzaming van de gebouwde omgeving per PC4-gebied in 2035 ten opzichte van 2021 (mln. m3/jaar)
Mln. m3/jaar
Noot: Vanwege privacygevoelige informatie kon van postcodes met minder dan 10 aansluitingen geen data worden gebruikt. Op gemeenteniveau is er ten opzichte van de figuur nog een additionele gasvraag van 10,3 mln. m3 in Noardeast-Fryslân, 3,6 mln. m3 in Tytsjerksteradiel, 9,9 mln. m3 in Achtkarspelen.
45
Bijlage A5. Groengasaanbod
Openbaar
BIJLAGE A.4: AANBOD VAN GROEN GAS
De bijmengverplichting stimuleert het aanbod van groen gas Bijmengverplichting zorgt voor meer groengas-aanbod Vanaf 2025 zijn energieleveranciers verplicht om (oplopend) groen gas administratief bij te mengen bij levering aan de gebouwde omgeving. Door de bijmengverplichting neemt de vraag naar en de waarde van GvO’s drastisch toe (waarde groen gas = waarde GvO + waarde gas). Bij overstap van WKK’s op biogas naar groengas-invoeding verergert de groengas-invoedbeperking1 en vermindert lokale duurzame elektriciteitsopwek, waardoor afnamecongestie verergert, maar er wel ruimte vrijkomt voor andere duurzame opwek De intentie van dit beleid is om de productie van groen gas te laten toenemen, en dus de businesscase van groengas-productie en -opwaardering interessanter maken. In de praktijk blijkt dat deze maatregel de problematiek op het gas- en elektriciteitsnet kan verergeren. Dit gebeurt als partijen hun WKK-installatie vervangen door een opwaardeerinstallatie. Of als WKK’s op biogas worden vervangen door WKK’s op aardgas, waarna deze warmte en elektriciteit worden gebruikt voor de vergister en de opwaardeerinstallatie. Een toename van groengas-invoeding (bij dezelfde vraag) zorgt ervoor dat meer partijen een invoedbeperking krijgen.
Implicatie Warmtenet Warmte Mest Veehouderij
Biogas
Minder (flexibel) vermogen, grotere afnamecongestie
Stroom WKK Elektriciteitsnet
Vergister
Extra aanbod op lagere drukvlakken, beperkingen voor invoeding
Groen gas Opwaarderen Openbaar
1) Zie Bijlage B2 voor meer informatie over de invoedbeperkingen voor groen gas.
Gasnet
47
BIJLAGE A.4: AANBOD VAN GROEN GAS
Alle groengas-invoeders bevinden zich momenteel in de gemeente Noardeast-Fryslân Groengas-invoeders bevinden zich alleen in NoardeastFryslân Op basis van gegevens van Stedin, de gemeenten en SDE++ zijn biogas-producenten en groengas-invoeders weergegeven in de figuur hiernaast. Hieruit blijkt dat huidige groengas-invoeders niet met (volledige) SDE++-subsidie werken. Mogelijk zijn er nog vergisters die groen gas niet invoeden en/of geen SDE++ hebben. Deze zijn dan niet opgenomen in de figuur omdat deze geen gebruik maken van de regionale gasinfrastructuur. Mogelijk zullen deze partijen in de toekomst wel groen gas willen invoeden. Productie groen gas vrijwel constant over het jaar heen Vergisting is een natuurlijk proces dat vrijwel constant plaatsvindt. Aangezien vergisting de voornaamste bron is voor biogas, en na opwaardering, groen gas, is het aanbod van groen gas vrijwel constant over het jaar heen. Echter, doordat koeien in de zomermaanden relatief veel buiten staan en de geproduceerde mest dus niet verzameld wordt, is de productie in de zomermaanden iets lager. Dit effect is echter vele malen kleiner dan dat van seizoensafhankelijke gasvraag.1
Openbaar
Hantumhuzen Holwert
500 Marrum
225
333
375
295 169
500 333 83
Stedin Huidige groengas-invoeders (m3/h) ANNO Huidige groengas-invoeders (m3 /h) SDE++ Huidige biogas-producent (m3 /h) SDE++ Huidige groengas-invoeder (m3 /h)
1) Zie Bijlage B2 voor meer informatie over de invloed van de gasvraag op de invoedcapaciteit.
48
BIJLAGE A.4: AANBOD VAN GROEN GAS
Flinke groei van groengas-invoeders verwacht richting 2035 Groei van aantal groengas-invoeders naar verwachting ook in andere gemeenten Nieuwe groengas-invoeders worden ook buiten NoardeastFryslân verwacht. Stedin gebruikt de scenario’s van CE-Delft om locaties van nieuwe groengas-invoeders te voorspellen.1 In de figuur hiernaast is Scenario B gepresenteerd. Dit scenario gaat uit van meer overheidssturing (bijvoorbeeld in de vorm van de bijmengverplichting) en het behalen van de nationale doelstelling van twee miljard m3 invoeding in 2030.
Hantumhuzen Holwert
Marrum
500 533 333 225 389 65
Eanjum
1500
295 375 312 169 278
35
500 273 333 125
Let op: dit zijn geen concrete plannen die al bekend zijn of aanvragen die gedaan zijn. De concrete SDE++aanvragen worden weergegeven door gele bolletjes en de bekende plannen door de gemeenten door de bruine bolletjes.
89 83
65
1500
3 275
Koatstertille
3
In de gemeente Noardeast-Fryslân zijn alleen nog maar monovergisters toegestaan. Dit betekent dat de vergister slechts één grondstof (met name mest) gebruikt.
Stedin scenario groengas-invoeders (m3/h) ANNO verwachte groengas-invoeders (m3 /h) SDE++-aanvraag biogas-producent (m3 /h) SDE++-aanvraag groengas-invoeder (m3 /h)
Openbaar
1) CE_Delft_190281_Potentieel_lokale_biomassa_en_invoedlocaties_groen gas_DEF.pdf
49
BIJLAGE A.4: AANBOD VAN GROEN GAS
De potentie van groen gas productie in de ANNOregio ligt tussen de 3.310 en 5.250 m3/uur De jaarlijkse potentie van groen
Om deze bandbreedte te berekenen, worden er door New Energy
De potentie van groen gas in heel Friesland is
gas productie in de ANNO-regio
Coalition1 verschillende scenario’s (SC’s) gebruikt, die uitgaan van
122 mln m3 (=15.250 m3/uur) als alleen
is weergegeven in onderstaande
verschillende soorten biomassa als bron voor groen gas:
meststoffen gebruikt worden. Deze
tabel. We rekenen deze jaarlijkse • Zuiveringsslib
hoeveelheid wordt geschat op 26% van de
potentie om o.b.v. 8000
• Mest
warmtevraag van de gebouwde omgeving in
draaiuren per jaar.
• GFT- en ONF
2030. In het meest optimistische scenario kan
• Natuur en bermgras
er maximaal 216 mln m3 groen gas worden
• Reststromen VGI (alleen SC3 en 4)
geproduceerd met de beschikbare
Het 2 BCM scenario dat door
Stedin wordt gebruikt voor groen • Gewasresten (alleen SC3 en 4)
biogrondstoffen en mest. Dit zou voldoende
gasinvoeding in 2035 (4.600
• Afvalhout (alleen SC4)
zijn om 47% van de toekomstige warmtevraag
m3/h) valt binnen deze
• Productie bossen (alleen SC4)
van de gebouwde omgeving in te vullen.
bandbreedte.
• Natuur en landschap (alleen SC4)
Openbaar
SC1 (mln. m3/jaar)
SC2 (mln. m3/jaar)
SC3 (mln. m3/jaar)
SC4 (mln. m3/jaar)
Achtkarspelen
3,90
4,26
5,45
7,29
Dantumadiel
3,66
3,76
4,70
5,74
Noardeast-Fryslân
12,91
13,19
16,18
19,33
Tytsjerksteradiel
6,06
6,25
7,85
9,66
Totaal
26,53
27,46
34,18
42,02
1) Groen gas en zijn bijdrage aan de Friese energietransitie (New Energy Coalition, 2021)
50
Bijlage B: Impact op de energie-infrastructuur
Openbaar
Ontwikkelingen van de elektriciteits- en gasinfrastructuur binnen de ANNO-regio
Openbaar
Hoe ziet de huidige infrastructuur eruit?
Wat zijn de geplande investeringen?
Belastingsprognose per onderstation
Werking van het gasnet
Toelichting op het knelpunt
Ontwikkeling van het knelpunt
52
Bijlage B1. De elektriciteitsinfrastructuur
Openbaar
BIJLAGE B.1: ONDERSTATION DOKKUM
Knelpunten op OS Dokkum (55 MW) Noot vooraf • Liander is voor uitbreiding afhankelijk van de werkzaamheden van TenneT. Het plaatsen van nieuwe transformatoren kan pas nadat TenneT ruimte heeft gecreëerd op Voedingsgebied OS Dokkum het hoogspanningsnet, naar verwachting in 2026. Het aantal velden neemt toe, waardoor Liander een extra transformator en een tweede 20 kV-installatie kan aansluiten. • De capaciteit van het 110 kV-net verandert mogelijk alleen voor Liander. Hier komt in de tweede helft van dit decennium meer duidelijkheid over. Configuratie en congestiestatus • OS Dokkum bestaat uit twee installaties (één van 10kV en één van 20 kV). • Er bestaat congestie voor de afname van elektriciteit. Onderliggende schakel- en regelstations • SS Holwert (geen congestie) • SS Damwâld (geen congestie) • RS Eanjum (geen congestie) (SS De Band Wad (geen congestie), SS Buren Wad (geen congestie), SS Schiermonnikoog (beide richtingen congestie), RS Ameland (10 kV levering congestie en beide 20 kV inst. geen congestie) Oplossingen/ontwikkelingen 1. 2 trafo’s naar aparte velden (=> 77 MW) - na vervanging 110 kV TenneT – 2026 2. Extra 20 kV installatie & extra trafo (77 MW => 132 MW) – 2031 3. Er loopt een onderzoek naar de mogelijkheden tot zwaardere belasting van de bestaande transformatoren, hier is echter nog geen zekerheid aan te geven.
Openbaar
Legenda Schakelstation Regelstation Onderstation Voedingsgebied
54
BIJLAGE B.1: ONDERSTATION BURGUM
Knelpunten op OS Burgum (70 MW) Noot vooraf OS Burgum is zowel een HS-MS-station als een EHS-HS-station (verbindt 110 kV aan 220 kV). De energiecentrale levert daarmee niet uitsluitend aan de ANNO-regio. De schets hieronder betreft het HS-MS station. Configuratie en congestiestatus • Het station bestaat uit drie installaties (twee 10kV en één 20 kV).
Voedingsgebied OS Burgum
• Er bestaat congestie voor teruglevering van elektriciteit op 20 kV. Onderliggende schakel- en regelstations
• RS Surhústerfean (geen congestie) • SS Burgum Prinses Margrietkanaal (installatie 1 congestie beide richtingen en installatie 2 geen) • SS Koatstertille (geen congestie) • RS Bûtenpost (installatie 1 congestie teruglevering en installatie 2 geen) • SS Noardburgum (congestie teruglevering)
• SS Twizelerheide (congestie beide richtingen) • SS Gerkeskleaster (congestie teruglevering) • SS Kollum (congestie beide richtingen) Oplossingen/ontwikkelingen • OS Burgum Centrale: nieuwe 20 kV-installatie + 3 trafo’s (=>180 MW) – 2026 • Nieuw 20 kV-RS Bûtenpost (RS Bûtenpost, SS Kollum & SS Gerkeskleaster) – 2025
• Nieuw 20 kV-RS Droegeham (SS Koatstertille & RS Surhústerfean) – 2026 • SS Twizelerheide, SS Burgum PM & SS Noordburgum: extra MS-ringen - 2025
Openbaar
Legenda Schakelstation Regelstation Onderstation Voedingsgebied
55
BIJLAGE B.1: ONDERSTATION LEEUWARDEN
Knelpunten op OS Leeuwarden (105 MW) Noot vooraf OS Leeuwarden ligt niet in de ANNO-regio, maar voedt wel een gedeelte van de
Voedingsgebied OS Leeuwarden
ANNO-regio. Meer informatie over OS Leeuwarden en de ontwikkelingen in de regio Leeuwarden zijn te vinden in de regioanalyse Leeuwarden.1 Configuratie en congestiestatus
• Het station estaat uit drie 10 kV-installaties. • Er is geen congestie, wel is het station bijna vol. Onderliggende schakel- en regelstations • SS Ryptsjerk (congestie beide richtingen) • RS Hallum (congestie beide richtingen)
• SS Stiens (congestie beide richtingen) (SS Klanderijstraat (geen congestie), SS Het Hop (geen congestie), SS Grovestiens (congestie levering), SS Aldlansdyk (congestie levering), SS Sumatrastraat (geen congestie), SS Warga (congesite teruglevering) Oplossingen/ontwikkelingen:
• Nieuw 20 kV-RS Hallum Noord • Overzetten SS Stiens en RS Hallum naar OS Dokkum. Hierdoor neemt het voedingsgebied van OS Leeuwarden in Noardeast Fryslân af.
Openbaar
1) https://www.berenschot.nl/media/yluo2xwr/rapportage_regioanalyse_leeuwarden_berenschot.pdf
Legenda Schakelstation Regelstation Onderstation Voedingsgebied
56
BIJLAGE B.1: ONDERSTATION LOUWSMEER
Knelpunten OS Louwsmeer (9 MW) Noot vooraf OS Louwsmeer is een EHS-HS station (verbindt 110 kV aan 220 kV), met een
Voedingsgebied OS Louwsmeer
enkele 20 kV installatie die direct levert aan één enkele partij. Liander krijgt hier in de toekomst meer installaties en transformatoren, waarmee het de druk op OS Burgum en OS Leeuwarden kan verlichten. Additionele EHS-HS-transformatoren lossen TenneT’s congestie voor heel Friesland op. Configuratie en congestiestatus • Het station bestaat uit één 20 kV installatie. • Er is geen congestie. Onderliggende schakel- en regelstations
• N.v.t. Oplossingen/ontwikkelingen • Er loopt een studie naar het verplaatsen van een aantal grote aansluitingen van OS Leeuwarden naar OS Louwsmeer en HS-klant naar MS op OS Louwsmeer, door het plaatsen van 3 110>20 kV transformatoren op korte
termijn. In de toekomst mogelijk 5. Om zo meer capaciteit op HS-net te creëren. • Planning 80 MW in 2027 en 160 MW in 2035. 80 MW in 2027 geeft geen extra ruimte voor levering, maar mogelijk wel voor teruglevering. Openbaar
Legenda Schakelstation Regelstation Onderstation Voedingsgebied
57
BIJLAGE B.1: DE HUIDIGE SITUATIE VOOR AFNAME EN TERUGLEVERING
Grafische weergaven van de huidige situatie (medio december 2023) Netbeheer Nederland heeft een nationale capaciteitskaart ontwikkeld,1 waarop de capaciteit op het elektriciteitsnet voor heel Nederland is weergegeven. Hieronder is ingezoomd op de ANNO-regio.
Congestiekaart voor afname van elektriciteit Transparant: transportcapaciteit beschikbaar Geel: beperkt transportcapaciteit beschikbaar Oranje: voorlopig geen transportcapaciteit beschikbaar in afwachting van uitkomst van het congestiemanagement-onderzoek Rood: geen transportcapaciteit beschikbaar: congestiemanagement kan niet worden toegepast.
Openbaar
Congestiekaart voor teruglevering Transparant gearceerd: transportcapaciteit beschikbaar o.b.v. toepassing congestiemanagement Geel gearceerd: beperkt transportcapaciteit beschikbaar o.b.v. toepassing congestiemanagement Oranje gearceerd: voorlopig geen transportcapaciteit beschikbaar in afwachting van het verdelen van het vrijgekomen vermogen over de wachtrij o.b.v. congestiemanagement. (Het is nog onduidelijk of en hoeveel vermogen er beschikbaar komt voor nieuwe aanvragen die nog niet in de wachtrij staan.) Rood gearceerd: geen transportcapaciteit beschikbaar: de grenzen voor de toepassing van congestiemanagement zijn bereikt.
1) Voor de actuele stand en het landelijk overzicht; https://capaciteitskaart.netbeheernederland.nl/
58
BIJLAGE B.1: BELASTINGPROGNOSE OS BURGUM
De investeringen voor OS Burgum zijn onvoldoende om ook na 2035 aan de afnamepiek te voldoen De belastingprognose geeft de verwachte jaarpiek De figuren onderaan geven de belastingprognose weer. Dit is de verwachte maximale vermogensvraag van de infrastructuur (OS Burgum in dit geval). Dit kan één enkel moment per jaar zijn, bijvoorbeeld een enkele winteravond. De belastingprognose wordt gebruikt om investeringen aan de infrastructuur te bepalen. Ondanks geplande uitbreiding is de capaciteit op onderstation Burgum naar verwachting niet voldoende In 2026 staan er uitbreidingen gepland voor onderstation Burgum. Door deze uitbreiding lijkt de infrastructuur tot en met 2035 voldoende
capaciteit te bevatten voor afname. Aangezien de vermogensvraag blijft groeien, zal er echter naar verwachting in 2050 een capaciteitstekort zijn, zowel voor afname als voor teruglevering. Afnamepiekbelasting
400
Terugleveringspiekbelasting
Jaarpiek in MW
350 300 250 200 150 100 50 0
2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035
Wind
Openbaar
Zon
Logistiek
Industrie
2050
Elektrisch personenvervoer
2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035
Warmte
Bekende plannen
Baseload
2050
Capaciteit (N-1)
Capaciteit (N)2
1) Getallen geven een indicatie van de impact en bevatten onzekerheid. Voor een goed overzicht is slechts één waarde per ontwikkeling weergegeven. Dit betreft één bandbreedte per ontwikkeling. Hier is uitgegaan van het middenscenario van de diverse bandbreedtes. 2) Vanaf de uitbreiding in 2026 kan de vluchtstrookcapaciteit (N) worden ingezet voor grote zonneparken bij teruglevering. De effectieve capaciteit is daarom groter bij teruglevering dan bij afname. Voor meer informatie: https://www.liander.nl/over-liander/transportschaarste/innovaties/reservecapaciteitinzetten
59
BIJLAGE B.1: BELASTINGPROGNOSE OS DOKKUM
De investeringen voor OS Dokkum zijn onvoldoende om in 2035 aan de afnamepiek te voldoen Ondanks geplande uitbreidingen is de capaciteit op onderstation Dokkum naar verwachting niet voldoende
In 2026 en 2030 staan er uitbreidingen gepland voor onderstation Dokkum. De verwachte belasting is echter nog hoger. De verduurzaming van de gebouwde omgeving is hier met name de oorzaak van. Hierdoor is er naar verwachting in 2050 een capaciteitstekort van ruim 60 MW voor afname. Voor teruglevering is tot aan 2035 voldoende ruimte, maar ook hier wordt er een tekort verwacht in 2050. Er is meer capaciteit nodig om de vermogensvraag te kunnen behandelen, de bouw van een nieuw station moet onderzocht worden Aangezien de verwachte vermogensvraag in de ANNO-regio bij beide stations de capaciteit overtreft, moet er meer capaciteit worden gerealiseerd. Bij onderstation Dokkum, waar het knelpunt het grootst lijkt, is echter geen (fysieke) ruimte meer na de uitbreidingen. Het is daarom van belang
dat er onderzoek wordt gedaan naar het creëren van een nieuw onderstation. Liander verzoekt de gemeente om medewerking te verlenen aan en mee te denken met Liander over mogelijke grondposities en procedures met als doel het snel realiseren van een nieuw onderstation (in een nog door Liander en TenneT te bepalen zoekgebied).
Jaarpiek in MW
200 150 100 50 0
2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035
Wind
Openbaar
Terugleveringspiekbelasting
Afnamepiekbelasting
250
Zon
Industrie
Logistiek
2050
Elektrisch personenvervoer
2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035
Warmte
Bekende plannen
Baseload
Capaciteit (N-1)
2050
Capaciteit (N)
1) Getallen geven een indicatie van de impact en bevatten onzekerheid. Voor een goed overzicht is slechts één waarde per ontwikkeling weergegeven. Dit betreft eigenlijk één bandbreedte per ontwikkeling. Hier is uitgegaan van het middenscenario van de diverse bandbreedtes. 2) Vanaf de uitbreiding in 2026 kan de vluchtstrookcapaciteit (N) worden ingezet voor grote zonneparken bij teruglevering. De effectieve capaciteit is daarom groter bij teruglevering dan bij afname. Voor meer informatie: https://www.liander.nl/over-liander/transportschaarste/innovaties/reservecapaciteitinzetten
60
Bijlage B2. De gasinfrastructuur
Openbaar
BIJLAGE B.2: DE GASINFRASTRUCTUUR
De capaciteit voor groengas-invoeding hangt af van de vraag op dat drukvlak, niet van de infrastructuur De capaciteit voor groengas-invoeding op een specifiek drukvlak wordt bepaald door de vraag naar gas op dit drukvlak, niet door de infrastructuur. Vraag en aanbod moet per drukvlak te allen tijde gelijk zijn. Hoe lager de vraag naar gas, hoe minder groen gas er dus kan worden ingevoed in het gasnet. Invoeding van groen gas is vrij constant door het jaar heen. In de zomer is de vraag naar gas echter veel lager dan in de winter (zie figuur), waardoor groengas-invoeders moeten afschalen (om de druk op het 8-bar-net gelijk te houden). De beperkte gasvraag in de zomer zorgt er dus voor dat er minder capaciteit is voor invoeding.
gasvraag gedurende het jaar1 winter
winter
zomer
Openbaar
1) Stedin presentatie groen gas (8-11-23)
62
BIJLAGE B.2: DE GASINFRASTRUCTUUR
De groengas-invoedcapaciteit = de hoeveelheid gas die minimaal 8.000 uur per jaar gevraagd wordt De SDE+-subsidie is gemaximeerd aan de hand van het maximum aantal vollasturen per jaar. Voor groen gas is dat 8.000 uur. Dit noemen we de invoedcapaciteit. Het hanteren van minder injectie-uren kan de totaal in te voeden hoeveelheid groen gas doen toenemen, maar zorgt ervoor dat invoeders niet de gehele SDE++-subsidie ontvangen. De opname van (hybride) warmtepompen in de gebouwde omgeving zorgt voor minder draaiuren van groengas-invoeders. Een groengas-invoeder (GGI) die 1.000 m3/uur groen gas produceert, kan in dit voorbeeld gedurende het jaar 8.250 uur invoeden op het net. Als er een GGI bijkomt met een capaciteit van 1.500 m3 /uur, dan kan deze maximaal 6.000 uur invoeden. Bij de opname van (hybride) warmtepompen is
het aantal draaiuren voor de tweede GGI slechts 4.800 in plaats van 6.000 uur.
Gesorteerd gasvraag (van groot naar klein) gedurende het jaar1
Gasvraag bij opname van (hybride) warmtepompen
Openbaar
1) Stedin presentatie groen gas (8-11-23)
Uren in een jaar
63
BIJLAGE B.2: DE GASINFRASTRUCTUUR
Het knelpunt zit momenteel op het 8-bar-gasnet in Noardeast-Fryslân Het gasnet bestaat uit meerdere 8-bar-gasclusters Een gascluster wordt gevoed vanuit een 8-bar-leiding. In de ANNO-regio zijn er 10
Beschikbare ruimte voor groen gasinvoeding op het 8-bar-net in de ANNO-regio
clusters (zie hiernaast), waarbij de capaciteit verschilt. Op het 8-bar-net in Noardeast-Fryslân (cluster 1) zijn momenteel vier groengas-invoeders operationeel waarvan de beschikbare hoeveelheid groen gas (zo’n 1.500 m3/h) de capaciteit van het deelnet (ca. 760 m3/h) overschrijdt.2
Dit betekent dat de invoeders op momenten dat de gasvraag hoog is (met name in de winter) nog wel maximaal kunnen invoeden, maar dat op momenten van lage gasvraag de invoeding beperkt is (met name in de zomer). Netbeheerders zijn niet wettelijk verplicht om te investeren in infrastructuur Gasnetbeheerders zijn (in tegenstelling tot het elektriciteitsnet) niet wettelijk
verplicht om vooruit te investeren en iedere aanvraag voor invoeding te honoreren. Groen gas invoedcapaciteit:
Dit maakt het lastig om investeringen met meerdere netbeheerders (Gasunie en Stedin) te realiseren, al wordt altijd geprobeerd om verzoeken te honoreren. Lokaal ontstaan schrijnende situaties • Volgens de gemeente Noardeast-Fryslân kunnen twee nieuwe invoeders slechts 22% van hun totale capaciteit invoeden op het net, waardoor de businesscase
Capaciteit Beperkte capaciteit Zeer beperkt capaciteit Geen capaciteit
niet rond komt. • Normaal gesproken kunnen boeren hun stikstofproblematiek oplossen met • groengas-productie,1 maar door dit knelpunt is dit niet meer mogelijk. Openbaar
Vergisting en elektriciteit/warmte-productie zijn nog wel mogelijk.
1) WUR - https://www.wur.nl/nl/onderzoek-resultaten/onderzoeksinstituten/livestockresearch/show-wlr/gezamenlijke-mestvergister-biedt-kansen-voor-reductie-vanammoniak-en-broeikasgassen.htm 2) Deelnetcapaciteit op basis van investeringsplan Stedin.
64
BIJLAGE B.2: DE GASINFRASTRUCTUUR
Geplande investeringen van Stedin moeten groeiend aanbod van groen gas faciliteren Gasvraag neemt af terwijl het aanbod van groen gas juist stijgt De gasvraag in cluster 1 neemt als gevolg van elektrificatie van de gebouwde omgeving naar waarschijnlijkheid af met ca. 20 mln. m3 in 2035, terwijl de groengas-invoeding in cluster 1 de komende jaren juist groeit. Op kortere termijn met 767 m3/h (bekende plannen en aanvragen), en op de langere termijn verwacht Stedin door de hoge potentie van biomassa dat hier nog ca. 3.500 m3/h bijkomt.2 Procentuele reductie van de gasvraag door verduurzaming GO per cluster in 20351 Stedin neemt actie om groeiend aanbod te kunnen faciliteren
• Buffercapaciteit creëren door verlaging van leverdruk in twee gasontvangstations (gerealiseerd in 2023). • Er komt een netkoppeling tussen Stedin en Liander tussen Stiens en Hallum. Dit gaat 1.500 m3/h aan ruimte op het 8-bar-gasnet opleveren en
53% 59% 68%
55%
64%
Openbaar
61%
zal in maart 2024 gereed komen. • Er wordt een verzamelleiding4 in gebruik genomen tussen Harlingen en
Koatstertille. Momenteel in studiefase, capaciteitswinst nog niet bekend, maar zou tot en met 2035 toekomstbestendig moeten zijn. Verwachte realisatie in 2026.
61%
58%
1) Vanwege privacygevoelige informatie kon van postcodes met minder dan 10 aansluitingen geen data worden gebruikt. Op gemeente niveau is er ten opzichte van de figuur nog een additionele gasvraag van 10,3 mln. m3 in Noardeast-Fryslân, 3,6 mln. m3 in Tytsjerksteradiel, 9,9 mln. m3 in Achtkarspelen. Hierdoor liggen percentages in werkelijkheid lager. 2) Voor een overzicht van aanbodstijging, zie Bijlage A5.
65
BIJLAGE B.2: DE GASINFRASTRUCTUUR
Als industrieterreinen gaan elektrificeren, neemt de gasvraag nog verder af Onzekerheid over de invloed van industrie Als industrieterreinen in de ANNO-regio gaan elektrificeren, lijken de congestie op het elektriciteitsnet en de invoedbeperking op het gasnet erger te worden, omdat de gasvraag met relatief vlak profiel (jaarrond) dan verdwijnt. Het is tijdens deze studie echter niet onderzocht of deze industriepartijen op het HTL/RTL een aansluiting hebben of juist op het lagedruknet. Indien deze een aansluiting bij de Gasunie hebben, is de invloed op de invoedcapaciteit beperkt. Ook zou juist de industrie de invoedcapaciteit kunnen verhogen, als (gedeeltelijk) wordt overgestapt van een aansluiting op het HTL/RTL naar een aansluiting op het distributienet. De concrete verduurzamingsplannen van de industrie zijn echter nog niet bekend bij de gemeenten en netbeheerders (Liander maakt hier wel een inschatting van in hun belastingprognose, op basis van kengetallen en het bestaande elektriciteits- en gasverbruik). Het is voor beide netten, maar ook voor de bedrijven zelf, van belang om deze plannen te achterhalen en waar nodig te concretiseren en te melden bij de netbeheerders. Openbaar
Betterwird industrieterrein
Industrieterrein Hallum • Meerdere grote voedingsindustrie partijen Bûtenpost • Kunststofextrusie
53%
Industrieterrein Skûlenboarch • Voornaamste industrie: • Betonvloeren • Stalen netten voor betonconstructies
59%
55%
68% Industrieterrein Burgum-Sumar • Voornaamste industrie: Afname gasvraag • Vleesafvalverwerking, cluster 6 (x1000 m3/jaar): • Betonproductie • Zware staalbouw • Hygiënepapier • Mogelijk Green Deal aanpak
64%
61% 61%
Koatstertille • Asfaltproductie, cluster 6 • Betonproductie 58%
Garyp • Industriële bakkerij Procentuele reductie van de gasvraag door verduurzaming GO per cluster in 2035 t.o.v. 2021
66
Bijlage C: Handelingsperspectief
Openbaar
BIJLAGE C: HANDELINGSPERSPECTIEF
Verdere verkenning van een aantal handelingsperspectieven Deze bijlage biedt geen totaal overzicht van handelingsperspectieven, maar geeft nadere toelichting op en analyse van een aantal oplossingsrichtingen. De volgende oplossingsrichtingen zijn op basis van behoefte nader onderzocht: 1. De inzet van windmolens. 2. De inzet van aquathermie op basis van TVW’s Dantumadiel en Noardeast-Fryslân. 3. De inzet van groen gas in de gebouwde omgeving. 4. De inzet van smart grids. 5. De inzet van aftoppen van zon en wind. 6. Verdere acties die op het gasnet ondernomen kunnen worden.
Openbaar
68
BIJLAGE C: HANDELINGSPERSPECTIEF - WINDMOLENS
Windmolens hebben minder grote impact op het net dan zonne-opwek Wind- en zonne-energie krijgen een steeds voornamere rol in
Opbrengsten (en rentabiliteit) van een windmolen groeien naarmate de turbines
het energiesysteem. Vanuit een systeemperspectief heeft wind
hoger én groter worden. Dit heeft te maken met een tweetal factoren.
echter een aantal voordelen ten opzichte van zon.
• Het waait harder en constanter op hogere hoogtes. Hierdoor nemen de opbrengsten toe.
Weer aan kuststreken
• Hogere molens geven de mogelijkheid om grotere wieken toe te passen. Deze grotere
Wind waait harder en vaker dichterbij de kust, waardoor de
wieken zijn bepalend in de hoeveelheid wind die er gevangen kan worden. Dit oppervlak
opbrengsten per turbine oplopen. Met name in het noordelijk
groeit kwadratisch; dus bij elke verdubbeling van de lengte van de wieken, is er een
gedeelte van de ANNO-regio is dit voordelig.
verviervoudiging van de opbrengsten.
Seizoensgelijktijdigheid
Hieronder is in een tabel indicatief weergegeven hoeveel windmolens of zonnepanelen er
Het waait vaker en harder in de herfst- en wintermaanden. In
nodig zijn om het equivalent aan energie op te wekken van een grote windmolen.5
deze maanden is de vraag naar elektriciteit ook groter en wordt
Haliade X (tiphoogte =260 m)1
Windpark Fryslân (tiphoogte =180 m)2
EWT Reduzum (tiphoogte =100m)3
WES erfmolen (masthoogte =15m)4
Zonnepanelen
Aantal
1
3,3
14
490
54 ha
Individueel vermogen
14 MW
4,3 MW
1 MW
Alleen opbrengsten bekend
1 MW/ha
Opbrengsten (per stuk)
49 GWh
15 GWh
3,5 GWh
0,1 GWh
0,9 GWh/ha
die nog groter naarmate de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving en industrie elektrificeert. Door deze gelijktijdigheid is
er minder behoefte aan opslag. Zonne-opwek produceert juist meer in de zomermaanden, wanneer de energievraag relatief laag is. Hogere opbrengsten bij gelijke vermogens Het waait in Nederland meer uren dan de zon schijnt. Hierdoor is bij gelijke vermogens, de opbrengst van windmolens hoger
dan die van zonne-opwek. Inpassing makkelijker door langere realisatietijd
1) 2) voor netbeheerders makkelijker is om ze in te passen in het net. 3) 4) Openbaar 5)
De realisatie van windmolens duurt relatief lang, waardoor het
https://www.ge.com/renewableenergy/wind-energy/offshore-wind/haliade-x-offshore-turbine https://www.windparkfryslan.nl/ https://windenergie-nieuws.nl/20/twee-friese-energiecooperaties-kiezen-voor-ewt-1-mw-windturbine/ https://windenergysolutions.nl/wes/windturbine-wes-50/?lang=nl Tabel op basis van 900 vollasturen voor zon en 3500 vollasturen voor wind
69
BIJLAGE C: HANDELINGSPERSPECTIEF - AQUATHERMIE
TEO kan potentieel in 60% van de ruimteverwarming in de Friese gebouwde omgeving voorzien Met thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) kan worden voldaan aan de warmtevraag voor meer dan 60% van de ruimteverwarming in Friesland. Deze technische potentie van 60% wordt niet beperkt door de hoeveelheid oppervlaktewater, maar door de ruimtelijke
verdeling ervan. Verder is er beperkt rekening gehouden met economische potentie.1 De potentie van thermische energie uit afvalwater (TEA) in de gemeente Noardeast-Fryslân en Dantumadiel wordt ingeschat op 36.550-68.050
GJ/jaar. Hierin worden alleen bronnen meegenomen die minimaal 250 woningen kunnen voorzien in hun warmtevraag.2 Ook in Achtkarspelen en Tytsjerksteradiel kan dit bijdragen, hiervoor is onderzoek noodzakelijk. Op de volgende pagina is de impact van een aantal
potentiële aquathermische warmtenetten op de elektriciteitsinfrastructuur verder toegelicht.
Openbaar
1) TEO-potentie Friesland (Rom3D, 2020) 2) Kansen voor TEA in Noardeast-Fryslân (Syntraal, 2023)
70
BIJLAGE C: HANDELINGSPERSPECTIEF - AQUATHERMIE
Benutting van de potentie van TEO en TEA kan zorgen voor 8% minder belasting op OS Dokkum Warmtenetten op aquathermie in Dantumadiel en Noardeast-Fryslân kunnen belasting op OS Dokkum met 8% reduceren In de transitievisies Warmte van Dantumadiel en Noardeast-Fryslân staan meerdere potentiële warmtenetten op aquathermie beschreven,1 gezamenlijk goed voor ca. 3.500 woningequivalenten (WEQ): • Rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s): Dokkum 940 woningen, Burdaard ca. 495 woningen, Damwâld ca. 540 woningen. • Pompgemalen: Kollum ca. 280 woningen, Marrum ca. 270 woningen, Westereen ca. 240 woningen, Broeksterwâld ca. 280 woningen. • LT warmtenet Lauwersmeer – Eanjum: ca. 480 WEQ.
Doordat de warmtevraag niet meer door elektriciteit wordt beantwoord (warmtepompen), maar met een warmtenet, wordt het elektriciteitsnet en daarmee het onderstation ontlast. De afnamepiek op OS Dokkum neemt naar verwachting met 8% af in 2035 (afname van 11 MW).3 Ook in de andere gemeenten in de ANNO-regio kunnen warmtenetten een positief effect hebben op de elektriciteitsinfrastructuur, maar dit is niet nader onderzocht.
-8%
Warmtenetten hebben ook op lagere netvlakken positieve effecten Naast de impact op het onderstation, hebben warmtenetten ook effect op het In Dokkum zouden hierdoor ca. 9 MSR’s minder geplaatst kunnen worden van de 50 MSR’s die er extra nodig zijn als voor all-electric verwarmen wordt gekozen.4
Openbaar
1) Transitievisie Warmte Noardeast-Fryslân (2021): Samen aan de slag voor een aardgasvrij Noardeast-Fryslân 2) Transitievisie Warmte Dantumadiel (2021): Samen aan de slag voor een aardgasvrij Dantumadiel 3) Er wordt aangenomen dat bijverwarming tot bruikbare warmte (van ca. 20 tot ca. 50 ˚C) gebeurt via groen gas. Mocht dit via elektriciteit gebeuren is de reductie van 11 MW minder groot, maar nog steeds aanwezig. 4) Er wordt aangenomen dat warmte op hoge temperatuur de woningen bereikt, waardoor niet decentraal wordt bijverwarmd. Mocht dit wel gebeuren is het effect minder groot, maar nog wel aanwezig.
Vermogen (MW)
aantal bij te plaatsen middenspanningsruimtes (MSR) in de gebouwde omgeving.
140
135
120
37
124
100
26
80 60 40
98
98
Overig
20 0
Warmte
Middenscenario Liander
TEO en TEA 71
BIJLAGE C: HANDELINGSPERSPECTIEF – GROEN GAS
Verduurzamen van wijken via groen gas heeft beperkte infrastructurele voordelen Verduurzamen via groen gas helpt zowel gas- als elektriciteitsnet Door de beperkte ruimte voor groengas-invoeding en de (dreigende) capaciteitstekorten op het elektriciteitsnet, is verduurzamen via groen gas een goede optie. Doordat de gasvraag op peil blijft, kunnen groengasinvoeders meer invoeden en wordt er tegelijkertijd niet meer van de elektriciteitsinfrastructuur gevraagd. Bijkomend voordeel is dat de huidige
(inpandige) infrastructuur en apparatuur gebruikt kunnen worden en er dus geen additionele kosten hoeven worden gemaakt, of buitenunits voor warmtepompen hoeven worden geplaatst. Er zijn echter nog wel een aantal barrières Tot op heden is het slechts bij drie energieleveranciers mogelijk om 100%
[praktijkvoorbeeld 1/2] - Aan het gas blijven kan 5 MW aan vermogensvraag besparen op OS Dokkum Verduurzaming via groen gas is een mogelijkheid voor gebouwen die anders moeilijk te verduurzamen zijn. Gegeven de status van beschermde dorpsgezichten in Noardeast-Fryslân en de monumentale panden in Dantumadiel, is de impact van het aan het gas houden van deze wijken en gebouwen als casestudy doorgerekend. Voor onderstation Dokkum komt dit neer op een reductie van het piekvermogen van ca. 3% en een afname van ongeveer 5 MW ten opzichte van het middenscenario van Liander.2 Omdat de hoeveelheid woningen achter OS Burgum beperkt is, is de invloed hierop marginaal.
groen gas af te nemen, waarvan er één garandeert dat de oorsprong
-3% 150
gebruiker de GvO’s in. Het gaat hierbij om administratief verduurzamen, aangezien een energieleverancier niet kan garanderen of sturen op wat er daadwerkelijke door het net vloeit. Als er fysiek verduurzaamd dient te worden met een lokale groengasinvoeder is er op zijn minst de opslagcapaciteit nodig om in de zomer gas
lokaal op te slaan voor de wintermaanden. Dit kan zowel “off-grid” met een eigen netwerk, of via het bestaande gasnet, maar daarbij is een garantie voor fossiel vrij lastig.
Openbaar
Vermogen (MW)
hiervan in Nederland ligt.1 De energieleverancier koopt dan namens de
135
131
Warmte
37
32
Overig
98
98
Middenscenario Liander
Groen gas
100
50
0
1) https://www.hier.nu/hier-checkt-groen-gas 2) Zie Bijlage A1 voor meer toelichting op verduurzaming van bestaande bouw en de scenario’s van Liander.
72
BIJLAGE C: HANDELINGSPERSPECTIEF – GROEN GAS
Beschermde dorpsgezichten vallen binnen gebied waar beperkingen zijn voor groen gasinvoeding [Praktijkvoorbeeld 2/2] - Gasvraag bij gespecificeerde wijken kan knelpunt voor groengas-invoeding reduceren Ten opzichte van het middenscenario van Liander, waarin er vooral
Toename van de gasvraag (in x1000 m3) op PC4 niveau o.b.v. data 2021
geëlektrificeerd wordt, zal er rond de 2,8 mln. m3 per jaar meer gas worden afgenomen, als de beschermde dorpsgezichten en monumentale panden niet worden geëlektrificeerd.1 Aan het gas houden vertaalt zich naar enkele tientallen m3 per uur aan invoedcapaciteit Het voornaamste gedeelte van deze panden (1.838 in totaal) bevindt zich in gascluster 1, waar momenteel al invoedbeperkingen zijn. Een directe doorvertaling naar invoedcapaciteit is moeilijk te maken, voornamelijk door
het aantal invoed-uren en het verschil in profiel tussen vraag en aanbod. Een ruwe schatting op basis van de verhouding huidige gasvraag (36 mln. m3/jaar) vs invoedcapaciteit (760 m3/uur) leert dat de vraag van 2,8 mln.
Toename gasvraag (x1000 m3)
m3/jaar zich ongeveer vertaalt naar 60 m3/uur aan invoedcapaciteit.
Zoals hiervoor vermeld, kent het garanderen van fysiek groen gas voor wijken en panden wel nog barrières.
Openbaar
1) Dit is exclusief eventuele isolatiemaatregelen, de besparing zal hierdoor in werkelijkheid lager liggen.
73
BIJLAGE C: HANDELINGSPERSPECTIEF – SMART GRID
Zet op korte termijn in op smart grid-oplossingen op bedrijventerreinen ‘Smart grid’ is een verzamelnaam voor verschillende technieken om vraag en aanbod van elektriciteit optimaal op elkaar af te stemmen. Denk hierbij aan slimme energiemeters, gedigitaliseerde elektriciteitsnetten met slimme algoritmes, en netwerksensoren die spanningsniveaus en -kwaliteit monitoren. Smart grids omvatten altijd collectieve oplossingen voor het lokaal uitwisselen van energie. Bij smart grids is er tweerichtingsverkeer van elektriciteit en data. Dit tweerichtingsverkeer zorgt ervoor dat een verandering snel gedetecteerd wordt zodat erop gereageerd kan worden. De kern van smart grid-technologie is data: monitoren, meten, delen en acteren op informatie. Vijf mogelijkheden die vallen onder smart grid-oplossingen die nu al mogelijk zijn:
1. Meerdere partijen op één aansluiting: voor zowel terugleveren als verbruiken. 2. Directe lijn: twee klanten zijn direct aan elkaar verbonden, waarbij vaak één de opwekker is, en één de gebruiker. Beiden hebben een eigen aansluiting bij Liander. 3. Collectief laadplein met slim laden. 4. Cable pooling: één aansluiting voor zowel de opwek van zonne- als windenergie. 5. Gesloten distributiesysteem (GDS): een privaat net voor maximaal 500 afnemers, waarbij het net in eigen beheer (ontheffing nodig van ACM).
Deze optie blijkt in de praktijk vaak moeilijk te realiseren door tegenwerkende eisen vanuit de ACM. Een smart grid kan lokaal congestie op het elektriciteitsnet verminderen. Een voorwaarde hierbij is wel dat er geen lifeline (verbinding met het net voor de zekerheid) nodig is (of slechts een kleine). Anders is Liander verplicht om deze capaciteit te allen tijde te reserveren. Een smart grid heeft op korte termijn vooral potentie op bedrijventerreinen, omdat een vraag met verschillende profielen gecombineerd kan worden met lokale opwek en opslag. Op de langere termijn bieden smart grids wellicht ook kansen voor woonwijken.
Openbaar
Belemmeringen zitten in technische, digitale en organisatorische aspecten. De implementatie van infrastructuur en technologieën is kostbaar. Daarnaast zijn de lokale netten in eigen beheer, hiervoor is wel iemand nodig die dit organiseert. Verder is de beveiliging tegen cybercrimes ingewikkeld en zijn er privacykwesties die aangepakt moeten worden. Het systeem is complex en daarmee foutgevoelig, waardoor een langzame gefaseerde invoering nodig is.
Verken de mogelijkheden voor smart grid- oplossingen op bedrijventerreinen. De gemeente kan hierin een faciliterende rol spelen. Ze kan met bedrijven in gesprek gaan en een partij aanstellen die de organisatie op zich neemt. Het starten van een pilot kan ervoor zorgen dat er lessen kunnen worden gedeeld met andere terreinen. Begin met oplossingen op kleine schaal (zoals 1, 3, 4 en 5) en verken ondertussen het gesloten distributiesysteem (2).
74
BIJLAGE C: HANDELINGSPERSPECTIEF – AFTOPPEN
Aftoppen kan capaciteit besparen tegen geringe energieverliezen Aftoppen van wind- en zonenergie reduceert de impact op het net zeer aanzienlijk, met beperkte gevolgen voor de opbrengsten
Voorbeeld vergelijking windprofielen
In geval van terugleveringscongestie kan het capaciteit opleveren als 1
aftoppen draait een windmolen of zonnepaneel niet meer op zijn
0,9
maximale vermogen maar op, in dit voorbeeld, 70% van zijn maximale
0,8
vermogen. Gezien een windmolen het merendeel van de tijd niet op het
0,7
maximale vermogen opereert, is het verlies in energetische opwek beperkt. Daarnaast levert elektriciteit over het algemeen juist in deze piekmomenten minder op, omdat het aanbod hoog is, waardoor de inkomsten (afhankelijke van contract en markt) over het algemeen minder achteruitgaan dan de derving in energetische opbrengsten.
Getallen zijn indicatief en kunnen in de praktijk licht afwijken.
Relatieve belasting
windmolens of zonnepanelen worden afgetopt (curtailment). Bij
0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1
Openbaar
Aftoppercentage
Energetische opbrengst
Derving inkomsten
Zon
70%
88%
≤12%
wind
50%
90%
≤10%
0
00:00 02:45 05:30 08:15 11:00 13:45 16:30 19:15 22:00 00:45 03:30 06:15 09:00 11:45 14:30 17:15 20:00 22:45 01:30 04:15 07:00 09:45 12:30 15:15 18:00 20:45 23:30 02:15 05:00 07:45
Opwek
Wind profiel
Wind profiel 70% afgetopt
75
BIJLAGE C: HANDELINGSPERSPECTIEF – GASNET
Oplossingen voor meer capaciteit op het gasnet HTL (67 bar)
Een netbeheerder heeft acht mogelijkheden om de groen gasinvoedcapaciteit te vergroten
Booster
Deze maatregelen (hiernaast grafisch weergegeven) worden doorgaans oplopend genomen, eerst 1, dan 2, etc.
RTL (40 bar)
6
Invoeders aansluiten op een zo’n hoog mogelijk drukvlak
❽
❶ Aansluiting 1-4 bar druknet
❷ Aansluiting hoger netvlak
GOS
2
❻ Aansluiting (met booster) op landelijk net (GTS), of met duale
❻ Booster van Stedin naar de landelijk netbeheerder (GTS) of duale invoeding aansluiting (8 bar RNB + 40 bar met GTS) ❽Vezamelleiding groen gas (door hergebruik oude RTL leiding) en
GOS
5
3
OS 2 bar
7 DS
GOS
8 bar 8 bar
1
❸ Drukmanagement (statisch drukverlaging of dynamisch
❺ Netkoppeling met andere RNB (eventueel met booster)
4
8 bar 7 bar
7 bar
Netconfiguraties aanpassen
❹ Netkoppeling tussen Stedin gasnetclusters
GOS
bar 7 8bar
aansluiting (8 bar RNB + 40 bar met GTS)
drukmanagement), waardoor er een buffer ontstaat
RTL (40 bar)
8 bar
2 bar
DS
DS
DS
100 mbar
100 mbar
100 mbar
Stedin regio
Een andere RNB regio
deze via een Booster naar landelijke netbeheerder
Vraag management ❼ Combineren met (rechtstreeks verbruik van) continue afnemers (industrie/LNG) ❼ grote verbruikers laten overstappen naar lagere drukvlakken Openbaar
76
Bijlage D: Het traject
Openbaar
PROCES
Aanbevelingen voor herhaling van het proces Houd elkaar op de hoogte bij ontwikkelingen in de energietransitie Gedurende dit traject is vastgesteld welke informatie vanuit de gemeenten belangrijk is voor Liander en Stedin om een betere inschatting van de toekomstige belasting van het net te maken. Aangezien de ontwikkelingen
in de energietransitie razendsnel gaan is het aan te raden om frequent contact te hebben en elkaar goed op de hoogte te houden van zowel procesmatige ontwikkelingen (nieuwe personen met nieuwe verantwoordelijkheden op nieuwe plekken) als inhoudelijke ontwikkelingen (welke plannen zijn er bij gekomen of juist afgevallen, welke ontwikkelingen zien we door het land heen). De afgestemde sjablonen die
in dit traject gebruikt zijn, kunnen een makkelijke en gestandaardiseerde manier bieden om wijzigingen/nieuwe plannen door te geven. Herhaling van het proces Om na enige tijd weer een volledige actualisatie te maken, kan het proces uit dit traject herhaald worden. Stel hiervoor een projecttrekker en
projectverantwoordelijke aan bij Liander, Stedin en de gemeenten. Zorg dat de juiste personen worden betrokken, dat vergaderingen vroegtijdig worden belegd, en doorloop de cyclus die hierna wordt beschreven.
Openbaar
78
PROCES
Betrokkenheid van Stedin bij het proces De ANNO-regio is uniek in Friesland, in de vorm dat deze twee verschillende netbeheerders heeft: Stedin voor het gasnet en Liander voor het elektriciteitsnet. Er zit een sterke interactie tussen beide beheerders (partijen stoppen veelal met gas en gaan over op elektra) en beide netten zijn onderdeel van het energiesysteem, maar verschillen in problematiek. Op het elektriciteitsnet is er de netcongestieproblematiek en op het gasnet zijn er invoedbeperkingen voor groen gas. Het initiatief voor de regioanalyse ligt bij Liander en met hen is het gehele hierna omschreven proces doorlopen, maar ook Stedin is al vanaf een vroeg moment betrokken. Op een aantal momenten wordt informatie en data uitgewisseld tussen Stedin en Liander. Dat wordt hieronder beschreven. Het is voor de gemeente aan te raden om op reguliere basis met Stedin de groen gas-invoedplannen
door te lopen. Stedin deelt data over grootverbruikers van gas voor betere voorspelling van toekomstige gasvraag De locaties waar momenteel grootverbruikers van gas aanwezig zijn in de ANNO-regio, vragen mogelijk in te toekomst veel elektriciteit bij elektrificatie. Daarom is het van belang dat deze locaties en de grootte van de gasaansluitingen bij Liander in beeld zijn, zodat Liander dit kan meenemen in de scenariodoorrekening rondom de verduurzaming van de industrie. Deze informatie is vertrouwelijk en wordt direct uitgewisseld
tussen Stedin en Liander, zonder dat daar een tussenpersoon bij betrokken wordt. Stedin krijgt beter beeld van elektrificatieplannen en dus de reductie in gasvraag De ontwikkelingen die tijdens de regioanalyse in kaart worden gebracht en de uitkomsten van de scenariodoorrekening van Liander zijn ook van belang voor Stedin. Het gaat hier vooral om de afnemende gasvraag in verschillende sectoren, zoals in de gebouwde omgeving en de industrie. Op basis hiervan kan Stedin bepalen of de beschikbare capaciteit op het gasnet voldoende is, of dat extra investeringen nodig zijn. Gemeenten en Stedin creëren gezamenlijk beeld over de toekomst van groengas-invoeding De gemeenten brengen in kaart welke plannen er de komende jaren bekend zijn voor groengas-invoeding. Deze plannen worden doorgespeeld aan Stedin, zodat Stedin weet op welke locaties in de toekomst mogelijk groengas-invoeding plaats gaat vinden. Nauwe samenwerking tussen Stedin en de gemeenten is te allen tijde belangrijk, omdat Stedin informatie heeft over de actuele beschikbare ruimte op het gasnet. Openbaar
79
PROCES
Proces regioanalyse in vijf stappen
Openbaar
Proces energiesysteemstudie
Waarom een iteratief proces?
Voor de regioanalyse in de ANNO-regio is een iteratief proces ingezet door Berenschot in samenwerking met Liander, Stedin en de gemeenten Achtkarspelen, Dantumadiel, Noardeast-Fryslân en Tytsjerksteradiel. Eén van de doelen van de regioanalyse is om ervoor te zorgen dat Liander en Stedin over de meest actuele informatie beschikken, om daarop hun investeringsplannen te kunnen baseren. Ook geeft dit proces de mogelijkheid aan de gemeenten om een ‘kijkje in de keuken’ te nemen bij Liander en Stedin. Zodoende wordt de samenwerking bevorderd en kan zo goed mogelijk geanticipeerd worden op de snelle ontwikkelingen binnen de energietransitie.
De energietransitie vraagt om enorme aanpassingen in ons energiesysteem binnen relatief korte tijd. Plannen wijzigen snel, evenals ambities die door aanscherpingen van Nederlandse en Europese doelstellingen steeds hoger worden. Daarnaast volgen ontwikkelingen elkaar snel op, waardoor inzichten snel achterhaald zijn. Het is hierdoor niet mogelijk om één blauwdruk (één enkel plan) te maken van hoe het energiesysteem er over een aantal jaren uit zou moeten zien. Planvorming vindt daarom op een dynamische manier plaats. Dit wil zeggen dat plannen worden aangepast door voortschrijdend inzicht of in sommige gevallen compleet worden herzien. Aangezien Liander, Stedin, de gemeenten en diverse andere betrokken partijen aan plannen werken en ambities stellen die in de loop der jaren aangepast worden, is het essentieel om de inhoud hiervan met elkaar te delen. Hierdoor ontstaat een gemeenschappelijke kennisbasis, waarvanuit samengewerkt wordt aan het energiesysteem. Desondanks zullen aannames noodzakelijk blijven om een compleet overzicht te creëren. Door een iteratief proces wordt een gemeenschappelijke kennisbasis gewaarborgd en komen Liander, Stedin en de gemeenten nader tot elkaar. Dit bevordert de openheid en voorkomt onduidelijkheid over de situatie ten aanzien van de energie-infrastructuur in de ANNO-regio.
Vanuit deze samenwerking wordt getracht de problematiek rondom netschaarste en groengas-invoedbeperkingen te minimaliseren en bij voorkeur zo spoedig mogelijk te verhelpen.
80
PROCES
Proces regioanalyse in vijf stappen De vijf stappen Het proces voor de regioanalyse in de ANNO-regio bestaat uit vijf stappen. Dit zijn: 1. Inzicht in (huidige) scenario’s door Liander. In deze stap laat Liander door middel van een presentatie zien welke gegevens per segment in de (huidige) scenariomodellering zijn meegenomen. 2. Valideren van data gebruikt voor scenario’s door ANNO-regio. In deze stap toetsen de gemeenten de data van Liander op basis van gemeentelijke plannen en ambities. 3. Data verrijken/aanpassen. In deze stap worden de gegevens van Liander uit stap 2 indien nodig door de gemeenten geactualiseerd, verrijkt of aangepast, zodat Liander een compleet beeld heeft van wat er op gemeentelijk niveau aan ontwikkelingen te verwachten is. 4. Bespreken van de aangevulde data. De gemeente geeft toelichting op stap 3, zodat duidelijk is waarom actualisatie, verrijking of aanpassing heeft plaatsgevonden. 5. Opnieuw doorrekenen van scenario’s door Liander. Liander bepaalt of een nieuwe doorrekening wenselijk is, of dat een kwalitatieve duiding van de aangevulde data uit stap 4 volstaat. Indien een nieuwe doorrekening wordt uitgevoerd, zal Liander nieuwe scenario’s presenteren en duiden, die vervolgens met de gemeenten worden besproken. Stedin heeft gedurende stap 2, 3 en 4 een kleine rol.
Openbaar
1. Inzicht in (huidige) scenario’s door Liander
2. Valideren data door ANNO-regio
5. Opnieuw doorrekenen scenario’s door Liander
3. Data verrijken/ aanpassen en delen met Liander
4. Bespreken van de aangevulde data 81
PROCES
Stap 1. Inzicht in de (huidige) scenario’s van Liander Proces
In stap 1 laat Liander door middel van een of meerdere presentaties/werksessies zien welke data per segment in de (huidige) scenariomodellering zijn meegenomen. De procestrekker initieert dit. Het aantal presentaties/werksessies is afhankelijk van het detailniveau van de data en het aantal segmenten dat besproken wordt. De segmenten zijn: • Gebouwde omgeving: ontwikkelingen nieuwbouwwoningen, warmteoplossingen bestaande bouw en verduurzaming utiliteiten. • Mobiliteit: laadpalen, elektrische personenauto’s, elektrische bestelauto’s/trucks. • Industrie: bedrijventerreinen en verduurzaming industrie. • Opwek: zon-pv op land, zon-pv op daken grootschalig, zon-pv op daken kleinschalig, wind indien beleid verandert. In de modellering van Liander worden meer segmenten meegenomen dan hierboven benoemd zijn. Niet alle segmenten zijn onderzocht bij het doorlopen van het proces, omdat deze segmenten op dit moment weinig relevant zijn. Liander gebruikt een combinatie van drie systemen waarop investeringsplannen worden gebaseerd. Gegevens uit deze systemen worden gecombineerd en ontdubbeld per segment, en vervolgens gedeeld met de gemeenten. De procestrekker coördineert dit. Hierbij wordt alleen gebruikt gemaakt van de data uit inzicht in omgeving en de scenario’s. Stedin presenteert gedurende de eerste stap ook de bij hen bekende plannen voor groengas-invoeding. Openbaar
Scenario’s op basis van drie systemen Wie? Liander Wat? Huidige belasting
1 Klantgegevens
Wie? Liander samen met stakeholders Wat? Bekende aanvragen, plannen en ambities
2 Inzicht in omgeving
Wie? Liander samen met stakeholders Wat? Scenario's toekomstige aanvraag op basis van data
3 Scenario’s
82
PROCES
Stap 2. Valideren van data gebruikt voor scenario’s door gemeenten Proces
In stap 2 toetsen de gemeenten de data van Liander en Stedin op basis van gemeentelijke plannen en ambities. Data uit de systemen van Liander en Stedin worden klaargezet door de betrokken personen van Liander en Stedin en vervolgens gedeeld met de procestrekker. De procestrekker stuurt de data toe aan de relevante personen van de gemeenten per segment. De gegevens moeten op een aantal componenten getoetst worden. Dit zijn: • Aantal/hoeveelheid/volume. Komt het aantal/de hoeveelheid/het volume dat genoemd wordt in de data van Liander overeen met de gemeentelijke plannen/ambities en/of plannen die bij de gemeente bekend zijn? Bijvoorbeeld het aantal woningen of hoeveelheid warmtepompen. • Geografische component. Klopt de genoemde buurtcode/PC4/PC6/et cetera? Bijvoorbeeld het aantal woningen of hoeveelheid warmtepompen in buurt X. • Tijdsfasering. Komt het genoemde jaartal van realisatie overeen met de gemeentelijke plannen/ambities en/of plannen die bij de gemeente bekend zijn? Bijvoorbeeld het aantal nieuwbouwwoningen in jaar Y.
Openbaar
83
PROCES
Stap 3. Data verrijken/aanpassen
Openbaar
Proces
Gebruikte data voor verrijken/corrigeren
In stap 3 worden de gegevens van Liander uit stap 2 indien nodig door de gemeenten geactualiseerd, verrijkt of aangepast zodat Liander een compleet beeld heeft van wat er op gemeentelijk niveau aan ontwikkelingen te verwachten is. De keuze hiervoor is afhankelijk van de uitkomst van stap 2. Het verrijken van de data is een samenwerking tussen de gemeenten en Liander waarbij de procestrekker een coördinerende rol heeft. Vanuit de validatie van stap 2 zijn data beschikbaar die via de procestrekker bij Liander terechtkomen. De data zullen niet altijd direct in de systemen van Liander verwerkt kunnen worden vanwege afwijkende dataextensies, eenheden, verkeerde interpretatie, etc. De procestrekker moet ervoor zorgen dat de data zodanig aan Liander wordt aangeleverd dat Liander de data goed interpreteert en het mogelijk is om de data in te voeren in de systemen. Liander moet gedurende stap 3 duidelijk aangeven of de aangeleverde data compleet zijn en of de kwaliteit voldoende is. Benodigde datatemplates zijn: • Industrie_logistiek_glastuinbouw data gemeente (template).xlsx • Overig data gemeente (template).xlsx • Utiliteiten data gemeente (template).xlsx • Woningbouw data gemeente (template).xlsx Voor Stedin worden eventuele additionele plannen voor groengasinvoeding los aangeleverd.
• Gebouwde omgeving: - ontwikkelingen nieuwbouwwoningen -> woningbouwprogrammering Achtkarspelen, Dantumadiel, Noardeast-Fryslân en Tytsjerksteradiel - warmteoplossingen bestaande bouw -> concretere uitwerking van de transitievisie warmte van de gemeenten. • Mobiliteit: - laadpalen -> data ElaadNL - elektrische personenauto’s -> data ElaadNL - elektrische bestelauto’s/Trucks -> data ElaadNL - Toekomstig kan hier aan worden toegevoegd: - de Laadvisies van de gemeenten - Uitkomsten van rondgang langs bedrijventerreinen • Industrie: - bedrijventerreinen -> convenant bedrijventerreinen - verduurzaming industrie -> niet verrijkt/aangepast - verduurzaming utiliteiten -> expertise gemeenten • Opwek: - zon-pv op land -> expertise gemeenten - zon-pv op daken grootschalig -> niet verrijkt/aangepast - zon-pv op daken kleinschalig -> niet verrijkt/aangepast - wind -> expertise gemeenten - Groengas-invoeding -> expertise gemeenten 84
PROCES
Stap 4. Bespreken van de aangevulde data Proces
In stap 4 geven de gemeenten toelichting op stap 3, zodat duidelijk is waarom actualisatie, verrijking of aanpassing heeft plaatsgevonden. Er vindt een werksessie plaats nadat de gemeenten de data verrijkt/aangepast hebben. Tijdens de werksessie wordt besproken hoe de data aangepast zijn. De componenten uit stap 2 (aantal/hoeveelheid/volume, geografische component en tijdsfasering) dienen als leidraad tijdens de werksessie. Hiervoor worden de data op meerdere manieren uiteengezet. Dit zijn: • Totalen op gemeenteniveau. • Tijdsfasering (aanwezig in totalen op gemeenteniveau en/of GISkaarten en de complete dataset). • Eventueel kunnen ook de complete datasets per segment worden besproken. De complete datasets per segment zijn echter vaak zo omvangrijk dat enige aggregatie gewenst is om een discussie te kunnen voeren tijdens de werksessie. Aan deze werksessie nemen alle betrokken personen van de gemeente en Liander deel. In deze werksessie wordt besproken welke data niet actueel of valide zijn en waarom deze aangepast moeten worden. De procestrekker leidt de werksessie.