CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Maatschappelijk Ondersteuning Nissewaard 2024; verordening

Gemeenteraad 29 mei 2024, gemeente NissewaardBij agendapunt: Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke Ondersteuning 202418.901 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

• De medewerker van de zorgaanbieder is in staat ervoor te zorgen dat de onderlinge relatie voor zowel de professional als de cliënt veilig is zowel lichamelijk als mentaal. • Er is schriftelijk overeenstemming met de cliënt over welke informatie door de professional gedeeld wordt en met wie. • De medewerker van de zorgaanbieder onderneemt actie bij gesignaleerde onveiligheid en/of geweld dan wel mishandeling in de leefsituatie en het sociale netwerk van de cliënt, zoals omschreven de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. De Ondersteuning garandeert continuïteit, samenhang en resultaten • De medewerker van de zorgaanbieder heeft de kennis, houding en vaardigheden voor de betreffende ondersteuningsvraag van

Zaaknummer: 4115733

Pagina 28 van 49

de cliënt en onderhoudt deze bijvoorbeeld door het volgen van relevante opleidingen. De professional krijgt de ruimte om hierin zelf keuzes te maken. • De ondersteuning aan de cliënt is aantoonbaar gericht op het behalen van het in ondersteuningsplan afgesproken resultaat. Dit wordt periodiek geëvalueerd en indien nodig bijgesteld. • De medewerker van de zorgaanbieder is op de hoogte van en bekend met de andere hulpverleners die bij een cliënt betrokken zijn. Hij consulteert andere hulpverleners bij vragen en werkt samen waar dat zinvol is voor de doelstellingen van de cliënt en het behalen van het resultaat. Algemene uitgangspunten

Bij het inzetten van ondersteuning gelden de volgende algemene uitgangspunten: • Het realiseren van zoveel mogelijk integrale begeleiding of behandeling. • Het waar mogelijk realiseren van afschaling, dat wil zeggen overgang naar een lichtere vorm van ondersteuning zodra dit verantwoord is. • De zorgaanbieder maakt gebruik van de eigen kracht van de cliënt, de ouders en/of de mantelzorgers en probeert deze eigen kracht zo veel mogelijk te bevorderen. • De zorgaanbieder hanteert een systeemgerichte aanpak en zet in op de versterking van het systeem rondom de cliënt. • Ondersteuning vindt zo veel mogelijk plaats in de vertrouwde omgeving van gezin, school en buurt.

Kwaliteit van de ondersteuning

De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de ondersteuning van goede kwaliteit is. Een voorziening wordt in elk geval: • veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt; • afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van ondersteuning of hulp die de cliënt ontvangt. • verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voort- vloeiende uit de professionele standaard. • verstrekt met respect voor en inachtneming van de (wettelijke) rechten van de Cliënt zoals onder andere het recht op privacy, het recht op vrijheid van meningsuiting et cetera.

Zaaknummer: 4115733

Pagina 29 van 49

Inzet van personeel

De medewerker blijft binnen de grenzen van zijn of haar bekwaamheid en bevoegdheid. • Medewerkers die contact hebben met de cliënt zijn in het bezit van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Deze verklaring dient specifiek voor de betreffende functie die door de medewerker wordt uitgevoerd te zijn afgegeven. De verklaring mag niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene bij de aanbieder in dienst is getreden. Na indiensttreding draagt de aanbieder er zorg voor dat voor de medewerker ten minste eenmaal per vijf jaar een nieuwe VOG wordt aangevraagd en verkregen. Deze VOG-verklaringen dienen op eerste verzoek van de aanbieder per omgaande te worden overlegd. • Alle medewerkers die direct contact hebben met cliënten beheersen de Nederlandse taal in woord en geschrift.

Melden calamiteiten

Calamiteiten binnen de Wmo zijn: • Een gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van ondersteuning en die tot de dood of een ernstig schadelijk gevolg voor een patiënt of cliënt heeft geleid. • Een gebeurtenis tijdens het ondersteuningsproces die tot schade aan de cliënt en/ of medewerker heeft geleid, had kunnen leiden of (nog) zou kunnen leiden. De zorgaanbieder is verplicht calamiteiten direct bij de gemeente te melden.

Signaleringsfunctie

De zorgaanbieder heeft een brede signaleringsfunctie. Hieronder wordt verstaan dat de zorgaanbieder op zo kort mogelijke termijn (zo snel als redelijkerwijs mogelijk is) overlegt met de gemeente en/of andere verwijzers als de zorgaanbieder op basis van zijn eigen professionele oordeel constateert dat sprake is van een of meer van de volgende situaties: • Het systeem van de cliënt kan op een intensievere manier een rol spelen bij het behalen van de doelen (resultaten) zoals opgenomen in het ondersteuningsplan van de cliënt. • Het geboden segment is niet voldoende dan wel te uitgebreid om de doelen/resultaten vastgesteld in het ondersteuningsplan van de cliënt te bereiken.

Zaaknummer: 4115733

Pagina 30 van 49

• De doelen opgenomen in het zorgplan van de cliënt zijn niet passend bij de behoefte, situatie, omgeving en/of mogelijkheden van de cliënt. • Er is een ondersteuningsvraag van andere aard (zoals: schulden, werk, verslaving). • De cliënt vermijdt noodzakelijke ondersteuning. Signalering inzake huiselijk geweld en kindermishandeling De zorgaanbieder voert de opdracht uit met in achtneming van de actuele Meldcode voor Huiselijk Geweld en Kinderminshandeling. De zorgaanbieder maakt gebruik van het voor de sector waarin hij werkzaam is toepasselijke afwegingskader. Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond is het adviesen meldpunt voor huiselijk geweld en/of kindermishandeling voor onder andere de gemeente Nissewaard. Veilig Thuis is 24/7 gratis bereikbaar op telefoonnummer 0800-2000 of via https://veiligthuisrr.nl/professional-en-wil-advies. Samenwerking met andere professionals

De zorgaanbieder zorgt voor een goede samenwerking met andere professionals. De zorgaanbieders zijn verplicht om samen te werken op basis van de volgende principes: • In de samenwerking ligt de focus op het in het ondersteuningsplan geformuleerde doel (resultaat). Dit overstijgt de eigen belangen van de zorgaanbieder. • Het belang van de cliënten staat voorop in de samenwerking. • De zorgaanbieders verdiepen zich in elkaars ervaring, kennis, vaardigheden. • Bij onvrede, onduidelijkheid, frustratie, onenigheid of een vergelijkbare situatie gaan zorgaanbieders proactief een open gesprek aan om te achterhalen wat de wederzijds beweegredenen en belangen zijn en streven gezamenlijk naar een bevredigende oplossing.

Competenties medewerkers

Om zo veel mogelijk aan te sluiten bij landelijk geldende kaders volgt de Aanbestedende Dienst voor Hulp bij het huishouden, Begeleiding, Groepsbegeleiding en Dagbesteding de door Movisie43 opgestelde competenties maatschappelijke ondersteuning. Dit houdt in dat de medewerker van een zorgaanbieder ondersteuning moet kunnen bieden op basis van de volgende competenties:

Zaaknummer: 4115733

Pagina 31 van 49

1. Verheldert vragen en behoeften van de Cliënt. 2.Versterkt eigen kracht en zelfredzaamheid van de Cliënt. • 3. Is zichtbaar en handelt proactief. • 4. Stimuleert verantwoordelijk en oplossingsgericht gedrag van de Cliënt. • 5. Stuurt aan op betrokkenheid en participatie van de Cliënt. • 6. Verbindt individuele en gemeenschappelijke vragen en potenties. • 7.Werkt samen en versterkt netwerken. • 8. Beweegt zich tussen verschillende werelden en culturen. • 9. Signaleert en speelt in op veranderingen. • 10. Is ondernemend en benut professionele ruimte. Als er aanleiding is om deze (competentie) profielen aan te scherpen en/of aan te vullen bespreekt de gemeente dit met de zorgaanbieders. • •

Ambulante ondersteuning, groepsgewijze ondersteuning, arbeidsmatige ondersteuning, hulp bij het huishouden.

In de dienstomschrijving in de Dienstencatalogus Nissewaard zijn in de bepalingen opgenomen aan welke kwalificaties medewerkers dienen te voldoen. De catalogus is te vinden op Nissewaard.nl

Zaaknummer: 4115733

Pagina 32 van 49

Toelichting op de verordening Op grond van de wet moet door de gemeenteraad een verordening ter uitvoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning worden vastgesteld, de zogenaamde verordeningsplicht. In de wet is op diverse punten aangegeven wat ten minste in de verordening moet worden opgenomen. Een van de uitgangspunten van de wet is dat hierbij telkens wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en diens sociale netwerk. Daarna wordt door de gemeente onderzocht waar nodig de gemeente in aanvulling hierop de cliënt staat stelt gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening. Op deze manier wordt een bijdrage geleverd aan diens mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren in de maatschappij. Er moet een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden om de hulpvraag van de cliënt, diens behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen.

Op die manier wordt achterhaald wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn sociale netwerk, dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, kan doen om diens zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de wet valt. De wet en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Indien de cliënt van mening is dat het college de cliënt ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op diens bezwaar.

De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning, gelet op de situatie en de beperkingen van de cliënt, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Op grond van artikel 2.1.7 van de wet kunnen gemeenten bepalen dat personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen met daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Gemeenten hoeven dit echter niet te bepalen. Gemeenten hebben beleidsvrijheid met betrekking tot de besteding van de middelen voor het bieden van maatwerk aan cliënten met meerkosten vanwege een beperking of chronische ziekte.

Zaaknummer: 4115733

Pagina 33 van 49

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel 1.1.1. en 1.1.2) al een aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening (zie bijlage 1). Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ en ‘beschikking’. Artikel 1.3 is opgenomen, omdat gemeenten volgens de wetgever en de CRvB beleid moeten maken over gebruikelijke hulp, zodat de beoordeling niet afhangt van toeval of willekeur. Datzelfde geldt ook wanneer er mantelzorg geboden wordt. Vervolgens moeten gemeenten in individuele situaties steeds een goede afweging maken en daarbij rekening houden met alle specifieke omstandigheden (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 28-29 en Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 140.

Hoofdstuk 2 Integrale ingang Deze bepalingen zijn opgenomen om het zelf- en samen oplossend vermogen van de inwoner te stimuleren en te versterken. Het gaat hierbij een herkenbare en integrale ingang voor sociaal maatschappelijke vragen, waarbij informatie-, advies- en ondersteuningsvragen van inwoners op een eenduidige wijze worden behandeld.

Hoofdstuk 3 Melding & Onderzoek Artikel 3.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als uitwerking van de verplichting om te bepalen op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid en participatie, (artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet). In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Artikel 3.1 verankert in lijn daarmee in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan nadat (naar aanleiding van de melding) het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding moet bij het college worden gedaan. Dit kan via de website van Thuis in Nissewaard.

Zaaknummer: 4115733

Pagina 34 van 49

De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. Na de melding van de hulpvraag kan de cliënt een gemotiveerd persoonlijk plan indienen. Het persoonlijk plan gaat vooraf aan het gesprek en is onderdeel van het onderzoek. Door het opstellen van een persoonlijk plan wordt de cliënt gestimuleerd na te denken over diens zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren en ook het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren. De cliënt kan in het persoonlijk plan opschrijven wat de voorkeur is van welke personen oforganisaties de cliënt ondersteuning wil ontvangen.

Artikel 3.2 Cliëntondersteuning Overeenkomstig artikel 2.2.4, eerste lid, van de wet, moet het college ervoor zorgen dat er voor alle ingezetenen cliëntondersteuning beschikbaar is. Bovendien moet de cliënt en diens mantelzorger voor het onderzoek gewezen worden op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning (artikel 2.3.2, derde lid, van de wet). De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daar deel van uit. In het eerste lid houdt borgen in dat afhankelijkheid tussen client en zorgaanbieder zoveel mogelijk wordt tegengegaan als de client geen onafhankelijke clientondersteuning wenst te ontvangen.

Hiermee wordt beoogd dat er met voldoende distantie en voldoende objectiviteit vastgesteld kan worden wat de zorgbehoefte is en welke hulp nodig is. Artikel 3.3 Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de belanghebbende afspreken van een

Zaaknummer: 4115733

Pagina 35 van 49

datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek al concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 3.4, tweede lid. De verplichting tot het overleggen van stukken voorafgaand of tijdens het gesprek, zoals vermeld in het derde lid, is opgenomen in het verlengde van de artikelen 2.3.2, zevende lid, en 2.3.4 van de wet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Op grond van het vierde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek als dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen.

Artikel 3.4 Onderzoek Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. In dit artikel raak je de eerste onderzoeken van de integrale toegang en wordt er in dit stadium dieper op ingegaan. Het gaat hier om een grondiger onderzoek om de noodzaak te beoordelen van de hulpvraag. De onderdelen van het eerste lid zijn in overwegende mate overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet opgenomen. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Een precieze vorm van het onderzoek wordt hiermee niet voorgeschreven.

Tijdens het onderzoek komen de onderwerpen genoemd in de onderdelen a tot en met j ter sprake, voor zover het (nog) nodig is dit in persoon te bespreken. Waar het betreft de onderwerpen genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet dient echter zonder meer – in enige mate – onderzoek plaats te vinden. In bepaalde gevallen is hiervoor een gesprek in persoon echter niet (meer) nodig. Het gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden. In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen, omdat in de nota naar aanleiding van het verslag(Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183). het volgende is opgenomen: “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning

Zaaknummer: 4115733

Pagina 36 van 49

effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal” (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183). In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Het onderzoek hoeft uiteraard niet opnieuw plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. Artikel 3.5 Onderzoeksverslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet opgenomen. Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening.

Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat aanvraag van een maatwerkvoorziening niet noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het onderzoeksverslag, ook wel ondersteuningsplan 1 genoemd. Soms kan een onderzoeksverslag direct worden meegegeven, maar toch zal er vaak verwerkingstijd overheen gaan. Er wordt gestreefd om binnen vijf werkdagen na het gesprek een verslag van de uitkomsten van het onderzoek te verstrekken.

Hoofdstuk 4 Aanvraag maatwerkvoorziening Artikel 4.1 Aanvraag maatwerkvoorziening Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een

Zaaknummer: 4115733

Pagina 37 van 49

cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid of participatie in aanmerking komt. Het doel in deze fase is om helderheid te verschaffen over eventuele verschillen tussen hulpbehoefte, hulpvraag, onderzoek en mogelijk te verstrekken voorzieningen. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In artikel 4:2 van de Awb staat dat een aanvraag wordt ondertekend. De aanvraag bevat tenminste de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd. Daarnaast verschaft de aanvrager voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door de cliënt gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen.

Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 3.1 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen om een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag aan te merken. Het dossier dient dus een getekende aanvraag dan wel een ondertekend verslag te bevatten. Artikel 4.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening altijd op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk.

Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. Het tweede lid is gebaseerd op artikel 2.3.5, derde lid van de wet. Het derde lid is opgenomen naar aanleiding van de constatering van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dat het (ook) onder de wet mogelijk is om een financiële maatwerkvoorziening te verstrekken (zie de uitspraken van de CRvB van 12 februari 2018 (ECLI:NL:CRV:2019:395 en 396). Het betreft hier nadrukkelijk niet de (financiële) tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen. Deze is geregeld in 6.6. Het betreft ook geen pgb, waarvoor een specifiek regime

Zaaknummer: 4115733

Pagina 38 van 49

geldt en waarop de cliënt aanspraak maakt als diens voorkeur hiernaar uitgaat en de aanvraag aan de vereisten van artikel 2.3.6 van de wet voldoet. De wet verplicht weliswaar niet om specifiek iets te regelen ten aanzien van financiële maatwerkvoorzieningen. Toch is ervoor gekozen om de inzet van financiële maatwerkvoorzieningen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. Met ‘financiële maatwerkvoorziening’ wordt op zichzelf overigens geen inhoudelijke kwalificatie gegeven, het betreft een verstrekkingswijze (in zekere zin de 3e variant, naast in natura en als pgb). Wel geldt – net als bij alle maatwerkvoorzieningen – dat de (financiële) maatwerkvoorziening ‘een passende bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven’. Het gaat in dit geval om een forfaitaire, niet noodzakelijk kostendekkende tegemoetkoming. Deze mag echter niet zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel dat deze geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de beperkingen. Dan kan deze namelijk niet gelden als maatwerkvoorziening. In de memorie van toelichting bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.

3, p. 148) is opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening.

Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. J, p. 18). Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het vierde lid voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag. Het vijfde lid van artikel 4.2 kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een verhuiskostenvergoeding. De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert.

Zaaknummer: 4115733

Pagina 39 van 49

De naar objectieve maatstaven gemeten "goedkoopste adequate" voorziening geldt als norm voor de verstrekking. Adequaat houdt in dat de voorziening haar doel moet bereiken op het gebied van zelfredzaamheid en/of participatie. Voldoen meerdere voorzieningen aan dit criterium, dan kiest de gemeente voor de goedkoopste voorziening, met daarin de prijs-kwaliteit afweging. Hierbij wordt rekening gehouden met de wensen van de inwoner. Als belanghebbende een duurdere oplossing verkiest of extraaccessoires wil, dan moet betrokkene de meerkosten daarvan zelf betalen. Artikel 4.3 Woonvoorziening Omdat een woonvoorziening een vaak complexe (en vaak kostbare) voorziening is worden hieraan specifieke voorwaarden gesteld. Daarnaast vloeien hier rechten en plichten uit voort. Daarom is er voor gekozen om deze voorwaarden en regels op te nemen in de verordening, onder de artikelen 4.3 tot en met 4.6. In artikel 4.3 wordt onder meer beschreven wat een woningvoorziening behelst. Ook wordt hier het primaat van verhuizen genoemd. Dit begrip houdt in dat de client kan worden aangegeven dat er geen woonvoorziening wordt verstrekt, omdat er mogelijk kan worden verhuisd naar een reeds aangepaste of makkelijker aan te passen woning.

Om nu te voorkomen dat deze vraag iedere keer moet worden gesteld is er voor gekozen om het primaat van verhuizen niet toe te passen als de kosten van de gevraagde woonvoorziening beneden een bepaalde grens (€ 6.000,00) blijft. Overigens wordt het primaat van verhuizen ook niet toegepast, als uit het onderzoek blijkt dat het voor de client niet mogelijk is om naar een reeds aangepaste of makkelijker aanpasbare woning te verhuizen, bijvoorbeeld omdat deze niet binnen een redelijke termijn beschikbaar is. Met een redelijke termijn wordt hier een termijn van een 1 jaar bedoeld. Als er wel een reeds aangepaste of makkelijker aan te passen woning (binnen een redelijke termijn) beschikbaar is en de client weigert deze verhuizing dan wordt de gevraagde woonvoorziening geweigerd. In dit artikel is geregeld dat de client dan wel een vergoeding kan krijgen, die is gemaximeerd op de verhuisen inrichtingsvergoeding. Overigens stonden de artikelen 4.3 tot en met 4.6 tot 1 juli 2024 in de nadere regels; de regels die door het college van burgemeester en wethouders ter nadere uitvoering van de verordening wordt vastgesteld. Artikel 4.4 Vergoeding aanpassing keuken en badkamer In dit artikel is beschreven hoe er omgegaan moet worden met aanpassingen aan keuken en badkamer. Voor de eventuele vergoeding wordt er onder meer gekeken naar de afschrijvingstermijn van deze ruimten.

Overigens is door de CRvB bepaald dat de afschrijvingstermijn er niet toe mag leiden dat een noodzakelijke aanpassing niet kan worden uitgevoerd, omdat de cliënt geacht wordt een (te) groot deel zelf te betalen. In die situatie is het college alsnog verplicht de aanpassing te realiseren.

Zaaknummer: 4115733

Pagina 40 van 49

Artikel 4.5 Weigering woonvoorziening In dit artikel worden de gronden voor weigering van een woonvoorziening vermeld. Deze behoeven geen verdere toelichting. Artikel 4.6 Bezoekbaar huis Voor een in een instelling in Nissewaard verblijvende inwoner kan in specifieke situaties een woning in Nissewaard bezoekbaar worden gemaakt. Als voorbeeld kun je hier denken aan de voormalige ouderlijke woning, zodat sociaal contact zich niet alleen hoeft te beperken tot de instelling waar de client verblijft. Het moet dan wel gaan om een in een instelling in Nissewaard verblijvende client. Artikel 4.7 Voorwaarden en weigeringsgronden In dit artikel zijn een aantal redenen beschreven op grond waarvan een aanvraag voor een Wmo voorziening geweigerd kan worden. Een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen is dat belanghebbende een ingezetene van Nissewaard is (artikel 4.4 onder c). Belanghebbende moet ingeschreven staan in de Basisregistratie persoonsgegevens (BRP) van de gemeente Nissewaard. Het hoofdverblijf betekent volgens jurisprudentie meer dan alleen ingeschreven staan in de BRP, belanghebbende moet daadwerkelijk en aantoonbaar het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven. Uitzondering hierop zijn mensen die vanwege opname in een instelling dan wel beschermde woonvorm tijdelijk (korter dan 6 maanden) hun hoofdverblijf buiten Nissewaard hebben.

Als belanghebbende kan aantonen op korte termijn in Nissewaard komt te wonen, kan – als belanghebbende nog niet staat ingeschreven in de BRP - de melding in behandeling worden genomen. De inwoner moet dan wel binnen zes weken na de melding zijn ingeschreven in de BRP. Artikel 4.8 Verstrekkingsvorm In dit artikel wordt beschreven op welke wijze een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. Wanneer de cliënt de verstrekkingsvorm wil wijzigen tussen zorg in natura en ondersteuning in de vorm van een pgb, staat het college dit toe, maar alleen nadat op basis van artikel 4.7 lid 1b 1° tot en met 10° getoetst is of de cliënt of diens vertegenwoordiger voldoende pgb vaardig is. Bij wijziging in financieringsstroom dient er aandacht besteed te worden aan het voorkomen van oneigenlijk gebruik. Artikel 4.9 Beoordeling van de aanvraag pgb Het college toetst in overeenstemming met artikel 2.3.6 lid 2a van de wet of de client of diens eventuele vertegenwoordiger voldoende pgb-vaardig is. De criteria genoemd in lid 1 zijn gebaseerd op de 10 punten pgb-vaardigheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De raad acht het nodig dat het college deze pgb-vaardigheid toetst aan de hand van de criteria die zijn beschreven in 4.6 lid 1.

Zaaknummer: 4115733

Pagina 41 van 49

Als blijkt dat een maatwerkvoorziening nodig is en de cliënt wil dit in de vorm van een pgb, dan is de cliënt verplicht hiervoor een ingevuld en ondertekend pgb-plan in te leveren. Dit plan kan tijdens de onderzoeksfase ingeleverd worden. De uiterste inleverdatum is bij het indienen van een aanvraag. Het pgb-plan omvat de uitwerking van de benodigde zorg en de daarmee samenhangende kosten voor een persoonsgebonden budget. De gemeente werkt met een formulier waaraan een pgb-plan minimaal moet voldoen. In Nissewaard wordt dit het zorg- en budgetplan genoemd. Het pgb-plan moet volledig zijn ingevuld en omschrijven welke zorg er op welk moment nodig is en op welke manier de zelfredzaamheid (daar waar mogelijk) gerealiseerd wordt. Het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie is omschreven in concrete resultaten. Door een concrete omschrijving wordt achteraf getoetst of de gestelde doelen worden gerealiseerd. Tijdens het gesprek krijgt de cliënt alle informatie (mondeling, brochure, formulieren, pgb-voorwaarden) die nodig is voor het opstellen van het pgb-plan (zorg- en budgetplan) en het beheren van het pgb. Artikel 4.10 Regels voor pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de client dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid onder b).

Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Het eerste, tweede en derde lid berusten op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Inmiddels is door de CRvB bepaald in tweeuitspraken op 23 augustus 2023 dat hulp uit sociale netwerk, i.c.

hulp bij het huishouden en begeleiding, tot een PGB ter hoogte van het relevante CAO-loon moet leiden. Dit is neergelegd in lid 4 van dit artikel. Een aanvraag voor een pgb kan worden geweigerd voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen

Zaaknummer: 4115733

Pagina 42 van 49

maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg en ondersteuning in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Het eerste, tweede en derde lid geven regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de bedragen voor pgb’s voor afzonderlijke maatwerkvoorzieningen. De gemeente maakt onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een persoon in dienst van een zorgaanbieder wordt een hoger tarief gehanteerd dan voor een zzp’er of een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Voor lichte of basale vormen ondersteuning wordt een lager tarief gehanteerd dan voor specialistische vormen van ondersteuning. Ook de opleiding van de persoon die de hulp levert kan een onderscheidend criterium zijn. Daarbij is getracht een duidelijke relatie te leggen met het tarief voor vergelijkbare ondersteuning als deze door een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder zou zijn geleverd.

De zaak “die de aanvrager zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt” (onderdeel a) kan in bepaalde gevallen ook een tweedehands voorziening betreffen. Als dat zo is, dan worden de kostprijs en afschrijvingstermijn daarop gebaseerd. Daarnaast is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder het sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet).

Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). In het vijfde lid, onder f, is opgenomen dat het pgb niet mag worden besteed aan hulpmiddelen of aanpassingen wanneer het ziektebeeld progressief is en de verwachting is dat er maar korte tijd gebruik gemaakt zal worden van deze voorzieningen. In dit geval beslist het college beslissen geen pgb te verstrekken; dit om kapitaalvernietiging te voorkomen. Artikel 4.11 Inhoud beschikking Het ondersteuningsplan 2 of de gesloten zorgovereenkomst dient aangeleverd te worden aan de gemeente. Pas als het dossier compleet is kan er overgegaan worden op beschikken en het uitkeren van

Zaaknummer: 4115733

Pagina 43 van 49

het pgb. Tweede lid onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld 'mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel.’ Tweede onder b: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 5.1 van de verordening en artikel 2.1.4, zesde lid. Van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb, wordt vastgesteld door het CAK. Artikel 4.12 Kwaliteitseisen pgb Indien aan de eisen wordt voldaan zoals opgenomen in dit artikel, wordt naar oordeel van het college de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning gewaarborgd (zoals bedoel in het tweede lid van artikel 2.3.6.). Indien de met het pgb in te kopen ondersteuning wordt geleverd door een professionele zorgaanbieder komen de kwaliteitseisen overeen met de kwaliteitseisen die gesteld zijn aan zorgaanbieders die zorg in natura leveren. De kwaliteitseisen zorg in natura zijn opgenomen in bijlage 3. Artikel 4.13 pgb woningaanpassing Ook een woonvoorziening kan worden verstrekt in de vorm van een pgb. Hiervoor is het noodzakelijk de procedure hiertoe in de verordening op te nemen.

Artikel 4.14 Contra-indicaties, weigeringsgronden en herzieningsgronden voor het pgb De weigeringsgronden voor wmo-pgb’s kunnen ontleend worden aan artikel 2.3.6. lid 2 van de wet. Daar staan voorwaarden genoemd om voor een pgb in aanmerking te komen. Artikel 4.10 eerste lid onder c is opgenomen om een professionele afstand tussen zorgverlener en zorgaanvrager te borgen, zodat er geen financiële afhankelijkheid wordt gecreëerd tussen vertegenwoordiger en de hulpverlener. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). Dit is opgenomen in lid 1 onder i. De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Artikel 4.15 Wisselen van zorgverlener Voor het welslagen van een succesvol traject of een succesvol gebruik van een verstrekte voorziening is het noodzakelijk dat client en zorgverlener op een juiste manier met elkaar omgaan.

Indien dit naar het oordeel van de client niet aan de orde is kan hij overgaan tot wisseling van de zorgverlener. In dit artikel is bepaald dat wanneer dat dan wel kan worden onderzocht of de nieuwe geboden ondersteuning of zorg voldoet aan de kwalitatieve en doelmatige grondslagen.

Zaaknummer: 4115733

Pagina 44 van 49

Hoofdstuk 5 Bijdrage in de kosten Artikel 5.1 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s Aanbieders van algemene voorzieningen kunnen een bijdrage vragen in de kosten voor consumpties en materialen. Op grond van het Besluit verlaging eigen bijdrage Wlz zorg en maatschappelijke ondersteuning (Kamerstukken II 2017/18, 34 104, nr. 225) betalen vanaf 1 januari 2019 alle cliënten die gebruik maken van één of meer Wmo maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van degenen die gebruik maken van beschermd wonen of de maatwerkvoorziening opvang, ongeacht inkomen en vermogen, een maximale periodebijdrage zoals genoemd in Kamerstukken II 2017/18, 34 104, nr. 225 per maand. Conform het nieuw toegevoegde onderdeel in het vierde lid van artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, geldt de maximale periodebijdrage niet voor niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens. De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt door het CAK vastgesteld. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid, van de wet bij het vaststellen van de bijdrage. In dit artikel is ook vastgelegd dat gebruikers van het Collectief Vraagafhankelijke Vervoer (CVV) een andere eigen bijdrage verschuldigd zijn.

Met andere woorden: zij betalen niet het abonnementstarief, maar een bijdrage per gereden kilometer (artikel 3.8, lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015).

Hoofdstuk 6 Kwaliteit en Veiligheid Artikel 6.1 Kwaliteitseisen aanbieders maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen, deze staan in bijlage 2. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

Zaaknummer: 4115733

Pagina 45 van 49

In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet. Artikel 6.2 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.Artikel 6.3 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het tweede, derde en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1).

Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Op grond van het derde lid kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan 3 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken, indien de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zorgverzekeringswet. De gemeente kan deze termijn overnemen, maar heeft de beleidsvrijheid om op dit punt eigen regels te stellen. Zie ook de Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, blz. 156-157 (bovenaan). In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Het college kan overgaan tot terugvordering.

Die beslissing vereist een belangenafweging, bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het spreekt voor zich dat deze bevoegdheid alleen gebruik wordt gemaakt met in achtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Welke belangen precies een rol spelen en hoe die dienen te worden afgewogen tegen het algemene belang van een rechtmatige besteding van gemeenschapsgelden is sterk afhankelijk van de te beoordelen situatie. Het besluit tot herziening c.q. intrekking en beëindiging van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde terugvordering biedt geen executoriale titel, met uitzondering van de terugvordering op grond van artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 (als de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt). Er is sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling, voor welke vordering het Burgerlijk Wetboek, boek 6, artikel 203 en verder, de wettelijke basis biedt.

Zaaknummer: 4115733

Pagina 46 van 49

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Indien mogelijk dient de debiteur de vordering in één keer af te lossen. Indien aflossing in één (1) keer niet mogelijk is, vindt de aflossing van de vordering in maandelijkse termijnen plaats, waarbij het college rekening houdt met de beslagvrije voet, totdat het gehele verschuldigde bedrag is terugbetaald. Als de debiteur binnen Nederland staat ingeschreven in het Basisregistratie personen, wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op een bedrag van € 150, voor zover de (bruto) vordering binnen 36 maanden volledig kan worden afgelost. Als dit niet haalbaar is, wordt op basis van een onderzoek een bedrag naar draagkracht vastgesteld. Indien de debiteur zijn hoofdverblijf in het buitenland heeft of niet is ingeschreven in de Basisregistratie personen wordt geen onderzoek naar draagkracht gedaan en op basis van art. 475e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en afgezien van het gebruik van een beslagvrije voet. In gevallen waarbij de debiteur niet tijdig betaalt of een betalingsregeling niet nakomt, biedt het college door middel van een aanmaning een termijn om alsnog aan zijn betalingsverplichting te voldoen.

Indien het teruggevorderde bedrag niet vanzelf wordt terugbetaald, gaat het college over tot executie van de vordering en vaardigt hiertoe een dwangbevel uit. Waar mogelijk gaat het college over tot verrekening van de vordering met (financiële) aanspraken die de persoon waarop de vordering is ontstaan, heeft op het college.

Artikel 6.4 Opschorting betaling uit het pgb Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, in combinatie met artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat: 1) de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, 2) de cliënt niet voldoet aan de aan het pgb verbonden voorwaarden, of 3) de cliënt het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de cliënt niet langer voldoende in staat is op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Zaaknummer: 4115733

Pagina 47 van 49

Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg. Op grond van het tweede lid kan het college de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik van een maatwerkvoorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de maatwerkvoorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.

Artikel 6.5 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Op grond van artikel 2.3.9 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder.

Hoofdstuk 7 Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 7.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

Zaaknummer: 4115733

Pagina 48 van 49

Artikel 7.2 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Op dit moment is dit nader uitgewerkt in hoofdstuk 3 paragraaf 3 van de beleidsregels Participatiewet Nissewaard 2023.

Hoofdstuk 8 Klachten en medezeggenschap Artikel 8.1 Klachtregeling en medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning In het eerste lid is overeenkomstig artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet een regeling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. De aanbieder is ten aanzien van de hier in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente open voor het indienen van de klacht. In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14106299/6