Rapport Het kraakt en het piept (bureau BMC 7-7-2020)
Tekst van het document
Het kraakt en het piept in het fysiek domein Onderzoek naar de uitvoeringskracht van gemeenten in het fysieke domein
Inleiding Gemeenten hebben in de afgelopen jaren substantieel meer taken gekregen. Gemeenten zijn hoofdaannemer/ regisseur voor maatschappelijke opgaven in het sociale en fysieke domein, met grote transities. Bij de decentralisaties en transities is er vaak discussie over de beschikbare middelen en de benodigde randvoorwaarden (taken en bevoegdheden) voor gemeenten. Het beeld dat daarbij naar voren komt is dat er te weinig financiële middelen zijn voor gemeenten om de opgaven het hoofd te kunnen bieden. De VNG wil op basis van feiten beter onderbouwde uitspraken kunnen doen over de randvoorwaarden die nodig zijn om de taken goed uit te kunnen voeren, zowel in de regievoering als in de uitvoering. Welke problemen ervaren gemeenten in de uitvoering en waar komen die vandaan? Hoe kunnen het bestuur en de vereniging daar beter positie op innemen, ook met oog op de inzet van de VNG richting een nieuw kabinet? Het adviesbureau BMC heeft de opdracht gekregen om voor het fysieke domein inzicht te bieden in de uitvoeringskracht. Dit onderzoek is als deelproject uitgevoerd binnen het kader van het bredere onderzoek dat vorm krijgt in het VNG-project ‘Hoe sterk zijn onze schouders’. Aanleiding is dat de VNG steeds meer signalen ontvangt over mogelijke uitvoeringsknelpunten en deze graag systematisch in beeld wil brengen. Hieronder vindt u de kernboodschap van dit advies.
Vervolg Het rapport doet aanbevelingen richting gemeenten, VNG en Rijk. De onderzoeksresultaten worden meegenomen in de onderzoekssporen van het brede onderzoekstraject naar uitvoeringskracht. De VNG wil op basis van dit rapport tot een uitvoeringsplan komen met acties voor VNG en gemeenten. Wij gaan op basis van de kernboodschap in gesprek met onze leden en de verschillende vakverenigingen: 1. Discussiebijeenkomst met selectie bestuurders uit ten minste de commissie RWM, EKEM, Fin en B&V 2. Discussiebijeenkomst met gemeentelijke uitvoeringsverenigingen, zoals Stadswerk, Vereniging Bouw- en Woningtoezicht NL, RioNed, Gemeentelijk Netwerk Mobiliteit en Infrastructuur. 3. Reflectie vanuit de wetenschap, bijvoorbeeld vanuit NSOB, of ROI. Daarnaast zien we ook een aantal trajecten, waar we de uitkomsten van dit onderzoek nu al op zouden kunnen toepassen, namelijk: A. De samenwerkingsafspraken Novi (streven oktober 2020 gereed) B. Het Rijksmilieukader (zomer 2020 in consultatie) C. Inzet richting nieuwe kabinet. D. Programmering GGU 2021
2
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Kernboodschap onderzoek De uitvoeringscapaciteit van gemeenten in het fysieke domein bevindt zich in een negatieve spiraal. Ondanks een groei in aantal en complexiteit van de opgaven, zijn de budgetten lager dan tien jaar geleden. De oplopende tekorten in het sociaal domein en de coronacrisis dreigen deze ontwikkeling te versnellen. Het doorbreken van de trend vergt een forse inspanning van Rijk en gemeenten. Het begint bij inzicht in de mechanismen van haperende uitvoeringskracht en de rol die betrokkenen daarin spelen.
Oplopende kenniskosten
Stijgende organisatiekosten
Toenemende faalkosten
Afnemende capaciteit
Kosten nemen toe door meer en complexere taken, inadequate rijkskaders en schaarste aan kennis
Kosten nemen toe door gemankeerde samenwerking en inzet op participatie
Kosten nemen toe door verantwoording, herstel en reputatieschade
Uitvoeringscapaciteit neemt af door krimpende budgetten, bleek imago en gebrek aan urgentie
Gemeenten 1. Voer ‘APK-beleid en wettelijk kader’ uit; toets of alle (wettelijke) taken in beeld zijn. Richt hierbij de focus op het beleidsdomein Milieu en VTH-taken binnen Ruimte & Wonen. Bespreek de uitkomsten aan de bestuurlijke tafel (awareness en urgentiebesef). 2. Zet in op herwaardering van de uitvoering. In de gemeentelijke praktijk heeft die nu een bleek/ingeslepen imago, wat geen recht doet aan het belang, de dynamiek en de complexiteit ervan. 3. Optimaliseer de inzet van kennis. Voorkom dubbelingen van die inzet in de gemeentelijke organisatie en uitvoerende diensten: benut zo het schaarse talent optimaal. Maak ook (beter) gebruik van de inzet van kennis bij uitvoerende diensten voor ontwikkeling van beleid. 4. Reduceer (een deel van) de organisatiekosten door (congruente) samenwerking. Dat vermindert ook kwetsbaarheid als gevolg van beperkte capaciteit en verhoogt de kwaliteit van de uitvoering. VNG 1. Pleit voor adequate en tijdig beschikbare kaders vanuit de rijksoverheid, zodat gemeenten (goed) op de hoogte zijn van (de invoering van) nieuwe wet- en regelgeving. Dat reduceert de invoerings- en uitvoeringskosten. Blijf als VNG de formulering van die kaders ondersteunen. 2. Pas de functiewaarderingssystematiek aan, zodat ook kleine gemeenten niet op achterstand blijven in het aantrekken en behouden van deskundig personeel.
Experimenteer met beloning om het speelveld (de arbeidsmarkt) gelijk te trekken en de uitvoering te herwaarderen. 3. Ondersteun de inzet van specialistische kennis en innovatienetwerken (nieuwe thema’s op de agenda). Maak de mechanismen achter haperende uitvoeringskracht inzichtelijk. 4. Zorg voor de doorontwikkeling van de Gezamenlijke Gemeentelijke Uitvoering (GGU). Benut deze ook voor beleidsrijke taken als woon- en duurzaamheidsbeleid. Breng nuance aan in de uniciteit van lokale opgaven zonder afbreuk te doen aan de autonomie van individuele gemeenten. 5. Claim een structureel hoger uitvoeringsbudget fysiek domein in het Gemeentefonds. Zorg dat de toenemende omvang en complexiteit van gemeentelijke taken in balans is met het beschikbare budget en de ambtelijke capaciteit. Rijk 1 Zorg voor adequate en tijdig beschikbare kaders om de uitvoering in het fysieke domein in goede banen te leiden. Voorkom complexiteit, onbekendheid, gebrek aan aansluiting bij de lokale praktijk en versnippering (over departementen).
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3
2. Ondersteun bij de inzet van specialistische kennis en innovatienetwerken, zodat gemeenten de nodige expertise kunnen opdoen voor hun nieuwe taken. Inhuur van experts kan een oplossing zijn, maar ook het begeleiden van externen vereist kennis. Neem als Rijk het voortouw bij het organiseren van kennisplatforms en netwerken en maak hierbij gebruik van organisaties als het Planbureau voor de Leefomgeving en de VNG. 3. Verruim de financiële middelen, bijvoorbeeld door verhoging van het budget in het Gemeentefonds, zodat gemeenten voldoende toegerust zijn om fysiek beleid uit te voeren en projecten te realiseren. Op alle fysieke beleidsdomeinen spelen vergelijkbare mechanismen rondom uitvoeringskracht. Ook tussen de domeinen is sprake van spanning: actuele vraagstukken eisen de aandacht op, ten koste van reguliere taken die evenwel onverminderd belangrijk zijn. De impact is groot, risico’s neigen onderschat te worden. MILIEU & MOBILITEIT
ENERGIE & KLIMAAT
RUIMTE & WONEN
• Er ontbreekt specialistische kennis op thema’s als luchtkwaliteit, transport van gevaarlijke stoffen en bodem. Daardoor groeien inzetkosten, risico’s en faalkosten als het gaat om beleidsmakers, vergunningverleners en handhavers. • Dit wordt versterkt door een relatief gering gevoel van urgentie/ motivatie. Aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving wordt, hoewel belangrijk, zelden urgent gevonden: overtredingen blijven vaak zonder gevolgen en het rendement van interventies is niet meteen zichtbaar. Na een incident neemt de aandacht toe, om vervolgens weer weg te ebben (‘piepsysteem’). • Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn op afstand georganiseerd. Daardoor wordt gemakkelijk(er) bezuinigd op de dienstverlenende en handhavende rol; de (zware) verantwoordelijkheid ligt bij toezicht en handhaving. • Bij het Rijk wordt het opstellen van adequate regelgeving problematischer door gebrek aan (technische en praktijk)kennis.
• Dit is een nieuw domein, wat zorgt voor a) beperkte kennis bij gemeenten en andere stakeholders, b) een moeizame zoektocht naar visie en strategie, op zowel lokaal als regionaal niveau. • Terwijl er al moet worden uitgevoerd, zijn de kaders vanuit het Rijk nog in ontwikkeling. Dat bemoeilijkt het formuleren van een heldere visie nog extra. • Veel gemeenten pakken de opgaven van energietransitie en klimaatadaptatie voortvarend op. Positief: gemotiveerde bestuurders en medewerkers, en participatie, Negatief: geen meerjarige budgetten voor beleidsontwikkeling, gebrek aan investeringsruimte en financieringsconstructies. • De bestuurlijke en maatschappelijke focus op Energie & Klimaat geeft nieuwe invulling aan de beleidsdomeinen Milieu & Mobiliteit en Ruimte & Wonen (thema’s duurzaamheid en circulaire economie). Keerzijde: dit slokt onevenredig veel aandacht en capaciteit op.
• Door de decentralisatie van RO wordt centrale regie gemist op het woondossier. • Tegelijkertijd voert het Rijk de druk op door voortdurende modernisering van wet- en regelgeving (WRO, Wro, Wabo, VTH, Omgevingswet); gemeentelijke organisaties kunnen deze veranderingen niet altijd direct behappen en/of doorvoeren. • Dat wordt nog versterkt door een verlaging van de budgetten in de afgelopen tien jaar. • Bij de (gezamenlijke) overheden is samenwerking en daardoor de slagkracht nog beperkt. • Vooral de schaarste aan gekwalificeerd technisch personeel speelt bij Ruimte & Wonen een rol (meer dan gebrek aan kennis).
RISICO’S • Nationale belangen onvoldoende geborgd in lokaal ruimtelijk beleid. • Schadelijke gevolgen voor mens, dier en plant als gevolg van (slechte) luchtkwaliteit, calamiteiten, verkeers(on)veiligheid. • Toenemende bezuinigingen door verminderd gevoel van eigenaarschap door afstand
4
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
• Bijdrage Klimaatakkoord (CO2• Afnemende ruimtelijke kwaliteit en doelstellingen e.d.) niet gerealileefbaarheid stedelijk en landelijk seerd. gebied. • Vertraagde planvorming, onvol• Woningbouwdoelstelling niet doende afgestemd. gerealiseerd en lange wachtlijsten • Oplopende kosten voor inzet van huurwoningen. kennis (te weinig gedeeld). • Dienstverlenende rol (vergunning• Afnemend draagvlak voor besluiten. verlening) onder druk (snelheid en kwaliteit). • Afnemend draagvlak voor besluiten.
Het Kraakt en het Piept
Pagina 1
Het Kraakt en het Piept Gemeentelijke uitvoeringskracht in het fysieke domein
Rapportage 6 juli 2020
Partners in verbetering
Het Kraakt en het Piept
Pagina 2
Colofon BMC Onderwerp
:
Het kraakt en het piept
Subtitel
:
Uitvoeringskracht in het fysiek domein
Periode
:
7 juli 2020
Auteurs
:
Marco Kerstens Charlotte Nauta Joris Stok
Projectnummer :
PO012471
Classificatie
Openbaar
:
In opdracht van :
BMC Advies B.V. P.O. box 490 3800 AL Amersfoort
Databankweg 26 3821 AL Amersfoort
T +31 (0)33 496 52 00 www.bmc.nl
KVK 32078667 IBAN NL91ABNA0504035754 BTW NL80.86.63.598 B.01
Pagina 3
Het Kraakt en het Piept
Inhoudsopgave Kernboodschap ................................................................................................................................................4
1
Inleiding ...................................................................................................................................................6
2
Afbakening onderzoek ..............................................................................................................................8
3
Beleidsdomein Milieu & Mobiliteit ..........................................................................................................12
4
Beleidsdomein Ruimte & Wonen .............................................................................................................16
5
Beleidsdomein Energie & Klimaat ............................................................................................................21
6
Oorzaken en impact van haperende uitvoeringskracht .............................................................................25
7
Bevorderen van uitvoeringskracht ...........................................................................................................29
Literatuurlijst .................................................................................................................................................33 Geanalyseerde onderzoeken ..........................................................................................................................34
Pagina 4
Het Kraakt en het Piept
VNG
De uitvoeringscapaciteit van gemeenten in het fysieke domein bevindt zich in een negatieve spiraal. Ondanks een groei in aantal en complexiteit van de opgaven, zijn de budgetten lager dan tien jaar geleden. De oplopende tekorten in het sociaal domein en de coronacrisis dreigen deze ontwikkeling te versnellen. Het doorbreken van de trend vergt een forse inspanning van Rijk en gemeenten. Het begint bij inzicht in de mechanismen van haperende uitvoeringskracht en de rol die betrokkenen daarin spelen.
2. Pas de functiewaarderingssystematiek aan, zodat ook kleine gemeenten niet op achterstand blijven in het aantrekken en behouden van deskundig personeel. Experimenteer met beloning om het speelveld (de arbeidsmarkt) gelijk te trekken en de uitvoering te herwaarderen. 3. Ondersteun de inzet van specialistische kennis en innovatienetwerken (nieuwe thema’s op de agenda). Maak de mechanismen achter haperende uitvoeringskracht inzichtelijk.
We volgende interventies worden geadviseerd:
4. Zorg voor de doorontwikkeling van de Gezamenlijke Gemeentelijke Uitvoering (GGU). Benut deze ook voor beleidsrijke taken als woonen duurzaamheidsbeleid. Breng nuance aan in de uniciteit van lokale opgaven zonder afbreuk te doen aan de autonomie van individuele gemeenten. 5. Claim een structureel hoger uitvoeringsbudget fysiek domein in het Gemeentefonds. Zorg dat de toenemende omvang en complexiteit van gemeentelijke taken in balans is met het beschikbare budget en de ambtelijke capaciteit.
1. Voer ‘APK-beleid en wettelijk kader’ uit; toets of alle (wettelijke) taken in beeld zijn. Richt hierbij de focus op het beleidsdomein Milieu en VTH-taken binnen Ruimte & Wonen. Bespreek de uitkomsten aan de bestuurlijke tafel (awareness en urgentiebesef). 2. Zet in op herwaardering van de uitvoering. In de gemeentelijke praktijk heeft die nu een bleek/ingeslepen imago, wat geen recht doet aan het belang, de dynamiek en de complexiteit ervan. 3. Optimaliseer de inzet van kennis. Voorkom dubbelingen van die inzet in de gemeentelijke organisatie en uitvoerende diensten: benut zo het schaarse talent optimaal. Maak ook (beter) gebruik van de inzet van kennis bij uitvoerende diensten voor ontwikkeling van beleid. 4. Reduceer (een deel van) de organisatiekosten door (congruente) samenwerking. Dat vermindert ook kwetsbaarheid als gevolg van beperkte capaciteit en verhoogt de kwaliteit van de uitvoering. 1. Pleit voor adequate en tijdig beschikbare kaders vanuit de rijksoverheid, zodat gemeenten (goed) op de hoogte zijn van (de invoering van) nieuwe wet- en regelgeving. Dat reduceert de invoerings- en uitvoeringskosten. Blijf als VNG de formulering van die kaders ondersteunen.
1. Zorg voor adequate en tijdig beschikbare kaders om de uitvoering in het fysieke domein in goede banen te leiden. Voorkom complexiteit, onbekendheid, gebrek aan aansluiting bij de lokale praktijk en versnippering (over departementen). 2. Ondersteun bij de inzet van specialistische kennis en innovatienetwerken, zodat gemeenten toegang hebben tot expertise. Inhuur van experts kan een oplossing zijn, maar ook het begeleiden van externen vereist kennis. Neem als Rijk het voortouw in kennisplatforms en netwerken en benut organisaties als Planbureau voor de Leefomgeving en de VNG. 3. Verruim de financiële middelen, bijvoorbeeld door verhoging van het budget in het Gemeentefonds, zodat gemeenten voldoende toegerust zijn om fysiek beleid uit te voeren en projecten te realiseren.
Rijk
Gemeenten
Kernboodschap
Pagina 5
Op alle fysieke beleidsdomeinen spelen vergelijkbare mechanismen rondom uitvoeringskracht. Ook tussen de domeinen onderling is sprake van spanning: actuele vraagstukken eisen de aandacht op, ten koste van reguliere taken die evenwel onverminderd belangrijk zijn. De impact is groot, risico’s neigen onderschat te worden.
Het Kraakt en het Piept
Het Kraakt en het Piept
Pagina 6
1
Inleiding 1. Welke factoren hinderen of helpen gemeenten in een effectieve uitvoering van taken die onderdeel zijn van de maatschappelijke opgaven in de leefomgeving, en welke relaties bestaan daartussen? 2. Wat zijn de effecten en risico's van beperkte uitvoeringskracht? 3. Welke maatregelen kunnen gemeenten nemen om effectief te zijn en wat zijn hiervan de haalbaarheid en de kosten?
Aanleiding uitvoeringskracht onder druk Het takenpakket van gemeenten is in de afgelopen 30 jaar flink uitgebreid en dit zal doorzetten door de Omgevingswet en nieuwe taken voor gemeenten zoals de energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie en stikstofproblematiek. Gemeenten zijn niet alleen verantwoordelijk voor meer taken, er is ook sprake van groeiende complexiteit en krimpend budget. Als belangenbehartiger van de gemeenten wil VNG meer inzicht krijgen in de uitvoeringskracht van gemeenten in het fysieke domein. Met dit inzicht:
Onderzoeksverantwoording Gelet op de breedte van de onderzoeksvraag en de doelstelling van het onderzoek hebben we gekozen voor een meta-analyse. Daarmee benutten we data en inzichten die zijn gegenereerd met behulp van honderden interviews en enquêtes en tientallen case studies. We interpreteren de resultaten van de onderzoeken in het licht van gemeentelijke uitvoeringskracht. Aanvullend gebruiken we gegevens van Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Centraal Planbureau (CPB) en A+O fonds Gemeenten.
• krijgt VNG een scherp beeld van de problemen die gemeenten ervaren in de uitvoering in verschillende rollen of fasen in het beleidsproces in het fysieke domein; • is duidelijk welke oorzaken hieraan ten grondslag liggen, wat het effect is op de uitvoeringskracht en welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn, inclusief haalbaarheid en kosten; • kan VNG beter onderbouwde uitspraken doen over de randvoorwaarden die nodig zijn om de gemeentelijke taken goed uit te kunnen voeren; • kan VNG een duidelijker aanbod neerleggen bij de kabinetsformatie en heeft men de agenderende en ondersteunende inzet richting gemeenten zo nodig herijkt.
Om een breed beeld te krijgen, hebben we onderzoeken geselecteerd die uiteenlopende onderwerpen binnen het fysiek domein beslaan. Voorwaarde was de beschikbaarheid van gegevens van de factoren die de gemeentelijke uitvoeringskracht beïnvloeden. In ons onderzoek hebben we de volgende stappen gezet:
Probleemstellingen en onderzoeksvragen
•
VNG verzocht BMC om onderzoek te doen naar de uitvoeringskracht van gemeenten in het fysieke domein. De vragen waarop dit onderzoek antwoord geeft zijn als volgt:
• • • • •
VNG expertpanel: verkenning problematiek met medewerkers VNG; Verkennende interviews: gesprekken met managers en medewerkers van gemeenten ter verdere verkenning van de problematiek; Literatuuronderzoek: meta-analyse van onderzoeken gemeentelijke uitvoeringskracht; VNG expertpanel: bespreking hoofdlijnen literatuuronderzoek en verdiepingsvragen; Spiegeling: concept bevindingen spiegelen aan cases uit de gemeentelijke praktijk; Rapportage: vastleggen bevindingen.
Pagina 7
Opbouw en leeswijzer
Deze rapportage is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk komt in hoofdstuk 2 de afbakening van het onderzoek aan de orde. We operationaliseren de centrale begrippen uitvoeringskracht en fysiek domein. In hoofdstukken 3 tot en met 5 schetsen we op basis van de onderzochte onderzoeken en cases een beeld van de uitvoeringskracht in drie domeinen: Milieu & Mobiliteit, Ruimte & Wonen en Energie & Klimaat. In hoofdstuk 6 gaan we in op de oorzaken en gevolgen van haperende uitvoeringskracht. In hoofdstuk 7 doen we tot slot aanbevelingen om de uitvoeringskracht in het fysieke domein te bevorderen.
Het Kraakt en het Piept
Het Kraakt en het Piept
Pagina 8
2
Afbakening onderzoek
Operationalisatie van uitvoeringskracht Bestuurskracht en uitvoeringskracht liggen in elkaars verlengde. Gemeentelijke bestuurskracht definiëren Boogers, et al (2007) als het vermogen van een gemeente om de wettelijke en autonome taken adequaat uit te voeren en om daartoe in de eigen context de juiste verbindingen aan te gaan. Deze definitie is anno nu nog steeds actueel en wordt ook gebruikt in recent werk van het Planbureau voor de Leefomgeving naar bestuurskracht op het gebied van de energietransitie (Planbureau voor de Leefomgeving, 2019). Bestuurskracht wordt door Boogers, et al (2007) in beeld gebracht met behulp van drie componenten: beslis-, uitvoeringsen verantwoordingscapaciteit. Besliscapaciteit gaat over de mate waarin het bestuursorgaan besluiten zorgvuldig, geïnformeerd en succesvol kan afwegen.
Uitvoeringscapaciteit staat vervolgens voor de mate waarin de gemeente (mede) bewindstaken naar tevredenheid kan uitvoeren. Verantwoordingscapaciteit, tot slot, betreft de mate waarin een gemeente verantwoording aflegt aan zichzelf, medeoverheden, de eigen inwoners en overige stakeholders. In dit onderzoek definiëren we uitvoeringskracht als het vermogen van een gemeente om de wettelijke en autonome taken adequaat uit te voeren. Hiermee schakelen we het gelijk aan uitvoeringscapaciteit (als een van de drie componenten van bestuurskracht). Het betreft de mate waarin een gemeente kan voldoen aan de verwachtingen en taakstellingen, opgelegd door Rijksoverheid, provincie, gemeentebestuur en bevolking. De uitvoeringskracht van gemeenten kan worden afgemeten aan de hand van concrete beleidsmaatregelen, acties en interventies. Deze beleidsprestaties worden beïnvloed door factoren die de prestatie kunnen verklaren. We onderscheiden hier: hulpbronnen, motivatie en samenwerking (figuur 1).
Factoren die uitvoeringskracht beïnvloeden Hulpbronnen
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Wettelijke kaders en regelgeving Kennis, professionaliteit en ervaring Budget (omvang, continuïteit, mate van specificering) Omvang vaste formatie Bedrijfsvoering (ondersteunende processen, zoals personeelsbeleid en ICT)
Motivatie
▪ ‘Will to act’ ▪ Continuïteit van de inspanning ▪ Uitstraling en voorbeeldfunctie
Samenwerking
▪ Samenwerking met stakeholders en burgers ▪ Samenwerking tussen overheden
Figuur 1: factoren die uitvoeringskracht beïnvloeden (bron: Planbureau voor de Leefomgeving, 2019), bewerking BMC)
Pagina 9
Het Kraakt en het Piept
Gemeentelijke rollen
Beleidsdomein Milieu & Mobiliteit
Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen maken we aanvullend onderscheid in gemeentelijke rollen (Planbureau voor de Leefomgeving, 2019), te weten:
1. De borging van de nationale ruimtelijke belangen Balans van de ILT onderzoeken 2012-2017 naar de werking van het systeem van de ruimtelijke ordening (2020). Uitgevoerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport. 2. Kengetallen externe veiligheid - objectivering kosten lokale EV-taken (2018). Uitgevoerd door Cebeon. 3. Chemie in samenwerking - Veiligheid op het industriecomplex Chemelot (2018). Uitgevoerd door de Onderzoeksraad voor Veiligheid. 4. Evaluatie herziene MIRT spelregels (2019). In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Uitgevoerd door Royal HaskoningDHV. 5. Kwaliteitsborging bij de uitvoering van VTH-taken Evaluatie van het instrumentarium (2019). In opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Uitgevoerd door Berenschot.
• Medeoverheid - de rol van de gemeente als samenwerkende overheid in het tot stand komen van beleid • Dienstverlener - de klantgerichte uitvoering van de gemeente naar haar inwoners en het aanbieden van diensten, waaronder vergunningen en voorzieningen • Handhaver – de rol die de gemeente heeft in de naleving van plannen en regels in het beheer van de leefomgeving, deels op afstand georganiseerd in een (regionale) omgevingsdienst. Operationalisatie van fysiek domein In het fysieke domein richten gemeenten zich op een leefbare, veilige en gezonde leefomgeving voor hun inwoners. Zij zetten zich in op een groot aantal opgaven, zoals energie en klimaat, woningbouw, demografie, bodem, leefbaarheid, buitengebied, mobiliteit en economie. Om te komen tot een werkbare afbakening sluiten we aan bij de indeling die de VNG hanteert in haar dienstverlening als kapstok voor de rubricering van ruimtelijk relevante onderwerpen. We kiezen daaruit drie beleidsdomeinen, namelijk Energie & klimaat, Milieu & mobiliteit en Ruimte & wonen. Binnen de beleidsdomeinen hebben we dossiers geselecteerd die een range aan opgaven bevatten. Het gaat aan de ene kant van het spectrum om min of meer klassieke opgaven waar een zekere mate van consensus is over problemen en oplossingen.
Aan de andere kant gaat het om wat door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) wordt omschreven als “ongetemde problemen”. Deze zijn met grote cognitieve, normatieve en sociale onzekerheden omgeven. Bij zulke opgaven is wel bekend dat er zich een probleem heeft aangediend, maar bestaat er onduidelijkheid over wat het precies is, hoe het moet worden opgelost en wie ervoor aan de lat staat. Binnen de drie domeinen hebben we de volgende onderzoeken en cases bestudeerd.
Casus: Besluit bodemkwaliteit – toepassen grond in een middelgrote gemeente De gemeente heeft vanuit twee verschillende rollen een verantwoordelijkheid voor grondverzet (inclusief de toepassing van grond). In de eerste plaats als (mede)ontwikkelaar van projecten treedt de gemeente op als opdrachtgever van de grondtoepassing. Ten tweede heeft de gemeente een kaderstellende verantwoordelijkheid als bevoegd gezag en verzorgt ze toezicht en handhaving. Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) bevat de wettelijke eisen waaraan de gemeente moet voldoen in beide rollen. Beleidsdomein Ruimte & Wonen 6. Ondertussen in het buitengebied; bestuurskracht en de bestuurlijke aanpak van ondermijnende criminaliteit (2017). In opdracht van Provincie Noord-Brabant en de Vereniging Brabantse Gemeenten. Uitgevoerd door BMC. 7. Leren Decentraliseren, lessen uit de 3D’s voor de Omgevingswet (2018). In opdracht van VGS, A&O fonds Gemeenten en Ministerie Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Uitgevoerd door BMC. 8. Veerkracht in het corporatiebezit; de update: een jaar later, twee jaar verder (2020). In opdracht van Vereniging van woningcorporaties Aedes. Uitgevoerd door In.Fact.Research, Circusvis en RIGO. Casus: Invoering Omgevingswet binnen samenwerkende gemeenten Gemeenten moeten op 1-1-2021 voldoen aan de minimale eisen die de wet stelt.
Na ambtelijke fusie ondersteunt één ambtelijke dienst meerdere gemeenten bij de invoering van de Omgevingswet.
Het Kraakt en het Piept
Pagina 10
Deze gemeenten zijn aangesloten bij dezelfde omgevingsdienst. In een breder regionaal verband werken zij ook samen aan de invoering van de Omgevingswet. Beleidsdomein Energie & Klimaat 9.
Gemeentelijke bestuurskracht en de energietransitie (2019), Planbureau voor de Leefomgeving. 10. Nederland heeft één overheid nodig (2020), Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen. 11. Onderzoek naar de tijdige totstandkoming van Transitievisies Warmte – een momentopname van 52 gemeenten (2020). Uitgevoerd door Provincie Zuid-Holland.
Beleidsdomein
Dossier
Milieu & Mobiliteit
▪ Bodem en ondergrond ▪ Externe veiligheid
Ruimte & Wonen
Energie & Klimaat
▪ Luchtkwaliteit ▪ Mobiliteit ▪ Vergunningverlening, toezicht handhaving ▪ Landelijk gebied ▪ RO wet- en regelgeving ▪ Wabo, omgevingsvergunning ▪ Woonbeleid ▪ Gebouwde omgeving ▪ Klimaatakkoord ▪ Klimaatadaptatie
Figuur 2: scope onderzoek en onderzochte studies en cases
Casus: Klimaatplan - Werken aan klimaatadaptatie in middelgrote gemeente Klimaatadaptatie is een nieuwe opgave voor alle gemeenten in Nederland. Gemeenten werken in regioverband en individueel aan inzicht in knelpunten op dit moment en in de toekomst. Leidend bij de aanpak is het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (DPRA). Daarin staat hoe gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk het proces van ruimtelijke adaptatie willen versnellen en intensiveren. Het deltaplan geeft aan welke doelen de partijen nastreven, hoe ze daaraan gaan werken en hoe ze de resultaten in beeld brengen. Bij het deltaplan hoort een actieplan met concrete acties en maatregelen. Figuur 2 bevat het samenvattend overzicht van de scope van dit onderzoek.
Studies / cases ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ en ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Besluit bodemkwaliteit (c) Borging nationale belangen Kengetallen externe veiligheid Chemie in samenwerking Herziene MIRT-spelregels Kwaliteitsborging VTH-taken Ondertussen in het buitengebied Leren decentraliseren Invoering Omgevingswet (c) Veerkracht in corporatiebezit Nederland heeft één overheid nodig
▪ Bestuurskracht en energietransitie ▪ Nederland heeft één overheid nodig ▪ Klimaatplan (c)
Pagina 11
Het Kraakt en het Piept
Pagina 12
3
Het Kraakt en het Piept
Beleidsdomein Milieu & Mobiliteit
• De beschikbaarheid van specialistische kennis op thema’s als luchtkwaliteit, transport van gevaarlijke stoffen en bodem speelt een dominante rol. De schaarste aan kennis leidt tot hogere kosten voor de inzet van kennis, hogere risico’s en oplopende faalkosten. Dit geldt voor de rollen van beleidsmaker, vergunningverlener en handhaver. • Dit wordt versterkt door een relatief beperkt gevoel van urgentie c.q. motivatie. Aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving wordt weliswaar belangrijk maar zelden urgent gevonden, omdat overtredingen lang niet altijd directe gevolgen hebben en het rendement van interventies niet meteen zichtbaar is. Het stelsel heeft kenmerken van een piepsysteem: na incidenten neemt de aandacht toe, die vervolgens weer wegebt. • Doordat vergunningverlening, toezicht en handhaving op afstand zijn georganiseerd groeit het risico van bezuiniging op de dienstverlenende en handhavende rol. Het gebrek aan maatschappelijke (ervaren) urgentie legt een zware verantwoordelijkheid verderop in de beleidscyclus, bij toezicht en handhaving. • Bij het Rijk zien we dat (technische en praktijk) kennis voor het opstellen van adequate regelgeving problematischer wordt.
HULPBRONNEN Bij hulpbronnen gaat het om wettelijke kaders en regelgeving, kennis, professionaliteit en ervaring, budget, omvang van de vaste formatie en bedrijfsvoering. De onderzoeken geven het volgende beeld. Domein van schaarse specialisten Gemeenten geven zelf aan dat hun kennis ten aanzien van externe veiligheid onvoldoende is, zo komt naar voren in het onderzoek naar de borging van de nationale ruimtelijke belangen in bestemmingsplannen (Inspectie Leefomgeving en Transport, 2020). Als gevolg daarvan vindt onvoldoende doorwerking van de nationale wet- en regelgeving plaats. De Inspectie Leefomgeving en Transport constateert bijvoorbeeld dat gemeenten bij de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik niet vanzelfsprekend rekening houden met de geldende regelgeving. De veiligheid was in driekwart van de bijna veertig onderzochte gevallen planologisch niet geregeld.
De evaluatie herziene MIRT-spelregels (Royal HaskoningDHV, 2019) beschrijft dat de MIRT-procedure als ingewikkeld wordt ervaren. Als gevolg daarvan is het uitvoeren van MIRT-onderzoeken en verkenningen het terrein van uitvoeringsorganisaties en ingenieurs- en stedenbouwkundige bureaus. De noodzakelijke expertise is zodanig gespecialiseerd dat overheden bijna niet ontkomen aan uitbesteding. Er bestaat een landelijk MIRT-leerplatform, waar naast adviesbureaus ook overheden participeren om kennis op te doen die hen in de gelegenheid stelt om de rol van opdrachtgever op zich te nemen. Borging van de kennis binnen de gemeentelijke organisatie en continuïteit zijn zorgpunten. Het tekort aan specialistische kennis en ervaring is een knelpunt bij de uitvoering in het beleidsdomein Mobiliteit & Milieu. Het aantrekken van extra kennis en/of expertise blijkt niet altijd mogelijk. Uit de personeelsmonitor van het A&O fonds Gemeenten (2019) komt naar voren dat de vacatures in het vakgebied ‘ruimtelijke ordening en milieu’ in de top 3 staan van lastig te vervullen vacatures. Tien procent van de gemeenten geeft aan dat het tekort aan menskracht hen belemmert in het uitvoeren van de activiteiten. Voor het aantrekken van kennis/expertise moet wel budget gevonden kunnen worden.
Bovendien zorgt vergrijzing van de beroepsbevolking voor een relatief grote uitstroom zowel aan de kant van de bevoegde gezagen als de omgevingsdiensten. Als de capaciteit terugloopt, zijn zij niet in staat om aan de afspraken over de kwaliteit te voldoen (Berenschot, 2019). Rijkskaders onbekend of als complex ervaren Als verklaring voor de gebrekkige borging van nationale belangen snijdt de Inspectie Leefomgeving en Transport (2020) de complexiteit van wet- en regelgeving aan. Daarnaast blijkt ook dat kaders onbekend zijn bij gemeenten, zoals het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Mogelijk schiet ook het Rijk zelf voor een deel tekort, daar waar regels te ingewikkeld zijn, zo worden ervaren, of onbekend is wat de (on)mogelijkheden zijn binnen de regels. Ook bijvoorbeeld ten aanzien van rijksvaarwegen geven gemeenten aan de normstelling ingewikkeld te vinden. De regels voor de veiligheid van de scheepvaart op rijksvaarwegen blijken in de vijf onderzochte bestemmingsplannen niet expliciet opgenomen te zijn.
Het Kraakt en het Piept
Pagina 13
Met name in de stedelijke gebieden wedijveren de nationale belangen met de gemeentelijke en soms ook provinciale belangen. Een belangrijke oorzaak is volgens Rijkswaterstaat het ontbreken van de verplichting de vrijwaringszones in bestemmingsplannen op te nemen (Inspectie Leefomgeving en Transport, 2020). De inspectie schrijft hierover in het Inspectiesignaal Rijksvaarwegen (25-11-2015): ‘Het niet herkenbaar terugkomen van de Barro regels Titel 2.1 heeft de volgende oorzaken: Opname van vrijwaringszones is niet verplicht. Het opnemen van vrijwaringszones in de verbeelding van bestemmingsplannen is in het Barro niet verplicht voorgeschreven. Er dient alleen ‘rekening te worden gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor de veiligheid van de scheepvaart’.
MOTIVATIE Bij motivatie gaat het om de ‘will to act’, continuïteit van de inspanning en uitstraling/voorbeeldfunctie. Op dit punt leveren de studies het volgende beeld op. Lange termijn karakter en uitvoering op afstand drukken motivatie Het niet direct aanpakken van problemen, zoals we bijvoorbeeld zagen met de PFAS-problemen (PFAS staat voor poly- en perfluoralkylstoffen, dit zijn diverse stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen) bij de calamiteit op Schiphol, kan het gevolg zijn van kennisachterstand. Wat ook meespeelt, is het niet willen erkennen en gebrek aan motivatie voor een snelle oplossing. De kans op een calamiteit is niet groot en dit tempert de motivatie om maatregelen te nemen. Iets soortgelijks is waarneembaar bij milieucriminaliteit (BMC, 2017). Anders dan bij veel andere vormen van criminaliteit, zijn de gevolgen van milieucriminaliteit zelden direct waarneembaar. Milieucriminaliteit wordt als minder heftig ervaren dan criminele activiteiten waarbij zichtbare slachtoffers vallen of mensen duidelijk en onmiddellijk worden gedupeerd. De gevolgen van milieucriminaliteit zijn lastig te herleiden tot één of meer specifieke overtredingen.
Zo worden de consequenties van bijvoorbeeld onbeschermd behandelen van asbest, de dalende kwaliteit van drinken oppervlaktewater door illegale lozing, of de verslechtering van de luchtkwaliteit door het illegaal verbranden van olie pas op lange termijn zichtbaar.
VTH-taken hebben een beperkte rol bij de profilering van bestuur en politiek. Het moet op orde zijn, dat verwacht de samenleving. De VTH-taken zijn voor een groot deel belegd bij de regionaal opererende diensten (Berenschot, 2019). De betrokkenen ervaren weinig bestuurlijke prioriteit voor VTH-taken, wat tot gevolg kan hebben dat als er bezuinigd moet worden het hierop gebeurt, dat er soms een ‘geruisloze’ goedkeuring plaatsvindt van de verordeningen door gemeenteraden (hamerstukken) of dat er weerstand is bij gemeenteraden tegen verhoging van de deelnemersbijdrage aan de omgevingsdienst(en). Het onderzoek naar de VTH-taken (Berenschot, 2019) stelt dat er iets verandert, namelijk dat de maatschappij minder geneigd is risico’s te accepteren, met als gevolg dat nieuwe regelgeving zo veel mogelijk risico’s uitsluit. Verwezen wordt in dit verband naar een onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden, waaruit blijkt dat voor veel raadsleden regionale samenwerking iets ongrijpbaars is (Berenschot, 2019). Na incidenten neemt de bestuurlijke aandacht soms toe. Het onderzoek toont niet in hoeverre deze aandacht ook beklijft. Veel gemeenten betitelen het bestuurlijk toezicht als ‘administratief’ of ‘procedureel’, maar noodzakelijk (Berenschot, 2019).
SAMENWERKING Bij samenwerking als verklarende factor voor de uitvoeringskracht gaat het om samenwerking van gemeenten met stakeholders en burgers en met andere overheden. Uit de onderzoeken komt het volgende beeld naar voren. Grote variatie in rol- en taakopvatting Berenschot (2019) stelt dat het nieuwe stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving in de basis ‘goed staat’. Ongeveer vijf jaar na de introductie zijn de omgevingsdiensten toe aan een volgende fase in hun ontwikkeling. Toch is er nog altijd veel verschil in de rolen taakverdeling tussen bevoegd gezag en uitvoeringsorganisatie. Met de komst van de omgevingswet krijgt de zoektocht naar positionering van de diensten en de aansluiting tussen beleid en uitvoering een nieuwe impuls.
Pagina 14
Uit het onderzoek naar de borging van de nationale ruimtelijke belangen (Inspectie Leefomgeving en Transport, 2020) blijkt dat sommige uitvoeringsdiensten actief zijn in het ontwikkelen van nieuwe instrumenten of meer efficiënte werkwijzen (scenario’s, standaardisering, kwaliteitsverbetering) of juist een voortrekkersrol nemen bij nieuwe ontwikkelingen (EVadvisering bij windmolens of waterstofopslag). Andere diensten nemen een meer afwachtende houding aan en nemen later deze nieuw ontwikkelde instrumenten of werkwijzen (deels) over. Er is geen onderzoek gedaan of deze rolinvulling in overleg met de bevoegde gezagen tot stand is gekomen. Hogere kosten door suboptimale samenwerking Volgens Cebeon (2018) vergroot de grote verscheidenheid in taak- en rolopvatting het risico op inefficiëntie en overlap van werkzaamheden (Cebeon, 2018). Een aantal gemeenten houdt na de introductie van omgevingsdiensten zelf specialisten in dienst of kiest er voor om deze taken (deels) door private partijen uit te laten voeren en schakelt de omgevingsdienst alleen in om het advies over de externe veiligheid te toetsen (Cebeon, 2018). Verder gaven in dit onderzoek vrijwel alle gemeenten aan beperkte basiscapaciteit beschikbaar te hebben voor coördinatie en afstemming met hun omgevingsdienst.
De uitgaven voor externe veiligheidstaken zijn een beperkt deel van de totale uitgaven van uitvoerende diensten en bevoegde gezagen (Cebeon, 2018). Opvallend is dat sprake is van incidentele dekking (vanuit impulsgelden) van werkzaamheden die door de uitvoeringsorganisaties als structureel worden gekenmerkt. De financiering matcht daarmee niet met het karakter van de werkzaamheden. Circa 20% van het werk van de uitvoerende diensten is gericht op ondersteuning en advisering van het bevoegd gezag. De gezamenlijke bevoegde gezagen besteden daarenboven nog € 7 miljoen per jaar aan EV-taken. Dat is circa 50% van het budget dat de uitvoerende diensten zelf besteden. Dit week af van de verwachting van de onderzoekers dat EV-taken voor het overgrote deel door de uitvoerende diensten werd gedaan. Strijdigheid van belangen tussen overheden Met name als sprake is van verschillende belangen tussen gemeenten, provincies en Rijk verliezen medeoverheden de nationale belangen regelmatig uit het oog, zo stelt de Inspectie Leefomgeving en Transport (2020) vast.
Het Kraakt en het Piept
Wettelijke verankering in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en in andere AMvB’s, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vormen geen garantie op doorwerking. Het onderzoek naar de herziene MIRT (Royal HaskoningDHV, 2019) geeft inzicht in de rol van de verschillende overheidslagen. Het Rijk heeft voor mobiliteit een belangrijke positie vanwege de mogelijkheid van financiering. De regio ontwikkelt en plant, en via een MIRT-procedure kan het Rijk bijdragen aan de door de regio gewenste verbeteringsvoorstellen. De vraag is: zijn deze verbeteringen ook in het belang van het Rijk en - anders geframed - als het Rijk gaat investeren waar is de noodzaak van investeren het grootst of waar is de impact het grootst? Ambtelijk is het Rijk beducht voor het onderzoeken en verkennen in een vroeg stadium waarbij financiële verwachtingen bij de regio kunnen worden gewekt (Royal HaskoningDHV, 2019). Verticale en horizontale afstemming voor afhechten beleidscyclus In het onderzoek Chemiecomplex (Onderzoeksraad voor Veiligheid, 2018) wordt benadrukt dat het VTH-stelsel onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat valt, terwijl sturing op de reductie van broeikasgasemissies een verantwoordelijkheid is van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
De beleidsmaatregelen worden deels uitgevoerd via het VTH-stelsel en deels landelijk. Dit vraagt gedurende de beleidscyclus om afstemming met de relevante partijen en om terugkoppeling vanuit de uitvoering als daar zaken mis lijken te gaan (Onderzoeksraad voor Veiligheid, 2018). Participatie zorgt ook voor verlegenheid De onderzoekers van Berenschot ( 2019) signaleren daarbij dat burgers assertiever worden én dat zij instanties en de overheid niet per definitie vertrouwen. Ook groeit het aantal verzoeken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) en dus de verantwoording van besluitvorming door gemeenten, provincies, omgevingsdiensten en het Rijk. Dit leidt tot meer (bestuurlijke) aandacht en/of een stapeling van onderzoeken (Berenschot, 2019). Grafisch vatten we onze bevindingen voor het domein Milieu & Mobiliteit als volgt samen:
Pagina 15
Figuur 3: Factoren en effecten van haperende uitvoeringskracht in Milieu & Mobiliteit
Het Kraakt en het Piept
Pagina 16
4
Het Kraakt en het Piept
Beleidsdomein Ruimte & Wonen
• Aan de ene kant leidt de decentralisatie van de ruimtelijke ordening op het woondossier tot een gevoel van gebrek aan centrale regie. • Aan de andere kant zet de opeenvolgende modernisering van wet- en regelgeving (WRO, Wro, Wabo, VTH, Omgevingswet) druk op het absorptieen verandervermogen van de gemeentelijke organisaties. • Dat wordt versterkt door een daling van de budgetten in de afgelopen tien jaar in dit domein. • De vergroting van de slagkracht door samenhangende inzet binnen en tussen overheden komt nog beperkt van de grond. • Kennis is minder bepalend voor de uitvoeringskracht in dit domein, wel speelt ook hier schaarste aan gekwalificeerd technisch personeel.
HULPBRONNEN Bij hulpbronnen gaat het om wettelijke kaders en regelgeving, kennis, professionaliteit en ervaring, budget, omvang van de vaste formatie en bedrijfsvoering. De onderzoeken geven het volgende beeld. Decentrale overheden ervaren gebrek aan centrale regie op woondossier De woningbouw met zijn wet- en regelgeving bestaat al bijna 120 jaar in Nederland. Met golfbewegingen zien we dat vraag en aanbod niet matchen. Woningcorporaties verlegden (onder druk van de overheid) hun aandacht de laatste tien jaar van een brede rol in een integrale wijkaanpak, naar de kerntaken op het gebied van beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit. Het onderzoek naar de staat van de volkshuisvesting laat een beeld zien van een toenemende tweedeling in de leefbaarheid in wijken, met een concentratie van sociaaleconomische problemen in wijken met veel corporatiebezit. De actuele maatschappelijke en politieke behoefte aan een vlotte interventie met effect op de korte termijn is logisch (In.Fact.Research, Circusvis en RIGO, 2020). Gemeenten en corporaties zoeken in deze context opnieuw naar een passende rolverdeling om deze complexe opgave op te pakken. De Rijksoverheid heeft een rol in de kaders. (In.Fact.Research, Circusvis en RIGO, 2020).
Het huidige ontwerp van de Nationale Omgevingsvisie bevat volgens de Studiegroep interbestuurlijke en financiële verhoudingen (2020) nog te weinig richtinggevende keuzes. Partijen in het veld ervaren onder andere in het woondossier daardoor nauwelijks sturing. Het gaat, aldus de Studiegroep, om duidelijke politieke keuzes en een weging van belangen op nationaal niveau. De decentrale overheden zien een verkokerd Rijk dat geen keuzes maakt, zo concludeert de Studiegroep. Gemeenten hebben onvoldoende (financiële) instrumenten Woonbeleid is een gemeentelijke taak, waarvoor gemeenten financieel verantwoordelijk zijn en de financiële risico’s dragen die daarbij horen. De inkomsten vanuit grondexploitatie zijn na de vastgoedcrisis wel weer toegenomen maar zijn geconcentreerd bij een selecte groep gemeenten, zo stelt de Studiegroep interbestuurlijke en financiële verhoudingen (2020). Zeker nu de woningbouwopgave steeds complexer wordt (binnenstedelijk bouwen, opgaven voor klimaat en energie) ontstaan onderling grote verschillen. De Studiegroep constateert dat dit extra problematisch wordt omdat aanwezige wetgeving, geldstromen en investeringsfondsen onvoldoende op elkaar afgestemd zijn.
Als voorbeeld noemt de studiegroep dat gelden uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)-gelden en ambities in de woningbouw of regio-indelingen onvoldoende of niet aansluiten. De Studiegroep tekent daarbij aan dat met de woningbouwimpuls een stap wordt gezet om gemeenten financieel te ondersteunen en de woningbouwproductie op peil te houden of brengen. Gemeenten beschikken verder over weinig capaciteit en instrumenten om het nakomen van prestatieafspraken door de corporaties af te dwingen (In.Fact.Research, Circusvis en RIGO, 2020). Invoering Omgevingswet stuit op gebrek aan kennis en capaciteit bij deel gemeenten Uit de Monitor Invoering Omgevingswet (2019) komt naar voren dat er nog steeds een groep gemeenten is die aangeeft de implementatie van de wet niet te kunnen of willen oppakken. Ook is er een groep die denkt niet tijdig klaar te zijn.
Het Kraakt en het Piept
Pagina 17
Ook bij andere gemeenten is de beschikbare capaciteit een breed ervaren knelpunt richting de inwerkingtreding van de wet. In de ontwikkeling van de gemeentelijke budgetten de afgelopen tien jaar valt op dat juist binnen dit domein sprake is van een terugloop. Het aantrekken van extra kennis en/of expertise blijkt niet altijd mogelijk. Uit de personeelsmonitor van het A&O fonds Gemeenten (2019) komt naar voren dat de vacatures in het vakgebied ‘bouwkunde en civiele techniek’ hoog in de top 10 van lastig te vervullen vacatures staan. Het tekort aan menskracht belemmert gemeenten in het uitvoeren van hun taken. Een ander aandachtspunt bij gemeenten blijft het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De VNG tekent daarbij aan in reactie op de Monitor Invoering Omgevingswet dat de kennis over het DSO groeit en gemeenten wel de noodzakelijke stappen zetten om tijdig gereed te zijn om aan te sluiten op het DSO. Onder betrokken medewerkers was vooral behoefte aan praktijkvoorbeelden en veranderkundige kennis, zo blijkt uit de Monitor Invoering Omgevingswet. Ook het onderzoek Ondertussen in het buitengebied (BMC, 2017) schetst een specifiek probleem met ambtelijke capaciteit. Kleinere gemeenten zijn kwetsbaarder omdat capaciteit ontbreekt.
Die kwetsbaarheid zit niet eens in een tekort aan uren voor de hoeveelheid werk, maar meer in een tekort aan kritische massa voor de kwaliteit van uitvoering. Het aantrekken van extra kennis en/of expertise blijkt niet altijd mogelijk.
MOTIVATIE Bij motivatie gaat het om de ‘will to act’, continuïteit van de inspanning en uitstraling/voorbeeldfunctie. Uit de onderzoeken komt het volgende beeld naar voren. Gemeenteraden sturen volgens gemeentesecretarissen veel scherper op de decentralisaties in het sociaal domein, dan op die van de Omgevingswet. Uit het onderzoek ‘Leren decentraliseren’ (BMC, 2018) kwam naar voren dat gemeentesecretarissen de decentralisaties in het sociaal domein als groots en risicovol hebben ervaren. Zo had het sociaal domein te maken met nieuwe taken met in totaal minder geld (voor de gemeente wel nieuw geld), met een nieuwe aanpak en andere ambtenaren en er was een nieuwe cultuur nodig.
De verandering in het fysieke domein wordt als minder verstrekkend beoordeeld. Het is meer een bevestiging van een bestaande praktijk met herschikking van een aantal taken en verantwoordelijkheden. Overigens ook met een cultuuromslag. Toch werd de impact van de decentralisaties in het sociaal domein groter geacht. Enerzijds komt dat door de financiële consequenties, anderzijds door het eerder beschreven verschil in perceptie van urgentie. Binnen het sociaal domein staat het ‘voorkomen van ongelukken’ hoog op de politieke en maatschappelijke agenda. Een fout bij de jeugdhulp kan direct grote en zichtbare gevolgen hebben voor individuen. Dit leidt tot een andere inschatting en waardering van risico’s dan in het fysieke domein (BMC, 2018). Will to act bij complexe vraagstukken is niet vanzelfsprekend Het is duidelijk dat de bestuurlijke aanpak een belangrijke rol heeft in de aanpak van ondermijnende criminaliteit in het buitengebied (BMC, 2017). In de praktijk valt het evenwel nog niet mee om te komen tot een daadkrachtige aanpak. Het onderzoek Ondertussen in het buitengebied schetst een beeld van een huidige inzet gericht op ‘meer van hetzelfde’: nog harder inzetten op het strafrechtelijk instrumentarium.
Er wordt door sommige burgemeesters bij ondermijnende activiteiten weifelend opgetreden terwijl collega’s juist stevig en onorthodox doorpakken, niet zelden met gevaar voor zichzelf. Resultaten boeken is onderdeel van het ontwikkelen van bewustzijn en draagvlak bij andere bestuurders en bij gemeenteraad. We zien ook dat de integraliteit nog onvoldoende van de grond komt: buiten de medewerkers Openbare Orde en Veiligheid is er weinig affiniteit, bewustzijn, energie rond het thema ondermijning en de rol van de gemeente. Op managementniveau is er niet altijd voldoende draagvlak en worden patronen niet effectief doorbroken (BMC, 2017).
SAMENWERKING Bij samenwerking als verklarende factor voor de uitvoeringskracht gaat het om samenwerking van gemeenten met stakeholders en burgers en met andere overheden. Uit de onderzoeken komt het volgende beeld naar voren.
Pagina 18
Samenwerking erkend als noodzakelijk, maar doorbreken belangen blijft lastig Jarenlang hebben gemeenten samengewerkt met onder meer de woningcorporaties in de wijken (In.Fact.Research, Circusvis en RIGO, 2020). De wijken met sociale achterstanden werden onder de loep genomen en integraal aangepakt: wonen, woonomgeving, onderwijs, talentontwikkeling, vergroten van kansen op de arbeidsmarkt, inburgering, sport, etc. De kwaliteit van de samenwerking bleek bepalend voor het succes van de woningcorporaties. Evident is dat de opgaven vroegen en vragen om een brede aanpak met een combinatie van maatregelen. Dit betreft ook maatregelen die buiten de woonsector liggen, zoals zorg en onderwijs (In.Fact.Research, Circusvis en RIGO, 2020). De provincies sturen vanuit hun verantwoordelijkheid voor integrale ruimtelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit op maximale plancapaciteit in relatie tot andere ruimtelijke claims. Sommige provincies hanteren een beleid van rode contouren die strikt aangeven waar wel en waar niet mag worden gebouwd. Gemeenten staan voor de puzzel om de opgave integraal op te pakken in combinatie met andere opgaven zoals bereikbaarheid, werkgelegenheid, de energietransitie en voorzien in de lokale behoefte van de inwoners.
Dit verschil in perspectief tussen overheden leidt volgens de Studiegroep interbestuurlijke en financiële verhoudingen (2020) tot discussies over bijvoorbeeld de snelheid van bouwen tegenover kwaliteit van voorzieningen en discussies over ruimtelijke kwaliteit tegenover lokale behoefte. De Studiegroep interbestuurlijke en financiële verhoudingen (2020) constateert dat het Rijk bestuurlijke instrumenten als woon- en regiodeals gebruikt die bijdragen aan het bepalen van de regionale woningbehoefte en de realisatie van plannen. De studiegroep constateert dat mogelijkheden om versnelling te realiseren die het regionale niveau overstijgen ontbreken. Aandachtspunt hierbij is dat beslissingen in de regio strijdig kunnen zijn met de lokale belangen en dat regio’s onvoldoende congruent zijn.
Het Kraakt en het Piept
Ook binnengemeentelijke samenwerking niet vanzelfsprekend Om samenhangende oplossingen voor samenhangende problemen en voldoende slagkracht te kunnen organiseren, is ook samenwerking tussen onderdelen van gemeentelijke organisaties noodzakelijk. Uit het onderzoek naar ondermijning in het buitengebied blijkt hoe ingewikkeld die interne samenwerking is. De aanpak is niet zelden een eenzame strijd van de burgemeester en een medewerker Openbare Orde en Veiligheid (BMC, 2017). Opvallend is dat gemeenten de provincie nog beperkt zien als partner, de betrokken overheidsinstanties werken nog beperkt als één overheid. De integraliteit en wederzijdse versterking zijn ook in dit opzicht niet optimaal: beschikbare instrumenten, mogelijkheden van partners worden onvoldoende benut, opdrachtverlening aan partners door gemeenten en provincie vindt niet altijd gecoördineerd plaats, er is beperkt sprake van gecontroleerde en onderbouwde ontwikkeling en bundeling van instrumenten vanuit verschillende invalshoeken op verschillende schaalniveaus. Grafisch vatten we onze bevindingen voor het domein Ruimte & Wonen als volgt samen:
Pagina 19
Figuur 4: Factoren en effecten van haperende uitvoeringskracht in Ruimte & Wonen
Het Kraakt en het Piept
Pagina 20
Het Kraakt en het Piept
Pagina 21
5
Het Kraakt en het Piept
Beleidsdomein Energie & Klimaat
• We hebben hier te maken met een ‘ongetemd probleem’. Dat komt tot uiting in (a) de beperkte kennis van dit nieuwe domein bij gemeenten en andere stakeholders en (b) de grote inspanningen die nodig zijn in de zoektocht naar visie en strategie zowel op lokaal als op regionaal niveau. • Dat de kaders vanuit het Rijk deels nog in ontwikkeling zijn tijdens de uitvoering is niet bevorderlijk voor deze zoektocht. • We zien dat energietransitie en klimaatadaptatie opgaven zijn die veel gemeenten voortvarend (willen) oppakken. Gemotiveerde bestuurders en medewerkers vervullen een sleutelrol. Ook participatie beïnvloedt de beleidsprestaties in dit domein positief. • Negatief werkt het gebrek aan meerjarige budgetten voor de ontwikkeling van beleid, en aan investeringsruimte en financieringsconstructies. • De bestuurlijke en maatschappelijke aandacht voor dit domein vernieuwt enerzijds de invulling van de beleidsdomeinen Milieu & Mobiliteit en Ruimte & Wonen (thema’s duurzaamheid en circulaire economie), anderzijds zorgt het ook voor verdringing van aandacht en capaciteit.
HULPBRONNEN Bij hulpbronnen gaat het om wettelijke kaders en regelgeving, kennis, professionaliteit en ervaring, budget, omvang van de vaste formatie en bedrijfsvoering. De studies geven het volgende beeld. Motivatie en samenwerking dominant in bepalen beleidsprestaties Het Planbureau voor de Leefomgeving (2019) stelt in dit beleidsdomein een statistische relatie vast tussen de beleidsprestaties (beleidsoutput) en de omvang van de gemeente en voorwaarden voor bestuurskracht op het onderwerp energietransitie. Circa 60 procent van de verschillen in beleidsoutput is te verklaren uit verschillen in gemeentegrootte, de motivatie van de gemeentelijke organisatie, de mate van samenwerking tussen overheden en met inwoners (participatie).
De analyses van het planbureau laten zien dat het aantal ambtenaren dat zich bezighoudt met de energietransitie van invloed is op de kwaliteit en de omvang van de beleidsoutput van gemeenten. Dit verband is evenwel indirect, via een hogere motivatie onder de ambtelijke organisatie en meer inpassing van participatief beleid, wat vervolgens positief uitwerkt op de beleidsprestaties. Kennis in opbouw, kennisdelen aandachtspunt Het planbureau heeft in haar studie geen statistisch significant verband aangetroffen tussen de beschikbaarheid van kennis en de beleidsprestaties van gemeenten op dit onderwerp (Planbureau voor de Leefomgeving, 2019). Het gebrek aan inhoudelijke kennis wordt ook door de provincie Zuid-Holland niet als grootste probleem beschouwd. Kennis is immers aan te trekken c.q. in te huren (provincie Zuid-Holland, 2019). Uit interviews die het planbureau heeft gehouden in aanvulling op en ter duiding van de statistische analyses komt naar voren dat betrokken medewerkers de beschikbaarheid van kennis wel degelijk als probleem ervaren. Ook geven zij aan dat door een gebrek aan kennisdeling het kennistekort in stand blijft. De werkdruk is hoog bij de ambtenaren die voor de energietransitie verantwoordelijk zijn. Zij hebben onvoldoende de tijd om hun kennis te delen met interne collega’s en andere gemeenten.
Ook de Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële verhoudingen (2020) concludeert dat beperkte capaciteit, kennis en kunde - met name, maar niet uitsluitend bij kleine gemeenten - een factor is die de uitvoeringskracht belemmert. De Studiegroep stelt vast dat gemeenten veelal een onervaren speler zijn op de warmtemarkt. Het kost tijd om een volwaardig gesprekspartner voor marktpartijen te worden. Gemeenten kunnen moeilijk het gehele energiesysteem, de systeemkeuzes en de daarbij behorende investeringsbeslissingen overzien. Dit alles leidt ertoe dat gemeenten in de praktijk sterk leunen op adviesbureaus, die inmiddels ook tegen hun capaciteitsgrenzen aanlopen en bovendien geen structurele oplossing bieden. Het vinden van voldoende geschikt personeel is ook een opgave voor andere overheden en marktpartijen, en vormt een risico voor de realisatie van de energietransitie, zo stelt de Studiegroep.
Het Kraakt en het Piept
Pagina 22
Het onderzoek onder Zuid-Hollandse gemeenten naar de Transitievisie Warmte bevestigt de gemeentelijke opgave op het gebied van kennis en kunde. De provincie concludeert dat de gemeentelijke organisaties kwantitatief en kwalitatief veelal onvoldoende is (technisch en ook op het gebied van communicatie en participatie), de aansturing onvoldoende is, en verkokering een belemmering vormt voor de te varen koers (provincie Zuid-Holland, 2019). Meerjarige budgetten nog onvoldoende geregeld Uit het onderzoek van de provincie Zuid-Holland (2019) komt naar voren dat de aanwezigheid van meerjarig budget de ontwikkeling van beleid positief beïnvloedt, omdat dit de mogelijkheid biedt voor een eigen bezetting en eventuele inhuur van kennis voor onderzoek, communicatie en participatie en de uitvoering. Het heeft er volgens de provincie alle schijn van dat gemeenten die geen meerjarig programma duurzaamheid hebben, inclusief budget en menskracht, minder soepeler tot een Transitievisie Warmte komen. Van belang is dat het duurzaamheidsprogramma of de strategie meer jaren bestrijkt dan louter de periode van de huidige coalitie van B&W. In de huidige praktijk valt het onderwerp klimaatadaptie bij veel gemeenten in de portefeuille energie en duurzaamheid. Gezien de aard van de opgave van klimaatadaptatie zou een plek in de portefeuille ruimtelijke ordening en wonen en/of economie wenselijker zijn.
Deze situatie verklaart ook waarom vanuit portefeuillehouders regelmatig de wens wordt geuit voor meer geoormerkt geld, om zodoende zeker te zijn van beschikbaar budget. De Studiegroep concludeert verder dat benodigde investeringen nog moeizaam van de grond komen. Gemeenten hebben, in tegenstelling tot provincies en het Rijk, zelf een vrij beperkt financieel instrumentarium tot hun beschikking om de warmtetransitie in de gebouwde omgeving van de grond te krijgen. Het is ook maar de vraag of decentrale overheden over voldoende eigen middelen beschikken om dergelijke investeringen te kunnen doen. Daarnaast gaan benodigde investeringen gepaard met grote risico’s vanwege het experimentele karakter en het feit dat veel wetgeving nog moet worden uitgewerkt en geïmplementeerd. Hoewel er aan wordt gewerkt, ontbreekt het vooralsnog aan goede financieringsconstructies om de markt en individuele burgers op grote schaal te stimuleren tot investeringen in de energie- en warmtetransitie.