PvE Archeologisch onderzoek Galileilaan, Spijkenisse anoniem
Tekst van het document
1
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Plangebied Plaats Gemeente Provincie Huidig grondgebruik plangebied
‘Nieuwbouw Galileilaan’ Spijkenisse Nissewaard Zuid-Holland Bebouwd, verhard, grasland.
Opdrachtgever PvE-boren
Gemeente Nissewaard
Adviseur namens Bevoegd gezag
Postbus 25 3200 AA Spijkenisse T: E: Gemeente Rotterdam Archeologie Rotterdam (BOOR) Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam T: E:
2
2
AANLEIDING EN MOTIVATIE
2.1 Aanleiding De aanleiding voor het onderzoek is de (her)ontwikkeling van het plangebied (Bijlage 1). De werkzaamheden bestaan uit sloop en nieuwbouw van vier gebouwen, inclusief halfverdiepte parkeergarages. De werkzaamheden kunnen mogelijk aanwezige archeologische waarden in de ondergrond aantasten, of zelfs vernietigen. Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Spijkenisse (2011) wordt aan de locatie een redelijk hoge archeologische verwachting toegekend. Conform de AWK dient de noodzaak voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek te worden getoetst bij grondroerende werkzaamheden (inclusief heien) die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte van meer dan 200 vierkante meter beslaan. Ook al is de exacte diepte van de bodemverstoringen niet bekend, kan er gesteld worden dat met de aanleg van half verdiepte parkeergarages de toegestane marges van diepte en oppervlakte van de AWK worden overschreden. 2.2 Motivering Vanwege bovengenoemde overschrijding is door het team Beheer en Beleid van Archeologie Rotterdam, als archeologisch adviseur van het bevoegd gezag, in januari 2025 een plantoets uitgevoerd (plantoets A2025012).
Deze plantoets maakt duidelijk dat het gebied een archeologische verwachting kent en dat de herinrichting van het gebied gepaard zal gaan met grondroerende werkzaamheden. Naar aanleiding van de plantoets is het advies opgenomen dat er voorafgaand aan de werkzaamheden een archeologisch vooronderzoek, bestaande uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, dient te worden uitgevoerd. Het advies tot het doen van een archeologisch vooronderzoek is in een brief van 15 januari 2025 met kenmerk AS25.0031125.0001024 medegedeeld aan mevrouw E.C.M. Oostenbrink. De gemeente Nissewaard heeft dit advies overgenomen als beleidsbesluit. Het laten uitvoeren van het onderzoek is verplicht volgens Erfgoedverordening gemeente Nissewaard (2016) en de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Spijkenisse (2011). 2.3 Huidig en toekomstig gebruik Het plangebied is nu nog in gebruik als bebouwd terrein, verharding en grasland. Het planvoornemen bestaat uit de bouw van vier gebouwen, waarvan drie reguliere woongebouwen (Afb. 1). Het vierde gebouw is een gemeenschapsgebouw. Tenminste drie van de vier gebouwen worden voorzien van een halfverdiepte parkeergarage. Tevens zullen alle gebouwen worden onderheid. Daarnaast voorziet het plan ook in de herinrichting van de openbare ruimte. In totaal betreft de ontwikkeling circa 3500 m2.
3
Afb. 1. Schets toekomstige situatie.
4
3
HANDREIKING BUREAUONDERZOEK
3.1 Inleiding Het uitvoeren van een KNA-conform bureauonderzoek is de eerste stap in de inventarisatie van archeologische waarden in het plangebied. Het doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Aan de hand hiervan wordt de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied opgemaakt. Er worden in relatie tot de KNA een aantal aanvullende eisen aan het bureauonderzoek gesteld. Deze staan weergegeven in bijlage 3 – Richtlijnen bureauonderzoek 2026 (versie 2.15). Voorliggend hoofdstuk 3 is bedoeld om richting te geven aan het nog op te stellen bureauonderzoek; een handreiking naar de archeologisch uitvoerder. De archeologisch uitvoerder zal na opdrachtverlening de archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek verder specificeren. De informatie die hieronder wordt gepresenteerd is dan ook allerminst volledig. Voor meer informatie over de regio en (de omgeving van) het plangebied wordt verwezen naar de volgende documenten.
Deze zijn als bijlage aan dit PvE-boren toegevoegd en zijn vrij te gebruiken: • Landschappelijke ontwikkeling Voorne-Putten • Bewoningsgeschiedenis gemeente Nissewaard • Historische geografie gemeente Nissewaard • Historie Spijkenisse 3.2 Geologische gegevens In 2003 is de nieuwe lithostratigrafische indeling van Nederland ingevoerd.2 In dit PvE-boren wordt echter in eerste instantie uitgegaan van de oude lithostratigrafische indeling zoals die door de toenmalige Rijks Geologische Dienst in 1975 is opgesteld. 3 De voornaamste reden hiervoor is het voorkomen van verlies aan gedetailleerde stratigrafische informatie, dat het toepassen van de nieuwe indeling met zich mee zou brengen. Afgaande op de Geologische Kaart van Nederland 1:50.000, Kaartblad Rotterdam Oost (37O) en op de door Archeologie Rotterdam in de nabije omgeving verzamelde aardkundige informatie is de globale opbouw van de bovenste delen van de bodem in het plangebied als volgt: 4 De ondiepe ondergrond in de omgeving van het plangebied is gevormd in het Holoceen, de huidige geologische periode die is begonnen na de laatste ijstijd, ca. 8.000 jaar voor Chr. Destijds lag de kustlijn ver in het noorden van de huidige Noordzee. Door de opwarming van het klimaat smolten de ijskappen en begon de zeespiegel te stijgen. Rond 4400 voor Chr. was de Zuid-Hollandse kust een uitgestrekt getijdengebied.
Deze mariene afzettingen worden tot het de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer gerekend (voorheen Afzettingen van Calais). Hierop is de Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket ontstaan, afgedekt door een venige kleiafzetting behorende tot de getijdeafzettingen van het Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk (voorheen Duinkerke I). Daarop ligt een overstromingsdek dat behoort tot de getijdeafzettingen van het Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk (voorheen Duinkerke III). Onderzoek direct ten noorden van het plangebied heeft een opvallend verschijnsel aan het licht gebracht. De Hollandveenlaag is plaatselijk bóven de jongere Afzettingen van Duinkerke-I gelegen. Dit is het resultaat van het losscheuren van het veen door sterke stromingen dan wel hoog water in de Duinkerke-I-kreekgeul ten westen van het plangebied. Het veenpakket is hierdoor integraal gaan drijven, waarna klei tussen de scheuren is afgezet.
5
Tevens is in de Afzettingen van Duinkerke I veelal sprake van een stevige (gerijpte) top, waarin af en toe gley-verschijnselen zijn waargenomen. Op basis hiervan heeft dit niveau enige tijd aan het oppervlak gelegen en is het bewoonbaar geweest gedurende de Late IJzertijd – Romeinse Tijd. De verwachtingszones voor deze periode zijn met name afhankelijk van de mate van intactheid van de top.5 3.3 Bekende archeologische waarden in het plangebied In het plangebied zijn geen archeologische vindplaatsen bekend. Er is niet eerder archeologisch onderzoek verricht. 3.4 Archeologische waarden in de omgeving van het plangebied In de directe omgeving van het plangebied ligt een aantal voor dit onderzoek relevante vindplaatsen en onderzoeken (Afb. 2). Op ruim 500 meter ten noordoosten van het plangebied is BOOR-vindplaats 18-15 aangetroffen (Archis-zaakID onbekend). De vindplaats bestaat uit enkele aardewerkscherven uit de 12e eeuw. De concentratie wordt afgedekt door een dun kleidek (Afzettingen van Duinkerke III).6 Op ruim 300 meter ten noorden van het plangebied is BOOR-vindplaats 18-50 uit de Midden- tot Late IJzertijd aangetroffen (Archis-zaakID 3181359100). De vindplaats bestaat uit een (deel van een) huisplattegrond (ca 6x8m) met aardewerkscherven, bot, palen, mest en een fragment van een glazen armband.7 Het gedeelte van de plattegrond, betrof een staldeel.
Herkenbaar is een aantal stalboxen met kniebomen langs het middenpad. De boerderij was minstens drie-schepig. Zoölogisch materiaal betrof hond, varken, rund, schaap/geit.8 Op ruim 200 meter ten noordwesten is BOOR-vindplaats 18-06 aangetroffen (Archis-zaakID onbekend). De vindplaats betrof een nederzettingsterrein uit de Midden-IJzertijd met palen, resten van een vlechtwerkwand, mest en vondstmateriaal, waaronder, aardewerk, botten van rund en schaap/geit en bewerkt natuursteen. Deze laatste betreft een zogenaamde kubussteen van kwartsitische zandsteen uit de Midden-IJzertijd (functie onduidelijk). Tevens is aardewerk uit de 1e helft van de 12e eeuw aangetroffen. 9 Op ruim 150 meter ten noorden is BOOR-vindplaats 18-57 aangetroffen (Archis-zaakID onbekend). De vindplaats bestaat uit enkele aardewerkscherven uit de IJzertijd en de 12e eeuw, aangetroffen in uitgeworpen grond van de nieuw gegraven singel. Tot slot is tijdens proefssleuvenonderzoek ten noorden van het plangebied een vondststrooiing uit de Midden-IJzertijd aangetroffen. Deze kan gerelateerd worden aan BOOR-vindplaats 18-06, die direct ten oosten hiervan is gelegen.10
6
Afb. 2. Vindplaatsen en onderzoeken in de omgeving van het plangebied.
3.5 Historische kaarten De volgende historische kaart is geraadpleegd en bevat geen aanwijzingen voor bewoning binnen het plangebied: • 1700 Ring van Putten
7
Afb. 3. Ring van Putten circa 1700.
8
4
GLOBALE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING
4.1 Inleiding Voor dit PvE-boren is een globale archeologische verwachting opgesteld. Deze verwachting is mogelijk onvolledig en gericht op de perioden/archeologische niveaus waarvan Archeologie Rotterdam van mening is dat hier in ieder geval aandacht aan dient te worden besteed in het nog op te stellen bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (zie Hoofdstuk 3). De uiteindelijke, KNA-conforme gespecificeerde archeologische verwachting wordt in het bureauonderzoek geformuleerd. Indien aanvullende informatie gepresenteerd in het bureauonderzoek leidt tot een wijziging (dus niet aanvulling) van de in dit PvE-boren opgestelde archeologische verwachting, dan dient contact opgenomen te worden met de adviseur van het bevoegd gezag, in deze Archeologie Rotterdam (zie voorblad voor contactgegevens).11 4.2 Archeologische verwachting Er zijn binnen het plangebied in ieder geval drie stratigrafische niveaus met archeologische potentie: 1. Top Hollandveen Laagpakket (Hollandveen). Te verwachten archeologische waarden: Midden IJzertijd. 2. Op de overstromingsafzettingen van de Formatie van Naaldwijk (afzettingen van Duinkerke I). Te verwachten archeologische waarden: Late IJzertijd tot en met Romeinse tijd en Middeleeuwen. 3. Op de overstromingsafzettingen van de Formatie van Naaldwijk (afzettingen van Duinkerke III).
Te verwachten archeologische waarden: Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
9
5
EISEN VERKENNEND INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
5.1 Inleiding Dit hoofdstuk heeft betrekking op de verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek. Hieronder worden de eisen besproken waaraan het veldonderzoek dient te voldoen Indien aanvullende informatie uit het bureauonderzoek leidt tot een wijziging van de voorgestelde onderzoeksmethode zoals gepresenteerd in dit hoofdstuk van het PvE-boren, dient contact opgenomen te worden met de adviseur van het bevoegd gezag, in deze Archeologie Rotterdam (zie voorblad voor contactgegevens). Op onderzoekslocaties die zich daartoe lenen, moet aanvullende informatie worden verzameld door bijvoorbeeld inspectie van baggerspecie of van opgeschoonde sloottaluds. Het veldonderzoek wordt verricht door het zetten van grondboringen. Het inventariserend veldonderzoek dient te worden uitgevoerd volgens het KNA-protocol 4003 ‘Inventariserend Veldonderzoek - Overig’ en te voldoen aan alle daarin vermelde specificaties (zie www.sikb.nl). 5.2 Opstellen Plan van Aanpak Met dit PvE-boren en de resultaten van het uitgevoerde Bureauonderzoek wordt het Plan van Aanpak (PvA) niet-gravend Inventariserend Veldonderzoek opgesteld conform KNA-specificatie VS01. Minimaal een week voor de start van het veldwerk wordt dit Plan van Aanpak in principe ter kennisgeving verstuurd naar team Beheer & Beleid van Archeologie Rotterdam.
Bij afwijkingen op dit PvE-boren moet wel nog goedkeuring worden verkregen van team Beheer & Beleid van Archeologie Rotterdam. 5.3 Doel booronderzoek Het booronderzoek bestaat uit een verkennende fase. Doel van het verkennend inventariserend veldonderzoek is het toetsen en eventueel aanpassen van de archeologische verwachting. Tijdens het verkennend inventariserend veldonderzoek wordt de bodemopbouw en mate van gaafheid van de bodem in kaart gebracht, om zo de archeologische potentie van het plangebied vast te stellen. 5.4 Te onderzoeken niveaus booronderzoek In hoofdstuk 3 zijn drie stratigrafische niveaus met archeologische potentie beschreven: 1. Top Hollandveen Laagpakket (Hollandveen). Te verwachten archeologische waarden: Midden IJzertijd. 2. Op de overstromingsafzettingen van de Formatie van Naaldwijk (afzettingen van Duinkerke I). Te verwachten archeologische waarden: Late IJzertijd tot en met Romeinse tijd en Middeleeuwen. 3. Op de overstromingsafzettingen van de Formatie van Naaldwijk (afzettingen van Duinkerke III). Te verwachten archeologische waarden: Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
5.5 Onderzoeksvragen • Wat is de geologische/bodemkundige opbouw van het plangebied? • Wat is de mate van gaafheid van de bodemopbouw in het plangebied? • Zijn in het plangebied stratigrafische niveaus met archeologische potentie aanwezig? • Op welke diepte bevinden deze niveaus zich (zowel beneden maaiveld als NAP)? • Zijn in het plangebied archeologische waarden aanwezig en kan, indien mogelijk, een eerste indruk 10
• •
gegeven worden van de datering, aard en kwaliteit van deze waarden? Is in het plangebied, gelet op de geplande bodemingrepen, vervolgonderzoek noodzakelijk? Zo ja, waar is vervolgonderzoek nodig en onderbouw de beoogde vervolgstrategie. Op welke diepte bevindt zich de oxidatie-reductie grens en hoe beïnvloedt deze de mogelijkheid voor behoud in situ van eventueel aangetroffen vindplaatsen?
5.6 Boorstrategie en methoden Voor de verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek worden in totaal 15 boringen gezet. De boorpunten worden zoveel mogelijk conform de bijgevoegde boorpuntenkaart gezet (zie Bijlage 2). De volgende aspecten zijn verder van belang bij het boren: • De locatie van de boorpunten op de boorpuntenkaart (Bijlage 2) is indicatief. Er kan eventueel met boorpunten worden geschoven als de situatie in het veld hiertoe aanleiding geeft (bebouwing, verharding); • De boringen worden gezet tot 0,5 meter in de top van de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer gerekend (voorheen Afzettingen van Calais) met een maximale diepte van 5 meter - mv; • Mocht na visuele inspectie met behulp van gutsmes in het veld nog twijfel bestaan over de aan- of afwezigheid van archeologische indicatoren in een bepaald bodemtraject dan wordt het betreffende stuk boorkern bemonsterd en gezeefd op een zeef met een maaswijdte van 4 mm; • De x-/y-coördinaat van de boorpunten dienen te worden bepaald, waarbij de afwijking maximaal 1 meter bedraagt; • De z-coördinaat van het boorpunt dient te worden bepaald, waarbij de afwijking maximaal 3 cm bedraagt.
Bij het vaststellen van de z-coördinaat mag geen gebruik worden gemaakt van het AHN; • De methode van inmeten van boorpunten of waarnemingen en de meetfout/nauwkeurigheid (maximale afwijking) moeten worden vermeld; • Voor het boren dient gebruik gemaakt te worden van een gutsboor met een binnendiameter van minimaal 2,5 cm. Voor de bovenste, geroerde, bodemtrajecten kan eventueel worden gebruik gemaakt van een Edelmanboor; • De boorkernen dienen volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB) of een direct daarvan afgeleide methode te worden beschreven. Hierbij wordt extra benadrukt dat: De begrenzing van de lagen tot op de cm nauwkeurig dient te worden vastgesteld. De boorkern mag dus niet in trajecten van bijvoorbeeld 10 cm worden beschreven; De aard van de grenzen dient te worden vastgesteld: diffuus, geleidelijk, scherp/abrupt of erosief. Bij klastische afzettingen met behulp van een zoutzuuroplossing het kalkgehalte dient te worden bepaald. 5.7 Samenstelling onderzoeksteam Bij het verkennend inventariserend veldonderzoek dient zowel het veldwerk, de uitwerking als de rapportage te worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel waarbij de aantoonbare kennis van en ervaring met het werken in Holoceen West-Nederland een vereiste is.
5.8 Rapportage inventariserend veldonderzoek De resultaten van het bureauonderzoek en het verkennend inventariserend veldonderzoek dienen door de uitvoerder in de vorm van een conceptrapport (in pdf) aan de initiatiefnemer van de toekomstige ontwikkeling te worden gepresenteerd. De initiatiefnemer biedt het concept ter goedkeuring aan het bevoegd gezag aan. Na het verwerken van op- en aanmerkingen van de adviseur van het bevoegd gezag op de conceptversie van het rapport wordt de goedkeuring van het rapport schriftelijk door het bevoegd 11
gezag medegedeeld aan de initiatiefnemer, een kopie van het schrijven gaat naar uitvoerder van het onderzoek. In het schrijven wordt tevens gemeld of het advies al of niet wordt onderschreven en als advies voor eventueel verder onderzoek wordt overgenomen door de adviseur van het bevoegd gezag. Pas na goedkeuring van het rapport door het bevoegd gezag kan het onderzoek worden afgesloten. De uitvoerder verstrekt het definitieve rapport (in pdf) aan de initiatiefnemer en (de deskundige van) het bevoegd gezag. De rapportage wordt opgesteld conform de eisen uit de KNA-specificatie VS05. Daarnaast worden aan de rapportage de volgende specifieke eisen benadrukt/gesteld: a) Rapportage resultaten - In de boorkernbeschrijvingen dienen de meest relevante interpretaties (met name de onderscheiden stratigrafische eenheden en lithogenetische interpretaties) te worden opgenomen; - Voor de onderscheiden stratigrafische eenheden wordt (ook) de conventionele benaming gebruikt: Afzettingen van Duinkerke (0, I, II en III), Hollandveen en Afzettingen van Calais (I, II, III en IV), Hellevoeterzand en dergelijke; - Met behulp van de boorstaten wordt het profiel van de meest indicatieve raai getekend en weergegeven in het rapport; - Om de interpretaties binnen de profielen controleerbaar te maken, worden bij het tekenen van de profielen de boorstaten weergegeven en wordt de (litho)stratigrafische
informatie van de boorkernbeschrijvingen goed herkenbaar bij de boorstaten geplaatst. - In het (de) profiel(en) wordt de oxidatie-reductiegrens aangegeven. b) Rapportage conclusies en aanbevelingen - In de conclusie moet een terugkoppeling naar de gespecificeerde archeologische verwachting en eventueel eerder uitgevoerd onderzoek worden opgenomen, met een verklaring van eventuele afwijkingen; - De geformuleerde onderzoeksvragen dienen beantwoord te worden (voor zover van toepassing); - Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd, dient een advieskaart met daarop de nader te onderzoeken delen van het plangebied te worden opgenomen, eventueel met de voorgestelde onderzoeksmethode; - Indien van aangetroffen vindplaatsen geoordeeld wordt dat ze in aanmerking komen voor plaatsing op de lijst van terreinen met vastgestelde archeologische waarde (gemeentelijk archeologisch monument), dan moet daarvoor een aanbeveling met motivatie worden opgenomen; - In het rapport dient een zinsnede te worden opgenomen, dat over de onderzoeksresultaten en het uitgebrachte advies contact opgenomen dient te worden met de bevoegde overheid. c) Rapportage aanlevering - Het conceptrapport wordt geleverd aan het bevoegd gezag, met tekst en figuren, bij voorkeur in één bestand (.doc of .pdf).
Ten behoeve van een vlot verloop van de beoordeling van de rapportage dient het conceptrapport vergezeld te gaan van cad- (.dxf/.dwg) of gis-bestanden (.shp/.mif) met de ligging van het plangebied, het onderzoeksgebied en de boorlocaties. De boorgegevens worden als database-bestand (.dbf/.accdb/.xls) aangeleverd. 5.9 Overig Indien het niet-gravend Inventariserend Veldonderzoek informatie oplevert over nieuwe vondsten of vindplaatsen, dan wel nieuwe informatie geeft over reeds bekende vondsten of vindplaatsen, dan dient zulke informatie te worden doorgegeven aan Archis. 12
Indien het veldonderzoek vondstmateriaal oplevert waarvan de projectleider oordeelt dat het bewaard dient te blijven, dan wordt contact opgenomen met de depotbeheerder van het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Zuid-Holland (archeologischdepot@pzh.nl) om het voorstel te bespreken.
13
NOTEN 1 Zie ook paragraaf 1.2 in de BRL SIKB 4000 Archeologie. 2 Westerhoff, Wong en de Mulder 2003. 3 Zagwijn en van Staalduinen 1975. 4 Rijks Geologische Dienst 1992. 5 Nales 2019. Mol 2020. Jansen of Lorkeers 2020. 6 Gout de Kreek, Moree en Schoonhoven 2010. 7 Trierum, Döbken en Guiran1988, pag. 35. 8 Döbken 1992, pag. 73. 9 Gout de Kreek, Moree en Schoonhoven 2010. 10 Mol 2020.
14
GERAADPLEEGDE BRONNEN Literatuur Döbken, A.B., (red.) 1992: Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied. BOORbalans 2, Rotterdam. Gout de Kreek, M.C.A., Moree, J.M., Schoonhoven, A.V., 2010: Archeologische vindplaatsen, AMKterreinen en onderzoeksgebieden in de gemeente Spijkenisse. BOORnotitie 12, Rotterdam. Jansen of Lorkeers, L.M.C., 2019: Spijkenisse, Sterrenkwartier Gemeente Nissewaard (ZH) Een Inventariserend Veldonderzoek (verkennende fase). Transect-rapport 2374, Nieuwegein. Jansen of Lorkeers, L.M.C., 2020: Spijkenisse, Sterrenkwartier fase 2, 3 en 4 Gemeente Nissewaard (ZH) Een Inventariserend Veldonderzoek (verkennende fase). Transect-rapport 2374, Nieuwegein. Mol, E., 2020: Spijkenisse, Sterrenkwartier (Gemeente Nissewaard (ZH). Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fasen. Transect-rapport 2512, Nieuwegein. Nales, T., 2019: Spijkenisse, Sterrenkwartier Gemeente Nissewaard (ZH). Een Inventariserend Veldonderzoek (verkennende fase). Transect-rapport 2078, Nieuwegein. Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen, A. Borsboom en M. Verbruggen, 2004: Prospectief boren; een studie naar de betrouwbaarheid en toepasbaarheid van booronderzoek in de prospectiearcheologie, Amsterdam (RAAP-rapporten 1000). Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen en M.
Verbruggen, 2025: Leidraad inventariserend veldonderzoek; Deel: karterend booronderzoek en proefputtenonderzoek, ontwerpversie 3.0 d.d. 10 april 2025. Trierum, M.C. van, Döbken, A.B., en Guiran, A.J., (red.), 1988: Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied. BOORbalans 1, Rotterdam. Westerhoff, W.E., T.E. Wong en E.F.J. de Mulder, 2003: Opbouw van de ondergrond, in: Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong (red.): De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten, 247-352. Zagwijn, W.H. en C.J. van Staalduinen (red.), 1975: Toelichting bij de geologische overzichtskaarten van Nederland, Haarlem. Overige bronnen Archis 3: Archeologisch informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (https://archis.cultureelerfgoed.nl). Beeldbank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Beeldbank Stadsarchief gemeente Rotterdam (https://stadsarchief.rotterdam.nl/). Beeldbank Nationaal Archief (https://www.nationaalarchief.nl/). Bestemmingsplannen (https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart). 15
BOORIS: Informatie Systeem van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam. Cultuurhistorische atlas van Zuid-Holland, kaart 1b Archeologische waarden (http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur historische atlas). Geologische kaart en bodemopbouw (DINOloket: www.dinoloket.nl). Kadastrale kaartgegevens (www.kadastralekaart.com). SIKB voor kwaliteitsrichtlijnen voor de archeologie (http://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen). Tijdreis over 200 jaar topografie (http://www.topotijdreis.nl/). Topografische informatie op kaart en vanuit de lucht van Google (http://maps.google.com).
16
Bronnen in BOOR-informatiesysteem (BOORIS) Archeologie
Archeologisch Informatiesysteem (Archis) Archeologische Monumentenkaart (AMK) BOOR-vindplaatsen BOORrapporten Archeologische rapporten derden Programma’s van Eisen
AWK
Gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Capelle aan den IJssel, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam en Westvoorne
Bestemmingplannen
Gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Capelle aan den IJssel, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam en Westvoorne
Bodemkaarten
Bennema, J. en J.C. Kloosterhuis, 1955: Rapport betreffende de bodemgesteldheid van de Prins Alexanderpolder bij Rotterdam, Wageningen (Stiboka-rapport 134), ondergrondkaart.
Bouwhistorie
Rijksmonumenten Rijks- en gemeentelijke monumenten Beschermde stadsgezichten
Geologie
GeoTop driedimensionaal model van de Nederlandse ondergrond door TNO Hijma, M.P., 2009: From river valley to estuary. The early-mid Holocene transgression of the RhineMeuse valley, The Netherlands, Utrecht (Netherlands Geographical Studies 389). Staalduinen, C.J. van, 1979: Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland 1:50.000, blad Rotterdam West (37 W), Haarlem. NITG-TNO, 1998: Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad Rotterdam Oost 37 Oost, Haarlem. Bosch, J.H.A. en H. Kok, 1994: Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland 1:50.000, blad Gorinchem West (38W), Haarlem.
Historische kaarten
HisGIS Hingman collectie Kadastrale minuten 1811-1832 Topografische en Militaire Kaart van het Koninkrijk der Nederlanden (TMK)
Hoogte
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Hoogtebestand Rotterdam
Overige boringen
Milieutechnische boringen DCMR Milieudienst Rijnmond Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO)
Paleogeografie
Vos, P.C., 2015: Origin of the Dutch coastal landscape. Long-term landscape evolution of the Netherlands during the Holocene, described and visualized in national, regional and local palaeogeographical map series, Groningen, 56-57 en 69-79. Cohen, K.M. en E. Stouthamer, 2012: Digitaal basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta.
Topografie
Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) Digitale Kadastrale Kaart (DKK)
Verstoringen
Funderingstypekaart Leidingverzamelkaart (LVZK)
Tweede Wereldoorlog Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) Brandgrens Kennisbank Tweede Wereldoorlog
17
AFKORTINGEN 14C
AHN AMK AMZ Archis AWK BGT BOOR BOORIS DCMR DINO DKK HisGIS gps IKME KLIC KNA LGM LVZK mv NAP NITG NOaA OSL PvA PvE RD SIKB Stiboka TMK TNO VOOGR VS
koolstof-14 isotoop Actueel Hoogtebestand Nederland Archeologische Monumentenkaart Archeologische Monumentenzorg Archeologisch informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Archeologische Waardenkaart Basisregistratie Grootschalige Topografie Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam Informatiesysteem van Archeologie Rotterdam Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond Data en Informatie van de Nederlandse ondergrond Digitale Kadastrale Kaart Historisch Geografisch Informatiesysteem global positioning system Indicatieve Kaart Militair Erfgoed Kabel- en Leidingen Informatie Centrum (tegenwoordig onderdeel van het Kadaster) Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie Laatste Glaciale Maximum Leidingverzamelkaart maaiveld Normaal Amsterdams Peil Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen Nationale Onderzoeksagenda Archeologie Optical Stimulated Luminescence Plan van Aanpak Programma van Eisen Rijksdriehoek Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer Stichting voor Bodemkartering (tegenwoordig Alterra) Topografische en Militaire Kaart van het Koninkrijk der Nederlanden Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek Verslagen van de afdeling Oudheidkundig Onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam Afkorting voor specificatie Inventariserend Veldonderzoek (binnen de KNA)
18
BIJLAGEN 1. Begrenzing van het plan- en onderzoeksgebied. 2. Boorpuntenkaart. 3. Richtlijnen voor het uitvoeren van archeologisch bureauonderzoek in de gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam en Voorne aan Zee. 4. Informatieve teksten: • Landschappelijke ontwikkeling Voorne-Putten • Bewoningsgeschiedenis gemeente Nissewaard • Historische geografie gemeente Nissewaard • Historie Spijkenisse 5. Deponeringseisen.
19
versie 2.15 (december 2025)
RICHTLIJNEN VOOR HET UITVOEREN VAN ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK IN DE GEMEENTEN:
-
ALBRANDSWAARD BARENDRECHT CAPELLE AAN DEN IJSSEL NISSEWAARD RIDDERKERK ROTTERDAM SCHIEDAM VOORNE AAN ZEE
Algemeen De afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam, Archeologie Rotterdam (BOOR), treedt in Rotterdam op als bevoegd gezag op het gebied van archeologisch onderzoek dat binnen de gemeentegrenzen plaatsvindt. Archeologie Rotterdam stelt in dat kader onder andere Programma’s van Eisen (PvE’s) op voor archeologisch onderzoek en beoordeelt rapportages van archeologisch onderzoek dat door archeologische bedrijven wordt uitgevoerd. In het kader van de omgevingsvergunningsprocedure wordt door Archeologie Rotterdam altijd eerst een plantoets uitgevoerd. Hierbij wordt gekeken of archeologisch onderzoek nodig is en zo ja, in welke vorm. In de meeste gevallen betreft de eerstvolgende stap het uitvoeren van een bureau- en booronderzoek. Archeologie Rotterdam stelt hiervoor een PvE-boren op. In dit PvE-boren wordt een bijdrage geleverd aan het bureauonderzoek en worden eisen gesteld aan het veldonderzoek. Archeologie Rotterdam treedt op structurele basis ook op als archeologisch adviseur voor een aantal buurgemeenten, die zelf op het terrein van de archeologie bevoegd gezag zijn. Momenteel zijn dat: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Nissewaard, Schiedam, Ridderkerk en Voorne aan Zee. Deze gemeenten beschikken over een vastgesteld archeologiebeleid en zijn in het bezit van een gemeentelijke archeologische waarden- en beleidskaart.
In opdracht van genoemde gemeenten stelt Archeologie Rotterdam voor hen ook PvE’s op en beoordeelt het door derden uitgevoerd archeologisch onderzoek en de rapportage daarvan. De hier gepresenteerde ‘Richtlijnen voor het uitvoeren van archeologisch bureauonderzoek’ hebben alleen betrekking op bureauonderzoek. Zij verschaffen helderheid over de kwaliteitseisen die door Archeologie Rotterdam gesteld worden aan de rapportage van dergelijk onderzoek, en zijn dan ook aanvullend op de eisen uit de KNA. Ook beogen de ‘Richtlijnen’ de kwaliteit van de archeologische rapportage te verbeteren en te borgen. Richtlijnen over het uitvoeren van booronderzoek staan in het door Archeologie Rotterdam opgestelde PvE-boren vermeld. Archeologie Rotterdam heeft sinds de oprichting in 1960 veel archeologische kennis en ervaring opgedaan in Rotterdam en het Maasmondgebied en beschikt over een omvangrijk gegevensbestand. Voorafgaande aan de uitvoering van ieder onderzoek dient altijd het bevoegd gezag geraadpleegd te worden (de contactpersonen worden hieronder vermeld). Dit is noodzakelijk, niet alleen om kennis te nemen van beschikbare informatie, maar ook om te voorkomen dat er onnodig of niet-efficiënt archeologisch onderzoek plaatsvindt in de bovengenoemde gemeenten.
De werkwijze draagt bovendien bij aan een goed verloop van de vergunningsprocedure en het goedkeuringstraject van onderzoeksrapporten.
Contact Voor informatie of vragen over deze richtlijnen en/of archeologisch onderzoek binnen Rotterdam kan contact opgenomen worden met het team Beheer en Beleid van Archeologie Rotterdam (Arnold Carmiggelt, Ceintuurbaan 213b, 3051 KC Rotterdam, tel. 010 - 4898500; archeologie@rotterdam.nl. Contactpersonen voor de overige gemeenten zijn te vinden op: www.rotterdam.nl/archeologie#beleid onder ‘Archeologie in de regio’.
De ‘Richtlijnen’ zijn in werking vanaf 15 april 2009. De meest actuele versie van deze ‘Richtlijnen’ is op te vragen bij Archeologie Rotterdam: archeologie@rotterdam.nl
Blad: 2/4
Bureauonderzoek Voor de start van het bureauonderzoek dient het bevoegd gezag te worden geraadpleegd ten behoeve van een gebieds-specifieke vraagstelling, eisen en de reeds beschikbare informatie, tenzij men beschikt over een PvE-boren dat door Archeologie Rotterdam is opgesteld in het kader van dezelfde ontwikkeling/plangebied. Het bureauonderzoek dient te worden uitgevoerd volgens het KNAprotocol 4002 ‘Bureauonderzoek’ en te voldoen aan alle daarin vermelde specificaties. Het rapport dient voorafgaand aan het (eventuele) veldwerk te worden uitgevoerd.1 Onderzoek in Rotterdam? Kijk dan ook naar de ROA (Rotterdamse Onderzoeksagenda Archeologie), beschikbaar in e-depot DANS. Aanvulling op LS01: Afbakenen onderzoeksgebied - De oppervlakte van het plangebied dient specifiek te worden vermeld. Aanvulling op LS03 en LS04: Historie, archeologie en aardwetenschappelijke waarden - Andere bronnen met informatie over de geologische, geomorfologische of bodemkundige gesteldheid van het plangebied (bijvoorbeeld uit bodemkundig- of milieuonderzoek, sonderingsgegevens, luchtfoto’s, AHN, DINOloket) dienen te worden geraadpleegd. Rapportages van milieukundig bodemonderzoek voor de regio Rotterdam zijn o.a. op te vragen via de website van DCMR (Rapportage via adres-/perceelzoeker). -
Bij Archeologie Rotterdam dient navraag te worden gedaan naar het voorkomen in het plangebied van nog niet in Archis opgenomen vondstmeldingen en/of andere relevante archeologische gegevens. Deze zullen tevens in het door Archeologie Rotterdam opgestelde PvE-boren zijn vermeld.
-
Bij cartografisch onderzoek dienen ook kaarten ouder dan de kadastrale minuut van 18111832 bekeken te worden, tenzij een dergelijke kaart(en) voor betreffende regio niet bestaan.
-
Er wordt minimaal één relevante historische kaart afgebeeld in het bureauonderzoek.
Aanvulling op LS05: Gespecificeerde archeologische verwachting - Naast de in de KNA-specificatie LS05 genoemde eigenschappen als datering, complextype, omvang, de diepteligging (in NAP en beneden maaiveld) en de (prospectie)kenmerken dient ook de (litho)stratigrafische positie van de te verwachten archeologische waarden te worden vermeld. -
Indien er meer archeologisch relevante niveaus worden verwacht, dienen de hierboven genoemde onderdelen per niveau te worden vermeld.
-
Bij het verwachtingsmodel wordt rekening gehouden met/meegewogen eventueel bestaande (sub)recente verstoringen en aanwezige ophoging.
Aanvulling op LS06: Standaardrapport bureauonderzoek - Het advies dient afgestemd te zijn op de voorgenomen bodemingrepen in relatie tot de gespecificeerde archeologische verwachting.
1
-
De rapport-titel bevat een directe verwijzing naar de gemeente, het plangebied en de uitgevoerde KNA-onderzoeksfase(n).
-
In het rapport dient een zinsnede te worden opgenomen, dat over de onderzoeksresultaten en het uitgebrachte advies contact opgenomen dient te worden met de bevoegde overheid.
-
Indien vrijgave wordt geadviseerd wordt een verwijzing naar de vondstmeldingsplicht opgenomen.
www.sikb.nl
Blad: 3/4
Blad: 4/4
-
Pas na goedkeuring van het rapport door het bevoegd gezag kan het onderzoek worden afgesloten.
-
Indien het bureauonderzoek informatie oplevert over nieuwe vondsten of vindplaatsen of nieuwe informatie over reeds bekende vondsten of vindplaatsen, dan dient die informatie te worden doorgegeven aan Archis, tenzij vervolgonderzoek wordt uitgevoerd naar deze vindplaats. Dan kan de melding worden gedaan na afloop van de veldwerkfase.
Landschappelijke ontwikkeling Voorne-Putten In 2003 is de nieuwe lithostratigrafische indeling van Nederland ingevoerd. 1 In deze tekst wordt echter ook nog de oude lithostratigrafische indeling benoemd, zoals die door de toenmalige Rijksgeologische Dienst in 1975 is opgesteld.2 Vooral in deze regio zijn de onderscheiden tussen verschillende fasen van afzettingen goed herkenbaar en zeer relevant voor dateringen van de in de lagen aanwezige archeologische resten. Het eiland Voorne-Putten is geologisch gezien een jong gebied dat zijn huidige vorm heeft gekregen in het Holoceen. Ongeveer 10.000 jaar geleden lag de kustlijn ver in het noorden van de huidige Noordzee en de diepere delen van de huidige ondergrond bevonden zich toen aan de oppervlakte. Sinds 50.000 jaar eerder waren zowel de Rijn als de Maas actief in de regio. De klastische afzettingen die door deze rivieren werden afgezet bestaan uit grindhoudend grof zand tot matig fijn zand en behoren tot de Formatie van Kreftenheye. De top van deze formatie ligt in het oosten van VoornePutten op circa 19 m – NAP en in het noordwesten op ruim 24 m – NAP. Ten noorden en zuiden van het dal van de Rijn en de Maas vormden zich eolische (door wind afgezette) zanddekken, bestaande uit zeer fijn tot matig grof zand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). In het rivierdal zelf ontwikkelde zich tussen 12.500 en 7.000 jaar voor Chr.
stroomgordels die dunne lagen siltige klei als leem afzetten in de komgebieden (Formatie van Kreftenheye, Laag van Wijchen). Aan de noordoostzijde van de stroomgordels ontstonden tot 15 meter hoge rivierduinen, die gevormd werden door zeer fijn en zeer grof zand met dunne leemlaagjes en fijne grindsnoertjes, dat uit de rivierbeddingen werd geblazen gedurende perioden van lage waterafvoer (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen). Door de klimaatsverbetering in het Holoceen smolten de gletsjers en steeg het zeeniveau. De Noordzee vulde zich in de loop der millennia met water; eerst snel, later meer geleidelijk. Bewoning vond in het Mesolithicum plaats op relatief hooggelegen locaties zoals oeverwallen en rivierduinen. 3 Na 6500 voor Chr. was het echter gedaan met de bewoonbaarheid van het gebied. Als gevolg van de (tijdelijk) sterk versnelde zeespiegelstijging verdronk het landschap met de rivierduinen. Er was nog enkele eeuwen sprake van een ondiep riviermondingslandschap met zoetwatergetijdeninvloed, maar dit verdiepte en verzilte tot een estuarien riviermondingslandschap. Vanaf 6300 voor Chr. waren de meer westelijk gelegen rivierduintoppen in het Maasvlaktegebied volledig onder het water verdwenen. 4 Ongeveer 4000 jaar voor Chr. nam de snelheid van de zeespiegelstijging af. De kustlijn stabiliseerde zich ongeveer op de plaats van de huidige kust.
Vervolgens breidde het strandwallensysteem zich zeewaarts uit en vernauwden de estuaria van de Schelde, Maas en Rijn zich. De kwelders en wadden verzoetten en vernatten hierdoor, en maakten plaats voor uitgestrekte moerassen. Het afgestorven plantaardig materiaal kon zich in dit landschap opeenhopen tot een dik pakket veen (Formatie van Nieuwkoop, Basisveen Laag; voorheen Basisveen). In het wadden- en kweldergebied werden vervolgens mariene klei- en zandlagen over het Basisveen afgezet (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer; voorheen Afzettingen van Calais). Deze afzettingen zijn overwegend zandig, alleen de top bestaat uit dekafzettingen (klei, zandige klei en zand). Op Putten bij Hekelingen en Simonshaven zijn op oeversedimenten langs geulafzettingen behorend tot de Afzettingen van Calais IV archeologische resten uit het Laat Neolithicum en de Vroege Bronstijd getraceerd. In de wijde omgeving van Hellevoetsluis bevindt zich het Hellevoeterzand, een zandrug die is ontstaan tijdens een grote zee-inbraak rond 3000 voor Chr. Door de kracht van de zee is een grote hoeveelheid sediment uit de verzande Maasmond tussen Voorne en Goeree weggeslagen en vervolgens langs
kreken op Voorne afgezet.5 Op het Hellevoeterzand zijn bewoningssporen uit het Laat-Neolithicum aangetroffen. Door het ontstaan van een min of meer gesloten strandwallenkust met een steeds nauwer wordende monding van de Maas vernatte het achter de kust liggende gebied, waar moerassen zich konden uitbreiden en op grote schaal veengroei optrad (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket). Ook de hoger gelegen oeverwallen raakten overgroeid en het veengebied breidde zich verder uit in westelijke richting. Plaatselijk werd de veengroei onderbroken door de vorming van mariene geulen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren; voorheen Afzettingen van Duinkerke 0). Deze geulen zijn echter gedurende de Bronstijd ook weer verland en overgroeid geraakt met veen. 6 Aan het eind van de Bronstijd maakt Voorne-Putten deel uit van een veengebied dat in het westen door strandwallen van de zee wordt afgeschermd. In het noorden en oosten zullen oeverwallen het veengebied hebben gescheiden van het rivierwater. Op het Hollandveen Laagpakket kan vanaf de Vroege-IJzertijd bewoning voorkomen. De nederzettingen zijn dan voornamelijk gesitueerd aan mariene geulen, die gedurende de IJzertijd steeds verder landinwaarts reiken (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren; voorheen Afzettingen van Duinkerke 1).
Op Putten zijn de nederzettingen in de IJzertijd en Romeinse tijd voornamelijk (maar niet uitsluitend) gerelateerd aan een Duinkerke I-geulsysteem dat zijn oorsprong vindt in de polder tussen Spijkenisse en Geervliet. Op Voorne komt bewoning vooralsnog pas vanaf de Late-IJzertijd echt op gang en is dan voornamelijk (maar niet uitsluitend) gerelateerd aan drie bescheiden Duinkerke I-geulsystemen. Deze geulen zetten vervolgens in delen van Voorne-Putten een pakket klastische sedimenten af op het Hollandveen Laagpakket. Binnen de Afzettingen van Duinkerke I kunnen dek- en geul/oeversedimenten worden onderscheiden. Op deze afzettingen kunnen op Putten bewoningssporen vanaf de Midden-IJzertijd worden aangetroffen. Op Voorne dateren de vroegste bewoningssporen op deze afzettingen uit de Romeinse tijd. De top van de natuurlijke sequentie bestaat uit een overstromingsdek dat in de Late Middeleeuwen, waarschijnlijk in de 12e eeuw, is gevormd (Laagpakket van Walcheren; voorheen Afzettingen van Duinkerke III). Op plaatsen waar de Afzettingen van Duinkerke I hoog waren opgeslibd kan het overstromingsdek dun zijn; het is zelfs niet helemaal uitgesloten dat de Afzettingen van Duinkerke III door de hoog liggende ondergrond plaatselijk niet zijn afgezet.
Tussen de Afzettingen van Duinkerke I en Afzettingen van Duinkerke III komt lokaal een laag veen voor die na de Romeinse tijd is gevormd (post-Romeins veen). Met de vorming van de verschillende polders in de 12e, 13e en 14e eeuw kwam uiteindelijk een eind aan de natuurlijke sedimentatie op Voorne-Putten.
2
Noten 1 Westerhoff, Wong en De Mulder 2003. 2 Zagwijn en Van Staalduinen 1975. 3 Voor rivierduinen zijn op Voorne-Putten tot op heden nog geen aanwijzingen aangetroffen. 4 Moree en Sier 2014. 5 Goossens 2009. 6 Van Staalduinen 1979, 56-58.
Literatuur Goossens, T.A. (red.), 2009: Opgraving Hellevoetsluis-Ossenhoek. Sporen van een nederzetting uit de Vlaardingen-cultuur op een kwelderrug in de gemeente Hellevoetsluis, Leiden (Archol-rapport 87). Moree, J.M. en M.M. Sier (red.), 2014: Twintig meter diep! Mesolithicum in de YangtzehavenMaasvlakte te Rotterdam, Rotterdam (BOORrapporten 523). Staalduinen, C.J. van, 1979: Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland 1:50.000, blad Rotterdam West (37 W), Haarlem. Westerhoff, W.E., T.E. Wong en E.F.J. de Mulder, 2003: Opbouw van de ondergrond, in: Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong (red.): De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten, 247-352. Zagwijn, W.H. en C.J. van Staalduinen (red.), 1975: Toelichting bij de geologische overzichtskaarten van Nederland, Haarlem.
3
Bewoningsgeschiedenis gemeente Nissewaard LET OP! ER STAAT 1 KEUZEOPTIE IN DE TEKST Mesolithicum (8.800-4.900 voor Chr.) Bewoningssporen uit het Mesolithicum zijn in de gemeente Nissewaard (nog) niet bekend, maar dat er in deze tijden wel menselijke aanwezigheid in de regio moet zijn geweest, suggereert het verzamelen vanaf de jaren zeventig van enkele honderden voorwerpen van been en gewei op de Rotterdamse Maasvlakte.1 Deze vondsten zijn buiten hun oorspronkelijke context aangetroffen in opgespoten grond die waarschijnlijk van een niveau van rond 20 m - NAP afkomstig is uit het Europoortgebied. Het vondstmateriaal betreft jacht- en viswerktuigen die door jagers-verzamelaars werden gebruikt. Ze verplaatsen steeds hun kampementen om aan hun voedsel en grondstoffen te komen en benutten de waterrijke streken als jachtgebied, om plantaardig voedsel te verzamelen en om te vissen. Het is zeer aannemelijk dat de jagers, verzamelaars en vissers ook op de oevers van waterlopen verbleven. Er zijn echter nog geen vindplaatsen uit een dergelijke landschappelijke situatie bekend. De resten zijn namelijk zeer lastig te traceren. Een uitzondering vormen de vindplaatsen op rivierduinen die aan het einde van het Pleistoceen en in het begin van het Holoceen zijn gevormd.
De hoge en droge rivierduinen waren lange tijd stabiele en daardoor permanent beschikbare locaties voor de jagers en verzamelaars in een verder dynamisch en veelal waterrijk landschap. Hier keerden zij geregeld terug om hun kampementen op te slaan, waardoor de dichtheid aan sporen en vondsten er in de loop van de tijd toenam.2 Na 6500 voor Chr. was het gedaan met de bewoonbaarheid van het gebied. Als gevolg van de (tijdelijk) sterk versnelde zeespiegelstijging verdronk het landschap met de rivierduinen. Pas ongeveer 4000 jaar voor Chr. nam de snelheid van de zeespiegelstijging af. De kustlijn stabiliseerde zich ongeveer op de plaats van de huidige kust en hierachter ontstond een uitgestrekt veengebied (Formatie van Nieuwkoop, Basisveen Laag; voorheen Basisveen). Neolithicum (5.300-2.000 voor Chr.) Met de komst van een boerenbevolking uit Midden-Europa in Limburg begint in Nederland het Neolithicum. In de Maasmond regio nemen de jagers, verzamelaars en vissers echter maar zeer geleidelijk elementen van dat boerenbestaan over; tot in de Bronstijd wordt een substantieel deel van het voedsel op de traditionele manier verkregen uit de natuur. Behalve op rivierduinen zijn nederzettingsterreinen uit het Neolithicum te vinden op oevers van kreken en rivieren.
De oudst bekende restanten van bewoning in de gemeente Nissewaard zijn aangetroffen in de polder Simonshaven, tussen Simonshaven en Hekelingen. Het betreft bewoningssporen behorende tot de Vlaardingen-cultuur, het Laat Neolithicum. Er zijn onder andere enkele woonplaatsen, houten paaltjes, crematieresten, netverzwaringen en aardewerk aangetroffen. 3 De overblijfselen zijn gelegen op de noordelijke oeverwal en ruggetjes van zijkreekjes van een Calais IV-zoetwatergetijdengeul die door het veenlandschap slingerde.4 De top van de Afzettingen van Calais ligt daar ongeveer op 2,3-2,5 m NAP. Tot op heden zijn er wel/geen aanwijzingen dat er in (de omgeving van) het plangebied rekening moet worden gehouden met een vergelijkbaar hoge ligging van de top van de Afzettingen van Calais en dus met de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten. De enige andere bekende Neolithische vindplaats betreft een losse vondst van een vuurstenen bijl in de polder direct ten noorden van Zuidland.5
Bronstijd (2.000-800 voor Chr.) Op een kleilaag die de hierboven genoemde neolithische vindplaatsen heeft afgedekt werden sporen uit de Vroege Bronstijd aangetroffen. 6 Het gaat om scherven van Wikkeldraad-aardewerk, afvalkuilen, menselijk botmateriaal en houten paaltjes.7 Er zijn in de gemeente Nissewaard geen aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid na de Vroege Bronstijd. De oorzaak moet gezocht worden in een vernatting van het achter de kust liggende gebied, waar moerassen zich konden uitbreiden en op grote schaal veengroei optrad (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket). De hoger gelegen oeverwallen raakten overgroeid en het veengebied breidde zich verder uit in westelijke richting. De bewoningsmogelijkheden in zo’n landschap waren beperkt. Vroege IJzertijd Het veengebied is in de Vroege IJzertijd weer bewoond geraakt. De veenbodem waarop de ijzertijdboeren zich vestigden is gevormd in een moerassig en voedselrijk zoet milieu, waar riet overheerste.8 Vestiging in het veenlandschap was alleen mogelijk nadat het gebied voldoende was ontwaterd. Uit de Vroege IJzertijd zijn echter geen diep landinwaarts reikende brede geulen bekend die voor een forse ontwatering zorgden. Ook de kleidekken ontbreken die je bij een dergelijk geulsysteem buiten de oevers zou verwachten. Eerder zal een situatie hebben gegolden waarin geulvorming beperkt bleef tot een klein gebied.
Daarbuiten vond wellicht drainage plaats doordat de nieuwe geulen de veenprielen en de andere laagtes aansneden die van nature in het veenlandschap aanwezig waren.9 Bovenstaande gedachte komt voort uit de ligging van diverse nederzettingsterreinen in de polder ten westen van Spijkenisse en iets zuidelijker, nabij Biert. 10 Deze nederzettingen zijn gesitueerd nabij een geulsysteem dat pas later uitgroeide tot een fors formaat, in de Midden-IJzertijd. Waarschijnlijk waren het ooit veenprielen die al functioneerden in de Vroege IJzertijd, maar die in de Midden-IJzertijd een versterkte activiteit vertoonden en zijn uitgeschuurd en verbreed. De enigszins hoger gelegen delen in het landschap werden uitgekozen als vestigingsplaats. De nederzettingsterreinen in de IJzertijd (en Romeinse tijd) hadden maximale afmetingen van 40 bij 50 meter en zullen gezien de geringe grootte uit niet meer dan een enkele huisplaats hebben bestaan. De houten boerderijen bevatten een woon- en een staldeel. Als bouwmateriaal zijn vooral lokale houtsoorten gebruikt, zoals es en els. De veestapel werd gevormd door rund, varken, schaap/geit en paard, en honden dienden om huis, erf en kudde te bewaken. Er werden diverse voedselgewassen verbouwd. Naast agrarische activiteiten werd er gesponnen en geweven, maar ook metaal bewerkt en zout gewonnen. In de loop van de 6e eeuw voor Chr.
stagneert de ontwatering van het veengebied. De bewoning breekt af en de hierboven genoemde nederzettingsterreinen raken overgroeid met veen. Midden-IJzertijd De steeds groter wordende invloed van de zee in het gebied achter de kustgordel maakte in de eeuwen voor het begin van de jaartelling een eind aan de veenvorming. De grote zeegaten verruimden zich en tot diep in het moerasgebied vormden zich geulen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren; voorheen Afzettingen van Duinkerke 1). Het veen werd hierdoor plaatselijk ontwaterd en op die wijze geschikt gemaakt voor bewoning. In de loop van de IJzertijd raakt Voorne-Putten dan ook weer intensiever bewoond. In vergelijking met de Vroege IJzertijd is op een aantal locaties een duidelijk veraarde veentop waargenomen, een teken dat het landschap in deze periode verder verdroogde.11
2
Het systeem dat voor de natuurlijke ontwatering zorgde is een Duinkerke I-geulensysteem waarvan het mondingsgebied tussen Geervliet en Spijkenisse lag. De monding van het systeem in de (oer)Maas is verloren gegaan door erosie in de Middeleeuwen en door recent menselijk ingrijpen (het graven van het Scheepvaart- en Voedingskanaal). Het systeem bestond uit een fijn vertakt stelsel van geulen en zijgeultjes. Midden-IJzertijd nederzettingen zijn dan ook vooral aan te treffen op de oevers van kreken en riviertjes die het omliggende (veen)gebied ontwateren, bewoonbaar en toegankelijk maken. De bekende vindplaatsen uit deze periode liggen voornamelijk aan de noordzijde van Putten, tussen Geervliet en Spijkenisse. In de polder ten oosten van Geervliet werd een huisplaats met hierop de resten van een woonstalhuis aangetroffen, inclusief een houten hamer.12 Op slechts 160 meter afstand werd een tweede woonstalhuis waargenomen, inclusief aanbouw, en niet ver hiervandaan werd tevens een houten pad aangetroffen.13 Aan de uiterste noordzijde van Spijkenisse, dicht tegen het huidige Hartelkanaal, bevond zich een drieschepige boerderij met greppelsysteem.
14 De vondst van nederzettingsterreinen met staande palen en restanten vlechtwerk in Zuidland en de wijk Sterrenkwartier in Spijkenisse tonen echter aan dat in de Midden IJzertijdmens al dieper het land ingetrokken was.15 Aan het eind van de Midden-IJzertijd breekt opnieuw de bewoning af. De oorzaak hiervan is een toegenomen activiteit van het Duinkerke I-geulsysteem rond 200 voor Chr. Vanuit de aanvankelijk nog rustige kreken gingen erosie en sedimentatie het landschap domineren, waardoor de bewoning niet langer stand kon houden. Vooral dicht bij het Maasestuarium en de grotere geulen sneden de kreken zich diep in de ondergrond in en eroderen de flankerende stukken veen. Kenmerkend voor de ingrijpende landschappelijke gevolgen van de Duinkerke I-transgressie is de situatie bij twee vindplaatsen in de polder tussen Spijkenisse en Geervliet, die langs een Duinkerke I-geul waren gelegen.16 Veldwaarnemingen bij de vindplaatsen in het Hartelpark bij Spijkenisse, aan de noordrand van Biert en in de polder tussen Spijkenisse en Geervliet wijzen eveneens op een erosieve aantasting van deze op het veen gelegen nederzettingen. 17 De dieper in het veenlandschap gelegen vindplaatsen zijn gevrijwaard van erosie.
Uiteindelijk zijn vrijwel alle nederzettingsterreinen uit de Midden-IJzertijd op Putten afgedekt door een klastisch dek behorend tot de Afzettingen van Duinkerke I.18 Late IJzertijd Het oorspronkelijke veenlandschap maakte in de Late IJzertijd in toenemende mate plaats voor een zoetwatergetijdengebied met een hoge dynamiek, met geulen en kreken waarlangs slikken, gorzen, hoger opgeslibde platen en oeverwallen lagen. Nadat de landschappelijke situatie zich in het kerngebied van het Duinkerke I-systeem had gestabiliseerd, vestigde de mens zich er opnieuw. De tot nu toe bekende nederzettingen zijn op een enkele uitzondering na gelegen op Duinkerke I-afzettingen, de hogere zandige elementen in het landschap.19 Goede voorbeelden zijn aangetroffen bij de Jeugdgevangenis in Spijkenisse, waar de restanten van een gebouw op een smalle oeverwal zijn opgegraven, en aan de busbaan van de Groene Kruisweg ten westen van Spijkenisse, waar paalsporen op de oostelijke oever van een geul zijn waargenomen.20 In vergelijking met de Midden-IJzertijd is het verspreidingsgebied van de nederzettingen in de Late IJzertijd toegenomen. Het strekt zich nu verder uit naar het zuidwesten, tot in het gebied van Abbenbroek, Oudenhoorn en Zuidland op het eiland Voorne.
Vindplaatsen uit de Late IJzertijd bevinden zich hier op een veenondergrond, getuige twee vindplaatsen aan de Dwarsweg in Zuidland.21 Deze arealen zijn kennelijk pas laat binnen het bereik van het Duinkerke I-geulenstelsel gekomen.22 Waarschijnlijk gebeurde dat in de periode waarin noordoostelijk - bij Geervliet en Spijkenisse - hevige erosie en sedimentatie plaatsvond (zie einde Midden-IJzertijd), waarbij 3
tegelijkertijd het geulensysteem zich in zuidwestelijke richting kon uitbreiden. Het gebied AbbenbroekZuidland was mogelijk een tijdelijk toevluchtsoord voor degenen die ‘in het noorden’ aan het eind van de Midden-IJzertijd waren verdreven. De twee vindplaatsen aan de Dwarsweg in Zuidland zijn na te zijn verlaten ook weer overgroeid met veen, een teken dat deze locaties nog een tijd lang buiten de invloedsfeer van de geulen verbleven. Door de voortdurende zeespiegelstijging drong het water wel steeds verder op; de ijzertijdbewoning werd uiteindelijk afgebroken en het veengebied verdronk. Vervolgens sneden zich geulen in, waarna een Duinkerke I-kleilandschap ontstond dat pas in de Romeinse Tijd weer bewoond raakte. Romeinse tijd Aan het eind van de Late IJzertijd (vanaf 100 voor Chr.) loopt de bevolking op Voorne-Putten net zoals in het gebied ten noorden van de Maas sterk terug. 23 In het begin van de Romeinse tijd, de eerste decennia na het begin van de jaartelling, is het Maasmondgebied dan ook spaarzaam bewoond geweest. Vanaf de tweede helft van de eerste eeuw na Chr. neemt het aantal nederzettingen weer toe. De mogelijkheid bestaat dat ze zijn gesticht door nieuwkomers in het gebied, die ten noorden van de Maas later de Cananefaatse gemeenschap zijn gaan vormen. 24 Voorne-Putten lag in de Romeinse tijd op de zuidelijke oever van het Helinium, de monding van Maas en Waal.
Gezien het feit dat de rivieren een functie als snelwegen vervulden moet dit gebied van grote strategische waarde zijn geweest, helemaal als de aanleg van het kanaal van Corbulo hierin wordt betrokken, waarmee Maas en Rijn tussen Naaldwijk en Leiden met elkaar werden verbonden. Alhoewel een militaire aanwezigheid als vanzelfsprekend kan worden beschouwd, blijkt dit vooralsnog niet uit het archeologisch archief. De op slechts enkele tientallen meters van elkaar gelegen nederzettingen onder de woonwijk Kreken van Nibbeland in Zuidland tonen de dynamiek waarmee de mens in de Romeinse tijd reageert op de landschappelijke veranderingen in het gebied. Twee van de nederzettingen zijn gesitueerd op veen en nabij een Duinkerke I-geul.25 Op een derde locatie zijn nederzettingsresten en graven (en daar aan gerelateerde sporen) aangetroffen op twee verschillende niveaus in klastische oeverafzettingen van dezelfde geul.26 De menselijke aanwezigheid in het gebied werd klaarblijkelijk alleen maar tijdelijk onderbroken gedurende de duur van de sedimentatie van de Afzettingen van Duinkerke I, die hier dus zeer goed in tijd zijn te plaatsen. Men keerde al snel terug naar de plek waar men oorspronkelijk vertoefde. De verspreiding van de nederzettingen is goed vergelijkbaar met die uit de Late IJzertijd. Ook in de locatiekeuze is weinig verschil te bemerken.
Op Putten liggen veel van de vindplaatsen op de hogere en zandigere delen van het Duinkerke I-gebied. Een mooi voorbeeld hiervan is een tweetal over elkaar heen gebouwde boerderijen in de polder bij Simonshaven uit de Midden-Romeinse tijd.27 Een kleiner aantal vindplaatsen ligt op het veen langs de flanken van het Duinkerke I-gebied, voornamelijk in het zuidwesten van Spijkenisse. Uit dit gebied zijn nog geen IJzertijd-vindplaatsen bekend. Er zijn verschillende begraafplaatsen uit de Romeinse tijd bekend. De best onderzochte is die van Spijkenisse-Hartel West en was tussen 50 en 200 na Chr. in gebruik. 28 Van de ongeveer 200 bijgezette individuen was de overgrote meerderheid gecremeerd. Slechts zes personen waren geïnhumeerd: vijf pasgeborenen en een volwassen man. Op nog geen 300 meter ten oosten werd een tweede grafveld aangetroffen van in totaal 21 crematies en één inhumatiegraf.29 De meeste graven zijn waarschijnlijk in de 2e eeuw na Chr. te dateren, enkele graven bevatten bijgiften uit de 3e eeuw. Op de hierboven genoemde vindplaats onder de woonwijk Kreken van Nibbeland in Zuidland zijn tevens delen van een grafveld opgegraven.30 Tot dusver zijn tijdens de diverse archeologische
4
onderzoeken in totaal 22 funeraire sporen aangetroffen, waaronder zeven grafkuilen, zeven brandplaatsen en acht brandkuilen. In de Romeinse tijd worden ook de eerste poldertjes aangelegd: gebieden waarin de waterstand kunstmatig kan worden geregeld door voorzieningen als greppels, sloten, dammen met duikers en zelfs dijken aan te brengen.31 Door een goede regulering van de waterhuishouding kon de agrarische productie worden vergroot. Hierdoor kon tegemoet worden gekomen aan de toegenomen vraag naar voedsel als gevolg van het groeien van de bevolking. Opvallend is wel dat alle bekende vindplaatsen met dergelijke waterkundige werken op Voorne-Putten in de gemeente Nissewaard liggen, waar een groot Duinkerke I-systeem actief was. In deze periode verschenen ook gebouwen met duidelijk Romeinse invloeden, zowel in stijl als in de gebruikte bouwmaterialen. Langs de busbaan tussen Spijkenisse en Geervliet is een deel van een nederzettingsterrein een drieschepig houten huis uit de 2e eeuw na Chr. onderzocht dat was voorzien van een zogenaamde porticus. Opvallende vondstcategorieën waren dakpan, tufsteen en pleisterwerk, en wekken de suggestie dat deze bouwmaterialen ook in het houten huis of in andere bouwwerken op het erf zijn gebruikt.32 De lange wanden van het huis liepen nog circa twee meter door voorbij de kopse wand, waarmee een soort van voorportaal werd gecreëerd.
Een dergelijk huistype is in Zuid-Holland niet geheel onbekend; in Valkenburg ZH zijn meerdere exemplaren aangetroffen. 33 Hier was de suggestie dat de open ruimte mogelijk als uitstalplaats van handelswaar heeft gefungeerd, aangezien alle huizen op de slechts enkele tientallen meters verderop gelegen Hadrianusweg waren gericht. Onderzoek in de nabije omgeving, waaronder die van het eerdergenoemde grafveld, toont aan dat het huis met porticus deel uitmaakt van een uitgestrekt gecultiveerd landschap. Zo werden circa 500 meter ten oosten ook diverse gebouwen aangetroffen.34 Einde Romeinse tijd De nederzettingen uit de Romeinse tijd houden aan het eind van de 3e eeuw na Chr. op te bestaan. Of het hele gebied in deze periode totaal ontvolkt raakte, is niet zeker. Mogelijk voerden de Romeinen een bewuste ontvolkingspolitiek. Duidelijk is wel dat het land vernatte, waardoor de bewoningsmogelijkheden sterk werden beperkt. Op Voorne-Putten is in de 3e eeuw op veel plaatsen veenvorming in volle gang, soms voorafgegaan door klei-afzettingen. Naast de landschappelijke veranderingen zal de politieke situatie in het Romeinse rijk een rol hebben gespeeld bij het beëindigen van de bezetting. In 406 na Chr., wanneer de Rijngrens wordt opgegeven, is het in Nederland definitief gedaan met de Romeinse tijd.