CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan IKC Elementen-Schenkel; Toelichting

Gemeenteraad 12 april 2023, gemeente NissewaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Integraal Kindcentrum (IKC) Elementen-Schenkel15.906 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

34

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedsgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. Gemeentelijk kader De raad van de voormalige gemeente Spijkenisse heeft op 21 maart 2012 de externe veiligheidsvisie “Spijkenisse Veiliger” vastgesteld. De basis van het in de visie geformuleerde beleid is dat de gemeente het door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) opgestelde kwetsbaarheidzonemodel hanteert bij de beoordeling van nieuwe planologische ontwikkelingen. Het kwetsbaarheidzonemodel is het instrument dat door de VRR gebruikt wordt om te bepalen in hoeverre een bepaalde ontwikkeling acceptabel is en welke aanvullende maatregelen eventueel geadviseerd worden. Bij een verantwoording van een nieuwe ontwikkeling laat de gemeente volgens deze visie de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid zwaar wegen. Het uitgangspunt is daarom dat het advies voortvloeiende uit het kwetsbaarheidzonemodel in principe gevolgd wordt. Afwijking van dit advies is mogelijk maar dient wel uitgebreid gemotiveerd te worden. Het kwetsbaarheidszonemodel van de VRR, koppelt functies (zoals scholen, sportfuncties en winkels) aan: 1. een oordeel over de wenselijkheid van een functie op de geplande locatie; 2. maatregelen die getroffen moeten worden wanneer een functie op de geplande locatie wordt gerealiseerd.

De maatregelen die de VRR adviseert volgen uit de scenario's die op de plaats van de nieuwe functie op kunnen treden. Er worden drie type scenario's onderscheiden: hitte (als gevolg van brand), druk (als gevolg van een explosie) en toxisch (als gevolg van een ongeval met een giftige stof). Het kwetsbaarheidszonemodel hanteert de volgende richtlijnen: In het gebied rondom een risicobron, waar, na een ongeval volgens het meest geloofwaardige scenario, iedereen komt te overlijden: geen enkele ontwikkeling zonder maatregelen. Voor objecten waarbij de gebruikers niet zelfredzaam zijn, zoals een ziekenhuis of een kinderdagverblijf (zeer kwetsbare objecten), wordt het “worst case” scenario aangehouden. Bestemmingen met grote groepen die buiten verblijven (openluchtrecreatie/sport) zijn ongewenst in het gebied waar in het “worst case” scenario iedereen kan komen te overlijden als gevolg van een incident met een toxische stof.

4.6.2 Onderzoek Uit de risicokaart blijkt dat in de omgeving van het bouwplan vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de Oude Maas. De Oude Maas wordt aangemerkt als zeevaartroute van de corridor Rotterdam - Moerdijk. AGEL adviseurs heeft een nadere beschouwing over het aspect externe veiligheid opgesteld. Dit rapport is als Bijlage 8 bijgevoegd. In onderstaand tabel is een overzicht gegeven van het invloedsgebied en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen over de Oude Maas.

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

35

Tabel vervoerscijfers gevaarlijke stoffen Oude Maas Plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebied Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 40 meter. Omdat het bouwplan op ongeveer 90 meter van de oever wordt gerealiseerd zijn er geen directe ruimtelijke beperkingen. Toetsing aan gemeentelijk kader De ontwikkeling betreft een schoolgebouw. Dit wordt als een 'zeer kwetsbaar object' beschouwd. Dit houdt in dat voor de wenselijkheid van deze ontwikkeling het “worst case” scenario wordt gehanteerd. Zoals eerder is onderbouwd, ligt de ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de Oude Maas. Over de Oude Maas vindt zeevaarttransport plaats met brandbare en toxische vloeistoffen en gassen. De veiligheidsregio hanteert in het 'worst case' scenario een afstand vanaf het midden van de vaargeul voor het gebied waar iedereen komt te overlijden van 150 meter voor het toxische scenario respectievelijk 200 meter voor het hitte en druk scenario. ypeT Brand, hitte Brand, hitte Toxisch Toxisch

ScenOms Maatgevend Worstcase Maatgevend Worstcase

LC100 LC50 40 200 65 80 150 650

LC10 50 250

LC01 70 300 150 1200

De afstand van het schoolgebouw tot het midden van de vaargeul bedraagt ongeveer 264 meter. Dit betekent voor het scenario brand/ hitte LC10 en voor het scenario toxisch tussen LC100 en LC 50. Dit houdt in dat dit in de letaliteitszone B valt en dat het integraal kindcentrum (IKC) aan harde kwaliteitseisen moet voldoen. Dit houdt in dat de VRR met deze ontwikkeling kan instemmen als haar advies wordt opgevolgd en zo een voldoende kwaliteitsniveau wordt bereikt in het verbeteren van de zelfredzaamheid van de kinderen van het IKC. Volgens ons beleid kan met het opvolgen van het VRR advies worden volstaan als de oriënterende waarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Groepsrisico Het bouwplan wordt op ongeveer 90 meter van de Oude Maas gerealiseerd. Daardoor bevindt het bouwplan zich binnen de zone van 200 meter en dient op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) inzicht te worden gegeven in het GR. De risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen moeten volgens de Regeling basisnet worden 36

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

berekend aan de hand van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) en met behulp van het rekenprogramma RBMII (RisicoBerekeningsMethodiek II). HART en RBMII zijn echter nog niet geschikt om berekeningen uit te voeren voor vaarwegen met meer dan 10% zeevaart. Volgens hoofdstuk 12 van de HART is het daarom voor zeevaart voldoende een kwalitatieve inschatting van de risico's te maken. Volgens het Definitief ontwerp basisnet water is het groepsrisico van de Oude Maas lager dan de oriëntatiewaarde en geldt dat er tot 2030 zeker nog een factor 2 ruimte is bovenop de hoogste beschouwde groeiscenario's voordat er een PR-10-6-contour op de oever zal komen of GR-knelpunten ontstaan. Hierbij is rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen.. De gemeente is daarom van mening dat de hoogte van het groepsrisico geen belemmering vormt voor het vaststellen van het onderhavige bestemmingsplan. Zelfredzaamheid De te realiseren basisscholen en de kinderopvang zijn functies waar minder zelfredzame personen aanwezig zijn. Dit betreffen met name de kinderen in de lagere groepen van de basisschool en de kinderopvang. Bij een dreigende situatie dient deze groep kinderen met behulp van zelfredzame personen, zoals leraren en begeleiders kinderopvang in veiligheid gebracht te worden.

De kinderen in de hogere groepen van de basisscholen en de aanwezigen in de verhuurbare gymzaal in de avond- en nachtperiode zijn wel als zelfredzaam aan te merken. Aangenomen kan worden dat deze personen zichzelf bij een calamiteit in veiligheid brengen. Voor de zelfredzaamheid tijdens een BLVE of een toxische scenario, het vergroten van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid dienen de paragrafen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid in Bijlage 8 raadgepleegd te worden. Ontsluiting hulpdiensten De ontsluiting van het plangebied is na het opstellen van Bijlage 8 gewijzigd en is er opnieuw gekeken naar de ontsluiting voor hulpdiensten en vluchtroutes. De ontsluiting voor hulpdiensten loopt nu via de ontsluiting van het schoolgebouw.

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

37

Afbeelding 15: ontsluiingsroutes voor hulpdiensten Hulpdiensten kunnen bij calamiteiten in het gebied gebruik maken van de 'rondweg' en zo het schoolgebouw vanaf de Oude Maasweg op 2 manieren bereiken (H1); Indien de Oude Maasweg geblokkeerd is, dan kan het gebied bereikt worden via de Elementenweg en de Nieuw Hongerlandsedijk (H2); Eventueel is met een aanpassing ook nog een calamiteitenroute mogelijk via de Maasboulevard en de Nieuw Hongerlandseijk (H3). Vluchtroutes Bij calamiteiten op de Oude Maas, kan er gevlucht worden via de ontsluitingswegen van de locatie en te voet kan er ook gevlucht worden via de trappen over de metrobaan.

38

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

Afbeelding 15: vluchtroutes 4.6.3 Advies Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond Ten aanzien van externe veiligheid is de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) om advies gevraagd. De VRR adviseert voor de ontwikkeling zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Hierbij is het zeer wenselijk om zorg te dragen voor een tweezijdige ontsluiting van de locatie, zodat aanwezigen in geval van een incident (op de Oude Maas) kunnen vluchten en de hulpdiensten het gebied, afhankelijk van het incident, van twee zijden kunnen bereiken. Daarnaast worden er bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen geadviseerd. Het advies van de Veiligeheidssregio is bijgevoegd als Bijlage 9. Er wordt voorzien in een adequate bluswatervoorziening. Er is op 30 meter van de locatie langs de onsluitingsweg vanaf de Theemsweg een bestaande bluswatervoorziening. Tevens is het mogelijk omte vluchten langs de Hongerlandsedijk en indien er een voet-fietspad wordt aangelegd ook in de richting van de Theemsweg. Ook is het mogelijk om richting de Amerstraat te vluchten te voet of per fiets.

Tijdens de bouw van de naastgelegen appartementen is het mogelijk om bij calamiteiten via het voet-/fietspad op de Hongerlandsedijk te vluchten. Als de bouw van de appartementen is afgerond, dan is de weg over de Hongerlandsedijk de tweede ontsluiting van de locatie. De bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen worden meegenomen bij het ontwerp van het schoolgebouw. Hierbij gaat het om de volgende maatregelen: Bouwkundige maatregelen a. De gevels, daken en/of glasoppervlakken die gericht zijn naar de Oude Maas, behoren bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

39

bestand te zijn tegen een warmtestralingsflux > 12,5 kW/m²; b. Zorg dat de (nood)uitgang(en) van de school zodanig worden gesitueerd dat aanwezige kinderen en hun leerkrachten/begeleiders veilig in tegengestelde richting van een mogelijk incident op de Oude Maas kunnen vluchten; Installatietechnische maatregelen a. Construeer het gebouw zodanig dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012); Organisatorische maatregelen a. Zorg dat de BHV-organisatie van de Elementenschool op de hoogte is van de mogelijkheid van het optreden van een incident en weet hoe er op dat moment gehandeld moet worden. Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand”. De gemeente is initiatiefnemer en zal zorgen dat deze maatregelen worden meegenomen in de aanvraag omgevingsvergunning. Advies veiligheidsregio naar aanleiding van wijziging vand e ontsluiting Op 14 januari 2022 is er door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond gereageerd op de voorgestelde ontsluiting voor hulpdiensten en de vluchtroutes.

De Veiligheidsregio geeft aan dat het schoolgebouw zich bevindt binnen het effectgebied van een plasbrand op de Oude Maas, waardoor er maatregelen genomen moeten worden. De ontsluiting H2 (Elementenweg en de Nieuw Hongerlandsedijk) zal bij een plasbrand op de Oude Maas niet voor hulpdiensten bereikbaar zijn. Via de ontsluiting H1 (oude Maasweg en aan de voet van de Nieuw Hongerlandsedijk) zal onder bescherming van de woontorens de school veilig te bereiken zijn. Dit is voldoende. Voor het vluchten ligt trap 1 op voldoende afstand van de Oude Maas eb kunnen de aanwezigen via deze trap in veiligheid worden gebracht.

4.6.4 Conclusie De gemeente is van mening dat het onderhavige bestemmingsplan geen belemmering vormt voor het groepsrisico. Volgens ons beleid kan worden volstaan met een beperkte groepsrisico verantwoording als de maatregelen van de VRR worden toegepast. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft een advies uitgebracht. Het plan voorziet in de geadviseerde ruimtelijke aspecten. De bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen worden meegenomen bij het ontwerp van het schoolgebouw.

40

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

4.7

Flora en Fauna

4.7.1 Kader Algemeen De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. In de voorliggende Natuurtoets wordt niet ingegaan op de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het 'Natuurnetwerk Nederland' (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora'). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving.

Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal vogelsoorten, indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt. Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden. Andere soorten

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

41

Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wnb, zie ook Bijlage tabel C en D van voorliggende rapportage. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren, opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren. Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Met betrekking tot de 'andere soorten' zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. De grond waarop deze vrijstelling geldt verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Indien bij het voornemen gestelde verboden in artikel 3.1, 3,5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt.

De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie. Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en / of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Indien op voorhand significante effecten niet uitgesloten kunnen worden dient een passende beoordeling opgesteld te worden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden; de Natura 2000-gebieden maken daar deel van uit. Naast de Natura 2000-gebieden bevat het NNN ook overige leefgebieden van soorten en - om isolatie te voorkomen - gebieden die een verbinding vormen tussen natuurgebieden. Het NNN is onderdeel van het actieve beleid om bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. De natuurgebieden die behoren tot het NNN en hun functies worden planologisch beschermd, hier geldt het 'nee, tenzij'- principe.

De planologische bescherming betekent in het kort dat geen nieuwe bestemmingen worden toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van de oppervlakte, de kwaliteit en de samenhang van het NNN. Hieraan wordt getoetst bij de verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

4.7.2 Onderzoek Econsultancy heeft in het plangebied een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 10 bijgevoegd. Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek.

42

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

Soortenbescherming Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er is geen nader onderzoek benodigd naar de gierzwaluw, huismus, slechtvalk, grote gele kwikstaart, kerkuil, roek, buizerd, sperwer, havik, ransuil, boomvalk en ooievaar. Redenen hiervoor zijn dat er geen waarnemingen van deze soorten zijn gedaan in het gebied, geen nesten zijn gevonden of omliggende bebouwing buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden ligt. Broedvogels categorie 5 (nesten soms jaarrond beschermd) De bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes en bastscheuren. Tijdens het veldbezoek zijn er geen zichtbare holtes of bastscheuren waargenomen in de onbegroeide bomen. In totaal zijn er drie grote nesten waargenomen, twee aan de noordelijke kant (circa 1,5 meter hoogte) en één aan de zuidelijke kant van het spoor in een boomkruin op circa 8 meter hoogte. Overige broedvogels Tijdens het veldbezoek is er een bezet houtduifnest aangetroffen buiten de onderzoekslocatie aan de zuidelijke kant van het spoor. Ook zijn er broedmogelijkheden aanwezig voor stadsduiven of kauwen onder het metroviaduct. De voorgenomen ingreep zal geen invloed hebben op de nesten die aangetoond zijn buiten de onderzoekslocatie. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.

Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen alleen worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Vleermuizen Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Tijdens het veldbezoek zijn er geen holtes of bastscheuren aangetroffen op de onderzochte bomen. Hierdoor worden verblijfplaatsen van vleermuizen in de bomen aanwezig op de onderzoekslocatie redelijkerwijs uitgesloten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie De omliggende bebouwing heeft diverse vleermuisgeschikte kenmerken, zoals open stootvoegen en raamdorpels, die indicatief zijn voor vleermuisverblijfplaatsen in de bebouwing. Gelet op de afstand tussen de voorgenomen ingreep (minimaal 50 meter) en de aard van de ingreep wordt geen effect op deze verblijfplaatsen verwacht, indien rekening wordt gehouden met de verlichting. Foerageerhabitat De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

43

Vliegroutes Tijdens de werkzaamheden kunnen bepaalde elementen hun functionaliteit tijdelijk of permanent verliezen. Indien een deel van de bosrand verdwijnt, blijft de metrobak als alternatief aanwezig en wordt een eventuele vliegroute niet verstoord. Tijdens de werkzaamheden dient er net zoals eerder genoemd rekening gehouden te worden met de verlichting. Door gebruik te maken van verlichtingsarmaturen die naar beneden schijnen en daarmee zo min mogelijk strooilicht veroorzaken, worden de negatieve effecten van de werkzaamheden op de mogelijke verblijfplaatsen, foerageergebied- en of vliegroutes voorkomen. Overige zoogdieren De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Nader onderzoek is benodigd om de functie van de bosschage voor de steenmarter vast te stellen. Indien blijkt dat de onderzoekslocatie in gebruik is door desbetreffende soort dienen mitigerende maatregelen genomen te worden en dient mogelijk een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Zuid-Holland. Het plangebied is aangepast en de bossschage / de geschikte habitat voor de steenmarter valt nu buiten het plangebied. Nader onderzoek is niet nodig. Nader onderzoek naar de bever en tweekleurige bosspitsmuis wordt niet nodig geacht.

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een groot deel van soorten grondgebonden zoogdieren, zoals de bosmuis, bunzing, dwergmuis, egel, haas, konijn, ree, veldmuis, wezel en woelrat. Bij de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen worden vergraven. Mits de zorgplicht in acht wordt genomen zijn geen aanvullende onderzoeken ten aanzien van deze soorten benodigd. Reptielen, amfibieën en vissen Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd worden naar beschermde soorten reptielen, amfibieën en vissen. Desalniettemin dient er ten alle tijden rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Ongewervelden en vaatplanten Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd worden naar beschermde soorten ongewervelden, zoals libellen en vlinders en naar vaatplanten. Toetsing aan gebiedenbescherming Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Solleveld & Kapittelduinen, bevindt zich op circa 17 kilometer afstand ten

44

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

noord-westen van het plangebied. Het Natura-2000 gebied Oude Maas is niet stikstofgevoelig en ligt op 25 meter afstand. Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 25 meter ten oosten van de onderzoekslocatie. Op onderstaand afbeelding is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Afbeelding 16: ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland Gelet op artikel 6.24 van de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland uit 2019 worden beperkingen opgelegd vanuit het kader van het Natuurnetwerk Nederland wanneer deze gelegen zijn in het Natuurnetwerk Nederland, of deel uitmaken van de strategische reservering van natuur. Beide vereisten zijn niet van toepassing op het plangebied. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht.

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

45

4.7.3 Conclusie Het verwijderen van nestgelegenheden dient buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden en is aandacht benodigd voor verlichting van omliggende vegetatie, metrobaan en watergang. Ook dient aandacht geschonken te worden voor de zorgplicht ten aanzien van algemene zoogdieren, amfibiesoorten en vissoorten.

4.8

Stikstofdepositie

4.8.1 Kader Vanaf 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming (Wnb) en die is gericht op de bescherming van Natura 2000-gebieden ten behoeve van beschermde planten- en diersoorten en houtopstanden. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wnb is vastgelegd dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten van de provincie een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Samengevat betekent dat wanneer een plan gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied niet in gevaar brengt, significante gevolgen zijn uitgesloten. Omdat het plangebied op ruime afstand (meer dan 20 km) ligt van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied zal er naar verwachting geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. De emissie van de scholen is in de gebruiksfase vaak zeer beperkt. Alleen de verkeersbewegingen van en naar het schoolgebouw kunnen een (kleine) rol spelen.

De DCMR Milieudienst Rijnmond stelt dat een dergelijke ontwikkeling beschouwd kan worden als een kleiner project en dat dit niet leidt tot relevante stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Gezien de grote afstand tot het dichtstsbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied zal naar verwachting ook de bouwfase niet leiden tot relevante stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. 4.8.2 Onderzoek stikstofdepositie Voor dit project is de stikstofdepositie berekend voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Er is gekeken naar de inzet van mobiele werktuigen tijdens de aanlegfase. Naast de mobiele werktuigen is de verkeersgeneratie meegenomen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase (CHECK) is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2022.1). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. De rapportage is als Bijlage 11 bijgevoegd.

46

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

4.8.3 Conclusie Voor dit plan is een berekening van de depositie van stikstofverbindingen uitgevoerd. De uitkomst hiervan is dat er geen effecten zijn op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Er gelden vanuit stikstofdepositie geen belemmeringen voor dit plan.

4.9

Geluid

4.9.1 Kader Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat. 4.9.2 Onderzoek Econsultancy heeft een onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai en scheepvaartlawaai en een onderzoek industrielawaai uitgevoerd in het kader van het planvoornemen. De rapporten zijn als Bijlage 12 en respectievelijk als Bijlage 13 bijgevoegd. Weg- en railverkeerslawaai Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een weg is een onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. De geluidgevoelige bestemming is gelegen in de geluidszone van de metrolijn Spijkenisse - Rotterdam, Donaulaan en de Rivierlaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de nabijgelegen nietgezoneerde wegen (Biesboschstraat en de nieuwe ontsluitingsweg) in het onderzoek betrokken.

De geluidsbelasting op het schoolgebouw bedraagt ten hoogste 43 dB als gevolg van de metro en ten hoogste 38 dB als gevolg van het wegverkeer. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 en 48 dB plaats. Verder wordt scheepvaartlawaai niet relevant geacht. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het effect van de nieuwe ontsluitingsweg inzichtelijk gemaakt. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Voor de omliggende woningen is geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Industrielawaai In het onderzoek is de geluidsbelasting van de verschillende geluidsbronnen op het industrieterrein Botlek-Pernis op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Op het industrieterrein Botlek-Pernis bevinden zich inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Rondom het terrein ligt conform artikel 40 van de Wet geluidhinder een zone.

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

47

Het plangebied is gelegen in het werkingsgebied van het RAK. Op onderstaande afbeelding zijn de geluidscontouren weergegeven.

Afbeelding 17: geluidscontouren Botlek-Pernis Het plangebied is gelegen in de groene zone. In de onderhavige situatie bedraagt de geluidsbelasting 49 dB(A) en voldoet aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 50 dB(A). Het nestgeluid maakt (nog) geen onderdeel uit van de gezoneerde geluidsbronnen op het industrieterrein Botlek-Pernis. De gemeente betrekt nestgeluid vooralsnog niet bij de bepaling van het geluidniveau van het industrielawaai. Dit zal binnenkort wel gebeuren gezien het door Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland aangenomen amendement om een aanpassing in het provinciaal omgevingsbeleid te doen, voor het onderwerp nestgeluid van afgemeerde schepen. Wel wil de gemeente dat nestgeluid wordt betrokken bij het bepalen van de benodigde geluidwering van de gevels van geluidgevoelige bestemmingen in verband met het heersende industrielawaai. Mocht nestgeluid in de toekomst alsnog bij de zones van de industrieterreinen betrokken moeten worden, zal in ieder geval voldaan zijn aan de eis voor het binnenniveau van 35 dB(A) uit het Bouwbesluit 2012. Wanneer voor deze locatie het nestgeluid bij het industrielawaai wordt opgeteld, is de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse nog steeds ruim onder de 55 dB(A) zodat er geen extra geluidwerende maatregelen nodig zijn.

Immers bij een volgens het Bouwbesluit verplichte geluidwering van 20 dB zal altijd worden voldaan aan de eerder genoemde maximale binnenwaarde van het Bouwbesluit. 4.9.3 Conclusie Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

48

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

4.10

Trilling

De locatie ligt naast de metrotunnel. Deze kan trillingen veroorzaken. Daarom is er een onderzoek gedaan naar de trillingsniveaus. Doel van het onderzoek is het prognosticeren van de trillingsniveaus in de toekomstige gevoelige ruimten van het schoolgebouw Elementen-Schenkel. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 14. Uit de resultaten van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat voldaan kan worden aan de richtlijnen conform SBR B relaterend aan nieuwe situaties. Het schoolgebouw zal op palen gefundeerd worden waardoor de kans op trillingshinder minimaal is.

4.11

Luchtkwaliteit

4.11.1 Kader Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 4.11.2 Onderzoek Econsultancy heeft onderzoek verricht naar de luchtkwaliteit. Dit rapport is als Bijlage 15 bijgevoegd.

Om aan te sluiten bij het Besluit NIBM is er een berekening uitgevoerd met de NIBM-tool. Met de rekentool is het effect van de toename van verkeersbewegingen ten gevolge van het planvoornemen inzichtelijk gemaakt. De verkeersgeneratie van het plan is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren en verkeersgeneratie. De gemeente Nissewaard is conform de demografisch kencijfers van het CBS, aan te merken als een sterk stedelijke gemeente. De locatie van het plan is gelegen in de stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’. In onderstaande tabel is de volledige berekening van de verkeersgeneratie van de voorgenomen ontwikkeling opgenomen.

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

49

Tabel verkeersgeneratie plan Uitgaande van de maximale bandbreedte genereert het totale plan 596,4 verkeersbewegingen per weekdag. Ten behoeve van pakketdiensten en het leveren van goederen wordt ervan uitgegaan dat hiervan 2% middelzwaar verkeer betreft.

Tabel toetsing NIBM (worstcase) Uit de berekeningen blijkt dat de verkeersgeneratie van het toekomstige plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De maximale bijdrages van 0,50 en 0,10 ug/m3 voor respectievelijk NO2 en PM10 voldoen ruim aan de NIBM grenswaarde van 1,2 ug/m3. Een nader luchtkwaliteitsonderzoek voor het plan is niet noodzakelijk. Beoordeling concentraties stoffen Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van het plan zijn de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) bekeken. Uit de monitoringstool (2020) blijkt dat de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) ter plaatse van dichtstbij gelegen doorgaande weg, de Donaulaan, nergens meer bedragen dan de grenswaarde 40 ug/m3. De concentratie NO2 bedraagt maximaal 21,2 ug/m3 in 2020 en 15,5 ug/m3 in 2030 en concentratie PM10 bedraagt maximaal 18,4 ug/m3 in 2020 en 16,2 ug/m3 in 2030. De fijnstof (PM2,5) concentraties zijn nergens hoger dan 11,0 ug/m3 in 2020 en 9,0 ug/m3 in 2030 (grenswaarde 25 ug/m3). Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6,5

50

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

in 2020 en 6,0 dagen in 2030 waardoor het maximum van 35 dagen eveneens niet wordt overschreden. 4.11.3 Conclusie Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plaatse van het planvoornemen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit.

4.12

Water

4.12.1 Kader Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Hollandse Delta. Het waterschap is de waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder voor alle binnendijkse oppervlaktewateren aan de linker Maasoever. De strategie en het beleid van Waterschap Hollandse Delta is vooral gericht op: Het bieden van veiligheid tegen wateroverlast; Veilige (vaar)wegen; Voldoende en schoon oppervlaktewater. Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied zijn door Waterschap Hollandse Delta eisen gesteld aan de toekomstige waterhuishouding. De nieuwbouw dient waterneutraal te worden ontwikkeld en er dient een watervergunning te worden verkregen. Conform de ontwerpeisen van het Waterschap Hollandse Delta geldt een compensatieplicht van 10% open water voor nieuw aan te leggen verhard oppervlak. Daarnaast geldt voor het oppervlaktewater wat komt te vervallen een compensatie van 100%. Het Waterschap Hollandse Delta hanteert daarbij de onderstaande waarden: Dakoppervlak is 100% verharding; Openbare verharding (zoals wegen en parkeerplaatsen) is 100% verharding; Openbaar groen (wordt niet gezien als verharding) is vrijgesteld; Bestaand water wordt niet in de berekening opgenomen; Dempen van bestaande watergangen in het gebied moet geheel gecompenseerd worden.

4.12.2 Beoordeling Het schoolgebouw ligt direct aan de Oude Maas. In overleg met het Waterschap is bepaald dat het schoolgebouw, het schoolplein en de verharding direct rond het gebouw mogen afwateren op de Oude Maas en dat er geen compensatie nodig is.

4.12.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect water.

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

51

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Planvorm

In dit hoofdstuk worden de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en in welke vorm er gebouwd mag worden.

5.2

Systematiek bestemmingen

5.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen en Artikel 2 Wijze van meten De begrippen die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, worden in Artikel 1 nader gedefinieerd. Naast begrippen zijn in het bestemmingsplan hoogte- en andere maten opgenomen die van belang zijn bij het bouwen van bouwwerken. Artikel 2 van de regels geeft een nadere omschrijving hoe de bedoelde maten gemeten moeten worden. 5.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de regels voor de bestemmingen. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In het navolgende wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Bestemming Groen De gronden die op de verbeelding zijn aangewezen als groenbestemming zijn bestemd voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, beplantingen en overige bij deze doeleinden behorende voorzieningen. Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en abri's worden gebouwd. In de regels zijn voor deze gebouwen nadere voorwaarden gegeven. Daarnaast worden in de regels nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen – parkeren' zijn de gronden bedoeld voor parkeervoorzieningen.

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen – antennemast' zijn de gronden bedoeld voor een antennemast. Bestemming Maatschappelijk Deze gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en bijbehorende terreinen. Deze bestemming maakt de ontwikkeling van de scholen en bijbehorend schoolplein mogelijk. Er is een bouwvlak opgenomen waarbinnen het gebouw van de scholen gebouwd mag worden. Tevens is er een maximale hoogte opgenomen. Deze hoogte wordt gemeten vanaf peil. Dit is de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw, dan wel de hoogte van die 52

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

weg ter plaatse van de toegang tot het bouwperceel. Aangezien de weg ter plaatse van de hoofdtoegang tot het bouwperceel lager ligt dan het maaiveld ter plaatse van het gebouw is er een hoger bouwhoogte opgenomen dan de hoogte van het schoolgebouw zelf. Bestemming Verkeer Deze gronden zijn bestemd voor verkeer en verblijfsgebied. Het gebied met de bestemming 'Verkeer' heeft de functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de Maatschappelijke bestemming. Daarnaast zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals wegen, voet- en fietspaden, parkeer-, speel- en groenvoorzieningen, en nutsvoorzieningen mogelijk. Dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 1 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1' is opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische sporen in de bodem. Hierbij is bepaald dat geen activiteiten zijn toegelaten die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan. Voor deze activiteiten kan een omgevingsvergunning worden verleend, mits er voldaan wordt aan de in dit artikel gestelde voorwaarden. Aan de omgevingsvergunning kunnen regels worden verbonden. Dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 2 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' is opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische sporen in de bodem.

Hierbij is bepaald dat geen activiteiten zijn toegelaten die dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan. Voor deze activiteiten kan een omgevingsvergunning worden verleend, mits er voldaan wordt aan de in dit artikel gestelde voorwaarden. Aan de omgevingsvergunning kunnen regels worden verbonden. Dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 3 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' is opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische sporen in de bodem. Hierbij is bepaald dat geen activiteiten zijn toegelaten die dieper reiken dan 400 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan. Voor deze activiteiten kan een omgevingsvergunning worden verleend, mits er voldaan wordt aan de in dit artikel gestelde voorwaarden. Aan de omgevingsvergunning kunnen regels worden verbonden. Dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is opgenomen ter bescherming van de waterkerende functie van de dijk. Hierbij is bepaald dat gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen deze bestemming niet mogen worden gebouwd. Er kan hiervan ontheffing worden verleend door burgemeester en wethouders mits vooraf advies wordt ingewonnen bij het waterschap.

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

53

5.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. Anti-dubbeltelregel Deze regel dient om te voorkomen dat indien in het bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel is een regeling opgenomen met betrekking tot bestaande maten en tot de overschrijding van bouwgrenzen. Algemene gebruiksregels In dit artikel staat omschreven wat binnen de bestemmingsregeling, zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van de planregels, onder strijdig gebruik wordt verstaan. Tevens is de parkeerregeling opgenomen met daarin vastgelegd dat binnen het plangebied voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd moet worden. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is opgenomen om ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan met een algemene bevoegdheid mogelijk te maken. De regeling voorziet in een duidelijke begrenzing van het toepasbaar bereik van de afwijking. Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarmee door middel van een wijzigingsbevoegdheid ex. artikel 3.6 Wro het mogelijk is enige flexibiliteit in het plan aan te brengen.

Het gaat hierbij om een bevoegdheid en houdt geen verplichting in. Deze bevoegdheid mag nadrukkelijk niet worden gebruikt om zodanig aanzienlijke wijzigingen van bestemmingen te bewerkstelligen, dat daarmee de essentie van het plan wezenlijk wordt veranderd. 5.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In dit artikel staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en bestaande gebruiksactiviteiten die afwijken van het bestemmingsplan. Slotregel Dit artikel geeft de titel van de regels van het bestemmingsplan aan.

54

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

Hoofdstuk 6 6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak, vooroverleg, ambtelijke wijzigingen

Het bestemmingsplan wordt op grond van de gemeentelijke inspraakverordening voor een ieder ter inzage gelegd. Ook wordt het bestemmingsplan, in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening, aan de vooroverlegpartners aangeboden. Het voorontwerp-bestemmingsplan "IKC Elementen-Schenkel Spijkenisse" heeft van 1 juni t/m 12 juli 2022 ter inzage gelegen. Tevens is het plan in vooroverleg gestuurd. Tijdens deze termijn zijn 6 vooroverlegreacties en 13 inspraakreacties ingediend. De inspraakreacties zijn ingediend tijdens de op 7 juni gehouden inloopbijeenkomst. In Bijlage 16 zijn de vooroverlegreacties en de inspraakreacties samengevat en beantwoord. Tevens is aangegeven of de reactie leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan en op welke wijze dat is gebeurd.

6.2

Zienswijzen

Het ontwerp-bestemmingsplan IKC Elementen-Schenkel heeft van 13 december 2022 t/m 23 januari 2023 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend. Wel dienen enkele ambtshalve wijzigingen te worden aangebracht.

6.3

Ambtshalve wijzigingen

Er zijn de volgende ambtshalve wijzigingen doorgevoerd: Vanwege jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is een Aerius/stikstofberekening voor de bouw- en aanlegfase toegevoegd. Hieruit blijkt dat er ook tijdens deze fase geen stikstofuitstoot plaatsvindt; De verwijzing in artikel 11.5 wordt aangepast i.v.m. de vaststelling van de Parkeernormennota door uw college op 27 september 2022; Het plangebied wordt aan de ZO-zijde vergroot om de aanleg van de kiss-and-ride strook te kunnen faciliteren; De bestemming Verkeer aan de zijde van De Dijk II wordt aangepast vanwege de situering van het aantal parkeerplaatsen voor het personeel van het IKC; De hoogte van het gebouw op de verbeelding wordt aangepast van 12 m naar 19,5 m. Per abuis is een verkeerde hoogtemaat op de verbeelding weergegeven. Echter, in het voortraject zijn wel steeds afbeeldingen getoond van een hoger gebouw, bijv. bij de inloopbijeenkomst op 7 juni 2022 en op de website “Werk in uitvoering”. Ook de maquette in het elementenhuis laat dit zien; Naar aanleiding van opmerkingen tijdens de inloopbijeenkomst en de inspraakreacties worden diverse organisatorische en verkeersmaatregelen voor de route naar de school (niet via de Amerstraat en Biesboschstraat) en het voorkomen van parkeren in de omgeving (buiten het schoolterrein) uitgewerkt.

De maatregelen op het terrein van het IKC zijn vertaald in het “schetsontwerp openbare ruimte, verkeer en ontsluiting”. Dit ontwerp is in de toelichting opgenomen, de verkeersmaatregelen buiten het terrein worden t.z.t. nader uitgewerkt.

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

55

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeente verplicht bij een procedure waarin bouwplannen zijn opgenomen als aangewezen in artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.12 Besluit ruimtelijke ordening, een exploitatieplan vast te stellen. Geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld als het verhalen van kosten anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld doordat een anterieure overeenkomst is gesloten met de initiatiefnemer. In artikel 3.1.6 sub i van het Besluit ruimtelijke ordening is vastgesteld dat inzicht gegeven moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met het bouwplan moet (economisch) uitvoerbaar zijn en kunnen worden gerealiseerd. Er is door de gemeente een voorbereidingskrediet verleend voor de voorbereiding van het plan. Tevens is in de begroting een reservering is opgenomen voor de bouw van de school.

56

bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12536881/1