Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan IKC Elementen-Schenkel; Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan IKC Elementen-Schenkel vastgesteld
bestemmingsplan IKC Elementen-Schenkel
identificatienummer: NL.IMRO.1930.BPSPIKCNwHdijk-3001 Status: Datum:
vastgesteld
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding
6
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 2.2
Bestaande situatie Toekomstige situatie
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 3.2 3.3 3.4
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
M.e.r. beoordeling Verkeer en parkeren Bedrijven- en milieuzonering Bodem Archeologie Externe veiligheid Flora en Fauna Stikstofdepositie Geluid Trilling Luchtkwaliteit Water
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 5.2
6 6 7 8
9 9 9
12 12 13 20 20
25 25 26 29 32 34 34 41 46 47 49 49 51
52
Planvorm Systematiek bestemmingen
52 52
Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
55
6.1 6.2 6.3
Inspraak, vooroverleg, ambtelijke wijzigingen Zienswijzen Ambtshalve wijzigingen
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
55 55 55
56
3
4
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
Toelichting
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De gemeente Nissewaard heeft als doel om één schoolgebouw voor twee scholen voor de wijken Elementen en Schenkel te realiseren. In verband met de leerlingentoename de komende jaren en de verouderde huidige schoolgebouwen is er behoefte aan een nieuw groter schoolgebouw. In dit schoolgebouw worden beide schoollocaties samengevoegd, waarbij de beide scholen (CBS De Hoeksteen en OBS De Piramide) apart blijven. Het nieuw te bouwen schoolgebouw heeft een beoogde omvang van 28 lokalen, ruimte voor peuteropvang + buitenschoolse opvang en een gymzaal.
1.2
Ligging plangebied
De locatie voor de nieuwe school is gelegen aan de Oude Maas nabij de metrotunnel. De locatie ligt gunstig ten opzichte van het voedingsgebied (de wijken Elementen en Schenkel). Het plangebied ligt tussen de Nieuwe Hongerlandsedijk en de Amerstraat, ten zuiden van de kavel waar woningbouwontwikkeling wordt beoogd in de vorm van hoogbouw. De beoogde locatie ligt deels op een primaire waterkering (een dijk) die wordt beheerd door waterschap Hollandse Delta. Het bouwen op een primaire waterkering is onderworpen aan beperkingen en verplichtingen die worden gesteld door het waterschap. Het waterschap heeft in verkennende overleggen op zowel bestuurlijk als ambtelijk niveau aangegeven dat er mogelijkheden zijn om de school op deze locatie te ontwikkelen.
Afbeelding 1: ligging van de locatie van het schoolgebouw op de dijk aan de Oude Maas, nabij de metrotunnel
6
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied ligt binnen meerdere vigerende bestemmingsplannen. Het schoolgebouw zelf ligt in het vigerende bestemmingsplan 'De Dijk en Het Land', onherroepelijk geworden op 28 november 2012. Het plangebied is in dit plan bestemd voor 'Groen'. Ook is voor een deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2', 'Waarde - Archeologie - 3' , 'Waterstaat - Waterkering' van kracht. Binnen de bestemming 'Groen' zijn de functieaanduidingen 'geluidzone - industrie' en veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' opgenomen.
Afbeelding 2: uitsnede vigerend bestemmingsplan 'De Dijk en Het Land' Een deel van de gronden ligt in het Bestemmingsplan 'Schenkel - Groenewoud', onherroepelijk (2013-03-06). Deze gronden hebben de bestemming 'Groen' en de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie - 3' en 'Waterstaat - Waterkering'
Afbeelding 3: uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Schenkel- Groenewoud' Het planvoornemen voorziet in een herontwikkeling van de gronden. Het schoolgebouw en de functie school passen niet binnen de mogelijkheden van de vigerende bestemmingsplannen. Om het voorgenomen plan juridisch-planologisch mogelijk te maken dienen de geldende
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
7
bestemmingsplannen gedeeltelijk herzien te worden ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 komt de planbeschrijving aan bod. In dit hoofdstuk wordt de bestaande en toekomstige situatie van het gebied toegelicht. De toekomstige situatie betreft het mogelijk maken van de school. Volgend op dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader geschetst waarin het relevante beleid voor het planvoornemen uiteen wordt gezet. In hoofdstuk 4 worden de onderzoeken naar verscheidene omgevingsaspecten toegelicht. In de hoofdstukken 5 tot en met 7 komen achtereenvolgens de juridische planopzet, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid aan bod.
8
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Het plangebied ligt in de wijk De Elementen in de kern Spijkenisse en is kadastraal bekend als perceelnummer 2323, sectie C, gemeente Spijkenisse. De locatie ligt aan de Nieuw Hongerlandsedijk op de dijk. Aan de noordzijde en de westzijde grenst het plangebied aan de Oude Maas, aan de zuidzijde aan de metrolijnen C en D en aan de oostzijde liggen bestaande groenstroken, watergangen en woningen aan de Groenoord.
Afbeelding 4: ligging plangebied in bestaande situatie
Afbeelding 5: aanzicht plangebied, gezien vanaf het pad parallel aan de Biesboschstraat (16-06-2020)
2.2
Toekomstige situatie
Algemeen
In het plangebied is het nieuwe schoolgebouw voorzien. In dit schoolgebouw komen de twee bestaande scholen, CBS De Hoeksteen en OBS De Piramide inclusief een uitbreiding daarvan. In
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
9
de nieuwbouw wordt voorzien in: 28 klaslokalen; 1 gymzaal; Circa 300 m2 peuteropvang en buitenschoolse opvang (2 lokalen). Het schoolgebouw staat direct naast een woningbouwontwikkeling die langs de dijk wordt gebouwd. Het betreft hier een aantal appartementengebouwen op een doorlopende plint. Het plangebied ligt direct ten zuiden van deze ontwikkeling. Een studie naar de massa van het schoolgebouw heeft uitgewezen dat het volledige programma en speelterrein (inclusief de benodigde parkeerplaatsen en plekken voor kiss&ride) zijn in te passen. Situering van het schoolgebouw Het nieuwe schoolgebouw ligt op de dijk en sluit aan op de naastgelegen woningbouwontwikkeling. Het schoolgebouw ligt in dezelfde rooilijn als de naastgelegen woontoren van de woningbouwontwikkeling. Het schoolgebouw is meerdere verdiepingen hoog en ligt op de dijk en haar talud. Het schoolplein ligt aan de zuid- en westkant van het gebouw, zoveel mogelijk afgewend van de woningbouw. Aan de zijde van de oude Maas, op het talud, ligt een groenstrook. Deze wordt, als voortzetting van het talud van de woningbouwontwikkeling, groen ingericht met ruimte voor sport en spel. Daar is tevens een deel van de parkeerplaatsen voorzien. Ontsluiting en parkeren Het nieuwe schoolgebouw ligt op de dijk. Op de dijk loopt een fietspad.
Ten behoeve van aangrenzende woningbouwontwikkeling wordt er voorzien in een auto-ontsluiting op de dijk aan de waterzijde en aan de voet van de dijk aan de landzijde. Deze ontsluitingen worden verlengd om zo ook de school te ontsluiten. Tijdens de bouw van de woningbouwontwikkeling wordt de ontsluiting op de dijk (waterzijde) gebruikt door het bouwverkeer en kan deze niet gebruikt worden om de school te ontsluiten. Dan is het schoolgebouw alleen via de ontsluitingsweg aan de voet van de dijk aan landzijde te bereiken. Het is mogelijk om om het gebouw heen te rijden. De parkeerplaatsen voor de scholen worden ontsloten vanaf de weg om het gebouw heen. De parkeerplaatsen aan de zuidkant van het gebouw zijn alleen bedoeld voor Kiss&Ride, zodat buiten de haal- en brengtijden de weg en parkeerplaatsen als speelterrein (schoolplein) gebruikt kunnen worden. De bestaande zendmast die op de dijk staat wordt mogelijk verplaatst naar het westen. De mast komt op grotere afstand van het nieuwe schoolgebouw te liggen.
10
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
Afbeelding 6: schets toekomstige situatie
Afbeelding 7: schetsontwerp openbare ruimte, verkeer en ontsluiting
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
11
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie infrastructuur en ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. In de structuurvisie zijn drie hoofddoelen vastgesteld; Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen naar voren die van nationaal belang zijn. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, zijn daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. Op 1 januari 2017 is de geconsolideerde versie van het Barro in werking getreden. In het Barro zijn onder meer Rijksvaarwegen, grote rivieren en ecologische hoofdstructuur opgenomen. In het besluit is aangeven op welke wijze ruimtelijke plannen voor deze gebieden moeten zijn ingericht.
Indien het bestemmingsplan niet voldoet aan het Barro dan moet het bestemmingsplan drie jaar na inwerkingtreding van het besluit worden aangepast. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van het Barro. Het plangebied ligt namelijk in de buurt van een rivierbed. Dit aspect wordt verder uitgelicht in de paragrafen Externe veiligheid en Water. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening In het Bro is met ingang van 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen (artikel 3.1.6). De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro luidt als volgt: De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. In subparagraaf 3.1.4 is de onderbouwing van de laddertoets opgenomen.
12
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
3.1.4 Onderbouwing ladder Het planvoornemen betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling, in het plangebied (nu nog onbebouwd) wordt één nieuw schoolgebouw voor twee bestaande scholen gerealiseerd. In deze onderbouwing wordt het planvoornemen getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Bestaand stads- en dorpsgebied Het plangebied ligt binnen het bestaande stads- en dorpsgebied (BSD) van Nissewaard. Een uitgebreide motivering (in geval van locatie buiten BSD) kan daarmee achterwege blijven. Behoefte toets Er is de behoefte om één nieuw schoolgebouw voor de wijken Elementen en Schenkel te realiseren voor de bestaande scholen en uitbreiding van CBS De Hoeksteen en OBS De Piramide. Er is behoefte aan een nieuwe groot schoolgebouw, doordat in de toekomst een leerlingentoename wordt verwacht en de huidige schoolgebouwen verouderd zijn. Uit het regionaal beleid blijkt dat knooppunten uitstekende vestigingsplaatsen zijn voor onderwijsinstellingen. Het planvoornemen voorziet in ontwikkelingen dichtbij een vervoersnetwerk. Het realiseren van een schoolgebouw voor beide scholen op deze locatie kan gezien worden als een strategische ontwikkeling op een uitstekende vestigingslocatie buiten het centrum.
Volgens het gemeentelijk beleid is het streven naar een efficiënte benutting van de onderwijsgebouwen om het soort onderwijs per wijk/ kern zoveel mogelijk op maat en naar behoefte te huisvesten. Goed onderwijs verdient een fris en duurzaam schoolgebouw om optimaal les te geven aan de leerlingen in Nissewaard. Het planvoornemen voorziet in een nieuw gebouw om onderwijs op maat en naar behoefte van de omliggende wijk te voorzien. Een nieuw schoolgebouw op deze locatie draagt bij aan de ontwikkeling van onderwijs en de leefbaarheid en sociale samenhang in de wijk.
3.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is vastgelegd in het Omgevingsbeleid bestaande uit de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening, vastgesteld op 1 augustus en naderhand meerdere malen herzien. 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Uit de kaart van de Omgevingsvisie is op te maken dat het plangebied ligt binnen of in de buurt van de volgende beleidslagen: Behouden en versterken landschappen Binnenstedelijk groen Completering Natuurnetwerk Nederland inclusief ecologische verbindingen Concentratie (boven)regionale (centrum)voorzieningen Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied Behouden en versterken landschappen De provincie zet in op een betere, gebiedsgerichte verweving van de verschillende ‘klassieke’ functies in de groene ruimte (landbouw, natuur, recreatie, water, cultuurhistorie) en een betere relatie tussen stad en land. Daarmee wil de provincie gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van de verschillende Zuid-Hollandse landschappen behouden en versterken. De klimaat- en energie-efficiënte samenleving stelt nieuwe eisen aan de groene ruimte. Deze bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
13
worden zo veel mogelijk ingepast met behoud of zelfs verbetering van bestaande functies. De provincie wil samen met haar partners een kwaliteitsslag maken in de groene ruimte binnen en buiten de stad, zodanig dat de intrinsieke waarden worden beschermd en versterkt, en dat de groene ruimte aansluit bij de vraag van de gebruikers en bewoners, toekomstbestendig is en bijdraagt aan de identiteit en ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland.
Afbeelding 7: uitsnede kaart Omgevingsvisie - Behouden en versterken landschappen Binnenstedelijk groen Binnenstedelijk realiseert de Provincie gezamenlijk met de steden een fijnmazig groenblauw recreatief netwerk van groenblauwe schoolpleinen, groenblauwe daken, groenblauwe winkelcentra, groenblauwe bedrijfsterreinen en parken. Een netwerk op het niveau van het landschapspark Zuidvleugel dat zich uitstrekt tot buiten de stadsranden, met als drager het karakteristieke cultuurhistorische watersysteem van Zuid-Holland met lijnen als de Rotte, Vliet, Schie en Oude Rijn. Hiertoe worden de mogelijkheden verkend van een scorekaart en een groenfonds. Voor het ontwikkelen van een groenblauwe leefomgeving in en om de stad werkt de Provincie samen met de steden aan een scorekaart. Dit betreft een kwalitatieve en kwantitatieve scorekaart voor verschillende te onderscheiden gebieden. De scorekaart geeft richting aan natuurinclusieve nieuwbouw, renovatie en het klimaatbestendig maken van woningen; de basiskwaliteit aan groen van woon- en werkgebieden en de toegankelijkheid van groen.
14
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
Afbeelding 8: uitsnede kaart Omgevingsvisie - Binnenstedelijk groen Completering Natuurnetwerk Nederland inclusief ecologische verbindingen De provincie zorgt ervoor dat het Natuurnetwerk in Zuid-Holland compleet is inclusief de ecologische verbindingen. Dit behelst het hiertoe verwerven en inrichten van grond. Het provinciale natuurbeleid is gericht op het behouden en waar mogelijk versterken van de biodiversiteit in de provincie. De realisatie (verwerving, inrichting en beheren) van de restantopgave aan ‘nieuwe natuur’ ten behoeve van het Natuurnetwerk Nederland draagt daaraan bij. Met deze beleidsbeslissing beoogt de provincie invulling te geven aan de Zuid-Hollandse bijdrage aan versterking van de mondiale biodiversiteit. Zuid-Holland wil een toonaangevende provincie zijn waar mensen met plezier recreëren, met een aantrekkelijke groene en gezonde leefomgeving. Via deze beleidsbeslissing wordt bijgedragen aan: Een jaarlijkse groei van het aantal hectares NNN. Een jaarlijkse groei van het aantal km ecologische verbindingen, waardoor natuurgebieden verbonden worden
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
15
Afbeelding 9: uitsnede kaart Omgevingsvisie - Completering Natuurnetwerk Nederland inclusief ecologische verbindingen Concentratie (boven)regionale (centrum)voorzieningen Bovenregionale en regionale (centrum)voorzieningen worden zoveel mogelijk geconcentreerd in stedelijke centra en bij multimodale HOV-knooppunten. Dit beleid draagt bij aan de vitaliteit en daarmee de kwaliteit van stedelijke agglomeraties en centra. Het provinciaal concentratiebeleid voor kantoren, detailhandel en voorzieningen draagt bij aan de vitaliteit en daarmee de kwaliteit van stedelijke agglomeraties en centra. De provincie vindt het wenselijk dat gemeenten bovenlokale voorzieningen zoveel mogelijk realiseren nabij of in de directe omgeving of invloedssfeer van een multimodaal HOV-knooppunt. Daarbij maakt de provincie op basis van aard en omvang onderscheid naar bovenlokale centrumvoorzieningen (bv musea, bioscopen, theaters) en overige bovenlokale voorzieningen (bv onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, grootschalige sportvoorzieningen en megabioscopen) Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie.
Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving. Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte 16
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies voor in ieder geval wonen en kantoren af met andere gemeenten in de regio. De ladder in relatie tot het planvoornemen is nader toegelicht in subparagraaf 3.1.4. Uit deze toets volgt dat het plan voldoet aan de ladder.
Afbeelding 10: uitsnede kaart Omgevingsvisie - Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stadsen dorpsgebied Het plangebied bevindt zich in de buurt van een gebied waar het de regel is om landschappen te behouden en te versterken. De voorgenomen ontwikkeling wordt zoveel mogelijk ingepast met behoud van bestaande functies, zodat het landschap niet wordt aangetast. Ook wordt er rekening gehouden met binnenstedelijk groen. Zo wordt de locatie zo veel mogelijk groenblauw en natuurinclusief ingericht. Het plangebied bevindt zich dicht bij een Natuurnetwerk Nederland verbinding. Met de voorgenomen ontwikkelingen wordt hier rekening mee gehouden, zodat het natuur niet wordt aangetast. Daarnaast worden de ontwikkelingen gerealiseerd in een stedelijk centrum en dichtbij een HOV-knooppunt. Dit versterkt de vitaliteit en de kwaliteit van het gebied. Ten slotte zorgen de ontwikkelingen dat bestaande stads- en dorpsgebied beter benut worden. De herstructurering van het gebied zorgt ervoor dat de bebouwde ruimte beter benut wordt. De ladder voor duurzame verstedelijking is in paragraaf 3.1.4 doorlopen. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Uit de kaart van de Omgevingsverordening is op te maken dat de volgende artikelen van invloed zijn op het plangebied: Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
17
Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: a. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; De voorgenomen ontwikkelingen passen qua aard en schaal binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voorzien derhalve geen wijzigingen op structuurniveau. 2. Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën zijn: a.
een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden;
18
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
Afbeelding 11: uitsnede kaart Omgevingsverordening - Beschermingscategorie 1 Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie.
Het plangebied bevindt zich in de buurt van een gebied met beschermingscategorie 1. Hier wordt rekening mee gehouden en er wordt voldoende afstand tot het gebied bewaard. Het planvoornemen voorziet in ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Ook is in paragraaf 3.1.4 ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Deze aspecten maken ruimtelijke ontwikkeling mogelijk.
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
19
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Ruimtelijke Plan Regio Rotterdam 2020 Het Ruimtelijke Plan Regio Rotterdam 2020 is op 12 oktober 2005 door Provinciale Staten van Zuid-Holland vastgesteld als streekplan en op 9 november 2005 door de regioraad van de stadsregio Rotterdam als regionaal structuurplan. Dit document bestrijkt het grondgebied van alle bij de Stadsregio Rotterdam aangesloten gemeenten en een periode van vijftien jaar (2005-2020). De kern van het RR2020 zit in de balans tussen verstedelijking en de kwaliteit van de leefomgeving. Het plan geeft aan dat een knooppunt in de verkeer- en vervoersnetwerken, waar ook een intensieve stedelijke ontwikkeling plaatsvindt een strategische ontwikkeling is. Vanwege hun goede bereikbaarheid zijn knooppunten uitstekende vestigingsplaatsen voor kantoren, stedelijke woonmilieus en publiekstrekkende voorzieningen zoals onderwijsinstellingen en vrijetijdsvoorzieningen (mits de milieukwaliteit dat toelaat). Ook zijn er projecten opgestart om het onderwijsaanbod beter af te stemmen op het bedrijfsleven en om leerlingen te stimuleren onderwijs te blijven volgen om zo het percentage laaggeschoolde arbeiders uiteindelijk te reduceren. Ook komt naar voren dat voorzieningen die te groot zijn voor de binnenstad het beste kunnen worden gesitueerd nabij de knooppunten als ze een intensief ruimtegebruik kennen.
Uit het plan blijkt dat verstedelijking wordt gesitueerd in de gebieden die zijn aangeduid als bestaand en te ontwikkelen stads- en dorpsgebied en bedrijventerreinen en bestaand, te ontwikkelen en te transformeren haven- en industriegebied. Bij verstedelijking gaat het om het oprichten van bouwwerken ten behoeve van woongelegenheid, werkgelegenheid en daarbij horende stedelijke voorzieningen (winkels, onderwijs, cultuur, vermaak, sportvelden, e.d.). Het planvoornemen voorziet in ontwikkelingen dichtbij een vervoersnetwerk (metrohalte op 900 meter / 12 minuten lopen). Het realiseren van een onderwijsinstelling op deze locatie kan gezien worden als een strategische ontwikkeling op een uitstekende vestigingslocatie buiten het centrum. De ontwikkelingen dragen daarnaast bij aan lopende projecten om leerlingen te stimuleren. Het plangebied bevindt zich in een bestaand stads- en dorpsgebied en is volop in ontwikkeling. Het oprichten van een onderwijsvoorziening draagt bij aan de verstedelijking van het gebied.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Op 13 mei 2009 heeft het gemeentebestuur (van de voormalige gemeente Spijkenisse) de gemeentelijke structuurvisie voor de periode 2010-2020 vastgesteld. De Structuurvisie geeft de ruimtelijke en functionele ontwikkeling in Spijkenisse op hoofdlijnen weer. De visie is het uitgangspunt voor de politieke agenda. Geen dichtgetimmerd eindplan, maar het vertrekpunt van de gemeente voor gesprekken met hogere overheden, marktpartijen en partners om ontwikkelingen en investeringen in de stad te initiëren. In de visie zijn de
20
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
volgende kernkwaliteiten geformuleerd; 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Ligging aan de rand van de Randstad tussen stad en strand Stadsranden en stadsentrees Verbindende elementen Wonen in Spijkenisse Kwalitatief hoogwaardig stadscentrum Sociaal-culturele kwaliteiten
De Structuurvisie biedt negen punten voor de politieke agenda van het gemeentebestuur van Spijkenisse: ideeën voor verbeteringen in negen gebieden. Het plangebied is niet gelegen in één van deze negen gebieden. In de visie is geen specifiek beleid ten aanzien van onderwijsvoorzieningen opgenomen.
Afbeelding 12: uitsnede gemeentelijke structuurvisie (plangebied is rood omcirkelt) 3.4.2 Visiedocument Nissewaard naar 2040 De gemeenteraad heeft op 6 december 2017 het visiedocument (ontwikkelperspectief voormalige groeikern Spijkenisse) vastgesteld. In het visiedocument zijn de kansen geduid die kunnen bijdragen aan de toekomstbestendigheid van Nissewaard. Vier principes vormen de basis voor een verrassend, veelzijdig, veerkrachtig, vitaal en verbindend Nissewaard in 2040: bouw meer verschillende woningtypes in Nissewaard, verbeter de bereikbaarheid, zorg voor meer en gevarieerder werkgelegenheid en realiseer meer groen. Daarnaast liggen er kansen in de gemeente voor nieuwe ontwikkelingen rondom metrostations.
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
21
De stationsgebieden worden nog niet optimaal benut: dit kunnen plekken van doelbestemming worden. Hier liggen mogelijkheden tot een mix van functies en verdichting in de vorm van retail, bedrijven, andere woonvormen, studentenhuisvesting, starterswoningen, onderwijsinstellingen en slimme oplossingen voor parkeren. De focus op korte termijn ligt hierop ook onder andere om het onderwijs met de arbeidsmarkt te verbinden rondom metrostations. Er wordt ingezet op de ontwikkeling van werkgelegenheid, onderwijs en ruimte voor ondernemerschap. Het planvoornemen zorgt ervoor dat er een onderwijsinstelling in de buurt van het metrostation Spijkenisse Centrum wordt gerealiseerd, op circa 1 km afstand / 12 min lopen. Het plan draagt derhalve bij aan de uitvoering van het visiedocument. 3.4.3 Groenbeleid Op 29 april 2010 is de Groenstructuurvisie Spijkenisse vastgesteld. Deze structuurvisie zet in op het verbeteren van de samenhang tussen het groen en het verbeteren van de kwaliteit van het groen. In de visie wordt het omliggende landschap nog nauwer bij de stad betrokken. De groenstructuurvisie is de leidraad voor de komende jaren. Binnen het verstedelijkt gebied van Rotterdam staat Spijkenisse aan de top van de groene gemeenten. Toch wordt in de Structuurvisie expliciet aandacht gevraagd voor de groenstructuur. Er is genoeg groen, maar niet altijd zichtbaar en bereikbaar.
In de huidige situatie schiet met name de samenhang in de groenstructuur tekort. Het doel van de groenstructuurvisie is een basis te leggen voor meer samenhang binnen de groenstructuur en de eigen identiteit van de afzonderlijke delen in de groenstructuur te versterken. De groenstructuurvisie richt zich op de lange termijn en op het schaalniveau van de gehele stad. Het groen op buurt- en wijkniveau komt gedetailleerd aan de orde bij de uitwerking van de groenstructuur. De groene lijnen hebben ook een belangrijke ecologische functie als corridors voor bijvoorbeeld kleine zoogdieren, vleermuizen, vogels, vlinders, libellen en andere insecten om zich te verplaatsen vanuit het buitengebied de stad in en uiteraard ook andersom. In het gewenste totaalbeeld van groene lijnen vormen de groene verbindingen gezamenlijk een groen raster over de stad. Er is sprake van een structuur van 'groene vingers', die vanuit het buitengebied de stad in 'grijpen'. Het totale raster vormt een fijnmazige dooradering van groen in de stad.
22
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
Afbeelding 13: uitsnede uit de groenstructuurkaart (plangebied is rood omcirkelt) Het plangebied ligt aan de Oude Maas. De dijk is aangeduid als onderdeel van het landschappelijk groen, als stadspark (Maasboulevard). Het schoolgebouw komt aan deze groenstructuur te staan. 3.4.4 Onderwijsbeleid Coalitieakkoord Nissewaard Samen voor elkaar! In het coalitieakkoord geeft het college aan wat de speerpunten zijn en welke doelen zij in de periode 2018-2022 wil bereiken. Op het gebied van onderwijs is het streven naar kwalitatief goed en bereikbaar onderwijs, waar iedere inwoner voldoende opleiding krijgt om volwaardig te participeren in de samenleving. Hierbij zijn er de volgende visiepunten gegeven: Goed Onderwijs: De focus ligt op de onderwijskwaliteit in samenspraak met onderwijs- en zorgpartners, met als doel sterke scholen en kwalitatief goed onderwijs. Zorg en onderwijs: Voor een goede schoolloopbaan is een brede kijk op de wereld rond het kind belangrijk. Ieder kind kent eigen individuele beschermende en risicofactoren, welke invloed hebben op de mate van kansrijk, gezond en veilig opgroeien.
Schoolgebouwen: Met het oog op de wettelijke zorg voor de huisvesting van scholen voor het primair, speciaal en voortgezet onderwijs is het streven naar een efficiënte benutting van de onderwijsgebouwen om het soort onderwijs per wijk/ kern zoveel mogelijk op maat en naar behoefte te huisvesten. Goed onderwijs verdient een fris en duurzaam schoolgebouw om optimaal les te geven aan de leerlingen in Nissewaard. Er moet voldaan worden aan de eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG). Onderwijsachterstandenbeleid en laaggeletterdheid: Taalachterstand en laaggeletterdheid is een belemmering voor zelfredzaamheid. Taal speelt een belangrijke rol in het verloop van schoolloopbaan en zelfontwikkeling, het volgen van (vervolg)onderwijs, het vinden en
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
23
behouden van betaald werk, en het participeren in de maatschappij. Overheid, ondernemers en onderwijs: Met betrekking tot jongeren is het streven dat zo veel mogelijk jongeren het onderwijs verlaten met een startkwalificatie. Ook is het streven om een dependance van een HBO-opleiding naar Nissewaard te halen. Leerlingenvervoer: Soms ligt een passende school toch te ver weg of kan een kind door bijvoorbeeld een handicap niet zelf naar school. In die gevallen wordt gezorgd binnen het leerlingenvervoerbeleid voor een passende oplossing zodat het kind toch naar school kan. Bestuurlijk akkoord Onderwijshuisvesting Nissewaard 2018-2022 Het bestuurlijk akkoord Onderwijshuisvesting Nissewaard stelt het kader voor ontwikkelingen op het gebied van onderwijshuisvesting voor de korte termijn (2018-2022). Onderwijshuisvesting is meer dan enkel een gebouw dat ruimte biedt aan onderwijs. Een goede, gezonde en functionele inzet van onderwijshuisvesting kan een belangrijke bijdrage leveren aan een optimale ontwikkeling en ontplooiing van alle Nissewaardse jeugd van 0-18 jaar en aan de leefbaarheid en sociale samenhang in de wijk.
Tot het taakveld Onderwijshuisvesting behoren de gemeentelijke taken op het gebied van onderwijshuisvesting voor openbaar en bijzonder onderwijs: Nieuwbouw, aanpassing en uitbreiding van bestaande schoolgebouwen Verhuur (bijvoorbeeld een gymnastieklokaal en sportzalen) Opstellen integraal huisvestingsplan primair onderwijs en voortgezet onderwijs Nissewaard Sinds 2015 zijn schoolbesturen budgetverantwoordelijk voor het totale onderhoud en de aanpassing van hun gebouw(en). Gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor het bieden van adequate huisvesting en bekostiging van (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding van scholen, evenals de gymnastieklokalen. De gemeente beschikt dus over huisvestingsgelden, de besturen over middelen voor het onderhoud en beiden moeten hierin samenwerken. De afspraken vanuit deze samenwerking kunnen vastgelegd worden in een Integraal huisvestingsplan (IHP) waarin het beleidskader geformuleerd wordt op basis waarvan vervolgens keuzen gemaakt worden m.b.t. hoe om te gaan met de verschillende onderwijslocaties in de gemeente Nissewaard. Het planvoornemen zorgt ervoor dat er een nieuw gebouw voor een onderwijsinstelling wordt gerealiseerd. Het plan draagt derhalve bij aan de uitvoering van het onderwijsbeleid. 3.4.5 Conclusie Het planvoornemen is niet in strijd met de structuurvisie en de andere documenten.
Het planvoornemen is in lijn met het onderwijsbeleid en draagt bij aan de uitvoering hiervan.
24
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
M.e.r. beoordeling
4.1.1 Kader De milieueffectrapportage beoordeling (m.e.r.-beoordeling) is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De verplichting tot het volgen van deze procedure, is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. 2. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.
Het project bestaat uit het maken van een bestemmingsplan en de realisatie van een schoolgebouw voor twee basisscholen met verhuurbare sporthal en een kinderopvanglocatie. Een dergelijke project kan worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject zoals vermeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. onder D 11.2. Doordat het project echter ruim onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D 11.2 blijft, geldt geen verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Wel is de m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient namelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: 1. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; 2. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
25
De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. jo. artikel 7.16, lid 2 en 3 Wet milieubeheer. Hierbij moet rekening worden gehouden met de onderstaande drie hoofdcriteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn: 1. Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en voor zover van belang, van sloopwerken; 2. Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn; 3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben.
4.1.2 Beoordeling Door AGEL is er een m.e.r.-beoordeling opgesteld. Dit rapport is als Bijlage 1 bijgevoegd. 4.1.3 Conclusie De conclusie van deze m.e.r.-beoordeling is dat het plan, rekening houdend met de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect, geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, voor de kenmerken van het gebied zelf en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen belangrijke negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden en de kenmerken en de potentiële effecten van de ontwikkeling. 4.1.4 Vormvrij MER-besluit Burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard hebben besloten over de vormvrije m.e.r.-beoordeling voor de bouw van het IKC Elementen-Schenkel, die mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan IKC Elementen-Schenkel. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling die ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is uitgevoerd, blijkt dat er geen significante nadelige gevolgen voor het milieu zijn die het maken van een milieueffectbeoordelingsrapport of een milieueffectrapport rechtvaardigen. Burgemeester en wethouders hebben besloten dat er volstaan kan worden met de opgestelde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het besluit is toegevoegd als Bijlage 2.
4.2
Verkeer en parkeren
Roelofs heeft namens de gemeente Nissewaard een notitie opgesteld waarin de verkeerskundige gevolgen van het planvoornemen zijn beschreven. Deze notitie is als Bijlage 3 bijgevoegd. Parkeren Bij een schoolgebouw met een omvang zoals is voorzien in De Elementen is een grote (piek)belasting voor parkeren te verwachten. De kinderen worden met de auto naar school gebracht en daarnaast zijn parkeerplaatsen noodzakelijk voor het parkeren door personeel. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de parkeerkentallen uit CROW publicatie 381.
26
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
Rekenmethode halen en brengen Conform het nieuwe beleid van de gemeente Nissewaard wordt voor het halen en brengen gebruik gemaakt van de volgende rekenmethode:
Rekenmethode parkeren personeel Voor het bepalen van de benodigde parkeerplaatsen voor het personeel wordt onderscheid gemaakt in twee functies: het kinderdagverblijf en de twee basisscholen. Voor het personeel van het IKC is gerekend met de kentallen welke zijn opgenomen in het parkeerbeleid van de gemeente Nissewaard voor “Rest Spijkenisse”: • Basisschool: 0,8 parkeerplaatsen per lokaal; • Kinderdagverblijf: 1,2 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Op basis van de uitgangspunten zoals beschreven in Bijlage 3 heeft een berekening plaatsgevonden van de parkeerbehoefte. De resultaten van deze berekening zijn weergegeven in onderstaand tabel.
Tabel berekening parkeerbehoefte In totaal zijn er 100 parkeerplaatsen nodig, waarvan 26 vaste parkeerplaatsen voor personeelsleden en 74 parkeerplaatsen voor het halen en brengen.
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
27
Het berekende hoge aantal van 100 parkeerplaatsen is datgene wat gerealiseerd dient te worden conform het beleid van de gemeente bij een schoolgebouw van deze omvang. Binnen het beleid zijn echter wel mogelijkheden het aantal benodigde parkeerplaatsen te optimaliseren. Een aantal mogelijkheden hiervoor zijn in het rapport in Bijlage 3 toegelicht.Er is gekeken naar: Dubbelgebruik van parkeerplaatsen met de naastgelegen te bouwen appartementen Als de parkeerplaatsen van circa 150 appartementen openbaar beschikbaar zijn kan de parkeerbehoefte van de school volledig worden opgevangen. Ontmoedigen met de auto Met goed mobiliteitsmanagement voor de leerlingen kan het aantal parkeerplaatsen worden teruggebracht tot circa 80 parkeerplaatsen. Ongelijke starttijden basisscholen Indien de basisscholen ongelijke starttijden hanteren kan het aantal parkeerplaatsen worden teruggebracht naar 79 parkeerplaatsen Verkeersproductie Op basis van dezelfde uitgangspunten als hierboven beschreven is een berekening opgesteld van het aantal voertuigbewegingen dat zal worden gegenereerd door de scholen. Basis hiervoor is de berekening van het aantal voertuigen voor het halen en brengen en het aantal auto's dat wordt gebruikt door docenten.
Het aantal voertuigen voor halen en brengen is berekend aan de hand van het aantal leerlingen, het percentage van de leerlingen dat met de auto komt en een correctie voor meerdere kinderen in 1 auto conform de bovenstaande rekenmethode. Dit aantal auto's is vermenigvuldigd met 4, want de meeste ouders/verzorgers brengen of halen zowel ’s ochtends als ‘s middags hun kinderen. Beide acties bestaan uit twee ritten en dus in totaal 4 voertuigbewegingen. Voor de docenten en begeleiders van de peuteropvang en buitenschoolse opvang wordt aangenomen dat ze in de ochtend komen en in de middag weer naar huis gaan. In totaal leveren die dus 2 bewegingen per parkeerplaats op.
Tabel berekening verkeersproductie per schooldagetmaal 28
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
In totaal zijn er dus circa 940 motorvoertuigen per schooldagetmaal te verwachten als gevolg van realisatie van de nieuwe school. Belangrijke nuancering bij deze cijfers is dat het verkeer dat wordt gegenereerd op etmaalbasis is berekend en dat het overgrote deel geconcentreerd in circa 2x30 minuten moet worden afgehandeld. Op basis van hetgeen is beschreven kan worden geconcludeerd dat er circa 940 motorvoertuigen per schooldagetmaal gegenereerd zullen worden als gevolg van de bouw van de school. Deze voertuigen zullen voor het overgrote deel worden toegevoegd aan de circa 3400 motorvoertuigen die volgens het verkeersmodel in 2030 per etmaal gebruik zullen maken van de Oude Maasweg. Daarmee komt het totaal aantal voertuigen op de Oude Maasweg op maximaal 4.400 mvt/etmaal. Een waarde die goed past bij de wegcategorie en inrichting van de Oude Maasweg. Aandachtspunt is wel de grote piekbelasting die valt te verwachten rondom de momenten dat kinderen worden gehaald en gebracht. Op basis van een eerste globale berekening met het intensiteitscriterium van SLOP kan worden gesteld dat wachtrijen aannemelijk zijn. Door een spreiding over 2 aansluitingen bij de aanleg van de rondweg wordt het verkeer beter verdeeld en zijn de verliestijden naar verwachting korter.
Een ander aandachtspunt is de scheiding van het bouwverkeer en het schoolverkeer tijdens de bouw van de woningbouwontwikkeling grenzend aan de locatie. Om de scheiding van bouwverkeer en schoolverkeer mogelijk te maken is een herziening nodig van de wegen rondom de hoogbouw. Door zowel route op de dijk als aan de voet van de dijk aan te leggen en deze met elkaar te verbinden ontstaat in eerste instantie een goede en flexibele mogelijkheid om bouwverkeer en schoolverkeer gescheiden af te kunnen wikkelen gedurende de bouwfase. Na afronding van alle bouwactiviteiten blijven vervolgens beide wegen beschikbaar (die met elkaar verbonden zijn) wat als belangrijk voordeel heeft dat ouders de wijk kunnen verlaten zonder bijzondere verrichtingen als keren te hoeven verrichten met de bijbehorende risico’s van dien. Omdat er twee aansluitingen zijn op de Oude Maasweg zal deze afwikkeling ook vlotter verlopen dan bij een enkele verbinding. Conclusie Aan de wegen rondom het schoolgebouw is ruimte is voor 100 parkeerplaatsen en kiss&ride plaatsen. Het planvoornemen kan vanuit het aspect verkeer en parkeren uitgevoerd worden.
4.3
Bedrijven- en milieuzonering
4.3.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
29
4.3.2 Beoordeling AGEL adviseurs heeft een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 4 bijgevoegd. Het planvoornemen bestaat uit maatschappelijke functies (twee basisscholen, kinderopvang, gymzaal). De maatschappelijke functies zijn als milieugevoelige functies aan te merken. Om na te gaan wat de invloed van de bedrijvigheid in de nabijheid van het project is, is in kaart gebracht welke bedrijvigheid op welke afstand van het projectgebied plaatsvindt:
Tabel richtafstanden bestaande bedrijven/inrichtingen Het blijkt dat de afstand tussen de aanwezige bedrijvigheid en het bouwplan veel groter is dan de geldende richtafstanden (afstand tot restaurant circa 50 m en afstand tot bedrijventerrein Schenkel circa 300 m). De bestaande bedrijven leveren geen belemmeringen op voor de realisatie van het bouwplan en daarnaast leidt het bouwplan niet tot beperkingen van de omliggende bedrijven. De maatschappelijke functies (twee basisscholen, kinderopvang, gymzaal) zijn tevens allen milieubelastende functies. Alle genoemde functies zijn functies met een milieucategorie 2, waardoor voor het bouwplan een richtafstand geldt van 30 meter. Er wordt geconcludeerd dat de meest nabij gelegen geplande woontoren binnen de richtafstand van 30 meter is gelegen, te weten op ongeveer 17,5 meter. Gemotiveerd is dit toegestaan. Akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting van de school op de omgeving Omdat de siuering van de school niet voldoet aan de richtafstand tot de meest nabij gelegen geplande woontoren is er nader onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting van de school op de omgeving. Dit onderzoek is als Bijlage 5 bijgevoegd. Dit onderzoek heeft als doel het bepalen van de geluidsbelasting op de omgeving en deze te toetsen aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.
VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) Voor de scholen gelden conform de VNG-publicatie in beginsel de richtwaarden volgens stap 2 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), het maximale geluidniveau (LAmax) en de verkeersaantrekkende werking (Lih). Indien de richtwaarden uit stap 2 niet toereikend zijn, kan het bevoegd gezag na motivatie de richtwaarden van stap 3 hanteren. Activiteitenbesluit De scholen vallen onder de werkingssfeer van het Besluit algemene regels inrichtingen
30
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
milieubeheer (Activiteitenbesluit). Dergelijke inrichtingen dienen bij het bevoegd gezag melding te maken van een oprichting of wijziging van een inrichting. Voor de oprichting van de inrichting dient bij de melding een akoestisch onderzoek te worden bijgevoegd waarin de geluidsbelasting op de directe omgeving inzichtelijk wordt gemaakt en getoetst aan het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit zijn grenswaarden opgenomen voor de geluidsbelasting als gevolg van inrichtingen. De voor de inrichting relevante grenswaarden zijn opgenomen in artikel 2.17. De grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en maximale geluidniveau (LAmax) uit het Activiteitenbesluit komen overeen met de richtwaarden uit stap 3 van het gebiedstype ‘rustige woonwijk. Toetsing en conclusie De conclusie is dat de richtwaarden uit stap 2 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus in de dagperiode overschreden worden op meerdere geluidgevoelige bestemmingen rondom de school. Aan de richtwaarden uit stap 3 wordt wel voldaan. De overschrijdingen veroorzaakt door het stemgeluid van kinderen. Het bevoegd gezag kan in overweging nemen dat het stemgeluid afkomstig van de Elementenschool conform het Activiteitenbesluit buiten beschouwing worden gelaten.
Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening en de ruimtelijke inpasbaarheid van de Elementenschool wordt het stemgeluid wel beoordeeld. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig en stuit op overwegende stedenbouwkundige bezwaren. Het woon- en leefklimaat van de woningen of appartementen in de omgeving van de school wordt bij een minimale karakteristieke geluidwering van 20 dB uit het bouwbesluit (dit is de minimale eis uit het bouwbesluit voor nieuwbouw met een woonfunctie) gegarandeerd. De realisatie van de school is derhalve ruimtelijk inpasbaar en er is geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat.
4.3.3 Conclusie Voor wat betreft de invloed van het bouwplan op de (geplande) woontorens ten noorden van het bouwplan, geldt dat niet wordt voldaan aan de geldende richtafstanden van 30 meter. Overeenkomstig het stappenplan bedrijven en milieuzonering is daarom akoestisch onderzoek uitgevoerd. Aan de richtwaarde van stap 3 wordt voldaan. De gemeente kan deze geluidsbelasting accepteren als cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting acceptabel is. Vanuit het bestemmingsplan Het Land De Dijk II is cumulatie van geluid lager dan 50 dB. Mede gezien deze lage gecumuleerde geluidsbelasting acht het bevoegd gezag de geluidsbelasting vanwege het stemgeluid door kinderen acceptabel. Hiermee wordt voldaan aan stap 3 van de VNG uitgave Bedrijven en milieuzonering. De bestaande bedrijven leveren geen belemmeringen op voor de realisatie van het bouwplan. Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het planvoornemen.
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
31
4.4
Bodem
4.4.1 Kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 4.4.2 Onderzoek Econsultancy heeft in het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 6 bijgevoegd. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De bodem bestaat voornamelijk uit zwak zandig klei. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond bestaat plaatselijk uit matig siltig klei en zwak tot matig siltig, zeer tot matig fijn zand. De bovengrond is plaatselijk zwak puinhoudend en zeer plaatselijk zwak baksteenhoudend. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bodem in zeer beperkte aard en mate puinresten in de bodem aangetroffen. Het puin is verdacht op het voorkomen van asbest in de bodem. De bodem is licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, lood, zink, minerale olie en PCB. Plaatselijk is de ondergrond licht verontreinigd met PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met barium.
4.4.3 Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten en de onderzochte parameters, bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.
32
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
Het advies is om in verband met het aantreffen van puin(resten) wel om een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 te laten uitvoeren. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie'' (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Voor plaatsen waar een gevoelig gebruik van de bodem wordt gerealiseerd, zoals plaatsen waar kinderen spelen, dient bij voorkeur de bodemkwaliteit voor lood te voldoen aan de GGD-advieswaarden voor voldoende bodemkwaliteit. Meer informatie hierover is te vinden in de publicatie 'Toelichting - Lood in bodem en gezondheid' van 23 maart 2020 opgesteld door de Landelijke GGD-werkgroep bodem. Indien grond van elders wordt toegepast, dient hier rekening mee te worden gehouden. 4.4.4 Asbestonderzoek Het bodemonderzoek naar asbest is uitgevoerd en bijgevoegd als Bijlage 7. Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt dat er sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Dit in verband met de bijmenging met puinhoudend materiaal. Verwacht wordt, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen.
De verwachte verontreinigende stof(fen) voor deze situatie is/zijn (niet-)hechtgebonden asbest. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Het doel van het onderzoek in deze situatie is vast te stellen of de verdenking al dan niet terecht is en in hoeverre de bepalingsgrens wordt overschreden. De bovengrond is plaatselijk zwak baksteenhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem is zowel zintuiglijk als analytisch géén hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest geconstateerd. 4.4.5 Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen/plaatselijk verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, verworpen. Er bestaan volgens de onderzoekers dan ook géén milieuhygiënische belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging, alsmede de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin.
In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.
bestemmingsplanIKC Elementen-Schenkel
33
4.5
Archeologie
4.5.1 Kader Als gevolg van het Verdrag van Valetta stellen het rijk en de provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De archeologie wordt geborgd in de gebiedsbestemmingsplannen Schenkel-Groenewoud en de Dijk en het Land. De archeologische dubbelbestemmingen zijn overgenomen uit die bestemmingsplannen. 4.5.2 Conclusie Afhankelijk van het bouwplan kan het noodzakelijk blijken om archeologisch onderzoek uit te voeren.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Kader Wettelijk kader Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt.
Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden