CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Gewijzigd bestemmingsplan C. Villeriuslaan, Spijkenisse; Toelichting en regels

Gemeenteraad 14 september 2022, gemeente NissewaardBij agendapunt: Gewijzigd bestemmingsplan C. Villeriuslaan, Spijkenisse19.732 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hoofdstuk 4

30

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.

Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.7.2 Onderzoek Quickscan flora en fauna (soortenbescherming) Er heeft een onderzoek naar ecologie plaatsgevonden (soortenbescherming) Het onderzoek heeft niet alleen ter plaatse van het plangebied uit dit bestemmingsplan plaatsgevonden, maar ook voor overkoepelende te ontwikkelen wijk. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. Ten aanzien van vleermuizen en de sperwer is vervolgonderzoek noodzakelijk. Voor de overige soorten, zoals vaatplanten, grondgebonden zoogdieren en amfibieën is geen vervolgonderzoek nodig.

Daarnaast worden werkzaamheden aan de groenstructuren buiten het broedseizoen verricht, waardoor verstoring van broedende vogels wordt voorkomen en wordt gewerkt conform de zorgplicht. Soortgericht vervolgonderzoek Er is een soortgericht vervolgonderzoek uitgevoerd ten aanzien van sperwers en vleermuizen. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven.

Hoofdstuk 4

31

Er is één zomerverblijfplaats van acht gewone dwergvleermuizen aan de noordoost zijde van sporthal Den Oert aanwezig. Mogelijk wordt deze verblijfplaats ook tijdens milde winters als winterverblijfplaats gebruikt. De baltsende gewone en ruige dwergvleermuis (in vlucht) zijn sporadisch van korte duur waargenomen binnen het plangebied. De baltsende vleermuizen hadden geen binding met de gebouwen binnen het plangebied. Er zijn geen paarverblijfplaatsen aangetroffen. De verblijfsplaatsen voor de vleermuizen zoals hiervoor beschreven zijn niet gelegen ter plaatse van het plangebied uit dit bestemmingsplan. Het groen in het plangebied wordt gebruikt door de gewone dwergvleermuis en laatvlieger als foerageergebied, dit is echter geen essentieel foerageergebied. De watergang ten noorden en zuiden van het plangebied worden gebruikt door watervleermuis, laatvlieger en gewone dwergvleermuis als foerageergebied. Tijdens het onderzoek zijn er geen vaste rust- of verblijfplaatsen van de sperwer in en in de omgeving van het plangebied aangetroffen. De aanwezigheid van een beschermde functie voor de sperwers is uitgesloten. Het plangebied wordt gebruikt door zoogdiersoorten als egel en algemene amfibieënsoorten zoals bruine kikker en gewone pad.

Vervolgstappen Vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen en sperwers zijn jaarrond strikt beschermd, conform artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming en de Europese Habitatrichtlijn. De functionele leefomgeving van vleermuizen is echter ook beschermd. Op basis van het soortgericht onderzoek naar vleermuizen kan gesteld worden dat het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is, mits voldaan wordt aan de onderstaande punten en er voldoende rekening wordt gehouden met de kwetsbare periode van zoogdiersoorten als egel en algemene amfibieënsoorten zoals bruine kikker en gewone pad.  Wanneer in de actieve periode van vleermuizen wordt gewerkt, welke grofweg duurt van maart t/m oktober, dient rekening gehouden te worden met activiteit van vleermuizen om het gebied. Het wordt aanbevolen om alle werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren en kunstmatige verlichting tussen deze tijden te voorkomen. Wanneer toch tussen zonsondergang en zonsopkomst gewerkt wordt, dient uitstraling naar omliggende watergangen of groen te allen tijde voorkomen te worden, om zo overvliegende en foeragerende vleermuizen niet te verstoren.  De kap van de bomen moet buiten het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 juli worden uitgevoerd.

De meeste vogels broeden in genoemde periode, echter vogels welke buiten deze periode broeden, zijn ook te allen tijde beschermd. Broedende vogels (en hun nesten) mogen niet verstoord of verwijderd worden. De meeste gunstige periode om het groen te rooien is in de periode september tot en met oktober (buiten de kwetsbare periode van voortplantingsperiode van de meeste diersoorten en buiten de winterrust). Een laatste controle voorafgaande de werkzaamheden kan uitsluitsel geven over de aanwezigheid van onverwachte broedvogels.  In het groen van het plangebied nestelen en/of overwinteren mogelijke kleine zoogdieren als egel. Voor deze soorten is de zorgplicht van kracht en er dient met zorg op de aanwezigheid van deze soorten worden gelet. Indien in augustus tot en met half oktober, en/of december tot en met april groen gerooid gaat worden, zal een korte ronde door een ecoloog gemaakt moeten worden om het plangebied te onderzoeken op de aanwezigheid van egels. Bij de aanwezigheid van egels met jongen, of egels in winterrust dienen de werkzaamheden nabij de aangetroffen locatie uitgesteld te worden.

Hoofdstuk 4

32

In het kader van de zorgplicht moeten alle dieren, waaronder de licht beschermde soorten (die vrijstelling van ontheffing genieten) en de niet beschermde soorten, voldoende ruimte krijgen om te vluchten of om zich te verplaatsen tijdens de werkzaamheden.

Advisering  Er wordt geadviseerd om het groen gefaseerd te kappen, en parallel aan de werkzaamheden groen terug te plaatsen om de negatieve impact op diersoorten te beperken.  Bij de werkzaamheden gaat een aanzienlijk deel groen verloren met volwassen bomen en struiken die van grote waarden zijn voor de ecologie in de stedelijke omgeving. Oudere bomen en struiken trekken meer insecten, beschikken eerder over spleten, holtes en dood hout. Oude bomen zijn daarmee cruciaal voor groeiplaatsen en nest- en verblijfplaatsen voor veel planten- en diersoorten en vormen een belangrijke bron van voedsel. Er wordt aanbevolen om de mogelijkheden te onderzoek of er bomen en struiken behouden kunnen blijven, en/of verplant kunnen worden. Daarnaast wordt geadviseerd om voldoende kwalitatief en kwantitatief groen terug te planten. Er wordt aanbevolen om inheems en ouder plantmateriaal te gebruiken met voldoende variatie in soortensamenstelling en structuur.  Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt.

De lichthinder voor vleermuizen door straatverlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en een scherpe afsnede van de lichtinval toe te passen Stikstof (gebiedsbescherming) In het kader van de Wet natuurbescherming dient de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling op nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk te worden gemaakt. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ ligt op circa 1,8 km van het plangebied. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreffen ‘Voorns Duin’ en ‘Krammer-Volkerak’ op een afstand van circa 18 km van het plangebied. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Met deze wet worden, conform het nieuwe artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming (Wnb), de gevolgen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden van bepaalde activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing gelaten voor de Wnb-vergunningplicht.

Specifiek worden, conform artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming, de volgende activiteiten vrijgesteld:  het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen;  het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Voor dit plan is geen berekening van de depositie van stikstofverbindingen uitgevoerd. Bij invoering van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering is immers bepaald dat slechts de gebruiksfase van een bouwproject hoeft te worden beschouwd. De emissie van nieuwe woningen is in de gebruiksfase vaak zeer beperkt. Alleen de verkeersbewegingen van woningen kunnen een (kleine) rol spelen. De DCMR Milieudienst Rijnmond stelt dat een woningbouwproject in Nissewaard van 500 of minder woningen beschouwd kan worden als een kleiner project waarvoor geen AERIUS berekening meer nodig is omdat dit niet leidt tot relevante stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Om deze reden is er voor dit plan geen AERIUS-berekening gemaakt. Er kan van uit worden gegaan, dat er in de gebruiksfase de depositie ten gevolge van dit plan niet groter zal zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.

Hoofdstuk 4

33

4.7.3 Conclusie De vervolgstappen en advisering conform het soortenonderzoek worden opgevolgd. Er zijn geen belemmeringen vanwege flora en fauna.

4.8 Bodem 4.8.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.8.2 Onderzoek De locatie, met een totale oppervlakte van ruim 6 ha, bestaat momenteel uit groenstroken, schoolgebouwen met omliggend terrein en een sportveld. Op de locatie is sprake geweest van een trambaan, een benzinestation en een huisvuilstort. Binnen het plangebied zijn in het verleden al meerdere bodemonderzoeken en enkele saneringen uitgevoerd. Naar aanleiding hiervan is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd voor deellocatie A (voormalige trambaan) en deellocatie D (voormalige huisvuilstort). Deellocatie A en D zijn (gedeeltelijk) gelegen binnen het plangebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft. Het plangebied is als fase A en B aangeduid in het onderzoek.. Op deellocatie A gaat het slechts om een lichte verontreiniging met zware metalen, PAK en deels ook minerale olie van de bovengrond tot 0,5 m-mv. Bij toetsing aan de Bbk normen voldoen alle bovengrondmonsters aan klasse industrie. De ondergrond is niet verontreinigd. Op deellocatie D zijn sterke verontreinigingen met zware metalen en PAK aangetoond in de sterk puin- en huisvuilhoudende bovengrond. Bovendien is asbest aangetroffen in een gehalte boven de norm voor nader onderzoek. Tot ver buiten de stortlocatie zijn in de bovengrond huisvuilresten aangetroffen aan weerszijden van het fietspad op fase A en B, tot circa 20 m van het pad. De grond met zwakke huisvuilbijmengingen is licht verontreinigd met zware metalen en PAK (klasse industrie). In de ondergrond op ruime afstand van de stort is een sterke zinkverontreiniging aangetoond, gerelateerd aan puin. Deellocatie D maakt deel uit van een geregistreerd geval van bodemverontreiniging.

De aangetoonde sterk verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK in de bovengrond en de gemeten asbestgehalten boven het nader onderzoekscriterium op de stortlocatie (gelegen op fase B) en hieraan gerelateerd tevens de sterke zinkverontreiniging in de puinhoudende ondergrond op fase A

Hoofdstuk 4

34

geven op basis van de Wet bodembescherming (Wbb) in principe aanleiding tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek en/of het treffen van saneringsmaatregelen. Afhankelijk van het herinrichtingsplan kan bij het saneren worden gekozen voor isolatie (met verharding of leeflaag), verwijdering of een combinatie van beide. In geval van een verwijderingsvariant is nader onderzoek noodzakelijk om de begrenzing nauwkeuriger vast te stellen. Tevens dient dan de af te voeren grond aanvullend te worden onderzocht op PFAS. De lichte verontreiniging in de bovengrond met zwakke huisvuilbijmengingen langs het fietspad op fase A en B maakt deel uit van hetzelfde geval van bodemverontreiniging. Hiermee dient rekening te worden houden wanneer gekozen wordt verwijdering. Indien het te behalen resultaat bijvoorbeeld moet voldoen aan klasse wonen zal er relatief veel grond verwijderd moeten worden om dit te behalen. Voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden kan er met behulp van een BUSmelding (gestandaardiseerd saneringsplan) het voornemen tot saneren worden ingediend bij het bevoegd gezag (de DCMR namens de provincie Zuid-Holland). De saneringsmaatregel en/of het grondwerk zal uitgevoerd dienen te worden door een voor de BRL 7000 erkende aannemer en begeleid dienen te worden door een voor de BRL 6000 erkende milieukundig begeleider.

Na beëindiging van de saneringswerkzaamheden dient er een BUS-evaluatie van de sanering te worden opgesteld. Dit verslag dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden overlegd, waarna de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. Beoordeling Milieudienst Rijnmond Er heeft door Milieudienst Rijnmond een beoordeling van het bodemonderzoek plaatsgevonden. Deze is opgenomen in de bijlagen. Het volgende is beschreven: De conclusies en aanbevelingen in het beoordeelde rapport van 20 november 2020 voldoen aan het bodemsaneringsbeleid van de gemeente. Op de locatie is nader onderzoek noodzakelijk naar;  waar op de voormalige stort de deklaag nog intact is en waar niet;  het stortmateriaal buiten de bekende contouren van de stort;  asbest in het stortmateriaal. Voorafgaande aan de herinrichting van de locatie is sanering van de voormalige vuilstortnoodzakelijk. Hierbij kan gekozen worden door het ontgraven van de verontreinigingen of het isoleren van de verontreinigingen door verhardingen en/of het herstellen van de deklaag. Aanvullende verkennend bodem en asbestonderzoek Mede naar aanleiding van de beoordeling van Milieudienst Rijnmond heeft een aanvullend verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek plaatsgevonden ter plaatse van de C. Villeriuslaan. Dit onderzoek is bij de bijlagen van deze toelichting gevoegd.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. Dit naar aanleiding van de aangetroffen sterke verontreinigingen met koper, zink en nikkel ter plaatse van de voormalige stortplaats. Deze verontreiniging geeft aanleiding tot het nemen van saneringsmaatregelen. Op basis van de resultaten van het asbestonderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie (fietspad langs de stortplaats met trottoir en berm) niet verontreinigd is met asbest.

Hoofdstuk 4

35

De totale omvang van de sterk met zware metalen verontreinigde stortplaats is niet bepaald, maar deze heeft zeker een omvang van meer dan 25 m3. Derhalve gaat het hier om een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals bedoeld in de Wet bodembescherming. De nikkelspot ten zuiden van het fietspad wordt gezien als (verplaatst) onderdeel van de stort. 4.8.3 Conclusie De aanbevelingen uit het bodemonderzoek wordt opgevolgd. Na sanering zal sprake zijn van een geschikte bodem voor de toekomstige functie.

4.9 Water 4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 4.9.2 Onderzoek Toets watersysteem Er is door Royal HaskoningDHV een onderzoek gedaan naar het watersysteem in het plangebied en omgeving. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. Het ontwerp is middels een serie modelberekeningen getoetst aan de hydraulische toetsingscriteria van het Waterschap Hollandse Delta. Op basis van deze berekeningen zijn de minimaal benodigde diameters van de duikers bepaald. Met deze diameters voldoet het ontwerp aan de hydraulische toetsingscriteria van het Waterschap. Aanvullend is de huidige en toekomstige invulling van het landgebruik in het plangebied uiteen gezet. Op basis van deze uiteenzetting wordt geconcludeerd dat het ontwerp voldoet aan de toetsingscriteria met betrekking tot de compensatieplicht van het Waterschap. In de voorziene tijdelijke situatie blijft afwatering van het plangebied geborgd. Voor wateraanvoer en doorspoeling van het watersysteem worden duikerverbindingen aangelegd om water vanuit put 13446DU het plangebied in te leiden.

Daarnaast wordt een duikerverbinding in het midden van het plangebied aangelegd om doorspoeling van het watersysteem te garanderen. Aanbevelingen Het ontwerp voldoet aan de hydraulische toetsingscriteria en de compensatieplicht van het Waterschap Hollandse Delta. De volgende thema’s zijn in deze notitie buiten beschouwing gelaten:  Riolering;  Grondwater;  Waterveiligheid;  Waterkwaliteit.

Hoofdstuk 4

36

Tijdens de toetsing is naar voren gekomen dat duiker 18591DU (welke onder de Heijwegenlaan ligt) een relatief groot verhang heeft. Mogelijk werkt deze duiker knellend bij hoogwatersituaties. Aanvullend dient bij de verdere uitwerking van het ontwerp ook rekening gehouden te worden met de dekking en de beschikbare ruimte voor de duikers. Ook dient voor zowel de tijdelijke als de uiteindelijke situatie een vergunningsaanvraag bij het Waterschap Hollandse Delta ingediend te worden. Waterparagraaf Specifiek voor het plangebied heeft ook een watertoets geschreven. Deze is bij de bijlagen gevoegd. De bouw van het gehele project Heijwegenlaan vindt gefaseerd plaats. De eerste fase betreft de realisatie van de schoolgebouwen binnen het plangebied van dit bestemmingsplan. Deze bouwfase duurt ongeveer twee jaar. Het is zaak dat ook in de tijdelijke situatie het watersysteem goed functioneert. De oostelijke en de noordelijke watergangen zullen in de eerste fase (deels) worden gedempt. In plaats van deze watergangen worden tijdelijke duikers geplaatst (diameter 500mm) parallel aan de Hekelingseweg. Deze duikerverbinding komt uit in de put waar duiker 18591DU (Heijwegenlaan) aan verbonden is. Aansluitend op deze put wordt ook de permanente duikerverbinding aangelegd (NewDU1).

In het midden van het plangebied wordt een aanvullende hoeveelheid water gegraven als tijdelijke compensatie voor het gedempte oppervlaktewater. Daarnaast wordt in het noorden van het plangebied een tijdelijke duikerverbinding aangelegd (diameter 500mm) welke T18017 met W02806 verbindt (zie ook figuur 4.2)

Figuur 4.2 Tijdelijke situatie waterstructuur (bron: Royal HaskoningDHV)

Deze tijdelijke maatregelen zijn mogelijk binnen het nieuwe bestemmingsplan. Ze liggen binnen de bestemming Groen, waar watergangen zijn toegestaan. In de tijdelijke situatie van het oppervlaktewatersysteem, zoals beschreven hierboven, is rekening gehouden met het compenseren van het gedempte oppervlaktewater en niet met de toename in verhard

Hoofdstuk 4

37

oppervlak door de schoolgebouwen. In de eindsituatie is de compensatie voor de verharding echter wel opgenomen, waarbij dan voldoende oppervlaktewater wordt gerealiseerd om te compenseren voor de toename in verharding en het dempen van het oppervlaktewater. Het Waterschap Hollands Delta heeft hiermee ingestemd. Bij de nieuwbouw van de scholen zal een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd op eigen terrein. Hierdoor kan het hemelwater apart worden verwerkt van het vuilwater. Door het scheiden van de waterstromen, de verhuizing van de schoon naar de nieuwbouw en de aanleg van een nieuw DWA-stelsel zal de toestroom aan afvalwater naar het gemeentelijk beperkt blijven en door het bestaande stelsel verwerkt kunnen worden. De wijzigingen aan het rioolstelsel en aansluitingen dient te zijner tijd in overleg met de gemeente Nissewaard concreter uitgewerkt te worden. 4.9.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.10 Archeologie 4.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.10.2 Onderzoek Er heeft een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in mei 2007, waarbij het gebied ‘Heijwegenlaan’ op meerdere plekken is onderzocht. Het deelgebied ter plaatse van de scholen is ook meegenomen.

Het volgende wordt geconcludeerd: Met betrekking tot de aanwezigheid van archeologische waarden kan worden vastgesteld dat de kans zeer klein is dat bij de inrichting van het plangebied archeologische waarden worden aangetast. Gedurende de inventarisatie zijn in de boringen namelijk geen archeologische indicatoren aangetroffen. Er zijn verder geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied.

Hoofdstuk 4

38

Op basis van deze conclusie kan de locatie voor de scholen worden vrijgegeven ten aanzien van archeologie. Er hoeven geen voorzieningen getroffen te worden. 4.10.3 Conclusie Het onderdeel archeologie zorgt niet voor belemmeringen.

4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.11.2 Onderzoek Om de eventuele cultuurhistorische waarden ter plaatse van het plangebied te bepalen is gekeken naar de provinciale erfgoedkaart “Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland”. In figuur 4.2 is een uitsnede weergegeven van deze kaart. Op de kaart zijn alle cultuurhistorisch en landschappelijk waardevolle elementen en lijnstructuren weergegeven. Het plangebied is met de zwarte pijl aangegeven. Ter plaatse van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch of landschappelijk waardevolle elementen en lijnstructuren aanwezig.

Het plan zal daarom ook geen afbreuk doen aan de cultuurhistorische waarde van Spijkenisse.

Hoofdstuk 4

39

Figuur 4.2: Uitsnede Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland

4.11.3 Conclusie Het onderdeel cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen.

4.12 Explosieven Er is een vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uitgevoerd voor het onderzoeksgebied Heijwegenlaan Nissewaard. Aanleiding voor dit vooronderzoek vormen toekomstige bouwwerkzaamheden binnen het onderzoeksgebied. Het doel van dit vooronderzoek is het verkrijgen van een bruikbare waarschijnlijkheidsuitspraak over de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten tijdens de voorgenomen werkzaamheden waardoor er een veiligheidsrisico kan ontstaan. Hierbij ligt de onderzoeksfocus op verschillende gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). De gebeurtenissen die mogelijk ná de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden zijn niet onderzocht. Een uitzondering daarop vormen naoorlogse meldingen van CE-vondsten en ruimingsrapporten van de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD). Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Op basis van de beoordeling van alle op het moment van opstellen van dit rapport beschikbare bronnenmateriaal is geconcludeerd dat er geen aanleiding is om binnen het onderzoeksgebied verdachte gebieden aan te merken. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen

Hoofdstuk 4

40

belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Dit onderzoek is opgenomen in de zogenaamde ‘aanmeldingsnotitie MER’, dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Daarbij is gelijker tijd gekeken naar het gehele project Heijwegenlaan: dus niet alleen de ontwikkeling van beide scholen, maar ook de nieuwbouw van woningen. Conclusie Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg hebben, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Hoofdstuk 4

41

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Hoofdstuk 5

42

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.

Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.  algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen, die van toepassing zijn ter plaatse van enkele in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen. Deze aanduidingen zijn bestemmingsoverschrijdend en kunnen dus van toepassing zijn binnen meerdere bestemmingen. Het gaat hier om de gebiedsaanduiding ‘Geluidzone – industrie’.

 algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.  algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria,

Hoofdstuk 5

43

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Groen Ten zuiden van de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg zijn de gronden bestemd tot ‘Groen’. Hier zijn naast groenvoorzieningen o.a. speel- en sportvoorzieningen toegestaan. De sportvoorzieningen mogen opgericht worden ter plaatse van de aanduiding ‘sport’ en mogen gebruikt worden door naastgelegen scholen. De bouwmogelijkheden zijn beperkt en dienen ten dienste te staan van de bestemming. Maatschappelijk De scholen hebben de bestemming ‘Maatschappelijk’ gekregen en zijn specifiek bedoeld voor onderwijsvoorzieningen. Ook zijn kantoren toegestaan gerelateerd aan onderwijsvoorzieningen tot een maximum van 40 m2 bvo. Dit geldt alleen binnen het westelijk gelegen bouwvlak (voor het Penta). Gebouwen zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Ter plaatse van de desbetreffende aanduiding is buiten het bouwvlak een overstek toegestaan vanaf een hoogte van 5,5 meter voor uitstekende bouwdelen. Op de verbeelding is de minimale en maximale bouwhoogte aangegeven evenals het maximale bruto vloeroppervlak per school. Voldoende parkeerplaatsen zijn geborgd door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting. Verkeer – 2 De nieuw aan te leggen weg en bestaande wegen en andere openbare ruimte hebben de bestemming ‘Verkeer – 2’ gekregen.

Ter plaatse van de desbetreffende aanduiding op de verbeelding is een ‘overstek’ toegestaan vanaf een hoogte van 5,5 meter voor uitstekende bouwdelen De bouwmogelijkheden zijn beperkt en dienen ten dienste te staan van de bestemming. Leiding – Water De bestaande waterleiding met beschermingszone aan de noordzijde van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ gekregen. Waarde – Archeologie 3 Deze dubbelbestemming is overgenomen uit de geldende beheersverordening ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden.

Hoofdstuk 5

44

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid De gemeente is nauw betrokken bij de financiering van de nieuwbouw van de scholen en heeft de daarvoor gelden gereserveerd in de begrotingen. Ook de verkoop van de gronden , waar nu nog de oude scholen staan leveren opbrengsten op, die gebruikt worden voor de financiering van sloopt en nieuwbouw. Daarmee is de economische haalbaarheid in voldoende mate aangetoond. Op grond van afdeling 6.4. van de Wro is de gemeente verplicht kosten te verhalen als publieke medewerking wordt verleend aan een door een particuliere partij gewenst ruimtelijk besluit, wat een bouwplan op particuliere grond mogelijk maakt. Dit kostenverhaal dient verzekerd te zijn voordat tot het ruimtelijk besluit wordt besloten. Hoewel de verplichting tot kostenverhaal voor elke gemeente geldt, biedt de wet ruimte aan verschillende manieren waarmee dit kostenverhaal verzekerd kan worden. Wanneer de gemeente zelf eigenaar is van de gronden dan is het verhalen van kosten op anderen niet nodig.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Inspraak;  Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Hoofdstuk 6

45

De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Er zijn twee vooroverlegreacties binnengekomen. Deze hebben niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Voor een samenvatting van de vooroverlegreacties en de beantwoording daarvan wordt verwezen naar de nota van inspraak en vooroverleg. Deze is als bijlage bij de toelichting opgenomen. 6.2.2 Participatie en inspraak Op 5 juli 2021 heeft de gemeente een inloopbijeenkomst gehouden voor de direct omwonenden over de visie voor de gebiedsontwikkeling Heijwegenlaan. Daarnaast zijn in een ruimer gebied rond de Heijwegenlaan belanghebbenden per brief geïnformeerd over de visie met de mogelijkheid om een reactie te geven. De bijeenkomst telde een opkomst van 23 omwonenden. Tijdens en na deze bijeenkomst zijn 8 reactieformulieren bij de gemeente binnengekomen, namens 16 omwonenden. De gemeente heeft naar aanleiding daarvan in een document de (veelgestelde) vragen en antwoorden over de visie voor de gebiedsontwikkeling Heijwegenlaan en omgeving op een rij gezet. In dat document zijn de vragen die tijdens en na de informatiebijeenkomst van 5 juli jongstleden zijn gesteld, opgenomen. De reacties opgenomen op de reactieformulieren en van de insprekers zijn samengevat en cursief weergegeven.

Voor de duidelijkheid zijn de opmerkingen gerubriceerd en is per onderwerp/thema een reactie gegeven. Het document is als de bijlage “Verslag inloopbijeenkomst 5 juli 2021’ bij deze toelichting gevoegd. Betrokkenen konden en kunnen ook via website informatie ontvangen en reactie verstrekken. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen voor inspraak. Er zijn geen inspraakreacties binnengekomen. Wel zijn er enkele ambtshalve aanpassingen. Deze staan beschreven in de nota van inspraak en vooroverleg, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegen voor zienswijzen. Gedurende de termijn heeft de gemeente één zienswijze ontvangen. Deze is samengevat en van een antwoord voorzien in de ‘Nota van zienswijzen’, die als een bijlage bij deze toelichting is gevoegd. De zienswijze heeft geleid tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. Op verzoek van Evides is het bestemmingsplan aangevuld met de dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ inclusief een bijbehorende planregel.

Hoofdstuk 6

46

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Samenvatting stedenbouwkundig plan Bijlage 2: Ladderonderbouwing Bijlage 3: Verkeersonderzoek Heijwegenlaan Bijlage 4: Akoestisch onderzoek Bijlage 5: Quickscan flora en fauna Bijlage 6: Vervolgonderzoek ecologie Bijlage 7: Bodemonderzoek Bijlage 8: Beoordeling bodem milieudienst Bijlage 9: Aanvullend verkennend bodemonderzoek Bijlage 10: Onderzoek watersysteem Bijlage 11: Waterparagraaf Bijlage 12: Archeologisch onderzoek Bijlage 13: Vooronderzoek explosieven Bijlage 14: Aanmeldingsnotitie MER Bijlage 15: Verslag inloopbijeenkomst 5 juli 2021 Bijlage 16: Ontwerpbesluit vaststelling Hogere Waarde Wet Geluidhinder Bijlage 17: Nota van inspraak en vooroverleg Bijlage 18: Nota kruispuntenanalyse Bijlage 19: Nota van zienswijzen

Hoofdstuk 6

47

REGELS

Hoofdstuk 6

49

Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 8

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

9

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Groen Maatschappelijk Verkeer - 2 Leiding - Water Waarde - Archeologie 3

9 10 12 13 15

Hoofdstuk 3

Algemene regels

17

Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels

17 18 19 20 21 22

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

23

Artikel 14 Artikel 15

Overgangsrecht Slotregel

23 24

Bijlagen bij regels

25

Bijlage 1

Benodigde parkeerplaatsen Project Heijwegenlaan

26

2

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

Regels

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

plan

het bestemmingsplan 'Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse´ met identificatienummer NL.IMRO.1930.BPCVilleriuslaan-3001 van de gemeente Nissewaard. 1.2

bestemmingsplan

de geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels. 1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

aanduidingsvlak

een vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens. 1.6

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.7

bestaande bebouwing

een bouwwerk dat: op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan bestaat of in uitvoering is, tenzij in de regels anders is bepaald; na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend. 1.8

bestaand gebruik

het gebruik van grond en opstallen, zoals dat bestaat ten tijde van het in werking treden van het betreffende gebruiksverbod. 1.9

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

4

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

1.10

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.11

bevoegd gezag

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.12

bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.13

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.14

bouwgrens

de grens van een bouwvlak. 1.15

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.16

bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel. 1.17

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.18

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.19

bruto vloeroppervlak

de buitenwerks gemeten totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een (dienstverlenend) bedrijf of instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

5

1.20

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen, geen brandstoffen zijnde, aan personen, die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, horecadoeleinden worden hier niet onder begrepen. 1.21

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.22

gebruiken

gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven. 1.23

groenvoorziening

ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen, groenvoorzieningen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren en ondergrondse infrastructurele voorzieningen. 1.24

hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste gebouw op een perceel valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht. 1.25

nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie. 1.26

peil

het peil is gelijk aan 0 NAP. 1.27

prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding 1.28

seksinrichting

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, escortbedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar.

6

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

1.29

weg

een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

7

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

Wijze van meten

Tenzij anders bepaald, worden de waarden die in m of m² zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitende afgewerkte terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven, en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven. 2.2

Hoogten

Bij het meten van de hoogten als bedoeld in lid 2.1 onder b, wordt een bouwwerk, voor zover het zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. 2.3

Ondergeschikte bouwonderdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevelen kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en/of bestemmingsgrenzen niet meer dan 3 m bedraagt.

8

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.

groenvoorzieningen; fiets en/of voetpaden; speelvoorzieningen en hierbij passende, openbare verblijfsvoorzieningen; bijbehorende verhardingen; aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeersvoorzieningen; bij deze doeleinden behorende voorzieningen, zoals straatmeubilair, reclameborden, kunstwerken, parkeer- en speelvoorzieningen, abri's en nutsvoorzieningen; g. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder watergangen. met dien verstande dat: h. ter plaatse van de aanduiding 'sport' ook sportvoorzieningen bedoeld voor recreatieve doeleinden en onderwijs als nevenfunctie van de bestemming 'Maatschappelijk' zijn toegestaan. 3.2

Bouwregels

3.2.1

Gebouwen

Behoudens abri's en nutsgebouwen mogen binnen deze bestemming geen andere gebouwen worden gebouwd. Voor abri's en nutsgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. maximale bouwhoogte: 3 m; b. maximale inhoud; 40 m3. 3.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximale bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten 9 m; b. maximale bouwhoogte van speel- en sporttoestellen 4 m; c. maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 m. 3.2.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 en toestaan dat reclameborden worden geplaatst met maximale hoogte van 4 m. 3.3

Specifieke gebruiksregels

Tot gebruik strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruiken van lichtmasten ter verlichting van sportvoorzieningen.

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

9

Artikel 4 4.1

Maatschappelijk

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. onderwijsvoorzieningen; b. ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' tevens kantoren gerelateerd aan onderwijsvoorzieningen tot een maximum van 400 m2 bruto vloeroppervlak; c. aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeers- en groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen. 4.2

Bouwregels

4.2.1

Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de minimale bouwhoogte bedraagt ten minste de hoogte zoals op de verbeelding aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'minimum bouwhoogte (m). maximum bouwhoogte (m); c. de maximale bouwhoogte bedraagt ten hoogste de hoogte zoals op de verbeelding aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'minimum bouwhoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'; d. het maximale m2 bruto vloeroppervlak bedraagt ten hoogste het oppervlak zoals op de verbeelding aangeduid ter plaats van de aanduiding 'maximum vloeroppervlakte; bruto (m2)' e. in afwijking van het bepaalde onder a zijn ook bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak toegestaan, met dien verstande dat: 1. de maximale bouwhoogte 3 meter bedraagt 2. de maximale oppervlakte niet meer bedraag dan 200 m2; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overstek' mag het bouwvlak vanaf een hoogte van 5,5 meter worden overschreden voor uitstekende bouwdelen. 4.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

4.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd, met inachtneming van de volgende bepaling: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter; b. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 12 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter. 4.3

Voorwaardelijke verplichting parkeren

a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of wijzigen van het gebruik wordt slechts verleend indien voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en instand gehouden : 1. binnen het plangebied en/of; 2. ter plaatse van het naastgelegen parkeerterrein behorende bij de kerk. b. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid wanneer voldaan wordt aan een parkeerbehoefte van 1. 4.3 pp per 100 leerlingen; 2. 1,7 pp per 100 m2 bruto vloeroppervlak kantoorfunctie. c. Bij het bepalen van de parkeerbehoefte onder b mag worden uitgegaan van het dubbelgebruik

10

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

overeenkomstig de notitie 'Benodigde parkeerplaatsen Project Heijwegenlaan' dat gevoegd is als bijlage 1 bij deze regels. d. Indien gedurende de planperiode door burgemeester en wethouders nieuwe parkeernormen worden vastgesteld en bekendgemaakt, treden deze in de plaats van de parkeernormen als bedoeld onder b.

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

11

Artikel 5 5.1

Verkeer - 2

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen; b. voet- en rijwielpaden; c. groenvoorzieningen en bermen; d. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder watergangen e. parkeervoorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. fietsenstallingen, abri's, telefooncellen, straatmeubilair en dergelijke; h. speel- en verblijfsvoorzieningen. 5.2

Bouwregels

Op en onder de in lid 5.1 bedoelde gronden ten behoeve van de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd: a. behoudens abri's en nutsgebouwen mogen op en onder de in lid 5.1 bedoelde gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. voor abri's en nutsgebouwen gelden de volgende maxima: 1. bouwhoogte: 3 m; 2. inhoud 40 m3. c. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende maxima: 1. bouwhoogte van speeltoestellen 4 m; 2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks voor verkeersregeling, verkeersleiding, wegaanduiding of verkeersverlichting, bedraagt ten hoogste 3 m; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overstek' mogen bouwwerken als bedoeld in artikel 4.2.1 sub f worden gerealiseerd. 5.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 sub b onder 2 en toestaan dat er nutsgebouwen met een grotere inhoud tot ten hoogste 60 m3 worden gebouwd mits geen onevenredige aantasting plaats vindt van: a. b. c. d.

12

het straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

Artikel 6 6.1

Leiding - Water

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van een waterleiding, met bijbehorende voorzieningen. 6.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels; a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 6.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2,5 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering

6.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van lid 6.2, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. In het kader van het verzoek om afwijking wint het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1

Verbod

Het is verboden ter plaatse van de gronden als bedoeld in lid 6.1 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag: a. het aanbrengen of rooien van diepwortelende beplantingen of bomen; b. het uitvoeren van grondwerkzaamheden waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; c. het aanleggen van wegen en paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; d. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het indrijven van voorwerpen in de bodem; f. het verrichten van grondroeractiviteiten (bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage) anders dan normaal spit- en ploegwerk; g. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen; h. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen; i. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. 6.4.2

Uitgezonderde werkzaamheden

Het bepaalde in lid 6.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

13

a. toegestaan zijn conform de andere aldaar voorkomende bestemming; b. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning. zoals bedoeld in artikel 6.2 is verleend; c. noodzakelijk zijn vanwege onderhoud, beheer, herstel en/of vervanging van de leiding; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

6.4.3

Vergunning

Een vergunning als bedoeld in lid 6.4.1 wordt uitsluitend verleend indien door de uit te voeren werkzaamheden, dan wel de daaraan direct of indirect te verwachten gevolgen, geen schade aan de leidingen wordt veroorzaakt.

6.4.4

Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning

Het bevoegd gezag wint ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in lid 6.4.1 advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken en/of werkzaamheden de belangen van de leiding niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld om deze belangen te borgen.

14

Bestemmingsplan "Scholen C. Villeriuslaan te Spijkenisse" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11738168/3