CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlagen totaal klein

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente NissewaardBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Ring 18A Simonshaven23.043 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

broed

HERKON B.V. T.a.v. dhr. P.J. van Dijk Kade 34 3371 EP Hardinxveld-Giessendam

Datum

22 oktober 2021

Kenmerk

BE/2021/1006/r

Uw kenmerk

Email d.d. 28 september 2021

Auteur(s)

ing. B.C.E. Vleeshouwers

Collegiale toets

ing. M.A. Brinkbaumer

Quickscan Wet natuurbescherming Ring 18a te Simonshaven Aan de Ring 18a te Simonshaven zijn verscheidende loodsen met aangrenzend een agrarisch grasperceel gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande loodsen op de planlocatie te slopen ten behoeve van het ombouwen van de grasweide en bedrijfsperceel ter realisatie van circa 50 woningen en/of appartementen. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van bedrijf naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht en eventuele effecten beoordeeld. Herkon B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.

verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, Groene buffer en Belangrijke weidevogelgebieden? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Ring 18a te Simonshaven (figuur 1). De planlocatie bestaat uit een bedrijfsperceel en agrarisch weide. Op het bedrijfsperceel zijn 3 loodsen gelegen die gesaneerd zullen worden in de beoogde ontwikkeling. Loods 1 is opgebouwd uit wandpanelen en dakpanelen. Loods 2 is opgebouwd uit enkelsteen muren en golfplaten dakbedekking. Loods 3 is opgebouwd uit betonnen muren met een golfplaten zadeldak. Bij alle loodsen ontbreekt het aandakbeschot en spouwmuur. Verder is er en coniferenhaag op het perceel die gekapt wordt voor de beoogde ontwikkeling. Rondom de loodsen is het verhard met beton en betontegels. Het agrarische perceel heeft een hoog kwaliteitsbeeld, daarnaast heeft het bedrijfsperceel een laag kwaliteitsbeeld. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. In alle richtingen behalve het westen van de planlocatie wordt de omgeving van Simonshaven het meeste gekenmerkt door meerdere graslanden. In het westen ligt de Stompvaardseplas. De bebouwing in de omgeving kenmerkt zich het meest door woonhuizen en boerenerven. Circa 390 m ten zuiden van de planlocatie stroomt de Bernissen. Deze rivier kan een barrière vormen voor grondgebonden fauna.

2

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Ring 18a te Simonshaven (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en werkzaamheden De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het slopen van de huidige loodsen en de realisatie van circa 50 woningen en/of appartementen. De functie van het perceel dient te wijzigen van bedrijf naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •

slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van de conifeerhaag: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2021 en is uitgevoerd door ing. D. Knoops. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; regen, 8/8 bewolkt, 10 Celsius en windkracht 3-4 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden.

Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.

3

In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Vos Wezel Woelrat

Dwergspitsmuis Egel

Konijn Meerkikker

(b) Gebiedsbescherming (landelijk beleid) Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en de provinciaal beschermde gebieden. Het beschermingsregime van overige op provinciaal niveau beschermde gebieden kan sterk verschillen tussen provincies. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. (b) Gebiedsbescherming (provinciaal beleid) Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de desbetreffende Omgevingsverordening voor de provincie. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe.

Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2. 1.

Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek.

4

2. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: braam, fijnstraal en kattenstaart. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op het perceel zijn coniferen en gewone vlier waargenomen De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.

Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.

5

Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten. Er is tijdens het veldbezoek Japanse duizendknoop waargenomen. Voor het verwijderen hiervan dienen extra maatregelen plaats te vinden (zie Maatregelen en Bijlage 1). Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, konijn, mol, noordse woelmuis, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever en noordse woelmuis. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land, namelijk moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017). Het naastgelegen water wordt niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. Tevens zijn er geen geschikt bomen aanweizg op de planlocatie voor de bever.

Door het ontbreken van geschikte voedingsbronnen en het feit dat het wateroppervlakte niet wordt aangetast kunnen de negatieve effecten op de bever binnen de planlocatie uitgesloten worden. De noordse woelmuis leeft voornamelijk in hogere grasachtige vegetatietypen, waarbij er voldoende variatie in vegetatie aanwezig dient te zijn. De soort is erg gevoelig voor concurrentie van andere woelmuissoorten zoals o.a. de algemeen voorkomende veldmuis en aardmuis. In gebieden waar concurrerende soorten voorkomen wordt de noordse woelmuis verdreven naar natte(re) terrein delen waaraan de soort zich goed heeft aangepast. Doordat concurrentie door algemeen voorkomende woelmuissoorten vaak aanwezig is, leeft de noordse woelmuis veel in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. Daarnaast wordt planlocatie onderhouden met een hoog kwaliteitsbeeld wat voor verstoring leidt. Door deze redenen is het voorkomen van leefgebied voor de noordse woelmuis op de planlocatie derhalve uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis.

Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis en laatvlieger (NDFF 2011-2021). Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn de te kappen coniferen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats.

In de coniferen zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als verblijfplaats. Daarnaast produceren coniferen geen geschikte voedingsstoffen waar insecten op afkomen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de

6

betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Loods 1 is opgebouwd uit metalen wand- en dakpanelen. Loods 2 is opgebouwd uit enkelsteen muren en golfplaten dak. Loods 3 is opgebouwd uit betonnen muren en golfplaten dak. Bij alle loodsen ontbreekt het aandakbeschot en spouwmuur, tevens zijn er geen geschikte invliegopening in de loodsen aanwezig wat toegang kan bieden tot nestlocaties voor laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, gewone- en ruige dwergvleermuis. Wegens het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw is het voor vleermuizen onmogelijk om in de loodsen een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. De loodsen zijn niet geschikt voor de gewone grootoorvleermuis omdat een open spantconstructie afwezig is en veel lichtverstoring aanwezig is in de loodsen.

Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De bebouwing op de planlocatie kan gebruikt worden als vlieg- en foerageerroute. Dit zullen geen essentiële routes zijn aangezien er in de directe omgeving alternatieven zijn en in de beoogde ontwikkeling zal de bebouwing terugkeren op de planlocatie. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast.

Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander (NDFF 2011-2021). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is deels verhard en het agrarische deel word intensief bewerkt. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 20112021).

Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.

7

Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, fuut, krakeend, meerkoet Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied.

De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Op de planlocatie zijn er meerdere locaties welke geschikt kunnen zijn voor nestlocaties van huismus. Dit is te concluderen doordat er meerdere openingen zijn waardoor huismussen onder daken en tussen muren kunnen komen. Daarnaast zijn er genoeg geschikte baltslocaties aanwezig op de planlocatie (figuur 3).

Figuur 3

Fotografische indruk van verscheidende geschikte nestlocaties van huismus.

De dichtstbijzijnde waarneming van de huismus is circa 50 m ten oosten van de loodsen. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan niet uitgesloten worden. De beoogde ontwikkeling leidt tot aantasting van de aanwezige groene delen en resulteert in afname van essentieel leefgebied. Er dient aanvullend onderzoek plaats te vinden om vast te stellen of de planlocatie een functie vervult als nestlocatie of essentieel leefgebied voor huismussen (zie Vervolgstappen).

8

De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Voor de gierzwaluwen zijn er geen invliegopeningen op een geschikte hoogte aanwezig in de te saneren bebouwing. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen, veren en braakballen, van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. De dichtstbijzijnde waarneming van de steenuil is 2 km ten zuidwesten van de planlocatie. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leef- en foerageergebied van uilen. De directe omgeving van de planlocatie biedt veel alternatieven van het foerageergebied. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van roofvogelsoorten. De directe omgeving van de planlocatie biedt alternatieven van het foerageergebied. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Het naastgelegen water wordt niet aangetast in de beoogde ontwikkelingen.

In 2018 is er een waarneming gedaan van een grote gele kwikstaart circa 35 m van de planlocatie. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Daarnaast worden de oeverranden van het wateroppervlakte in de directe omgeving niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. Tijdens het veldbezoek is er een nest van boerenzwaluw, merel en kauw gevonden. Het weghalen van de nesten van de boerenzwaluw en kauw heeft geen effect op de plaatselijke broedpopulatie. Er is geen sprake van ecologische zwaarwegende redenen. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.

Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

9

Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ (figuur 4).

Figuur 4

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,6 km tot het Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ (bron: Ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van circa 50 woningen/ appartementen. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wet nb art. 2.9a). Momenteel is de juridische houdbaarheid van deze partiële vrijstelling onzeker.

Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.

10

Gezien er een geringe afstand (1,6 km) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000gebieden. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer. Op een afstand van circa 385 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 5). Op een afstand van circa 150 m ligt Belangrijk weidevogelgebied (figuur 6). Op een afstand van circa 9,6 km ligt Groene buffer (figuur 7). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.

Figuur 5

Figuur 6

11

De planlocatie ligt op een afstand van circa 385 m tot het Natuurnetwerk Nederland

De planlocatie ligt op een afstand van circa 150 m tot het Belangrijk weidevogelgebied

Figuur 7

De planlocatie ligt op een afstand van circa 9,6 km van de groene buffer

Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. De coniferenhaag verbind geen andere groenstructuren met elkaar. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. Een Voortoets en/of ‘nee-Tenzij’ kan achterwege blijven. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2

Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Vogels (cat. 5)

Tabel 2

Artikel 3.1

Ja Nee

Nestlocaties

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

1,6 km

Stikstof

AERIUS

Natuurnetwerk Nederland

385 m

Geen

N.v.t.

Belangrijk weidevogelgebied

150 m

Geen

N.v.t.

Groene buffer

9,6 km

Geen

N.v.t.

Tabel 3

13

Nee Nee Nee Nee, vrijstelling Nee Nee Nee

Overzicht van beschermde Houtopstanden.

Houtopstanden

Aanwezig

Kap

Melding

Struiken

Ja

Nee

N.v.t.

Bomen

Ja

Ja

N.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismus (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De sloop van de huidige loodsen, de kap van de aanwezige coniferen en de realisatie van circa 50 woningen en/of appartementen aan de Ring 18a te Simonshaven is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • Voor de sloop van de loodsen dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie kan worden uitgevoerd middels het inspecteren van de dakruimte. Buiten het broedseizoen kan dit tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen oud nestmateriaal en recentelijk gebruikte nesten. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator. • Gezien het plangebied her ontwikkeld gaat worden is het aannemelijk dat hier graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden. Deze werkzaamheden kunnen makkelijk gecombineerd worden met het verwijderen van de Japanse duizendknoop en de bijbehorende wortels door deze af te graven en de grond af te voeren. Het afgraven dient zorgvuldig plaats te vinden, waarbij alle delen van de plant worden verwijderd.

Een effectieve methode is door vanuit het midden van de groeilocatie te beginnen met graven en in lagen naar buiten te werken tot geen worteldelen van de Japanse duizendknoop meer wordt aangetroffen. De afstand en diepte waar tot moet worden afgegraven is afhankelijk van de verspreiding en diepte van de wortels. Over het algemeen is afgraven in een straal van 4 meter tot de groeilocatie tot een diepte van 1 meter voldoende effectief. Na afloop van de werkzaamheden dient het gebruikte materiaal te worden gereinigd om verspreiding van plantendelen te voorkomen

14

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).

Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

15

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

16

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. B.C.E. Vleeshouwers Auteur

Blom Ecologie B.V., ing. M.A. Brinkbaumer Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

17

Bijlage 1 Fotografische impressie

18

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Ring 18a te Simonshaven en bestaat uit meerdere loodsen en een grasweide.

Figuur 2

De coniferen die gekapt worden in de beoogde ontwikkeling.

19

Figuur 3

De achterzijde van loods 2 en 3. Hier groeit Japanse duizendknoop.

Figuur 4

Het wateroppervlakte wat naast de planlocatie is gelegen en dat niet wordt aangetast in de beoogde ontwikkeling.

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

20

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).

21

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

22

Aanvullend onderzoek ecologie Ring 18a te Simonshaven Aanvullend onderzoek naar huismus in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon Status:

Definitief

Project:

2021-1103

Datum:

25 mei 2022

Samensteller:

ing. B.C.E. Vleeshouwers

Collegiale toets:

ing. M.A. Brinkbaumer

Opdrachtgever:

Herkon B.V.

Contactpersoon:

P.J. van Dijk

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Doel

4

1.3

Beschrijving plangebied

5

1.4

Voorgenomen werkzaamheden

5

1.5

Mogelijk aanwezige soorten

6

1.6

Kader Wet natuurbescherming

6

2 Methode onderzoek

7

2.1

Theoretisch kader

7

2.2

Praktische uitvoering

7

2.3

Materialen en aanvullende onderzoeksmethodes

7

2.4

Veldbezoeken

8

2.5

Specifieke omstandigheden

8

3 Resultaten

9

3.1

Huismus

9

3.2

Overige soorten

10

4 Conclusie

12

4.1

Huismus

12

4.2

Overige soorten

12

4.3

Samenvatting

12

4.4

Vervolgstappen

12

Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) 13

1 Inleiding 1.1

Aanleiding Aan de Ring 18a te Simonshaven zijn meerdere schuren gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande schuren te slopen (figuur 1.1). De planlocatie bestaat uit een bedrijfsperceel en agrarisch weide. Op het bedrijfsperceel zijn 3 loodsen gelegen die gesaneerd zullen worden in de beoogde ontwikkeling. Loods 1 is opgebouwd uit wandpanelen en dakpanelen. Loods 2 is opgebouwd uit enkelsteen muren en golfplaten dakbedekking. Loods 3 is opgebouwd uit betonnen muren met een golfplaten zadeldak. Het agrarische perceel bestaat uit een Engels raaigrasland (4).

Figuur 1.1

Het plangebied is gelegen te Ring 18a te Simonshaven.

Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van natuurwaarden beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) is een quickscan Wnb uitgevoerd naar de potentie van het plangebied en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde werkzaamheden (Vleeshouwers, 2021). Op basis van de quickscan Wnb kon de aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels (huismus) niet uitgesloten worden (zie tabel 1.1). Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Herkon b.v. heeft Blom Ecologie verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.

1.2

Doel In dit aanvullende ecologische onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Zijn huismus aanwezig in het onderzoeksgebied? • Op welke wijze maken vorengenoemde soorten gebruik van het onderzoeksgebied? Zijn in het onderzoeksgebied jaarrond beschermde nestlocaties of essentiële onderdelen van het leefgebied aanwezig? • Resulteert de voorgenomen ingreep in het beschadigen of wegnemen van jaarrond beschermde nestlocaties of essentiële onderdelen van het leefgebied? Is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de voorgenomen ingreep uitgevoerd kan worden?

4

1.3

Beschrijving plangebied Het plangebied betreft uit meerdere schuren te Ring 18a te Simonshaven (figuur 1.1). De planlocatie bestaat uit een bedrijfsperceel en agrarisch weide. Op het bedrijfsperceel zijn 3 loodsen gelegen die gesaneerd zullen worden in de beoogde ontwikkeling. Loods 1 is opgebouwd uit wandpanelen en dakpanelen. Loods 2 is opgebouwd uit enkelsteen muren en golfplaten dakbedekking. Loods 3 is opgebouwd uit betonnen muren met een golfplaten zadeldak. Het agrarische perceel bestaat uit een Engels raaigrasland (4). Er is een coniferenrij aanwezig die gekapt wordt in de beoogde ontwikkeling (figuur 1.2). Een uitgebreide beschrijving van het plangebied en de directe omgeving hiervan is te vinden in de quickscan Wnb (Vleeshouwers, 2021).

Figuur 1.2 De bebouwing in het plangebied betreft drie schuren. De cijfers corresponderen met de tekst.

1.4

Voorgenomen werkzaamheden Herkon b.v. is voornemens om de schuren in het plangebied te slopen ten behoeve van de realisatie van 50 wooneenheden. De ingreep zal indicatief op hoofdlijnen bestaan uit de volgende werkzaamheden: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

5

1.5

Mogelijk aanwezige soorten Uit de quickscan Wnb (Vleeshouwers, 2021) is gebleken dat binnen het plangebied mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties aanwezig zijn (tabel 1.1). Tabel 1.1

Overzicht van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten (Vleeshouwers, 2021).

Soortgroep

Onderzoek nodig

Bescherming Wnb

Ja

art. 3.1

Mogelijke functie plangebied

Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën, reptielen en vissen Insecten en ongewervelden Vogels (Cat. 1 t/m 4) huismus

Nestlocaties

Vogels (Algemeen en cat. 5)

1.6

Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van de Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen en nationaal beschermde soorten uiteen in drie verschillende beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). De bescherming van de huismus valt onder de Vogelrichtlijn. Binnen de Vogelrichtlijn wordt onderscheid gemaakt tussen soorten waarvan het leefgebied en de nestplaats jaarrond beschermd zijn en overige broedvogels waarvan de nestplaats en het leefgebied enkel beschermd zijn tijdens de broedperiode. Vleermuizen vallen onder de bescherming van de Habitatrichtlijn. Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden: Wnb, art. 3.1 (Vogelrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 4: Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Voorliggend onderzoek en rapportage zijn uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Per 1 juli 2022 zal de Omgevingswet in werking treden. Binnen de Omgevingswet blijven de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn onverminderd van kracht.

Uitvoeringskaders, termijnen en processen vinden binnen de Omgevingswet op andere wijze plaats. Implementatie en wijze van uitvoering zijn vooralsnog niet vastgesteld.

6

2 Methode onderzoek 2.1

Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor de huismus zijn deze richtlijnen vastgelegd in de Kennisdocumenten (BIJ12, 2017). De richtlijnen worden door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie. In tabel 2.1 wordt voor de huismus beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Voor de veldbezoeken wordt een minimale tussenliggende periode aangehouden voor een goede spreiding over de onderzoeksperiode, conform de relevante Kennisdocumenten. Tabel 2.1

Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van het aanvullend ecologisch onderzoek zoals geformuleerd in de relevante Kennisdocumenten.

Soort

Type

Periode

Huismus

Nest

1 april t/m 15 mei

Omschrijving Twee veldbezoeken, idealiter in de ochtend. Inventariseren van baltsende mannetjes, nestbezoeken en het gebruik van leefgebied.

2.2 Praktische uitvoering De praktische uitvoering valt uiteen in standaardprocedure tijdens elk veldbezoek, de reactieve onderzoekswijze die gehanteerd wordt en, indien van toepassing, de aanvullende onderzoeksmethodes. Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen het onderzoeksgebied wordt het aanvullende onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities het onderzoeksgebied (gevels/daken/dakranden met potentie) het meest efficiënt en strategisch kan worden onderzocht. De strategische punten, looproute en zichtlijnen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van obstructies, struiken/bomen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Tevens zijn deze afhankelijk van de te onderzoeken soortgroep. De personele inzet van ieder veldbezoek is afhankelijk van het type onderzoek, de ervaring van de waarnemers en de potentie van het plangebied. Alle veldwerkers van Blom Ecologie zijn bedreven en ervaren in onderzoeken in urbaan gebied. Het onderzoek is er niet op gericht om met volledige zekerheid alle mogelijke nesten en/of verblijfplaatsen te vinden of de aanwezigheid hiervan volledig uit te sluiten. Hiervoor zou een onderzoeksinspanning geleverd moeten worden die de onderzoeksprotocollen ver overstijgt.

Van de geleverde onderzoeksinspanning wordt beoordeeld dat deze voldoende is zoals dat redelijkerwijs van een initiatiefnemer gevraagd kan worden. Met het uitgevoerde onderzoek worden derhalve resultaten geleverd die een goed beeld bieden van de aantallen individuen en de actieve nesten en/of verblijfplaatsen op die momenten binnen het onderzoeksgebied.

2.3 Materialen en aanvullende onderzoeksmethodes Het huismusonderzoek is uitgevoerd met behulp van een verrekijker.

7

2.4 Veldbezoeken Het onderzoeksgebied is geïnventariseerd door ter zake deskundig ecologen van Blom Ecologie of externe ter zake deskundig ecologen onder verantwoordelijkheid van Blom Ecologie. De relevante omstandigheden ten tijde van de veldbezoeken zijn opgenomen in onderstaande tabel (tabel 2.2). Tabel 2.2

Uitgevoerde veldbezoeken gedurende het aanvullend onderzoek.

Veldbezoek

Functie

Huismus 1

Nest + leefgebied

Huismus 2

Nest + leefgebied

Aantal

Datum

Zon

Tijd

Weersomstandigheden

1

22-04-2022

06.32

07.00-09.00

0/8, droog, 2 Bft, 9˚C

1

07-05-2022

06.02

06.30-08. 40

7/8, droog, 1-2 Bft, 12˚C

pers.

2.5 Specifieke omstandigheden Tijdens de uitvoering van het onderzoek kan er sprake zijn van dusdanig omstandigheden dat er mogelijk een vertekend beeld optreedt van de verzamelde resultaten. Hiermee wordt niet bedoeld het gemotiveerd afwijken van uitgangspunten zoals geformuleerd in de Kennisdocumenten. Tijdens het onderzoek was er, voor zover de onderzoekers hebben kunnen nagaan, geen sprake van omstandigheden die mogelijk effect sorteren op de onderzoeksresultaten.

8

3 Resultaten 3.1

Huismus Per veldbezoek zijn er circa 10 huismussen waargenomen. Er zijn circa 10 individuen binnen het onderzoeksgebied waargenomen tijdens het aanvullend onderzoek. De hoogste concentratie waargenomen huismussen bevond zich in de coniferenhaag op de Ring 15 te Simonshaven. Gezien het aantal waarnemingen van huismussen circa 10 individuen betreft is er sprake van een kleine populatie in de directe omgeving van het onderzoeksgebied (klein < 10 paar, gemiddeld 10-25 paar, groot > 25 paar). Gedurende het onderzoek zijn vier nesten van de huismus vastgesteld. Van deze nesten bevonden zich er geen binnen het plangebied, de overige nesten zijn aangetroffen in de directe nabijheid van het plangebied. De exacte vindplaats van de huismusnesten zijn weergeven in tabel 3.1. In figuur 3.1 worden de aangetroffen nestlocaties weergeven. Ten gevolge van de beoogde ingreep worden er geen nestlocaties binnen het plangebied weggenomen. Het waargenomen functionele leefgebied van huismussen is verspreid aanwezig in de groenstructuren rondom de planlocatie. Op deze plaats zijn een afwisseling van stofplekken, inheems groen en enkele grote bomen, groenblijvende struiken en planten, water en voedsel aanwezig. Het functioneel leefgebied op de planlocatie bestaat uit enkele coniferen. Deze jaarrond groene bomen zijn geschikt leefgebied voor huismus.

In figuur 3.1 wordt weergeven welke delen van het onderzoeksgebied gebruikt kunnen worden door huismussen om te rusten, foerageren en als dekking tegen predatoren. De directe omgeving van de planlocatie bestaat uit verscheidende alternatieven die geschikt zijn als leefgebied voor huismus. Rondom de aangetroffen nesten buiten de planlocatie zijn groene achtertuinen en verschillende percelen met struiken en ruige vegetatie aanwezig. Het gedefinieerde leefgebied binnen de grenzen van de planlocatie is niet van essentieel belang voor het functioneren van nestlocaties van huismussen. In het kader van de beoogde ruimtelijke ingreep zal deze groenstructuur verwijderd worden. Tabel 3.1

Locaties van de aangetroffen huismusnesten.

Adres

Aantal nesten

Ring 15 Beverwijkstraat 10

Plangebied

Omschrijving

3

Buiten

Via dakvoet aan voorzijde

1

Buiten

Via dakvoet aan voorzijde

9

Figuur 3.1 Overzicht van de aangetroffen nestlocaties en leefgebied van huismussen binnen het onderzoeksgebied.

3.2 Overige soorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken waarnemingen van overige soorten gedaan. De volgende vogelsoorten zijn gedurende de veldbezoeken waargenomen: meerkoet en spreeuw. Deze waarnemingen bestaan met name uit overvliegende, rustende of foeragerende vogels. In enkele gevallen zijn nesten of verblijfplaatsen van deze soorten waargenomen. De vindplaats van deze nestlocaties wordt weergegeven in figuur 3.6. Nesten van algemene broedvogels zijn beschermd gedurende het broedseizoen. Het broedseizoen loopt indicatief van 15 maart t/m 15 juli. Werkzaamheden die mogelijk nesten van algemene broedvogels aantasten dienen uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen. In het plangebied is geen sprake van nesten van cat. 5 vogels die worden weggenomen. Gezien er sprake is van geen nesten, er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn, de soort in een gunstige staat van instandhouding verkeert, er vervangende voorzieningen worden gerealiseerd en/of er voldoende nestlocaties van de soort lokaal behouden blijven is er geen sprake van ecologisch zwaarwegende redenen van cat. 5 vogels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14214675/1