CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Ruimtelijk-economisch onderzoek

Gemeenteraad 14 september 2022, gemeente NissewaardBij agendapunt: Gewijzigd bestemmingsplan Korte Schenkeldijk, Spijkenisse12.261 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TUINCENTRUM KORTE SCHENKELDIJK SPIJKENISSE Ruimtelijk-economisch onderzoek 17 juni 2022

1/47

DATUM KENMERK

17 juni 2022 44002390_20201725JB

PROJECT PROJECTLEIDER

Korte Schenkelijk Spijkenisse ing. W.IJ. Groenen

OPDRACHTGEVER DCB Maaswijk VI B.V. PROJECTNUMMER 20201725 AUTEUR STATUS

2/47

Julia Breukelman Definitief

3/47

INHOUD 1.

2.

3.

4.

5.

6.

Hoofdstuk

6

1.1 1.2 1.3

6 7 7

Aanleiding Vraagstelling Leeswijzer

Toets beleidskader

8

2.1

Provinciaal 2.1.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (2020) 2.1.2 Programma ruimte Zuid-Holland (2019) 2.1.3 Omgevingsverordening Zuid-Holland (2019)

8 8 9 10

2.2

Regionaal 2.2.1 Agenda Detailhandel 2016-2021 (vastgesteld 2016) 2.2.2 Strategie Werklocaties 2019-2030

12 12 13

2.3

Gemeentelijk 2.3.1 Detailhandelsvisie Nissewaard (2016) 2.3.2 Nissewaard naar 2040 (2017)

13 13 14

2.4

Conclusie

17

Behoefte tuincentrum

18

3.1 3.2 3.3 3.4

Beschrijving van het beoogde tuincentrum concept Beschrijving relevant verzorgingsgebied Analyse aanbod ‘plant & dier’ en horeca gemeente Nissewaard Marktanalyse hoofdbranches plant & dier en horeca 3.4.1 Hoofdbranche ‘plant & dier’ 3.4.2 Hoofdbranche horeca 3.4.3 Conclusie en te verwachten ruimtelijke effecten

18 19 21 23 23 28 29

3.5

Conclusie

29

Behoefte sportschool

30

4.1 4.2 4.3

30 31 32

Beleid, trends en ontwikkelingen Aanbod en te verwachten effecten Conclusie

Locatieafweging

33

5.1 5.2 5.3 5.4

33 33 38 39

Uitgangspunten ruimtebehoefte beoogd tuincentrum Mogelijkheden voor inpassing / aansluiting bestaande winkelstructuur Spijkenisse Ruimtelijke onderbouwing locatie Korte Schenkeldijk 2 Spijkenisse Conclusie

Conclusie

Bijlage 1 Branche-indeling Locatus 4/47

40 41

5/47

1. HOOFDSTUK 1.1

Aanleiding

D.C. Berkel is voornemens om een nieuw tuincentrum en sportschool te realiseren aan de Korte Schenkeldijk 2 te Spijkenisse (figuur 1.1). Binnen het beoogde tuincentrum aan de Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse zijn de volgende functies te onderscheiden onder één dak: ● Tuincentrum: 3.153 m2 bvo. Uitgangspunt is dat circa 75% van het brutovloeroppervlak gebruikt wordt als winkelvloeroppervlak (wvo)1, dit komt neer op circa 2.365 m2. ● Sportschool: 1.500 m2 bvo, waarvan een fitness van 1.250 m2 bvo en een judoschool van 250 m2 bvo ● In de bestaande boerderij zijn verschillende functies mogelijk in een ruimt van maximaal 1.000 m2 bvo : horeca, een (medisch) kinderdagverblijf of een kantoor. Horeca is gemaximeerd op 500 m2 bvo. ● Totaal: 5.653 m2 bvo. De horecafunctie wordt gerealiseerd in het voorhuis van de boerderij die op de projectlocatie is gesitueerd. Het gaat om ondersteunende ‘lichte horeca’. Dit type horecabedrijven is in beginsel alleen overdag en ’s avonds geopend en verstrekt vooral etenswaren en maaltijden. Lichte horeca veroorzaakt daardoor slechts in beperkte mate hinder voor omwonenden.

Figuur 1.1 Beoogde locatie tuincentrum Spijkenisse (bron: luchtfoto Kadaster 2019) De beoogde ontwikkeling van een tuincentrum en sportschool is momenteel niet mogelijk op basis van de vigerende planologische regeling: Beheersverordening Maaswijkweg e.o. (2013). Rho adviseurs is gevraagd om de beoogde ontwikkeling te toetsen aan de ladder voor duurzame verstedelijking in verband met de haalbaarheid van het initiatief.

1 Wvo: het oppervlak van een (winkel)unit dat voor het publiek vrij toegankelijk is, dan wel zichtbaar is, inclusief de ruimten die direct met de

verkoop samenhangen. 6/47

1.2

Vraagstelling

LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING De ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6. lid 2 Besluit ruimtelijke ordening) is het ruimtelijke afwegingskader voor het al dan niet toevoegen van nieuwe stedelijke functies.

LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING De ladder voor duurzame verstedelijking (ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening). Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Of er sprake is van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de behoefte aan die ontwikkeling aangetoond worden. De behoefte wordt bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de detailhandelsontwikkeling. De voorkeursvolgorde van de ladder is dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen ‘bestaand stedelijk gebied’ worden gerealiseerd. De eerste vraag is of de beoogde ontwikkeling van een tuincentrum (met horeca) en sportschool kan worden aangemerkt als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. In de Beheersverordening Maaswijkweg e.o. (2013) is de locatie Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse bestemd voor maatschappelijke doeleinden. Naast een functiewijziging neemt ook het ruimtebeslag toe met de ontwikkeling van een tuincentrum.

De ontwikkeling van een tuincentrum, 3.153 m2 bvo, de sportschool van 1.500 m2 bvo, en de overige functies van maximaal 1.000 m2 bvo wordt dan ook aangemerkt als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ en zal getoetst moeten worden aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

1.3

Leeswijzer

In de onderbouwing komen de volgende aspecten aan bod. ● Toets aan de vigerende beleidskaders ten aanzien van detailhandelslocaties en sport (hoofdstuk 2); ● Onderbouwing van de behoefte aan het tuincentrum, inclusief horeca (hoofdstuk 3); ● Onderbouwing van de behoefte aan de overige functies: sportschool, kinderdagverblijf en kantoor (hoofdstuk 4); ● Onderbouwing van de locatiekeuze van de ontwikkeling (hoofdstuk 5). Tot slot zijn in hoofdstuk 6 de belangrijkste conclusies opgenomen.

7/47

2. TOETS BELEIDSKADER In dit hoofdstuk is de beoogde ontwikkeling van een tuincentrum op de locatie Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse getoetst aan de vigerende provinciale -, regionale en gemeentelijke beleid ten aanzien van detailhandel.

2.1

Provinciaal

Het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland bestaat uit de Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening. 2.1.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (2020) Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De Omgevingsvisie Zuid-Holland bevat de volgende relevante passage voor de beoogde ontwikkeling van het tuincentrum: Nieuwe detailhandelsontwikkelingen concentreren binnen de centra van dorpen en steden.

Uitzondering hierop zijn goederen van een aard en omvang die fysiek niet in te passen zijn in centra. De provincie wil detailhandel concentreren om te zorgen voor levendige en krachtige stads- en dorpscentra en werklocaties die de vitaliteit en de kracht van het bedrijfsleven versterken. Daarbij wil de provincie slim omgaan met ruimte en leegstand en overaanbod beperken. Er zijn in Zuid-Holland grofweg drie typen winkelcentra te onderscheiden: ● de grote centra, ● de middelgrote centra; ● en de overige centra. De grote centra hebben over het algemeen voldoende massa en bieden naast detailhandel een breder aanbod aan publieksvoorzieningen die er samen voor zorgen dat deze centra ook voor de aankoop van niet-dagelijkse artikelen veelal worden bezocht. Dit geldt in mindere mate voor de middelgrote centra die over het algemeen een minder grote regionale rol (zijn gaan) vervullen. De overige centra hebben vooral op lokaal niveau een verzorgende functie waarin het dagelijks aanbod een belangrijke positie inneemt. Het generieke beeld in het functioneren van de verschillende type centra is doorvertaald in een ontwikkelingsperspectief voor de provinciale detailhandelsstructuur. Deze bestaat uit drie categorieën: ‘te versterken centra’, ‘te optimaliseren centra’ en de ‘overige centra’. Deze driedeling maakt het ‘level playing field’ herkenbaar.

Hierdoor wordt duidelijk en inzichtelijk welke positie een centrum heeft in de provinciale detailhandelsstructuur en worden onze keuzes voor ontwikkelingsmogelijkheden (investeringen, ruimtelijke toevoegingen en herstructureringen/transformaties) daarbinnen helder. Ruimtelijke ontwikkelingen die met nieuwe detailhandel gepaard gaan, worden in de toelichting op het bestemmingsplan onderbouwd via de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast moet inzicht gegeven worden in de eventuele toename van de leegstand en de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit in het verzorgingsgebied, alsmede eventuele mogelijkheden voor saldering. 8/47

In de visie is aangegeven dat nieuwe detailhandel primair binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie moet worden gerealiseerd. Voor (ontwerp)bestemmingsplannen die nieuwe detailhandel groter dan 2.000 m² bruto vloeroppervlak binnen de centra mogelijk maken, moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig worden aangetast. Het gaat daarbij onder meer om het voorkomen van onaanvaardbare leegstand. Met het oog hierop is advies nodig van de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland en wordt zo nodig een distributieplanologisch onderzoek (DPO) uitgevoerd. Voor de binnensteden van Rotterdam en Den Haag ligt de grens voor het aanvragen van advies bij de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland vanwege eerdergenoemde redenen op 4.000 m2 bvo. Vanwege de mogelijke bovenlokale ruimtelijke effecten van grootschalige detailhandelsontwikkelingen, vindt de provincie het van belang dat nieuwe grootschalige ontwikkelingen in regionaal verband worden afgestemd. Indien een ontwikkeling bovengemeentelijke effecten met zich meebrengt, beoordeelt de provincie de toelichting op het bestemmingsplan waarin de uitkomsten van deze regionale afstemming zijn opgenomen. Tuincentra en bouwmarkten kunnen op bedrijventerreinen gehuisvest worden.

Bij nieuwe ontwikkelingen groter dan 1.000 m2 geldt dat moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast. Het gaat daarbij onder andere om het voorkomen van onaanvaardbare leegstand. Hiervoor gelden vrijwel dezelfde voorwaarden voor onderzoek en advies als bij nieuwe detailhandel in centra.

TOETSING EN CONCLUSIE Gezien het bovenstaande beleid betreffende de concentratie van detailhandel maakt het tuincentrum onderdeel uit van de uitzonderingsregel. Een tuincentrum is, met de goederen die het verkoopt, qua aard en omvang fysiek niet in te passen in de bestaande centra. De Omgevingsvisie verwijst voor deze uitzonderingsregel naar de Omgevingsverordening. Omdat de ontwikkeling groter is dan 1.000 m2 bvo moet aangetoond worden dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangepast. Daarbij moet advies worden ingewonnen bij de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland met een DPO. De DPO-onderbouwing is opgenomen in hoofdstuk 3 van dit onderzoek. Daarnaast ligt het plangebied binnen het ‘bestaand stads- en dorpsgebied 2018’ zoals weergegeven in de verbeelding van de omgevingsvisie. Met de ontwikkeling wordt dus aangesloten bij de ambitie van de provincie van het benutten van de bebouwde omgeving. 2.1.2 Omgevingsprogramma Zuid-Holland (2022) In het Omgevingsprogrammais een nadere invulling en operationalisering van de Omgevingsvisie. Ten aanzien van detailhandel is het beleid van de provincie gericht op het concentreren en bundelen van nieuwe detailhandel in de centra van wijken, dorpen en steden. Het functioneren van de detailhandelsstructuur staat op onderdelen onder druk.

Er zijn echter ook locaties en gebieden waar de detailhandel op dit moment goed functioneert en kansen bestaan voor versterking. De provincie heeft inzicht gegeven in de ontwikkelingsmogelijkheden voor de detailhandel in Zuid-Holland, door een berekening te maken die dit indicatief in beeld brengt. Onderstaande tabel laat de kwantitatieve ontwikkelingsmogelijkheden (exclusief huidige leegstand) tot 2025 op subregionale schaal zien. Het betreft modelmatige marktruimteberekeningen op basis van een aantal traceerbare cijfers/bronnen (huidige aanbod, vraag, koopstromen, omzetcijfers, marktaandeel online) en modelmatige aannames voor de toekomst (bevolkingsprognose, marktaandeel online,). Het model houdt bewust geen rekening met beleidsmatige ambities, keuzes of ingrepen (beleidsneutraal).

9/47

Tabel 2.1 Kwantitatieve ontwikkelingsmogelijkheden op subregionale schaal tot 2025 in winkelvloeroppervlak (wvo)

De niet-dagelijkse sector (mode & luxe, vrije tijd, in en om het huis, overig) laat een wisselend beeld zien, zowel tussen regio’s als productgroepen. In totaal is er nu voor uitvoering van plannen een beperkte uitbreidingsruimte van 24.750 m2 wvo op provinciale schaal. Het overaanbod uit 2016 is daarmee overgegaan in een uitbreidingsruimte. Het gegeven dat momenteel in sommige regio’s voor sommige branche ontwikkelingsruimte aanwezig is, wil niet wil zeggen dat het locatiebeleid voor detailhandel niet van toepassing is. Toevoeging van detailhandel dient plaats te vinden op de juiste plek, in beginsel in de centra zodat er synergievoordelen behaald kunnen worden door geclusterd aanbod om deze gebieden en de kernen te versterken. Tot slot is in het Omgevingsprogramma nog een overzicht opgenomen van de winkelgebieden in de provincie. Uit het overzicht blijkt dat het Kolkplein in Spijkenisse wordt aangemerkt als PDV-winkelgebied.

TOETSING EN CONCLUSIE In het Programma ruimte is beschreven dat tuincentra buiten de reguliere detailhandelsstructuur mogelijk zijn. Voor de hoofdbranche ‘in en om huis’ (waar een tuincentrum onder valt) is er in de regio Rotterdam marktruimte. Opgemerkt wordt dat dit per marktgebied sterk kan verschillen. Daarom is in hoofdstuk 3 een marktruimteberekening gemaakt voor de specifieke hoofdbranche plant & dier in de verzorgingsgebied van de gemeente Nissewaard. 2.1.3 Omgevingsverordening Zuid-Holland (2022) De Omgevingsverordening Zuid-Holland bevat de volgende relevante onderdelen voor de beoogde ontwikkeling van het tuincentrum en sportschool.

STEDELIJKE ONTWIKKELING In artikel 6.10 ‘Stedelijke ontwikkelingen’ wordt gerefereerd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ont-

10/47

wikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. In artikel 3.1.6 van het Bro is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaan stedelijk gebied, bevat de toelichting tevens een motivering waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

DETAILHANDEL Het provinciale detailhandelsbeleid is er enerzijds op gericht om de ruimtelijke detailhandelsstructuur zoveel als mogelijk te versterken en de beschikbaarheid en bereikbaarheid van detailhandelsvoorzieningen te garanderen. Anderzijds wordt de dynamiek in de detailhandel bevorderd vanwege het grote economische belang van deze sector. In artikel 6.10 van de omgevingsverordening is beschreven dat detailhandel gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling en dus getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet een nieuwe stedelijke ontwikkeling plaatsvinden binnen de bestaande (aangewezen) winkelgebieden. Voor verschillende branches wordt er een uitzondering gemaakt en kan de ontwikkeling ook buiten de centra plaatsvinden. Bouwmarkten en tuincentra behoren ook tot deze uitzonderingsregel. Hierbij is in de verordening de volgende toelichting opgenomen: “Bouwmarkten en tuincentra zijn al van oudsher in de periferie gevestigd. Het gaat om een vorm van detailhandel waarbij de verkoop van goederen die in overwegende mate volumineus zijn wordt gecombineerd met een breed assortiment. Ook de aard van de goederen is een reden voor vestiging in de periferie, bij tuincentra bijvoorbeeld de – deels seizoensgebonden - verkoop van planten in de openlucht en in kassen (soms gecombineerd met kweek en verzorging).

In de loop der jaren is het assortiment steeds verder verbreed. Een passende bestemming en handhaving hiervan kan nodig zijn om branchevervaging te voorkomen. In de begripsbepalingen zijn de begrippen “tuincentrum” en “bouwmarkt” gedefinieerd.” Gezien de bovenstaande toelichting en het genoemde in Artikel 6.13, lid 3 onder a, kunnen tuincentra ook buiten het bestaande winkelgebied gevestigd worden. Als aanvulling hierop wordt ook detailhandel in volumineuze goederen beschreven in de uitzonderingsregel. De verordening beschrijft dat het in dat geval gaat om detailhandel die niet essentieel is voor de kwaliteit van de centra, mede gelet op het specifieke karakter van de goederen. Daarnaast is het fysiek moeilijk inpasbaar in een centrum.

De provincie hanteert hierbij de volgende definitie van een tuincentrum (bijlage 1): “Tuincentrum: detailhandelsvestiging waarvan het hoofdassortiment bestaat uit boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, bloemen, attributen voor de inrichting en het onderhoud van tuinen, balkons en terrassen waaronder tuinmeubilair, alsmede de daarbij benodigde hulpmaterialen.” Verder blijkt uit Artikel 6.13 lid 5 dat een bestemmingsplan dat voorziet in een tuincentrum de volgende voorwaarden stelt aan de nevenassortimenten: ten hoogste 20% van het netto verkoopvloeroppervlak wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt, en; het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment.

KANTOREN In artikel 6.11 zijn regels opgenomen ten aanzien van kantoren. In principe zijn kantoren enkel toegestaan op aangewezen locaties: binnen grootstedelijke top- en centrumlocaties, ov-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, en overige bijzondere locaties. Dit is niet van toepassing op (lid 2): a) Kantoren die in overeenstemming zijn met een actuele regionale visie die is aanvaard door gedeputeerde staten; b) Kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m2 per vestiging; 11/47

c) d) e)

Kantoren met een lokaal verzorgingsgebied; Bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf, en; Functiegebonden kantoren bij een luchthaven, haven of een veiling.

TOETSING EN CONCLUSIE De ontwikkeling van het beoogde tuincentrum en overige functies in Spijkenisse voldoet op hoofdlijnen aan het provinciale beleid ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen. Het plangebied ligt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en sluit dus aan bij het beleid van concentratie in het bestaand stads- en dorpsgebied. Ook wordt aangesloten bij het beleid ten aanzien van detailhandelslocaties. Een tuincentrum is onderdeel van de uitzonderingsregel in artikel 6.13, lid 3 onder a, waardoor de beoogde locatie aan de Korte Schenkeldijk in Spijkenisse geschikt wordt geacht. Ook wordt voldaan aan artikel 6.11. Er wordt enkel een kleinschalig zelfstandig kantoor mogelijk gemaakt van maximaal 1.000 m2 bvo. De Omgevingsverordening doet geen uitspraken doet over horeca. In hoofdstuk 3 en 4 wordt de behoefte onderbouwd in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking waar ook in de Omgevingsverordening naar verwezen wordt.

2.2

Regionaal

Agenda Detailhandel 2016-2021 (vastgesteld 2016) De Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) en haar voorgangers kennen een jarenlange traditie van een consistent en restrictief detailhandelsbeleid. Dit heeft geleid tot een winkelstructuur die tegen een stootje kan en waar nog kansen liggen. 2.2.1

De strategische opdrachten die betrekking hebben op detailhandel zijn de volgende: a) Metropoolvorming: meer agglomeratiekracht met behoud van de voordelen van de meerkernige stedelijke structuur. Aandacht voor het realiseren van de juiste hoeveelheid en kwaliteit (ha, m2) vestigingsmogelijkheden op de juiste plaats – geredeneerd vanuit de vestigingseisen van bedrijven – op de schaal van de MRDH als geheel. b) Aantrekkelijke metropoolregio: een hoogwaardiger voorzieningenaanbod. Aandacht voor leisure, grootschalige detailhandel/funshoppen e.d. en voor behoud van een voldoende aantrekkelijk voorzieningenniveau in kleinere kernen. De regio sluit op hoofdlijnen aan bij het beleidskader van de provincie: a) Concentratie en clustering van detailhandel in de centra van steden, dorpen en wijken. Reduceren van winkelvloeroppervlak. Buiten de centra kan alleen ruimte worden geboden aan detailhandel die vanwege de aard en of de omvang van de goederen in ruimtelijke zin niet of niet goed inpasbaar is in de centra en die niet essentieel is voor de kwaliteit van centra. Het aantal PDV-locaties (woondetailhandel) terugbrengen. Bij grootschalige initiatieven (meer dan 1.000 m2 bvo buiten de centra) moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangepast.

Met het oog hierop is advies nodig van de Adviescommissie Detailhandel en wordt zo nodig een distributieplanologisch onderzoek (DPO) uitgevoerd. Toepassen SER-ladder/ladder voor duurzame verstedelijking. Voor tuincentra en bouwmarkten geldt dat gelet op de kenmerken van dit aanbod vestiging buiten de aangewezen gebieden bespreekbaar is. Wanneer sprake is van ontwikkelingen op één bedrijventerrein, dan is vanuit ruimtelijk ordeningsperspectief (efficiënt ruimtegebruik) het clusteren van bouwmarkten en tuincentra en aansluiting bij andere voorzieningen wel uitgangspunt. De afwegingen voor het al dan niet toestaan van nieuwvestiging van een tuincentrum of bouwmarkt is gericht op de consumentenverzorging in het verzorgingsgebied.

TOETSING EN CONCLUSIE Met het regionale beleid wordt aangesloten bij het provinciale beleidskader dat is gericht op clustering van detailhandel binnen de aangewezen winkelgebieden. Buiten de centra kan alleen ruimte worden geboden aan detailhandel die qua aard en omvang van de goederen in ruimtelijke zin niet of niet goed inpasbaar is in de centra. Voor het beoogde tuincentrum in 12/47

Spijkenisse is dit nader onderbouwd in hoofdstuk 3. In dit hoofdstuk is tevens een actueel dpo opgenomen en is de ontwikkeling getoetst aan de ladder. 2.2.2 Strategie Werklocaties 2019-2030 De Strategie Werklocaties 2019-2030 bevat de visie tot 2030 en de regionale afspraken tot 2023 over de werklocaties in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). Hiermee versterken de 23 regiogemeenten, waaronder gemeente Nissewaard, het regionaal economisch vestigingsklimaat. De MRDH is een samenwerkingsverband waar concrete ruimtelijk-economische vraagstukken worden geagendeerd. Die rol is ook het uitgangspunt van deze strategie. Regionale afstemming is ook een vereiste vanuit de provincie Zuid-Holland bij wijzigingen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Deze strategie is geen blauwdruk van de regio. Het is een samenhangende visie op de ontwikkeling van werklocaties vanuit de bestaande situatie, en richting de gewenste ramingen tot 2030. Met deze strategie bepalen MRDH en regiogemeenten de juiste acties voor de huidige bestuursperiode. Het regionale detailhandelsbeleid stuurt op het versterken van de hoofdcentra en het optimaliseren van middelgrote centra, waardoor inwoners ook in de toekomst terecht kunnen in aantrekkelijke en economisch gezonde winkelgebieden.

In de Strategie Detailhandel 2030 is het centrum van Spijkenisse aangewezen als te optimaliseren centrum én prioritaire locatie. De prioritaire locatie betreft het Kolkplein in Spijkenisse. Dit is een middelgrote perifere detailhandelslocatie. De regionale verzorgingsfunctie van dit soort locaties staat onder druk. In samenwerking met de provincie Zuid-Holland wordt voor dit soort locaties gewerkt aan de herontwikkeling, samenvoeging of transformatie van dit soort locaties. Naast het gebruikelijke afwegingskader van de ladder voor duurzame verstedelijking is er een regionaal afwegingskader om de toevoeging van plancapaciteit te kunnen toetsen. De MRDH faciliteert regionale afstemming bij plannen voor uitbreidingen van winkelgebieden met meer dan 2.000 m2 in bestaande winkelgebieden of meer dan 1.000 m2 in de periferie. Daarbij wordt getoetst of de hoofdstructuur wordt behouden en in hoeverre het plan onaanvaardbaar bijdraagt aan leegstand. Nieuwe ontwikkelingen mogen er niet toe leiden dat de bestaande perspectiefrijke winkelgebieden op den duur niet meer levensvatbaar zijn. Vernieuwende of complementaire concepten die niet in de bestaande winkelgebieden kunnen worden gevestigd, of tuincentra en bouwmarkten kunnen afhankelijk van de lokale situatie solitair worden gevestigd.

TOETSING EN CONCLUSIE De ontwikkeling van een tuincentrum aan de Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse is mogelijk op basis van de Strategie Werklocaties 2019-2030. Een tuincentrum kan solitair gevestigd worden. Er moet echter wel worden aangetoond dat: ● het initiatief niet in – of aangrenzend aan een bestaand winkelgebied gerealiseerd kan worden; ● het initiatief geen blijvende negatieve effecten heeft op de bestaande detailhandelsstructuur. De effecten zijn nader onderzocht in hoofdstuk 3. De locatieafweging is opgenomen in hoofdstuk 5. Tot slot wordt geconcludeerd dat het initiatief regionaal moet worden afgestemd met de MRDH vanwege de omvang (groter dan 1.000 m2).

2.3

Gemeentelijk

2.3.1 Detailhandelsvisie Nissewaard (2016) De detailhandelsvisie Nissewaard richt zich vooral op het versterken van de bestaande winkelstructuur. In de visie hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten: ● streven naar een duurzame en toekomstbestendige winkelstructuur; ● geen nieuwe winkellocaties, tenzij ze van aantoonbare toegevoegde waarde zijn met een nieuw onderscheidend (regionaal) concept; ● perspectiefarme winkelgebieden moeten worden omgezet naar een andere functie en de invulling hiervan moet worden gezocht; ● perspectiefrijke winkelgebieden moeten worden geoptimaliseerd.

13/47

De gemeente Nissewaard heeft hierbij 12 beleidsuitgangspunten vastgesteld. Hiervan zijn de volgende uitgangspunten van belang voor de beoogde ontwikkeling van een tuincentrum: ● het juiste aanbod op de juiste plaats: balans tussen type winkelgebied (verzorgingscategorie) en winkelaanbod, afgestemd op de verzorgingsreikwijdte (centrum, wijk, kern, lokaal, regionaal, bovenregionaal); aanbod moet aansluiten bij consumentengedrag en verwachtingspatroon (complementariteit en samenhang). ● toevoegen van nieuwe winkelmeters is uitsluitend geoorloofd onder voorwaarde van sanering van ongewenst (in omvang gelijk) aanbod en van aantoonbare toegevoegde waarde met een nieuw onderscheidend (regionaal) concept. Op basis van de berekening van de distributieve ruimte geldt voor de niet-dagelijkse artikelensector: Zonder onderscheid naar type winkelgebieden en branchering met bijbehorende vloerproductiviteit is de totale niet-dagelijkse artikelensector qua vraag en aanbod nagenoeg in evenwicht. Voor het stadscentrum blijven de koopstromen echter achter en daarmee is er een overcapaciteit van fysieke retail. De Meerjarenvisie Stadscentrum Spijkenisse is erop gericht de koopstromen (en daarmee de omzetten) op normniveau te brengen.

In de kernen is het aanbod en het economisch functioneren van de niet-dagelijkse sector gelet op het schaalniveau en de verspreide ligging ten opzichte van elkaar in zijn algemeenheid afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden. Voor de kernen in Nissewaard geld dat deze voor de niet-dagelijkse artikelensector sterk gericht zijn op het stadscentrum van Spijkenisse, Hellevoetsluis en Rotterdam (Koopstromenonderzoek Randstad 2011). Retailontwikkelingen zoals online winkelen vergroten de opgave van krimp van fysieke winkelruimte. Voor de niet-dagelijkse sector heeft de gemeente Nissewaard een aantal specifieke uitgangspunten opgesteld: a) ontwikkeling van nieuwe winkelmeters is ongewenst (geen marktruimte). Eventuele reserveringen hiervoor in ruimtelijke plannen dienen in het belang van een evenwichtige winkelstructuur te worden heroverwogen; b) de transformatieopgave overheerst vanwege het ontbreken van distributieve ruimte en structuurbepalende veranderingen in het winkellandschap.

Voor de transformatieopgave gelden geen actieve saneringsmiddelen, eventuele initiatieven tot functiewijziging worden ondersteund, onder intrekking van de winkelfunctie; c) het stadscentrum is de primair aangewezen vestigingslocatie en legt beperkingen op aan uitbreiding van winkelaanbod niet-dagelijkse artikelen in alle andere winkelgebieden; d) uitbreiding van niet-dagelijks aanbod, anders dan in het stadscentrum is ongewenst, tenzij van aantoonbaar toevoegde waarde en met een onderscheidend nieuw concept; e) voor de woonboulevard wordt onder stringente voorwaarden rek geboden aan echt volumineuze detailhandel, die past in het profiel home and living en de verzorgingspositie van andere centra niet aantast. Bij deze uitgangspunten moet in acht genomen worden dat de detailhandelsvisie het karakter heeft van een vraaggericht beleidsdocument. Het anticipeert optimaal op de signalen vanuit de markt. De gemeente Nissewaard heeft niet de intentie om zoals het in de visie beschrijft “alles dicht te regelen”.

TOETSING EN CONCLUSIE In de detailhandelsvisie noemt de gemeente Nissewaard dat uitbreiding van het niet-dagelijks aanbod in het algemeen, anders dan in het stadscentrum, ongewenst is, tenzij er aangetoond kan worden dat er sprake is van een toegevoegde waarde met een onderscheidend nieuw concept. Het beoogde tuincentrum concept en de marktruimte binnen de branche ‘plant & dier’ is nader onderzocht in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 5 is tevens onderzocht of het tuincentrum binnen de reguliere winkelstructuur kan worden ingepast. 2.3.2 Nissewaard naar 2040 (2017) Nissewaard heeft te maken met een aantal vraagstukken van sociaaleconomische, maatschappelijke en ruimtelijke aard. Voor nieuwe verstedelijking ligt een sterke basis in de bestaande structuur. Dit biedt verschillende mogelijkheden, zoals de

14/47

grote woningbouwopgave in heel Zuid-Holland die voor een deel in de voormalige groeikern Spijkenisse kan worden opgelost. Om de genoemde opgaven het hoofd te bieden is dit ontwikkelperspectief opgesteld, in nauwe afstemming met de provincie, waarin voor de korte en lange termijn een visie en kansen worden geformuleerd voor een aantrekkelijke, vitale, toekomstbestendige woon- en werkgemeente in 2040. De hoofdboodschap van het ontwikkelperspectief is dat de oorspronkelijke monofunctionele kracht van Spijkenisse (wonen) multifunctioneler moet worden. Er is focus op: ● verzilveren van kansen die er liggen; ● werkgelegenheid en ondernemerschap; ● verbinden van onderwijs met arbeidsmarkt; ● een actieve rol spelen in haventransitie; ● een kwaliteitsimpuls voor het landschap in relatie tot recreatie en toerisme en zorg en revalidatie. Waaronder het benutten van ruimte in en om Spijkenisse Medisch Centrum; ● behouden en aantrekken van jongeren, evenwichtige bevolkingsopbouw; ● aantrekkelijk (uitgaans-)centrum. Daarbij wordt er voortgebouwd op het raamwerk van de stad (figuur 2.1): ● hoofdwegennet met de centrumring als belangrijke kern; ● het lightrailnetwerk en de drie stations; ● het groenblauwe netwerk van fietspaden, vaarwegen en het omringende landschap.

Figuur 2.1 Raamwerk van Spijkenisse (projectlocatie met blauw aangegeven; bron: Gemeente Nissewaard, 2017) Het gemeentelijke visiedocument van Nissewaard is opgebouwd uit vier principes (figuur 2.2): ● bouw meer verschillende woningtypes in Spijkenisse; ● verbeter de bereikbaarheid; ● zorg voor meer en gevarieerde werkgelegenheid; ● benut het groen in de Bernisse.

15/47

Figuur 2.2 Kansenkaart verrassend, veelzijdig, veerkrachtig, vitaal en verbindend Nissewaard (projectlocatie met oranje aangegeven; bron: Gemeente Nissewaard, 2017)

Voor het centrumgebied wordt gestreefd naar het clusteren van winkels, transformeren van leegstand en een vitaal en leefbaar gebied (figuur 2.3).

Figuur 2.3 Kansenkaart centrum Spijkenisse (bron: Gemeente Nissewaard, 2017)

TOETSING EN CONCLUSIE De visie voor Nissewaard bevat het ontwikkelingsperspectief voor de komende jaren. Voor het centrumgebied wordt gewerkt aan de ruimtelijke concentratie van detailhandel en de transformatie van leegstand. Uit het beleidsdocument kan worden afgeleid dat de Korte Schenkeldijk 2 een strategische ligging heeft. De projectlocatie Korte Schenkeldijk 2 ligt direct 16/47

aan de Maaswijkweg, welke behoort tot het hoofdwegennet. Daarnaast ingezet op een groenblauw netwerk van fietspaden en een kwaliteitsimpuls voor het landschap in dit gebied. Al deze ambities kunnen worden gerealiseerd met de ontwikkeling van het tuincentrum waarbij aandacht is voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing.

2.4

Conclusie

Uit de toetsing aan het provinciaal – en regionaal detailhandelsbeleid blijkt dat een tuincentrum behoort tot de uitzonderingen van detailhandel die buiten de reguliere winkelgebieden zijn toegestaan. Een tuincentrum past qua aard en omvang niet in het centrum en mag zich daardoor buiten de bestaande winkelcentra vestigen. Aangetoond moet worden dat het planinitiatief geen structuurverstorende effecten heeft op de gewenste detailhandelsstructuur en dat het gaat om een bijzonder concept. Verder moet de ontwikkeling regionaal worden afgestemd, vanwege de omvang van meer dan 1.000 m2. Het concept en de effecten zijn onderbouwd in hoofdstuk 3 met o.a. een distributieve marktanalyse voor de hoofdbranche ‘plant & dier’ met de meest actuele bronnen en kencijfers. In hoofdstuk 4 is daarnaast de behoefte aan de sportschool in beeld gebracht. Ook moet aangetoond worden, conform het regionale beleid, dat een ontwikkeling niet binnen of aangrenzend op de reguliere winkelstructuur kan worden ingepast. Dit is nader onderzocht in hoofdstuk 5. Tot slot wordt op basis van de gemeentelijke structuurvisie geconcludeerd dat de locatie Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse een strategische ontwikkellocatie is. De locatie maakt onderdeel uit van het hoofdwegennet van Spijkenisse en ligt aan de gewenste recreatieve verbindingsroutes.

17/47

3. BEHOEFTE TUINCENTRUM In dit hoofdstuk is de behoefte aan het tuincentrum aan de Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse nader onderbouwd. Hierin komen de volgende zaken aan bod: ● beschrijving van het beoogde tuincentrum concept; ● beschrijving van het relevante verzorgingsgebied; ● analyse van de hoofdbranche ‘plant & dier’ in Nissewaard; ● een actuele marktanalyse voor de branches ‘plant & dier’ en ‘horeca’.

3.1

Beschrijving van het beoogde tuincentrum concept

Zoals in de inleiding beschreven wordt uitgegaan van een tweetal functies onder één dak van het tuincentrum (figuur 3.1): ● Tuincentrum: circa 2.365 m2 wvo. ● Horeca: maximaal 375 m2 wvo (75% van 500 m2 bvo). ● Totaal: 2.740 m2 wvo. Daarnaast zal op de eerste verdieping een sportschool worden gerealiseerd. De behoefte aan de sportschool wordt in hoofdstuk 4 onderbouwd.

Figuur 3.1 Verbeelding ontwikkeling tuincentrum Spijkenisse (bron: BIAS architecten, 2020) De functies zijn herkenbaar voor een modern tuincentrum. Onderscheidend element is dat het concept niet wordt geëxploiteerd door één ondernemer/formule, maar door twee afzonderlijke ondernemers. De functies zijn onderling wel verbonden in het tuincentrum. Het concept biedt een aantal voordelen: ● door de ruimtelijke concentratie onder één dak ervaart de consument het concept als één modern tuincentrum; ● door te werken met twee ondernemers kan ieder zich richten op zijn eigen specialisatie, waardoor de kwaliteit van het tuincentrum als geheel beter is dan gemiddeld; 18/47

● ●

naast de eigen specialisatie kan worden ingezet op samenwerking, waardoor nog beter op de (gezamenlijke) doelgroep kan worden ingespeeld, door bijvoorbeeld assortimenten aan te bieden (combinatiedeals detailhandel/horeca); de kans op leegstand is kleiner. Mocht één ondernemer vertrekken dan kunnen de andere ondernemers de activiteiten voortzetten. De aantrekkingskracht op een nieuwe ondernemer is daarbij ook groter als deze kan mee profiteren van het totaalconcept.

Voor het tuincentrum wordt aangesloten bij de definitie zoals opgenomen in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Dat betekent dat het hoofdassortiment bestaat uit boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, bloemen, attributen voor de inrichting en het onderhoud van tuinen, balkons en terrassen waaronder tuinmeubilair, alsmede de daarbij benodigde hulpmaterialen. Naast het tuincentrum is maximaal 500 m2 bvo aan horeca voorzien. Hiervoor wordt de bestaande bebouwing (voormalige boerderij) op het perceel benut. Het gaat om ‘lichte’ horeca. Dit is horeca die in beginsel alleen overdag en ’s avonds is geopend ten behoeve van de verstrekking van etenswaren en maaltijden. Dit type horeca geeft beperkt hinder voor omwonenden. Voorbeelden van dit type horeca zijn broodjeszaken, cafetaria, koffiebar, lunchroom, snackbar, restaurant, tearoom etc. Vrijwel ieder modern tuincentrum beschikt over een horecagelegenheid. Op de specifieke locatie is de doelgroep drieledig: ● Bezoekers van het tuincentrum. De bezoekers van het tuincentrum beschikken over de mogelijkheid om tijdens het bezoek gebruik te maken van de horecagelegenheid. Hiermee wordt de bezoekduur van de consument verlengd. Een hogere verblijfstijd leidt tot hogere bestedingen. ● Bezoekers vanuit de recreatieve verbindingsroute: fietsknooppunt 20.

De combinatie van het tuincentrum en horeca met een terras zorgt voor een hoger bezoekpotentieel. Fietsknooppunt 20 is een start- en eindpunt van verschillende fietsroutes en sluit aan op de beleidsmatig gewenste versterking van dergelijke recreatieve fietsroutes (zie beleid hoofdstuk 2). Een voorbeeld van één van deze fietsroutes is te zien in figuur 3.2. Naast dat fietsers even kunnen stoppen voor om te eten of te drinken bij de horecavoorziening zullen recreanten mogelijk ook het tuincentrum bezoeken, waardoor beide functies elkaar aanvullen en versterken op deze locatie. Verder zou de horeca nog bezocht kunnen worden door passanten van het autoverkeer, vanwege de zichtlocatie aan de Maaswijkweg (hoofdontsluitingsroute Spijkenisse).

Figuur 3.2 Uitsnede fietsroute Molen & Waard (projectlocatie aangegeven met rood; bron: eropuitnissewaard.nl, 2020)

3.2

Beschrijving relevant verzorgingsgebied

De reikwijdte van een verzorgingsgebied van een tuincentrum is vooral afhankelijk van de bereikbaarheid/infrastructuur en de spreiding van het aanbod aan tuincentra in een regio. Wanneer er naar een grotere omtrek rondom Spijkenisse wordt gekeken, kan worden gesteld dat er zich een groot aantal tuincentra in de omgeving bevinden. Een inventarisatie hiervan is 19/47

te zien in figuur 3.3. In het overzicht is ook bouwmarkt Praxis opgenomen in Nieuw Mathenesse (Rotterdam). Deze bouwmarkt heeft een complete afdeling in tuinartikelen. De verschillen in omvang zijn groot en variëren van circa 500 m2 wvo tot 13.000 m2 wvo.

Figuur 3.3 Inventarisatie aanbod ‘plant & dier’ (tuincentra en dierenspeciaalzaken) regio Spijkenisse, omvang in m2 wvo (bron: Locatus, 2022; bewerking Rho adviseurs)

Uit de inventarisatie van tuincentra in de regio Spijkenisse blijkt dat in de regio net buiten Spijkenisse met Hellevoetsluis, Vierpolders/Brielle, Oud-Beijerland en Rhoon is sprake van relatief grote tuincentra met minimaal 5.000 m2 wvo. Binnen de gemeente Nissewaard is nog geen tuincentrum met een omvang van meer dan 1.500 m2 wvo gevestigd (figuur 3.4). Het grootste tuincentrum binnen de gemeente Nissewaard is Planten & Zo en heeft een omvang van circa 1.000 m 2 wvo. Dit is de omvang van de binnenruimte. Het tuincentrum heeft in totaal een omvang van circa 5.000 m2 wanneer ook de ruimtes onder afdak en buitenruimte wordt meegenomen. Ten oosten van de beoogde ontwikkeling vormt het Spui (verbinding tussen de Oude Maas en het Haringvliet) een barrière voor de bewoners aan de andere kant van de rivier, waaronder Oud-Beijerland. Deze watergang is namelijk alleen met een veerverbinding over te steken.

20/47

Figuur 3.4 Tuincentra en dierenspeciaalzaken binnen het verzorgingsgebied (bron: Locatus, 2022, bewerking Rho adviseurs) Op basis van de inventarisaties uit de figuren 3.3 en 3.4 wordt geconcludeerd dat een nieuw tuincentrum primair een verzorgingsfunctie heeft voor de gemeente Nissewaard. De bestedingen zullen met name van de inwoners uit de gemeente komen. De inwoners van de omliggende kernen zullen meer gericht zijn op het eigen aanbod, zoals de Intratuin in Rhoon De toevloeiing (secundair marktgebied) wordt uit de direct omliggende gemeenten, waaronder Brielle, Hellevoetsluis, maar ook Rotterdam Hoogvliet. Voor de inwoners van Hoogvliet is qua bereikbaarheid de Intratuin in Rhoon vergelijkbaar met het beoogde tuincentrum in Spijkenisse, maar door de grote omvang is de verwachting dat de meeste inwoners hun aankopen bij de Intratuin zullen doen. De koopkrachttoevloeiing zal relatief beperkt zijn, vanwege de bereikbaarheid van Spijkenisse. In de marktanalyse (paragraaf 3.4) zal rekening worden gehouden met de koopstromen conform het KSO Randstad 2018.

3.3

Analyse aanbod ‘plant & dier’ en horeca gemeente Nissewaard

De definitie van een tuincentrum, conform de landelijke definitie van Retailinsiders (zie hoofdstuk 1), komt overeen met de hoofdbranche ‘plant & dier’ van Locatus (2020; zie bijlage 1). De winkelruimte met ‘plant & dier’ artikelen heeft een totaal winkelvloeroppervlakte (wvo) van 2.883 m2. Daarnaast is ruimte gereserveerd voor horeca (circa 376 m2) ter hoogte van de bestaande bebouwing op het perceel als onderdeel van het totaalconcept op de locatie Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse. In deze paragraaf wordt het bestaande aanbod in Nissewaard nader geanalyseerd.

PLANT & DIER De gemeente Nissewaard beschikt binnen de branche ‘plant & dier’ op dit moment over 4.472 m2 wvo, verdeeld over de kernen Heenvliet, Spijkenisse en Zuidland. Logischerwijs bevindt het grootste deel van dit aanbod zich in de grootste kern

21/47

Spijkenisse met 3.621 m2 wvo. Circa 34% van de winkelmeters in de hoofdbranche ‘plant & dier’ is gevestigd op solitaire locaties (verspreide bewinkeling; tabel 3.2). Tabel 3.2 Omvang hoofdbranche ‘plant & dier’ gemeente Nissewaard (in m2 wvo; bron: Locatus, 2022) Centraal winkelgebied

Wijk/buurt centra

Overig winkelgebied

Verspreide bewinkeling

Totaal

Heenvliet

93

0

0

0

93

Spijkenisse

365

905

1.131

1.220

3.621

Zuidland

70

0

0

688

758

gemeente Nissewaard

528

905

1.131

1.908

4.472

Een vergelijkbaar beeld is herkenbaar voor het aantal winkels. Binnen de gemeente Nissewaard zijn in totaal 18 verkooppunten in de hoofdbranche ‘plant & dier’, waarvan er 14 zijn gevestigd in de hoofdkern Spijkenisse (tabel 3.3). Circa 22% van het aanbod is gevestigd op een solitaire locatie. Dit is lager dan het aantal meters. Logische verklaring is dat de relatief grotere winkels buiten de reguliere winkelcentra zijn gelegen. Tabel 3.3 Omvang hoofdbranche ‘plant & dier’ gemeente Nissewaard (in aantal vkp; bron: Locatus, 2022) Centraal winkelgebied

Wijk/buurt centra

Overig winkelgebied

Verspreide bewinkeling

Totaal

Heenvliet

1

0

0

0

1

Spijkenisse

2

8

1

2

13

Zuidland

1

0

0

2

3

gemeente Nissewaard

4

8

1

4

17

HORECA De gemeente Nissewaard heeft een horeca aanbod van ruim 15.000 m2 vvo. Ruim 85% van dit aanbod ligt in de hoofdkern Spijkenisse (tabel 3.4). Van het totale horeca aanbod in Spijkenisse ligt circa 50% in het centrumgebied, bijna 20% in de wijk- en buurtcentra, bijna 10% op de woonboulevard en ruim 20% op verspreide solitaire locaties. Tabel 3.4 Omvang hoofdbranche ‘horeca’ gemeente Nissewaard (in m2 vvo; bron: Locatus, 2022) Centraal winkelgebied

Wijk/buurt centra

Overig winkelgebied

Verspreide bewinkeling

Totaal

Abbenbroek

0

0

0

167

167

Geervliet

0

0

0

107

107

Heenvliet

235

0

0

228

463

Hekelingen

0

0

0

200

200

Simonshaven

0

0

0

299

299

Spijkenisse

7.116

1.505

1.105

4.119

13.845

Zuidland

540

0

0

400

940

7.891

1.505

1.105

5.520

16.021

gemeente Nissewaard

In tabel 3.5 is het aanbod gepresenteerd in aantal horeca verkooppunten. In de gemeente zijn 134 horeca verkooppunten, waarvan er 116 zijn gelegen in de hoofdkern Spijkenisse. Ook uit deze analyse is af te leiden dat er relatief veel horeca is gevestigd buiten de reguliere winkelgebieden inclusief het centrum van Spijkenisse. Tabel 3.5 Omvang hoofdbranche ‘horeca’ gemeente Nissewaard (in aantal vkp; bron: Locatus, 2022) Centraal winkelgebied

Wijk/buurt centra

Overig winkelgebied

Verspreide bewinkeling

Totaal

Abbenbroek

0

0

0

1

1

Geervliet

0

0

0

1

1

Heenvliet

3

0

0

1

4

22/47

Hekelingen

0

0

0

3

3

Simonshaven

0

0

0

1

1

Spijkenisse

54

24

2

36

116

Zuidland

7

0

0

1

8

gemeente Nissewaard

64

24

2

44

134

3.4

Marktanalyse hoofdbranches plant & dier en horeca

Om de kwantitatieve behoefte aan het tuincentrum aan te tonen is in deze paragraaf een marktanalyse uitgevoerd voor de hoofdbranches ‘plant & dier’ en horeca. Deze analyse is tevens de basis om de ruimtelijk-economische effecten van het beoogde tuincentrumconcept in te schatten. 3.4.1 Hoofdbranche ‘plant & dier’ Om de kwantitatieve behoefte aan te tonen van het tuincentrum aan de Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse is allereerst een benchmarkanalyse uitgevoerd (figuur 3.5 en 3.6). Hierbij is een vergelijking gemaakt van het aanbod ‘plant & dier’ in Spijkenisse met het aanbod wat men zou verwachten op basis van het landelijke gemiddelde in een vergelijkbare kern (qua inwoneraantal). Deze vergelijking is gemaakt voor de vierkante meters detailhandel en het aantal verkooppunten in de hoofdbranche ‘plant & dier’. Uit beide vergelijkingen wordt geconcludeerd dat het aanbod in Spijkenisse achterblijft bij het landelijke gemiddelde. Dit is een indicatie voor de kwantitatieve behoefte aan uitbreiding van het aanbod ‘plant & dier’. 10.000 9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0

9.400

3.621

plant en dier Spijkenisse te verwachten winkelaanbod op basis van het gemiddelde binnen de inwonersklasse 50.000 - 100.000

Figuur 3.5 Vergelijking aanbod ‘plant & dier’ Spijkenisse met het landelijke gemiddelde in kernen met 50.000 tot 100.000 inwoners (in m2 wvo; Locatus, 2022)

23/47

20 18 16 14 12 10 8 6 4 2 0

18

13

plant en dier Spijkenisse

te verwachten winkelaanbod op basis van het gemiddelde binnen de inwonersklasse 50.000 - 100.000

Figuur 3.6 Vergelijking aanbod ‘plant & dier’ Spijkenisse met het landelijke gemiddelde in kernen met 50.000 tot 100.000 inwoners (in aantal vkp; Locatus, 2022)

VERZORGINGSGEBIED EN REGIONALE KOOPSTROMEN Om het planinitiatief te beoordelen, ook in het kader van de provinciale Omgevingsverordening, is voor de hoofdbranche ‘plant & dier’ een actueel distributieplanologisch marktonderzoek (dpo) uitgevoerd. Hieronder zijn allereerst de uitgangspunten nader toegelicht ten aanzien van het verzorgingsgebied.

HUIDIGE KOOPSTROMEN HOOFDBRANCHE ‘PLANT & DIER’ GEMEENTE NISSEWAARD Het verzorgingsgebied van een nieuw tuincentrum in Spijkenisse is primair de gemeente Nissewaard. Binnen de artikelgroep ‘doelgericht’ (branche in & om het huis: elektronica, doe-het-zelf, woninginrichting en tuinartikelen en planten) is de koopkrachtbinding berekend op 52% voor de fysieke winkelbestedingen in de gemeente Nissewaard (KSO Randstad 2021). Dit betekent dat 48% van de potentiële bestedingen afvloeit naar de omliggende gemeenten. Het grootste deel gaat logischerwijs naar Rotterdam, dat een sterk regionale verzorgingsfunctie heeft. Voor een bezoek aan deze winkels zal de consument uit Nissewaard ook de omliggende gemeenten Hellevoetsluis, Albrandswaard, Barendrecht, maar ook Rotterdam bezoeken. (figuur 3.7).

Figuur 3.7 Niet-dagelijkse bestedingen van inwoners uit Nissewaard in omliggende gemeenten (bron: KSO Randstad 2021) De koopkrachttoevloeiing van de fysieke in de artikelgroep doelgericht is berekend op 26% conform het KSO Randstad 2021. Het grootste deel komt uit de gemeente Rotterdam. Dit zullen hoofdzakelijke bestedingen zijn bij de Woonboulevard van Spijkenisse. De woonboulevard is immers goed bereikbaar voor de zuidelijke wijken van Rotterdam. Verder is omzet voornamelijk afkomstig uit Rotterdam, Hellevoetsluis en Brielle. 24/47

Figuur 3.8 Omzetherkomst niet-dagelijkse goederensector Nissewaard (bron: KSO Randstad 2021) Uit de KSO-data kunnen ook de gegevens op hoofdbrancheniveau worden herleid. Voor de hoofdbranche ‘plant & dier’ is de koopkrachtbinding berekend op 57% en de koopkrachttoevloeiing op 19% (bron: KSO 2021). 43% van de potentiële bestedingen van de inwoners uit Nissewaard (voor de hoofdbranche ‘plant & dier’) vloeit af naar omliggende aankoopplaatsen met de relatief grote tuincentra, waaronder tuincentrum van den Berg in Vierpolders (gemeente Brielle) en de Intratuin in Rhoon (gemeente Albrandswaard).

TOEKOMSTIGE KOOPSTROMEN HOOFDBRANCHE ‘PLANT & DIER’ GEMEENTE NISSEWAARD Rekening houdend met de coronacrisis is het de verwachting dat het marktaandeel van internet nog verder gaat toenemen. Dit gaat ten koste van de fysieke winkels. Het aantal fysieke non-food winkels nam met bijna 15% af in de periode 2010-2019 (bron: CBS, 2019). Er zijn echter grote verschillen per branche. Generieke producten die makkelijk te vergelijken zijn, zijn steeds minder in de fysieke winkel te vinden. Het gaat om: platen en cd’s, boeken en kranten, speelgoed, fotografiebenodigdheden, schoenen en sportartikelen e.d. Ook consumentenelektronica (huishoudelijke apparaten en pc’s/laptops) zijn in mindere mate te koop in een fysieke winkel (figuur 3.9).

25/47

Figuur 3.9 Ontwikkeling fysieke winkelvestigingen non-food (bron: CBS, 2019) Uit het overzicht van figuur 3.9 valt af te leiden dat het aantal warenhuizen, winkels in persoonlijke verzorging, woninginrichting, rijwielzaken en tuincentra is toegenomen. Geconcludeerd wordt dat internetverkoop invloed heeft op het koopgedrag van de consument en daarmee de behoefte aan fysieke winkelmeters. Uit recente cijfers blijkt echter dat internetverkoop vooralsnog weinig invloed heeft op de hoofdbranche ‘plant & dier’ (tuincentra). Dit wordt tevens bevestigd in het KSO 2021. Als rekening wordt gehouden met de actuele trends en ontwikkelingen in de detailhandel én de ontwikkeling van een nieuw modern tuincentrum in de gemeente Nissewaard dat wordt verwacht dat een koopkrachtbinding van 60% haalbaar is voor de hoofdbranche ‘plant & dier’. De inwoners van Nissewaard hebben in Spijkenisse beschikking over een extra tuincentrum, en zullen naar verwachting een groter deel van de bestedingen in Spijkenisse doen. Voor een aanvullend aanbod zullen nog steeds de grotere tuincentra in de regio bezocht worden (gemeenten Albrandswaard en Brielle), waardoor ook in de toekomstige situatie een groot deel van de potentiële bestedingen zal wegvloeien naar de omliggende gemeenten. De koopkrachttoevloeiing zal iets toenemen naar circa 25%.

Door toevoeging van een tuincentrum heeft Spijkenisse een aantrekkelijker aanbod. De extra toevloeiing zal deels komen uit de gemeente Hellevoetsluis, maar ook voor een deel uit Hoogvliet, de wijken grenzend aan Spijkenisse. Het tuincentrum zal dus een deel van de markt pakken, maar de koopstromen zullen niet volledig ombuigen. Het tuincentrum in Rhoon blijft bijvoorbeeld nog steeds een aantrekkelijk alternatief voor de inwoners van Spijkenisse. Met deze koopstroomgegevens is dus nadrukkelijk rekening gehouden met de regionale spreiding van het aanbod aan tuincentra en de trends en ontwikkelingen binnen de hoofdbranche ‘plant & dier’.

OVERIGE UITGANGSPUNTEN DISTRIBUTIEPLANOLOGISCHE MARKTANALYSE AANTAL INWONERS Momenteel heeft de gemeente Nissewaard 85.440 inwoners (CBS, 2021). Om de marktruimte in 2030 te berekenen is gebruikt gemaakt van de bevolkingsprognose van ABF Research – Primos prognose (2022). De verwachting is dat het bevolkingsaantal in de gemeente Nissewaard zal toenemen tot 89.410 inwoners in 2030.

26/47

OMVANG WINKELAANBOD Het winkelaanbod in de hoofdbranche ‘plant & dier in de gemeente Nissewaard heeft een omvang van 4.472 m2 wvo (Locatus, 2022). Voor de komende planperiode wordt uitgegaan van toevoeging van een tuincentrum van 2.365 m2 wvo.

GEMIDDELDE WINKELOMZET PER PERSOON De gemiddelde winkelomzet in tuincentra bedraagt in Nederland over 2019 € 73,- per persoon (Notitie Omzetkengetallen 2020; gegevens over 2019). Deze landelijke gemiddelden moeten worden gecorrigeerd op inkomen. Voor de niet-dagelijkse goederensector geldt een inkomenselasticiteit van 0,7. Het gemiddeld inkomen in de gemeente Nissewaard ligt circa 0,4% lager dan het Nederlands gemiddelde (CBS, 2021; gegevens over 2019). De gemiddelde besteding in tuincentra in Nissewaard is daardoor circa 0,3% lager dan het Nederlands gemiddelde en bedraagt € 72,81.

VLOERPRODUCTIVITEIT De gemiddelde omzet per m2 wvo (vloerproductiviteit) van tuincentra bedraagt in Nederland € 559,-. (Notitie Omzetkengetallen 2021; gegevens over 2019).

DISTRIBUTIEPLANOLOGISCH MARKTONDERZOEK ‘PLANT & DIER’ GEMEENTE NISSEWAARD Op basis van de uitgangspunten is in tabel 3.6 de actuele distributieplanologische marktruimteberekening weergegeven voor de hoofdbranche ‘plant & dier’ in de gemeente Nissewaard. Tabel 3.6 Distributieplanologische marktanalyse hoofdbranche ‘plant & dier’ gemeente Nissewaard inwonertal marktgebied

2020

2030

85.440

89.410

bron CBS, 2021; ABF Research - Primos prognose 2022

gemiddelde winkelomzet per persoon (excl.

€

73

€

73

BTW) bestedingspotentieel

over 2019 €

6.220.000

koopkrachtbinding (%) gebonden bestedingen €

€

57% €

3.550.000

koopkrachttoevloeiing (%)

6.510.000 60%

€

19%

25%

€

830.000

€

1.300.000

totale omzet in marktgebied

€

4.380.000

€

5.210.000

gemiddelde vloerproductiviteit per m² wvo (excl.

€

559

€

559

BTW)

KSO, 2021

Omzetkengetallen, 2021; gegevens over 2019

te verwachten omvang winkelaanbod (m² wvo)

7.840

9.320

omvang winkelaanbod (m² wvo)

4.472

4.472

berekende vloerproductiviteit (excl. BTW)

€

980

€

1.170

omzetclaim marktgebied

€

2.500.000

€

2.500.000

omzet ten opzichte van het gemiddelde

75% €

1.880.000

ruimte voor ontwikkeling (m² wvo) ontwikkeling tuincentrum Korte Schenkeldijk

KSO, 2021

3.910.000

koopkrachttoevloeiing €

ruimte voor ontwikkeling in €

Omzetkengetallen, 2021; gegevens

3.360 -

Locatus, 2022

109% €

2.710.000 4.850 2.365

Spijkenisse ruimte voor ontwikkeling (m² wvo)

3.360

2.485

toekomstige omzet ten opzichte van het gemid-

75%

36%

delde

Op basis van de actuele marktruimteberekening wordt het beeld uit figuur 3.5 bevestigd dat er sprake is van een kwantitatieve behoefte aan een groter aanbod ‘plant & dier’ binnen de gemeente Nissewaard. De actuele marktruimte binnen de 27/47

hoofdbranche ‘plant & dier’ is berekend op circa 3.360 m2 wvo. Als gevolg van de positieve bevolkingsontwikkeling neemt de ontwikkelruimte de komende jaren autonoom toe: circa 4.600 m2 wvo. Deze indicatieve marktruimte is, zowel in de huidige situatie als in 2030, ruim voldoende voor het planinitiatief voor een tuincentrum aan de Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse. Met de ontwikkeling wordt voorzien in een kwantitatieve behoefte. 3.4.2 Hoofdbranche horeca Voor horeca kan geen DPO-berekening worden gemaakt net als voor detailhandel. Hiervoor ontbreken betrouwbare gegevens over de bestedingen en koopstromen. Wel kan een vergelijking worden gemaakt met vergelijkbare kernen (op basis van inwoneraantal). Uit deze vergelijking (figuren 3.10 en 3.11) wordt geconcludeerd dat het horeca-aanbod achterblijft bij het landelijke gemiddelde, zowel in meters als in aantal verkooppunten. Deze vergelijking geeft een indicatie voor de kwantitatieve behoefte aan een groter horeca aanbod in Spijkenisse. 20.000 18.000 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

17.600 13.845

horeca Spijkenisse te verwachten winkelaanbod op basis van het gemiddelde binnen de inwonersklasse 50.000 - 100.000

Figuur 3.10 Vergelijking aanbod ‘horeca’ Spijkenisse met het landelijke gemiddelde in kernen met 50.000 tot 100.000 inwoners (in m2 vvo; Locatus, 2022) 180

162

160 140

116

120 100 80 60 40 20 0

horeca Spijkenisse te verwachten winkelaanbod op basis van het gemiddelde binnen de inwonersklasse 50.000 - 100.000

Figuur 3.11 Vergelijking aanbod ‘horeca’ Spijkenisse met het landelijke gemiddelde in kernen met 50.000 tot 100.000 inwoners (in aantal vkp; Locatus, 2022)

28/47

3.4.3 Conclusie en te verwachten ruimtelijke effecten Voor zowel hoofdbranche ‘plant & dier’ als de horecabranche worden geen onaanvaardbare effecten verwacht op de bestaande winkelgebieden en de horecasector in Spijkenisse als gevolg van de ontwikkeling van het tuincentrum aan de Korte Schenkeldijk 2. In Spijkenisse is nog geen tuincentrum met een omvang groter dan 1.500 m2 wvo gevestigd. De consument wijkt momenteel uit naar alternatieven in de regio, waaronder Rhoon, Rotterdam en Vierpolders. Dit blijkt ook uit het Koopstromenonderzoek Randstad 2021. Deze behoefte wordt bevestigd met de actuele marktanalyse. In ruime mate is er uitbreidingsruimte binnen de hoofdbranche ‘plant & dier’ in het verzorgingsgebied van de gemeente Nissewaard als geheel, maar ook Spijkenisse als hoofdkern specifiek. Dit betekent dat ook met een uitbreiding van het aanbod binnen de branche, het huidige aanbod nog steeds goed kan functioneren, er is voldoende omzet in de markt voor uitbreiding van het aanbod. Door de behoefte binnen de eigen gemeente op te vangen zal daarnaast het aantal verkeersbewegingen naar andere gemeenten afnemen als het gaat om de aankopen van ‘plant & dier’ artikelen. Ook regionaal worden geen onaanvaardbare effecten verwacht op het ondernemersklimaat. De huidige koopstromen zullen maar beperkt veranderen als gevolg van de ontwikkeling van het tuincentrum in Spijkenisse.

Nabijgelegen tuincentra zijn (veel) groter en zullen de regionale aantrekkingskracht blijven behouden. De ontwikkeling van het tuincentrum in Spijkenisse is dan ook vooral gericht op de consumentverzorging binnen de eigen gemeente. Tot slot blijkt uit de marktanalyse van de horecafunctie dat er momenteel relatief weinig horeca is gevestigd in Spijkenisse. Het aanbod blijft achter bij het landelijke gemiddelde van kernen met een vergelijkbaar inwoneraantal. De horecaontwikkeling van het tuincentrum zal niet concurreren met het centrumgebied van Spijkenisse. Het oppervlak is gemaximeerd op 500 m2 bvo (uitgaande van verhouding 75%/25% betekent dit 375 m2 wvo), terwijl in het centrumgebied van Spijkenisse ruim 7.000 m2 wvo aan horeca is gevestigd in verschillende segmenten. Ook qua horecasegment zal de ondersteunende horeca bij het tuincentrum niet concurrent zijn met het centrumgebied. Op de projectlocatie is alleen ‘lichte horeca’ voorzien. Het planinitiatief aan de Korte Schenkeldijk is gericht op het combinatiebezoek vanuit andere (doelgerichte) bezoekmotieven: tuincentrum, passanten van de recreatieve fietsroute en de passanten van de Maaswijkweg.

3.5

Conclusie

Met de beoogde realisatie van een tuincentrum van 2.365 m2 en horeca van 375 m2 wvo aan de Korte Schenkeldijk 2 in Spijkenisse wordt voorzien in een actuele behoefte aan een nieuw modern tuincentrum met een horecagelegenheid. De behoefte is kwantitatief onderbouwd voor zowel de detailhandelsfunctie als de ondersteunende horecafunctie. Als gevolg van de ontwikkeling worden bij deze marktomstandigheden geen onaanvaardbare effecten verwacht op het woon-, leefen ondernemersklimaat in de gemeente Nissewaard.

29/47

4. BEHOEFTE OVERIGE FUNCTIES 4.1

Behoefte sportschool

4.1.1 Beleid, trends en ontwikkelingen De gemeente Nissewaard heeft in haar coalitieakkoord Samen voor elkaar aandacht voor sport en bewegen. Sport en bewegen zijn belangrijke instrumenten in de doelstellingen van het programma Thuis in de Wijk, waarin gestreefd wordt naar meer zorg en aandacht voor elkaar vóór er (gezondheids)problemen ontstaan. Sport en het verenigingsleven zijn belangrijke onderdelen binnen het welzijnsveld die de zorg kunnen ondersteunen. Vanuit het concept High Five is er specifieke aandacht voor beweging, naast de overige pijlers voeding, ontwikkeling, sociaal en maatschappelijk welzijn. Binnen de gemeente Nissewaard is een team van 18 Combinatiefunctionarissen actief in wijken, scholen en verenigingen. De combinatiefunctionarissen zijn actief in de beleidsvelden sport, cultuur, natuur en milieu en sociaal cultureel. Hoofddoelstelling van de Combinatiefunctionarissen is een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling en ontplooiing van de inwoners en hun omgeving van de gemeente Nissewaard. Binnen het productenaanbod van de Combinatiefunctionarissen is dit vormgegeven met de naam: High Five. High Five draagt bij aan de gezondheid en het geluk van inwoners. High Five is de methodiek waarbij de thema’s: ontwikkeling, duurzaam, beweging, sociaal en maatschappelijk centraal staan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11750809/1