Bestemmingsplan trafostation Simonshaven
Tekst van het document
Relatie met voorliggend bestemmingsplan Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.
4.3
Ecologie
Kader
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 68 van 107
Ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde natuurwaarden. Dit betreft potentiële effecten op soorten, maar ook effecten op beschermde natuurgebieden zijn mogelijk. De Wet natuurbescherming (Wnb) bevat alle regels voor de bescherming van zowel soorten als natuurgebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de mogelijke effecten van het plan op de beschermde natuurwaarden. Gebiedsbescherming Natura 2000 gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. In Nederland zijn deze richtlijnen geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden, waaronder het IJsselmeer en de Waddenzee. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de soorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten, of als een afweging heeft plaatsgevonden over alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang en de inzet van compenserende maatregelen. In de passende beoordeling worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen bepaald.
Daarbij dient ook een eventuele externe werking van een initiatief op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden bepaald. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn bieden een juridisch kader dat verzekert dat menselijke activiteiten worden ondernomen op een wijze die de integriteit van Natura 2000-gebieden niet negatief beïnvloeden. Stikstofemissie kan optreden tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen. Met de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen van Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Het uiteindelijke doel is het bereiken van een landelijke gunstige staat van instandhouding voor alle door de richtlijnen beschermde soorten en habitats. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (in de vorm van stikstofoxiden en ammoniak) een probleem met de realisatie van de instand- houdingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor significante negatieve effecten hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen.
Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatiefase en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige natuurwaarde in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie, worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende situaties ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten binnen de aangewezen Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Wanneer (kleine) natuurgebieden en de daarin voorkomende soorten geïsoleerd komen te liggen, bijvoorbeeld door bebouwing en infrastructuur, bestaat het risico dat soorten niet kunnen overleven en het natuurgebied zijn waarde verliest. Door het aaneenschakelen van natuurgebieden wordt een bijdrage geleverd aan het voorkomen van deze achteruitgang van natuur en biodiversiteit (veelheid van soorten). Provincies wijzen de NNN-gebieden aan en deze worden op hun beurt vastgelegd in ruimtelijke plannen van de gemeenten.
De ecologische hoofdstructuur is planologisch beschermd met het 'nee, tenzij'-principe. Nieuwe ontwikkelingen zijn niet toegestaan als deze het gebied aantasten, tenzij er geen alternatieven zijn en de ontwikkeling van groot openbaar belang is. Schadelijke effecten op de natuur dienen te worden gecompenseerd. Soortenbescherming
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 69 van 107
De bescherming van in het wild voorkomende planten- en diersoorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. De Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn zijn voor Nederland geïmplementeerd in deze wet. Op grond van de Wet natuurbescherming gelden diverse verbodsbepalingen, zoals het doden van specifiek aangewezen vogel- en vleermuissoorten.
Situatie Er is in het kader van dit project door Sweco een verkennend natuuronderzoek opgeleverd, deze is te vinden in Bijlage 3. In dit onderzoek is inzichtelijk gemaakt welke beschermde soorten(groepen) aanwezig of te verwachten zijn binnen het projectgebied en/of de invloedssfeer van het projectgebied die beschermd zijn of beïnvloed worden door werkzaamheden. Hieruit is gebleken dat er een soortgericht onderzoek nodig is voor vogels met jaarrond beschermde nesten, de Noordse woelmuis en de bever. Daarom is er een aanvullend natuuronderzoek uitgevoerd deze is te vinden in Bijlage 6. Gebiedsbescherming In het verkennend natuuronderzoek zijn Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km in kaart gebracht, dit zijn er tien. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ ligt op ten minste 3,8 km afstand van het plangebied. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied, zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten.
Voor de aanlegfase van de uitbereiding van het hoogspanningsstation zijn de effecten op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden berekend. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator. De AERIUS-berekening is te vinden in Bijlage 4. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de uitstoot in zowel de aanleg- als de gebruiksfase 0,0 mol N/ha/jaar is. Voor de gebruiksfase wordt geen toename van emissies verwacht, want het project leidt niet tot activiteiten die uitstoot van stikstof (NOx en/of NH3) veroorzaken.
Tabel 4.1 AERIUS berekening effect planontwikkeling. Nu uit de analyse en de berekeningen blijkt dat in zowel de aanleg- als gebruiksfase geen toename van de stikstofdeposities plaatsvindt, is er geen sprake van een vergunningsplicht Wet Natuurbescherming voor het aspect stikstofdepositie. Het aspect stikstof vormt hierdoor geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Soortenbescherming Uit het verkennend natuuronderzoek blijkt dat de werkzaamheden mogelijk een negatief effect hebben op vogels met een jaarrond beschermd nest en de noordse woelmuis. Het uitvoeren van het noodzakelijke aanvullend onderzoek heeft uitgewezen dat de werkzaamheden geen effect hebben op de instandhouding van de bever, de Noordse woelmuis en vogels met jaarrond beschermde nesten. De werkzaamheden bij de hoogspanningsverbinding en het hoogspanningsstation hebben geen negatief effect op beschermde planten, reptielen en/of ongewervelden. Wel is het voor enkele soorten – vleermuizen en bever – noodzakelijk om mitigerende maatregelen te treffen. Als dit niet mogelijk is, is het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar deze soorten noodzakelijk.
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 70 van 107
Het bosje bij mast 067 was door de grote hoeveelheid blad wat nog aan de eiken zat moeilijk te onderzoeken op de aanwezigheid van nesten, er waren tijdens het veldbezoek geen nesten zichtbaar. Hier dient op een later moment naar gekeken te worden. Nesten die eventueel worden aangetroffen in het bosje worden door de werkzaamheden niet vernietigd, wel kunnen de werkzaamheden een verstorend effect hebben. Uit het verkennend natuuronderzoek is gebleken dat er een nest aanwezig is nabij mast 068. Voor de sloop van mast 068 is het noodzakelijk om een onderzoek uit te voeren om te onderzoeken of het nest bezet is door een vogel met een jaarrond beschermd nest (ooievaar, slechtvalk, buizerd, sperwer, boomvalk en/of havik). Uit dit onderzoek blijkt dat de werkzaamheden geen invloed hebben op de instandhouding van vogels met jaarrond beschermde nesten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van de Noordse woelmuis heeft plaatsgevonden ter plaatse van het station Simonshaven en mast 068. Uit het aanvullend onderzoek is gebleken dat de werkzaamheden geen effect hebben op de instandhouding van de Noordse woelmuis. Het onderzoek heeft aangetoond dat het nest in mast 068 niet in gebruik is. Daarnaast zijn in mast 069A twee nesten waargenomen die hoogstwaarschijnlijk beide in gebruik zijn door zwarte kraai. Het nest in mast 069 is niet meer aanwezig.
De nesten in de masten kunnen buiten het broedseizoen verwijderd worden (circa vanaf 15 juli). Bij het nest in de boom ten noordoosten van het hoogspanningsstation (nest 4), is geen activiteit waargenomen. Dit nest wordt niet direct beïnvloedt. Eventueel kan dit nest verwijderd worden en de boom voorafgaand aan volgende broedseizoen onaantrekkelijk worden gemaakt door deze te snoeien. Het nest in de bomenrij ten noordwesten van het hoogspanningsstation (nest 5), betreft een nest dat in gebruik is door buizerd. Hierdoor is dit nest aangemerkt als jaarrond beschermd nest. De plannen hebben echter geen directe invloed op het nest waardoor deze behouden kan blijven. Daarnaast bevinden de werkgebieden zich op minimaal 138 meter van het nest en worden verstorende effecten gedempt door de tussenliggende bosschage. De werkzaamheden hebben geen negatief effect op de instandhouding van de buizerd. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot jaarrond beschermde nesten is niet nodig. Het is nodig om mitigerende maatregelen te treffen om verstoring (Wnb art. 3.5 lid 2) in het geval van het gebruik van (bouw)verlichting tijdens de werkzaamheden op mogelijke verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen te voorkomen.
Dit kan door (bouw)verlichting niet te richten op omliggende gebouwen en groenstructuren (zoals bomenrijen en watergangen) tussen één uur voor zonsondergang en één uur na zonsopkomst in de periode maart tot en met oktober. Wanneer deze methode niet kan worden toegepast, is nader onderzoek naar verblijfplaatsen noodzakelijk en mogelijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Om verstoring van mogelijk aanwezige beverburchten te voorkomen tijdens de werkzaamheden is van belang dat er in een straal van 100 meter rond geschikt habitat voor burchten geen werkzaamheden plaatsvinden tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopgang in de periode mei t/m augustus (Figuur 4.1). Buiten deze periode geldt een afstand van 20 meter. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Wanneer bovenstaande maatregel niet mogelijk is dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de exacte locatie van de beverburchten in de periode februari t/m juni. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is op basis van de uitkomsten mogelijk nodig.
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 71 van 107
Figuur 4.1 Ligging plangebied met bijbehorende bufferzones. Werkzaamheden die in de omgeving van het water plaatsvinden (vissen en amfibieën) dienen rustig te worden opgestart zodat eventueel aanwezige dieren kunnen vluchten. Eiklompen en/of eisnoeren van amfibieën dienen naar een geschikte locatie te worden verplaatst. De mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Alle in Nederland broedende vogels zijn beschermd. De werkzaamheden dienen daarom bij voorkeur buiten het broedseizoen in de periode half juli t/m half maart plaats te vinden om verstoring te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, dient er eerst een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden alvorens de werkzaamheden plaatsvinden, deze dient opnieuw uitgevoerd te worden als de werkzaamheden twee dagen stil liggen. Wanneer zeker is dat er zich geen broedende vogels binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden, kunnen werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. Mitigerende maatregelen moeten worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.
De soortenbeschermingskaders uit de Wet natuurbescherming staan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het project. Eventuele ontheffingen die nodig zijn voor het uitvoeren van werkzaamheden worden op voorhand verleenbaar geacht.
Houtopstand Bij houtopstanden vanaf 1000 m2 (10 are) is een melding en herplanting verplicht. Er zijn drie bosjes die 1000 m2 of groter zijn. Deze bomen vallen daarmee onder het regime van de Wet natuurbescherming Houtopstanden. Wanneer deze bomen gekapt worden moet er een melding gemaakt worden bij het bevoegd gezag en is herplanting verplicht. Hiervoor is een boomanalyse uitgevoerd om te bepalen om welke soorten het gaat en om welke aantallen het gaat zodat de herplant kwalitatief en kwantitatief in een redelijke verhouding staat tot de gevelde houtopstand. Dit wordt behandeld in 4.5 Bomeninventarisatie.
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 72 van 107
Provinciaal beleid Beschermingscategorie 1: Mast 066 ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN), mast 067 ligt geheel binnen het NNN en mast 068 en station Simonshaven liggen bij een ecologische verbindingszone. Beschermd grasland in de Bollenstreek ligt op meer dan 40 km afstand van de locaties. Het NNN-gebied bij mast 067 heeft als beheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. De verzwaring van mast 067 heeft mogelijk een permanent effect op het NNN-gebied. De bestemmingen ter hoogte van beide masten ten opzichte van de bestaande situatie worden niet gewijzigd. In de huidige situatie heeft de locatie van de nieuwe mast al een bedrijfsbestemming. Echter is wel een Nee, tenzij procedure doorlopen (Bijlage 5 met de volgende conclusie. De huidige locatie van mast 067 heeft momenteel geen aangewezen natuurbeheertype, echter heeft deze wel hetzelfde ambitie natuurbeheertype als de directe omgeving. Het effect van ruimtebeslag tijdens de werkzaamheden op het natuurbeheertype is tijdelijk. De oppervlakte van de basis van de huidige mast is circa 140 m 2. Deze oppervlakte blijft gelijk bij de nieuwe mast. Het oppervlakte Natuurnetwerk Nederland blijft hiermee gelijk. Onder de mastlocatie kan het natuurbeheertype weer tot ontwikkeling komen. Enkel op de locaties van de 'poten' van de mast is geen begroeiing mogelijk. Dit is in beide situaties gelijk.
Het Natuurbeheertype kruiden- en faunarijkgrasland heeft op deze locatie een totale oppervlakte van circa 299 ha. De tijdelijke verstoring op een oppervlakte van circa 1 hectare tijdens de werkzaamheden en de nieuwe locatie van de mast van circa 140 m 2 zal geen negatief effect hebben op de kwaliteit, samenhang en wezenlijk kenmerken en waarden van het natuurbeheertype en het gebied. Een ontheffing op de Omgevingsverordening is niet nodig. Compensatie van oppervlakte en kwaliteit van het NNN en het aanwezige beheertype N12.02 Kruiden- en faunarijkgrasland is niet nodig. De ecologische verbindingszone langs mast 068 en het station bestaat uit het beheertype N00.01 nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting). Hiervoor is een Nee, tenzij procedure doorlopen met de volgende conclusie. Er is nog geen natuurbeheertype aangewezen. De werkzaamheden hebben hierdoor geen effect op een aangewezen natuurbeheertype. De nieuwe locatie en de alternatieve locatie van mast 068 vallen binnen de ecologische verbindingszone waar de huidige locatie er nog buiten valt. De oppervlakte van de basis van de huidige mast is circa 140 m 2. Deze oppervlakte blijft gelijk bij de nieuwe mast. Ook vormt de mast geen barrière, soorten kunnen zich nog steeds over land verplaatsen.
Het oppervlak wat gedempt wordt voor de realisatie van de alternatieve locatie van mast 068 is circa 400 m2, dit is ook de oppervlakte van het deel wat gegraven gaat worden. Hiermee blijft de oppervlakte watergang gelijk. De watergang wordt op een ander punt iets smaller maar dit levert geen barrière werking op, aangezien het te graven deel nu ook al op deze lijn ligt. De tijdelijke verstoring op een oppervlakte van circa 1 hectare tijdens de werkzaamheden en de nieuwe locatie van de mast van circa 140 m2 zal geen negatief effect hebben op de kwaliteit, samenhang en wezenlijk kenmerken en waarden van het natuurbeheertype en het gebied. Een ontheffing op de Omgevingsverordening is niet nodig. Compensatie van oppervlakte en kwaliteit van het NNN is niet nodig. Beschermingscategorie 2: Mast 068 en station Simonshaven liggen binnen de groene contour en op circa 40 meter van het dichtstbijzijnde belangrijke weidevogelgebied. De locaties van mast 066 en 067 zijn niet gelegen binnen de Groene Buffer of belangrijk weidevogelgebied. De sloop en vernieuwbouw van mast 068 zorgt per saldo niet tot een verandering. De ontwikkeling op station Simonshaven betreft geen grootschalige ontwikkeling. Het betreft enkel de uitbreiding van het huidige hoogspanningsstation op deze locatie. Dit is nodig om aan de toekomstige vraag naar elektriciteit te voldoen.
De functie van het terrein wijzigt niet en de belevingswaarde blijft hetzelfde. De geplande werkzaamheden en uitbreiding van het hoogspanningsstation hebben geen negatief effect op de omgeving. Het doorlopen van een Nee, tenzij procedure is t.a.v. de Groene Buffer is niet nodig.
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 73 van 107
De werkzaamheden op het terrein van het hoogspanningsstation Simonshaven liggen op 40 meter van een weidevogelgebied. Externe werking is niet van toepassing op belangrijke weidevogelgebieden. Het hoogspanningsstation waar werkzaamheden plaats gaan vinden ligt binnen 200 meter van een weidevogelgebied. Vanuit het provinciale beleid is er geen actie benodigd. Echter vanuit de Wet natuurbescherming blijft artikel 3.10 van kracht. Verstoring van broedvogels, ook broedende weidevogels in het weidevogelgebied, is niet toegestaan. De werkzaamheden kunnen een verstorend effect hebben op aanwezige broedvogels. Indien de werkzaamheden in de periode 1 juli t/m 15 februari worden uitgevoerd treedt er geen negatief effect op. Bij werkzaamheden in de periode 15 februari t/m 1 juli kan er wel een negatief effect optreden. Bij werkzaamheden in de periode 15 februari t/m 1 juli is er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole nodig. Indien er broedende vogels aanwezig zijn binnen de effectafstand dan kunnen de werkzaamheden niet plaatsvinden. Mogelijk zijn mitigerende maatregelen nodig om effecten te mitigeren.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten op Natura-2000 gebieden. De soortenbeschermingskaders uit de Wet natuurbescherming staan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het project. Eventuele mitigerende maatregelen of nader onderzoek of ontheffingen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van werkzaamheden worden op voorhand verleenbaar geacht. Er dient een boomanalyse uitgevoerd te worden om te bepalen om welke soorten het gaat en om welke aantallen het gaat zodat de herplant kwalitatief en kwantitatief in een redelijke verhouding staat tot de gevelde houtopstand. Voor de verzwaring van mast 067 en de locatie van mast 068 nabij een ecologische verbindingszone is een Nee, tenzij toets opgesteld. Hieruit blijkt dat een ontheffing van de Omgevingsverordening voor beide masten niet noodzakelijk is. Ook dient er bij de uitvoering van de werkzaamheden op het terrein van het hoogspanningsstation Simonshaven rekening te worden gehouden met het naastliggende weidevogelgebied. Bij werkzaamheden in de periode 15 februari t/m 1 juli kan er wel een negatief effect optreden. Voorafgaand aan de werkzaamheden in de periode 15 februari t/m 1 juli is er een broedvogelcontrole nodig.
Het aspect ecologie levert geen belemmering op voor voorliggend bestemmingsplan omdat: de werkzaamheden niet leiden tot een verstoring van het Natura-2000 gebied; een ontheffing op de soorten op voorhand verleenbaar wordt geacht; indien rekening wordt gehouden met de houtopstand uit de Nee tenzij toets blijkt dat een omgevingsvergunning voor beide masten niet noodzakelijk is; indien er rekening wordt gehouden bij werkzaamheden in de periode 15 februari t/m 1 juli d.m.v. een broedvogelcontrole
4.4
Water
4.4.1
Kader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt.
4.4.2
Situatie
Er is in het kader van dit project door Sweco een watertoets uitgevoerd, deze is te vinden in Bijlage 7 Watertoets
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 74 van 107
TenneT heeft het voornemen om het hoogspanningsstation Simonshaven (SMH380) in gemeente Nissewaard uit te breiden. Dit ten behoeve van de aansluiting van het windpark IJmuiden Ver Beta en Gamma op het landelijke hoogspanningsnet. Oppervlaktewater Rondom het station bevindt zich een hoofwatergang van het waterschap. Voor het verplaatsen van hoogspanningsmast 068, is het noodzakelijk een gedeelte van deze waterpartij te dempen. Hiervoor is het noodzakelijk een vergunning aan te vragen. Het water dat gedempt wordt, moet volledig gecompenseerd worden. Op de plek waar de toekomstige toegangsweg wordt aangelegd, is in de huidige situatie al een verbinding tussen de Oud Hoenderhoekseweg en het terrein aanwezig. De sloot wordt hier verbonden door middel van een duiker. Verhard oppervlak In Tabel 4.2 is een overzicht van de huidige en toekomstige verharding weergegeven. Het verhard oppervlak is afgeleid uit het ontwerp. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak met 8.156 m² toe. De toename is groter dan 1.500 m². Dit betekent dat watercompensatie nodig is om versnelde afvoer tegen te gaan.
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 75 van 107
Tabel 4.2 Overzicht toename verhard oppervlak Watercompensatie De toename van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. De toename van verharding dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. Het waterschap staat toe dat eerst gedempt wordt en vervolgens gecompenseerd. In de Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 20141 staat beschreven dat de toename aan verharding volledig gecompenseerd dient te worden door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening. Om hieraan te voldoen, hanteert het waterschap een compensatienorm van 10% oppervlaktewater ten opzichte van het verharde oppervlak. De waterbergingsopgave die de toename van verhard oppervlak compenseert, bedraagt daarmee 816 m² (8.156 x 0,10). Daarnaast moet, zoals reeds beschreven, het dempen van de waterpartij volledig gecompenseerd worden. In figuur 11 zijn de locaties gegeven van het te dempen water en het te graven oppervlaktewater gegeven ten behoeve van de verplaatsing van mast 068. Beide locaties hebben een oppervlakte van circa 400 m2. In totaal dient er circa 1.216 m2 aan watercompensatie plaats te vinden in de vorm van het graven van extra oppervlaktewater. Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 76 van 107
Figuur 4.3 Dempen en graven. Indicatieve watercompensatie, dit is nader uitgewerkt in het landschapsplan. Invulling waterbergingsopgave In het ontwerp is het gebied waar in de huidige situatie hoogspanningsmast 068 staat, aangewezen als mogelijkheid voor het creëren van extra oppervlaktewater. Hiermee vormt het een uitbreiding van het bestaande oppervlaktewater. In dit gebied is voldoende mogelijkheid om aan de gehele compensatieplicht te voldoen. Het waterschap staat toe dat eerst gedempt wordt en vervolgens gecompenseerd. Aandachtspunten waterberging De waterbergingsopgave wordt ingevuld met oppervlaktewater. Zoals beschreven, vormt het extra te creëren oppervlaktewater een uitbreiding op het aanwezige oppervlaktewater. Hierdoor kan het afstromend hemelwater op dit oppervlaktewater dat zich aan alle zijden rondom het hoogspanningsstation bevindt, geloosd worden. In het ontwerp kan rekening worden gehouden met mogelijkheden voor het bovenstrooms afvoeren van hemelwater richting het oppervlaktewater. Daarnaast zorgen de toenames van het verhard oppervlak en oppervlaktewater voor de vermindering van (bovengronds) groen. Dit nadelige effect op de biodiversiteit kan gecompenseerd worden door in het ontwerp rekening te houden met bijvoorbeeld de aanleg van een kruidenstrook of de aanplant van bomen, struiken en andere planten.
Ook kan gedacht worden aan de installatie van groene daken. Bovendien zorgt dit voor extra waterbergingscapaciteit op het terrein. Afvalwaterproductie
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 77 van 107
De ontwikkeling zorgt niet voor een verandering in de productie van afvalwater. Hierdoor is er voor deze ontwikkeling geen afvalwateropgave.
4.4.3
Keur Waterschap Hollandse Delta
In de keur van Waterschap Hollandse Delta staan de regels die het waterschap hanteert bij onder andere de bescherming van waterkeringen, watergangen en kunstwerken. In de keur staat beschreven aan welke voorwaarden voldaan moet worden en of er een meldingsplicht geldt. Wanneer iets volgens de keur niet is toegestaan, kan een vergunning worden aangevraagd. Waterschap Hollandse Delta toetst een aanvraag dan aan de beleidsregels. Het doel hiervan is nadelige effecten op het watersysteem te voorkomen. Het waterschap staat in dit geval wel toe dat de waterpartij eerst gedempt wordt en dat de compensatie later ingevuld wordt o.a. door het weghalen van mast 068. In artikel 3.2 van de keur van Waterschap Hollandse Delta is een ruime verbodsbepaling opgenomen voor handelingen of het aanbrengen van substanties bij waterstaatswerken en beschermingszones. De beschermingszone heeft als doel het waterstaatswerk te beschermen. Onder deze gebodsbepaling valt bijvoorbeeld het dempen van een waterpartij; dit heeft namelijk een negatief effect op het watersysteem. Indien een (gedeelte) van een waterpartij wordt gedempt, moet dit volledig gecompenseerd worden door nieuw oppervlaktewater te creëren. Daarnaast heeft de toename van verhard oppervlak een nadelig effect op het watersysteem.
Door extra versnelde afvoer van neerslag, verminderen de afvoer- en bergingscapaciteit van het watersysteem namelijk. Om deze capaciteit te behouden, is het verplicht de toename van verhard oppervlak te compenseren. Waterschap Hollandse Delta geeft hierbij de voorkeur aan het vasthouden van water in het peilgebied zelf. Dit voorkomt namelijk dat de afvoer- en bergingscapaciteit op een andere plek moeten toenemen. Artikel 3.3 van de keur van Waterschap Hollandse Delta verbiedt daarom zonder watervergunning neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen. 4.4.4
Gemeentelijk Watertakenplan 2021 - 2025
Het gemeentelijk watertakenplan beschrijft hoe gemeente Nissewaard invulling geeft aan haar zorgplichten voor stedelijk afvalwater en hemelwater, en haar inspanningsverplichting voor grondwatermaatregelen. Het plan begint met een terugblik op de voorgaande periode. Vervolgens worden de ambities en beleidsrichtingen van de gemeente beschreven. De gemeente speelt in op thema’s als klimaatadaptatie, digitalisering, duurzaamheid en integraal werken. Door op een effectieve en duurzame manier om te gaan met afval-, hemel- en grondwater wil de gemeente zo min mogelijk problemen afwentelen op de volgende generaties. Zo wil de gemeente bijvoorbeeld middels Operatie Steenbreek, dat het vergroenen van de leefomgeving als doel heeft, zorgen voor een klimaatbestendige en gezonde leefomgeving. 4.4.5
Gevolgen toekomstige ontwikkeling
TenneT heeft het voornemen om het hoogspanningsstation Simonshaven (SMH380) in gemeente Nissewaard uit te breiden. Waterschap Hollandse Delta is tijdens een vooroverleg op de hoogte gebracht van de ontwikkeling (d.d. 01-09-2022). Een aantal aandachtspunten zijn hierbij naar voren gekomen: het dempen van oppervlaktewater; toename van verhard oppervlak; werkzaamheden in een beschermingszone. Voor het verplaatsen van hoogspanningsmast 068, is het noodzakelijk een gedeelte van het aangrenzende oppervlaktewater te dempen. Op basis van de keur van het waterschap (artikel 3.2 en artikel 3.9) dient hiervoor een vergunning aangevraagd te worden. In de Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 20142 (BL-05) worden criteria voor het dempen van oppervlaktewaterlichamen beschreven. Het water dat gedempt wordt, moet volledig gecompenseerd worden. TenneT en het waterschap hebben hierover een eerste oriënterend gesprek gehad. Daarnaast neemt het verhard oppervlak in de toekomstige situatie met ongeveer 8.156 m² toe. Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 78 van 107
De toename is groter dan 1.500 m². Dit betekent dat watercompensatie in de vorm van waterberging nodig is om versnelde afvoer tegen te gaan. Het waterschap hanteert een compensatienorm van 10% oppervlaktewater ten opzichte van het verharde oppervlak. De waterbergingsopgave die de toename van verhard oppervlak compenseert, bedraagt daarmee 1.216 m². Wanneer naar de totale waterbergingsopgave wordt gekeken, moet hier de compensatie voor de gedempte waterpartij aan toegevoegd worden. Bij het invullen van de compensatieplicht, dient rekening gehouden te worden met het gehanteerde peil. Hoogspanningsmasten 066 en 067 vallen in peilgebied 3.09. Hier wordt een streefpeil van NAP -0,75 m gehanteerd. Het hoogspanningsstation en hoogspanningsmast 068 vallen in peilgebied 5.07. Hier wordt een streefpeil van NAP -2,00 m gehanteerd. Verder dient rekening gehouden worden met de verschillende beschermingszones. De watergangen ten noorden en westen van hoogspanningsmast 066, en de watergangen ten noorden en zuiden van hoogspanningsmast 067 hebben een beschermingszone van 2,0 meter. De beschermingszones rondom de overige watergangen die grenzen aan het plangebied is 5,0 meter. Ook geldt voor waterkering Oud Hoenderhoeksedijk een beschermingszone van 5 meter (vanaf insteek aan de bovenzijde).
Op grond van artikel 3.2 van de keur van het waterschap geldt een algemene, ruime verbodsbepaling voor handelingen of het laten liggen of staan van werken, vaste substanties of voorwerpen bij waterstaatwerken en beschermingszones. Indien handelingen zich binnen de beschermingszones bevinden, dient hiervoor een vergunning aangevraagd te worden.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan Indien er rekening wordt gehouden met de aanvraag van de juiste vergunningen en de juiste maatregelen zoals beschreven in de situatie en Bijlage 7 Watertoets voorziet het plan in een adequate waterhuishouding en heeft het geen negatieve gevolgen voor het aspect water. Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.
4.5
Bomeninventarisatie
Kader Het hoogspanningsstation Simonshaven 380kV dient te worden aangepast. Hoogspanningsstation Simonshaven 380kV is bij de bouw in 2009 al ingericht zodat verdere invulling van het station met lijn- en transformatorvelden mogelijk is. Door nieuwe ontwikkelingen is echter een uitbreiding nodig die verder reikt dan de huidige terreingrenzen en de mogelijkheden van het huidige bestemmingsplan. Voor deze uitbreiding dient een inventarisatie van de houtopstanden gedaan te zijn. De inventarisatie moet kunnen worden gebruikt voor het indienen van een eventuele omgevingsvergunning kap. De regelgeving rondom bomenkap in gemeente Nissewaard staat beschreven in de algemene plaatselijke verordening (APV). In de APV artikel 4:11 staat vermeld dat het verboden is zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag bomen te vellen of te doen vellen wanneer de stamdiameter groter is dan 0,7 meter op een hoogte van 1,3 meter boven maaiveld of bomen die als waardevol zijn aangewezen. Buiten de bebouwde kom is het de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Conform de Wnb is een kapmelding noodzakelijk wanneer de houtopstand onderdeel uitmaakt van een rij bomen van meer dan 20 stuks, of een oppervlakte van minimaal 1000 vierkante meter (10 are). Ten aanzien van de Wnb is de provincie bevoegd gezag. De kapmelding moet worden gedaan bij omgevingsdienst Haaglanden.
Situatie
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 79 van 107
Er is in het kader van dit project door Sweco een bomeninventarisatie uitgevoerd, deze is te vinden in Bijlage 8. De boominventarisatie is uitgevoerd op 14 november 2022. Het onderzoek is uitgevoerd door middel van een veldopname op de projectlocatie. De locaties van de bomen zijn voorafgaande aan het veldonderzoek middels digitaal kaartmateriaal ingetekend. Vervolgens zijn deze gegevens tijdens de inspectie op locatie gecontroleerd. Geen van de bomen in het plangebied staan op de waardevolle bomen lijst of hebben een stamdiameter groter dan 0,7 meter. Drie bosvakken hebben een oppervlakte van 1000 vierkante meter of groter en zijn meldingsplichting. Ten behoeve van voorgenomen werkzaamheden voor het hoogspanningsstation van TenneT zijn bomen geïnventariseerd. Diverse boomvakken zijn in maart 2023 preventief gerooid middels een kapmelding. RVO is bevoegd gezag, gemeente is geïnformeerd. Locaties voor mogelijke herplant zijn ook te vinden.
Figuur 4.2 rode vlakken: gekapte bomen.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan Indien rekening wordt gehouden met de kapmelding voor de 3 bosvakken als benoemd in Bijlage 8 vormt het aspect bomeninventarisatie geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 80 van 107
4.6
Verkeer
Het bestemmingsplan voorziet in een nieuw hoogspanningsstation en de daarbij horende aanpassingen aan hoogspanningsmasten. Er worden geen ontwikkelingen toegelaten die leiden tot een substantiële toename van verkeer. Enkel voor de aanleg en het onderhoud zijn tijdelijk extra verkeersbewegingen noodzakelijk.
4.7
Bodemkwaliteit
Kader In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging, dient in enkele gevallen een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop en waarbinnen deze ontwikkelingen plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
Situatie Er is in het kader van dit project door Sweco een vooronderzoek bodem opgeleverd, deze is te vinden in Bijlage 9 ook is er een verkennend bodem onderzoek uitgevoerd die te vinden is in Bijlage 10. Uit deze onderzoeken blijkt dat in de grond bijmengingen zijn waargenomen tijdens de veldwerkzaamheden (puin, worteldoek, gravel). Ook is er een sterke loodverontreiniging aangetroffen. De verontreiniging komt voor in een zandlaag die naar alle waarschijnlijkheid bij de aanleg is aangebracht. Er wordt aanbevolen om middels een afperkend onderzoek de omvang van de verontreiniging vast te stellen. In de overige boringen zijn ten hoogst lichte verontreinigingen aangetoond. Ondanks de verdachte aspecten kan de beoogde ontwikkeling doorgang krijgen. De beoogde functie is niet gevoelig voor een vervuilde bodem, ook leidt de activiteit zelf niet tot een verslechtering van de bodemkwaliteit. Verder wordt er in de aanlegfase aandacht besteed aan de bodemkwaliteit.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.
4.8
Geluid
Kader Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh)). Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), doordat een goede ruimtelijke ordening vereist dat een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd ter plaatse van bijvoorbeeld gevoelige functies.
Situatie Er is in het kader van dit project door Peutz een akoestisch onderzoek opgeleverd, deze is te vinden in Bijlage 11. Het gelijktijdig te schakelen transformatorvermogen zal ook in de toekomst lager blijven dan 200 MVA. Dergelijke inrichtingen zijn niet milieuvergunningsplichtig. Onder de oude regelgeving waren de voorschriften uit het Actvititeitenbesluit van toepassing.
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 81 van 107
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanaf dat moment zijn er, tijdens de overgangsfase, getoetst worden aan de grenswaarden die zijn weergegeven in de zogenaamde 'bruidsschat'. Beide toetsingskaders komen in principe neer op toetsingaan een etmaalwaarde van 50 dB(A) (dit komt overeen met een langtijdgemiddled beoordelings-niveau van 50 dB(A) overdag, 45 dB(A) in de avond en 40 dB(A) in de nacht). Wel is het zo dat in de Omgevingswet ook getoetst dient te worden bij 'nevengebruiksfuncties' en op plaatsen waar een geluidgevoelig gebouw, op basis van het omgevingsplan, gebouwd mag worden (maar nog niet aanwezig zijn). Dit leidt in dit geval niet tot een andere conclusie. Het geluid afkomstig van transformatoren is tonaal van karakter. Gelet hierop zal, op basis van de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', over het algemeen een toeslag voor tonaal geluid (K1 = 5dB) moeten worden toegepast. Eén en ander is evenwel afhankelijk van het geluidniveau an het transformatorgeluid in relatie tot het achtergrondgeluidniveau. Gelet op de lage berekende geluidniveaus ter plaatse van de beschouwde posities kan ervan uitgegaan worden dat het geluid ter plaatse niet als tonaal beoordeeld zal worden. In onderhavige situatie is evenwel "worst case" de toeslag toegepast.
Uit het onderzoek volgt dat de etmaalwaarde ter plaatste van de meest nabij gesitueerde woningen op de grens van de omgeving aanwezig woonbestemmingen maximaal 28 dB(A) zal bedragen inclsuief toeslag K1. Hiermee wordt ruimschoots voldaan, zowel aan de standaardvoorschriften uit het Activiteitenbesluit als aan de voorschriften zoals genoemd in de 'bruidsschat'/ De maximale geluidniveaus ten gevolge van het schakelen bedragen in de huidige en de geprojecteerde situatie ten hoogste respectievelijk 45 en 52 dB(A). Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de standaardgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, de avond- en de nachtperiode.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan Er wordt ruimschoots voldaan aan de standaardgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hierdoor vormt het aspect geluid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Luchtkwaliteit
Kader In de Wet milieubeheer (hierna: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierin is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Kern van het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en op welke wijze overschrijdingen van de luchtkwaliteit dienen te worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de hiervoor geldende grenswaarden. De beoordelingscriteria of er voor een project sprake is van NIBM, zijn vastgelegd in het "Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)".
In dit Besluit is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma, een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Situatie
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 82 van 107
Het bestemmingsplan voorziet in een verandering in bestaande hoogspanningsmasten. Er worden geen ontwikkelingen toegelaten die leiden tot een substantiële toename van verkeer. Enkel voor de aanleg en het onderhoud zijn tijdelijk extra verkeersbewegingen noodzakelijk. Het project beïnvloedt dan ook de luchtkwaliteit in de zin van het Besluit niet in betekenende mate.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10
Externe veiligheid
Kader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Situatie De hoogspanningsverbinding is geen inrichting, dan wel een transportas waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt op basis van het Bevi dan wel het Bevb. Het Bevi is ook niet van toepassing op het hoogspanningsstation omdat het station geen Bevi-inrichting is. Het hoogspanningsstation vormt geen (extern) veiligheidsrisico richting de omgeving. Het hoogspanningsstation zelf is tevens ook geen kwetsbaar object in de zin van het Bevi.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan Het aspect (externe) veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.
4.11
Bedrijven en milieuzonering
Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in het algemeen gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 83 van 107
'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
Situatie TenneT is voornemens om het transformatorstation uit te breiden met drie 500 MVA transformatoren (TR412, TR413 en TR414) en drie 50 kV compensatiespoelen (SP412, SP413 en SP414). Deze zullen worden geplaatst ten noorden van de huidige transformatorcel en zowel de transformatoren als de spoelen zullen inpandig worden opgesteld. In lijn met eerder onderzoek voor transformatorstation Simonshaven wordt voor alle takken rekening gehouden met drie vermogensschakelaars. Daarnaast wordt bij iedere spoel een vermogensschakelaar voorzien. Deze schakelaars zijn alleen relevant voor de berekening van de maximale geluidniveaus in de omgeving (piekgeluiden). Het buiten opgestelde vermogen is lager dan 200 MVA. Het transformatorstation is hierdoor niet vergunningplichtig en valt hierdoor niet in een van de genoemde richtafstanden in de VNG brochure.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan Omdat de drie 500 MVA transformatoren en drie 50 kV compensatiespoelen inpandig worden opgesteld en het buiten opgestelde vermogen lager is dan 200 MVA wordt voldaan aan de richtafstanden van de VNG. Hierdoor vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12
Elektromagnetische velden
Kader Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Voor de blootstelling aan deze magnetische velden gelden geen wettelijk vastgestelde limieten, maar zowel op Europees als op nationaal niveau is er wel beleid opgesteld waarin blootstellingslimieten worden aanbevolen. Zo wordt op grond van de Europese Richtlijn 1999/519/EC blootstelling aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microtesla afgeraden. Deze blootstellingslimiet geldt voor alle hoogspanningsverbindingen en wordt op voor publiek toegankelijke plaatsen nabij hoogspanningsverbindingen van TenneT nergens overschreden. Op nationaal niveau geldt daarnaast vanaf 2005 een voorzorgsbeleid voor magnetische velden bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Hierin adviseert het (toenmalige) ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) op aanbeveling van de gezondheidsraad om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden met een jaargemiddelde veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). Dit voorzorgsbeleid is dus van toepassing bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen.
Voor hoogspanningsstations dienen op grond van het voorzorgsbeleid standaard maatregelen genomen te worden waardoor de contouren van de magneetvelden niet buiten het terrein van het hoogspanningsstation zelf meer aanwezig zijn. De magneetveldzone van een hoogspanningsverbinding is het gebied links en rechts van een bovengrondse hoogspanningsverbinding waar het magneetveld gemiddeld over een jaar sterker kan zijn dan 0,4 microtesla (zie figuur 4.4) Wanneer daar locaties binnen zijn gelegen waar kinderen langdurig kunnen verblijven (woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven) spreken we van gevoelige bestemmingen.
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 84 van 107
Figuur 4.4 De magneetveldzone van een bovengrondse hoogspanningslijn is het gebied waar het magneetveld sterker kan zijn dan 0,4 microtesla. De maximale afstand van de magneetveldzone 0,4 microtesla bedraagt 'worst-case' 150 meter gemeten vanuit weerzijde van de hartlijn van de hoogspanningsverbinding.
Situatie Voor het project Simonshaven wordt de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding vanaf mast 067 tot aan het hoogspanningsstation in noordelijke richting verlegd. Met deze verplaatsing verschuiven de magneetvelden langs deze verbinding dus ook in noordelijke richting. Binnen de zone van 150 meter, gemeten vanuit beide zijde van de hartlijn van de nieuwe verbinding, bevinden zich geen gevoelige bestemmingen zoals woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven. Er is derhalve geen sprake van negatieve (gezondheid)effecten vanuit magneetvelden.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan Er liggen geen gevoelige objecten in de magneetveldcontour. Het bestemmingsplan is op dit aspect uitvoerbaar.
4.13
Ongesprongen Oorlogsresten
Kader Naar aanleiding van de verschillende oorlogshandelingen kunnen ontplofbare oorlogsresten (OO) zijn achtergebleven in het plangebied. Bij de werkzaamheden in het kader van de realisatie van de nieuwe hoogspanningsverbinding en het hoogspanningsstation bestaat mogelijk het risico dat explosieven worden aangetroffen die gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (hierna: WSCS-OCE) dient ter beoordeling of er indicaties zijn dat binnen het plangebied conventionele explosieven aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied in horizontale en verticale dimensie af te bakenen.
Situatie Er is in het kader van dit project door Sweco een Ongesprongen Oorlogsresten onderzoek uitgevoerd, deze is te vinden in Bijlage 12.
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 85 van 107
Gedurende het onderzoek zijn er geen aanwijzingen gevonden dat zich oorlogs-handelingen hebben afgespeeld in of nabij het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de bezetting zijn meerdere malen brisantbommen gevallen in gemeente Geervliet. De locaties van de afgeworpen brisantbommen konden echter niet achterhaald worden, waardoor deze niet tot verdachte gebieden leiden. Ook hebben er enkele vliegtuigcrashes nabij het onderzoeksgebied plaatsgevonden. Twee crashes konden worden gelokaliseerd en lagen respectievelijk op 400 m (5/6 juni 1940) en 700 m (1 oktober 1940) afstand van het onderzoeksgebied. Het vliegtuig dat in de nacht van 5 op 6 juni 1940 crashte, is reeds geborgen en de onontplofte brisantbommen die het vliegtuig bij zich droeg, zijn tevens geborgen. Van de overige twee crashes kon de locatie niet bepaald worden. De crashes leiden dus niet tot verdachte gebieden. Op de luchtfoto zijn verstoringen te zien die mogelijk het gevolg zijn van oorlogshandelingen. In de overige geraadpleegde gegevens is geen informatie aangetroffen die de verstoringen mogelijk zouden kunnen verklaren. Op basis van die analyse is het onderzoeksgebied onverdacht verklaard.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.
4.14
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Kader Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit m.e.r.: Onderdeel C: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een m.e.r. verplicht is; Onderdeel D: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.
Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden opgesteld. Situatie Er is in het kader van dit project door Sweco een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgeleverd, deze is te vinden in Bijlage 13. Voorliggende ontwikkeling valt onder de categorie D11.3 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein' en D24.1 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding' Voor de categorie 11.3 geldt: met de uitbreiding van het hoogspanningsstation wordt de (indicatieve) drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. niet overschreden. Voor de categorie 24.1 geldt: met de wijziging van een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 380kV wordt één van de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. overschreden. De spanning bedraagt namelijk 380kV. Echter, deze verbinding beslaat geen lengte van 5 kilometer of meer in gevoelig gebied (zoals NNN of Natura 2000).
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 86 van 107
In de aanmeldnotitie zijn de verschillende stappen doorlopen. Op basis van de in deze aanmeldingsnotitie uitgevoerde analyse kan worden geconcludeerd dat er geen belangrijke nadelige gevolgen op het milieu optreden als gevolg van het planvoornemen.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan Het aspect vormvrije m.e.r.- beoordeling vormt geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling.
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 87 van 107
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting
5.1
Algemeen
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.
5.2
De bestemmingen
De regels moeten in samenhang met de verbeelding worden gelezen, waarbij een bestemming op de verbeelding verwijst naar het corresponderende artikel in de regels. In het bestemmingsplan komen een aantal enkel en dubbelbestemmingen voor. De meeste bestemmingen zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen: een bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijking van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijking van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; wijzigingsbevoegdheid. De vigerende bestemmingsplannen is opgebouwd volgens de zogenaamde 3-lagen
Bestemmingsplan trafostation Simonshaven Pagina 88 van 107
systematiek. Dit betekent dat de voorschriften zijn opgebouwd op 3 verschillende niveaus, namelijk als eerste de bestemmingen op perceelsniveau, daarna de bestemmingen op gebiedsniveau en daarna de beschrijving op hoofdlijnen voor het gehele plangebied. In de bestemmingen op perceelsniveau zijn gebruik- en bouwvoorschriften opgenomen voor alle in het bestemmingsplan voorkomende functies. Binnen deze bestemmingen is met subbestemmingen een specifieker gebruik vastgelegd. In de bestemmingen op gebiedsniveau zijn per zone de betreffende voorschriften opgenomen gericht op grondgebruik en ontwikkelingsmogelijkheden. Ook in de voorschriften voor neven- en vervolgfuncties en het aanlegvergunningenstelsel is verwezen naar de zonering. In de beschrijving op hoofdlijnen is een algemeen referentiekader gesteld voor het gehele plangebied waaraan getoetst moet worden bij de toepassing van vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden, het verlenen van een aanlegvergunning en het stellen van nadere eisen. Binnen de huidige RO Standaarden is de opbouw van de planregels vastgelegd. De zogenaamde 3-lagen-systematiek, zoals gebruikt in de vigerende bestemmingsplannen, is onder de RO Standaarden niet meer mogelijk. De nieuwe planregels zijn conform de RO Standaarden 2012 opgesteld. Voor de vormgeving van de regels zijn twee opties: 1.
Zoveel mogelijk aansluiten bij de systematiek uit de vigerende bestemmingsplannen. De bestemmingen op perceelsniveau worden vertaald naar enkel- en dubbelbestemmingen. De bestemmingen op gebiedsniveau worden vertaald naar gebiedsaanduidingen, vernoemd naar de drie zones. 2. Zowel de bestemmingen op perceelsniveau als bestemmingen op gebiedsniveau worden vertaald naar enkel- en dubbelbestemmingen. De beschrijving op hoofdlijnen komt onder de RO Standaarden 2012 en dus in beide van de bovengenoemde opties te vervallen. Belangrijke regels zijn verwerkt in de andere planregels. Om de gebruiksvriendelijkheid en de raadpleegbaarheid van het bestemmingsplan te verbeteren is dit bestemmingsplan opgesteld conform optie 2. Omdat alle mogelijkheden zijn opgenomen in 1 artikel, zijn alle gebruiks- en bouwmogelijkheden alsmede de flexibiliteitsbepalingen gegroepeerd en in 1 oogopslag duidelijk. Deze systematiek leidt wel tot meer enkelbestemmingen en ook de artikelen zullen langer zijn. Omdat het bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar wordt gemaakt worden hier geen problemen in voorzien. Voor de algemene regels blijft hoofdstuk 3 echter wel van toepassing. Voor voorliggend plan zijn er de volgende nieuwe bestemmingen 'Bedrijf - Nutsbedrijf' en 'Leiding - Hoogspanning'. Deze zullen worden toegelicht.