CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan P.J. Bliekstraat

Gemeenteraad 24 april 2024, gemeente NissewaardBij agendapunt: Vaststellen gewijzigd bestemmingsplan P.J. Bliekstraat Spijkenisse22.680 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Openbaar vervoer Naast het plangebied ligt het bus- en metrostation Spijkenisse Centrum. Hier halteren de metrolijnen richting Rotterdam Centraal en Spijkenisse De Akkers. 4.2.3 Parkeren Parkeerbehoefte In bijlage 3 is de eerder opgestelde parkeeropgave voor de beoogde ontwikkeling opgenomen. Na het opstellen van deze parkeeropgave is het programma echter wel gewijzigd. Het gewijzigde programma ziet voornamelijk op het vervallen van de MBO school. Dit wijzigt niets aan de uitgangspunten die zijn geformuleerd voor de woningen. Voor de woningen is dus uitgegaan van de normen zoals geformuleerd in deze bijlage. Hieronder is derhalve een nieuwe berekening opgenomen. In bijlage 4 zijn tevens de parkeernormen onderbouwd. Functie Aantal Parkeernorm Parkeerbehoefte Woningen 223 0,6 per woning 133,8 pp 2 2 Commerciële dienstverlening 1.130 m 1,55 per 100 m bvo 17,5 pp 2 2 Horeca (café, bar) 400 m 1 per 100 m bvo 4 pp 2 2 Kleinschalige detailhandel 490 m 1 per 100 m bvo 4,9 pp Totaal 160,2 pp Tabel 4.1 Totale parkeerbehoefte planontwikkeling (sterk stedelijk, gemiddelde, schil centrum)

39/505

Dubbelgebruik Vanwege het woningaantal is de werkdagnacht het maatgevende moment. Tabel 4.3 toont door middel van aanwezigheidspercentages aan dat op de maatgevende moment (werkdagnacht) er 134 parkeerplaatsen benodigd zijn. Functie

Normatieve parkeerbehoefte 133,8 pp 17,5 pp 4 pp 4,9 pp

Woningen Commerciële dienstverlening Horeca (café, bar) Kleinschalige detailhandel Totaal Tabel 4.2 Parkeerbehoefte maatgevende moment

Aanwezigheidspercentage werkdagnacht 100 % 0 0 0

Parkeerbehoefte 133,8 pp 0 0 0 133,8 pp

Voor de woningen worden 15 deelauto's beschikbaar gesteld, per deelauto is de reductie 4 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte bedraagt 89 parkeerplaatsen. Parkeeraanbod Voor de ontwikkeling worden op eigen terrein 90 parkeerplaatsen aangelegd, hiervan worden 66 parkeerplaatsen in de parkeergarage en 24 parkeerplaatsen op het maaiveld gerealiseerd. De parkeerbehoefte van de planontwikkeling wordt binnen het plangebied opgevangen. In de parkeeropgave zijn alternatieve scenario's voor parkeerplaatsen op loopafstand weergegeven. Deze scenario's zijn toe te passen in het geval van overcapaciteit. Vanwege de ontwikkeling gaan er 47 parkeerplaatsen verloren voor het metro- en busstation. Deze parkeerplaatsen worden bij het metrostation Heemraadlaan gecompenseerd (125 parkeerplaatsen). Voor de bezoekers van het centrum is voldoende parkeerruimte in de nabij gelegen parkeergarages. 4.2.4 Verkeersgeneratie en afwikkeling Verkeersintensiteit huidig en toekomstig In de bestaande situatie genereert het plangebied geen verkeer. Tabel 4.3 toont de totale verkeersgeneratie van de planontwikkeling. Voor de woningen en commerciële dienstverlening is de verkeersgeneratie worstcase inzichtelijk gemaakt conform kencijfers van het CROW. Vanwege de ligging nabij het metro- en busstation zal de werkelijke verkeersgeneratie lager uitkomen.

Voor de horeca heeft het CROW geen kencijfers voor de verkeersgeneratie opgenomen. Het uitgangspunt voor deze functie is een turnover van 3 (6 verkeersbewegingen) per parkeerplaats. Voor de kleinschalige detailhandel is tevens geen kencijfer opgenomen. Het uitgangspunt is tevens een turnover van 3. De verkeersbewegingen zijn voor de werknemers. Het uitgangspunt is dat de bezoekers geen motorvoertuigbewegingen genereren. Naast de werknemers wordt uitgegaan van 2 keer bevoorrading per dag.

40/505

Functie Oppervlakte Aantal Kencijfer 2 2 Appartementen, 50 m - 60 m 48 4,3 per woning Koop, goedkoop Appartementen, 61 m2 - 80 m2 147 5,1 per woning Koop, midden Appartementen, 87 m2 28 6,8 per woning Koop, duur Commerciële 1.130 m2 nvt 8,7 per 100 m2 bvo dienstverlening Horeca (café, bar) 400 m2 bvo nvt nvt 2 Kleinschalige 490 m bvo nvt nvt detailhandel Totaal Tabel 4.3 Totale verkeersgeneratie planontwikkeling per mvt/etmaal

mvt/etmaal 206,4 749,7 190,4 98,3 24 34 1.302,8

De planontwikkeling zorgt voor een verkeersgeneratie van 1.303 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Om de verkeersafwikkeling te beoordelen is de afwikkeling in een spitsuur maatgevend, waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. In een gemiddeld spitsuur betekent dit een verkeersgeneratie van 130 mvt. Deze verkeerstoename zal merkbaar zijn in de drukkere uren, maar naar verwachting geen negatieve gevolgen hebben op de omliggende ontsluitingswegen. 4.2.5 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.

4.3

Geluid

4.3.1 Beleidskader Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen

41/505

waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB. 4.3.2 Onderzoek Voor dit bestemmingsplan zijn akoestische onderzoeken uitgevoerd naar weg- en railverkeer en het busstation. Deze onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 5 en 6. Het plangebied ligt binnen de geluidzone industrielawaai van Botlek-Pernis, echter wordt de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai niet overschreven. Onderzoek is derhalve niet aan de orde. Weg- en railverkeer De nieuwbouw is gelegen binnen de invloedssfeer van diverse wegen en bovengrondse metrolijnen.

Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat voor de nieuwe woonblokken een hogere waarde procedure dient te worden doorlopen. De nieuwbouw voldoet aan de ontheffingscriteria als opgenomen in de nota ‘Hogere grenswaardenbeleid Wet geluidhinder gemeente Nissewaard’ en aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB (binnenstedelijk gebied) voor wegverkeer uit de Wet geluidhinder en 68 dB voor railverkeer uit het Besluit geluidhinder. Uit het maatregelonderzoek volgt dat maatregelen ter beperking van de geluidbelasting niet kostenefficiënt, vanuit stedenbouwkundige perspectief niet wenselijk zijn en/of stuiten op bezwaren van verkeerskundige aard. In het bouwontwerp zijn wel maatregelen aan de gevels opgenomen in de vorm van loggia’s en/of afschermende balkons. Hierdoor: hebben alle appartementen een geluidluwe gevel; hebben alle appartementen een geluidluwe buitenruimte (indien aanwezig); zijn woon- en slaapkamers gesitueerd aan een geluidluwe zijde. De voor woonblok A vast te stellen hogere waarde bedraagt voor wegverkeer ten hoogste: Lden = 54 dB vanwege de Ruwaard van Puttenweg; Lden = 55 dB vanwege de Centrumlaan. De voor woonblok B vast te stellen hogere waarde bedraagt ten hoogste: Lden = 54 dB vanwege de Ruwaard van Puttenweg. De geluidbelasting vanwege de 30-km wegen de P.J.

Bliekstraat, de Groenewoudlaan en de Schoutstraat invallend op de nieuwbouw voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van Lden . 48 dB. De voor railverkeer

42/505

(metrolijnen C en D) vast te stellen hogere waarde bedraagt ten hoogste: Lden = 62 dB voor woonblok A en Lden = 66 dB voor woonblok B. Busstation Uit het onderzoek blijk dat de etmaalwaarde van de geluidbelasting vanwege het optrekken/wegrijden van de bussen bij het busstation ter plaatse van de appartementen ten hoogste bedraagt zowel in de dag-, avond als nachtperiode ten hoogste: Blok A: LAmax = 68 dB(A) (zuidoostgevel) Blok B: LAmax = 70 dB(A) (zuidoostgevel) Aan de voor maximale geluidniveaus geldende richtwaarde van LAmax = 70 dB(A) in de dagperiode wordt voldaan. De richtwaarden van respectievelijk 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode worden overschreden. De VNG-grenswaarden zijn gelijk aan de richtwaarden, met dit verschil dat piekgeluiden door aan- en afrijdend verkeer kunnen worden uitgesloten van toetsing. Bepalend voor de maximale geluidniveaus vanwege het busstation is juist het aankomen en optrekken/wegrijden van autobussen. Hieruit volgt dat aan de grenswaarden wordt voldaan. Cumulatief De cumulatieve geluidbelasting vanwege het busstation tezamen met het weg- en railverkeerlawaai bedraagt ter plaatse van de appartementen in de bouwblokken A en B ten hoogste respectievelijk Lden = 64 en 65 dB. Uit voorgaande volgt dat het akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse van de bouwblokken als “tamelijk slecht” is te beoordelen.

Mogelijkheden tot beperking van de geluidniveaus In de bestaande situatie is het gros van de in-/uitstaphaltes gesitueerd aan de noordwestzijde van het buseiland. Langs de noordwestelijke grens van het busstation zijn stallings-/parkeervakken voor autobussen aanwezig. Na herinrichting is er sprake van een meer evenredige verdeling van de in-/uitstaphaltes rond het buseiland. De stallings-/parkeervakken langs de noordwestelijke grens komen te vervallen. Het stallen/parkeren van bussen is beperkt tot de bufferzone, waarbij de bussen centraal op het terrein worden geparkeerd. De herinrichting leidt tot verbeteringen op het gebied van verkeersveiligheid en efficiency. Onnodig manoeuvreren van de bussen wordt voorkomen, hetgeen een positief effect heeft op de geluidbijdrage naar de omgeving. Door een meer evenredige verdeling van de haltes rond het busstation neemt de geluidbijdrage in noordwestelijke richting (richting met name het beoogde bouwblok A) af. De (centraal gelegen) stallingsplaatsen komen op enige afstand van het beoogde bouwblok B, waarmee de geluidbijdrage wordt beperkt. De bussen voldoen verder aan de stand der techniek. Met een verdergaande elektrificatie van het wagenpark neemt de geluidbelasting in de toekomst naar verwachting af.

Gelet op voorgaande zijn er geen reële (bron)mogelijkheden om de geluidbelasting vanwege het busstation op de beoogde nieuwbouwblokken A en B verdergaand te beperken. In theorie kan de geluidbelasting worden beperkt middels maatregelen in de overdrachtsweg (plaatsen geluidschermen). Dergelijke schermen zijn over het algemeen effectief als deze ofwel op korte afstand van de bron, ofwel op korte afstand van de ontvanger worden geplaatst. Het is op voorhand duidelijk dat het plaatsen van

43/505

geluidschermen in voorliggende (stedelijke) situatie niet realistisch is. Bovendien geldt dat er sprake is van hoogbouw. Dat betekent dat een eventueel geluidscherm ook erg hoog zou moeten zijn om enig effect te hebben. Wel kan door bouwkundige maatregelen en/of en slim gebouwontwerp de geluidbelasting worden gereduceerd. In het bouwplan is hierop geanticipeerd. In het gebouwontwerp zijn loggia’s c.q. geluidafschermende balkons aan de kant van de hoogst belaste gevels opgenomen. Deze loggia’s/balkons zijn gesitueerd ter hoogte van de te openen ramen. Met deze bouwkundige maatregelen kan de geluidbelasting op de achterliggende gevels in belangrijke mate worden gereduceerd. Om een in akoestische zin acceptabel woon- en leefklimaat binnen de te realiseren appartementen te waarborgen moet worden voldaan aan een binnenniveau: Lden . 33 dB én LAmax . 55 dB(A) in de dag-, 50 dB(A) in de avond- en 45 dB(A) in de nachtperiode. Met de beschreven maatregelen en een goede geluidwering van de gevels kan hier naar verwachting aan worden voldaan. Bij het indienen van de bouwaanvraag zal dit middels een nader gevelgeluidweringsonderzoek moeten worden aangetoond. 4.3.3 Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor onderhavig voornemen. Het laten vaststellen van een hogere waarde voor weg- en railverkeer is wel noodzakelijk.

4.4

Trillingen

4.4.1 Beleid en normstelling Het plangebied ligt op ca. 50-60 m afstand van de metrolijnen C/D en metrostation Spijkenisse Centrum. In algemene zin geldt dat door het rijden van metrostellen over de metrolijn trillingen kunnen worden opgewekt, welke zich kunnen voortplanten via de bovenbouwconstructie en de bodem. Vervolgens kunnen gebouwfunderingen worden aangestoten en in trilling kunnen brengen. Deze trillingen planten zich voort in de gebouwconstructie. Eventuele (objectiveerbare) trillinghinder is afhankelijk van de optredende trillingssterkten en de mate van voorkomen (hoe vaak is een trilling voelbaar). In Nederland bestaan op dit moment geen wettelijke regelingen en normen, die duidelijke grenswaarden met een beoordelingssysteem voor trillingen geven. Sinds 1993 is er wel de meet- en beoordelingsrichtlijn van de SBR “Trillingen deel B – Hinder voor personen in gebouwen”, waarin streefwaarden worden gegeven, waarbij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er geen hinder optreedt. De SBR-publicatie is in 2002 geactualiseerd. Vanwege de toenemende aandacht voor trillingen en trillinghinder langs spoorlijnen (met name waar veelvuldig goederentreinen rijden) is er sinds mei 2019 de “Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen” (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). In de Handreiking worden twee afstandscriteria aangegeven t.a.v.

van de beoordeling van het aspect trillingen. Vindt een plan of project plaats binnen een afstand van 100 m van een spoorlijn, dan wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10.1 van de

44/505

Handreiking. Vindt een plan of project plaats binnen 250 m afstand van een spoorlijn, dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten, bodemopbouw en/ of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek. Hoewel de “Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen” in hoofdzaak hoofdspoorwegennet (treinen), kan deze ook worden toegepast bij metrolijnen.

is

toegespitst

op

het

4.4.2 Onderzoek en conclusie Voor het plangebied is de situatie t.a.v. spoortrillingen beoordeeld op basis van een quickscan zoals beschreven in paragraaf 10.1 van de Handreiking, waarin tevens is aangegeven dat bij voorkeur ook aandacht wordt besteed aan eventuele ontwikkelingen aan de bron (wijzigingen aan het spoor, wijzigingen in treintypen, etc.). In de Handreiking staan de volgende informatiebronnen genoemd die gebruikt kunnen worden voor een quickscan: bodemgesteldheid en opbouw, ligging waterpartijen, treinbeeld, locatie ES-lassen, wissels en overgangsconstructies, locatie bebouwing en type bebouwing en eventuele toekomstige wijzigingen aan het spoor. Voor de metrolijn in Spijkenissie geldt dat er sprake is van een circa 4 meter boven het maaiveld vrijliggende betonnen metrobaan. De betonnen baansecties staan op betonnen pijlers. Vanwege geluid is de baan voorzien van betonnen geluidafscherming. Doordat de baan niet rechtsreeks in contact staat met de bodem/maailveld wordt de overdracht van trillingen van de baan naar de bodem sterk beperkt. Aan de oostijde van de metrolijn bevindt zich op vergelijkbare afstand als het plangebied bestaande woonbebouwing. Er zijn geen klachten bekend vanwege trillinghinder. Om deze redenen is het niet aannemelijk dat hinder vanwege trillingen zal optreden.

Concluderend wordt gesteld dat een nader aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht en dat in het kader van bovengenoemde Handreiking deze quickscan toereikend is voor het aspect trillingen.

4.5

Water

4.5.1 Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgenomen ontwikkeling. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.

45/505

Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Omgevingsvisie Provinciale Omgevingsverordening Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta: waterveiligheid (dijken en duinen) versterkte duinen meer biodiversiteit op de dijken minder CO2-uitstoot, vergoten meer innovatie voldoende schoonwater Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld.

Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. 4.5.2 Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit parkeerplaatsen en een fietsenstalling. De locatie is bijna volledig verhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege

46/505

de ligging in de bebouwde kom is de locatie niet gekarteerd. Op de Bodemkaart is te zien dat de bodem van de omgeving het plangebied uit kalkrijke poldervaaggronden; zware klei bestaat. Met betrekking tot het grondwater is in de omgeving van het plangebied sprake van grondwatertrap IVu. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) 54 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) bevindt zich op 109 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 1,00 meter beneden NAP. Waterkwantiteit Conform de Legger van het Waterschap Hollandse Delta bevinden in het plangebied zich geen watergangen, zie figuur 4.1.

Figuur 4.1 Uitsnede Legger Waterschap Hollandse Delta met het plangebied zwart omkaderd Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet in de kernzone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is niet aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel.

47/505

4.5.3 Toekomstige situatie In de beoogde situatie worden twee woontorens in combinatie met commerciële dienstverlening, horeca en kleinschalige detailhandel gerealiseerd. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Om de kans op wateroverlast te verkleinen is het van belang om ervoor te zorgen dat het watersysteem optimaal functioneert en goed wordt onderhouden. Het Waterschap Hollandse Delta hanteert een grens van 500 m2. Wanneer een ontwikkeling deze grens overschrijdt, dient er voor de verharding gecompenseerd te worden. Omdat de locatie in de huidige situatie al bijna volledig verhard is, is er geen sprake van een toename van verharding van meer dan 500 m2. Er hoeven geen compenserende maatregelen getroffen te worden. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. 4.5.4 Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht voor het plangebied. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling onder de grenswaarde van 500 m2 valt en er niet gecompenseerd hoeft te worden. Daarnaast bevinden in het plangebied geen watergangen of waterkeringen. Negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem kunnen ter plaatse uitgesloten worden.

48/505

4.6

Ecologie

4.6.1 Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura 2000-gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.

49/505

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening.

Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. 4.6.2 Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak ligt op circa 16 kilometer. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zuid-Holland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 908 meter (figuur 4.2).

50/505

Figuur 4.2 Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Zuid-Holland) Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Met het rekenmodel Aerius (versie 2022) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatiefase en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd (zie bijlage 8 voor de memo en bijlage 9 voor de berekening). Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de aanlegfase en de gebruiksfase van de ontwikkeling. 4.6.3 Soortenbescherming In bijlage 7 is de quickscan Wet natuurbescherming toegevoegd. Omdat de locatie mogelijk een vliegroute is van vleermuizen, huismussen of gierzwaluwen zijn negatieve effecten op deze soorten niet zonder meer uit te sluiten. Voor deze soorten moet derhalve nader onderzoek worden uitgevoerd. Dit nader onderzoek wordt mometeel uitgevoerd. Indien uit nader onderzoek mitigerende maatregelen volgen worden deze uitgevoerd. Conclusie Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect soortenbescherming wordt nader onderzocht.

Indien maatregelen nodig zijn naar aanleiding van het nader onderzoek, worden deze opgevolgd.

51/505

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4 weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. 4.7.2 Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een 223 woningen, 1.130 m2 bvo commerciële dienstverlening, 400 m2 bvo aan horeca en 490 m2 bvo aan kleinschalige detailhandel.

De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van het verkeer van 1.653 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde) in de omgeving. In de NIBM-tool (versie 23-04-2022) is worst-case 2022 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,83 µg/m³ en van fijnstof van 0,20 µg/m³ (figuur 4.3). Beide toenames zijn onder 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht.

52/505

Figuur 4.3 Resultaten van berekening met de NIBM-tool Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.8

Bedrijven en milieuhinder

4.8.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag de richtafstand met één stap worden verkleind. Gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

53/505

4.8.2 Onderzoek en conclusie In de beoogde situatie worden 223 woningen, 1.130 m2 bvo commerciële dienstverlening, 400 m2 bvo aan horeca en 490 m2 bvo aan kleinschalige detailhandel gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige en milieuhinderlijke functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. De locatie is naast het metrostation Spijkenisse Centrum gelegen. Tevens zijn in het gebied verschillende functies, waaronder gemengd functies, cultuur en ontspanning, horeca en maatschappelijk functies gevestigd. Hierdoor kan de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'. Milieugevoelige functie De woningen worden gezien als milieugevoelige functies. Ten noorden, op een afstand van circa 31 meter bevindt zich een gemengd bestemming. Hier mogen detailhandel, zakelijke dienstverlening en maatschappelijke dienstverlening worden gerealiseerd. Deze vallen volgens de VNG-brochure onder maximaal milieucategorie 2 en hebben een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Tevens mogen bedrijven uit ten hoogste categorie B1 van de Staat 'functiemenging' (gebied aangewezen als functiemeningsgebied) gerealiseerd worden op deze locatie. Hieronder vallen bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan.

De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Ten westen bevindt zich een maatschappelijke bestemming met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Met een afstand van circa 11 meter wordt hieraan voldaan. Ten zuiden zijn op de gemengde bestemming zakelijke dienstverlening, kantoren en maatschappelijke dienstverlening mogelijk met een maximale richtafstand van 10 meter. Ook hier wordt met een afstand van circa 10 meter tot het plangebied voldaan. Ten oosten bevindt zich metrostation Spijkenisse Centrum. Volgens de VNG-brochure valt dit in milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 50 meter in gemengd gebied. Hier wordt niet aan voldaan. Het maatgevende aspect betreft hier geluid, voor de overige aspecten geur, stof en geur staat 0 meter. Voor het aspect geluid heeft een onderzoek plaatsgevonden, in paragraaf 4.3 is het onderzoek en de conclusies hiervan nader omschreven. Tevens is naast het metrostation horeca en detailhandel toegestaan. Deze vallen onder milieucategorie 1 en mogen in gemengd gebied naast woningen worden gerealiseerd. Milieuhinderlijke functies Naast de woningen worden ook commerciële dienstverlening, horeca en kleinschalige detailhandel gerealiseerd. Deze functies vallen allen in milieucategorie 1 en hebben een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied.

Deze kunnen derhalve naast woningen gerealiseerd worden. Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is er voor de woonbestemmingen sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Omliggende bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.

4.9

Externe veiligheid

4.9.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

54/505

bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.

In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit

55/505

externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 4.9.2

Onderzoek

Figuur 4.4 Uitsnede professionele risicokaart met plangebied groen omcirkeld Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van de A15 en het spoortraject Pernis – Botlek. Omdat de afstand tot beide transport-routes groter is dan 200 meter, hoeven er volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik en kan er worden volstaan met een beknopte verantwoording. Beknopte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Gaddijk en Korte Schenkeldijk. Deze wegen sluit aan op het verdere wegennetwerk van Spijkenisse. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie worden woningen en openbare functies gerealiseerd. Eventueel aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het water geldt dat een overdrukscenario met een wolkbrand of een

56/505

explosiescenario het meest aannemelijk is. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. 4.9.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de vaarwegroute Rotterdam – Moerdijk waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig.

Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Bodemkwaliteit 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.10.2 Onderzoek en conclusie Naar aanleiding van de bestemmingswijziging is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 10.

Gelet op de onderzoeksresultaten van het plangebied, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en/of de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende streefwaarden (grondwater) dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Het aspect bodem staat de bestemmingswijziging niet in de weg.

57/505

4.11 Cultuurhistorie en archeologie 4.11.1 Cultuurhistorie Er zijn in en rondom het plangebied geen monumenten andere cultuurhistorische waarden aanwezig. Tevens gelden er geen cultuurhistorische dubbelbestemmingen ter plaatse van het plangebied. Als gevolg van de voorziene ontwikkeling worden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen verstoord. Het aspect cultuurhistorie vormt hierom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.11.2 Archeologie Beleidskader De gemeente Spijkenisse heeft een archeologisch beleid en beleidsinstrumenten ontwikkeld, waaronder de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Spijkenisse (AWK), waarmee een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen is gewaarborgd. Ook worden bestemmingsplannen voorzien van een archeologieparagraaf. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

Het bovenstaande sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese Verdrag van Malta is ontwikkeld en dat aansluit bij de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz 2007). Belangrijk gemeentelijk toetsinstrument is de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Spijkenisse (vaststelling in procedure). Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Onderzoek Er is geen bebouwing op de locatie aanwezig en geen cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voor het aspect archeologie is een quickscan uitgevoerd, zie bijlage 11. Op het bestemmingsplan “Centrum 2012” (vastgesteld 22-06-2013) ligt het plangebied (beide blokken) in een zone met dubbelbestemming Waarde – Archeologie – 3.

In deze zone is het verplicht een rapport te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld. Deze verplichting geldt bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken inclusief het aanbrengen van palenfunderingen en het slaan van damwanden, maar ook bij andere grondbewerkingen en het ingraven van kabels en leidingen als deze dieper reiken dan 50 cm -mv en een terreinoppervlakte omvatten dat groter is dan 200 m2. De huidige plangebieden zijn groter dan deze vrijstellingsgrenzen en bij het bebouwen van de deelgebieden zullen de werkzaamheden dieper reiken dan de grens van 50 cm -mv.

58/505

Uit deze quickscan blijkt dat voor de nu geplande ingrepen op basis van het bestemmingsplan een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Op de verbeelding en in de regels is de vigerende dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van eventuele archeologie waarden ter plaatse. In een latere fase van de ontwikkeling wordt het nader archeologisch onderzoek uitgevoerd. Eventuele maatregelen die hieruit voortkomen worden opgevolgd. Conclusie Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Kabels en leidingen 4.12.1 Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.12.2 Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

59/505

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Voor de opbouw van een bestemmingsplan is door het Ministerie van I&M een standaard ontwikkeld, de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan wordt van deze standaarden gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). De hoofdstukindeling van de bestemmingsplanregels bestaat uit: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.

5.2

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen De begrippen die in het bestemmingsplan gebruikt worden zijn in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

60/505

5.3

Bestemmingsregels

Artikel 3 Gemengd Binnen deze bestemming zijn woningen, commerciële dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleinschalige detailhandel mogelijk. Per functie is het aantal of de maximum bruto vloeroppervlak vastgelegd. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' is een ondergrondse parkeergarage toegestaan. Artikel Verkeer - 2 De bestemming 'Verkeer - 2' is toegekend aan het overige verkeers- en verblijfsgebied, zoals wegen in het verblijfsgebied. Ook vallen kleine groenstroken, parkeerplaatsen en fiets- en wandelroutes onder deze bestemming. In beide gebouwen wordt de mogelijkheid geboden om horeca te realiseren. Om een aangrenzen terras te realiseren is op deze locaties de functieaanduiding 'terras' opgenomen. Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen, is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen, afgestemd op het gemeentelijk archeologiebeleid.

5.4

Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een bouwvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 7 Algemene bouwregels Deze algemene regels zijn van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels. Het betreft hier onder andere de overschrijding van bouwgrenzen. Ook is duidelijk vastgelegd hoe met ondergronds bouwen moet worden omgegaan. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het strijdige gebruik. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze afwijkingen betreffen bijvoorbeeld het bouwen van gebouwtjes van openbaar nut, het overschrijden van bebouwingsgrenzen, beperkte verschuivingen van de bestemmingsgrenzen én het oprichten van masten en antennes tot een bepaalde bouwhoogte. Artikel 10 Overige regels In deze regels wordt bepaald dat waar naar wettelijke regelingen wordt verwezen, de regelingen bedoeld worden zoals bepaald op het moment van vaststelling van het plan. Ook is hier een parkeerregeling opgenomen.

61/505

5.5

Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht en Artikel 12 Slotregel De overgangsbepalingen zijn conform het Besluit ruimtelijke ordening.

62/505

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het voorontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eenieder kon in deze periode een inspraakreactie op het plan geven. Tevens is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan overlegpartners in het kader van het wettelijk overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro. Er zijn twee vooroverlegreacties binnengekomen. Dit is van de DCMR en de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. De inhoud van de vooroverlegreactie van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond wordt meegenomen in het ontwerp. Dit leidt niet tot aanpassingen in het bestemmingsplan. De reactie van de DCMR heeft geleid tot aanpassingen van het Akoestisch onderzoek weg- en railverkeer en het Akoestisch onderzoek busstation. Dit is verwerkt in paragraaf 4.3. Er zijn geen inspraakreacties binnengekomen. 6.1.2 Zienswijzen De formele bestemmingsplanprocedure start met het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Belanghebbenden kunnen binnen deze periode een zienswijze indienen.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De kosten voor de uitvoering van het bouwplan liggen volledig bij de ontwikkelende partij. Tevens wordt er een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten. Hierdoor is een exploitatieplan niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Het plan is daarmee financieel uitvoerbaar.

63/505

64/505

Bijlagen bij toelichting

65/505

66/505

Bijlage 1

67/505

Voorlopig ontwerp

AANKOMEN BELEVEN WONEN

I I / N E W H AV E N

GESCHIEDENIS SPIJKENISSE

1970 Kaart van Spijkenisse waar de nieuwe groei duidelijk zichtbaar is. Topotijdreis

NISSEWAARD 2040 In Nissewaard 2040 zijn vier pijlers geformuleerd die allemaal samenkomen bij de locatie Metro Centrum. Met het plan New Haven wordt er ingespeeld op deze pijlers:

1

Spijkenisse gaat door een nieuwe periode in zijn ontwikkeling. Het begon ooit als vissersdorpje aan de Oude Maas. In de jaren ’60 ontwikkelde Spijkenisse zich razendsnel als woonplek voor havenarbeiders van de naoorlogse, opbloeiende haven.

1970 De Maarewijkflat vanaf een bankje waar nu het nieuwe stadhuis staat. Foto Wil Sanou-Bergwerff

2 / N E W H AV E N

Op dit moment en in de toekomst verdampt er helaas steeds meer werkgelegenheid in de haven door verdere automatisering. Hier heeft gemeente Nissewaard op geanticipeerd door het programma Nissewaard 2040 op te stellen. In dit programma staan doelstellingen en een strategie om hier mee om te gaan.

Zet in op ontwikkeling van werkgelegenheid, onderwijs en ruimte voor ondernemerschap In het plan is ruimte gereserveerd voor een vervolgonderwijsinstelling op deze centrale plek. Hiermee ontstaat er goede ruime plek hebben voor het aanbieden van (vervolg) onderwijs.

2

Differentieer de woningvoorraad van monotone wijken uit jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw De nieuwe woningen en het nieuwe woonmilieu zijn onderscheidend en complementair aan de bestaande voorraad. Het woningaanbod is geschikt voor de stedelijke doelgroep en draagt bij aan het vasthouden van jongeren.

3

Verbeter de bereikbaarheid en mobiliteit De herinrichting van het busstation en het creëren van een stedelijk plein rondom het metrostation maakt van deze plek ook een echt stedelijke verblijfsplek. Dit nodigt uit om hier af te spreken, te studeren, wonen en werken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13982355/1