68,Vaststellen wijzigingsplan Tennisbanen Zuidland; Regels Kreken van Nibbeland
Tekst van het document
14.2.2.2 Specifieke bouwaanduiding-landelijk wonen 1
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – landelijk wonen 1’ gelden de volgende regels: a.
aan- en uitbouwen worden minimaal 5,00 m uit de voorste bouwperceelsgrens gerealiseerd;
b.
bijgebouwen worden minimaal 11 m uit de voorste bouwperceelsgrens gerealiseerd;
c.
de bouwhoogte bedraagt maximaal 6,00 m;
d.
in afwijking van het bepaalde in lid 14.2.2.2, sub c geldt een maximale bouwhoogte van maximaal 3,00 m tot 13 m uit de achterste bouwperceelsgrens;
e.
de afstand van bijgebouwen, aan- en uitbouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt minimaal 7,50 m.
14.2.2.3 Specifieke bouwaanduiding-landelijk wonen 2 Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – landelijk wonen 2’ gelden de volgende regels: a.
aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd minimaal 5,00 achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;
b.
de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 3,50 m respectievelijk 6,00 m;
c.
de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, behorende bij vrijstaande hoofdgebouwen, tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt minimaal 3,00 m;
d.
de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, behorende bij twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen, tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt minimaal 3,00 m aan de zijde waar de hoofdgebouwen niet met elkaar verbonden zijn.
14.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 14.1 genoemde bestemming;
b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde mogen binnen het gehele bouwperceel worden gerealiseerd;
c.
de bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2,00 m, met dien verstande dat een afscheiding die gebouwd wordt vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw tot 1,00 m achter de voorgevellijn, maximaal 1,00 m bedraagt;
d.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.
14.3 Nadere eisen 14.3.1 Nadere eisen
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorgaande regels, bij het verlenen van een omgevingsvergunning tot bouwen artikel 2.1, lid 1, sub a Wabo, nadere eisen stellen ten aanzien van: a.
de plaatsing van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar;
b.
de dakhelling van hellende dakvlakken van een gebouw;
c.
de plaatsing en vormgeving van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
14.3.2 Voorwaarde a.
De in lid 14.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan of met het oog op de bereikbaarheid van een gebouw, een bouwwerk, geen gebouw zijnde en gronden in verband met calamiteiten.
b.
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.3.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam omtrent de toelaatbaarheid van de afwijking.
14.4 Specifieke gebruiksregels 14.4.1 Groenverbindingen Minimaal 6 groenverbindingen worden verspreid gerealiseerd naar het achtergelegen park, telkens met een breedte van 7,50 m. 14.4.2 Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige bedrijfsactiviteiten Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige bedrijfsactiviteiten in een woning, een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw is respectievelijk zijn bij wijze van medebestemming toegestaan, met inachtneming van de volgende regels: a.
de activiteiten worden uitsluitend uitgeoefend door de bewoner;
b.
het vloeroppervlak ten behoeve van beroeps- en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is niet groter dan 25% van de brutovloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen met een maximum van 60 m²;
c.
op de bij de betreffende woning behorende gronden vindt geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaats;
d.
het beroepsmatig gebruik en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten gaan niet gepaard met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte detailhandel die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
e.
De beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn inpasbaar in de woonomgeving, met dien verstande dat:
1. op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, tenzij kan worden aangetoond dat het voorgenomen gebruik geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaakt; 2. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige verkeersdruk optreedt; 3. geen verlichte of opvallende reclame uitingen aan de gevel zichtbaar mogen zijn; 4. de woning dient te blijven voldoen aan het Bouwbesluit; 5. er geen sprake is van bedrijvigheid die vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wabo.
Artikel 15 Woongebied - 2 15.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Woongebied - 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen;
b.
tuinen en erven;
c.
beroepsmatig en kleinschalig bedrijfsmatig gebruik, met inachtname van het bepaalde in lid 15.5;
d.
erftoegangswegen, met dien verstande dat hiervoor maximaal een percentage van 30% van het bestemmingsvlak wordt aangewend;
e.
openbare groenvoorzieningen met dien verstande dat hiervoor minimaal een percentage van 15% van het bestemmingsvlak wordt aangewend;
f.
bermen en beplantingen, speelvoorzieningen, voorzieningen voor langzaam verkeer, paden, verhardingen en in- en uitritten;
g.
nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
15.2 Bouwregels 15.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a.
gebouwen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 15.1 genoemde bestemming en zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van aaneengebouwde, tweeaaneengebouwde, drie-aaneengebouwde, vrijstaande, gestapelde en geschakelde gebouwen alsmede als patiowoning;
b.
25% van het plangebied wordt ingevuld met vrijstaande en twee-aaneengebouwde grondgebonden hoofdgebouwen, zoals bedoeld in artikel 13 van deze regels met de aanduidingen ‘vrijstaand’ respectievelijk ‘twee-aaneen’;
c.
75% van het plangebied wordt ingevuld met aaneengebouwde, drie-aaneengebouwde, patio en geschakelde grondgebonden hoofdgebouwen zoals bedoeld in artikel 13 van deze regels met de aanduidingen ‘aaneengebouwd’, ‘specifieke bouwaanduiding - drie-aaneen’, ‘specifieke bouwaanduiding – patio’ respectievelijk ‘specifieke bouwaanduiding geschakeld’;
d.
ter plaatse van de tweetal op de illustratie, in bijlage 2 bij deze regels opgenomen, aangeduide locaties, zijn hoofdgebouwen in gestapelde vorm toegestaan, zoals bedoeld in artikel 13 van deze regels met de aanduiding ‘gestapeld’;
e.
er geldt een woningdichtheid van maximaal 30 woningen per hectare;
f.
de afstand van de voorgevel van een hoofdgebouw tot de voorste bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 1,00 m en maximaal 3,00 m;
g.
het hoofdgebouw wordt met de voorgevel in de gevellijn gebouwd, indien deze lijn op de verbeelding is weergegeven;
h.
de diepte van een vrijstaand, twee-aaneengebouwd, drie-aaneengebouwd, aaneengebouwd, patio en geschakeld hoofdgebouw bedraagt maximaal 12 m;
i.
de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat, met dien verstande dat gestapelde hoofdgebouwen een maximale goot- en bouwhoogte mogen hebben van 9,00 respectievelijk 12 m en dat patiowoningen een maximale goot- en bouwhoogte mogen hebben van 4,00 respectievelijk 8,00 m;
j.
minimaal 25 m² van een bouwperceel blijft onbebouwd, indien er sprake is van een patiowoning als hoofdgebouw, waarbij de onbebouwde ruimte door wanden van minimaal 2,00 m hoog wordt omsloten;
k.
de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt bij vrijstaande en gestapelde hoofdgebouwen minimaal 3,00 m aan beide zijden;
l.
de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt bij twee-aaneengebouwde en geschakelde hoofdgebouwen minimaal 3,00 m aan één zijde;
m. de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt bij drie-aaneengebouwde hoofdgebouwen minimaal 2,00 m aan één zijde, uitgezonderd de middelste woning.
15.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a.
aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 15.1 genoemde bestemming;
b.
aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het achteren zijerf, minimaal 5,00 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;
c.
de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt maximaal 60 m², met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt;
d.
de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 3,50 m respectievelijk maximaal 6,00 m;
e.
de afstand van aan- en uitbouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt bij vrijstaande en twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen minimaal 3,00 m aan één zijde;
f.
de afstand van bijgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt bij vrijstaande hoofdgebouwen minimaal 3,00 m, aan dezelfde zijde als bedoeld in lid 15.2.2, sub e;
g.
voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende bepalingen: 1. per bouwperceel mag niet meer dan één overkapping worden gebouwd; 2. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 30 m²; 3. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3,00 m; 4. overkappingen worden minimaal 3,00 m achter de voorgevellijn gebouwd.
15.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 15.1 genoemde bestemming;
b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde mogen binnen het gehele bouwperceel worden gerealiseerd;
c.
de bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2,00 m, met dien verstande dat een afscheiding die gebouwd wordt vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw tot 1,00 m achter de voorgevellijn, maximaal 1,00 m bedraagt;
d.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.
15.3 Nadere eisen 15.3.1 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorgaande regels, bij het verlenen van een omgevingsvergunning tot bouwen artikel 2.1, lid 1, sub a Wabo, nadere eisen stellen ten aanzien van: a.
de plaatsing van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar;
b.
de dakhelling van hellende dakvlakken van een gebouw;
c.
de plaatsing en vormgeving van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
15.3.2 Voorwaarde a.
De in lid 15.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan of met het oog op de bereikbaarheid van een gebouw, een bouwwerk, geen gebouw zijnde en gronden in verband met calamiteiten.
b.
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 15.3.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam omtrent de toelaatbaarheid van de afwijking.
15.4 Afwijking van de bouwregels 15.4.1 Afwijkingsbevoegdheid voorste bouwperceelsgrens Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van lid 15.2.1, sub f ten behoeve van het realiseren van een hoofdgebouw tot maximaal 5,00 m uit de voorste bouwperceelsgrens, mits de situering inpasbaar is vanuit stedenbouwkundig-ruimtelijk oogpunt. 15.4.2 Afwijkingsbevoegdheid gevellijn Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van lid 15.2.1, sub g ten behoeve van het realiseren van een hoofdgebouw tot maximaal 2,00 m uit de gevellijn, mits de situering inpasbaar is vanuit stedenbouwkundig-ruimtelijk oogpunt. 15.4.3 Afwijkingsbevoegdheid woningtypologie Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van de percentages zoals opgenomen in lid 15.2.1, sub b en sub c, met dien verstande dat het percentage genoemd sub b minimaal 20% en maximaal 30% bedraagt, en het percentage genoemd sub c minimaal 70% en maximaal 80%.
15.4.4 Afwijkingsbevoegdheid woningdichtheid Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van lid 15.2.1, sub e ten behoeve van een hogere woningdichtheid tot maximaal 35 woningen per hectare. 15.4.5 Advies Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 15.4.1 tot en met 15.4.4 wint het bevoegd gezag advies in bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam omtrent de toelaatbaarheid van de afwijking.
15.5 Specifieke gebruiksregels Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige bedrijfsactiviteiten in een woning, een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw is respectievelijk zijn bij wijze van medebestemming toegestaan, met inachtneming van de volgende regels: a.
de activiteiten worden uitsluitend uitgeoefend door de bewoner;
b.
het vloeroppervlak ten behoeve van beroeps- en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is niet groter dan 25% van de brutovloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen met een maximum van 60 m²;
c.
op de bij de betreffende woning behorende gronden vindt geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaats;
d.
het beroepsmatig gebruik en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten gaan niet gepaard met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte detailhandel die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
e.
De beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn inpasbaar in de woonomgeving, met dien verstande dat: 1. op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, tenzij kan worden aangetoond dat het voorgenomen gebruik geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaakt; 2. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige verkeersdruk optreedt; 3. geen verlichte of opvallende reclame uitingen aan de gevel zichtbaar mogen zijn; 4. de woning dient te blijven voldoen aan het Bouwbesluit; 5. er geen sprake is van bedrijvigheid die vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wabo.
15.6 Afwijking van de gebruiksregels 15.6.1 Erftoegangswegen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 15.1, sub c tot een percentage erftoegangswegen van maximaal 35%, mits hieromtrent door het bevoegd gezag advies is ingewonnen bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam. 15.6.2 Groen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 15.1, sub d tot een percentage openbaar groen van minimaal 10%, mits hieromtrent door het bevoegd gezag advies is ingewonnen bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam.
15.7 Wijzigingsbevoegdheid 15.7.1 Wijziging bestemming Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Woongebied - 2’ te wijzigen ten behoeve van ‘Woongebied - 3‘ waarbij artikel 16 uit dit bestemmingsplan onverkort van toepassing wordt verklaard, mits hieromtrent door het bevoegd gezag advies is ingewonnen bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam.
Artikel 16 Woongebied - 3 16.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Woongebied - 3’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen;
b.
tuinen en erven;
c.
beroepsmatig en kleinschalig bedrijfsmatig gebruik, met inachtname van het bepaalde in lid 16.5;
d.
erftoegangswegen, met dien verstande dat hiervoor maximaal een percentage van 15% van het bestemmingsvlak wordt aangewend;
e.
openbare groenvoorzieningen met dien verstande dat hiervoor minimaal een percentage van 5% van het bestemmingsvlak wordt aangewend;
f.
bermen en beplantingen, speelvoorzieningen, voorzieningen voor langzaam verkeer, paden, verhardingen en in- en uitritten;
g.
nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
16.2 Bouwregels 16.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a.
gebouwen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 16.1 genoemde bestemming en zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van twee-aaneengebouwde, drieaaneengebouwde, vrijstaande, gestapelde en geschakelde gebouwen alsmede als patiowoning;
b.
75% van het plangebied wordt ingevuld met vrijstaande en twee-aaneengebouwde grondgebonden hoofdgebouwen, zoals bedoeld in artikel 13 van deze regels met de aanduidingen ‘vrijstaand’ respectievelijk ‘twee-aaneen’;
c.
25% van het plangebied wordt ingevuld met drie-aaneengebouwde, patio en geschakelde grondgebonden hoofdgebouwen zoals bedoeld in artikel 13 van deze regels met de aanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding - drie-aaneen’, ‘specifieke bouwaanduiding – patio’ respectievelijk ‘specifieke bouwaanduiding - geschakeld’;
d.
ter plaatse van de tweetal op de illustratie, in bijlage 2 bij deze regels opgenomen, aangeduide locaties, zijn hoofdgebouwen in gestapelde vorm toegestaan, zoals bedoeld in artikel 13 van deze regels met de aanduiding ‘gestapeld’;
e.
er geldt een woningdichtheid van maximaal 20 woningen per hectare;
f.
de afstand van de voorgevel van een hoofdgebouw tot de voorste bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 1,00 m en maximaal 3,00 m;
g.
de diepte van een vrijstaand, twee-aaneengebouwd, drie-aaneengebouwd patio en geschakeld hoofdgebouw bedraagt maximaal 12 m;
h.
de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat, met dien verstande dat gestapelde hoofdgebouwen een maximale goot- en bouwhoogte mogen hebben van 9,00 respectievelijk 12 m en dat patiowoningen een maximale goot- en bouwhoogte mogen hebben van 4,00 respectievelijk 8,00 m;
i.
minimaal 25 m² van een bouwperceel blijft onbebouwd, indien er sprake is van een patiowoning als hoofdgebouw, waarbij de onbebouwde ruimte door wanden van minimaal 2,00 m hoog wordt omsloten;
j.
de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt bij vrijstaande en gestapelde hoofdgebouwen minimaal 3,00 m aan beide zijden;
k.
de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt bij twee-aaneengebouwde en geschakelde hoofdgebouwen minimaal 3,00 m aan één zijde;
l.
de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt bij drie-aaneengebouwde hoofdgebouwen minimaal 2,00 m aan één zijde, uitgezonderd de middelste woning.
16.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a.
aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 16.1 genoemde bestemming;
b.
aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het achteren zijerf, minimaal 5,00 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;
c.
de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt maximaal 60 m², met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt;
d.
de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 3,50 m respectievelijk maximaal 6,00 m;
e.
de afstand van aan- en uitbouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt bij vrijstaande en twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen minimaal 3,00 m aan één zijde;
f.
de afstand van bijgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt bij vrijstaande hoofdgebouwen minimaal 3,00 m, aan dezelfde zijde als bedoeld in lid 16.2.2, sub e;
g.
voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende bepalingen: 1. per bouwperceel mag niet meer dan één overkapping worden gebouwd; 2. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 30 m²; 3. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3,00 m; 4. overkappingen worden minimaal 3,00 m achter de voorgevellijn gebouwd.
16.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 16.1 genoemde bestemming;
b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde mogen binnen het gehele bouwperceel worden gerealiseerd;
c.
de bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2,00 m, met dien verstande dat een afscheiding die gebouwd wordt vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw tot 1,00 m achter de voorgevellijn, maximaal 1,00 m bedraagt;
d.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.
16.3 Nadere eisen 16.3.1 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorgaande regels, bij het verlenen van een omgevingsvergunning tot bouwen artikel 2.1, lid 1, sub a Wabo, nadere eisen stellen ten aanzien van: a.
de plaatsing van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar;
b.
de dakhelling van hellende dakvlakken van een gebouw;
c.
de plaatsing en vormgeving van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
16.3.2 Voorwaarde a.
De in lid 16.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan of met het oog op de bereikbaarheid van een gebouw, een bouwwerk, geen gebouw zijnde en gronden in verband met calamiteiten.
b.
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 16.3.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam omtrent de toelaatbaarheid van de afwijking.
16.4 Afwijking van de bouwregels 16.4.1 Afwijkingsbevoegdheid voorste bouwperceelsgrens Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van lid 16.2.1, sub f ten behoeve van het realiseren van een hoofdgebouw tot maximaal 5,00 m uit de voorste bouwperceelsgrens, mits de situering inpasbaar is vanuit stedenbouwkundig-ruimtelijk oogpunt. 16.4.2 Afwijkingsbevoegdheid woningtypologie Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van de percentages zoals opgenomen in lid 16.2.1, sub b en sub c, met dien verstande dat het percentage genoemd sub b minimaal 70% en maximaal 80% bedraagt, en het percentage genoemd sub c minimaal 20% en maximaal 30%. 16.4.3 Afwijkingsbevoegdheid woningdichtheid Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van lid 16.2.1, sub e ten behoeve van een hogere woningdichtheid tot maximaal 25 woningen per hectare. 16.4.4 Advies
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 16.4.1, 16.4.2 en 16.4.3 wint het bevoegd gezag advies in bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam omtrent de toelaatbaarheid van de afwijking.
16.5 Specifieke gebruiksregels Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige bedrijfsactiviteiten in een woning, een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw is respectievelijk zijn bij wijze van medebestemming toegestaan, met inachtneming van de volgende regels: a.
de activiteiten worden uitsluitend uitgeoefend door de bewoner;
b.
het vloeroppervlak ten behoeve van beroeps- en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is niet groter dan 25% van de brutovloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen met een maximum van 60 m²;
c.
op de bij de betreffende woning behorende gronden vindt geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaats;
d.
het beroepsmatig gebruik en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten gaan niet gepaard met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte detailhandel die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
e.
De beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn inpasbaar in de woonomgeving, met dien verstande dat: 1. op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, tenzij kan worden aangetoond dat het voorgenomen gebruik geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaakt; 2. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige verkeersdruk optreedt; 3. geen verlichte of opvallende reclame uitingen aan de gevel zichtbaar mogen zijn; 4. de woning dient te blijven voldoen aan het Bouwbesluit; 5. er geen sprake is van bedrijvigheid die vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wabo.
16.6 Afwijking van de gebruiksregels 16.6.1 Erftoegangswegen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 16.1, sub c tot een percentage erftoegangswegen van maximaal 20%, mits hieromtrent door het bevoegd gezag advies is ingewonnen bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam.
16.7 Wijzigingsbevoegdheid 16.7.1 Wijziging bestemming Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Woongebied - 3’ te wijzigen ten behoeve van ‘Woongebied - 2‘ waarbij artikel 15 uit dit bestemmingsplan onverkort van toepassing wordt verklaard, mits hieromtrent door het bevoegd gezag advies is ingewonnen bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam.
Artikel 17 Waarde - Archeologie - 1 17.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie – 1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a.
het behoud en de bescherming van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden;
met inachtneming van het volgende:
b.
in geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
17.2 Bouwregels a.
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
b.
Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die dieper reiken dan 0,50 m beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 100 m² hebben.
c.
Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
17.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 17.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, de hierna in lid 17.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0,50 m beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan.
17.3.2 Werken c.q. werkzaamheden Het omgevingsvergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a.
grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
b.
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
c.
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
d.
het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
e.
het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
f.
het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
17.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden Het in lid 17.3.1 vervatte verbod geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. 17.3.4 Omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 17.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning Aan een omgevingsvergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.
de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
c.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Artikel 18 Waarde - Archeologie - 2 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie – 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a.
het behoud en de bescherming van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden;
met inachtneming van het volgende:
b.
in geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
18.2 Bouwregels a.
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
b.
Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die dieper reiken dan 5,00 m beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 200 m² hebben.
c.
Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, de hierna in lid 18.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 5,00 m beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan. 18.3.2 Werken c.q. werkzaamheden Het omgevingsvergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a.
grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
b.
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
c.
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
d.
het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
e.
het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
f.
het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
18.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden
Het in lid 18.3.1 vervatte verbod geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. 18.3.4 Omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 18.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning Aan een omgevingsvergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.
de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
c.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Artikel 19 Waarde - Archeologie - 3 19.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie – 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a.
het behoud en de bescherming van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden;
met inachtneming van het volgende:
b.
in geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel voor de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
19.2 Bouwregels a.
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
b.
Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van
damwanden) die dieper reiken dan 0,40 m beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 200 m² hebben. c.
Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
19.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 19.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, de hierna in lid 19.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0,40 m beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan. 19.3.2 Werken c.q. werkzaamheden Het omgevingsvergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a.
grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
b.
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
c.
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
d.
het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
e.
het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
f.
het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
19.3.3 Uitzonderingsregel Het in lid 19.3.1 vervatte verbod geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. 19.3.4 Omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd gezag heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 19.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning Aan een omgevingsvergunning kunnen de volgende regels worden verbonden:
a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.
de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
c.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Artikel 20 Waterstaat - Waterkering 20.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waterstaat - Waterkering’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a.
voorzieningen voor directe en indirecte kering van het water
b.
aanleg, instandhouding en/of bescherming van de waterkering;
met inachtneming van het volgende:
c.
in geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel vóór de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
20.2 Bouwregels 20.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 20.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels: a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 20.1 genoemde bestemming;
b.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m en mogen worden gebouwd te behoeve van de aanleg en instandhouding van de waterkering.
20.3 Afwijking van de bouwregels 20.3.1 Algemene afwijking Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van het bepaalde in lid 20.2, mits de bij de betrokken bestemming behorende regels in acht worden genomen en het belang en het waterkerend vermogen van de waterkering niet onevenredig worden geschaad. 20.3.2 Advies Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 20.3.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering omtrent de toelaatbaarheid van de
afwijking en omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.
20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 20.4.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a.
het aanleggen van wegen of paden en/of andere oppervlakteverhardingen;
b.
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
c.
het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem;
d.
het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
e.
het ophogen, verlagen, afgraven of egaliseren van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte.
20.4.2 Uitzonderingen Het in lid 20.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a.
het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
b.
reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
20.4.3 Toelaatbaarheid a.
De in lid 20.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de functie van de waterkering.
b.
Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de waterkering.
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 21 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 22 Algemene bouwregels 22.1 Bestaande afmetingen en afstanden a.
In die gevallen dat de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud van bouwwerken die in overeenstemming met het bepaalde in de Wabo tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedraagt dan in de bouwregels in
hoofdstuk 2 van deze regels is toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud, horizontale dan wel verticale diepte in afwijking daarvan als maximaal toegestaan. b.
In die gevallen dat de afstand tot enige grens van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Wabo tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven toegestaan, geldt die afstand in afwijking daarvan als minimaal toegestaan;
c.
in het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde sub a en b uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
22.2 Bestaand bebouwingspercentage In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Wabo tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
22.3 Ondergronds bouwen Ondergrondse gebouwen mogen worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a.
ondergrondse gebouwen mogen worden gebouwd op alle gronden waar ingevolge de bestemming gebouwen toelaatbaar zijn;
b.
de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse gebouwen mag niet meer dan 3,00 m onder peil bedragen;
c.
ondergrondse gebouwen worden meegerekend bij het bebouwingsoppervlak, indien en voor zover ze niet onder een bovengronds gebouw zijn gelegen.
22.4 Afwijking van de bouwregels 22.4.1 Afwijkingsbevoegdheid herbouw Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van lid 22.1, sub c ten behoeve van herbouw op een andere plek op hetzelfde perceel en binnen het bouwvlak indien de herbouw a.
geen beperkingen oplevert voor de gebruiksmogelijkheden en de bezonningssituatie van de aangrenzende percelen;
b.
niet leidt tot een verslechtering van de parkeersituatie;
c.
een goede landschappelijke inpassing is verzekerd.
Artikel 23 Algemene gebruiksregels 23.1 Parkeren Elk woning biedt in principe parkeergelegenheid (p.p.) overeenkomstig de volgende minimale norm: 1. woning aanduiding landelijk wonen 1 3,0 p.p. / woning
2. woning duur (vrijstaand, geschakeld) 2,7 p.p. / woning 3. woning middelduur (twee-aaneen, drie-aaneen) 2,6 p.p. / woning 4. woning goedkoop (aaneengebouwd) 2,4 p.p. / woning 5. gestapeld duur (> 150 m2 bvo) 2,5 p.p. / woning 6. gestapeld middelduur (90 – 150 m2 bvo) 2,3 p.p. / woning 7. gestapeld goedkoop (< 90 m2 bvo) 2,0 p.p. / woning 8. zorgwoning (patio / gestapeld) 1,4 p.p. / woning 9. Als de minimale norm ontbreekt, wordt de minimale norm volgens de CROW, publicatie 317,2012, of daaropvolgende uitgaven, gehanteerd met dien verstande dat: a.
deze norm inclusief 0,3 p.p. voor bezoekers is;
b.
bij de parkeerbalans een onderscheid wordt gemaakt tussen het theoretische (conform het huidige ASVV) en berekenings-aantal (hierna benoemd), waarbij een enkele oprit minimaal 5,00 m diep is, een lange oprit minimaal 10,00 m diep is en een dubbele oprit minimaal 4,50 m breed.
23.2 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het doen of laten gebruiken en/of inrichten van: a.
gronden, alsmede gebouwen, onderkomens en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van (de exploitatie van) een seksinrichting, een escortbedrijf en raam- en straatprostitutie;
b.
een aan- of uitbouw als zelfstandige woonruimte;
c.
een vrijstaand bijgebouw als zelfstandige woonruimte en/of voor bewoning;
d.
gronden en gebouwen voor het opslaan van goederen voor bedrijfsdoeleinden, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
e.
gronden als opslagplaats van hout en aannemersmaterialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
f.
gronden als opslagplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
g.
gebouwen voor zelfstandige kantoren;
h.
gebouwen voor detailhandel, anders dan als ondergeschikte nevenactiviteit;
i.
onbebouwde gronden voor het storten c.q. lozen en/of het opslaan van bagger, grondspecie, puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen;
j.
onbebouwde gronden voor het opslaan van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, containers, oude en nieuwe bouwmaterialen, voer- en vaartuigen, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen, machines of onderdelen hiervan, afval, puin, grind en brandstoffen;
k.
onbebouwde gronden voor het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens.
23.3 Ondergeschikte functie Een ondergeschikte functie mag een omvang hebben van niet meer dan 30% van de gezamenlijke brutovloeroppervlakte van de bebouwing.
Artikel 24 Algemene aanduidingsregels 24.1 Afwijkingen 24.1.1 Afwijkingsbevoegdheid voorgevellijn ontheffingsgebied 1 Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo, ter plaatse van de aanduiding ‘Wro-zone – ontheffingsgebied – 1’, afwijken van lid 13.2.1, sub i ten behoeve van het realiseren van een hoofdgebouw tot maximaal 2,00 m uit de voorgevellijn, mits de situering inpasbaar is vanuit stedenbouwkundig-ruimtelijk oogpunt. 24.1.2 Afwijkingsbevoegdheid ontsluiting ontheffingsgebied 2 Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo, ter plaatse van de aanduiding ‘Wro-zone – ontheffingsgebied – 2’, afwijken van lid 3.1 ten behoeve van het realiseren van een ontsluiting voor het gemeentelijk opslagterrein met de bestemming ‘Opslag’.
24.1.3 Afwijkingsbevoegdheid typologie ontheffingsgebied 3 Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo, ter plaatse van de aanduiding ‘Wro-zone – ontheffingsgebied – 3’, afwijken van lid 13.2.1 ten behoeve van de bouw van aaneengebouwde hoofdgebouwen, met dien verstande dat bij de beoordeling omtrent de toelaatbaarheid van de afwijking de gehele ‘Wro-zone - ontheffingsgebied – 3’ in de afweging wordt betrokken én aan de parkeernormen wordt voldaan. 24.1.4 Advies Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 24.1.1 en lid 24.1.3 wint het bevoegd gezag advies in bij het een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam omtrent de toelaatbaarheid van de afwijking.
24.2 Wijzigingen 24.2.1 Wijziging bestemming wijzigingsgebied 1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, ter plaatse van de aanduiding ‘Wro-zone wijzigingsgebied 1’ de bestemming ‘Agrarisch’ te wijzigen ten behoeve van ‘Sport’ waarbij in principe de artikelen uit dit bestemmingsplan onverkort van toepassing worden verklaard, onder voorwaarden dat er geen milieutechnische belemmeringen aanwezig zijn. 24.2.2 Wijziging bestemming wijzigingsgebied 2 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, ter plaatse van de aanduiding ‘Wro-zone wijzigingsgebied 2’, de bestemming te wijzigen ten behoeve van de bestemming ‘Verkeer Verblijfsgebied’, ‘Tuin’ en ‘Wonen‘ waarbij in eerste instantie wordt aangehaakt bij de principes uit de artikelen 9, 11 en 13 uit dit bestemmingsplan, onder voorwaarden dat er geen milieutechnische belemmeringen aanwezig zijn.
24.2.3 Wijziging verbeelding wijzigingsgebied 3 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, ter plaatse van de aanduiding ‘Wro-zone wijzigingsgebied 3’ de verbeelding te wijzigen teneinde in te kunnen spelen op aanpassingen in het verkavelingsplan. Hierbij kunnen bouwgrenzen en aanduidingen verschuiven dan wel wijzigen. 24.2.4 Advies Bij de toepassing van de wijzigingsbevoegd als bedoeld in lid 24.2.2 en lid 24.2.3 winnen burgemeester en wethouders advies in bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam.
Artikel 25 Algemene afwijkingsregels 25.1 Afwijkingen Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning ex artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van de regels in dit plan: a.
met betrekking tot het overschrijden van de naar de weg gekeerde bouwperceelsgrens, zomede van de ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelsgrens bepaalde minimumafstand door ingangspartijen tot maximaal 2,00 m, mits de bebouwde oppervlakte maximaal 6 m² en de bouwhoogte maximaal 3,00 m zal bedragen én mits het overschrijden van grenzen niet leidt tot wijziging van bestemmingen;
b.
met betrekking tot gegeven maten, afmetingen en bebouwingspercentages tot maximaal 10% van de voorgeschreven maten, afmetingen en percentages;
c.
en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit en/of praktische omstandigheden daartoe aanleiding geeft;
d.
en toestaan dat het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
e.
en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, met dien verstande dat de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m² mag bedragen én de bouwhoogte niet meer dan 3,50 m;
f.
met betrekking tot de maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot 1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde tot niet meer dan 40 m; 2. ten behoeve van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot niet meer dan 40 m; 3. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot niet meer dan 10 m;
g.
ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van een overschrijding van deze maximaal toegestane bouwhoogte voor plaatselijke verhogingen,
zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, met dien verstande dat: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak; h.
de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 maal de maximaal toegestane bouwhoogte van het betreffende gebouw.
25.2 Advies Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 25.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam omtrent de toelaatbaarheid van de afwijking.
Artikel 26 Algemene wijzigingsregels 26.1 Wijzigingen 26.1.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde realisering en/of plaatsing van bestemmingen of bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, met dien verstande dat: a.
verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal 3,00 m toelaatbaar zijn;
b.
het bestemmingsvlak met niet meer dan 10% wordt vergroot;
c.
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
d.
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden;
e.
er geen bezwaren bestaan vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving;
f.
de brand-, verkeers- en openbare veiligheid niet in het gedrang komen;
g.
het woon- en leefklimaat niet onevenredig worden aangetast.
26.1.2 Waarde – Archeologie Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door voor één of meer bestemmingsvlakken de bestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’, ‘Waarde – Archeologie – 2’ of ‘Waarde – Archeologie – 3’ geheel of gedeeltelijk te verwijderen indien: a.
uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat er plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
b.
het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
26.2 Advies Bij de toepassing van de wijzigingsbevoegd als bedoeld in lid 26.1.1 winnen burgemeester en wethouders advies in bij een stedenbouwkundige en/of het Supervisieteam.
Artikel 27 Overige regels 27.1 Strafregel Overtreding van het bepaalde in lid 3.5.1, 17.3.1, 18.3.1, 19.3.1, 20.4.1 en 23.2 is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a onder 2° van de Wet economische delicten.
27.2 Uitsluiting aanvullende werking Bouwverordening De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen: a.
de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepalingen;
b.
de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer;
c.
de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;
d.
het bouwen bij hoogspanningsleidingen en ondergrondse hoofdtransportleidingen;
e.
de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden, en
f.
de ruimte tussen bouwwerken.
27.3 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 28 Overgangsrecht 28.1 Overgangsrecht bouwwerken a.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning tot bouwen artikel 2.1, lid 1, sub a Wabo, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning tot bouwen artikel 2.1, lid 1, sub a Wabo wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
b.
Het bevoegd gezag kan eenmalig via een omgevingsvergunning ex artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van het bepaalde sub a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 28.1, sub a met maximaal 10 %;
c.
Lid 28.1, sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
28.2 Overgangsrecht gebruik a.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
b.
het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 28.2, sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
c.
indien het gebruik, bedoeld in lid 28.2, sub a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
d.
lid 28.2, sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.
28.3 Afwijking Voor zover toepassing van het overgangsrecht leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen en/of strikte toepassing leidt tot beperkingen in het meest doelmatige gebruik, die niet door dingende redenen wordt gerechtvaardigd, kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen bij een omgevingsvergunning afwijken.
Artikel 29 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Kreken van Nibbeland te Zuidland’.