68,Vaststellen wijzigingsplan Tennisbanen Zuidland; Regels Kreken van Nibbeland
Tekst van het document
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder:
1.1 plan het wijzigingsplan ‘Kreken van Nibbeland te Zuidland’ van de gemeente Nissewaard;
1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.
0568.BNSZLDKVN022011-0901 met de bijbehorende regels en bijlagen;
1.3 verbeelding de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.
0568.BNSZLDKVN022011-0901;
1.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.5 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.6 aanbouw een aan een hoofdgebouw toegevoegde, afzonderlijke ruimte die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft (goot)hoogte, dakhelling en/of dakvorm) ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
1.7 aaneengebouwd bebouwing waarbij meer dan drie aaneengebouwde hoofdgebouwen aan beide zijden in de perceelsgrens zijn gebouwd, met dien verstande dat de eindwoning slechts aan één zijde in de zijdelingse perceelsgrens hoeft te worden gebouwd;
1.8 achtergevel een van de weg afgekeerde gevel van een hoofdgebouw die parallel of nagenoeg parallel loopt aan de voorgevel;
1.9 achterste bouwperceelsgrens de kadastrale grens aan de achterzijde -de van de wegzijde afgekeerde grens- bij een bouwperceel die de zijkanten van een bouwperceel verbindt. Indien meerdere zijden van het bouwperceel van de weg zijn afgekeerd, wijzen burgemeester en wethouders een achterste bouwperceelsgrens aan;
1.10 afgewerkt bouwterrein
de gemiddelde hoogte van de grond die gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde omringt;
1.11 afwijking een afwijking als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 van de Wabo, zoals deze luidt op het moment van vaststelling van het plan;
1.12 agrarisch bedrijf een bedrijf, gericht op het continue en duurzaam voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in onder meer: a.
akker- en opengrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond met uitzondering van fruitteelt, sierteelt en bosbouw
b.
grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee alsmede het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij waarbij het africhten van en de handel in paarden in ondergeschikte mate plaatsvindt, geheel of nagenoeg geheel met gebruikmaking van open grond;
c.
sierteelt: de teelt van gewassen met in beperkte mate gebruikmaking van kassen al dan niet gecombineerd met de handel en export in boomkwekerijgewassen en vaste planten;
1.13 archeologiepark centrale speel- en groenvoorziening, ter behoud van een archeologische vindplaats, zonder bebouwing;
1.14 archeologische waarde de in het kader van dit plan aan het gebied toegekende waarde gekenmerkt door voorwerpen of bewoningssporen van vroegere samenlevingen direct onder het aardoppervlak;
1.15 Awb de Algemene wet bestuursrecht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;
1.16 bebouwing één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
1.17 bedrijfsgebouw een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
1.18 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein;
1.19 beeldkwaliteitplan
een plan waarin gedetailleerd is aangegeven op welke manier de kwalitatieve uitwerking van alle deelaspecten van het plan wordt gestimuleerd. Het boek bevat randvoorwaarden, aanwijzingen, suggesties en toetsingskaders;
1.20 begeleid wonen vormen van wonen waarbij de begeleiding door externen plaatsvindt, zodat zelfstandig wonen mogelijk wordt of blijft, met dien verstande dat de externen niet (nagenoeg) voortdurend aanwezig zijn én in die woning geen afzonderlijke ruimte voor de begeleiding aanwezig is;
1.21 (beroeps- c.g. bedrijfs)vloeroppervlak het totale vloeroppervlak van de ruimte binnen een bouwwerk dat wordt gebruikt als kantoor- en praktijkruimten en voor de uitoefening van de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bij een woning, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;
1.22 beroepsmatig gebruik van een woning het gebruik van (een beperkt gedeelte van) een woning en/of daarbij behorende aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten door de hoofdbewoner op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en/of daarbij behorende aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;
1.23 bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;
1.24 bestaande situatie a.
ten aanzien van bebouwing:
bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning; b.
ten aanzien van gebruik:
het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen;
1.25 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak;
1.26 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.27 bevoegd gezag het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Wabo;
1.28 bewoner een persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een woning en op dat adres is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie;
1.29 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand, gebouw dat door de vorm, ligging en constructie onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat in functioneel en architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
1.30 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
1.31 bouwgrens de grens van een bouwvlak;
1.32 bouwlaag een doorlopende gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;
1.33 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
1.34 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel;
1.35 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
1.36 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
1.37 brede school
een cluster van maatschappelijke voorzieningen op het gebied van bijvoorbeeld onderwijs, gymzaal, voor- en naschoolse opvang, kinderopvang, peuterspeelzaal, centrum voor jeugd en gezin en speelterrein;
1.38 brutovloeroppervlakte het oppervlak gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingswanden, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimtes omhullen. Dit is met inbegrip van ruimten, zoals keukens, toiletten, bergruimten en dergelijke;
1.39 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur;
1.40 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
1.41 detailhandel als ondergeschikte activiteit: detailhandel, waaronder webwinkels inbegrepen, als activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge het bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie. De (niet detailhandel) functie waaraan de ondergeschikte detailhandel wordt toegevoegd moet qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijven;
1.42 drie-aaneen een blok van drie aaneengebouwde hoofdgebouwen;
1.43 druiplijn de lijn die van onderen het dak begrenst of de onderste horizontale lijn van een dakvlak dat geen goot heeft;
1.44 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond;
1.45 erf al dan niet omheind stuk grond dat in ruimtelijk opzicht direct behoort bij, in functioneel opzicht ten dienste staat van, en in feitelijk opzicht direct aansluit aan een gebouw en dat, blijkens de kadastrale gegevens behoort tot het bouwperceel waarop dat gebouw is geplaatst;
1.46 erfafscheiding
de afscheiding van een erf;
1.47 erker een grondgebonden uitbreiding van één bouwlaag aan de voor- of zijgevel van een woning;
1.48 escortbedrijf de natuurlijke persoon, groep of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte (van een seksinrichting) wordt uitgeoefend, zoals escortservices en bemiddelingsbureau’s;
1.49 functie doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan;
1.50 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.51 geschakeld bebouwing waarbij het hoofdgebouw niet grenst aan een ander hoofdgebouw maar waarbij het hoofdgebouw door een bijgebouw en/of aan- en uitbouw is geschakeld aan een ander hoofdgebouw;
1.52 gestapeld een hoofdgebouw waarin meerdere woningen zijn ondergebracht, zodanig dat deze boven dan wel beneden elkaar zijn gesitueerd, waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid gewaarborgd is;
1.53 gevellijn denkbeeldige dan wel op de kaart aangegeven lijn die strak langs de gevel van een gebouw loopt tot aan de bouwperceelsgrenzen;
1.54 groenverbinding openbaar toegankelijke, groen ingerichte zone, gelegen tussen woonkavels en die de verbinding vormt tussen de toegangsweg en het achterliggende park een en ander indachtig het beeldkwaliteitplan ‘Landelijk Wonen, uitwerking Kreken van Nibbeland Zuidland’ van 20 maart 2012;
1.55 huishouden een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren;
1.56 H.O.E.D.-praktijk praktijk van huisartsen onder één dak;
1.57 hoofdgebouw een gebouw, dat door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw op een bouwperceel kan worden aangemerkt;
1.58 horeca een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor consumptie ter plaatse worden verstrekt en/of waar bedrijfsmatig logies wordt aangeboden;
1.59 kantoor het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;
1.60 kassen gebouwen waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden, zoals het kweken, trekken, vermeerderen, opkweken, of verzorgen van vruchten, bloemen, groenten, planten of bomen, alsmede in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegen milieubelastende stoffen;
1.61 kleinschalig bedrijfsmatig gebruik van een woning het gebruik van (een gedeelte van) een woning en/of daarbij behorende aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door de hoofdbewoner, in tegenstelling tot een beroepsmatig gebruik van een woning, gericht op consumentenverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk, waarvan de omvang zodanig is dat de woonfunctie behouden blijft en waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van de Wabo geldt;
1.62 lichte horeca een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het overdag bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttige voedsel (bereide snacks, ijs en kleine maaltijden) en/of dranken, zoals een snackbar, cafetaria, lunchroom, ijssalon en soortgelijke horecavoorzieningen;
1.63 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie;
1.64 onderbouw een gedeelte van een gebouw, dat gedeeltelijk onder peil is gelegen;
1.65 ondergrondse gebouwen gebouwen of delen daarvan die zijn gelegen beneden peil;
1.66 onderkomen een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voorzover dat/die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent;
1.67 overkapping een bouwwerk voorzien van een gesloten dak en met aan ten hoogste één zijde een gesloten wand;
1.68 patiowoning woning waarbij de binnenplaats (patio) aan minimaal drie zijden is omsloten door wanden;
1.69 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen ten behoeve van een ander tegen vergoeding;
1.70 raamprostitutie een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostitué/prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen;
1.71 seksautomatenhal een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door middel van automaten filmvoorstellingen en/of life-shows van erotische en/of pornografische aard kunnen worden gegeven;
1.72 seksbioscoop/-theater een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door vertoningen van erotische en/of pornografische aard kunnen worden gegeven;
1.73 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prositutiebedrijf of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
1.74 Staat van bedrijfsactiviteiten de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels onderdeel uitmaakt en is gebaseerd op de VNG-brochure 2009 Bedrijven en milieuzonering;
1.75 stedenbouwkundige een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake stedenbouw;
1.76 straatprostitutie het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen of aanlokken, dan wel het naar aanleiding daarvan verrichten van seksuele handelingen;
1.77 supervisieteam het team welke supervisie voert inzake de totstandkoming van het bestemmingsplan Kreken van Nibbeland te Zuidland; het team begeleidt de verdere planontwikkeling, bewaakt de kwaliteit van de openbare ruimte en private initiatieven en draagt voorts zorg voor de ruimtelijke samenhang tussen de diverse bouwplannen, waarbij het beeldkwaliteitplan en het bestemmingsplan als toetsingskader en leidraad worden gebruikt;
1.78 twee-aaneen blokken van twee aaneengebouwde hoofdgebouwen, waarbij de hoofdgebouwen aan één zijde in de zijdelingse perceelsgrens zijn gebouwd;
1.79 uitbouw de vergroting van een bestaande ruimte in een hoofdgebouw, die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft (goot)hoogte, dakhelling en/of dakvorm) ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
1.80 verkoop streekeigen producten het te koop aanbieden, verkopen en/of leveren van agrarische producten aan particulieren, bij wijze van neventak van een agrarisch bedrijf, voor zover deze agrarische producten op het eigen bedrijf/in de regio zijn geproduceerd en hooguit op ambachtelijke wijze op het eigen bedrijf/in de regio zijn verwerkt of bewerkt;
1.81 voorgevel de gevel van een hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt;
1.82 voorgevellijn de gevellijn waarin de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan;
1.83 voorste bouwperceelsgrens de kadastrale grens aan de wegzijde bij een bouwperceel die de zijkanten van een bouwperceel verbindt. Indien meerdere zijden van het bouwperceel naar de weg gekeerd zijn, wijzen burgemeester en wethouders een voorste bouwperceelsgrens aan;
1.84 voorzieningen voor verkeer en verblijf wegen, erftoegangswegen, voet- en fietspaden, in- en uitritten en trottoirs met het bijbehorende straatmeubilair;
1.85 vrijstaand
bebouwing waarbij de hoofdgebouwen aan beide zijden niet in de perceelsgrens zijn gebouwd;
1.86 Wabo de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;
1.87 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater;
1.88 weg als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub b van de Wegenverkeerswet 1994;
1.89 Wegenverkeerswet de Wegenverkeerswet 1994, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;
1.90 werk een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde;
1.91 wonen het gebruik van een complex van ruimten voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;
1.92 woning een complex van ruimten, inclusief aan- en uitbouwen, geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden;
1.93 Wro Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;
1.94 zijdelingse bouwperceelsgrens de kadastrale grens van een bouwperceel tussen twee bouwpercelen, die voor- en achterzijde van een bouwperceel verbindt.
1.95 zorgboerderij een voormalige boerderij met de bijbehorende gebouwen, waar woongelegenheid wordt geboden aan mensen met een beperking en/of met een zorg of hulpvraag, én waarbij activiteiten plaatsvinden gericht op het bieden van zorg en begeleiding aan personen die begeleid dienen te worden in de leefsituatie en de dagbesteding.
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1 afstanden
van gebouwen onderling alsmede afstanden van bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot de bouwperceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn;
2.2 afstand tot de zijdelingse perceelsgrens de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk;
2.3 bebouwd oppervlak van een bouwperceel de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;
2.4 bebouwingspercentage het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwvlak;
2.5 breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren;
2.6 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
2.7 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, waarbij in geval van een hellend dakvlak de druiplijn wordt bepaald door de horizontale snijlijn van het oplopende dakvlak met het daaronder gelegen buitenwerkse gevelvlak;
2.8 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
2.9 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
2.10 peil a.
voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen of op een kortere afstand dan 5,00 m van de weg geprojecteerd zijn: de hoogte van die weg;
b.
indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil;
c.
in andere gevallen én voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
2.11 ondergeschikte bouwdelen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als: a.
plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en uitbouwen met een oppervlakte van 2,00 m² of kleiner;
b.
overstekende daken;
c.
luifels als geïntegreerd onderdeel van een uitbouw;
buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,00 m bedraagt ten opzichte van de bouwgrens of de maximale bouwhoogte.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
akkerbouw, opengrondse tuinbouw – niet zijnde bosbouw, fruitteelt of sierteelt-, en grondgebonden extensieve veehouderij;
b.
ter plaatse van de aanduiding ‘sierteelt’ tevens voor de teelt van siertakken;
c.
ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – wijnmakerij’ tevens voor een wijnmakerij;
d.
ter plaatse van de aanduiding ‘fruitteelt’ tevens voor fruitteelt;
e.
verhardingen, wegen en paden;
f.
groenvoorzieningen;
g.
water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
een en ander met inachtneming van
h.
de in dit gebied voorkomende cultuurhistorisch waardevolle elementen in de vorm van archeologisch waardevolle gebieden;
i.
de in dit gebied voorkomende landschappelijke waarden in de vorm van waardevolle openheid en het patroon van dijken, wegen en kreken.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a.
gebouwen, inclusief de daarbij behorende bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen en overkappingen, worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 3.1 genoemde bestemming;
b.
gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gerealiseerd, waarbij dit bouwvlak volledig mag worden bebouwd ten dienste van één bedrijf;
c.
per agrarisch bedrijf mag één bedrijfswoning worden gerealiseerd, tenzij de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ op de verbeelding is opgenomen;
d.
de inhoud van een bedrijfswoning, aan- en uitbouwen én bijgebouwen meegerekend, mag maximaal 700 m³ bedragen, ondergrondse ruimten niet meegerekend;
e.
de goothoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen van 5,00 m;
f.
voor overige erfbebouwing geldt een maximale goothoogte van 3,00 m;
g.
als een woning wordt herbouwd, mag de afstand van de nieuwe woning tot de dichtstbijzijnde wegas niet minder bedragen dan de afstand van de voormalige woning tot dezelfde wegas;
h.
de goothoogte van agrarische bebouwing, kassen niet meegerekend, mag niet meer bedragen dan 6,50 m;
i.
kassen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – wijnmakerij’;
j.
de goothoogte van kassen mag niet meer bedragen dan 5,00 m en de bouwhoogte niet meer dan 7,00 m;
k.
de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 5,00 m.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 3.1 genoemde bestemming;
b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde mogen, met uitzondering van paardrijbanen, zowel binnen als buiten het bouwvlak worden opgericht;
c.
de bouwhoogte van voedersilo’s bedraagt niet meer dan 12 m;
d.
de bouwhoogte van overige silo’s, water- en warmtetanks en overige tanks bedraagt niet meer dan 6,00 m;
e.
de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 8,00 m;
f.
per agrarisch bedrijf mag, uitsluitend binnen het bouwvlak, maximaal één paardrijbaan worden opgericht met een oppervlakte van maximaal 800 m² en een maximale bouwhoogte van 2,00 m;
g.
de bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2,00 m, met dien verstande dat een afscheiding die gebouwd wordt vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1,00 m bedraagt;
h.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m;
i.
mestzakken/mestbassins zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak of binnen een zone van 75 m aansluitend aan het bouwvlak.
3.3 Nadere eisen 3.3.1 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorgaande regels, bij het verlenen van een omgevingsvergunning tot bouwen artikel 2.1, lid 1, sub a Wabo, nadere eisen stellen ten aanzien van: a.
de plaatsing van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar;
b.
de dakhelling van hellende dakvlakken van een gebouw;
c.
de plaatsing en vormgeving van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
3.3.2 Voorwaarde De in lid 3.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan of met het oog op de bereikbaarheid van een gebouw, een bouwwerk, geen gebouw zijnde en gronden in verband met calamiteiten.
3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Streekeigen producten De verkoop van streekeigen producten is bij wijze van medebestemming toelaatbaar mits a.
dit geschiedt in bestaande gebouwen en bij wijze van neventak bij volwaardige agrarische bedrijven;
b.
geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor reclameborden en lichtreclame worden opgericht en/of geplaatst;
c.
op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de betreffende functie binnen het bouwvlak.
3.4.2 Dierverblijven Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – 1’ zijn dierverblijven niet toegestaan.
3.5 Afwijking van de gebruiksregels 3.5.1 Boog- en gaaskassen
Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van lid 3.2.1, sub b voor het oprichten van boog- en gaaskassen buiten het bouwvlak met dien verstande dat: a.
de boog- en gaaskassen aansluitend aan het agrarisch bouwvlak worden opgericht;
b.
het oppervlak aan kassen maximaal 300 m² mag bedragen;
c.
de kassen niet zijn toegestaan ter plaatse van dijkhellingen en/of waardevolle doorzichten;
d.
de kassen geen onevenredige afbreuk doen aan de in lid 3.1 omschreven waarden;
e.
de landschapsdeskundige de aanvraag toetst omtrent de vraag of in voldoende mate is aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad.
3.5.2 Overschrijding agrarisch bouwvlak Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van lid 3.2.1, sub b ten behoeve van een eenmalige overschrijding van het bouwvlak van agrarische bedrijven met maximaal 1.000 m² met inachtneming van het volgende: a.
een doelmatige bedrijfsvoering moet overschrijding van de maatvoering noodzakelijk maken; deze noodzaak is in ieder geval aanwezig, wanneer overschrijding van het bouwvlak noodzakelijk is om aan milieuvoorschriften of regelgeving met betrekking tot dierenwelzijn te kunnen voldoen;
b.
de overschrijding van het bouwvlak doet geen onevenredige afbreuk aan de in lid 3.1 genoemde waarden;
c.
de landschapsdeskundige toetst de aanvraag omtrent de vraag of in voldoende mate is aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad.
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.6.1 Omgevingsvergunningvereiste Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning opgaande beplanting, niet zijnde erfbeplanting, aan te brengen. 3.6.2 Uitzonderingsregel Het in lid 3.6.1 vervatte verbod geldt niet voor activiteiten a.
gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden;
b.
en/of welke in uitvoering of aanwezig waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
c.
die plaatsvinden binnen bouwvlakken.
3.6.3 Voorwaarden De werken of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar, indien de landschapswaarden van de gronden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.
3.6.4 Advies Een verzoek om een omgevingsvergunning wordt ter toetsing voorgelegd; a.
aan de landschapsdeskundige omtrent de vraag of in voldoende mate is aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad;
b.
uitsluitend ingeval van werken en werkzaamheden ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering: aan de agrarisch deskundige omtrent de vraag of het voorgenomen werk daadwerkelijk noodzakelijk is voor het betreffende agrarisch bedrijf.
Artikel 4 Bedrijf 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
bedrijven uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten , zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels;
b.
detailhandel als ondergeschikte activiteit, uitsluitend in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, verwerkt of bewerkt en uitsluitend voor zover de detailhandel geen zelfstandig onderdeel van de bedrijfsvoering vormt en/of detailhandel in goederen die ondergeschikt is aan de door het bedrijf uitgeoefende bedrijfsactiviteit;
c.
voorzieningen voor verkeer en verblijf;
d.
groenvoorzieningen;
e.
parkeervoorzieningen;
f.
water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.2 Bouwregels 4.2.1 Bedrijfsgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a.
gebouwen, inclusief de daarbij behorende bedrijfswoningen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen en overkappingen, worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 4.1 genoemde bestemming;
b.
gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gerealiseerd, waarbij dit bouwvlak volledig mag worden bebouwd;
c.
per bestemmingsvlak mag één bedrijfswoning worden gerealiseerd;
d.
de inhoud van een bedrijfswoning, aan- en uitbouwen én bijgebouwen meegerekend, mag maximaal 700 m³ bedragen, ondergrondse ruimten niet meegerekend;
e.
de goothoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen van 5,00 m;
f.
voor overige erfbebouwing geldt een maximale goothoogte van 3,00 m;
g.
als een woning wordt herbouwd, mag de afstand van de nieuwe woning tot de dichtstbijzijnde wegas niet minder bedragen dan de afstand van de voormalige woning tot dezelfde wegas;
h.
de goothoogte van de overige bedrijfsbebouwing mag niet meer bedragen dan 5,00 m;
i.
voor het bouwen van overkappingen ten dienste van de bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen: 1. per bouwvlak mag niet meer dan één overkapping worden gebouwd; 2. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 30 m²; 3. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3,00 m.
4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 4.1 genoemde bestemming;
b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde mogen binnen en buiten het bouwvlak worden opgericht;
c.
de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 8,00 m;
d.
de bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2,00 m, met dien verstande dat een afscheiding die gebouwd wordt vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1,00 m bedraagt;
e.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.
4.3 Specifieke gebruiksregel Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a.
de oppervlakte ten behoeve van ondergeschikte detailhandel mag niet meer bedragen dan 30% van de bruto bedrijfsvloeroppervlak;
b.
de ondergeschikte detailhandel is inpasbaar in de omgeving, met dien verstande dat: 1. op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, tenzij kan worden aangetoond dat het voorgenomen gebruik geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaakt; 2. in de omgeving van het betreffende bedrijf geen onevenredige verkeersdruk optreedt;
c.
opslag van goederen op gronden gelegen tussen bedrijfsgebouwen en de meest nabij gelegen bestemming Verkeer is niet toegestaan;
d.
opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 3,00 m is op onbebouwde gronden niet toegestaan;
e.
opslag en verkoop van vuurwerk is niet toegestaan;
f.
geluidshinderlijke inrichtingen en Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan;
g.
het inrichten en/of gebruiken van een bedrijfsgebouw, niet zijnde de bedrijfswoning, als zelfstandige woonruimte is niet toegestaan;
h.
er dient te worden voldaan aan de parkeernormering zoals opgenomen in de CROW publicatie 317.
4.4 Afwijking van de gebruiksregels 4.4.1 Afwijkingsbevoegdheid Staat van Bedrijfsactiviteiten Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van lid 4.1, sub a a.
om bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 4.1, sub a genoemd;
b.
voor de uitoefening van een bedrijfsactiviteit die één categorie hoger is dan algemeen toelaatbaar, mits deze activiteit naar haar kwalitatieve uitstraling, aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) kan worden gelijkgesteld met een krachtens lid 4.1, sub a ter plaatse toegelaten categorie bedrijfsactiviteiten én passend wordt geacht.
4.5 Wijzigingsbevoegdheid 4.5.1 Wijziging Staat van Bedrijfsactiviteiten Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 Wro, de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten te wijzigen in die zin, dat bedrijfsactiviteiten kunnen worden toegevoegd dan wel worden verwijderd indien en voor zover een wijziging van de belasting van de desbetreffende typen van bedrijven op het milieu als gevolg van technologische ontwikkelingen daartoe aanleiding geeft.
Artikel 5 Groen 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
groenvoorzieningen, bermen, beplantingen en speelvoorzieningen;
b.
voorzieningen voor langzaam verkeer, voorzieningen voor verkeer en verblijf en in- en uitritten;
c.
ter plaatse van de aanduiding ‘park’: uitsluitend voor een archeologiepark;
d.
ter plaatse van de aanduiding ‘pad’: tevens voor een langzaamverkeerroute;
e.
ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - speelveld’: uitsluitend voor een speelveld;
f.
nutsvoorzieningen;
g.
water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
5.2 Bouwregels 5.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 5.1 genoemde bestemming;
b.
de bouwhoogte van kunstobjecten en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 8,00 m;
c.
de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet bedragen dan 4,00 m;
d.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.
Artikel 6 Maatschappelijk 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
ter plaatse van de aanduiding ‘onderwijs’ uitsluitend een brede school;
b.
ter plaatse van de aanduiding ‘zorgboerderij’ uitsluitend de (dag)opvang van mensen met een beperking;
c.
nutsvoorzieningen, parkeer- en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
d.
tuinen, erven, voorzieningen voor verkeer en verblijf, speelvoorzieningen.
6.2 Bouwregels 6.2.1 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a.
gebouwen en overkappingen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 6.1 genoemde bestemming;
b.
gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gerealiseerd, waarbij dit bouwvlak volledig mag worden bebouwd, tenzij op de verbeelding een bebouwingspercentage is aangegeven;
c.
de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat;
d.
voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende bepalingen: 1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 30 m²; 2. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3,00 m.
6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:
a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 6.1 genoemde bestemming;
b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen binnen en buiten het bouwvlak worden opgericht;
c.
de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet bedragen dan 4,00 m;
d.
de bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2,00 m, met dien verstande dat een afscheiding die gebouwd wordt vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1,00 m bedraagt;
e.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.
6.3 Specifieke gebruiksregels 6.3.1 Medebestemming Bij wijze van medebestemming is een bibliotheek, H.O.E.D.-praktijk en/of fysiotherapie-praktijk toelaatbaar ter plaatse van de aanduiding ‘onderwijs’ mits dit vanuit het aspect verkeer/parkeren niet leidt tot overlast. 6.3.2 Zelfstandige woonruimte Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken geldt de volgende regel: het inrichten en/of gebruiken van een gebouw als zelfstandige woonruimte is niet toegestaan.
6.4 Afwijking van de gebruiksregels 6.4.1 Afwijkingsbevoegdheid bewoning Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo, ter plaatse van de aanduiding ‘onderwijs’, afwijken van lid 6.3 ten behoeve van het inpandig realiseren van seniorenappartementen onder de voorwaarde dat bewoning ondergeschikt is aan de bestemming ‘Maatschappelijk’.
Artikel 7 Opslag 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Opslag’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
een gemeentelijk grond-, puin- en baggerdepot;
b.
nutsvoorzieningen;
c.
water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
7.2 Bouwregels 7.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:
a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 7.1 genoemde bestemming;
b.
de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,00 m.
Artikel 8 Sport 8.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Sport’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
sportieve recreatie (veldsporten);
b.
sportvoorzieningen, zoals kantines, kleedruimtes en tribunes;
c.
lichte horeca;
d.
groenvoorzieningen;
e.
parkeervoorzieningen;
f.
fiets-, voet- en ruiterpaden;
g.
water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
h.
ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van sport – groen’: tevens groenvoorzieningen.
8.2 Bouwregels 8.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a.
gebouwen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 8.1 genoemde bestemming;
b.
gebouwen worden binnen het bouwvlak gerealiseerd, met inachtneming van een maximaal bebouwingspercentage zoals opgenomen op de verbeelding;
c.
de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,00 m;
d.
de dakhelling mag niet meer bedragen van 45º;
e.
in afwijking van het bepaalde onder c bedraagt de goothoogte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - clubgebouw' niet meer dan 4,5 meter.
8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 8.1 genoemde bestemming;
b.
de oppervlakte van een tribune mag niet meer bedragen dan 250 m², waarbij geldt dat de totale oppervlakte van tribunes niet meer mag bedragen van 750 m²;
c.
de bouwhoogte van tribunes mag niet meer bedragen dan 6,00 m;
d.
de bouwhoogte van afrasteringen en/of ballenvangers mag niet meer bedragen van 10,00 m;
e.
lichtmasten mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd;
f.
de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 25 m;
g.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.
8.3 Specifieke gebruiksregels 8.3.1 Parkeren Binnen het plangebied wordt minimaal het aantal parkeerplaatsen gerealiseerd zoals op de verbeelding is aangegeven. 8.3.2 Afschermend groen Ter plaatse van de aanduiding ‘groen’ zal uitsluitend afschermend groen worden aangelegd. 8.3.3 Voorwaardelijke verplichting verlichting tennisaccommodatie 1. tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig het in lid 8.1 opgenomen toelaatbare gebruik zonder gebruikmaking van lichtarmaturen ten behoeve van de verlichting van de tennisbanen, waardoor onevenredige lichthinder ontstaat.
Artikel 9 Tuin 9.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
tuinen, erven en verhardingen;
b.
parkeervoorzieningen;
c.
water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
9.2 Bouwregels 9.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van op deze gronden geldt dat uitsluitend erkers, balkons, luifels of ingangspartijen ten behoeve van aangrenzende gebouwen mogen worden gebouwd, ten dienste van de in lid 9.1 genoemde bestemming, waarbij de volgende bepalingen gelden; a.
de horizontale diepte van de uitbreiding mag niet meer bedragen dan 1,00 m;
b.
de afstand tot de bestemmingsgrens mag niet minder bedragen dan 2,00 m;
c.
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw + 0,30 m;
d.
de breedte van een erker mag niet meer bedragen dan 50% van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw.
9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:
a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 9.1 genoemde bestemming;
b.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen van 1,00 m;
c.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 2,00 m;
Artikel 10 Verkeer 10.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
voorzieningen voor verkeer en verblijf;
b.
parkeervoorzieningen;
c.
groenvoorzieningen;
d.
afvalverzamelvoorzieningen en nutsvoorzieningen;
e.
water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
10.2 Bouwregels 10.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 10.1 genoemde bestemming;
b.
de bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, kunstobjecten en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 6,00 m;
c.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.
Artikel 11 Verkeer - Verblijfsgebied 11.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
voorzieningen voor verkeer en verblijf;
b.
ter plaatse van de aanduiding ‘nutsvoorziening’: uitsluitend nutsvoorzieningen;
c.
parkeervoorzieningen;
d.
groen- en speelvoorzieningen;
e.
afvalverzamelvoorzieningen en nutsvoorzieningen;
f.
water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
11.2 Bouwregels
11.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 11.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 11.1 genoemde bestemming;
b.
de bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, kunstobjecten en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 6,00 m;
c.
de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 4,00 m;
d.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.
Artikel 12 Water 12.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
water, waterpartijen, waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
b.
ter plaatse van de aanduiding ‘pad’ tevens voor een langzaamverkeerroute;
c.
taluds, bruggen, steigers, duikers, dammen, kade en dijksloten;
d.
oeverbeschoeiingen en groenvoorzieningen.
12.2 Bouwregels 12.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 12.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 12.1 genoemde bestemming;
b.
de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,00 m.
Artikel 13 Wonen 13.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen;
b.
ter plaatse van de aanduiding ‘zorginstelling’: tevens begeleid wonen;
c.
beroepsmatig en kleinschalig bedrijfsmatig gebruik, met inachtname van het bepaalde in lid 13.5;
d.
tuinen, erven en paden.
13.2 Bouwregels 13.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a.
gebouwen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 13.1 genoemde bestemming en zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van aaneengebouwde, tweeaaneengebouwde, drie-aaneengebouwde, vrijstaande, gestapelde en geschakelde gebouwen alsmede als patiowoning;
b.
aaneengebouwde hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘aaneengebouwd’;
c.
twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘twee-aaneen’, ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘specifieke bouwaanduiding – twee-aaneen 1’ en ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘specifieke bouwaanduiding – twee-aaneen 2’;
d.
drie-aaneengebouwde hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘specifieke bouwaanduiding - drie-aaneen’;
e.
vrijstaande hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘vrijstaand’ en ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘specifieke bouwaanduiding – vrijstaand 1’;
f.
gestapelde hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘gestapeld’;
g.
geschakelde woningen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘specifieke bouwaanduiding – geschakeld’;
h.
patiowoningen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘specifieke bouwaanduiding patio’;
i.
de voorgevel moet worden gesitueerd in de voorgevellijn;
j.
de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat;
k.
de inhoud van een hoofdgebouw, aan- en uitbouwen én bijgebouwen meegerekend mag, ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘specifieke bouwaanduiding - vrijstaand 1’ maximaal 700 m³ bedragen, ondergrondse ruimten niet meegerekend;
l.
ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - patio’ dient per hoofdgebouw minimaal 25 m² van het bouwperceel onbebouwd te blijven, waarbij de onbebouwde ruimte door wanden van minimaal 2,00 m hoog wordt omsloten;
m. de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt bij vrijstaande hoofdgebouwen minimaal 3,00 m aan beide zijden; n.
de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt bij twee-aaneengebouwde en geschakelde hoofdgebouwen minimaal 3,00 m aan één zijde;
o.
de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt bij drie-aaneengebouwde hoofdgebouwen minimaal 2,00 m aan één zijde, uitgezonderd de middelste woning.
13.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a.
aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 13.1 genoemde bestemming;
b.
aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd zowel binnen als buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak;
c.
ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen uitgesloten’ mogen geen aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd worden;
d.
ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ mag 1 bijgebouw per bouwperceel worden gebouwd met een oppervlakte van maximaal 50 m²;
e.
aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen minimaal 5,00 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd met dien verstande dat deze afstand minimaal 3,00 m is ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘specifieke bouwaanduiding – vrijstaand 1’ en ‘specifieke bouwaanduiding – twee-aaneen 2’;
f.
de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak bedraagt, uitgezonderd ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘specifieke bouwaanduiding – vrijstaand 1’, maximaal 60 m², met dien verstande dat de gronden gelegen buiten het bouwvlak voor maximaal 50% mogen worden bebouwd;
g.
de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 3,50 m respectievelijk maximaal 6,00 m, met dien verstande dat de goothoogte nimmer hoger kan zijn dan de goothoogte van het hoofdgebouw;
h.
de afstand van aan- en uitbouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’, ‘twee-aaneen’ en ‘specifieke bouwaanduiding – twee-aaneen 2’ minimaal 3,00 m aan één zijde;
i.
de afstand van bijgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’ minimaal 3,00 m, aan dezelfde zijde als bedoeld in lid 13.2.2, sub g;
j.
de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – twee-aaneen 1’ minimaal 3,00 m aan de zijde waar de hoofdgebouwen niet met elkaar verbonden zijn;
k.
voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende bepalingen: 1. per bouwperceel mag niet meer dan één overkapping worden gebouwd; 2. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 30 m²; 3. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3,00 m; 4. de overkapping wordt minimaal 3,00 m achter de voorgevellijn gebouwd.
13.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels: a.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 13.1 genoemde bestemming;
b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gerealiseerd;
c.
de bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2,00 m, met dien verstande dat een afscheiding die gebouwd wordt vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1,00 m bedraagt;
d.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.
13.3 Nadere eisen 13.3.1 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorgaande regels, bij het verlenen van een omgevingsvergunning tot bouwen artikel 2.1, lid 1, sub a Wabo, nadere eisen stellen ten aanzien van: a.
de plaatsing van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar;
b.
de dakhelling van hellende dakvlakken van een gebouw;
c.
de plaatsing en vormgeving van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
13.3.2 Voorwaarde a.
De in lid 13.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan of met het oog op de bereikbaarheid van een gebouw, een bouwwerk, geen gebouw zijnde en gronden in verband met calamiteiten.
b.
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 13.3.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een stedenbouwkundig en/of het Supervisieteam omtrent de toelaatbaarheid van de afwijking.
13.4 Afwijking van de bouwregels 13.4.1 Afwijkingsbevoegdheid grotere inhoud bebouwing bij sanering Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 Wabo afwijken van de in lid 13.2.1, lid k genoemde inhoudsmaat ten behoeve van sanering, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
het oprichten van gebouwen is uitsluitend toegestaan voor zover na inwerkingtreding van het plan èn voorafgaand aan de bouw één of meerdere gebouwen met een inhoud van minimaal het dubbele van het op te richten gebouw of de gebouwen zijn geamoveerd;
b.
gebouwen mogen uitsluitend bij de sanering worden betrokken indien zij met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet tot stand gekomen zijn.
13.5 Specifieke gebruiksregels Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige bedrijfsactiviteiten in een woning, een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw is respectievelijk zijn bij wijze van medebestemming toegestaan, met inachtneming van de volgende regels: a.
de activiteiten worden uitsluitend uitgeoefend door de bewoner;
b.
het vloeroppervlak ten behoeve van beroeps- en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is niet groter dan 25% van de brutovloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen met een maximum van 60 m²;
c.
op de bij de betreffende woning behorende gronden vindt geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaats;
d.
het beroepsmatig gebruik en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten gaan niet gepaard met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte detailhandel die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
e.
De beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn inpasbaar in de woonomgeving, met dien verstande dat: 1. op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, tenzij kan worden aangetoond dat het voorgenomen gebruik geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaakt; 2. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige verkeersdruk optreedt; 3. geen verlichte of opvallende reclame uitingen aan de gevel zichtbaar mogen zijn; 4. de woning dient te blijven voldoen aan het Bouwbesluit; 5. er geen sprake is van bedrijvigheid die vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wabo.
Artikel 14 Woongebied - 1
14.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Woongebied - 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen;
b.
tuinen en erven;
c.
beroepsmatig en kleinschalig bedrijfsmatig gebruik, met inachtname van het bepaalde in lid 14.5.2;
d.
erftoegangswegen, met dien verstande dat hiervoor maximaal een percentage van 10% van het bestemmingsvlak wordt aangewend;
e.
openbare groenvoorzieningen met dien verstande dat hiervoor minimaal een percentage van 45% van het bestemmingsvlak wordt aangewend;
f.
bermen en beplantingen, speelvoorzieningen, voorzieningen voor langzaam verkeer, paden, verhardingen en in- en uitritten;
g.
nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
14.2 Bouwregels 14.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
14.2.2.1 Algemeen a.
gebouwen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 14.1 genoemde bestemming en zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van vrijstaande en tweeaaneengebouwde gebouwen;
b.
hoofdgebouwen worden minimaal 5,00 m uit de achterste bouwperceelsgrens gerealiseerd;
14.2.2.2 Specifieke bouwaanduiding-landelijk wonen 1 Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – landelijk wonen 1’ gelden de volgende regels: a.
uitsluitend vrijstaande hoofdgebouwen mogen worden gebouwd;
b.
er geldt een woningdichtheid van maximaal 10 woningen per hectare;
c.
de bouwhoogte bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat;
d.
in afwijking van het bepaalde in lid 14.2.2.2, sub c mag binnen 13 meter gerekend vanaf de achterste bouwperceelsgrens niet hoger gebouwd worden dan 3,00 m;
e.
de afstand van de voorgevel van een hoofdgebouw tot de voorste bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 5,00 m en maximaal 10,00 m;
f.
de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 7,50 m aan beide zijden;
g.
het hoofdgebouw, inclusief aan- en uitbouw heeft een minimale inhoud van 500 m³.
14.2.2.3 Specifieke bouwaanduiding-landelijk wonen 2 Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – landelijk wonen 2’ gelden de volgende regels: a.
uitsluitend vrijstaande en twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen mogen worden gebouwd;
b.
de diepte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 12 m;
c.
de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat;
d.
de afstand van de voorgevel van een hoofdgebouw tot de voorste bouwperceelsgrens bedraagt 5,00 m;
e.
de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 3,00 aan beide zijden bij vrijstaande hoofdgebouwen;
f.
de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 3,00 m aan één zijde bij twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen.
14.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
14.2.2.1 Algemeen a.
aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 14.1 genoemde bestemming;
b.
aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden minimaal 5,00 m uit de achterste bouwperceelsgrens gerealiseerd;
c.
de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt maximaal 100 m², met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt;
d.
voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende bepalingen: 1. per bouwperceel mag niet meer dan één overkapping worden gebouwd; 2. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 30 m²; 3. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3,00 m; 4. overkappingen worden minimaal 3,00 m achter de voorgevellijn gebouwd; 5. de afstand van een overkapping tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘specifieke bouwaanduiding – landelijk wonen 1’ minimaal 7,50 m.