54.Voorontwerpbestemmingsplan Gemeenlandsedijk Noord Abbenbroek;1819 - Voorontwerp GRO Gemeenlandsedijk Noord te Abbenbroek wijz A [10-05-2023]
Tekst van het document
Ruimtelijke Onderbouwing Gemeenlandsedijk Noord te Abbenbroek VOORONTWERP
Identificatie:
NL.IMRO.1930.BPBNSXXXXXX-
Datum:
10 mei 2023
Wijziging:
A
Gemeente:
Nissewaard
IMRO-versie: IMRO….
Goede Ruimtelijke Onderbouwing voor Gemeenlandsedijk Noord te Abbenbroek
Colofon Projectnummer:
18.19
Documentdatum:
10 mei 2023
Wijziging:
A
Opdrachtgever:
Abacus Civiel BV
Contactpersoon:
Dhr. J. Corpeleijn
Gemeente:
Gemeente Nissewaard
Contactpersoon:
Dhr. M. Sloot
Architect:
HDK Architecten bna bni bnsp
Contactpersoon:
Dhr. A. de Ruiter
Concept:
15 september 2021
Voorontwerp: 10 mei 2023 Ontwerp: Vastgesteld:
Goede Ruimtelijke Onderbouwing voor Gemeenlandsedijk Noord te Abbenbroek
Toelichting Gemeenlandsedijk Noord te Abbenbroek gemeente Nissewaard
Voorontwerp: 10 mei 2023 Ontwerp: Vastgesteld:
INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding 1.1 Aanleiding en ligging plangebied 1.2 Vigerend bestemmingsplan 1.3 Leeswijzer 2. Beleidskader 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Gemeentelijk beleid 3. Ruimtelijke & functionele analyse 3.1 Ruimtelijke analyse 3.2 Functionele analyse 4. Algemene realiserings- en uitvoeringsaspecten 4.1 Geluid 4.2 Verkeer 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bodem 4.5 Externe veiligheid 4.6 Bedrijven en milieuzonering 4.7 Water 4.8 Flora en Fauna 4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.10 Geur 4.11 Kabels en leidingen 4.12 Molenbiotoop 4.13 Milieueffectrapportage 5. Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding 5.2 Juridische vormgeving 6. Economische uitvoerbaarheid 7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro 8. Inspraak en zienswijze
PAG. 3 3 3 4 5 5 7 12 16 16 17 18 18 23 25 26 27 28 29 33 35 35 35 35 37 39 39 39 42 43 44
Bijlagen: - Bijlage 1: Verkennend bodem- asbestonderzoek - Bijlage 2: Akoestisch onderzoek - Bijlage 3: Vormvrije Mer - Bijlage 4: Ecologische Quickscan - Bijlage 5: Stikstofberekening - Bijlage 6: Bewonersparticipatie - Bijlage 7: Memo parkeren - Bijlage 8: Sanering - Bijlage 9: Plankaart - Bijlage 10: Regels bestemmingsplan - Bijlage 11: Aanvullende regels bebouwing - Bijlage 12: Voorgestelde woningen
-2-
1. Inleiding 1.1 Aanleiding en ligging plangebied Initiatiefnemer heeft vanuit een burgerparticipatie het initiatief genomen om de ontwikkeling van de Gemeenlandsedijk Noord te Abbenbroek (hierna: ‘Van Hamburg-terrein’) nieuw leven in te blazen. Initiatiefnemer wenst hier 46 woningen te bouwen. Het plangebied ligt aan de noordzijde van de bebouwde kom van Abbenbroek. Ter plaatse worden gestapelde (starters)woningen, startersappartementen, senioren/patiowoningen, familiewoningen en vrije sector woningen gerealiseerd.
Figuur 1.1: Luchtfoto met globaal ingetekend plangebied
1.2 Vigerende verordening De geldende beheersverordening ‘Gemeenlandsedijk Noord 23, 25 en 31 te Abbenbroek’ van de voormalige gemeente Bernisse, thans gemeente Nissewaard, staat de realisering van het plan niet toe. Ter plaatse van het terrein is alleen een bedrijfsmatig gebruik toegestaan.
-3-
Figuur 1.2: deel verbeelding geldende beheersverordening.
1.3 Leeswijzer Deze onderbouwing is als volgt opgezet: Hoofdstuk 2: Beleidskader van rijk, regio, provincie en gemeente Hoofdstuk 3: Ruimtelijke & functionele analyse Hoofdstuk 4: Algemene realiserings- en uitvoeringsaspecten (omgevingsaspecten) Hoofdstuk 5. Juridische planbeschrijving Hoofdstuk 6. Economische uitvoerbaarheid Hoofdstuk 7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro Hoofdstuk 8. Inspraak en zienswijze
-4-
2. Beleidskader 2.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuwe strategisch beleid. De grote en complexe opgave zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal zowel de boven- als de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.
Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Beoordeling. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro bepaalt ten aanzien van de werking van de ladder, dat de ladder toegepast moet worden bij bestemmingsplannen, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro wordt verstaan onder stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Stedelijke ontwikkeling. De ladder is pas van toepassing indien er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Uit de uitspraak d.d. 28 juni 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1724 blijkt dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.
In onderhavig plan is sprake van het toevoegen van 46 woningen. Dit wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. De ladder dient daarom afgelopen te worden.
-5-
Nieuwe ontwikkeling. De ontwikkeling betreft een nieuwe ontwikkeling. Het bestaande terrein dat geschikt was voor een bedrijf maximaal in de categorie 2 wordt vervangen door een woonbestemming met 46 woningen. Kwalitatieve behoefte. Woningbouwprogrammering Van Hamburg-terrein Abbenbroek Abbenbroek is met 521 woningen een van de kleinere kernen in de gemeente Nissewaard. De woningvoorraad is vrij eenzijdig. In de jaren ’60 en ’70 zijn er veel betaalbare rijwoningen gebouwd, de rest van de koopwoningvoorraad bestaat voornamelijk uit dure vrijstaande woningen en 2-onder-1-kappers in het buitengebied en monumentale woningen in de historische kern. Het middensegment in de koopsector ontbreekt. Ongeveer 20% van de woningen is in eigendom van woningcorporatie De Zes Kernen. Het inkomenspeil in Abbenbroek is beduidend hoger dan in de gemeente Nissewaard als geheel. Er is verder sprake van een afwijkende leeftijdsopbouw: er wonen relatief veel oudere gezinnen of stellen (45-65 jaar) met een hoog inkomen in Abbenbroek en weinig jongeren of jonge gezinnen met een middeninkomen. Er bestaat verder een duidelijke relatie qua verhuisbewegingen met Heenvliet en de gemeente Voorne aan Zee. Vestigers in Abbenbroek komen doorgaans uit de kern zelf of uit Heenvliet en Voorne aan Zee. Men vertrekt veelal naar Heenvliet of Voorne aan Zee.
De samenstelling van de bevolking en het hoge inkomenspeil in Abbenbroek is op dit moment gezond te noemen, maar brengt een risico met zich mee. Op den duur slaat de vergrijzing toe en dit zal consequenties hebben voor de vitaliteit van deze kern, voor wat betreft het in stand houden van het huidige voorzieningenniveau. Dit wordt deels veroorzaakt door de eenzijdige woningvoorraad en de geconstateerde verhuisbewegingen vormen hiervan een reflectie. Jonge alleenstaanden, stellen en gezinnen met een middeninkomen vertrekken uit Abbenbroek, deels vanuit positieve overwegingen zoals studie, werk of gezinsvorming, maar ook vanuit negatieve overwegingen omdat zij geen betaalbare woning kunnen vinden. Gezinnen in een iets latere levensfase die nu woonachtig zijn in een betaalbare rijwoning vertrekken, omdat er voor hen geen mogelijkheid is een volgende stap in hun wooncarrière te zetten. Ouderen die nu in een betaalbare rijwoning zitten, willen best verhuizen naar een meer passende woonvorm, maar er is geen geschikt aanbod. En sommige ouderen die nu in een duurdere, vrijstaande of 2onder-1-kapper wonen, willen wellicht ook de stap terug zetten naar een meer passende woonvorm.
In de gemeentelijke woonvisie 2020-2030 “Nissewaard, een plek voor iedereen!” en het Ontwikkelperspectief vitale kernen zijn de verwachte demografische ontwikkelingen afgezet tegen de huidige samenstelling van de bevolking en woningvoorraad in Abbenbroek en in het verlengde hiervan Heenvliet. De conclusie luidt dat bij iedere nieuwe woningbouwontwikkeling in deze kernen de volgende uitgangspunten dienen te gelden: • Bouw ten behoeve van een gezonde, toekomstige samenstelling van de bevolking (behoud en aantrekken van gezinnen) en een meer gebalanceerde woningvoorraad om zo een wooncarrière in de kernen mogelijk te maken en deze kernen vitaal te houden; • Bouw levensloopbestendige woningen voor de doorstroming van ouderen uit betaalbare eengezinswoningen om zo kansen te creëren voor (lokale) starters;
-6-
• Bouw middeldure eengezinswoningen voor de doorstroming van gezinnen uit betaalbare eengezinswoningen in een iets latere levensfase of met een iets hoger inkomen om zo kansen te creëren voor (lokale) starters; • Bouw goedkope woningen ten behoeve van alleenstaanden, oud en jong, die gezien hun inkomen geen toegang hebben tot de sociale huur, maar evenmin in staat zijn een betaalbare rijwoning te betrekken; • Bouw enkele sociale huurwoningen, om inwoners uit de kernen met een laag inkomen te bedienen. Hier wordt in de woningbouwprogrammering voorzien in: de uitbreidingsbehoefte die vanuit de Trendraming 2019 van PZh leeft en de verwachte ophoging ervan op grond van de nieuwe huishoudensprognoses; de uitgangspunten van de Woonvisie 2020-2030 "Nissewaard, een plek voor iedereen!” en het Ontwikkelperspectief vitale kernen, waarin doorstroming bij nieuwbouwplannen centraal staat. Dit betreft de senioren/patiowoningen tbv ouderen en middeldure eengezinswoningen van gezinnen, alsmede het creëren van woningmarktkansen voor startende huishoudens; facilitering van doorstroming vanuit Abbenbroek en Heenvliet voor bovengenoemde doelgroepen; toetsing aan de ladder van duurzame verstedelijking. Het plangebied valt binnen de BSD-grenzen en er spelen op dit moment geen andere woningbouwontwikkelingen in Abbenbroek. Ligging in bestaand stedelijk gebied.
De ontwikkeling ligt in het bestaand stedelijk gebied. Wij verwijzen naar figuur 2.1 2.2 Provinciaal beleid De omgevingsverordening en de omgevingsvisie Zuid-Holland De omgevingsverordening en de omgevingsvisie Zuid-bevatten het provinciale omgevingsbeleid. Dat omgevingsbeleid bestaat uit de volgende onderdelen: De introductie op het Omgevingsbeleid, waarin opgenomen de ruimtelijke hoofdstructuur, een overzicht van de samenhangende beleidskeuzes per provinciale beleidsopgave en de ontwikkelrichting die is opgenomen onder ‘Ambities en sturing’. Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Bestaand stads-en dorpsgebied. In figuur 2.1 is de kaart van het bestaande stads- en dorpsgebied weergegeven. De provincie kiest ervoor om verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied te concentreren. Hiermee worden investeringen in de gebouwde omgeving gebundeld, waardoor de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden blijft en versterkt wordt. De planlocatie ligt binnen dit gebied.
-7-
Figuur 2.1 Kaart bestaand stads- en dorpsgebied behorende bij Verordening ruimte.
Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6 tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stadsen dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het plan valt binnen bestaand stads- en dorpsgebied. In hoofdstuk 2.1 is uitvoerig in gegaan op de ladder van duurzame verstedelijking. Hieraan wordt voldaan. Gebiedskwaliteit. De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, waardeert de provincie de kwaliteit van gebieden in drie categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. De bouwlocatie ligt in een gebied zonder een bijzondere kwaliteit.
-8-
Ontwikkeling. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. In de Omgevingsverordening wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen (artikel 6.9). Inpassing Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een nieuwe woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Aanpassing Dit betreft een ontwikkeling van relatief beperkte omvang die niet past bij de aard van het landschap, of een gebiedseigen ontwikkeling die niet past bij de schaal van het landschap. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, zo nodig inclusief een maatschappelijke tegenprestatie. In gebieden met bijzondere kwaliteit is aanpassing in principe uitgesloten. Transformatie Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap ontstaat.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie. In gebieden met bijzondere kwaliteit of een specifieke waarde is transformatie in principe uitgesloten. Het hier voorliggende plan valt in categorie 2 (aanpassing) en ligt niet in een gebied met een bijzondere beschermingscategorie. De planologische uitbreiding met 46 woningen betreft, gezien de ligging van het gebied aan de rand van het dorp, een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Gebiedsprofiel Als uitwerking van de kwaliteitskaart die onderdeel vormt van de ‘Visie op ZuidHolland’ is voor een “gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit” opgesteld. Dit gebiedsprofiel omvat een beschrijving van karakteristieken, ontwikkelingen, kwaliteiten en ambities in het gebied. Een gebiedsprofiel is een compacte kwaliteitsgids met een beschrijving van ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn. De kwaliteitskaart is het kader voor dit gebiedsprofiel. De gebiedsprofielen geven vooral richting aan middelgrote ruimtelijke ingrepen en
-9-
aanpassingen. Het gebiedsprofiel is een hulpmiddel om de kwaliteit van plannen en ontwikkelingen te stimuleren. Het is nadrukkelijk geen blauwdruk of ontwikkelingsplan. Er wordt niet bepaald waar welke functie mag komen; er staan dus geen contouren, bestemmingen of functies in. Elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om maatwerk. Uit het gebiedsprofiel Voorne-Putten blijkt het volgende: Doel voor een Gebiedsprofiel is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in de planvorming. Voor Voorne-Putten kan dit algemene doel worden geconcretiseerd in de volgende ambities, waarbij we de drie ruimtelijke landschappelijke thema’s als basis gebruiken. Weg door stad en land Kenmerken Het eiland heeft geen autosnelweg en is voor de ontsluiting grotendeels afhankelijk van de A15/N15 die door het havengebied loopt. In weg door stad en land wordt het wegenstelsel van Voorne-Putten ruimtelijk uiteengelegd. Hieronder worden behandeld: de autoweg (N57), de entrees waar men het eiland op komt, de weg door stad en dorp (N218/N493), de Parkroute (Krabbeweg), de Kanaalweg, dijkwegen en polderwegen. Ontwikkelingen Mogelijke opwaardering van de N57 naar A57 ten behoeve van de ontsluiting van Voorne-Putten en de zuidelijke delta. Mogelijke doortrekking van A4 ten oosten van Spijkenisse. De doorgetrokken A4 doorsnijdt een klein deel van Voorne-Putten en voegt een nieuwe entree aan het gebied toe.
Mogelijke aanleg van een tweede oeververbinding onder de Nieuwe Waterweg. Naast het plangebied loopt een dijkweg. Deze blijft in tact.
Linten blijven linten Kenmerken De bebouwingslinten van Voorne-Putten kunnen worden onderverdeeld in dijklinten, polderlinten, ervenlinten en linten in de binnenduinrand. Een belangrijke kwaliteit van de linten is de sterke relatie met het omliggende landschap. Een deel van de dijklinten is gelegen binnen de kern van steden en dorpen.
Ontwikkelingen Veranderingen binnen de linten vinden plaats door behoefte aan extra ruimte voor wonen, recreatie, bedrijvigheid of agrarische activiteiten. Een lint kan hierdoor verdichten, verbreed of verlengd worden of de maat van de bebouwing verandert. Doorzichten naar het achterland worden versmald en beperkt door toevoeging van nieuwe bebouwing en opstallen. Langs het plangebied ligt een dijklint (in een kern). Deze blijft in tact.
- 10 -
Kwaliteit van stads en dorpsrand Kenmerken Op Voorne-Putten zijn vijf typen stads- of dorpsranden gedefinieerd; gebaseerd op de ligging in het landschap. Het zijn randen grenzend aan de duinen, de polders, groenstructuren, water of de dijk. De bebouwingsranden langs het water en de polders zijn vanaf grote afstand zichtbaar. De bebouwingsranden langs de duinen en de groenstructuren hebben een meer introvert en gelaagd karakter. Het is van belang dat ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand bijdragen aan het realiseren van kwaliteit in de overgang tussen stad/dorp en land op basis van de landschappelijke kwaliteiten. Ontwikkelingen Natuurontwikkeling (inclusief water) in de stadsrand (zuidoostzijde Spijkenisse, zuidoostzijde Hellevoetsluis). In de binnenduinrand wordt de oorspronkelijke bebouwing vervangen door grotere bouwvolumes. Er worden waterfronten ontwikkeld bij Spijkenisse. Langs de planlocatie loopt een groenrand, een polderrand en een stad- en landverbinding. Deze blijven in tact. Kwaliteit in stad en dorpsgebied Kenmerken Op Voorne-Putten zijn vijf typen stads- of dorpsranden gedefinieerd; gebaseerd op de ligging in het landschap. Het zijn randen grenzend aan de duinen, de polders, groenstructuren, water of de dijk. De bebouwingsranden langs het water en de polders zijn vanaf grote afstand zichtbaar.
De bebouwingsranden langs de duinen en de groenstructuren hebben een meer introvert en gelaagd karakter. Het is van belang dat ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand bijdragen aan het realiseren van kwaliteit in de overgang tussen stad/dorp en land op basis van de landschappelijke kwaliteiten. Ontwikkelingen Natuurontwikkeling (inclusief water) in de stadsrand (zuidoostzijde Spijkenisse, zuidoostzijde Hellevoetsluis). In de binnenduinrand wordt de oorspronkelijke bebouwing vervangen door grotere bouwvolumes. Er worden waterfronten ontwikkeld bij Spijkenisse De planlocatie is aangeduid als ‘kreekdorp’. De ontwikkeling tast het landschap niet aan en geeft gezien de opzet een kwalitatieve meerwaarde aan het gebied. Doordat de bedrijfsbestemming wordt opgeheven en in het plan wordt voorzien in kwalitatief groen. Molenbiotoop In artikel 6.25 van de omgevingsverordening is de bescherming van de molenbiotoop opgenomen. Dit artikel luidt als volgt: 1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en voldoet aan de volgende voorwaarden:
- 11 -
a. binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: 1°voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek; 2°voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. Eenzelfde regeling is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Het plan past binnen de regels van het plan. Een beschrijving met toets is in paragraaf 4.12 nader opgenomen. Conclusie De conclusie is dan ook dat het provinciale beleid de voorgestane ontwikkeling niet in de weg staat.
2.3
Gemeentelijk beleid
Ontwikkelperspectief voormalige groeikern Spijkenisse Nissewaard naar 2040 Nissewaard heeft te maken met een aantal vraagstukken van sociaal economische, maatschappelijke en ruimtelijke aard. Daarbij komt de urgente grexproblematiek. Voor nieuwe verstedelijking ligt een sterke basis in de bestaande structuur. Dit biedt verschillende mogelijkheden, zoals de grote woningbouwopgave in heel Zuid-Holland die voor een deel in de voormalige groeikern Spijkenisse kan worden opgelost, de onderzoeken naar een robuuste ontsluiting op het grote wegennet voor heel VoornePutten en de zoektocht naar strategische oplossingen voor onderwijs en werkgelegenheid. Om de genoemde opgaven het hoofd te bieden is dit ontwikkelperspectief opgesteld, in nauwe afstemming met de Provincie, waarin voor de korte en lange termijn een visie en kansen worden geformuleerd voor een aantrekkelijke, vitale, toekomstbestendige woon- en werkgemeente in 2040. Het differentiëren van de woningvoorraad zorgt ervoor dat er voor jong en oud een woning is, maakt een wooncarrière binnen de eigen buurt of wijk mogelijk: zo neemt de diversiteit aan inwoners toe. Beoordeling Het bestemmingsplan voorziet in de bestemmingswijziging van een bedrijfsbestemming naar de bestemming wonen. Dit past binnen de uitgangspunten van het Ontwikkelperspectief.
- 12 -
Ontwikkelperspectief vitale kernen De kernen van Nissewaard – Abbenbroek, Geervliet, Heenvliet, Hekelingen, Simonshaven (waaronder Biert) en Zuidland – liggen op de overgang van de metropool Rotterdam-Den Haag naar de rust en ontspanning van de Zuid-Hollandse delta. Ze worden gekenmerkt door hun kleinschalige opzet, hechte gemeenschappen, sterke lokale identiteiten, cultureel erfgoed, groene karakter en ligging in het open landschap. Dat betekent niet dat de wereld in en rond de kernen stilstaat. Om die reden is het van belang om te blijven werken aan de vitaliteit van de kernen. Met dit ontwikkelperspectief wil Nissewaard bewoners, ondernemers en ontwikkelaars uitnodigen hieraan bij te dragen. Er is gekeken naar de actuele opgaven, de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de samenhang tussen de kernen met de regio. Het geeft een duidelijk beeld van de gewenste ontwikkelrichting van de kernen en de bijdrage die de stad Spijkenisse en het buitengebied hier aan kunnen leveren. Voor de planlocatie is het volgende opgenomen: Abbenbroek – Gemeenlandsedijk Noord – is een kansrijke ontwikkellocatie. De ontwikkeling van het ‘Van Hamburg-terrein’ betekent een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de entree tot Abbenbroek en draagt bij aan het evenwicht van de woningvoorraad in de kern.
Daarnaast is er de kans om een extra voetgangersverbinding met het recreatiegebied te leggen, mits dit financieel en technisch haalbaar is. Op deze manier ontstaat de mogelijkheid om een ommetje te maken. Het onderhavige plan geeft invulling aan deze opgave. Gemeentelijk Watertakenplan 2021-2025 Het gemeentelijk Watertakenplan vervangt het VGRP dat gold tot 2021. Hierin is weergegeven hoe de gemeente haar rioleringstaak vorm wil geven. Het watertakenplan heeft de volgende ambitie: Riolering zorgt ervoor dat we droge voeten en een hoogwaardige leefomgeving hebben én draagt bij aan schoon en helder water. De komende jaren komt er veel op ons af, zoals het inspelen op klimaatverandering (klimaatadaptatie), digitalisering van allerhande informatie, aandacht voor duurzaamheid, integraal werken en verdergaand samenwerken met waterschap en buurgemeenten en het verder terugdringen van overstortingen. Het plan wordt aangesloten op de bestaande riolering en er wordt aan watercompensatie gedaan. Zie hoofdstuk 4.7 Verkeer: beleidsnota, wegcategoriseringsplan Mobiliteitsagenda 2020+ De gemeente Nissewaard heeft een Mobiliteitsagenda 2020 + vastgesteld. In dit rapport wordt de visie op verkeer en vervoer gegeven voor de middellange termijn met een doorkijk voor de periode na 2020.
- 13 -
Parkeernormering Nissewaard In de parkeernormering Nissewaard 2022 heeft de gemeente haar beleid neer gelegd met betrekking tot parkeren. Onder 4.2 wordt aandacht besteed aan het parkeren. Ontwerp bestemmingsplan Parkeren & Laden en Lossen Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Hierdoor zijn de stedenbouwkundige bepalingen - waaronder de parkeernormbepaling en de regeling over het laden en lossen van het bepaalde in artikel 2.5.3.0 van de Bouwverordening - komen te vervallen. Dit heeft tot gevolg dat het aspect 'parkeren' en 'laden en lossen' al bij de vaststelling van bestemmingsplannen moeten worden geborgd en niet meer in het kader van de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning. Er geldt een overgangsperiode tot 1 juli 2018. In deze termijn zorgt het overgangsrecht ervoor dat de parkeernormen uit de Bouwverordening van toepassing blijven voor alle plannen die zijn vastgesteld vòòr 29 november 2014. Bij plannen die vastgesteld zijn na 29 november 2014, dienen de genoemde stedenbouwkundige voorschriften, opgenomen te worden in het bestemmingsplan. In bijna alle bestemmingsplannen van de gemeente Nissewaard die na 29 november 2014 zijn vastgesteld zijn regels ten aanzien van het aspect 'parkeren' opgenomen. In de bestemmingsplannen die voor deze datum zijn vastgesteld, is nauwelijks sprake van een dergelijke regeling.
Daarnaast is in de bestemmingsplannen die na deze datum zijn vastgesteld geen eenduidige regeling ten aanzien van het aspect 'parkeren' opgenomen. Er ontbreken normen of wordt er verwezen naar verouderd beleid. Vandaar dat is besloten om voor het gehele gemeentelijke grondgebied de parkeernormen met deze parapluherziening vast te leggen. Naast de parkeernormen wordt het aspect 'laden en lossen' ook door middel van deze parapluherziening geborgd. Om veranderingen in het lokale parkeerbeleid goed te kunnen faciliteren is artikel 3.1.2, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) aangepast. Op grond van dit artikel is het mogelijk om ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening een planregel op te nemen, waarbij de uitoefening van een daarbij gegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Hierdoor is het mogelijk om in de planregel te verwijzen naar gemeentelijke beleidsregels over parkeernormen. Wanneer nieuwe beleidsregels over parkeernormen worden vastgesteld, treden deze in de plaats van de beleidsregels, zoals nu opgenomen. Om ervoor te zorgen dat de regels over parkeernormen in álle betreffende ruimtelijke plannen van de gemeente Nissewaard wordt opgenomen, is de voorliggende parapluherziening opgesteld, alsmede een parapluherziening voor de beheersverordeningen. In onderhavig bestemmingsplan zijn regels over parkeren opgenomen.
- 14 -
Woonvisie In de woonvisie 2020-2030 ‘Nissewaard een plek voor iedereen!’ zijn de volgende punten voor onderhavig plan van belang: Gemeentebreed zijn de volgende punten van belang: Behouden en verbeteren van het woonklimaat voor alle inwoners van gemeente Nissewaard; Toevoegen van woningen voor doelgroepen vanuit de regio en verder, die complementair zijn aan de huidige bevolking. Dit zijn onder andere hoger opgeleiden met een toegevoegde waarde voor de Nissewaardse economie, aansluitend bij de ambities uit Nissewaard naar 2040; Toevoegen woningen voor de oudere doelgroepen: de gemeente zet in op het realiseren van levensloopbestendige woningen op locaties nabij voorzieningen; Toevoegen van middeldure en duurdere koopwoningen om stellen en gezinnen met lokale binding de kans te geven binnen de eigen omgeving hun wooncarrière voort te zetten; Toevoegen van (meergezins)woningen door bestaande panden te transformeren, indien ruimtelijk wenselijk en passend.
Hierbij valt te denken aan boerderijen, kantoren en winkels; Functionele noodzaak, oftewel: is er in de gemeente als geheel en in de betreffende kern daadwerkelijk behoefte aan nieuwbouw? Waar sprake is van het (deels) ontbreken van een bepaald koop- of huurprijssegment zal hier extra op worden ingezet; Conform wetgeving is nieuwbouw aardgasvrij, vanaf 1 januari 2021 minimaal bijna energieneutraal (BENG), en is de milieuprestatie (MPG) maximaal 1,0. De bouw van woningen doen we daarbij zoveel mogelijk circulair en we hebben aandacht voor groene woonmilieus. De bouw van de woningen passen binnen de bovengenoemde richtpunten. Het betreft hier een herinrichting binnen bestaand stedelijk gebied die een kwalitatieve meerwaarde van het gebied oplevert door in een grotendeels woongebied een bedrijfsbestemming te saneren.
- 15 -
3. Ruimtelijke en functionele analyse 3.1 Ruimtelijke analyse. Het her in te richten gebied is gelegen tussen de Gemeenlandsedijk Noord en de Rondweg en daar achter het natuurgebied ‘De Bernisse’. Inleiding Abbenbroek is met 542 woningen één van de kleinste kernen van Nissewaard. Alleen Simonshaven is kleiner. De woningvoorraad is eenzijdig en bestaat grofweg uit twee segmenten: goedkope eengezinswoningen en dure woningen. De dure woningen bevinden zich met name in de historische kern en langs de Oudelandsedijk. Het tussensegment van middeldure, moderne een-gezinswoningen is schaars. Sociale huur is geconcentreerd in een aantal clusters in de uitbreidingswijken uit de jaren ’60 en ’70. Vanwege de eenzijdige woningvoorraad zijn de doorstroommogelijkheden voor gezinnen in een latere levensfase dat gegroeid is in inkomen en vermogen (overwaarde) en ouderen beperkt. Hierdoor is er ook geen/beperkte ruimte voor starters op de woningmarkt. Door de vergrijzing en ouderen die langer thuis blijven wonen worden de doorstroom-mogelijkheden verder beperkt. Uit een analyse van verhuisbewegingen van en naar Abbenbroek blijkt dat er een sterke relatie bestaat met Heenvliet en andere kernen op Voorne. Voorzieningen Het dorp kent een beperkt aantal voorzieningen: een supermarkt, dorpshuis, kerk en wat horeca.
Aan de noordzijde bevinden zich een voetbalvereniging, tennisvereniging en schietbaan. De belangrijkste kwaliteiten van het dorp zijn de kleinschaligheid, de historische dorpskern en de ligging aan het recreatiegebied De Bernisse. De kern is beperkt (op één punt) verbonden met het recreatiegebied (ter hoogte van het Bleekveld). Ligging Het Van Hamburg-terrein bevindt zich aan de entree van het dorp tussen het recreatiegebied en de bewoning in. Programma Het voorgestelde programma bestaat uit 14 gestapelde starterswoningen, 12 vrijstaande Senioren/ patiowoningen, 4 vrijstaande vrije sector woningen, 8 (starters)appartementen en 8 geschakelde familiewoningen. Ruimtelijke inpassing Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwde kom van Abbenbroek en bevindt zich op een afgebakend stuk grond tussen de entreeweg tot het dorp en de Rondweg. De ontwikkeling betreft een inbreidingslocatie gelegen op het voormalige Van Hamburg-terrein. Met de herinrichting wordt dit voormalige bedrijfsterrein in het weefsel en de contour van Abbenbroek opgenomen. De planlocatie is direct gelegen aan het recreatiegebied Bernisse. Enkel de relatief drukke Rondweg scheidt beide gebieden van elkaar. De mogelijkheid bestaat om in de toekomst een sterkere binding met dit natuurgebied te maken via een voetgangersverbinding vanuit het plangebied
- 16 -
waarmee voor geheel Abbenbroek deze relatie wordt versterkt. Met deze ingreep wordt het plangebied in de bestaande infrastructuur van het dorp betrokken. Verankering in het landschap. Langs de Rondweg loopt een watergang met repeterende wateruitlopen richting het dorp. Dit slagenlandschap is historisch bepaald en heeft haar oorsprong vanuit de Bernisse, met de voormalige haven aan de Ring en de Scheedelf, welke langs de zuidzijde van de ontwikkellocatie loopt. Vanaf de Gemeenlandsedijk zijn deze waterlopen op diverse locaties duidelijk zichtbaar. Binnen het plangebied vormt de nieuwe waterloop een markant element, waarin zichtlijnen doordringen tot het natuurgebied aan de Bernisse. Het creëren van de waterloop binnen het plangebied levert een meerwaarde voor zowel de locatie zelf als ook voor de aangrenzende locaties. Het Van Hamburg- terrein biedt plaats voor 46 woningen. De verkaveling is luchtig opgezet in een open landschappelijk karakter dat aansluit bij de bestaande opzet van het dorp Abbenbroek. 3.2 Functionele analyse. Het voorgestelde programma bestaat uit 14 gestapelde starterswoningen, 12 vrijstaande Senioren/ patiowoningen, 4 vrijstaande vrije sector woningen, 8 (starters)appartementen en 8 geschakelde familiewoningen. Vooruitlopend op de ontwikkeling is de vervuilde bodem gesaneerd.
Het college heeft op basis van een integrale en gebiedsgerichte afweging, besloten in principe te willen meewerken aan dit initiatief omdat de ontwikkeling een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit betekent van de entree tot Abbenbroek en draagt bij aan de woningbehoefte in het dorp. Daarnaast biedt de ontwikkeling de mogelijkheid om een nieuwe voetgangersverbinding met het recreatiegebied te leggen. Binnen het plan is ruimte gelaten om dit in de toekomst mogelijk door derden/gemeente te realiseren maar maakt geen deel uit van het huidige plan. Daarmee sluit de ontwikkeling aan op de ambities van de gemeente uit het ontwikkelperspectief Nissewaard naar 2040 en de Woonvisie (2020).
- 17 -
4. Algemene realiserings- en uitvoeringsaspecten 4.1 Geluid. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Industrielawaai/spoorweglawaai Het perceel ligt binnen een geluidscontour van een gezoneerd bedrijfsterrein dan wel een spoorweg. Wegverkeerslawaai Wettelijk kader: Voor gevoelige bestemmingen binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek te worden overlegd. De breedte van de zone van een weg wordt omschreven in artikel 74 van de Wet geluidhinder: Artikel 74 [1] Langs een weg bevindt zich een zone die aan weerszijden van de weg de volgende breedte heeft: a. in stedelijk gebied: 1. voor een weg, bestaande uit 3 of meer rijstroken: 350 meter; 2. voor een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: 1. voor een weg, bestaande uit 5 of meer rijstroken: 600 meter; 2. voor een weg, bestaande uit 3 of 4 rijstroken: 400 meter; 3. voor een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken: 250 meter. [2] Het eerste lid geldt niet met betrekking tot: a. wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; b. wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt.
Artikel 82 Voorkeursgrenswaarde Conform artikel 82, lid 1 van de Wet geluidhinder (Wgh) geldt voor de geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een weg een voorkeursgrenswaarde Lden van 48 dB. Op 31 januari 2023 heeft Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek uit gevoerd (bijlage). De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt: 5.1 Algemeen In opdracht van HDK Architecten en in samenwerking met Juridisch Planologisch Adviesbureau R3 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting vanwege verkeerslawaai en industrielawaai op een ontwikkeling aan de Gemeenlandsedijk Noord in Abbenbroek. Op het plangebied, gelegen tussen de Gemeenlandsedijk Noord en de Rondweg aan de noordzijde van Abbenbroek, rust op dit moment een bedrijfs- en groenbestemming. Het voornemen is om het plangebied te her ontwikkelen voor de bouw van 46
- 18 -
woonvoorzieningen, bestaande uit 14 beneden/bovenwoningen, 12 patiowoningen, 8 gezinswoningen, een appartementengebouw voor 8 wooneenheden en 4 vrijstaande woningen. De herontwikkeling past niet in het vigerend bestemmingsplan. Om de beoogde herontwikkeling mogelijk te maken dient daarom het huidig bestemmingsplan te worden gewijzigd. Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is het verplicht bij wijziging van een bestemmingsplan, waarbij nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt die zijn gelegen binnen een geluidzone, de geluidbelasting middels een akoestisch onderzoek vast te stellen. Een woning of een appartement wordt in de Wgh aangemerkt als een geluidgevoelig object. In onderhavige situatie is de planlocatie voor wat betreft wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van het traject Gemeenlandsedijk Noord/Rondweg (ten noorden en zuidoosten van de rotonde), de Gemeenlandsedijk Noord (ten zuidwesten van de rotonde) en de Oudelandsedijk. Deze wegen zijn daarom meegenomen in het onderzoek. De planlocatie ligt bovendien binnen de geluidzone van industrieterrein ‘BotlekVondelingenplaat’ ten noorden van het plan. Het plan ligt direct aan de Gemeenlandsedijk Noord. Deze weg gaat in de bebouwde kom over in een 30 km/ uur weg.
Wegen met een maximum snelheid van 30 km/ uur hebben geen zone op grond van de Wet geluidhinder en hoeven dus niet getoetst te worden aan de geluidnormen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wel wenselijk om de geluidbelasting van 30 km/ uur wegen te beschouwen. Daarom wordt deze weg wel in het akoestisch onderzoek betrokken. Samenvattend maakt het akoestisch onderzoek onderdeel uit van de ruimtelijke onderbouwing voor de bestemmingsplanprocedure en heeft tot doel de geluidbelasting vanwege industrie- en wegverkeerslawaai op de herontwikkeling te bepalen en deze te toetsen aan de normen uit de Wet geluidhinder (voor wat betreft de wegen en industrieterrein met een geluidzone) en de geluidbelasting na cumulatie van geluid te beoordelen op de aanwezigheid van een goede ruimtelijke ordening. 5.2 Toets aan de Wet geluidhinder 5.2.1 Wegverkeerslawaai Gemeenlandsedijk Noord/ Rondweg (beiden geluidgezoneerd, 80 km/u regime) Vanwege het traject Gemeenlandsedijk Noord/Rondweg bedraagt de geluidbelasting op de planontwikkeling ten hoogste 60 dB (inclusief 2 dB aftrek conform artikel 110g Wgh). Daarmee wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Onderzoek naar maatregelen om de geluidbelasting te reduceren is noodzakelijk. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 6.
Oudelandsedijk Vanwege de Oudelandsedijk bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 33 dB (inclusief 5 dB aftrek conform artikel 110g Wgh). Daarmee wordt bij alle woningen voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek naar maatregelen om de
- 19 -
geluidbelasting te reduceren zijn dus niet noodzakelijk, evenals het aanvragen van een hogere waarde vanwege deze weg. Gemeenlandsedijk Noord (gezoneerd gedeelte; 60 km/u regime) Vanwege dit deel van de Gemeenlandsedijk Noord bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 33 dB (inclusief 5 dB aftrekconform artikel 110g Wgh). Daarmee wordt bij alle woningen voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek naar maatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn dus niet noodzakelijk, evenals het aanvragen van een hogere waarde vanwege deze weg. Gemeenlandsedijk Noord (niet gezoneerd gedeelte; 30 km/ uur regime) Vanwege dit deel van de Gemeenlandsedijk Noord bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 41 dB (inclusief 5 dB aftrek in lijn met artikel 110g Wgh). Daarmee wordt bij alle woningen voldaan aan de richtwaarde van 48 dB in lijn met de Wet geluidhinder. Onderzoek naar maatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn niet noodzakelijk. 5.2.2 Industrielawaai De geluidbelasting vanwege het industrieterrein “Botlek-Vondelingenplaat” bedraagt 51 dB(A). Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) met 1 dB(A) overschreden. Omdat de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) niet wordt overschreden, kan hiervoor een hogere waarde worden verleend.
5.3 Cumulatie van geluid Omdat de voorkeursgrenswaarde vanwege twee geluidgezoneerde bronnen wordt overschreden, is een cumulatieberekening op grond van het Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012 uitgevoerd. De kwalificatie van het woon- en leefklimaat loopt uiteen van “zeer goed” tot “tamelijk slecht”. Uit de rekenresultaten blijkt dat het woon- en leefklimaat overwegend “goed tot redelijk” is, hetgeen in een binnenstedelijke situatie aanvaardbaar wordt geacht. 6 MAATREGELENONDERZOEK Om de geluidbelasting vanwege de geluidbronnen te verlagen, dient onderzoek plaats te vinden naar: • bronmaatregelen; • maatregelen in de overdrachtssfeer; • maatregelen bij de ontvanger. 6.1 Bronmaatregelen 6.1.1 Wegverkeerslawaai Een bronmaatregel is het toepassen van een geluidarm wegdektype of het beperken van de rijsnelheid of verkeersintensiteit bij wegverkeerslawaai. Voor de Rondweg zou een geluidsarm asfalt kunnen worden toegepast, zoals bijvoorbeeld dubbellaags ZOAB. Dit asfalt kan niet worden toegepast nabij de rotonde, vanwege het optrekkend en afremmend verkeer. Dit zou tot snelle slijtage en dus hoge onderhoudskosten leiden. Het toepassen van ZOAB leidt tot een ca. 1 dB(A) lagere geluidbelasting. Hierdoor wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB nog steeds overschreden. Bovendien is een 1 dB(A) lagere geluidbelasting niet of nauwelijks waarneembaar.
Het toepassen van dubbellaags ZOAB leidt tot een 3 à 4 dB(A) lagere geluidbelasting. Hoewel bij toepassing van dubbellaags ZOAB de
- 20 -
voorkeursgrenswaarde van 48 dB nog steeds wordt overschreden, is een verlaging van 3 á 4 dB(A) waarneembaar en van positieve invloed op het woon- en leefklimaat. Het toepassen van fijn dubbellaags ZOAB leidt tot een 6 dB(A) lagere geluidbelasting. Hoewel bij toepassing van fijn dubbellaags ZOAB de voorkeursgrenswaarde van 48 dB nog steeds wordt overschreden, is een verlaging van 6 dB(A) zeergoed waarneembaar en van zeer positieve invloed op het woon- en leefklimaat. 6.1.2 Industrielawaai Het industrieterrein “Botlek-Vondelingenplaat” is geluidgezoneerd. Dit betekent dat de bedrijven die zich op de industrieterreinen hebben gevestigd het recht hebben om een bepaalde hoeveelheid geluid te produceren. Voor het industrieterrein geldt dat het recht om een hoeveelheid geluid te produceren voortvloeit uit de geluidzonering zelf (planologisch aspect) en uit de milieuvergunningen c.q. meldingen van de bedrijven. Door het treffen van bronmaatregelen om de geluidbelasting te verlagen, worden de bedrijven in dit recht aangetast. Bovendien zal het treffen van bronmaatregelen en de daarmee gepaard gaande geluidreductie altijd gekoppeld moeten worden aan een bestemmingsplanprocedure om de geluidzone te verkleinen. Als dit niet gebeurt, wordt de bereikte geluidreductie immers weer ‘ingenomen’ door een ander bedrijf. Het treffen van bronmaatregelen wordt niet als een haalbare optie beschouwd.
6.2 Overdrachtsmaatregelen Overdrachtsmaatregelen zijn het plaatsen van een scherm of het zodanig positioneren van de gebouwen, zodat aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan. Voor het anders positioneren van de woningen, zodat aan de voorkeursgrenswaarden vanwege wegverkeers- of industrielawaai kan worden voldaan, kan op voorhand worden gesteld dat het plangebied hiervoor geen ruimte biedt. De overschrijding van de voorkeursgrenswaarde vindt met name op de hogere bouwlagen van het plan plaats. Om die reden zal een hoog scherm nabij het plan noodzakelijk zijn om de geluidbelasting op de gevels voldoende te reduceren. Dit is gelet op de hoogte van de woningen geen reële optie. Een andere optie is om een geluidscherm kort bij de bron te plaatsen. Om effect te bereiken, dient een geluidscherm zichtlijn doorbreking te bewerkstelligen. Vanwege de hoge gebouwen, moet een dergelijk geluidscherm ook extreem hoog worden.
Dit is geen reële optie en stedenbouwkundig ongewenst 6.3 Maatregelen bij de ontvanger Omdat het akoestisch onderzoek heeft aangetoond dat maatregelen aan de bron- en in de overdrachtssfeer, buiten het treffen van bronmaatregelen aan de Rondweg, niet mogelijk zijn om de geluidbelasting naar de voorkeursgrenswaarde terug te brengen, wordt geadviseerd de hoge geluidbelasting op de gevels van de woningen te compenseren door het treffen van maatregelen bij de ontvanger, dus aan de woningen zelf. Om te kunnen bepalen welke maatregelen genomen moeten worden, is het noodzakelijk de geluidwering van de gevels te berekenen en deze te toetsen aan het Bouwbesluit. De minimumeis voor de karakteristieke geluidwering van woningen is op grond van het Bouwbesluit 20 dB. Daarnaast is in het Bouwbesluit bepaald dat de karakteristieke geluidwering van de gevel niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en 33 dB in een verblijfsgebied en 35 dB in een verblijfsruimte. De geluidbelasting op de gevels waar mee gerekend moet worden is exclusief aftrek ingevolge art. 110g van de Wet geluidhinder.
- 21 -
Omdat op dit moment de indeling van de gebouwen nog niet vast staat, kan nog geen exact beeld worden gegeven van de benodigde geluidwering en op welke wijze deze dient te worden bepaald. Bij de aanvraag om een Wabo-vergunning ‘Bouwen’ zal de benodigde geluidwering berekend moeten worden. Globaal kan worden gesteld dat er zowel voor de geluidbelasting vanwege de Rondweg als vanwege industrielawaai een hogere waarde dient te worden aangevraagd. De aan te vragen hogere waarde vanwege de Rondweg is het hoogste van beide en bedraagt ten hoogste 60 dB. Op basis van het Bouwbesluit dient de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie bij de nieuwbouw met de hoogste geluidbelasting op de gevels (appartementengebouw, gebied D) tenminste te voldoen aan GA,k = 29 dB(A) (60 dB + 2 dB aftrek – 33 dB) voor een verblijfsgebied en 27 dB(A) voor een verblijfsruimte. Aangezien de geluidbelasting na cumulatie van geluid niet meer bedraagt dan 62 dB, wordt met een dergelijke geluidwering zondermeer overal in de woningen een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Omdat alle andere woningen binnen het plan een lagere geluidbelasting op de gevels hebben, wordt geadviseerd de benodigde geluidwering per woning of wooneenheid te dimensioneren op de berekende gecumuleerde geluidbelasting, zoals aangegeven in bijlage VIII van dit rapport.
Gezien het bovenstaande is het noodzakelijk dat een hogere waarde wordt vastgesteld. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van de hogere waarde moet gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. Nestgeluid Het hogere waarde beleid van de gemeente Nissewaard gaat uit van een geluidwering die gebaseerd is op het cumulatieve geluidniveau per bronsoort. De gemeente Nissewaard betrekt nestgeluid vooralsnog niet bij de bepaling van het geluidniveau van het industrielawaai. Wel betrekt de gemeente Nissewaard nestgeluid bij het bepalen van de benodigde geluidwering van de gevels van de woningen met betrekking tot het industrielawaai. Mocht nestgeluid in de toekomst alsnog bij de zones van de industrieterreinen betrokken worden, is in ieder geval voldaan aan de eis voor het binnenniveau van 35 dB(A) uit het Bouwbesluit 2012. Wanneer het nestgeluid bij het industrielawaai wordt opgeteld, is de cumulatieve geluidbelasting vanwege het wegverkeer voor de woningen nabij het traject Stationsweg/Rondweg bepalend voor de benodigde geluidwering. Er zijn voor deze woningen vanwege het nestgeluid dus geen extra geluidwerende maatregelen nodig.
Hierbij gaat de gemeente Nissewaard ervan uit dat wanneer het extra geluid (vanwege nestgeluid bij het industrielawaai) wordt toegevoegd, de geluidbelasting ten alle tijde onder de eerder genoemde maximale binnenwaarde van het Bouwbesluit blijft. Het nestgeluid zal voor deze plannen niet leiden tot extra geluidwerende maatregelen bij de woningen. Resumerend betekent dit: De toepassing van dubbellaags ZOAB is ongewenst vanuit wegbeheer in verband met de kosten en onderhoud. Daarnaast is een geluidscherm vanuit stedenbouwkundig opzicht onwenselijk en te duur. Dit betekent dat de oplossingen om te voldoen moeten worden gevonden in maatregelen bij de ontvanger.
- 22 -
Conclusie Het bouwplan voor de 46 woningen kan met het vaststellen van een hogere waarde uit oogpunt van akoestiek worden gerealiseerd. 4.2 Verkeer. Verkeer, ontsluiting en parkeren Voor Abbenbroek zijn er verschillende mogelijkheden om te komen tot een passende parkeernorm. De vastgestelde parkeernormennota (parkeernormennota Nissewaard 2022) geeft een parkeerbehoefte van 91 parkeerplaatsen. In het plan zijn er 86 parkeerplaatsen voorzien. Dit geeft daarmee het tekort van 5 parkeerplaatsen. Voor verschillende typologieën worden hoge parkeernormen gehanteerd die in vergelijking niet reëel zijn met het bekende autobezit. De norm autobezit ligt voor Abbenbroek en vergelijkbare nieuwbouw op 1,5. Dit geeft in combinatie met de norm bezoekers van 0,3 een totaal van 1,8. Het is verantwoord om akkoord te gaan met een aangepaste parkeernorm gebaseerd op de norm autobezit, behalve voor de vrije kavels waar grotere woningen op worden gerealiseerd. Zo ontstaat onderstaande tabel en dit geeft een parkeerbehoefte van 85 parkeerplaatsen. De 86 parkeerplaatsen die nu in het plan zijn opgenomen zijn voldoende om te voorzien in de parkeerbehoefte van het plan.
Figuur 4.1 berekening benodigd aantal parkeerplaatsen volgens bijlage 7: Memo parkeren
- 23 -
Figuur 4.2 Overzichtstekening parkeerplaatsen.
beneden-/bovenwoningen [A] 14 x 1,8 = 25,2 parkeerplaatsen op eigen kavel = 0 benodigd in openbare ruimte = 25,2 parkeerplaatsen vrijstaande woningen [B] 12 x 1,8 = 21,6 parkeerplaatsen op eigen kavels = (10 x 1,0) + (2 x 1,7) = 13,4 parkeerplaatsen benodigd in openbare ruimte = 8,2 parkeerplaatsen vrije kavels [C] 4 x 2,2 = 8,8 plaatsen op eigen kavels = 4 x 1,7 = 6,8 parkeerplaatsen benodigd in openbare ruimte = 2,0 parkeerplaatsen rijwoningen [D] 8 x 1,8 = 14,4 plaatsen op eigen kavels = 4 x 1,0 = 4,0 parkeerplaatsen benodigd in openbare ruimte = 10,4 parkeerplaatsen appartementen [E] 8 x 1,8 = 14,4 plaatsen op eigen kavel = 0 plaatsen benodigd in openbare ruimte = 14,4 parkeerplaatsen Totaal aantal benodigde parkeerplaatsen op gehele terrein: 84,4 = 85 Totaal aantal parkeerplaatsen aanwezig op gehele terrein: In openbaar gebied: 60 plaatsen Op privé terrein: 14 + 8 + 4 = 26 parkeerplaatsen 60 + 26 = 86 Parkeerplaatsen
- 24 -
Dit betekent dat er 86 parkeerplaatsen binnen het plan worden gerealiseerd dit is ruim voldoende om aan de parkeervraag te voldoen. 4.3 Luchtkwaliteit. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. In artikel 5.16 is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het nemen van een projectbesluit, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. Er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden. b. De concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft ten minste gelijk. c. Het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht. d. De ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden.
In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Er worden in onderhavig plan 46 woningen toegevoegd. Volgens de CROW is de verkeersgeneratie bij woningen in het meest ongunstigste geval 8,6 verkeersbewegingen. Deze meest ongunstige norm hebben we voor alle woningen genomen. Dit betekent dat er voor 46 woningen 396 verkeersbewegingen zijn. In de Nibm tool ziet de berekening er als volgt uit:
- 25 -
Figuur 4.3: Nibm tool
Voor de volledigheid is uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening ook de heersende luchtkwaliteit in ogenschouw te nemen. Op basis van de landelijk beschikbare GCNwaarden (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland) kan gesteld worden dat de jaargemiddelde achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide 22,0 (2015, gebaseerd op gegevens gcn 2013) microgram per kubieke meter lucht bedraagt en voor fijn stof is dit 22,8 (2015, gebaseerd op gcn 2013) microgram per kubieke meter. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de luchtconcentraties ruim voldoen aan de normering Wet milieubeheer onderdeel luchtkwaliteit (grenswaarde voor stikstofdioxide en fijn stof bedragen 40 microgram per kubieke meter, te bereiken in 2015 respectievelijk in 2011). Conclusie: Uit het oogpunt van luchtkwaliteit worden geen belemmeringen ondervonden. 4.4 Bodem. In het kader van de voorbereiding van het bouwplan is de bodem gesaneerd. Er is een beschikking van de evaluatie van de sanering ontvangen van de DCMR. Een evaluatieverslag is bijgevoegd. De conclusie is: Ter plaatse van de perceelsgrens is een foliescherm geplaatst, een en ander conform het saneringsplan. Betreffende scherm dient ter afscherming van de olieverontreiniging, aanwezig op het naastgelegen perceel. Dit scherm dient in stand te blijven. Bij de sanering van de oliespot is het saneringsresultaat bereikt, te weten geschikt voor wonen.
De vrijgekomen grond is afgevoerd naar ATM en de plas van Heenvliet. Een deel van de grond is/wordt herschikt buiten de woonpercelen onder infrastructuur.
- 26 -
Conclusie: Dit betekent dat uit het onderzoek blijkt dat er geen milieuhygiënische bezwaren zijn tegen het beoogde gebruik van de grond (wonen). Het evaluatieverslag is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 4.5 Externe veiligheid. Normstelling en beleid Alle ruimtelijke plannen moeten worden getoetst aan het externe veiligheidsbeleid. Deze verplichting is voor wat betreft de risico's van bedrijven vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en in de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) voor wat betreft het transport van gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het externe veiligheidsbeleid moet worden uitgevoerd wanneer het plangebied gelegen is binnen het invloedsgebied van een risicobron. Wanneer dit het geval is moet beoordeeld worden of het plan voldoet aan de grens c.q. richtwaarde van het plaatsgebonden risico van deze risicobron. Verder zal in dat geval het groepsrisico verantwoord moeten zijn. De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft op verzoek van de gemeente een inventarisatie gemaakt van alle risicovolle inrichtingen en transportroutes die invloed kunnen hebben op het gemeentelijk grondgebied.
Deze inventarisatie heeft de basis gevormd voor de opgestelde signaalkaart NissewaardKernpunt in dit beleid is dat de gemeente bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening houdt met de door de veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond aangehouden effectzones bij ongevallen. Voor bestaande situaties is in de visie als uitgangsprincipe aangegeven dat er geen maatregelen op het gebied van externe veiligheid worden opgelegd. Het plangebied. In het kader van de externe veiligheid is het dus van belang om te onderzoeken of er in of in de nabijheid van de plangebieden nabij de bouwlocatie relevante inrichtingen en transportroutes aanwezig zijn en zo ja of nader onderzoek noodzakelijk is. Er vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats in de omgeving van het plangebied. Er kan worden geconstateerd dat er zich in de directe omgeving geen gevaarzettende ondergrondse leidingen dan wel Lpg-stations aanwezig zijn. Ook wordt nog verwezen naar de risicokaart van de provincie Zuid-Holland. Uit deze kaart is op te maken dat er voor het plangebied geen risicovolle zaken aan de orde zijn. De herinrichting van deze locatie heeft geen invloed op deze situatie en levert ook geen extra risico op.
- 27 -
Figuur 4.4: Risicokaart provincie Zuid-Holland met pijl bij planlocatie
Ten slotte wordt nog opgemerkt dat de gemeente Nissewaard haar bewoners actief informeert op het gebied van rampenbestrijding en crisisbeheersing. Door middel van de campagne Denk Vooruit ('Rampen vallen niet te plannen, voorbereidingen wel') worden burgers geïnformeerd hoe men zich kan voorbereiden op een eventuele calamiteit. Conclusie: Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat in het onderhavige plan voldaan wordt aan de wettelijke eisen en het geldende beleid op het gebied van externe veiligheid. 4.6 Bedrijven en milieuzonering. Ter bepaling van de mogelijkheid om milieubelastende bestemmingen te realiseren in de nabijheid van milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen, wordt gebruik gemaakt van de systematiek van milieuzonering. In de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is één en ander nader beschreven en uitgewerkt. In deze VNG-publicatie is ook een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB) opgenomen, waarbij per type bedrijf wordt aangegeven welke afstanden tussen milieugevoelige en milieubelastende bestemmingen moet worden aangehouden. Zo ontstaat een zone rond een perceel met een bedrijfsbestemming waar in principe geen milieugevoelige bestemmingen zijn toegestaan. Op deze wijze wordt geborgd dat er geen onaanvaardbare milieuoverlast voor milieugevoelige bestemmingen aan de orde zal zijn.