CConstaterende datNissewaard
Koppel je AI →
Document · PDF

34.Memo Leaderprogramma Zuid-Westelijke Delta 2023-2027, bijlage

Gemeenteraad 6 december 2023, gemeente NissewaardBij agendapunt: Lijst Ingekomen stukken en mededelingen22.463 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

DEFINITIEVE VERSIE D.D. 25-04-2023

Lokale OntwikkelingsStrategie Zuid-Hollandse Eilanden LEADER gebied Zuid-Holland 2023-2027

1. Totstandkoming en status Ontwikkelingsstrategie ........................................................................................... 3 2. Gebiedsbegrenzing en –analyse ........................................................................................................................ 5 2.1 Gebiedsbegrenzing .............................................................................................................................................. 5 2.2 Gebiedsanalyse .................................................................................................................................................... 8 3. Strategie en doelstellingen ............................................................................................................................... 15 3.1 Strategie, thema’s en algemene doelstellingen ................................................................................................. 15 3.2 Meetbare doelstellingen en indicatoren ............................................................................................................ 20 4. Activiteitenplan ................................................................................................................................................

22 4.1 Uitvoering van projecten ................................................................................................................................... 22 4.2 Samenwerking ................................................................................................................................................... 25 4.3 Aanjaagactiviteiten in het gebied ...................................................................................................................... 25 4.4 Deskundigheidsbevordering............................................................................................................................... 26 4.5 Communicatie .................................................................................................................................................... 26 4.6 Administratie ..................................................................................................................................................... 26 4.7 Meerjarenplanning ............................................................................................................................................ 27 5. Organisatie LAG ................................................................................................................................................

28 5.1 Positie, taken en bevoegdheden LAG ................................................................................................................. 28 5.2 Profiel en samenstelling van de LAG .................................................................................................................. 29 5.3 Organisatie van de uitvoering ............................................................................................................................ 31 6. Financiering. ..................................................................................................................................................... 33 6.1 Begroting ........................................................................................................................................................... 33 6.2 Dekkingsplan ...................................................................................................................................................... 34 7. Beheer- en toezichtregeling (Reglement LAG) .................................................................................................. 35 7.1 Werkwijze en verantwoording LAG....................................................................................................................

35 7.2 Wijze van Openstelling ...................................................................................................................................... 37 7.3 Beoordeling en selectiecriteria ........................................................................................................................... 38 7.4 Monitoring ......................................................................................................................................................... 42 7.5 Effectmeting en Evaluatie .................................................................................................................................. 43 BIJLAGEN .............................................................................................................................................................. 44

2

1. Totstandkoming en status Ontwikkelingsstrategie Het initiatief voor het schrijven van deze Lokale OntwikkelingsStrategie Zuid-Hollandse Eilanden (LOSZHE)is genomen door de Landschapstafels Voorne-Putten en Haringvliet (op uitnodiging van de Provincie Zuid-Holland). De Gemeente Goeree-Overflakkee heeft het penvoerderschap op zich genomen omdat beide tafels geen rechtspersoonlijkheid zijn. In overleg met de Landschapstafels heeft de gemeente ook een extern adviesbureau in de arm genomen om hen te helpen bij het proces en het schrijven van deze ontwikkelingsstrategie. Onderdeel van het proces was ook om te komen tot een (voorlopige en definitieve) Lokale ActieGroep (LAG) samengesteld en voorgedragen door beide Landschapstafels, welke gezamenlijk zijn opgegaan in een Brede StakeholdersGroep (BSG-ZHE). Het plan, de ontwikkelingsstrategie is van de LAG en BSG. Deze ontwikkelingsstrategie is gericht op de drie Zuid-Hollandse Eilanden: Goeree-Overflakkee, VoornePutten en Hoeksche Waard). Het gebied dat ligt ten zuidwesten van de stad Rotterdam en zich uitstrekt tot de grens met de Provincie Zeeland. Het gebied wordt gekenmerkt door verschillende landschappelijke eenheden (polders, duinen, strand en buitendijkse gebieden), die gescheiden en verbonden worden door de grote wateren Haringvliet en Spui.

In dit landschappelijk aantrekkelijke gebied komen vele functies samen, zoals land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, cultuurhistorie, bedrijvigheid en wonen. Het gebied ervaart toenemende druk op het gebied van infrastructuur, woningbouw, bedrijvigheid en recreatie door haar ligging vlakbij/tegen Rotterdam/Rijnmond/Europoort. Echter zij wil haar eigenheid graag behouden, het gebied aantrekkelijk houden voor eigen bewoners, recreanten en nieuwkomers, maar zeker ook niet stil blijven staan. Om het gebied ondanks deze toenemende druk en ontwikkelingen toch aantrekkelijk, eigen en eigentijds te houden voor de uiteenlopende functies is er voor deze ontwikkelingsstrategie een intensief traject met alle betrokken partijen in het gebied doorlopen. In dit proces is gestart met een drietal algemene bijeenkomsten, namelijk voor de Landschapstafels Haringvliet en Voorne-Putten en een voor alle overige groepen, organisaties en belanghebbenden. Op die bijeenkomsten is tekst en uitleg gegeven over Leader (wat houdt het in, wat is de essentie, wat zijn thema’s), Lokale ActieGroep (LAG), de Lokale OntwikkelingsStrategie (LOS) en het hele proces om tot een LOS en LAG te komen. Vervolgens hebben er 3 themagroepen bijeenkomsten plaatsgevonden en 3 eilandsessies. Bij al deze 6 bijeenkomsten is invulling gegeven aan de SWOT-analyse en gediscussieerd over mogelijke thema’s en projecten.

In deze periode is ook eerst afzonderlijk en daarna tezamen gesproken met de 4 wethouders in het gebied. Ook hierbij stond de SWOT en de thema’s centraal, maar ook de samenstelling van de LAG en mogelijke bijdragen vanuit de gemeenten aan het Leaderprogramma. Op basis van al deze bijeenkomst is een eerste versie van de SWOT-analyse geschreven en een eerste voorstel voor de strategie en doelen van de ontwikkelingsstrategie. Deze SWOT en Strategie/doelen zijn vervolgens opnieuw in 3 eilandsessies met alle betrokkenen besproken, verbeterd een aangevuld. Tevens is in deze ronde gediscussieerd over de omvang en samenstelling van de LAG en over de invulling van het activiteitenplan, omvang van projecten en mogelijke subsidiepercentages. De input vanuit deze sessies is gebruikt voor het uitwerken en definitief maken van de SWOT-analyse, de Strategie en doelen van de ontwikkelingsstrategie, het activiteitenplan en het subsidiekader. Tevens is op basis van deze eilandbijeenkomsten een eerste voorstel gemaakt voor de LAG (de taken, werkwijze, 3

omvang en mogelijke samenstelling). Hiermee lag er een eerste versie van een bijna volledige LOS op tafel. Deze eerste versie is vervolgens besproken met alle 4 de wethouders tezamen en op een plenaire bijeenkomst van de Brede Stakeholdersgroep (samengesteld uit de Landschapstafels, themabijeenkomsten en eilandsessies). Deze bijeenkomsten hebben geleid tot een definitief concept LOS en tot een definitief voorstel voor de samenstelling van de LAG. Dit voorstel voor de LAG is aanleiding geweest tot de instelling/oprichting van een voorlopige LAG. Deze voorlopige LAG heeft het definitieve concept LOS nogmaals besproken en daaruit is de definitieve versie van de Lokale Ontwikkelingsstrategie voortgekomen, welke op 17 april 2023 door de definitieve LAG is vastgesteld en begin mei 2023 is ingediend bij de Provincie Zuid-Holland op basis van een openstellingsbesluit. Tevens is de definitieve versie LOS ingediend bij RVO. Gezien het hierboven beschreven proces kunnen we vaststellen dat de totstandkoming van de LOS geheel volgens de LEADER-aanpak is verlopen; de lokale gemeenschap in de vorm van vele lokale organisaties is goed bij de ontwikkeling van de SWOT, strategie, activiteitenplan en subsidiereglement betrokken geweest alsook bij de samenstelling van de LAG.

Daarnaast zal de LAG bij de uitvoering van dit LEADER-programma de lokale bevolking, lokale groepen en bedrijven intensief blijven betrekken. In de opstartfase zullen acties uitgevoerd om alle stakeholders goed te informeren, te activeren en te ondersteunen bij het inbrengen en formuleren van initiatieven. Vanuit deze acties zal ook opnieuw worden bezien of, hoe en welke lokale stakeholders alsnog een plaats zouden kunnen krijgen in de LAG, zodat er een nog meer inclusieve samenstelling van die LAG ontstaat met betrekking tot specifieke groepen als jongeren, vrouwen en lokale groepen. Op deze manier zal er in de uitvoering van dit programma een volledige LEADER-werkwijze tot stand worden gebracht.

4

2. Gebiedsbegrenzing en –analyse 2.1 Gebiedsbegrenzing Het LEADER-gebied Zuid-Hollandse Eilanden ligt ten zuiden van de Rijnmond regio en ten noorden van de Zeeuwse eilanden. Het omvat 3 eilanden (Voorne-Putten, Goeree-Overflakkee en de Hoeksche Waard) en 4 gemeenten: Voorne aan zee, Nissewaard, Goeree-Overflakkee en Hoeksche Waard. De grenzen van het Leader-gebied vallen samen met de gemeentegrenzen, dat is inclusief de grote wateren (als de Grevelingen, Volkerak, Hollands Diep, Dordtse Kil, Oude Maas en de Noordzee) die binnen die gemeentegrenzen vallen. Daarnaast wordt het gebied doorsneden door de wateren Haringvliet en Spui. Het gehele gebied kenmerkt zich door een divers landschap met aan de westkant prachtige duingebieden, in het hele gebied veel kreken en dijken, binnen- en buitendijkse natuurgebieden, dorpen en stadjes en een gevarieerd landbouwgebied bestaande uit akkerbouw, veeteelt en (glas)tuinbouw. Door het diverse landschap, de ligging nabij grote stedelijke concentraties en de ligging aan zee en grote wateren vervult de regio een grote diversiteit aan functies. De belangrijkste functies zijn: landbouw, natuur en recreatie & toerisme. Hierop wordt hieronder per eiland apart verder ingegaan. Daarnaast vervult het hele gebied, door zijn ligging ook een belangrijke functie op het gebied van water (berging, afvoer en kwaliteit).

Tenslotte heeft het gebied uiteraard ook een belangrijke woon- en werkfunctie.

Kaartje Zuid-Hollandse Eilanden De ZH-eilanden hebben in totaal een kleine 300.000 inwoners (zie tabel 2.1.1). De bevolkingsomvang van het gebied zal de komende jaren naar verwachting licht toenemen. In sommige, meer perifere delen wordt lichte krimp verwacht, zoals in delen van Goeree-Overflakkee en in de Hoeksche Waard. In Nissewaard en aan de noordkant van de Hoeksche Waard wordt lichte groei verwacht en de gemeente

5

Voorne aan Zee wordt een stabilisatie van de bevolkingsomvang verwacht. De meeste mensen wonen in de grotere kernen zoals Spijkenisse, Hellevoetsluis, Brielle en Oud-Beijerland. De rest van de bevolking woont hoofdzakelijk in één van de kernen die verspreid over het gebed liggen. In lijn met de landelijke trend is er in grote delen van het gebied sprake vergrijzing en ontgroening. Hoewel alle 4 gemeenten meer dan 30.000 inwoners hebben zijn zij toch, als regio, aangewezen als LEADER gebied. De reden hiervoor is dat alle gemeenten een groot oppervlak en een groot buitengebied hebben. Daarnaast maken de 4 gemeenten gezamenlijk onderdeel uit van meerdere gebiedsprocessen (zie krachtenveldanalyse in par. 2.2.3) en nemen ze gezamenlijk (mede) verantwoordelijkheid voor de uitvoering van diverse programma’s. Vanwege het gegeven dat de kernen Spijkenisse (onderdeel van de gemeente Nissewaard) en Hellevoetsluis (onderdeel van de gemeente Voorne aan Zee) meer dan 35.000 inwoners hebben, maken zij geen onderdeel uit van het Leader-gebied. De ‘binnen de bebouwde kom’gebieden van Spijkenisse en Hellevoetsluis vormen de geografische grens van de gebieden die vallen buiten het Leader-gebied. Deze kernen zijn apart gemarkeerd op kaartje 2.2.1.

Bevolkingsomvang gemeenten (per

1-1-2022,

bron:

CBS)

Hoeksche Waard Nissewaard Voorne aan Zee Goeree-Overflakkee

88 715 86 332 73 238 51 051

Totaal

299 336

Tabel 2.1.1 Demografische kenmerken

De naastgelegen stad Rotterdam en de hele Rijnmond regio maken uiteraard geen onderdeel uit van dit LEADER-gebied, maar natuurlijk heeft deze regio wel een grote invloed op de ZH-eilanden. Met uitzondering van Goeree-Overflakkee, geldt voor alle gemeenten in het LEADER gebied dat zij nauw verbonden zijn met de regio Rotterdam. De ontwikkeling die de stad doormaakt heeft direct effect op het LEADER gebied. De economische groei in de stad heeft zijn weerslag op de vraag naar woningen en voorzieningen (met name recreatievoorzieningen). De bevolkingssamenstelling van grote kernen, maar ook van kleinere dorpen, verandert hierdoor. Bovendien heeft de overloop vanuit de stad effect op de beschikbare ruimte voor agrariërs en natuurontwikkeling. Nieuwe bedrijven die verweven zijn met de Rotterdams havens (Europoort) zijn op zoek naar ruimte om zich te vestigen en het gebied krijgt een steeds belangrijkere functie als uitvalsbasis voor recreatie. Deze interactie met de stad speelt een grote rol in de ontwikkeling van het gehele aangrenzende LEADER gebied. Samenwerking met en inspelen op de kansen, die de gunstige ligging ten opzichte van de stad Rotterdam met zich meebrengt, is daarom cruciaal voor een effectieve strategie van deze regio.

In deze strategie worden geen concrete relaties gelegd met andere LEADER gebieden, hoewel deze er in de directe omgeving wel zijn (namelijk de Leader-gebieden Alblasserwaard-Vijfherenlanden en Zeeland). Echter door natuurlijke barrières (groot water) en infrastructuur zijn er nauwelijks functionele relaties met deze gebieden. Niettemin wordt in het activiteitenplan (zie hoofdstuk 4) wel voorzien in gesprekken en bezoeken aan die gebieden. Dit zou kunnen leiden tot gezamenlijke activiteiten en/of projecten.

6

2.1.1 Gebiedskarakteristiek Hoeksche Waard De Hoeksche Waard heeft een oppervlakte van 32.369 ha, waarvan 26.854 land en 5.515 water. Het aantal inwoners is bijna 89.000, waarvan de meesten in de veertien dorpen en vele buurtschappen. Alleen Oud-Beijerland kan met ca 25.000 inwoners als een wat grotere kern gedefinieerd worden. Verwacht wordt dat de bevolking in de komende decennia licht zal groeien met ca 4.500 inwoners. De Hoeksche Waard wordt gekenmerkt door historische vaak beboomde dijken rond alle 55 polders en door natuurlijk gevormde binnenbedijkte krekenstelsels, waarvan de meeste rond de eeuwwisseling hersteld en met elkaar verbonden zijn. De grotere natuurgebieden bevinden zich vooral buitendijks aan de randen (gorzen en oeverlanden) van het eiland en binnendijks m.n. in de polder het Oudeland van Strijen en langs de Binnenbedijkte Maas. Bijzonder is het aparte natuureiland Tiengemeten met het bezoekerscentrum van Natuurmonumenten, twee musea, een herberg met kleine natuurcamping en diverse voor logies herbestemde historische panden. De Hoeksche Waard is sterk agrarisch qua karakter, met overwegend akkerbouw. Het agrarisch natuurbeheer is een sterk onderdeel. Bijna 1/3 deel van alle agrarische bedrijven doen mee met het agrarisch natuurbeheer.

De werkgelegenheid in de Hoeksche Waard is relatief laag (739 banen per 1.000 personen beroepsbevolking) en bevindt zich voornamelijk in de sectoren handel en industrie/energie, maar ook in kleinere sectoren als bouw en landbouw. Hoewel er ook inkomende pendel is, werkt maar liefst 57% van de werkzame beroepsbevolking buiten de eigen gemeente (en vooral in Rotterdam en de rest van de Rijnmond-regio). Vanwege het beperkte aanbod mbo-onderwijs en het ontbreken van hoger beroepsonderwijs is er sprake van een duidelijk negatief migratiesaldo voor de groep 20-24 jarigen. Onbekend is hoeveel uitverhuizers er later terugkeren. Wel is duidelijk dat de Hoeksche Waard aantrekkelijk is voor gezinnen met kinderen: de saldi in de leeftijdsgroepen 30-39 en 0-14 zijn jaarlijks positief.

2.1.2 Gebiedskarakteristiek Voorne-Putten Voorne-Putten heeft een oppervlakte van ca. 27.361 ha, waarvan ca. 19.507 ha land en ca. 7.854 ha water. Het aantal inwoners is bijna 160.000, waarvan de meesten in Spijkenisse (ca. 72.500) en Hellevoetsluis (ca. 39.300) wonen. Verder liggen er 8 dorpen verspreid in het gebied. Verwacht wordt dat de bevolking in de komende decennia licht zal groeien maar minder sterk dan gemiddeld in ZuidHolland. Voorne-Putten is een bijzonder eiland in de zuidwestelijke delta. De directe ligging van het gebied aan het industriële havencomplex en aan het stedelijk gebied van Rotterdam heeft in de loop van tijd niet alleen de vorm van het eiland bepaald, maar zorgt ook voor een bepaalde dynamiek en druk op VoornePutten. Veel mensen die in het gebied wonen, werken in (de havens van) Rotterdam. De land- en tuinbouw en toerisme-recreatie zijn belangrijke economische motoren in het gebied. Daarnaast is Voorne-Putten met het duinengebied, de groene recreatiegebieden, de historische stadjes (Hellevoetsluis en Brielle) en dorpen aan de Bernisse, de rust en het overweldigende deltalandschap een aantrekkelijk recreatiegebied.

De hoofdkarakteristiek van Voorne-Putten is een bijzonder landschappelijk gebied met vier hoofdlandschappen: de randen met het duinenlandschap, het waterlandschap met buitendijkse natuur, de grote groenstructuren en daartussenin het open agrarische polderlandschap. Het ‘binnen -landschap’ bestaat niet alleen uit de open poldergebieden, maar ook uit netwerken van water, dijken en routes die dit landschap dooraderen.

7

In de regio Voorne-Putten is het percentage laagopgeleiden in de beroepsbevolking hoger dan gemiddeld in Zuid-Holland. Het aandeel laagopgeleiden in de beroepsbevolking daalt wel. Het aandeel middelbaar en hoogopgeleiden neemt daarentegen toe. De groei van het aantal middelbaar opgeleiden is vergelijkbaar met Zuid-Holland, maar de groei van het aantal hoogopgeleiden is lager dan ZuidHolland. Qua werkgelegenheid is Voorne Putten erg afhankelijk van werkgelegenheid elders. Deze afhankelijkheid is de laatste jaren toegenomen. Hierbij past een sterk negatief pendelsaldo: ongeveer twee derde van de beroepsbevolking werkt buiten Voorne-Putten, waarvan circa de helft in Rotterdam. De werkgelegenheid op Voorne-Putten is vooral gedaald in de sectoren vervoer en de bouw. De industrie en de horeca zijn er qua werkgelegenheid in de afgelopen vijf jaar als enige sectoren op vooruit gegaan. De groot-en detailhandel verschaffen de meeste werkgelegenheid op Voorne-Putten, gevolgd door de gezondheids-en welzijnszorg.

2.1.3 Gebiedskarakteristiek Goeree-Overflakkee Goeree-Overflakkee is met een totale oppervlakte van 42.235 hectare een grote gemeente in vergelijking met andere gemeenten in Nederland. De gemeente telt 14 woonplaatsen en is in 2013 bij een gemeentelijke herindeling ontstaan. Een relatief groot deel van de gemeente bestaat uit oppervlaktewater, terwijl 62% van de oppervlakte bestaat uit land. Het eiland Goeree-Overflakkee is een duidelijk afgebakend gebied met een sterke eigen identiteit. Door de geïsoleerde positie die het eiland lange tijd kende heeft zich een eigen economie en sociale structuur ontwikkeld. Voor de beleving van het eiland speelt de omlijsting door de deltawateren met hun grote schaal en maat en open karakter een belangrijke rol. Het natuurlijke en dynamische karakter van het buitendijks gebied, in sterk contrast met het rationele, agrarische polderlandschap, versterkt het onderscheid tussen binnendijks en buitendijks gebied. Goeree-Overflakkee is met 51.051 inwoners een gemeente met een dun bevolkt gebied. De huishoudens zijn relatief groot: ze bestaan gemiddeld uit 2,3 personen. Er zijn in Goeree-Overflakkee veel kinderen tot 15 jaar oud (16%) en 65-plussers (22%). De totale bevolking neemt in de periode tot 2030 af met ongeveer 1,5%. Desondanks is er een sterke groei te verwachten van met name het aantal 65-plussers.

Het aantal jongeren van 0-17 jaar en het aantal 18-64-jarigen zal afnemen. Volgens de meest actuele gegevens zijn er in totaal 4.820 bedrijfsvestigingen gelegen in GoereeOverflakkee. Dat zijn er veel vergeleken met het gemiddelde op gemeenteniveau. De meeste bedrijfsvestigingen zijn in de sectoren ‘nijverheid en energie’, ‘handel en horeca’ en in de ‘zakelijke dienstverlening’. Daarna komen de sectoren ‘landbouw’ en ‘cultuur, recreatie en overige diensten’.

2.2 Gebiedsanalyse In de sub-paragraaf hieronder worden de ontwikkelingsbehoeften en mogelijkheden van het gebied beschreven aan de hand van een SWOT-analyse. In deze analyse worden vier onderwerpen behandeld: economie, wonen & leven, toerisme & recreatie, landbouw, water & bodem en natuur & landschap. Vanuit deze analyse wordt in sub-paragraaf 2 het ontwikkelingsperspectief voor de ZH-eilanden. In de derde sub-paragraaf wordt de gebiedsanalyse aangevuld met een krachtenveldanalyse. Per eiland kunnen er nadrukkelijke verschillen zijn binnen benoemde zaken binnen de SWOT. Daar waar dat speelt zal dat ook benoemd worden. 8

2.2.1 SWOT Analyse Economie - Wonen - Leven Sterkten: - Stad en Platteland dicht bij elkaar: In het gebied kun je wonen in een rustige, landelijke omgeving met de voorzieningen van de stad (Rotterdam) en werkgelegenheid nabij. Tegelijkertijd hebben de bewoners van het stedelijk gebied een aantrekkelijk landelijk uitloopgebied in de directe nabijheid. - Grote Maatschappelijke betrokkenheid: Er is veel bereidheid tot samenwerking en een actief verenigingsleven en maatschappelijk middenveld. - Ruimte, Open landschap: Door de grote hoeveelheid open landschap en de aanwezigheid van veel water, is er een gevoel van ‘ruimte’ waar de mensen zich thuis voelen. In combinatie met moderne en karakteristieke historische kernen biedt het gebied veel op het gebied van wonen. - Werkgelegenheid: In het gebied (toerisme, landbouw) en aan de noordrand (haven, industrie) is veel werkgelegenheid; daarom weinig werkloosheid. - Eilandgevoel: Dit gevoel maakt het gebied aantrekkelijk voor mensen die willen onthaasten en op zoek zijn naar een rustige plek om te wonen/werken Zwakten: - Bereikbaarheid: De Zuid-Hollandse Eilanden zijn per OV minder goed bereikbaar. Dit geldt in sterkere mate voor GO. - Verkeersinfrastructuur voldoen niet aan behoefte: De kwaliteit en aard van de verkeersinfrastructuur op veel plaatsen voldoet niet.

Het vele forensenverkeer in combinatie met toeristisch-recreatief verkeer levert conflictsituaties en overbelasting (van dijkwegen) op. - De industriële uitstraling: Vooral op Voorne-Putten is de industrie op de achtergrond permanent ‘aanwezig’ en dat geeft een gevoel van ‘drukte’. Dit beeld is niet uitnodigend. Ook uit oogpunt van gezondheid (luchtkwaliteit: stikstof, fijnstof) heeft de nabijgelegen industrie een negatief effect. - ‘Eilandgevoel: Wonen op een eiland suggereert dat de bereikbaarheid van gebieden veraf moeilijk is en lange reistijden nodig zijn. - Leefbaarheid kleine kernen: Voorzieningen in kleine kernen zijn verouderd of afwezig waardoor kwaliteit en leefbaarheid kernen onder druk staat. - Stedelijk uitloopgebied: Eigen inwoners missen stedelijk uitloopgebied en mogelijkheid om ‘een rondje om het dorp’ te lopen. Vooral in de HW. Kansen: - Wonen nabij groot stedelijk gebied: De economische activiteit in de Rijnmond-regio zorgt voor veel werkgelegenheid. Omdat de regio deze werknemers in beperkte mate kan voorzien van ruime, aantrekkelijke woningen liggen hier kansen voor randgemeenten. Met name jonge gezinnen zijn op zoek naar ruime en betaalbare eengezinswoningen in de nabijheid van voorzieningen (scholen, winkels, etc.) en met goede verbindingen. - Ontsluiten en verbinden: verbeteren van verbindingen over land en water van-naar en in het gebied.

Het betreft wandel- en fietspaden en wegen. - Onderwijs: Verbinden van ondernemers met MBO’s om passend personeel op te leiden (mede vanwege het wegtrekken van veel jongeren). Bedreigingen: - Druk vanuit stedelijke gebieden: Vanuit de noordrand is er stedelijke druk op het gebied wat betreft industrie en wonen. Het gebied als ‘speeltuin’ voor de stad. Meer bebouwing beïnvloedt het gevoel van rust en ruimte in negatieve zin en tast het open karakter van het gebied aan. - Vergrijzing: Veel jongeren verlaten het gebied en trekken naar de stad (Rotterdam) waardoor het gebied vergrijst. Hierdoor wordt de levendigheid in dorpen aangetast, staan voorzieningen onder druk, ontstaat er een personeelstekort en past de woningvoorraad niet bij de vergrijzende populatie. - Voorzieningenniveau kleine kernen: Het voorzieningenniveau in dorpen loopt terug waardoor leegloop dreigt en leefbaarheid onder druk staat.

9

Toerisme - Recreatie Sterkten: - Diversiteit landschap/gebied: Het diverse landschap en de karakteristieke historische kernen maakt het gebied aantrekkelijk voor toeristen - Fiets-, wandel- en ruiterpaden: In het gebied ligt een netwerk van fiets-, wandel- en ruiterpaden waardoor veel plaatsen (goed) bereikbaar zijn. - (Vaar)Water en Zee: Het gebied wordt omringd door ‘groot water’ en er zijn kreken en waterlopen die voor de actieve en passieve (water)recreant bereikbaar zijn. De zee biedt een extra dimensie voor de actieve (surfers, zwemmen, varen, wandelen) en de passieve recreant (terras, zonnen). - Kusttoerisme: De kuststrook van GO en VP is sterk ontwikkeld en biedt veel toeristisch-recreatieve mogelijkheden voor verblijf en vermaak. - Organiserend vermogen sector: Op GO en VP is de sector goed georganiseerd met (marketing)organisaties. In de HW is dat niet het geval. Zwakten: - Ontbreken profiel-imago: Er is geen eenduidig profiel of imago voor grote delen van het gebied. De bekendheid van (delen van) het gebied bij potentiële bezoekers en ondernemers is beperkt en daardoor onderbenut. - Aansluiting met achterland: De kustgebieden van GO en VP worden met name in de zomer erg druk bezocht. Er is weinig verbinding en samenwerking met en aandacht voor het achterland (incl. HW) mede door te weinig uitnodigende routes met belevingselementen en bezoekobjecten.

- Organiserend vermogen sector: In de HW ontbreekt een toeristisch-recreatief platform om de plannen te ontwikkelen en tot uitvoering te brengen. - Voorzieningenniveau dorpen (aan het water): In dorpen in het landelijk gebied en aan het water neemt het voorzieningenniveau af (winkels, horeca) waardoor de (water)recreanten deze dorpen gaat mijden. - Bereikbaarheid van waterranden: Op veel plaatsen zijn de waterranden onbereikbaar voor de recreant. - Fiets-, wandel- en ruiterpaden: Het onderhoud van het netwerk van fiets-, wandel- en ruiterpaden is benedenmaats, bewegwijzering ontbreekt regelmatig. Netwerk is in de Hoeksche Waard onvoldoende. Meeste routes vallen samen met gemotoriseerd verkeer. Kansen: - Groei toerisme: Het gebied is aantrekkelijk voor toerisme, groei is mogelijk, maar spreiding is wenselijk - Gezamenlijke promotie: Het gebied biedt voldoende potentie om de ZHE gezamenlijke te gaan promoten. - Versterken diversiteit en basisvoorzieningen: Er is behoefte aan meer diversiteit aan voorzieningen (luxere huisjes, camperplaatsen, afmeerplaatsen, recreatie bij de boer, streekproducten), basisvoorzieningen in het landschap (rustpunten, bankjes, infoborden, etc.) en ontsluiting klein erfgoed.

- Verbinden gebieden via land en water: verbinden van kustgebieden met achterland door middel van goede herkenbare routes (door natuur en agrarische gebieden) kan achterland impuls geven. Ook het verbinden van eilanden via waterroutes en vaarverbindingen. - Verduurzamen: De sector kan inspelen op verduurzaming door allerlei maatregelen. Kan positieve bijdrage leveren aan imago van het gebied. - Routestructuren: Met beter beheer en onderhoud kan het al bestaande netwerk van fiets-, wandel- en ruiterpaden beter benut worden. - Bereikbaarheid water: Op alle eilanden zijn mogelijkheden om het water beter bereikbaar te maken voor zowel eigen inwoners als recreanten. Bedreigingen: - Stilstand is achteruitgang: Er is in delen van het gebied sprake van weinig (kwalitatieve) vernieuwing van het aanbod, terwijl recreanten in toenemende mate kwaliteit willen én ‘vermaakt willen worden’. - Verkeersdrukte en -veiligheid: Wandelaars en fietsers voelen zich vaak onveilig door de drukke wegen waarover zij moeten fietsen en wandelen. Zij moeten veelal gebruik maken van reguliere wegen waar veel landbouw en autoverkeer rijdt. Vrijliggende paden zijn een oplossing.

10

-

Regel en wetgeving: Duurzaamheidseisen (stikstofproblematiek, Kaderrichtlijn Water, etc.) kan ontwikkeling en groei van de sector afremmen. Bereikbaarheid: Doordat het aantal brugopeningen van de Haringvlietbrug afneemt, zal de watersport op het Haringvliet onder druk komen te staan. In hoogseizoen en vakantieperiodes kan de bereikbaarheid over de weg ook in toenemende mate een probleem zijn. Toeristische drukte: De kop van GO en Voorne wordt in de zomer (te) veel toeristische druk gevoeld waardoor natuur en bewoners ‘overbelast’ raken. Noordzeekust: Door de aanzanding van de kust van Voorne, vermindert de getijdewerking. Hierdoor verandert niet alleen de kustlijn en de strandbeleving (minder branding merkbaar), maar ook het voorliggende zeegebied en het achterliggende duingebied (met mogelijke effecten).

Natuur - Landschap Sterkten: - Gevarieerd landschap en diverse natuur: De 3 eilanden worden gekenmerkt door een divers landschap bestaande uit stranden, bos, zee, duinen, polders, deltanatuur (buitendijks), kreken en dijken. Hierdoor is ook de natuur zeer gevarieerd en de biodiversiteit groot. - Terugkeer getijden in Haringvliet: het Haringvliet is niet alleen een verbindend element tussen de 3 eilanden, maar door het Kierbesluit komt er enige getijdewerking terug in het gebied. Dit leidt tot een geleidelijke overgang van zoet naar zout water, hetgeen een positief effect heeft op de waterkwaliteit, natuur en biodiversiteit. Ook de vismigratie wordt bevorderd. - Voordelta: De aanzanding van de Voordelta is een voorbeeld van een interessante ontwikkeling. Spontane processen van opbouw en afbraak, slik-, strand- en duinvorming in alle stadia worden waargenomen. Uniek voor Nederlands sinds de afsluiting van de meeste zeegaten. - Natura2000: ca. 90% van de natuurgebieden op de ZH eilanden is Natura2000 gebied. Zwakten: - Groot recreatiegroen: Hoewel vooral Voorne-Putten relatief veel groot recreatiegroen heeft, ontbreekt dit grotendeels in de Hoeksche Waard. - Verbindingen tussen natuurgebieden: De natuur is op alle eilanden erg versnipperd, goede, robuuste verbindingen ontbreken, zeker binnendijks.

- Overgangen zoet/zout: Deze zijn in veel gevallen te hard (1 dijk), niet zacht/geleidelijk. Dit wordt veroorzaakt door te weinig binnendijkse natuur. Kansen: - Ontwikkeling en verbinding: De belangrijkste kans voor natuur is het aanleggen van meer verbindingszones en het aanbrengen van samenhang in natuurontwikkeling zodat er een meer robuust geheel ontstaat. Hierbij moet bijzondere aandacht uitgaan naar herstel van zout-zoet gradiënten. - Landschapselementen creëren: Om het landschap nog mooier te maken, maar ook de biodiversiteit te verhogen ligt er een grote kans in het planten van meer bomen/bos en het aanleggen van heggen/hagen aanplanten met streekeigen soorten, incl. het toevoegen van meer erfbeplanting. - Biodiversiteit bevorderen: Door (kreek)oevers natuurvriendelijker te maken, sloten/waterlopen te verbreden en daarlangs bufferzones aan te leggen wordt de biodiversiteit vergroot. Datzelfde geldt voor het inzaaien van spuitpaden, waterkeringen, dijken, wegbermen en bloemrijke akkerranden en meer natuurvariatie in recreatiegebieden. - Natuurinclusieve landbouw: Waar de landbouw nabij Natura 2000-gebieden zich moet aanpassen, is er veel ruimte voor natuurinclusieve landbouw, voedselbossen en pluktuinen, en de aanpassing van waterpeilen.

- Natuurinclusief toerisme: Op terreinen van recreatie-ondernemers is winst te behalen, bijvoorbeeld met streekeigen beplanting en afvalwaterbeheer. - Landbouwinclusieve natuur: In zones aangemerkt als natuurgebied zijn landbouwactiviteiten soms ook mogelijk. Bedreigingen: Afname kwaliteit natuur en landschap: Door vervuiling, monoculturen, stikstofdepositie, toename infrastructuur en bebouwing en verrommeling (bv zonneweiden en windmolens) blijft de afname van biodiversiteit, landschappelijke kwaliteit en kwetsbaarheid van natuurgebieden een zorg.

11

Landbouw – Water - Bodem Sterkten: - Gunstige omstandigheden voor de landbouw: Door de centrale ligging tussen steden (veel consumenten), goede infrastructuur en de goede, vruchtbare landbouwgrond levert deze sector veel op. De goede (verwerkings-)bedrijven rondom de landbouw dragen daar ook aan bij. - Diversiteit landbouw: Op de ZH-eilanden vinden we veel verschillende vormen van landbouw: groot- en kleinschalig, akkerbouw, veeteelt, (glas)tuinbouw en fruitteelt (en visserij). Dit hangt samen met de geomorfologie en bodemgesteldheid. - Ondernemend vermogen: De agrariërs zijn creatief en innovatief, dat komt o.m. tot uiting in diversiteit van teelten/producten, nevenactiviteiten in recreatie, korte ketens (boerderijwinkels), bijdrage aan natuur(beheer), zorg en educatie. Daarnaast is ook het organiserend vermogen goed en sterk. Zwakten: - Grond wordt schaars en duur: Door de toenemende verstedelijking en aanleg van infrastructuur, maar ook door natuurontwikkeling en klimaatmaatregelen, neemt de hoeveelheid beschikbare landbouwgrond af, waardoor de grond steeds duurder wordt. - Nieuw beleid: Door het nieuwe stikstofbeleid, uitvoering Kaderrichtlijn water en strengere maatregelen ten behoeve van natuur, water- en bodemkwaliteit komt de gangbare praktijk onder druk te staan. - Luchtkwaliteit: De luchtkwaliteit wordt o.a.

negatief beïnvloed door de industriële activiteiten in Europoort. - Bodemkwaliteit: De bodemkwaliteit hangt nauw samen met het waterbeheer. Het peilbeheer is nu niet optimaal om bijvoorbeeld verzilting tegen te gaan. - Waterkwaliteit: De toename van plaagplanten (algen en wieren) vormt een probleem voor alle sectoren. De opgave voortkomend uit Kaderrichtlijn water zal alle sectoren raken, zowel bij voortzetting huidige activiteiten als bij toekomstige ontwikkelingen. - Waterkwantiteit: Op dit moment is er niet jaar rond voldoende zoetwater beschikbaar. - Beschikbaarheid gekwalificeerd personeel: Deze neemt af door algemene trends, maar op de eilanden sterker door ontgroening en vergrijzing. Kansen: - Voortgaande innovatie en diversificatie: Diverse innovaties kunnen nader onderzocht worden, zowel op het gebied van nieuwe teelten (lisdodde, vlas, tarwe) en productiewijzen (bv. bokashi, strokenteelt), als wat betreft toevoegen van waarde aan producten en diensten. - Samenwerking en kennisdeling: Meer winst is ook te behalen op het gebied van samenwerking, zowel binnen de sector als met andere sectoren (natuur, recreatie, energie). Verdergaande kennisdeling is nodig, middels cursussen, workshops, demonstraties, ed.

- Medegebruik agrarische gronden: Door (delen van) agrarische grond in te zetten voor natuur/biodiversiteit (bloemrijke akkerranden), recreatie (wandelpaden langs kreken en sloten) en klimaatmaatregelen (waterretentie, energie-opwekking) kan de sector gederfde inkomsten compenseren. - Toevoegen van nevenfuncties en diensten: Voor agrariërs liggen er ook mogelijkheden om nevenfuncties en diensten toe te voegen aan hun bedrijf om het zo rendabel te houden. Mogelijkheden zijn: boerderijwinkels, agrotoerisme, zorg ed. - Waterbalans: Het herstellen van jaarrond voldoende zoet water voor alle sectoren. Bedreigingen: - Voorgaande gronddruk: Deze leidt niet alleen tot minder beschikbare grond, maar ook tot hogere prijzen, onder druk staande bedrijfsresultaten. - Bodem- en waterkwaliteit: Risicofactoren zijn en blijven: verzilting, plaagplanten (wieren en algen) en zoetwatervoorziening op (middel)lange termijn. Daarnaast speelt specifiek voor GO de bodemdaling - Medegebruik van agrarische grond: het medegebruik voor natuur en recreatie kan op termijn leiden tot beperkingen voor agrarisch gebruik.

12

2.2.2 Ontwikkelingsperspectief Uit de SWOT analyse komt naar voren dat het er voor Leader-gebied Zuid-Hollandse Eilanden volop ontwikkelingskansen op diverse beleidsterreinen, onderwerpen of thema’s aanwezig zijn. Voor het uitwerken van een adequate ontwikkelingsstrategie is het daarom noodzakelijk om niet alleen te kijken naar de mogelijkheden binnen de afzonderlijke beleidsterreinen. Er zal ook rekening gehouden moeten worden met ontwikkelkansen die strijdig met elkaar (kunnen) zijn. Daarom moet er bovenal gezocht worden naar een cross-sectoraal maatregelenpakket waarmee het mogelijk wordt om op de grootste behoeften in te spelen en de belangrijkste uitdagingen aan te gaan, waarbij plattelandsontwikkeling in brede zin het overkoepelende thema is. Het ontwikkelingsperspectief voor de Zuid-Hollandse Eilanden wordt aan de hand van vier pijlers inzichtelijk gemaakt. Deze vier pijlers, die hieronder kort benoemd worden, worden in hoofdstuk drie verder uitgewerkt aan de hand van doelen en maatregelen passend in een cross-sectorale aanpak. De 4 pijlers sluiten goed aan op de 3 specifieke LEADER-thema’s naast plattelandsontwikkeling. Deze 3 thema’s zijn: klimaat, duurzame ontwikkeling/beheer water en milieu en bescherming biodiversiteit.

Het overkoepelende thema ‘plattelandsontwikkeling’ komt waar het landbouw betreft sterk terug in pijler 1 en waar het andere aspecten betreft ook in de overige pijlers; het specifieke thema klimaat komt terug in pijler 4 en de beide andere specifieke thema’s in pijler 3. In hoofdstuk 3 wordt de aansluiting van de pijlers op alle thema’s nader toegelicht. Er is gekozen voor 4 pijlers, die niet 1-op-1 aansluiten bij de 4 Leader-thema’s, maar iets anders verwoord zijn. De reden hiervoor is de clustering die gemaakt is door stakeholders in het gebied op basis van een brede SWOT-analyse. Met de 4 gekozen pijlers wordt daarmee beter aangesloten op die SWOT-analyse en het gewenste ontwikkelingsperspectief. Daarnaast wordt met deze pijlers de cross-thematische aanpak beter zichtbaar gemaakt. Pijler 1: Stimuleren innovatie in de landbouw, ook om het platteland aantrekkelijker te maken. Door de groei van de economische activiteit in en om de Rijnmond-regio wordt het buitengebied aan de randen steeds drukker. Er komen meer woningen en infrastructuur en de vraag naar recreatie en natuurgebieden groeit. Hierdoor neemt de druk op agrarische gronden toe. Dit betekent dat agrarische bedrijven moeten innoveren om bestaansrecht te behouden. Dit kan bv.

doordat agrarische bedrijven hun traditionele bedrijf anders inrichten, innoveren op het gebied van teelten of dat zij via nieuwe diensten directe verbinding leggen met de bewoners uit de nabijgelegen stedelijke regio. Daarnaast liggen er kansen voor het integreren van andere functies (bv. natuur en recreatie) op het bedrijf. Pijler 2: Uitbreiden en vernieuwen toeristische-recreatieve voorzieningen in het buitengebied. Het mooie en diverse landschap van de Zuid-Hollandse Eilanden heeft een grote aantrekkingskracht op recreanten, voornamelijk uit de Rijnmond-regio. Uitbreiding en vernieuwing van recreatieve voorzieningen zijn nodig om aan de veranderende wensen van recreanten te voldoen. Daarnaast is het wenselijk om kust en achterland beter met elkaar te verbinden om zo spreiding van toerisme (met name de kustzones) te stimuleren en de druk op kwetsbare natuur langs de kust te verminderen. Kansen liggen er op het verbeteren van de basisvoorzieningen en de beleefbaarheid van natuur, erfgoed en water en het ontdekken en leren over de agrarische sector. Ook het mee invulling geven aan maatschappelijke noden (op het gebied van biodiversiteit en klimaat) is een belangrijk aandachtspunt voor deze sector. Pijler 3: Ontwikkeling duurzaam en biodivers landschap. Rotterdam is een drukke en grote stad.

Haar bewoners trekken graag richting de omliggende buitengebieden om te recreëren en te genieten van de rust en ruimte. Het gebied ten zuiden van Rotterdam biedt hiertoe goede mogelijkheden vanwege de cultuurhistorische en natuurwaarden en het vele water. Echter de recreatieve druk in Natura 2000-gebieden is 13

soms ook te hoog, waardoor spreiding wenselijk is. De meer agrarische delen van het gebied zijn ook aantrekkelijk, maar de potentie daarvan wordt nog onvoldoende benut. Versterking van water, natuur en landschap bieden daartoe echter goede mogelijkheden, waardoor het hele LEADER gebied van nog grotere waarde kan zijn als buitengebied van de steeds drukker wordende Randstad. De bouw en aanleg van meer woningen en infrastructuur versterkt de noodzaak voor verbetering, verbinding en versterking van natuur en landschap om de kracht ervan te behouden. Pijler 4: Stimuleren duurzame ontwikkeling met betrekking tot leefbaarheid en klimaat. De leefbaarheid in kleine kernen neemt af. Dit is geen ontwikkeling die uniek is voor de ZuidHollandse Eilanden, maar zich in heel Nederland voordoet. Om deze ontwikkeling te keren is er behoefte aan nieuwe initiatieven, samenwerkingsverbanden en educatie-activiteiten waardoor bewoners het gevoel krijgen dat ze ook het heft in eigen handen kunnen nemen. Ook voor het nemen van maatregelen op het gebied van klimaat en milieu hebben initiateven ondersteuning nodig omdat zij vaak buiten de grotere stedelijke projecten vallen vanwege het andere schaalniveau en specifieke, lokale omstandigheden.

Beperkingen en prioriteiten Dit programma zal zich vooral richten op het stimuleren van bottom-up initiatieven die bijdragen aan een versterking van de relaties tussen de verschillende partijen die actief zijn op het platteland. Daarbij gaat het vooral om het versterken van de verbinding en het overbruggen van tegengestelde belangen tussen die partijen. Ook het betrekken van private partijen daarbij is belangrijk. Uitgangspunt is zowel de economische en sociale kracht van het gebied te versterken alsmede de landschappelijke kwaliteit te vergroten. Bijvoorbeeld door initiatieven te ondersteunen die een nuttige functie vervullen op het gebied van het versterken van het verenigingsleven, het ondersteunen van innovaties in de recreatie en landbouw, het (nog) aantrekkelijker maken van het landschap door bijvoorbeeld de aanleg van kleine groenstructuren (langs, water, dijken en rondom agrarische bedrijven), het verbinden van groenstructuren en het creëren van verbindingen tussen het kustgebied en achterland. Het ondersteunen van dit soort initiatieven, welke beperkt van omvang zijn maar wel duidelijk aansluiten bij de vier pijlers, zal prioriteit krijgen in dit programma.

2.2.3 Krachtenveldanalyse Er is een gevarieerd en actief verenigingsleven, dorpsraden organiseren allerlei activiteiten en weten indien nodig de weg naar de lokale politici te vinden. Natuurorganisaties, recreatiebedrijven en agrariërs geven kleur aan de buitengebieden, en op vele andere manieren wordt er in dit Leadergebied gewerkt aan de ontwikkeling van het gebied. Doordat er in de afgelopen jaren al veel trajecten zijn opgezet, zoals de Landschapstafels en de Regiodeal, en er daarbij steeds nadrukkelijk gekozen is voor een aanpak met grote betrokkenheid van lokale stakeholders, hebben veel van de organisaties die in het gebied al actief waren elkaar beter leren kennen. Zo ontstonden er verscheidene ideeën om het gebied in breder verband te ontwikkelen. Verschillende partijen met verschillende invalshoeken hebben als vanzelfsprekend af en toe botsende belangen en ideeën. Maar in het gebied is er bovenal een grote behoefte om bestaande samenwerkingsverbanden voort te zetten en uit te breiden. Met andere woorden, veel organisaties in het lokale krachtenveld zouden graag de krachten blijvend bundelen. Ter precisering van het krachtenveld, is in bijlage 1 een overzicht gegeven van organisaties die in het gebied actief zijn en op welke wijze.

14

3. Strategie en doelstellingen 3.1 Strategie, thema’s en algemene doelstellingen In het ontwikkelingsperspectief (zie hoofdstuk 2) zijn de contouren geschetst van een ontwikkelingsstrategie aan de hand van vier pijlers (gebaseerd op de 4 LEADER-thema’s): 1. Stimuleren innovatie in de landbouw, ook om het platteland aantrekkelijker te maken 2. Uitbreiden en vernieuwen toeristisch-recreatieve voorzieningen 3. Ontwikkeling duurzaam en biodivers landschap 4. Stimuleren duurzame ontwikkeling met betrekking tot leefbaarheid en klimaat Binnen deze vier pijlers zijn diverse doelen geformuleerd die in deze paragraaf worden beschreven en toegelicht. De volgorde van de pijlers en doelen duiden op zich geen prioriteit aan. Echter de prioriteiten (mate van urgentie en belang) worden in het schematisch overzicht van de pijlers en doelen (zie pagina 18) in kleur en toelichting weergegeven. In de volgende sub-paragrafen wordt uiteengezet hoe deze vier pijlers en de doelen aansluiten bij de Leader-doelen van het NSP, in welke mate er sprake is van integraliteit (cross-sectorale aanpak) en vernieuwing, en de wijze waarop de strategie past in de bredere beleidscontext. Tenslotte worden de doelen vertaald in concrete, meetbare doelstellingen, welke de basis vormen voor de indicatoren en de streefwaarden van dit programma.

3.1.1 Strategie en doelen Pijler 1: Stimuleren innovatie in de landbouw, ook om het platteland aantrekkelijker te maken 1.1 Kennisdeling en samenwerking mbt technische innovaties in de landbouw. Technologische en andere ontwikkelingen in de landbouw gaan snel. Het blijkt vaak lastig voor agrariërs om dat allemaal zelf goed bij te houden. Er is behoefte aan activiteiten en samenwerking om alle kennis op het gebied van innovatie goed bij bedrijven te krijgen en waar mogelijk te implementeren. 1.2 Experimenten, proefprojecten voor technische innovaties. De agrarische bedrijven op de ZuidHollandse staan open voor innovaties en zijn daar zelf vaak ook al actief mee aan de slag. De variatie aan agrarische bedrijvigheid maakt het gebied ook tot een ideale proeftuin voor tal van innovaties. Deze kenmerken van de sector in het gebied kan nog beter voor het voetlicht gebracht worden en daardoor een trigger worden voor het aantrekken van nieuwe experimenten en proefprojecten (bv. op het gebied van robotisering). Hierdoor kan de agrarische sector in dit gebied de bedrijfsvoering optimaliseren en toekomstbestendig maken. 1.3 Ontwikkeling nieuwe streekproducten, incl. versterking korte ketens (sociaalmaatschappelijke innovaties).

Agrariërs moeten volop de ruimte krijgen om naast hun primaire oriëntatie op voedselproductie ook andere vernieuwende diensten/producten te ontwikkelen en uit te voeren. Bij voorkeur vormen nieuw te ontwikkelen diensten of producten een aanvulling op het reeds bestaande aanbod en dragen deze bij aan het vergroten van de belevingswaarde van het platteland. Acties waarbij agrariërs samen met lokale groepen aan de slag gaan om streekproducten en korte ketens te bedenken en te realiseren zullen gestimuleerd en ondersteund worden. 1.4 Innovatieve verdienmodellen voor medegebruik agrarische gronden en andere functies (sociaal maatschappelijke innovaties). Door de ligging nabij natuurgebieden wordt het voor agrariërs soms lastig hun bedrijf verder te ontwikkelen. Om bedrijfseconomisch te kunnen blijven voortbestaan zal het soms nodig zijn om nieuwe verdienmodellen te ontwikkelen. Het integreren van andere functies in het bedrijfsmodel biedt daarvoor wellicht kansen, maar daarvoor is ondersteuning nodig en experimenteerruimte.

15

Pijler 2: Uitbreiden en vernieuwen van toeristisch-recreatieve voorzieningen. 2.1 Versterken/verbeteren verbindingen en routestructuren, incl. beleefbaarheid. Het gebied heeft een grote aantrekkingskracht op recreanten en toeristen die veelal fietsend of wandelend het gebied verkennen. Uitbreiding van het fiets-, wandel- en ruiterpadennetwerk, het invullen van ontbrekende schakels en het vergroten/versterken van de beleefbaarheid, maakt het gebied nog beter toegankelijk en aantrekkelijk, zeker als het kustgebied beter verbonden wordt met het achterland. 2.2 Stimuleren invulling geven aan maatschappelijke noden (bv. op het gebied van klimaat). De recreatieve sector krijgt steeds meer te maken met noodzakelijke en wenselijke investeringen op het gebied van energie, klimaat en biodiversiteit. Niet alleen vanuit (wettelijke) regelgeving, maar ook vanuit klanten/bezoekers die dit wensen. Recreatieve ondernemers hebben daarom behoefte aan ondersteuning, advies en voorbeeldprojecten op dit gebied. 2.3 Verbeteren basisvoorzieningen en klein erfgoed op het platteland. Goede routestructuren zijn belangrijk om het landelijk gebied goed toegankelijk te maken. Maar recreanten hebben ook behoefte aan goede basisvoorzieningen (bankjes, info ed.) langs die routes. Hiermee wordt ook de beleefbaarheid vergroot.

Om die beleefbaarheid verder te versterken is het ook wenselijk het klein erfgoed (zoals relicten, historische sluisjes) meer en beter onder de aandacht te brengen (middels herstel, informatie ed.). 2.4 Beleefbaarheid en bereikbaarheid water versterken. Het hele Leader-gebied van de ZHeilanden wordt omgeven en doorsneden door water (groot en klein). Echter dit water is op veel plekken moeilijk bereikbaar en beleefbaar. Dus om deze kenmerkende landschapselementen meer onderdeel te laten worden van de recreatiewaarden is het nodig deze aspecten te verbeteren. Pijler 3: Ontwikkeling duurzaam en biodivers landschap. 3.1 Stimuleren aanleg/aanplant streekeigen bos/bomen, heggen/hagen, kleine groenstructuren. De cultuurhistorische waarden van het gebied kunnen beter zichtbaar gemaakt worden door de aanleg van allerlei kleine groenstructuren, zoals kreek-begeleidende beplanting en dijkbeplanting. In het verleden zijn deze landschapselementen op veel plekken verdwenen. Door deze te herstellen wordt een impuls gegeven aan de landschappelijke kwaliteiten van het gebied en het zal een positief effect hebben op de beleving van het gebied door zowel bewoners als bezoekende recreanten en toeristen. 3.2 Stimuleren nieuwe initiatieven ter verbetering van water- en bodemkwaliteit en waterkwantiteit.

Het in stand houden van water- en bodemkwaliteit is van fundamenteel belang voor natuur en biodiversiteit, maar daarnaast ook voor een gezonde landbouw. Her en der doen zich problemen voor op dit gebied (bv. blauwalg), waarbij partijen samen moeten werken om tot oplossingen te komen. Dit Leaderprogramma is niet geschikt voor grote, kostbare maatregelen, maar wel om nieuwe kleinschalige initiatieven op dit gebied te ondersteunen en te testen. 3.3 Stimuleren/ondersteunen natuurinclusieve landbouw en natuurinclusieve recreatie en landbouwinclusieve natuur. Het uitbreiden van natuurgebieden kan betekenen dat er minder ruimte is voor landbouw. Het extensiveren van landbouwgebieden biedt de mogelijkheid om de grond zowel een natuur- als landbouwfunctie te laten vervullen. Ook recreatieterreinen kunnen door een gerichte aanpak veel meer bijdragen aan de biodiversiteit. 3.4 Creëren verbindingen tussen natuurgebieden en toegankelijkheid verbeteren. Naast de grotere natuurgebieden, zoals de duinen van Voorne en Goeree-Overflakkee, heeft het gebied ook een groot aantal kleinere natuurgebieden. Voor de biodiversiteit (uitwisseling) is het wenselijk deze kleinere gebieden beter met elkaar te verbinden. Deze verbindingen kunnen ook gebruikt worden om de toegankelijkheid van de natuurgebieden te verbeteren en daarmee de beleefbaarheid van het landschap te versterken.

16

Pijler 4: Stimuleren duurzame ontwikkeling met betrekking tot leefbaarheid en klimaat 4.1 Stimuleren kleinschalige initiatieven om leefbaarheid dorpen te verbeteren. Dorpen en kleine kernen in heel Nederland hebben het moeilijk om de leefbaarheid op peil te houden vanwege het beperkte draagvlak (aantal inwoners) voor voorzieningen. Toch zien we op tal van plaatsen in Nederland goede initiatieven om die leefbaarheid te verbeteren. Ook in dit gebied, binnen dit programma willen we daar ruimte voor bieden. 4.2 Ondersteunen initiatieven op het gebied van klimaat en milieu. Op het platteland is het vaak lastig om mee te doen aan grootschalige investeringen in klimaat en milieu (bv. aan warmtenetten). Toch zijn bewoners vaak zeer bereid om hun steentje bij te dragen aan een beter milieu. Kleinschalige, lokale initiatieven kunnen daartoe vaak heel nuttig zijn en verdienen daarom ondersteuning. 4.3 Stimuleren/ontwikkelen van diverse educatie-activiteiten voor het platteland. Om nieuwe initiatieven voor diverse doelen (binnen deze en andere pijlers) te stimuleren en van de grond te krijgen is er behoefte aan educatie-activiteiten op en voor het platteland. Dit doel is nadrukkelijk naar voren gebracht tijdens diverse stakeholdersbijeenkomsten over deze LOS. In de uitvoeringsfase van dit programma wordt daar samen met gebiedspartijen nadere invulling aan gegeven.

4.4 Ondersteunen initiatieven voor nieuwe samenwerkingsverbanden. Om initiatieven voor het verbeteren van de leefbaarheid, klimaat en milieu op het platteland mogelijk te maken, is het vaak ook nodig om tot nieuwe samenwerkingsverbanden tussen uiteenlopende partijen te komen. Dit soort initiatieven verdienen ondersteuning en daartoe zullen ook diverse activiteiten uitgevoerd worden.

Plattelandsontwikkeling in de breedte Pijler 1:

Pijler 2:

Pijler 3:

Pijler 4:

stimuleren innovatie in de landbouw

uitbreiden en vernieuwen toeristisch-recreatieve voorzieningen

1.1 kennisdeling en samenwerking mbt innovaties landbouw

2.1 versterken/verbeteren verbindingen en routestructuren

3.1 stimuleren aanleg/aanplant kleine groenstructuren

4.1 stimuleren kleinschalige initiatieven voor leefbaarheid dorpen

1.2 experimenten, proefprojecten voor innovaties

2.2 stimuleren invulling geven aan maatschappelijke noden

3.2 stimuleren nieuwe initiatieven ter verbetering van water en bodenkwaliteit en waterkwantiteit

4.2 ondesteunen initiatieven op het gebied van klimaat en milieu

1.3 ontwikkeling/versterking korte ketens en streekproducten

2.3 verbeteren basisvoorzieningen en klein erfgoed

3.3 stimuleren/ondersteunen natuurinclusiebve landbouw en recreatie en landbouwinclusieve natuur

4.3 stimuleren/ontwikkelen van educatie-activiteiten voor het platteland

1.4 verdienmodellen voor medegebruik agrarische gronden

2.4 Beleefbaarheid en bereikbaarheid water versterken

3.4 creëren verbindingen tussen natuurgebieden en toegankelijkheid verbeteren

4.4. ondersteunen inittiatieven voor nieuwe samenwerkingsverbanden

ontwikkeling duurzaam en biodivers landschap

stimuleren duurzame ontwikkeling mbt leefbaarheid en klimaat

Schema 3.1.1 Schematische weergave strategie en doelen + prioriteiten (mate van urgentie en belang): groen = ultieme prioriteit; geel = need to have; wit = nice to have

17

Opmerkingen: 1. Hoewel de doelen nu erg sec en afzonderlijk van elkaar benoemd (lijken te) staan, zitten er zeker veel linken en raakvlakken tussen de doelen (dat kan leiden tot projecten die op meerdere doelen betrekking hebben). Zo zitten er bv. raakvlakken en linken tussen de doelen 1.1 en 4.3, tussen 1.3 en 2.4, tussen 1.4 en 3.3, tussen 2.1 en 3.1, tussen 2.2 en 3.2 en 4.2, tussen 2.4, 1.4 en 3.3 etc. 2. Overwegingen die een rol hebben gespeeld bij het bepalen van de prioriteiten binnen de pijlers: a. Bij pijler 1 hebben vooral de landbouworganisaties aangegeven dat er veel behoefte is aan de eerste twee doelen en dat doel 4 wel relevant, maar ook een lastige materie is (waardoor het de laagste prioriteit heeft gekregen. b. Bij pijler 2 vonden de toeristisch-recreatieve ondernemers en organisaties het verbeteren van verbindingen het belangrijkst omdat daarmee samenhang in het totale aanbod gecreëerd kan worden en deze niet vanzelf tot stand worden gebracht. Doel 4 is hier als minst belangrijke benoemd omdat het vaak best lastig is het water bereikbaar en beleefbaar te maken, ook omdat het vaak conflicteert met andere belangen (natuur, waterkwaliteit). c. Bij pijler 3 is de aanleg van kleinschalig natuur voorop gezet omdat dit de biodiversiteit in de breedte het meest ondersteund en passend is binnen dit programma.

Het creëren van verbindingen tussen grote natuurgebieden is ook heel belangrijk, maar heel kostbaar en heeft daarom de laagste prioriteit gekregen. d. Bij pijler 4 hebben plattelandsbewoners vooral behoefte aan ondersteuning van kleinschalige initiatieven op het gebied van leefbaarheid, klimaat en milieu. Nieuwe samenwerkingsverbanden (doel 4) zullen soms wel nodig zijn, maar heeft niet de eerste prioriteit

3.1.2 Relatie LOS met doelen NSP-LEADER Plattelandsontwikkeling in de volle breedte is het hoofdthema van dit LEADER-programma en gebied. Dit krijgt vorm in 4 pijlers: landbouw, recreatie, landschap en leefbaarheid & klimaat. In de doelen binnen de 4 pijlers wordt invulling gegeven aan de 4 centrale doelen van het NSP. Het doel D (SO4) krijgt in directe zin vorm binnen de doelen 2.2 en 4.2 waarin de nadruk ligt op klimaat-maatregelen in de recreatiesector en in kleine dorpen en kernen. Echter ook binnen de doelen 1.2, 1.4 en 4.3 kunnen klimaatmaatregelen vormgegeven worden. Het doel E (SO5) voor duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen (bodem en water) is primair verwoord in doel 3.2, maar kan ook vorm gegeven worden middels projecten onder doelen 1.2, 1.4, 2.2 en 4.2. Het doel F (SO6) dat gericht is op het tegengaan van biodiversiteitsverlies staat centraal in de doelen 3.1 en 3.4 waarin aandacht is voor het bevorderen van de biodiversiteit middels aanleg van kleine groenstructuren en voor het creëren van verbindingen tussen natuurgebieden. Daarnaast komt dit doel terug in andere doelen, zoals 1.4 en 3.3. Het vierde en laatste doel F (SO8) is in feite een horizontaal thema omdat het gericht is op werkgelegenheid, groei, sociale inclusie en lokale ontwikkeling in plattelandsgebieden. Dit doel komt in alle pijlers en doelen van de strategie terug.

Naast de 4 hoofddoelen van NSP-Leader zijn er in dit Leader-programma ook enkele andere doelen benoemd. Dit betreft de doelen A (SO1), C (SO3) en J (XCO). A en C krijgen als doelen vorm binnen pijler 1, dat is gericht op het stimuleren van innovatie in de landbouw. Binnen deze pijler is veel aandacht voor het versterken van de veerkracht van de landbouwsector (middels innovatie), maar ook voor korte ketens en streekproducten waarbij de positie van landbouwers in de waardeketen versterkt kan worden. Ook het doel J komt terug in pijler 1, met name binnen doel 1.1 (kennisdeling en samenwerking), maar in zekere zin in pijler 4. In die laatste pijler is ook aandacht voor educatie en samenwerking in plattelandsgebieden. 18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13530642/1